Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk II

De eerste militair-civiele verzetsformaties

I. De groep-Erkens

I.1. Inleiding

Nadat België op 28 mei 1940 de wapens had neergelegd, werden duizenden militairen afgevoerd naar Duitse krijgsgevangenkampen. De militairen die zich in de omgeving van Namen hadden overgegeven, onder wie veel Fransen, trokken via het Zuidlimburgse grensdorp Eijsden naar Duitsland en bivakkeerden enige tijd op het plaatselijk voetbalveld. Enkelen van hen slaagden erin te ontsnappen. Inwoners van Eijsden hielpen de militairen zo nu en dan en wezen ze via smokkelpaadjes de weg terug naar België. 1] Van een gecoördineerde samenwerking met Belgen in de Voerstreek was in dit stadium van de bezetting nog geen sprake. Waarschijnlijk verwezen de helpers in Eijsden de vluchtelingen naar familie- en zakenrelaties in de grensstreek in de veronderstelling dat daar eveneens hulp zou worden geboden.
De familie Smeets raakte al vroeg betrokken bij het over de grens brengen van deze krijgsgevangenen. Dat lag enigszins voor de hand. Het gezin bewoonde een boerderij vlak bij de grens en gezinshoofd M.H.A. (Alfons) Smeets, een fruithandelaar, reisde uit hoofde van zijn beroep regelmatig naar België en Frankrijk. In dat laatste land woonden verwanten van de familie Smeets, met wie ze regelmatig contact hadden. Daardoor spraken de gezinsleden redelijk Frans. 2]
Eind juni 1940 vervoegde zich de eerste uit Duitsland afkomstige krijgsgevangene bij Smeets. Hij was uit een kamp gevlucht en bij rector M.J.M. Oomes in Eijsden terechtgekomen, die hem had doorverwezen naar Smeets. Deze verklaarde zich niet alleen bereid de Fransman te helpen, maar ging ook akkoord met diens voorstel om zijn medegevangenen in Duitsland in te lichten over de vluchtroute via Smeets. 3] Weldra volgden er meer. Sommigen bereikten Eijsden door gebruik te maken van de routebeschrijving, verstopt in voedselpakketten van het Rode Kruis. Andere krijgsgevangenen vertrouwden op hun geografische kennis en trokken westwaarts tot ze de Maas bereikten. Ze wisten dat ze door de rivier steeds zuidwaarts te blijven volgen Wallonië en uiteindelijk Frankrijk zouden bereiken.
De krijgsgevangenen zochten in Eijsden contact met Smeets, rector Oomes, kapelaan L. van der Dungen of met de kloosterlingen van de orde der paters Kapucijnen - zij behoorden tot de Parijse provincie - en sedert eind 1940 met graaf R.R.E.M.J.G. de Liedekerke de Pailhe. De graaf behoorde tot een oud Belgisch geslacht. In mei 1940 vocht hij in het Belgisch leger en verbleef tot december 1940 in Duitse krijgsgevangenschap. De geestelijken stuurden de Fransen en Walen steeds door naar de familie Smeets. 4] Kennelijk wisten ze dat daar een mogelijkheid was de grens clandestien te passeren. M.H.A. Smeets en zijn twee zonen Jan en Jef brachten de vluchtelingen naar het meest nabij gelegen Belgische station, Visé, waarna ze op eigen gelegenheid de tocht per trein vervolgden. Hoeveel krijgsgevangenen de familie Smeets in de zomer van 1940 geholpen heeft staat niet vast. Het zijn er waarschijnlijk eerder tientallen geweest dan, zoals door sommigen naderhand wel is beweerd, honderden.5]

I.2. Contact met Belgische verzetsgroepen


In Luik en omgeving begon de gewezen kapitein-kapelmeester in het Belgische leger, A. Renkin, in de zomer van 1940 met enkele oud-militairen en burgers een vluchtlijn voor Engelandgangers en ontsnapte Franse krijgsgevangenen op te zetten. Renkin was dirigent van één van de twee Eijsdense harmoniegezelschappen, waarvan graaf De Liedekerke als president en M.H.A. Smeets als bestuurslid optraden. Van Smeets hoorde Renkin over de toeloop van krijgsgevangenen. Ze spraken af de hulp op elkaar af te stemmen. De groep rond Renkin zou de krijgsgevangenen opvangen en verder helpen. Smeets en zijn zonen brachten ze met hulp van de douanier D. Sleeuwenhoek over de grens naar Visé of Luik. Graaf De Liedekerke begeleidde de vluchtelingen, die zich bij zijn kasteel vervoegden, aanvankelijk zelf tot Luik. Naderhand haalde Smeets ze bij hem op. Renkins organisatie zorgde voor vervalste papieren. De reis door Wallonië leverde doorgaans weinig problemen op. Tot december 1940 werden de Fransen via smokkelpaden over de Belgisch-Franse grens gegidst. Na die tijd maakte men gebruik van een vaste route via het Zuidbelgische Heer-Agimont. Renkin was erin geslaagd in deze grensplaats contact te leggen met oud-militairen, die de Fransen over de grens loodsten naar het Noordfranse Givet. 6]
Gedurende de eerste bezettingsjaren passeerden slechts weinig geallieerd vliegtuigpersoneel - men noemde ze doorgaans kortweg “piloten” - en Engelandgangers de grens bij Eijsden. De grote bombardementen op Duitsland begonnen pas in 1943 en contacten met andere delen van het land bestonden nog niet of bevonden zich in een stadium van zoeken en aftasten. In België verliep de laatstgenoemde ontwikkeling sneller. Eind 1940 werd de groep rond Renkin opgenomen in de landelijke inlichtingendienst “Luc”, een organisatie die zich naast het verzamelen van inlichtingen toelegde op sabotage en hulp aan krijgsgevangenen, “piloten” en Engelandgangers. “Luc” was in september 1940 opgericht door G. Leclercq, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie in Brussel, de advocaat en cineast A. Cauvin en de beroepsofficier H. Bernard. De drie hadden voor de naam “Luc” gekozen ter nagedachtenis aan de in de meidagen van 1940 gesneuvelde zoon van Leclercq, Luc. In de loop van 1941 vertakte de dienst zich over België en kreeg de beschikking over een ontsnappingsroute via Limoux in het onbezette Vichy-Frankrijk naar Spanje. Langs deze weg kon “Luc” tevens inlichtingen versturen. Vanaf 1942 werden voor dit werk speciale koeriers aangesteld. Zij reisden van Brussel naar (onbezet) Lyon, waar ze de gegevens via diplomatieke kanalen in Zwitserland, Spanje of Portugal naar Engeland verzonden. Door verraad moesten de drie oprichters van “Luc” eind 1941 België ontvluchten. P. Depreter nam de leiding over. In oktober 1942 viel hij in Duitse handen en nam geheim agent M. Londot het heft in handen. Hij schermde de dienst goed af en beperkte de werkzaamheden van “Luc” (in juni 1942 omgedoopt tot “Marc”) tot het verzamelen van inlichtingen. Vermoedelijk kreeg Londot eind 1942 rechtstreeks zendcontact met Engeland. 7] Het kwam hem goed van pas, want op 11 november waren Italiaanse en Duitse troepen Vichy-Frankrijk binnengetrokken.
Na de opname van Renkins groep in “Luc” gingen hij en zijn medewerkers zich ook bezighouden met het inwinnen en verwerken van, in hoofdzaak, militaire inlichtingen. Tot die helpers behoorden enige bekenden in Eijsden, zoals de familie Smeets en C.H.A. (Hubert) Smeets, gemeentesecretaris en broer van M. Smeets. C. Smeets riep op zijn beurt de hulp in van J. Arpots, J. Partouns en J. Reintjens, drie jongeren van wie er één bij de Nederlandse Spoorwegen werkte. Het drietal noemde zich het “Oranjedriehoekje”. Zij noteerden alle bijzonderheden over het treinverkeer en gaven de gegevens door aan C. Smeets, die ze op het gemeentehuis overtypte op vloeitjes. 8] Hij of gezinsleden van zijn broer brachten het materiaal naar medewerkers van Renkin in Visé of Luik.
Niet alleen “Luc” werkte in Zuid-Limburg. In de tweede helft van 1941 vond de arts J. Goffin, hoofd van de landelijke Belgische inlichtingendienst “Clarence” in de Voerstreek, graaf De Liedekerke bereid zich aan te sluiten bij zijn organisatie en in Zuid-Limburg op zoek te gaan naar medewerkers. Goffin was huisarts van De Liedekerke. “Clarence” kan worden beschouwd als een voortzetting van de inlichtingendienst “La Dame Blanche”, opgericht in de Eerste Wereldoorlog door de industrieel D. Lambrecht. Na de arrestatie van Lambrecht in april 1916 had zijn neef, W. Dewé uit Luik, de leiding overgenomen. Meteen na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog besloot Dewé “La Dame Blanche” nieuw leven in te blazen en nam hij contact op met enkele oud-medewerkers. De besprekingen leidden tot de oprichting van het “Corps d’Observation Belge” (C.O.B.). De door het C.O.B. verzamelde inlichtingen werden zowel aan het Generaal Hoofdkwartier van het Belgisch leger als aan Franse en Britse inlichtingendiensten doorgegeven. Diezelfde maand nog, september 1939, vroeg een medewerker van de Britse Special Intelligence Service (S.I.S.) Dewé het inlichtingennet uit te breiden en bij een eventuele bezetting van België door Duitsland het S.I.S. van dienst te zijn. In de zomer van 1940 had Dewé zijn ondergronds netwerk, gebaseerd op “La Dame Blanche”, gereed. Met het oog op zijn persoonlijke veiligheid - in 1935 was in de Verenigde Staten namelijk een boek verschenen over “La Dame Blanche”, waarin de naam van Dewé veelvuldig voorkwam - droeg Dewé de leiding over aan de reserve-officier A. Demarque (“Clarence”). Deze vestigde het hoofdkwartier in Brussel.
Het S.I.S. stelde “Clarence” vier zenders ter beschikking, waarmee men alleen kon zenden, niet ontvangen. Hierdoor was het niet mogelijk te controleren of de berichten hun bestemming bereikten. Toch bleef “Clarence” tot eind januari 1941 via de haar openstaande kanalen zenden, maar trachtte intussen ook over land contact met Engeland te krijgen. Na drie mislukte pogingen slaagde een industrieel, een zekere De Bruyn, er in december 1940 in de gewenste verbinding tot stand te brengen. De verantwoordelijke autoriteiten in Engeland reageerden snel. In de nacht van 12 op 13 januari 1941 dropte de R.A.F. een geheim agent, J. Lamy, in de Ardennen. Hij had een zender-ontvanger bij zich en nam contact op met “Clarence”. Het tweerichting (zend)verkeer was hiermee een feit. Eind 1942 beschikte de dienst over maar liefst vier zender-ontvangers. 9]
Goffin, die in de Eerste Wereldoorlog had gewerkt voor “La Dame Blanche”, vond in De Liedekerke een actief medewerker. De graaf was een goede bekende van de dames Schoenmaeckers in Amby bij Maastricht. Zij stuurden hem regelmatig ontvluchte krijgsgevangenen. 10] Via hen kwam hij in aanraking met A.H.L. Dresen, chef ladingmeester van de Nederlandse Spoorwegen in Maastricht. Dresen stemde ermee in gegevens over militaire treintransporten te noteren. De Liedekerke haalde ze zelf bij hem op, rangschikte ze, verwerkte ze in een rapport en gaf dat Goffin. Koeriers bezorgden het materiaal op het hoofdkwartier in Brussel. Weldra vernam de graaf van zijn Eijsdense verzetsrelaties dat zowel de familie van M. (Alfons) Smeets als C. (Hubert) Smeets en zijn medewerkers inlichtingen verzamelden over het treinverkeer in en rond Eijsden. Dat was dubbel werk. Begin 1942 kwamen Renkin en Goffin ten huize van M. Smeets bijeen, waarbij ook de Nederlandse oudmilitair N.E. Erkens aanwezig was. Laatstgenoemde had Smeets in oktober 1941 voor het eerst ontmoet en door hem Renkin. 11] De drie werden het snel eens: het inlichtingenwerk zou voortaan worden gecoördineerd. 12] Aldus kwam een samenwerking tot stand tussen de Belgische groepen “Luc” in de provincie Luik en “Clarence” in de Voerstreek en de hierna te bespreken groep rond Erkens aan Nederlandse zijde. Eijsden fungeerde als centrale ontmoetingsplaats voor de vertegenwoordigers van de drie organisaties.

I.3. De organisatie-Erkens

N.E. Erkens, geboren op 10 oktober 1894 in Maastricht, woonde in Luik en werkte er als handelscorrespondent voor een buizenfirma. Gedurende de jaren dertig zou hij verbonden zijn geweest aan G.S. III, de (militaire) inlichtingendienst van de Nederlandse Generale Staf. 13] Tijdens de mobilisatie werd eerste-luitenant Erkens als adjudant ingedeeld bij de Etappenintendance in Rotterdam, een legeronderdeel belast met de bevoorrading met uitzondering van de bewapening. Na de capitulatie behield Erkens zijn functie. De Intendance kwam onder Duits toezicht en werd belast met de afwikkeling van legervoorraden zoals kleding en uitrusting. Eind 1940 waren de hiermee samenhangende werkzaamheden afgerond en hief de bezetter de Intendance op. De tussenliggende maanden had Erkens benut om met betrouwbare personen uit dit legeronderdeel aanzienlijke hoeveelheden van de voorraad te verdonkeremanen en bij particulieren, in loodsen van kennissen in Rotterdam en in zaadbunkers in Hillegom op te slaan.14] Daar bleef het niet bij. In overleg met anderen ontwikkelde Erkens in de loop van 1940 en 1941 drie tamelijk ambitieuze plannen:

  1. Het leggen van een grondslag voor een nieuwe politieke partij met een democratisch en christelijk uitgangspunt. Misschien hielden zijn contacten en besprekingen met onder anderen Unievoorman mr. L. Einthoven hiermee verband. Laatstgenoemde kwam eind 1940 namelijk in aanvaring met de mede-oprichter van de Unie mr. J. Linthorst Homan, omdat die in zijn ogen steeds meer neigde naar een coöperatieve houding jegens de bezetter.15] Van dit streven van Erkens kwam niets terecht.
  2. Het opzetten van een (militaire) inlichtingendienst. Daarvoor benaderde hij officieren en onderofficieren uit zijn (voormalig) legeronderdeel en militairen met wie hij bevriend was. In Rotterdam vond hij kapitein mr. O. Verdoorn en sergeant J.H. Broedelet bereid om mee te werken en in Utrecht luitenant ir. W.A. Breukelman, directie­medewerker van de Nederlandse Spoorwegen. Zij formeerden nieuwe groepjes. De kerngroep kwam meestal bijeen ten huize van Erkens’ koerierster mevrouw E. van Bochove-Bruggeman in Rotterdam.16]
  3. De vorming van een para-militaire verzetsorganisatie met een doelstelling die nauw verwant was aan die van de Ordedienst (zie hoofdstuk VIII, paragraaf I en III), waarmee Erkens trouwens ook contact onderhield. Erkens wilde een gewapende organisatie opbouwen, die ooit, bijvoorbeeld bij een aftocht van de bezetter, in actie zou moeten komen ter ondersteuning van de geallieerden of om de orde te handhaven. Hij voerde besprekingen met overste J.H. Westerveld over een samensmelting met de O.D., maar zag van verder contact af, toen bleek dat de overste er een namenlijst van officieren op na hield die hij wilde benaderen om tot de O.D. toe te treden. Erkens vond dat onverantwoord en besloot met de onder 2 genoemde militairen verder te gaan. Hij wierf nieuwe medewerkers, die op hun beurt andere krachten aantrokken. Zo kreeg de jonge organisatie steunpunten in Rotterdam en Utrecht en vanaf eind 1941 ook in Arnhem.17]

Erkens’ pogingen zijn plannen te realiseren leidden tot nogal uiteenlopende contacten:

  • Omdat Jo van der Waals deel uitmaakte van Erkens’ organisatie, slaagde diens broer Anton er in november 1940 in door te dringen tot Erkens en Verdoorn. A. van der Waals had namelijk een “tuimelmotor” ontwikkeld, een uitvinding waar hij zeer trots op was. Verdoorn stelde vertrouwen in zowel de persoon Van der Waals als diens verhaal en introduceerde hem bij de Delftse hoogleraar R.L.A. Schoemaker. Nòg wist men niet dat Van der Waals zijn ontdekking gebruikte om contacten met illegalen aan te knopen met de bedoeling ze vervolgens uit te leveren aan de Sipo. Niet iedereen liet zich een rad voor ogen draaien. Sommige medewerkers van Erkens begonnen argwaan te koesteren jegens de uitvinder van de tuimelmotor en diens fantastische verhalen. Desondanks duurde het tot juni 1942, voordat Verdoorn en Broedelet over voldoende bewijzen meenden te beschikken. Kort tevoren, in mei, had Verdoorn Erkens over zijn vermoedens ingelicht. Een poging Van der Waals te liquideren mislukte. Afgezien van Broedelet, die op 8 juni 1942 in Duitse handen viel, werd niemand uit de naaste omgeving van Erkens het slachtoffer van de infiltratie van Van der Waals.18]
    Overal in het land ontstonden in de loop van 1940 en 1941 kleine militaire verzetsverbanden die met wisselend succes aansluiting bij elkaar zochten. Twee, meer landelijk georiënteerde groepen waarmee Erkens verbinding kreeg willen we hier noemen: het Legioen van Oud-Frontstrijders (L.O.F.) en de Oranjewacht. Tot de laatste organisatie behoorde ir. W. den Boer uit Dordrecht, die Erkens had leren kennen door W.A. van Wijlen, een vriend van Broedelet. Eind december 1940 dook Den Boer onder in Arnhem. Erkens bezocht hem enkele keren en vond er dank zij Den Boer nieuwe medewerkers. In juni 1941 vertrok Den Boer naar Engeland in opdracht van het L.O.F., de restanten van de als gevolg van talrijke arrestaties zwaar gehavende O.D., de Oranjewacht en de organisatie-Erkens. Hij moest de Nederlandse regering verzoeken de leiding van het verzet op zich te nemen, omdat de verdeeldheid zo groot was.19]
    Vanuit Engeland werden eveneens pogingen ondernomen contacten te leggen met para-militaire verzetsgroepen en sabotagegroepen en indien nodig ze op te bouwen. Daartoe zonden de verantwoordelijke instanties geheime agenten naar bezet gebied. In september 1941 werden in Drente de agenten A. Homburg en C. Sporre gedropt. De twee namen onder meer contact op met Van Wijlen in Rotterdam, een aanloopadres dat ze hadden meegekregen van Den Boer. Van Wijlen introduceerde de agenten bij Erkens en Broedelet die hen informeerden over de toestand in bezet Nederland. Voorts brachten medewerkers van de groep-Erkens de twee agenten in contact met mr. L. Einthoven. Die vroegen hem met hen naar Engeland te gaan, maar na de voor- en nadelen tegen elkaar te hebben afgewogen besloot Einthoven in Nederland te blijven.20]
    Erkens’ helpers brachten de twee agenten voorts in contact met W. Schrage. Schrage was met zijn marconist H. Zomer in juni 1941 gedropt. Laatstgenoemde viel al in augustus 1941 in Duitse handen, zodat Schrage zonder zendcontact zat. De drie agenten besloten samen naar Engeland terug te keren. Homburg beging de fout een oude schoolkameraad in vertrouwen te nemen. Hij werd opgepakt, maar slaagde erin uit de Scheveningse strafgevangenis te ontsnappen en zocht opnieuw contact. Dat mislukte, omdat niemand hem nog vertrouwde. Aangenomen werd dat de Duitsers zijn ontsnapping hadden geënsceneerd om hem als lokaas voor andere agenten te gebruiken. Hij besloot de oversteek dan maar alleen te maken en bereikte Engeland in februari 1942. De poging van Sporre en Schrage mislukte, zij verdronken.21]
    Welke mogelijkheden stonden de groep-Erkens open om de inlichtingen aan de Nederlandse diensten in Engeland door te geven? Het staat niet vast of de organisatie zèlf rechtstreeks zendcontact met Engeland onderhield. De Maastrichtse Sipo-beambte R.H.G. Nitsch beweerde na de oorlog dat Broedelet de hand had weten te leggen op een zendapparaat, waarmee hij al in 1940 berichten van Erkens naar Engeland doorgaf. Omdat Erkens niet over een ontvangtoestel beschikte en dus niet wist of zijn inlichtingen in Engeland werden opgevangen (vergelijk de vier door de S.I.S. aan “Clarence” beschikbaar gestelde zenders), stopte hij er weldra mee. 22] Ir. Den Boer vermeldde in een rapport van juli 1941 dat Erkens gebruik maakte van een zender en in Engeland bekend stond onder nummer 5, oproepteken A.O.T. en ontvangteken R.A.F. 23] Of die zenders werkelijk hebben bestaan, staat niet vast. Evenmin is bekend waar ze waren opgesteld. Het kan zijn dat de door Den Boer genoemde zender dezelfde was als die van Broedelet. Wellicht heeft Erkens via andere kanalen zijn berichten doorgegeven. We noemen vijf mogelijkheden:
    1. Kennissen brachten Erkens en Broedelet via J.W. van Hattem in contact met een in opdracht van agent L. van Hamel in 1940 opgerichte inlichtingendienst. Van Hamel had enkele voor de bouw van een zender onmisbare kristallen meegebracht. Het toestel stond in Delft. Na de arrestatie van de oorspronkelijke leider, ir. B.P.M. ten Bosch, in maart 1941, nam Van Hattem het heft in handen. Veel kon hij niet doen, want bij de arrestatie van Ten Bosch was de seincode verloren gegaan.24]
    2. De zender van marconist H. Zomer. Zoals gezegd stond Erkens in verbinding met agent Schrage die met Zomer in juni 1941 was gedropt. De zender bevond zich aanvankelijk in Delft, daarna in Leiden en verhuisde tenslotte in augustus 1941 naar Bilthoven, waar het toestel tegen het einde van de maand werd uitgepeild.25]
    3. De zender van agent A. Alblas in Den Haag. Alblas, begin juli 1941 bij Assen gedropt, was de enige die in de nazomer van 1941 in verbinding stond met Engeland. Door bemiddeling van de Haagse politiebeambte A. Moonen kwam hij in aanraking met andere agenten (Schrage, Sporre, Zomer?). Op 16 juli 1942 vielen Alblas en zijn apparatuur in Duitse handen.26]
    4. De zender van de op 6 november 1941 in Nederland gearriveerde Th. Taconis en diens marconist H. Lauwers. Ze vonden onderdak in Oosterbeek van waaruit ze tevens wilden gaan zenden. Dat mislukte, omdat het signaal niet krachtig genoeg bleek om de afstand tot Engeland te overbruggen. Medio december verhuisde Lauwers met zijn toestel naar Den Haag. Op 3 januari 1942 kreeg hij eindelijk verbinding met “de overkant”. Na te zijn uitgepeild werd Lauwers op 6 maart 1942 gearresteerd. Ook zijn zender viel - een poging het toestel te vernielen mislukte - in Duitse handen. Op 9 maart trof de in Arnhem achtergebleven Taconis hetzelfde lot. 27] We kunnen niet uitsluiten dat Erkens, die sedert eind 1941 regelmatig in Arnhem vertoefde en er besprekingen voerde met plaatselijke illegale werkers, kennis maakte met Taconis.
    5. In Maastricht ontstond in de loop van 1941 een militair-civiele verzetsgroep die de beschikking over een zender zou hebben gehad. Erkens werkte samen met deze organisatie, die zich enige tijd “R.A.F.” noemde (saillant detail is dat het ontvangteken van Erkens in Engeland R.A.F. zou zijn geweest. De keuze van die naam door de Maastrichtse groep kan evenwel ook betrekking hebben gehad op het feit dat enkele vliegeniers van de Royal Air Force door deze groep werden geholpen op hun tocht naar de thuisbasis).

    I.4. Contacten van Erkens in Limburg

    Toen Erkens in oktober 1941 in aanraking kwam met personen in Eijsden, kreeg hij niet alleen verbinding met enkele Belgische inlichtingendiensten maar misschien ook met andere Limburgse verzetsgroepjes. Het is aannemelijk dat Erkens al vóór die tijd over verzetscontacten in Limburg beschikte. Zeker is dat niet omdat na de oorlog uitsluitend de relaties onderzocht zijn die van belang waren voor het gerechtelijk onderzoek naar de gedragingen van enkele V(vertrouwens)-mannen van de Abwehrstelle Wilhelmshaven, die zowel in verzetskringen in de provincie Luik als Eijsden hadden geïnfiltreerd. Alle overige verzetscontacten van de hoofdpersonen waren van weinig belang voor het onderzoek. Bovendien zijn de hoofdrolspelers allemaal gearresteerd en gefusilleerd op Renkin na, die kort na de Tweede Wereldoorlog overleed. Tenslotte staan ons de rapporten, opgemaakt door de betrokken Duitse instanties, niet ter beschikking. Mogelijk hadden de daarin verwerkte gegevens ons een beter inzicht kunnen verschaffen. Begin september 1944 vernietigde de Sipo-Maastricht de aangelegde archieven. Erkens ging regelmatig op familiebezoek in Limburg. Wanneer hij zijn vrouw en kinderen in Luik opzocht, ging hij bij Eijsden de grens over. Mevrouw M. van der Cruys-Walpot, caféhoudster bij de grensovergang Eijsden-Moelingen, hielp hem daarbij. De twee kenden elkaar al geruime tijd. 28] Bovendien woonden twee zusters van Erkens in Sittard en was zijn broer pater van de Sociëteit van Afrikaanse Missies in Cadier en Keer. Tijdens zijn bezoekjes aan Limburg kwam Erkens in contact met oud-militairen, die druk bezig waren met het organiseren van verzetsgroepjes en het zoeken naar en leggen van onderling contact. Mogelijk kwamen die verbindingen tot stand via zijn zusters in Sittard, goede bekenden van M.P.J.M. Corbeij, burgemeester van Broeksittard, die veel oud-militairen kende.
    Met de volgende illegale werkers en groepen onderhield Erkens zeker contact. Voor de volledigheid geven we daarbij de meest voor de hand liggende mogelijkheden aan hoe de kennismaking tot stand kwam:

    1. Een verzetsgroep rond oud-militair Ch.M.H.J. Bongaerts in Heerlen. Bongaerts was nauw betrokken bij de opbouw van de Ordedienst in de Mijnstreek en had zijn anti-nationaal-socialistische gezindheid nimmer verborgen gehouden. Zijn functie als commandant van de plaatselijke brandweer gebruikte hij ter camouflage voor de hulp aan de eerste vluchtelingen in de regio. Voorts beraamde en pleegde hij met zijn medewerkers uiteenlopende sabotage. Dank zij relaties in Sittard, Maastricht of Roermond ontmoette hij Erkens vermoedelijk in de zomer van 1941 en verklaarde hij zich bereid tot samenwerking. De krachtenbundeling kreeg gestalte door hulpverlening aan de door Erkens gezonden geallieerde vliegeniers en hun bemanningsleden. Bongaerts c.s. brachten de vluchtelingen naar medewerkers van P.M.J. Dresen, leider van de “R.A.F.”-groep in Maastricht. 29]
    2. Evenals in Heerlen hadden ook in Maastricht enkele oud-militairen de handen ineen geslagen om de bezetter waar mogelijk de voet dwars te zetten. Eén van die initiatieven ging uit van P. Dresen, D.I. Hage en R.H. Bartels. Dresen slaagde erin contact te leggen met de militaire groepen rond Ch. Bongaerts en J.L. Smit in Heerlen en met de verzetsgroep in Eijsden. Laatstgenoemde verbinding kwam tot stand door douanier D. Sleeuwenhoek en een broer van Dresen, die nauw samenwerkte met graaf De Liedekerke. Omdat de groep-Dresen over medewerkers in kringen van douaniers en belastingambtenaren beschikte, openden zich fraaie vooruitzichten voor Bongaerts. Bij de grensovergang Caberg bij Maastricht werden in de loop van 1941 talrijke vluchtelingen clandestien de grens over geholpen. Bovendien zou de groep-Dresen de beschikking hebben gehad over een zender aan boord van een binnenvaartschip, dat in Maastricht voor anker lag. Of Erkens ooit van die zendmogelijkheid gebruik heeft gemaakt, staat niet vast.30]
    3. Een kring van verzetsmensen rond oud-militair J.L. Smit in Heerlen. Zij legde zich toe op het verzamelen van wapens en munitie, de verspreiding (en verkoop) van de eerste illegale bladen zoals “Vrij Nederland”, alsmede de verkoop van foto’s van de koninklijke familie. Met het geld dat men met de verkoop van de foto’s verdiende werden de kosten bestreden. De Heerlense groep onderhield zowel contact met Bongaerts als met medewerkers van Dresen. Mogelijk is Erkens door die relaties met Smit in aanraking gekomen.31]
    4. Enkele in 1940 en 1941 nog individueel werkzame verzetsmensen als M.A.M. Bouman, hoofdcontroleur van de Centrale Controle Dienst (C.C.D.) in Roermond en R.H. van de Vin, een veehandelaar die vlakbij de Belgische grens in Neeritter woonde. De twee vonden elkaar al spoedig. Bouman hielp in hoofdzaak ontvluchte krijgsgevangenen in nauwe samenwerking met Van de Vin en pastoor H.J. Vullinghs in Grubbenvorst. Op welke wijze en wanneer precies Erkens met bovenstaand drietal verbinding kreeg weten we niet. Het is mogelijk, dat de militaire achtergrond een rol speelde, want ook Bouman was oudmilitair. Bovendien beschikten zowel Bongaerts uit Heerlen als Hage uit Maastricht over verzetsrelaties in Roermond en omgeving. Tenslotte woonde een zus van mevrouw Van de Vin in Luik. Zij kende Erkens.32] Weldra werden de eerste bijeenkomsten gehouden bij Van de Vin in Neeritter waaraan Erkens, Bouman en zijn collega H.A.L.M. Laheij, pastoor Vullinghs en een onbekend gebleven persoon uit Zuid-Limburg (Bongaerts, Dresen of Smit?) deelnamen. De gesprekken gingen over de verdere uitbouw van de ontsnappingsroute via Neeritter, contacten met verzetsgroepen in België en het doorgeven van inlichtingen via dat land.33] Of Erkens daadwerkelijk gebruik maakte van de hier geboden mogelijkheden, kon niet worden achterhaald.

    I.5. Contacten en activiteiten van de groep-Erkens in Zuid-Limburg en België

    Als gevolg van loslippigheid over achterovergedrukte legergoederen werden in september 1941 enkele tientallen personen - een deel van hen was ingedeeld geweest bij de Rotterdamse Intendance - gearresteerd. Doordat de Duitse instanties een beloning van ƒ 5.000,- uitloofden voor de tip die tot zijn aanhouding zou leiden en zijn naam lieten opnemen in het Algemeen Nederlands Politieblad, kreeg Erkens plotseling te veel aandacht en dook nòg dieper onder. 34] Sindsdien verbleef hij meestal in Arnhem of bij zijn zusters in Sittard. In Rotterdam kwam hij nog maar zelden. De koeriersters mevrouw E. van Bochove-Bruggeman en mejuffrouw H. Vieregge onderhielden voortaan de verbindingen. Zij reisden op en neer tussen Rotterdam, Utrecht, Arnhem en Zuid-Limburg. Intussen ging Erkens op zoek naar nieuwe mogelijkheden om de grens met België te overschrijden, niet alleen om zijn gezin in Luik te bezoeken, maar ook ten behoeve van de eigen verzetsgroep. Zoals gezegd stonden sommige medewerkers van de groep-Dresen in Maastricht in verbinding met de Eijsdense verzetsgroep. Via die weg zou het eerste contact met Eijsden kunnen zijn gelegd. Een andere mogelijkheid is mevrouw Van der Cruys-Walpot. Zij verwees hem in oktober 1941 naar M. Smeets. Laatstgenoemde lichtte Erkens in over de ontsnappingsroute naar Luik.35] Bovendien vernam hij dat de Belgische verzetsrelaties van Smeets deel uitmaakten van een inlichtingendienst. Dat opende goede mogelijkheden. Smeets arrangeerde eind 1941 een gesprek tussen Renkin en Erkens. Ze spraken af dat Erkens voortaan inlichtingen zou doorgeven aan Renkin. Bovendien kon hij politieke en andere vluchtelingen alsmede Engelandgangers naar de familie Smeets sturen die op steun van Renkins organisatie mocht(en) rekenen. Begin 1942 bracht graaf De Liedekerke bovendien een verbinding tot stand tussen Erkens, Renkin en de arts Goffin. Daarmee was de internationale samenwerking een feit.
    Naast ontvluchte krijgsgevangenen arriveerden vanaf december 1941 of begin 1942 ook andere vluchtelingen in Eijsden. Vooraf, in december, had Erkens de ontsnappingsroute tot Heer-Agimont zelf gecontroleerd. Contactpersonen van Renkin stelden hem daar voor aan Franse medewerkers. Benieuwd naar hun inventiviteit, bracht hij er enige tijd later enkele Nederlandse vluchtelingen. Het clandestien passeren van de Franse grens verliep zonder noemenswaardige problemen. Naderhand ondernam hij de tocht nog enkele keren. 36]
    Doorgaans reisden de Engelandgangers en politieke vluchtelingen zonder begeleiding naar Eijsden en meldden zich ten huize van de familie Smeets met het wachtwoord “Alphons 13”. Smeets wist dan voldoende en verstrekte hen Belgische identiteitspapieren (eenzelvigheidskaarten) waarna hij of een van zijn zonen de vluchtelingen tot Visé of Luik vergezelden. Daar nam een medewerker van Renkin hen over. In Luik ontvingen ze Franse identiteitsbewijzen waarna de reis per trein werd voortgezet tot Heer-Agimont, waar ze de grens over werden geloodst. Vervolgens moesten ze zich melden bij de directeur van de bioscoop in Givet. In Frankrijk stonden de vluchtelingen twee wegen open: de een via Nancy naar Zwitserland, de ander via Bordeaux naar Spanje. Hoeveel Nederlanders erin slaagden via deze ontsnappingsroute te ontkomen is zelfs bij benadering niet te zeggen. Waarschijnlijk maakten vooral Engelandgangers en oud-militairen er gebruik van. In die kringen had Erkens immers de meeste connecties. Geallieerde vliegeniers en ander vliegtuigpersoneel maakten eveneens gebruik van deze ontsnappingsroute. Medewerkers van Erkens brachten hen naar Rotterdam of Utrecht van waaruit ze aanvankelijk naar Heerlen, naderhand naar Eijsden vertrokken. Veel kunnen het er niet zijn geweest, omdat de bombardementsvluchten pas in 1943 een massale omvang aannamen.
    Sedert de zomer van 1942 legden de Limburgse en Belgische helpers van Erkens zich op diens verzoek ook toe op de hulpverlening aan joden. De vervolgden waren voornamelijk afkomstig uit Rotterdam en Amsterdam en doorgaans vrienden of bekenden van Erkens’ medewerkers. Mevrouw van Bochove-Bruggeman begeleidde de joodse vluchtelingen naar Maastricht, Utrecht of Arnhem. In Maastricht nam de familie Smeets ze over. In Arnhem en Utrecht deed Erkens dat, waarna ze per trein naar Maastricht reisden. Erkens vroeg de joden een (hoge) financiële vergoeding voor zijn diensten. Het geld werd aangewend voor de bestrijding van de kosten van zijn organisatie, alsmede ter ondersteuning van de echtgenotes van twee gearresteerde officieren. 37]
    De verbinding met Renkin leverde Erkens nog een derde voordeel op. De Belg beschikte namelijk over connecties in de mijnen van de Borinage en de wapenfabrieken in Herstal. Renkin verklaarde zich bereid zijn Nederlandse collega explosieven, wapens en munitie te leveren. Een fruithandelaar uit Eijsden, die elke maandag met zijn vrachtauto de markt in Luik bezocht, werd buiten zijn medeweten bij het wapentransport ingeschakeld. In Luik bevestigden medewerkers van Renkin explosieven en wapens onder de wagen van de niets vermoedende fruithandelaar. Aangezien hij in ruil voor benzinebonnen regelmatig Duitse douaniers meenam naar Luik, hoefde hij niet op controle aan de grens te rekenen. Eenmaal in Eijsden haalden de zonen van Smeets het wapentuig onder de wagen vandaan. Erkens haalde de wapens naderhand op. Datzelfde deed zijn medewerker W. Breukelman met de munitie en de explosieven. 38] De hoeveelheden uit België ontvangen wapens en explosieven zullen niet groot zijn geweest, want Erkens beklaagde zich er bij herhaling over dat hij veel te weinig kreeg. 39] Explosieven kon hij trouwens ook via de Zuidlimburgse mijnen krijgen. De militairen rond Smit en Bongaerts beschikten namelijk over nuttige relaties.
    De door Smeets c.s. in Eijsden en door Dresen in Maastricht verzamelde gegevens over het (militaire) treinverkeer werden zowel in handen van de dienst “Luc” als van “Clarence” gespeeld. Hetzelfde gold voor inlichtingen van de groep-Erkens: Smeets en graaf De Liedekerke gaven die door aan de Belgische zusterorganisaties. Erkens’ inlichtingen bevatten onder meer bijzonderheden over het landelijk spoorwegnet en (militair) treinverkeer, afkomstig van de N.S.-directiemedewerker W. Breukelman en zijn helpers, alsmede zogenaamde “Evert”-meldingen. Dat waren inlichtingen van mr. C.C. Dutilh uit Rotterdam over de Nederlandse kustverdediging. Erkens ontving ze van een kennis, de student W. Nolen uit Rotterdam. 40] De Belgische diensten vertaalden alle Nederlandse inlichtingen in het Frans. Koeriers haalden ze op en brachten ze naar Brussel. Soms gingen de gegevens via de ontsnappingsroute naar Frankrijk. Bovendien zou “Luc” in de buurt van Luik de beschikking hebben gehad over een zender, waarmee sommige berichten zouden zijn verzonden.
    Omdat Erkens in toenemende mate afhankelijk werd van de Belgische diensten, die de Nederlandse gegevens vertaalden en aan de eigen bureaus in Engeland doorgaven, dringt zich de vraag op of de Nederlandse instanties daar ooit iets van hebben vernomen. In Engeland was doorgaans eerder sprake van onderlinge concurrentie dan samenwerking...

    I.6. Infiltratie en arrestaties

    Begin 1942 slaagden enkele V(vertrouwens)-mannen van de Marine Abwehrstelle Wilhelmshaven - een afdeling van de Duitse militaire inlichtingendienst, die sedert januari van dat jaar over een dependance in de stad Groningen beschikte - erin een illegale groep in Leeuwarden te infiltreren. Er volgde een sneeuwbaleffect. De V-mannen kwamen uiteindelijk terecht bij Th. Groen in Den Haag. Groen was voornemens met M. Wessel uit Amsterdam naar Engeland uit te wijken. Wessel had namelijk van een vriend gehoord dat er bij Eijsden een mogelijkheid bestond de Nederlandse-Belgische grens te passeren. De vriend had met een zoon van fruithandelaar Smeets een opleiding tot marconist gevolgd in Amsterdam. Op goed geluk vertrok Wessel begin januari 1942 naar Eijsden. Daar wachtte hem een teleurstelling: hij kende de code (Alphons 13) niet en niemand van de organisatie-Erkens had hem gestuurd. De Amsterdammer keerde onverrichterzake huiswaarts, maar liet het er niet bij zitten. Een maand later verscheen hij opnieuw in Eijsden. Kennelijk vertrouwde Smeets hem nu wel. Zijn vriend Th. Groen mocht ook komen en op 15 februari vertrok het tweetal langs de bekende route via Luik en Heer-Agimont naar Frankrijk. Ter hoogte van de demarcatielijn liep het mis. De Geheime Feldpolizei arresteerde de twee. Na een kort verblijf in de gevangenis werden Groen en Wessel teruggestuurd naar Nederland. Ze hadden niets losgelaten. In mei 1942 vroeg Wessel aan Smeets of hij voortaan andere Engelandgangers naar Eijsden mocht sturen. Smeets had geen bezwaar en sindsdien reisde Wessel verscheidene malen naar Zuid-Limburg, waar hij op zekere dag ene “Van der Maas” (schuilnaam van Erkens) ontmoette. 41]
    In diezelfde tijd kreeg zijn vriend Groen bezoek van enkele provocateurs van de Abwehrstelle Wilhelmshaven. Groen hechtte geloof aan het verhaal van de infiltranten en bracht gedetailleerd verslag uit van zijn avonturen tijdens zijn reis naar en door Frankrijk. Hij noemde hun het wachtwoord “Alphons 13” en de naam “Van der Maas”. Hij wist dat van Wessel. De provocateurs hadden beet. Eind juli 1942 stuurde de Abwehrstelle de V-man G. Stellbrink naar Eijsden. Hij vervoegde zich bij Smeets met het wachtwoord en maakte handig gebruik van de namen Wessel en “Van der Maas”. Smeets hechtte geloof aan het verhaal van de “illegale werker” en zegde medewerking toe. Al spoedig keerde Stellbrink terug met een “Engelse piloot”, die hij persoonlijk naar Zwitserland wenste te brengen. Het betrof in werkelijkheid de Duitse ingenieur L. Kern, die met een Nederlandse gehuwd was, vrij goed Nederlands en Engels sprak en derhalve geen achterdocht wekte. Smeets verschafte het tweetal Belgische identiteitspapieren en bracht hen naar een medewerker van Renkin in Visé. In Luik kregen ze onderdak bij mevrouw Y. Debatty-Tonka en mevrouw Ch. Derenne-Lamazière. Nadat de organisatie “Luc” voor Franse papieren had gezorgd, vertrokken de twee infiltranten zonder begeleiding naar Frankrijk. Over de te volgen route waren ze in Luik ingelicht. Via Nancy reisden ze naar de Zwitserse grens, waar Kern afhaakte. Stellbrink kon tevreden zijn: hij was méér aan de weet gekomen dan hij had durven hopen. Niet alleen vluchtelingen maakten gebruik van de route, óók inlichtingen vonden zo hun weg naar onbezet gebied. De Abwehrstelle Wilhelmshaven wilde precies weten om wat voor geheime informatie het ging. Omdat Stellbrink de Franse taal niet beheerste en de organisatie van Renkin hoofdzakelijk in Wallonië werkte, kreeg hij steun van een Franssprekende infiltrant, J. Hoosemans, die zich van de schuilnamen “Oncle Max” en “Oncle Jean” bediende.
    Het duo genoot al spoedig veel vertrouwen, drong via Renkin door tot Goffin en werd door Erkens en Renkin belast met het over de grens smokkelen van inlichtingen. Wilhelmshaven fotografeerde het materiaal aanvankelijk in Groningen en naderhand, met het oog op tijdsbesparing, in Maastricht. Op aandringen van de twee besloot mevrouw Debatty-Tonka zelfs een groter huis te huren voor de opvang van “piloten”, krijgsgevangenen en andere vluchtelingen. Zij gingen er zelf ook wonen en kregen zo een goed inzicht in de activiteiten van de drie samenwerkende verzetsgroepen. Ze vernamen dat er in Rotterdam een organisatie bestond, waarvan dezelfde “Van der Maas” aan het hoofd stond. De echte naam van “Van der Maas” kenden ze niet. Teneinde de Rotterdamse groep te penetreren zette Wilhelmshaven haar V-man C.L. Huschka in. 42]
    Hoewel naderhand van diverse zijden is gewezen op een groeiend wantrouwen jegens de twee infiltranten in Zuid-Limburg en de regio Luik, moeten we vaststellen dat er gedurende de periode dat de twee het samenwerkingsverband infiltreerden nooit iets tegen hen is ondernomen. Erkens had kennelijk een onwankelbaar vertrouwen in de Abwehrmedewerkers. 43]
    Op 17 en 18 augustus 1942 werden achtereenvolgens Groen en Wessel gearresteerd. Door de aanhouding van Wessel hoopte men te achterhalen wie “Van der Maas” was en waar hij woonde, maar Wessel wist dat niet. In opdracht van zijn chef, W. König in Groningen, trachtte Huschka een misleidingsspel op te zetten. Hij vertelde mevrouw Van Bochove-Bruggeman dat Stellbrink een infiltrant was. Door de V-man als lokaas te gebruiken verwachtte Huschka “Van der Maas” uit zijn tent te kunnen lokken. De opzet mislukte, mevrouw Van Bochove ging er niet op in. Of Stellbrink er achter is gekomen wat de Abwehr met hem van plan was, weten we niet. Evenmin staat vast of hij is gaan twijfelen aan de eigen positie in de verzetsorganisatie. Dat hij en Hoosemans voor hun leven vreesden lijdt geen twijfel, want ze eisten van hun chef, König, dat terstond tot arrestatie zou worden overgegaan. Op 15 oktober 1942 kwam de Geheime Feldpolizei in actie in Luik en omgeving en arresteerde een groot aantal medewerkers en medewerksters van “Luc” en “Clarence”. Renkin ontsprong de dans, hij dook tijdig onder, maar zag geen kans de anderen te waarschuwen. In Eijsden verrichtte de Sipo-Maastricht de aanhoudingen. Graaf De Liedekerke, M. (Alfons) Smeets en zijn echtgenote, A. Smeets jr., J. Smeets, C. (Hubert) Smeets en D. Sleeuwenhoek werden die dag opgepakt. Jef Smeets wist te ontkomen en dook onder in Amsterdam. Op 11 november 1942 viel Erkens in Duitse handen. R. Nitsch van de Sipo-Maastricht, belast met het verdere onderzoek, had de werkelijke naam van Erkens kunnen achterhalen aan de hand van een in beslag genomen brief. Aanvullend speurwerk leidde hem naar Sittard. Diezelfde dag viel ook het doek voor A. Dresen. In één van zijn rapporten had De Liedekerke melding gemaakt van een tijdelijke ziekte van zijn Maastrichtse medewerker. De datum waarop Dresen weer op het werk was verschenen had de graaf in een schrijven aan Renkin meegedeeld. Bovendien kwam uit één der rapporten naar voren dat het een spoorwegbeambte betrof. Nu wist Nitsch genoeg: door de absentielijst van de N.S. te controleren kon hij simpel vaststellen om wie het ging. 44] Op basis van de inlichtingen van de V-mannen, de door hen aan de Abwehr ter hand gestelde rapporten van en over de drie verzetsgroepen, het bij huiszoekingen aangetroffen (bewijs) materiaal en de mededelingen van sommige arrestanten, werden in de periode nà 15 oktober nog eens tientallen personen in Zuid-Limburg, de Voerstreek, de provincie Luik, Rotterdam, Utrecht en Arnhem gearresteerd (zie bijlage I). Op 30 november 1942 werden alle gedetineerden voor verder verhoor naar Haaren overgebracht. Meerdere betrokkenen kwamen na enige tijd wegens gebrek aan bewijs weer vrij. Op 11 augustus 1943 veroordeelde het “Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlshabers im Luftgau Holland” te Utrecht twaalf hoofdrolspelers tot de doodstraf. Dat lot trof onder meer N.E. Erkens, graaf R.R.E.M.J.G. de Liedekerke de Pailhe, J. Goffin, M.H.A. Smeets en C.H.A. Smeets. Het doodvonnis tegen mevrouw Y. Debatty-Tonka en mevrouw Ch. Derenne-Lamazière werd naderhand omgezet in levenslange tuchthuisstraf. A.H.L. Dresen moest tweemaal voor de Duitse rechtbank verschijnen en hoorde op 27 november 1943 de doodstraf tegen zich uitspreken.
    De ter dood veroordeelden werden op 9 oktober 1943 in fort Rhijnauwen bij Utrecht gefusilleerd. A. Dresen en W. Breukelman ondergingen op respectievelijk 4 januari 1944 en 10 maart 1944 hetzelfde lot. Vijftien mannelijke groepsleden werden naar het Nacht und Nebel-kamp (N.N.-kamp) Natzweiler in de Elzas gedeporteerd en drie vrouwelijke veroordeelden naar het kamp Ravensbrück. Hier kwamen tenslotte ook de twee tot levenslange tuchthuisstraf veroordeelde vrouwen terecht. Negen van hen overleefden de kampen niet, onder wie J. Rocks uit Valkenburg, J. Partouns uit Eijsden en O. Verdoorn uit Rotterdam. Mejuffrouw M.C.H. Schoenmaeckers uit Amby bezweek kort na de bevrijding aan de gevolgen van het langdurige verblijf in het kamp Ravensbrück.45]

    II. De groep-Dresen

    II.1. De militaire tak

    Na de capitulatie heersten overal in het land in kringen van gedemobiliseerde militairen onlustgevoelens over de in Duits voordeel beslechte strijd. Menigeen kon de nederlaag moeilijk verkroppen. Men was van mening op verraderlijke wijze overvallen en met gebruik van unfaire strijdmiddelen tot overgave gedwongen te zijn. De conclusie die daaraan werd verbonden verschilde echter per individu. Afhankelijk van de persoonlijke leefomstandigheden, achtergrond en karaktereigenschappen besloot de één zich bij de nederlaag neer te leggen, terwijl de ander meende er verstandig aan te doen voorlopig af te wachten. Andere oud-militairen zonnen op wraak en grepen elke mogelijkheid aan het nieuwe regime en haar handlangers de voet dwars te zetten. Zij gingen op eigen houtje op zoek naar wapenbroeders die er net zo over dachten. Ervaring met illegaal werk hadden ze geen van allen, maar doorgaans beschikten ze wèl over een grenzeloos optimisme over de eigen capaciteiten en het oorlogsverloop. Zulke opvattingen konden gemakkelijk tot zelfoverschatting leiden, een verschijnsel waaraan de meeste paramilitaire groepen gedurende de beginfase van de bezetting leden. Dergelijke, in omvang beperkte verzetsgroepen schoten in de loop van 1940 en 1941 overal als paddestoelen uit de grond, ook in Maastricht.
    De 71-jarige reserve-officier R.H. Bartels, eigenaar van een textielbedrijfje aan de Heggenstraat in Maastricht, zag in mei 1940 kans circa zestig Belgische krijgsgevangenen tijdelijk in zijn fabriek onder te brengen. De Belgen hadden de benen genomen tijdens de consternatie die volgde op een Britse luchtaanval op de brug over de Maas. Bartels zocht naar een mogelijkheid ze over de grens te helpen en kwam zodoende in aanraking met andere oud-militairen. 46]
    Na zijn terugkeer uit krijgsgevangenschap begon de 43-jarige beroepsonderofficier P.M.J. Dresen vrijwel meteen met het leggen van contacten tussen oud-militairen, leden van de marechaussee en douaniers. Tot de laatste twee beroepscategoriëen behoorden veel ex-militairen. Zij waren na de capitulatie voor de keus gesteld dienst te nemen in de “Opbouwdienst” (een op 15 juli 1940 opgerichte organisatie, bedoeld om werkeloze militairen emplooi te bieden), bij de grensbewaking of bij de politie. 47]
    Dresen ging voortvarend te werk en beschikte tegen het eind van 1940 over verzetsrelaties in Maastricht en omgeving, Sittard en de Mijnstreek. Voorts stond hij in verbinding met H. van As uit Utrecht. Van As, propagandist van een christelijke vakbond, was door de reserve-officier J. Westerveld - een van de organisatoren van de eerste Ordedienst - aangezocht om met twee anderen contacten te leggen met potentiële illegale werkers van militaire huize in de rest van het land. 48]
    Bartels en Dresen kwamen al spoedig met elkaar in aanraking en met binnenvaartschipper J.M. Duynkerke en scheepsbevrachter H.A.C. Meulensteen. Duynkerke vervoerde met zijn boot “Maria” doorgaans cement in binnen- en buitenland. De thuishaven van de “Maria” was het “Bassin” in Maastricht. 49] Meulensteen, wiens zoons op een binnenvaartschip voeren, exploiteerde met zijn echtgenote een schipperscafeetje aan de Franschensingel. De stamtafel of het achterkamertje werd weldra het vaste ontmoetingspunt van de groep.
    De marechaussee en de grensbewaking kenden veel voor gedemobiliseerde militairen aantrekkelijke voordelen. Zo was het toegestaan een wapen te dragen en zich op elk gewenst tijdstip op straat te begeven. De grensbewakers mochten bovendien, binnen een zekere limiet, vrijelijk de landsgrenzen passeren. 50] J. Schutrup, die in Lisse-Sassenheim was gemobiliseerd, koos voor de grensbewaking. Zijn wens werd op 22 juni 1940 gehonoreerd toen hij met D. Verhagen een aanstelling kreeg als tijdelijk hulpcommies bij de Inspectie Invoerrechten en Accijnzen te Maastricht. Hun eerste standplaats was St. Geertruid. De twee begonnen meteen plannen te smeden om bij de eerste de beste gelegenheid naar Engeland uit te wijken. Hierdoor kwam Schutrup in contact met de conciërge en telefonist van het Provinciehuis in Maastricht, J.A. Knoop, die in samenwerking met de P.T.T.-monteur G.H. Hooyen al de eerste schreden op het illegaal pad had gezet. Knoop introduceerde Schutrup via een tussenpersoon bij Dresen.51] Een poging om in gezelschap van Hooyen en Meulensteen naar Engeland te vertrekken mislukte. In de zomer van 1940 werden Schutrup en Verhagen overgeplaatst naar het grenskantoor Maastricht-Caberg. Onder sommige, aan dit kantoor verbonden douaniers en belastingambtenaren, zoals D.I. Hage en E. Wolf, heerste een sterke anti-Duitse stemming. In dit klimaat voelden de twee nieuwkomers zich prima thuis.
    Tegen het einde van 1940 waren de onderlinge contacten gelegd. Hage en Dresen vormden de spil van het groepje van oud-militairen en de inmiddels om hen heen gegroepeerde burgers. Bovendien beschikten de twee weldra over relaties in geheel Zuid-Limburg en ook daarbuiten. Hage werkte in 1941 samen met de Roermondse politieman W. Jole 52] en J. Smit uit Heerlen 53] en onderhield contact met verzetsmensen in Arnhem. Dresen wist van de werkzaamheden van zijn broer A.H.L. Dresen voor graaf De Liedekerke en van het verzetswerk van oud-militairen in de Mijnstreek als Bongaerts 54] en Smit. 55] De in Maastricht gestationeerde douaniers waren op hun beurt op de hoogte van het illegaal werk van collega’s als D. Sleeuwenhoek en J. Wiersma in de omgeving van Eijsden. Sommigen van hen stonden in verbinding met ambtenaren van het Maastrichts belastingkantoor als M.C.M.H. Bartels, P.J. Sijmons en D. van Assen. Ook daar heerste een anti-Duitse stemming en zocht men naar mogelijkheden de bezetter te dwarsbomen. 56]
    De eerste verzetshandelingen van de groep lagen voor de hand: uit Duitsland of in Zuid-Limburg ontsnapte Franstalige krijgsgevangenen zochten een weg naar huis en de grensovergang bij Caberg bleek daarvoor bij uitstek geschikt. Hage vond Belgische steunpunten bij de grens. Soms hadden de douaniers geluk: de voormalige krijgsgevangene woonde toevallig in de buurt van de grens, stelde zijn diensten ter beschikking en introduceerde nieuwe verbindingspersonen. 57] Zo ontstond al spoedig een tamelijk hechte samenwerking tussen de Maastrichtse verzetsgroep en Belgische illegale werkers in de grensstreek, van wie sommigen inmiddels aansluiting hadden gekregen bij groepen aldaar. Een volledig uitgesponnen ontsnappingsroute naar neutraal gebied bestond nog niet. Voor de ontvluchte krijgsgevangenen maakte dat weinig verschil: eenmaal in Franstalig gebied, konden zij zich heel aardig redden. Voor de eerste geallieerde vliegenier gold dat vanzelfsprekend niet. Hij was volkomen aangewezen op hulp van anderen tot hij onbezet gebied had bereikt. In juli 1941 was de vliegenier in de buurt van Geulle neergehaald. Een daar woonachtige handelaar van Franse afkomst, K.M.J.G. Droitcourt, een contact van Hage, had zich over hem ontfermd. Naar eigen zeggen beschikte Hage over een vluchtroute naar Engeland. 58] Waarschijnlijk was het slechts grootspraak, want zijn route bestond of deugde niet. De “piloot” viel in Duitse handen. 59] Hage bleef ondanks deze mislukking kennelijk tòch geïnspireerd. Hij ging naarstig op zoek naar een veilige vluchtroute voor zowel “piloten” als Engelandgangers.
    In zijn ongebreideld enthousiasme ging hij zelfs zò ver dat hij laatstgenoemden actief ging werven. 60] Verscheidene van zijn collega’s wezen hem op zijn roekeloosheid, maar de douanier trok zich er niets van aan. Hij ontdekte een nieuwe locatie waar de grens kon worden overgestoken: de Sint-Pietersberg in Maastricht, een op de westelijke Maasoever gelegen heuvel die de grens tussen Nederland en België markeert. Ettelijke generaties van mergeldelvers hadden sinds de Middeleeuwen de heuvel uitgehold, zodat een imposant gangenstelsel was ontstaan waarin een leek gedoemd was te verdwalen. Ir. W.C.L. van Schaik uit Maastricht kende dit labyrint als zijn broekzak. Hage benaderde hem - anoniem - met de vraag of het mogelijk was vluchtelingen die extra risico’s liepen zoals “piloten” en joden door de berg van Nederland naar België te gidsen. Dat kon en gedurende de volgende bezettingsjaren hielp Van Schaik in opdracht van diverse illegale werkers en groepen joden en “piloten” op hun tocht naar België. Hij was trouwens niet de enige die deze grensovergang benutte. In plaatselijke smokkelaarskringen wist men er vanzelfsprekend óók van. 61] Hage en Droitcourt maakten daarnaast waarschijnlijk gebruik van overgangen bij Eijsden, Caberg en de Maas ter hoogte van Geulle waar de rivier de grens vormt. Bovendien vervoerde Duynkerke vluchtelingen met zijn boot. Mogelijk bevonden zich onder hen ook “piloten”. 62] Belgische verzetsrelaties namen de vluchtelingen over en begeleidden ze etappegewijs in de richting van Frankrijk. Afgezien van de vliegenier met wie Droitcourt per toeval in aanraking kwam, kreeg de Maastrichtse organisatie haar “piloten” - tot wie waarschijnlijk ook andere vluchtelingen werden gerekend - vanaf de zomer van 1941 van de groep-Bongaerts uit Heerlen die ze, zoals we reeds vaststelden, op zijn beurt van (relaties van) N.E. Erkens ontving. Een medewerker van de groep-Dresen verklaarde na de oorlog dat de organisatie maar liefst 22 geallieerde vliegeniers had geholpen op hun tocht naar de thuisbasis. Vermoedelijk is dit getal aan de hoge kant, mede gelet op het tijdstip: de omvangrijke luchtaanvallen op Duitsland moesten nog beginnen. Helaas zijn dergelijke cijfers niet te controleren. De medewerkers van Dresen waren er in ieder geval trots op en noemden zich zelfs enige tijd “R.A.F.” (Royal Air Force)-groep. Sommigen droegen een platgeslagen metalen R.A.F.-embleem aan de binnenkant van de revers.
    De oud-militairen rond Dresen en Hage legden zich naast de hulp aan allerlei vluchtelingen toe op het verzamelen van militaire inlichtingen in de driehoek Luik-Aken-Maastricht. Zo kreeg Droitcourt opdracht de seinsleutel van het Duits afweergeschut in de regio te onderscheppen en trachtte Dresen de sterkte en eventuele verplaatsingen van de Duitse troepen in de omgeving te achterhalen. 63] Ook Duynkerke en Meulensteen hielden zich bezig met het vergaren en doorgeven van inlichtingen. 64] Verschillende getuigen verklaarden na de oorlog dat de groep over een zender beschikte. Het apparaat zou afkomstig zijn geweest van Hage of Dresen en zou zich enige tijd aan boord van het schip “Maria” van Duynkerke hebben bevonden. 65] Of het signaal sterk genoeg was Engeland te bereiken en of de instanties daar de berichtgeving serieus namen, staat niet vast. Erg zeker was men klaarblijkelijk van geen van beide, want een in het Belgische Rekem woonachtige medewerker, L.F.R. Spierings, gaf de inlichtingen ook door aan de gemeentesecretaris van Lanaken, A. Reul, die er kennelijk raad mee wist. 66] Een derde mogelijkheid bood de verzending via de kanalen van de twee in de omgeving van Eijsden actieve Belgische inlichtingendiensten “Luc” en “Clarence”. Er bestond immers contact met D. Sleeuwenhoek en A.H.L. Dresen en Duynkerke had enkele relaties in Luik. 67] Ter afsluiting moeten we op een vierde mogelijkheid wijzen: W. Jole in Roermond ontving regelmatig berichten van zijn vriend Hage en leidde die verder naar J. Hulleman in Arnhem. Vanuit de Gelderse hoofdstad zouden de gegevens zijn doorgegeven naar Den Haag. 68] Misschien hing deze laatste berichtenweg samen met de activiteiten en de pogingen van de geheime agenten H. Lauwers en Th. Taconis zendcontact met Engeland tot stand te brengen. Als dat inderdaad het geval is geweest, kan het niet lang hebben geduurd: de twee agenten waren begin november 1941 boven Nederland gedropt, terwijl de groep-Dresen enkele weken later grotendeels werd opgerold. Los van bovenstaande werkzaamheden rekende de organisatie het tot haar taak wapens, munitie en explosieven bij elkaar te scharrelen of op te kopen, alsmede het voorbereiden en uitvoeren van sabotage. Dresen slaagde erin voor ƒ 700,- wapens aan te kopen. 69]
    Spierings smokkelde wapens en munitie, afkomstig van de illegale werker J. Wijnen uit Rekem, naar Nederland. Die wapens waren in de dagen rond de capitulatie in de bossen van Rekem begraven. Een boswachter had ze teruggevonden. 70] De zoon van de voormalige commandant van de Burgerwacht in Maastricht, A.J. Smeets, leverde enkele wapens en wat munitie aan Bartels en Dresen. 71]
    Datzelfde deed L.A. Bruls uit Sittard, een vliegtuigmecanicien die na de capitulatie de hand had weten te leggen op een aanzienlijke partij. Hij voorzag trouwens ook de groep-Smit in Heerlen van wapens. 72] G. Hooyen, de P.T.T.-ambtenaar, droeg eveneens een steentje bij. Hij trachtte personen, van wie hij vermoedde of wist dat ze hun wapens niet hadden ingeleverd, te overreden dat alsnog bij hem te doen. 73] In de cementfabiek E.N.C.I. kon enig trotyl worden ontvreemd. De wapens en explosieven werden in de woning van Meulensteen verborgen in een drooggelegde regenput en tussen de dubbele panelen van de kelderdeur. 74] De kosten van de wapenaankopen bestreed men met de opbrengst van de verkoop van foto’s van de koninklijke familie. De Britse R.A.F. wierp die foto’s regelmatig af, waarna onder anderen onderwijzer J.M.R. Giebels en mijnhulpopzichter A.M. van Puffelen uit Brunssum 75] en fotograaf J. Daniëls uit Maastricht ze vermenigvuldigden. 76] De afdrukken brachten tussen de 10 en 50 cent per stuk op; een revolver kostte al gauw ƒ 25,-.77] Niettemin heerste er een aanhoudend financieel tekort.78] Spierings smokkelde enige tijd saccharine, een zeer schaars produkt in België, de grens over, maar ook dat bood nauwelijks soelaas. 79]
    Hoewel Dresen en Hage over de meeste verzetsrelaties beschikten, fungeerden ze niet als leiders van de Maastrichtse organisatie. Op de bijeenkomsten, waar men steeds meer aandrong op krachtdadig verzet tegen de bezetter, hadden de medewerkers een gelijkwaardige inbreng. 80] Het resultaat van de beraadslagingen was dat J. Schutrup een sabotageploeg zou vormen. Andere groepsleden lieten zich evenmin onbetuigd. Telefoonkabels van de “Wehrmacht” werden met wisselend succes doorgeknipt of doorgehakt en banden van legerauto’s kapot gestoken. In het voorjaar van 1941 probeerden Schutrup c.s. de spoorbrug over de Maas in Maastricht op te blazen. Dat mislukte, omdat het ontstekingsmechanisme faalde op het moment dat een militair transport passeerde. 81] Omstreeks dezelfde tijd viste de politie het eerste lijk van een Duitse militair ter hoogte van de Sint Servaasbrug uit het kanaal Luik-Maastricht. Het kanaal liep parallel aan de Maas en de kademuren waren zò hoog dat het voor een drenkeling vrijwel onmogelijk was om er zonder hulp weer uit te geraken. Dat was in het verleden al vaker gebleken, maar afdoende veiligheidsmaatregelen had de plaatselijke overheid niet getroffen. Een zetje was voldoende om militairen, die in de naaste omgeving aan de “boemel” waren geweest en ’s avonds laat wat onvast op de benen huiswaarts keerden, in het kanaal te doen belanden. Vooral in de zomer van 1941, toen de waterpeil in het kanaal laag was, “raakten” verscheidene Duitse militairen te water. Degenen die er niet in slaagden de aandacht te trekken verdronken. 82] Bij de drooglegging van het kanaal in de jaren vijftig trof men een aantal skeletten aan, mogelijk óók van Duitsers.

    II.2. De civiele tak

    De in Rekem woonachtige volontair bouwkundige bij de Rijksgebouwendienst L.F.R. Spierings had meegewerkt aan de bouw van de grenskantoren Caberg en Bilserbaan bij Maastricht en kende er de meeste beambten. In de loop van 1940 raakte hij betrokken bij de illegale activiteiten van de groep-Hage/Dresen en bewees de prille organisatie belangrijke diensten. 83] Hij kocht in opdracht van Hage op afbetaling een stencilmachine van een failliete gummifabriek. Oranje papier en inkt wist hij te bemachtigen bij een drukkerij in de Belgische grensplaats Lanaken. Droitcourt in Geulle had een schrijfmachine. Aanvankelijk stond de stencilmachine afwisselend bij Dresen, Hage en Bartels, naderhand in de pastorie te Geulle bij Droitcourt. 84] Het eerste pamflet verscheen op 10 mei 1941 en was van de hand van Spierings (zie bijlage II). Hij herinnerde de “Burgers van Nederland” aan de gevallenen van mei 1940 en het bombardement op Rotterdam en wees op de verradersrol van de N.S.B.-ers en de toenemende levensmiddelenschaarste. De oplage, bij Meulensteen onder de groepsleden verdeeld, bedroeg zo’n 2.000 exemplaren. Dat waren overigens niet meer uitsluitend militairen. De organisatie kreeg meer en meer steun van burgers. Vrienden, kennissen en min of meer per toeval aangehaakte personen gingen deelnemen aan de verspreiding en verkoop van foto’s van het Koninklijk Huis en pamfletten en ondersteunden waar mogelijk de militaire tak. Tot de medewerkers uit civiele kring behoorden naast de eerder genoemde Knoop schipper H. Kessels, slagerszoon D.L. Cahn, politiebeambte F. Alkema, sluisknecht G. Hardenberg, elektricien J.C. van Hontem, justitieambtenaar A.J. Soentjens, de vrachtrijders J.M. Krischer en A.J. Macor, P.T.T.- ambtenaar G.H. Hooyen, douanier C. Petschi, stenotypiste J.C. Lint, haar zus C.J.J. Lint en haar vriend P.A. Engeln en diens medewerkster mejuffrouw J.H.G. Engelaar, verkoopagent M.C.C. van den Berg en M.G.J. Thijssen. Afgezien van de laatste twee, die uit Geulle kwamen, woonden ze allemaal in of bij Maastricht. 85] Op 29 juni produceerde Spierings ter gelegenheid van de verjaar- dag van prins Bernhard een tweede pamflet. Het was van gelijke strekking als het eerste en werd in een oplage van circa 3.500 exemplaren gestencild. 86] Op de verjaardag van koningin Wilhel- mina, 31 augustus, kwam het derde pamflet in een oplage van bijna 10.000 exemplaren uit (zie bijlage III). De inhoud was van de hand van Dresen, Hage en Spierings. Waarschijnlijk liep iets fout bij het afdrukken van het moedervel, want een groot deel van de oplage was onleesbaar en moest worden vernietigd. 87]
    Sommige medewerkers van Dresen wisten de hand te leggen op exemplaren van “Het Parool” of “Vrij Nederland”. Begin oktober kreeg Hage voor het eerst een exemplaar van de “Oranje Post” in handen. 88] Het was afkomstig van W. Jole uit Roermond, die het op zijn beurt had ontvangen van J.J.M.H. Schreurs uit het Middenlim- burgse Haelen. Met onderwijzer A.M.H. Mertens uit Nunhem had Schreurs in september 1940 het initiatief genomen om een eigen krantje uit te geven. De “Oranje Post” verscheen twee keer per maand en telde tussen de twee en zes gestencilde pagina’s. De inhoud bevatte berichten van de B.B.C., toespraken van de konin- gin, lokaal en regionaal nieuws inzake activiteiten en gedragingen van Duitsers en N.S.B.-ers en ooggetuigeverslagen van bombarde- menten op Duitsland. Aangezien de redactie over een ledenlijst van N.S.B.-ers in het district Roermond beschikte, konden partijleden die niet voor hun lidmaatschap durfden of wilden uitkomen aan de ]kaak worden gesteld. Tenslotte had het krantje een speciale rubriek met als motto “Hou er de moed in”, bedoeld om de lezers een hart onder de riem te steken. Mertens schreef en typte een groot deel van de kopij. De “Oranje Post” werd vermenigvuldigd op een handstencilmachine, verborgen in het zomerhuis “Carpe Diem” van de familie Simmelink in het bosrijke Leudal onder Nunhem. De oplage bedroeg aanvankelijk enkele honderden exemplaren, maar naderhand groeide die uit tot boven de duizend. In de naaste omgeving werd het blad ’s avonds en ’s nachts huis aan huis ver- spreid. Door gebruik te maken van dienstenveloppen van de gemeente en het voedselbureau konden ook lezers buiten de regio worden bereikt.89] Een politieploeg, waarvan W. Jole deel uitmaak- te, verspreidde de “Oranje Post” in de omgeving van Roermond en bij de Staatsmijnen. 90] Hij zorgde ervoor dat Hage een nummer van het Nunhemse blad in handen kreeg. De douanier raakte kennelijk gecharmeerd van de inhoud. Zoals gebruikelijk liet hij G. Hooyen per telefoon een aantal medewerkers optrommelen voor een bijeen-komst bij Meulensteen. Een regionaal verzetsblad zoals de “Oranje Post” zou ook in Maastricht moeten verschijnen, betoogde hij. De vereiste technische faciliteiten waren voorhanden. Droitcourt werd met de realisering belast. Anderen zouden voor de kopij zorgen. Op 1 november 1941 rolde het eerste exemplaar van de “Oranje Koerier” uit de stencilmachine. De oplage van 175 stuks werd bij Meulensteen onder de verspreiders verdeeld. De inhoud omvatte naast de vertaalde tekst van enige door geallieerde vliegtuigen afgeworpen pamfletten een bijdrage van de hand van R. Bartels met als titel “Richtlijnen voor de Nederlandse Staatsburgers”. Het tweede nummer, met een iets kleinere oplage, verscheen op 20 november. Spierings leverde enkele bijdragen en nam daarin de in september 1941 benoemde N.S.B.-burgemeester van Maastricht op de korrel: “Hoe word ik een nazi-burgemeester”, “De kennismaking met de nieuwe burgemeester van Maastricht....” en “Een fijne meneer”. 91] Daarnaast is door de groep-Dresen naderhand nog een blaadje uitgebracht met de naam “R.A.F”. De tweede editie van de “Oranje Koerier” was tevens de laatste. Ruim een week na het verschijnen volgden de eerste arrestaties.

    II.3. Verraad

    Mejuffrouw J.C. Lint kende Hage uit het begin van de bezetting, toen ze als verkoopster van tabaksartikelen werkzaam was. De twee hadden hun pro-Oranje gevoelens niet voor elkaar verborgen gehouden. Eind 1940 was Lint op verzoek van Hage begonnen met de verkoop van foto’s van leden van het Koninklijk Huis.92] Aldus raakte ze meer en meer bij de groep betrokken. Van een kennis hoorde C.J.J. Lint van het illegaal werk van haar zus. Ze vertelde het aan haar vriend, de koopman P.A. Engeln, die er graag aan wilde deelnemen. Begin 1941 stelde Spierings hem aan andere groepsleden voor. Engeln toonde zich een toegewijd en actief medewerker en wierf nieuwe krachten: zijn vriendin C.J.J. Lint, J. Engelaar, een jongedame die bij hem in dienst was, zijn zakenrelatie M. van den Berg uit Geulle en A.J. Macor, een kennis uit het verenigingsleven. Macor stelde, net als Meulensteen, zijn woning beschikbaar voor bijeenkomsten. 93]
    Engeln had een niet al te best huwelijk en leefde al enige tijd gescheiden van zijn (Duitse) echtgenote en drie kinderen. Omstreeks mei 1941 opende hij met de in Amsterdam woonachtige I. Brandon een zaak in lederwaren aan de Bredestraat in Maastricht. De twee konden het bedrijf om verschillende redenen niet op hun eigen naam laten zetten. Engeln was gebonden aan betalingsverplichtingen jegens zijn echtgenote en Brandon was van joodse afkomst. De laatste stelde voor de zaak te laten registreren op naam van een goede bekende, mejuffrouw C.W. Meyer uit Bloemendaal. Spoedig knoopten Brandon en Meyer een intiemere relatie aan. De twee verwonderden zich over het nogal vreemde gedrag van Engeln. Hij kwam zijn plichten jegens zijn vrouw slecht na en hield zich bovendien met onduidelijke zaken bezig. Desgevraagd vertelde Engeln dat hij deelnam aan allerlei illegale werkzaamheden. Spierings bracht hem af en toe illegale pamfletten en op zolder had hij een parachute van een geallieerde vliegenier verborgen. De aanvankelijke verontwaardiging van mejuffrouw Meyer sloeg om in angst en radeloosheid toen Engeln haar het mogelijk lot van haar vriend Brandon voorspiegelde. Ook bij Brandon, die wel eens een pamflet had meegenomen naar Amsterdam, kreeg stilaan de angst de overhand. Op zoek naar goede raad kwam Meyer, mogelijk via een tussenpersoon, terecht bij een politieman uit Heer bij Maastricht, J.W.M. Blokker. De echtgenote van Engeln had er gewoond en zich bij herhaling beklaagd over het in gebreke blijven van haar wettige echtgenoot. Blokker moest erop toezien dat Engeln voortaan geld afdroeg aan haar. Daarvan was nog steeds weinig terechtgekomen. Nadat Meyer Blokker had ingelicht, stapte deze naar de Sipo. Hij vertelde Nitsch wat hij wist. Deze hoorde Brandon en Meyer uit en vernam tot in detail wat ze tot dusver gezien en vernomen hadden. Nitsch schakelde terstond - het was medio november 1941 - zijn V-man A. Engwirda in. Die kreeg opdracht de zaak van Engeln, de woning van Macor en het schipperscafé van Meulensteen in de gaten te houden en de gangen van Spierings na te gaan. Zijn informant deed dat - aldus Nitsch - op voortreffelijke wijze. 94] Dagelijks stond hij te posten in de Bredestraat, waar zijn ex-medewerker G. Boosten (zie hoofdstuk X) hem op zekere dag tegen het lijf liep en vroeg wat de reden van zijn geslenter was. Engwirda antwoordde dat hij in opdracht van de Sipo de zaak en de persoon van Engeln in de gaten moest houden. Hij noteerde wie de zaak bezochten. Boosten wees hem op de onjuistheid van zijn handelswijze, maar Engwirda verzekerde hem dat hij met zijn optreden het tegendeel beoogde en de communistische verzetsorganisatie in Maastricht juist trachtte te beschermen. 95] De Maastrichtse communisten namen geen maatregelen tegen hun dissident en Boosten verzuimde Engeln over het dreigende gevaar in te lichten. Twijfelde hij soms aan de verklaring van Engwirda? Niet alleen Boosten wist van Engwirda’s rol, ook Spierings kreeg door dat hij werd geschaduwd en er iets niet in orde was. De bezoekers van café Meulensteen constateerden hetzelfde: de aanwezigheid van de Sipo-informant begon op te vallen. Zij gingen hem op hun beurt schaduwen, maar onweerlegbare bewijzen kregen ze vooralsnog niet. 96]
    Intussen zag Nitsch het verhaal van Brandon en Meyer bevestigd. De lijst van verdachte personen groeide. Op vrijdag 28 november liet de Sipo Engeln, Spierings, mejuffrouw C. Lint en mejuffrouw J. Engelaar arresteren en de volgende dag Macor. Tussen 1 en 12 december vielen vrijwel alle medewerkers van de groep-Dresen - drieëntwintig personen - in Duitse handen. Slechts enkelen werden kort na hun arrestatie wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. 97] Sommigen ontsprongen de dans, omdat ze noch bij Engeln, Macor of Meulensteen waren geweest en niet waren genoemd door Brandon en Meyer. Ze hadden doorgaans een zeer bescheiden rol gespeeld of hadden genoeg afstand bewaard tot de organisatie. De zaak tegen negentien verdachten diende op 17 april 1942. Tegen de hoofdverdachten, Hage, Dresen en Spierings, werd de doodstraf geëist. Zij en acht anderen kregen zogenaamde “Schutzhaft” opgelegd en werden via Amersfoort naar Duitsland gedeporteerd. De meesten van hen kwamen in de loop van 1942 en 1943 in het kamp Neuengamme om het leven. 98] Engeln bezweek op 7 mei 1945 in Ebensee bij Mellick in Oostenrijk. 99] Schutrup en Spierings overleefden de verschrikkingen van het “Nacht und Nebel”-kamp Natzweiler. Op 20 oktober 1942 werd door het “Gericht des Marinebefehlshaber in den Niederlanden” in Utrecht het vonnis tegen de overige verdachten uitgesproken. Ze kwamen die dag allemaal vrij, omdat het voorarrest van de straf werd afgetrokken 100] (zie bijlage IV).

    III. De groep-Smit

    Tijdens de verhoren in Maastricht vertelde P. Dresen Nitsch dat J. Smit uit Heerlen hem in september 1941 had meegedeeld aan de opbouw van een verzetsgroep te werken. Daarvoor zocht hij oudmilitairen. Het was de bedoeling te zijner tijd af te rekenen met de N.S.B.-ers. Voorts had Smit hem gevraagd wat er in Maastricht op dit gebied gebeurde. Nitsch verwees in zijn eindrapport over de groep-Dresen aan het “Marinegericht” naar deze inlichtingen en schreef: “Hierzu wird bemerkt daß Smit seit längerer Zeit von der hiesigen Dienststelle wegen Aufbaus einer Widerstandsorganisation unter Beobachtung gestellt ist. Ein jetziges Eingreifen erscheint als verfrüht...”. 101]
    Smit, een uit Roermond afkomstige beroepsmilitair, koos na de demobilisatie in juli 1940 voor een dienstverband bij de marechaussee in Heerlen. Lang hield hij het er niet vol. Het was hem een doorn in het oog dat het openbaar optreden van N.S.B.-ers en andere pro-Duitse elementen ongestraft bleef. Toen bovendien duidelijk werd dat anti-N.S.B.-sentimenten de kop moesten worden ingedrukt, was voor hem de maat vol. Hij verloor het vertrouwen in de leiding van de marechaussee en in het voorjaar van 1941 nam hij ontslag. Op 19 juni trad hij als bankwerker in dienst van de Oranje Nassaumijn IV. 102] Waarschijnlijk beschikte hij toen al over verbindingen met oud-militairen die bereid waren de strijd tegen de bezetter en diens trawanten ondergronds voort te zetten. Zij waren voornamelijk afkomstig uit het vroegere 13e Regiment Infanterie, een regiment waarin vooral uit Zuid-Limburg afkomstige militairen hadden gediend en waarvan ook hijzelf deel had uitgemaakt. Hoewel Dresen aan Nitsch verklaarde pas in september 1941 met Smit in aanraking te zijn gekomen, moet dat ongeveer één jaar eerder het geval zijn geweest. De twee onderhielden steeds intensief contact en hadden vrijwel dezelfde verzetsrelaties buiten de regio zoals in Sittard en Roermond. Mogelijk speelden Hage uit Maastricht en illegale werkers rond Bongaerts in Heerlen eveneens een rol bij de totstandkoming van deze verbindingen. 103] De vroegste gegevens over Smit en zijn groep dateren van eind 1940 en begin 1941. 104]
    De Maastrichtse groep en de groep-Smit hielden zich met dezelfde activiteiten bezig. Zo verspreidden medewerkers van Smit de “Oranjepost” uit Haelen in de Mijnstreek. Daarnaast verkochten en verspreidden ze de eerste exemplaren van “Vrij Nederland” en “Het Vrije Volk”. Laatstgenoemd blad was een regionaal krantje, in de tweede helft van 1941 ontstaan op initiatief van enkele oudmilitairen die betrokken waren bij de opbouw van de plaatselijke Ordedienst. Het blad bevatte onder meer regionaal nieuws en plaatselijke “foute” coryfeeën werden erin aan de kaak gesteld. Voor de rest week de inhoud niet veel af van de “Oranjepost” en de “Oranjekoerier”. Sommige van deze bladen werden tegen betaling aan de man gebracht. De meeste revenuen werden echter verkregen uit de verkoop van foto’s van de koninklijke familie. Onderwijzer Giebels en A.M. van Puffelen uit Brunssum 105] vervaardigden afdrukken en verkochten ze. Hetzelfde deden de Maastrichtse kapelaan J.G.H. Spronck en mejuffrouw C.H.J.M. Smit, een zuster van J. Smit.106] Verder verspreidde de groep-Smit herderlijke brieven van het Nederlands episcopaat waarin zonder omhaal stelling werd genomen tegen onder meer de N.S.B., maar waarin vooral werd duidelijk gemaakt dat de bisschoppen niet van zins waren werkeloos toe te zien hoe de verworvenheden van de katholieke emancipatie werden bedreigd. De brieven vormden voor de meeste katholieken een belangrijke inspiratiebron. Ze schraagden hun vertrouwen in de eigen geestelijke leidsmannen, juist in een periode dat de Duitse pressie in het kader van de nazificatiepolitiek toenam. De in Maastricht woonachtige aalmoezenier van Sociale Werken, L.J. Roumen, begreep het onschatbare belang van de brieven en reproduceerde ze in grote aantallen waarna ze hun weg door de hele provincie vonden. Hetzelfde deed hij met de preken van de bisschop van Münster, mgr. C.A. Graf von Galen, die in de zomer van 1941 met enig succes van leer trok tegen het vergassen van ongeneeslijke geesteszieken in Nazi-Duitsland. Op deze manier kon het rooms-katholieke volksdeel op tamelijk subtiele wijze met de neus op de feiten worden gedrukt in een tijd dat de nazificering van de Nederlanders centraal stond en het bezettingsklimaat met het oog daarop nog relatief mild was. In Valkenburg stencilde kapelaan G.H. Hennekens de preken van Von Galen en de herderlijke brieven.107] Hij citeerde ze telkens weer tijdens zijn zondagse preken en stak zijn anti-Duitse gezindheid niet onder stoelen of banken. In de loop van 1941 kwam hij via veldwachter H.A. van Roy uit Valkenburg met Smit in contact. De laatste verklaarde zich bereid de verspreiding van de stencils voor zijn rekening te nemen. 108]
    Niet alleen oud-militairen als Th.G.H. Treuen, L.A. Vlemmings, C. Spreksel, P.J. Habets en H.J. Haan verspreidden de illegale bladen en stencils. 109] Zij kregen in toenemende mate steun van jongeren, voornamelijk familieleden en goede vrienden. Tegen het einde van 1940 hadden de middelbare scholieren A.J.A. Rameckers, P.L.W.A. Leclou en H.H. Baeten een illegaal groepje gevormd. Zij reproduceerden en verspreidden illegale lectuur en foto’s van het vorstenhuis. Het groepje tooide zich met de enigszins ongelukkig gekozen naam “Oranje Phalanx”. De term “Phalanx” refereerde aan de fascistische beweging van Franco in Spanje, maar de (oud-)gymnasiasten zullen het begrip ongetwijfeld hebben opgevat in zijn oorspronkelijke klassieke betekenis: een schaar van zwaarbewapende krijgers, opgesteld in langwerpige vierkante of dichte wigvormige slagorde. Via Th. Treuen en P. Habets, die evenals de jongens van de “Oranje Phalanx” lid waren van de plaatselijke dansclub, kwamen ze in aanraking met de groep-Smit. 110] Smit benoemde Treuen, in wie hij veel vertrouwen stelde en wiens familie in Tegelen een rol in het plaatselijk verzet speelde, tot zijn plaatsvervanger. 111]
    Vanaf het voorjaar van 1941 legde de groep-Smit zich ook toe op het vergaren van inlichtingen en het verzamelen en kopen van wapens, munitie en explosieven. Met de leiding hiervan belastte Smit L. Vlemmings. 112] J.H. Brouwers uit Klimmen had na de demobilisatie enkele wapens vanuit Den Haag meegenomen naar huis en stelde die ter beschikking.113] L.A. Bruls uit Sittard deed zijn wapens tegen betaling van de hand. 114] De drie (oud-)gymnasiasten lieten zich evenmin onbetuigd. Zij haalden twee geweren en enkele jachtgeweren weg uit een opslagplaats voor ingeleverde wapens. Baeten ontvreemdde maar liefst vijf pistolen met munitie van zijn vader, een politieman. 115] P. Habets en J.H.H. Coeymans, respectievelijk werkzaam op de Oranje Nassaumijn IV en de Oranje Nassaumijn I, stalen er explosieven en slaghoedjes. Habets poogde bovendien zelf springstof te vervaardigen op basis van nitro-glycerine. 116] Slechte of kapotte wapens werden gerepareerd. Naarmate het jaar vorderde en men over meer wapens en explosieven beschikte - veldwachter Van Roy had zelfs enkele helmen ter beschikking gesteld - nam de wens om er daadwerkelijk iets mee te doen toe. Het was zeker niet hun bedoeling om, zoals Dresen naderhand verklaarde, af te wachten teneinde te zijner tijd met de N.S.B.-ers af te rekenen. Integendeel, er werden plannen gesmeed om Duitse munitietreinen onder vuur te nemen, zelfs gewapenderhand en openlijk de strijd met de bezetter aan te binden. 117] Dergelijke jeugdige overmoed viel niet bij alle medewerkers in goede aarde. Zij waren van oordeel dat zo’n houding maar al te gemakkelijk tot onvoorzichtigheid kon leiden. Men had immers met een geoefende en professionele tegenstander te maken. Niemand kon het zich veroorloven naast zijn schoenen te lopen. 118] De eerste serieuze sabotagepoging betrof een spoorwegviaduct tussen Heerlen en Klimmen. De vader van de vriendin van A. Rameckers was als ambtenaar werkzaam op het station van Voerendaal en kende de tijdschema’s waarop treinen met militaire voorraden passeerden. 119] Twee medewerkers van Smit, Treuen en Spreksel, brachten het viaduct in kaart. 120] Aan de uitvoering van het plan kwamen ze niet meer toe. In de vroege ochtend van maandag 2 februari 1942 hield de voltallige Sicherheitspolizei een klopjacht op alle, haar bekende groepsleden en pakte nagenoeg iedereen op die rechtstreeks of zijdelings bij de activiteiten van de groep betrokken was (geweest). Kennelijk achtte Nitsch in februari 1942 de tijd wèl rijp om in te grijpen: de groep-Smit dreigde gevaarlijk te worden. Bovendien wist Nitsch toen alles wat hij wilde weten. In feite had de prille organisatie sedert oktober of november 1941 onder curatele van de Sipo gestaan. Net als bij de groep-Dresen was er sprake van verraad.
    De uit Duitse ouders geboren Nederlander H.M.J. Thelen, oud-militair en mijnwerker op de Oranje Nassau IV, had zich in de tweede helft van 1941 bij de groep-Smit aangesloten, mogelijk op voorspraak van M.J. Haan. 121] Hij ontpopte zich als een actief medewerker. Hij zocht mee naar wapens en bezocht in gezelschap van Treuen verscheidene medewerkers, waardoor hij precies wist wie er tot de groep behoorden en welke plannen men koesterde. In september of oktober 1941 schreef Thelen een brief aan de Duitse gevolmachtigde voor de provincie Limburg, W. Schmidt, waarin hij kond deed van zijn bevindingen. Over zijn motieven staat niets vast. Schmidt liet hem zijn verhaal mondeling toelichten waarna hij de zaak overdroeg aan Nitsch, die Thelen opdracht gaf bewijsmateriaal te verzamelen. Van die taak kweet hij zich uitstekend. Thelen deed zelfs nog méér. Mogelijk was hij niet geheel zeker van een goede afloop voor hemzelf en wilde daarom zo goed mogelijk werk afleveren. Naarstig ging hij op zoek naar nieuwe medewerkers en trachtte anderen aan te zetten tot het ontvreemden en fabriceren van springstoffen. Hij zegde toe dat ook zelf te doen, waarvan uiteraard niets terecht kwam. Het dossier-Smit werd dikker en dikker.
    Op 2 februari viel het doek voor Smit c.s.: de Sipo arresteerde bijna dertig personen (zie bijlage V). Zij werden overgebracht naar het Huis van Bewaring te Maastricht, óók Thelen. Omdat aanvankelijk niemand met zekerheid wist wie de verrader was, kon Nitsch nogmaals gebruik maken van de diensten van zijn informant. Hij liet Thelen in de cel van Smit opsluiten. Deze had klaarblijkelijk nog steeds alle vertrouwen in zijn medewerker, want na een halve dag wist de verrader al genoeg en verzocht hij de onderdirecteur van het H.v.B., M.J.H. Rademakers, om een onderhoud met Nitsch. Langzamerhand drong door wie de rotte appel in het gezelschap was. Bij een andere gelegenheid vroeg Thelen aan Treuen of het niet beter was alles maar te vertellen. Treuen zou hebben geantwoord: “Je weet wat je Smit en mij dan te bakken zet; wij worden dan kapot geschoten”. Hij vertelde echter tòch het een en ander en na de eerste serie verhoren en mishandelingen - vooral Smit werd daar het slachtoffer van - konden op of omstreeks 17 februari 1942 nog eens acht personen worden aangehouden.
    Thelen had buiten de waard gerekend. Weliswaar had hij via gevolmachtigde Schmidt de Sipo op het spoor van een verzetsgroep gezet en meegeholpen bewijsmateriaal te verzamelen, maar hij had de fout begaan nieuwe krachten te werven in een periode dat het onderzoek reeds liep.
    Nitsch had zich daaraan gestoord en was van mening dat Thelen het onderzoek “provoziert” had. Met de anderen moest hij op 16 juli 1942 voor het “Feldgericht” in Amsterdam verschijnen. De bewijzen tegen Smit en Treuen achtte de Duitse rechtbank voldoende voor de doodstraf. Negentien medewerkers kregen levenslange of langdurige tuchthuisstraffen, ook Thelen. Het vonnis tegen Smit en Treuen werd op 17 september in Amsterdam voltrokken. De negentien anderen verdwenen naar Duitse concentratiekampen. Elf van hen kwamen daar om het leven. Thelen, die zich ook in de kampen gehaat maakte, overleefde de oorlog wèl, maar was en bleef onvindbaar voor de Nederlandse justitie. 122]

    IV. Nabeschouwing

    Welke indruk blijft achter na lezing van het ontstaan, de ontwikkeling en het voortijdig einde van deze drie vroege militair-civiele verzetsformaties? In naoorlogse publikaties is erop gewezen dat het in wezen voorlopers waren van de Ordedienst. Die constatering lijkt ons ietwat lichtzinnig. L. de Jong schreef terecht dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de Ordedienst zoals die zich sedert 1942 onder leiding van jhr. P.J. Six ontwikkelde en haar voorloper(s). Als er al een relatie kan worden gelegd met de O.D. dan is het met de vroege O.D. Ofschoon er contact bestond tussen bijvoorbeeld Erkens en Westerveld, was dat van incidentele aard. Men werkte liever zelfstandig. Erkens liet notabene weten niet met de in zijn ogen onvoorzichtig opererende leiding van de “eerste” O.D. te willen samenwerken. Hiërarchische verzetsstructuren zoals die in de O.D. van jhr. Six tot uitdrukking zouden komen, kende men in deze fase nog niet of nauwelijks. Het militaire element was bovendien niet zo geprononceerd: alle hier besproken groepen steunden in niet geringe mate op de hulp en inbreng van niet-militairen.
    De organisatiegraad was laag en men hield zich in tegenstelling tot de O.D. met allerlei activiteiten bezig. Van een scheiding der werkzaamheden of specialisatie was nog geen sprake. Men nam alles ter hand wat zich - min of meer per toeval - aandiende of wat men noodzakelijk achtte.
    Van meer belang is het gegeven dat deze groepen het voortouw namen. In een volstrekt uitzichtloze tijd legden zij een strijdvaardigheid, moed, bezieling en optimisme aan de dag waar zovelen psychisch nog niet toe in staat waren. Voorts brachten zij de eerste, zo belangrijke en noodzakelijke verbindingen met andere verzetsmensen in en buiten de provincie (tot in België en Frankrijk) tot stand. Hoewel die contacten tamelijk los en pragmatisch waren, vormden ze een cruciaal bestanddeel van het fundament waarop naderhand een niet gering deel van het georganiseerde verzet kon worden gebouwd. Immers, ondanks de arrestaties bleven de meeste losse contacten in en buiten de regio intact. Deze personen namen de draad doorgaans na enige tijd weer op.
    Een derde opvallend verschijnsel is dat de hier besproken groepen zich vrij snel uitbreidden en de deelnemers in hun ongebreideld enthousiasme en daadkracht de neiging vertoonden zich met alle mogelijke verzetsactiviteiten in te laten. Die ongelimiteerde dadendrang bracht vanzelfsprekend risico’s met zich mee: men wilde tè snel tè veel. Ervaring ontbrak en de tegenstander werd doorgaans ernstig onderschat. Loslippigheid en onvoorzichtigheid in eigen kring waren vooral in deze fase misschien wel de grootste vijand.
    In dit licht beschouwd vervulden de drie groepen een voorbeeldfunctie voor de navolgers: voorzichtigheid, meer praktische gerichtheid en zelfdiscipline en het nastreven van het haalbare werden de nieuwe sleutelwoorden. Niettemin zou men door de alledaagse praktijk nog bij herhaling zondigen tegen deze laatste uitgangspunten.
    Aansluitend bij het voorafgaande willen wij beklemtonen dat men de waarde van deze drie groepen niet moet afmeten aan de “wapenfeiten”, die waren ronduit gering. Trouwens, er is daar als gevolg van het feit dat ze allemaal letterlijk met wortel en tak werden uitgeroeid weinig van bekend: zij die leiding gaven en over de meeste verbindingen beschikten, overleefden de oorlog niet. Hetzelfde geldt voor het steeds weer gememoreerde radiografisch contact met Engeland. De werkelijke (intrinsieke) waarde school, zoals gezegd, in de voortrekkers- en voorbeeldfunctie. Er werd een basis gelegd waarop kon worden voortgebouwd.

    Bijlage IBijlage I Arrestaties in Limburg i.v.m. betrokkenheid bij de groep-Erkens

NaamPlaats en datum arrestatieGevolgen
Liedekerke de Pailhe, graaf R.Eijsden, 07-10-1942gefusilleerd te Utrecht 09-10-1943
Smeets, M.H.A.Eijsden, 07-10-1942gefusilleerd te Utrecht 09-10-1943
Smeets-Debeij, mevrouw A.Eijsden, 07-10-1942Ravensbrück, vrij na bevrjding
Srneets, A. jr.Eijsden, 07-10-1942vrijgelaten 05-12-1942
Smeets, Joseph H.A.Eijsden, 07-10-1942Natzweiler, vrij na bevrijding
Smeets, C.H.AEijsden, 07-10-1942gefusilleerd te Utrecht 09-10-1943
Sleeuwenhoek, D.Eijsden, 07-10-1942Natzweiler, vrij na bevrijding
Liedekerke de Pailhe, gravin E.Eijsden, 07-10-1942vrijgelaten 21-10-1943
Schoenmaeckers, mejuffrouw AdèleAmby, 05-11-1942vrijgelaten 06-11-1942
Schoenmaeckers, mejuffrouw HélèneAmby, 05-11-1942Ravensbrück; overleden te St. Gallen
Arpots, J.Eijsden, 05-11-1942Natzweiler, vrij na bevrijding
Partouns, J.Eijsden, 05-11-1942Natzweiler, omgekomen in Vaihingen
Reintjens, J.Eijsden, 05-11-1942Natzweiler, vrij na bevrijding
Cador, J.B. (O.F.M. Cap.)Eijsden, 05-11-1942vrijgelaten 05-12-1942
Moulin, J.D. (O.F.M. Cap.)Eijsden, 05-11-1942vrijgelaten 21-10-1943
Sienders, A. (O.F.M. Cap.)Eijsden, 05-11-1942vrijgelaten 05-12-1942
Fouqneray, J. (O.F.M. Cap.)Eijsden, 05-11-1942vrijgelaten 05-12-1942
Fülopp, F. (O.F.M. Cap.)Eijsden, 05-11-1942vrijgelaten 05-12-1942
Wolfs, R. (O.F.M. Cap.)Eijsden, 05-11-1942vrijgelaten 21-10-1943
Dresen, A.H.L.Maastricht, 11-11-1942gefusilleerd te Utrecht 04-01-1944
Dungen, kapelaan L. van denEijsden, 11-11-1942Natzweiler, vrij na bevrijding
Erkens, N.E.Sittard, 11-11-1942gefusilleerd te Utrecht 09-10-1943
Erkens, mevrouw E.Sittard, 11-11-1942vrijgelaten 22-01-1943
Erkens, mevrouw S.Sittard, 11-11-1942vrijgelaten 22-01-1943
Franquinet, R.Maastricht, 11-11-1942vrijgelaten 22-10-1943
Groutars, E.Maastricht, 11-11-1942vrijgelaten 22-10-1943
Zeekaf, W.Maastricht, 11-11-1942vrijgelaten 05-12-1942
Zeekaf, Mevrouw F.Maastricht, 11-11-1942vrijgelaten 05-12-1942
Cruys, J. van derEysden, 19-11-1942vrijgelaten 04-12-1942
Cruys-Walpot, M. van derEysden, 19-11-1942vrijgelaten 04-12-1942
Rocks, F.Valkenburg, 19-11-1942vrijgelaten 23-10-1943
Rocks, J.Valkenburg, 19-11-1942overleden te Natzweiler 03-03-1944
Spauwen, J.Eysden, 19-11-1942kort na arrestatie vrijgelaten
Oomes, rector M.Eysden, 29-12-1942vrijgelaten 21-10-1943
Prevoo, pastoor M.Eysden, 29-12-1942vrijgelaten 21-10-1943

In totaal arresteerden de Duitsers in samenhang met de organisaties “Marc”, “Clarence” en Erkens tussen 8 juni 1942 en 19 maart 1943 86 personen. 30 personen kwamen na een korte gevangenschap weer op vrije voeten; 18 personen werden na berechting vrijgelaten; 22 personen werden naar Duitse kampen gedeporteerd van wie elf de oorlog niet overleefden. Elf personen werden te Utrecht doodgeschoten. Het lot van vijf arrestanten kon niet worden vastgesteld
(Gegevens ontleend aan: Lieshout, J van, Het Hannibalspiel, Bussum 1980, pag. 319-324)

Bijlage II
Afbeelding: Handgeschreven pamflet, 10 mei 1941 (door L.F.R. Spierings)

Bijlage III Afbeelding: Handgeschreven pamflet, 31 augustus 1941 (door L.F.R. Spierings, P.M.J. Dresen en D.I. Hage)

31 AUG. 1941

Oranje vieren zal wel weer verboden worden.
Toch vieren wij Oranje.
Leve Koningin Wilhelmina!
Leve Ons Vorstenhuis! Leve ons Vorstenhuis!
Leve ons Vaderland!

Weg met Mussert en al zijne trawanten die slechts verraders zijn en blijven?
Die zelfs door de enkele menschelijke moffen
veracht worden! Weg met hen en hunne helpers
wier succes tot heden toe enkel voortvloeide uit woordbreuk
en verraad! Binnen zeer korten tijd
krijgt ge hiervan wederom een bewijs!
De kinderachtige verzindsels waarop hun woord-
breuk berust, maakt op den nuchteren hollandschen
burger geen indruk! Hij slikt nu eenmaal niet zoo
makkelijk als de onontwikkelde “broeders”
die de laatste jaren kunstmatig dom gehouden
werden alleen maar om met hen te kunnen
sollen! In onze ogen zijn zij allen slechts
schapen die naar de slachtbank gedreven
worden.
Weg met den Sattan, op wiens bevel de hand
aan millioenen deuren heeft geklopt
en nog dagelijks klopt! Duizendmaal hoo-
ger dan zij allen staat ons lieve Koningin en duizendmaal wenschen wij
vandaag
Leve de Koningin
Leve ’t Vaderland

Bijlage IV Arrestaties in de groep-Dresen

NaamDatum arrestatieBeroepStrafmaat/plaats en datum overlijden
Spierings, L.F.R.28-11-1941Ambtenaar Rijksgebouwendienstdiverse kampen w.o. Natzweiler, vrij na de bevrijding
Engeln, P.A.28-11-1941koopman, handelaaroverleden 07-05-1945 in Ebensee bij Mellick
Lint, mej. C.J.J.28-11-19412 maanden detentie (opgesloten tot 20-10-1942)
Engelaar, mej. J.H.G,29-11-1941verkoopster9 maanden detentie (opgesloten tot 20-10-1942)
Macor, A.J.29-11-1941vrachtrijdervrijspraak (opgesloten tot 20-10-1942)
Droitcourt, K.M.J.G,01-12-1941handelaaroverleden te Neuengamme, 11-02-1943
Hage, D.I.01-12-1941douanieroverleden te Neuengamme, 03-04-1943
Petschi, C.01-12-1941douaniervrijspraak (opgestoten tot 20-10-1942)
Dresen, P.M.J.02-12-1941kassier disiributiedienstoverleden te Neuengamme, 01-12-1942
Meulensteen, H.A.C.02-12-1941scheepsbevrachteroverleden te Neuengamme, 02-02-1943
Schutrup, J.02-12-1941douanierdiverse kampen w.o. Natzweiler, vrij na de bevrijding
Verhagen, D.02-12-1941douanieroverleden te Neuengamme, 18-01-1943
Wolf, E.02-12-1941douanieroverleden te Neuengamme, 04-12-1942
Krischer, J.M.02-12-1941vrachtrijder, lid luchtbeschermingsdienst10 maanden detentie (opgesloten tot 20-10-1942)
Lint, mej. J.C.05-12-1941stenotypiste7 maanden detentie (opgesloten tot 20-10-1942)
Duynkerke, J.M.09-12-1941binnenvaartschipperoverleden te Neuengamme. 04-03-1943
Bartels, R.H.12-12-1941textielfabrikantoverleden te Neuengamme. 14-12-1942
Soentjens, A.J.begin dec. 1941justitie-ambtenaarvrij na 10 dagen arrest
Berg, M.C.C., van denbegin dec. 1941handelsagentvrij na 8 dagen arrest

Bijlage V Arrestaties in de groep-Smit

Roy, H.A. van (Valkenburg)02-02-1942ex-veldwachter (de-cemher 1941 ontslag)3 jaar tuchthuisstraf; in diverse kampen;
op 05-04-1945 uit kamp ontsnapt
Puffelen, A.M, van17-02-1942hulpopzichter S.M. Mauritslevenslange tuchthuisstraf;
Hooiveld, G. (Heerlen)02-02-194212 jaar tuchtbuisstraf; in diverse kampen; bevrijd in maart 1945
Coeymans, J.H.H. (Heerlen)10-02-1942mijnwerker ON. 115 jaar tuchthuisstraf; in diverse kampen tot de bevrijding
Brouwers, J.H. (Klimmen)02-02-194214-02-1942 vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
Horsmans, J.B. (Klimmen)04-02-194205-02-1942 vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
Leclou, J.Th.J. (Voerendaal)02-02-194206-02-1942 vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
Leclou, R.F.J. (Voerendaal)02-02-194206-02-1942 vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
Ramecker, F. (Voerendaal)02-02-194203-02-1942 vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
Ham, N. van den (Heerlen)03-02-1942mijnwerker ON. IV09-02-1942 vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
Janssen, H. (Voerendaal)02-02-1942spoedig vrijgekomen wegens gebrek aan bewijs
Lenz, P. (Heerlen)02-02-1942idem
Hombergh. mej. A. van den (Heerlen)02-02-1942verpleegsteridem
Habets, P.J. (Voerendaal)02-02-1942mijnwerker ON. IVidem
Sips, H.H. (Heerlen)02-02-1942idem (ontkende óók na de oorlog)
Vreuls, H.J. (Kerkrade)02-02-1942spoedig vrijgekomen wegens gebrek aan hewijs idem
Simons, mej. A.M.H.02-02-1942waarschijnlijk idem februari 1942
Boesten (Heerlen)waarschijnlijk idem februari 1942
Herwijlen, van der (Heerlen) broer van Th. Treuenwaarschijnlijk idem 02-02-1942

N.B. De zaak Smit diende op 16 juli 1942 voor het Feldgericht in Amsterdam; de doodvonnissen werden op 9 september 1942 bevestigd en acht dagen later, op 17 september te Amsterdam omstreeks 14.30 uur voltrokken.

Noten

  1. Vraaggesprek auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11-1987.
  2. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  3. Ibidem.
  4. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring A.M.H. Smeets-Debey, Jan H.A. Smeets, Joseph H.A. Smeets, L. van den Dungen, M.J.M. Oomes.
  5. Vraaggesprek auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11-1987. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 110, inv. nr. 36: rapport D. Sleeuwenhoek. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  6. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring Y. Debatty-Tonka, M.J. Ravet en A. Ravet.
  7. Gegevens ontleend aan: Meyers en Selleslagh, De vijand te lijf, pp. 32-45. Van Lieshout, Het Hannibalspiel, pp. 94-113. Bernard, La Résistance, pp. 65-84. Dujardin, “De dienst ’Luc’”, pp. 33-117.
  8. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 985/2: rapport P.W.A. Landman.
  9. Gegevens ontleend aan: Meyers en Selleslagh, De vijand te lijf, pp. 32-45. Bernard, La Résistance, pp. 65-84. Bernard, Un géant de la résistance. Van Lieshout, Het Hannibalspiel, pp. 161-179.
  10. De gezusters Schoenmaeckers stamden uit een oud en voornaam geslacht. Men mag aannemen dat ze de Franse taal beheersten. Daaruit zou ook de hulpverlening aan Franstalige vluchtelingen kunnen worden verklaard. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946): verklaring R.H.G. Nitsch.
  11. Erkens kreeg in oktober 1941 pas contact met Eijsden en België en niet in de zomer van 1940, zoals L. de Jong schrijft. (De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 703; V, p. 883).
  12. G.A.M. Archief Commissaris van Politie. P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 en nr. 1196A (1946): verklaring R.H.G. Nitsch, A.M.H. Smeets-Debey, Joseph H.A. Smeets en D. Sleeuwenhoek.
  13. “Spionage”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, II, p. 562. R.v.O. Coll. Doc. II, 340-a: rapport ir. W. den B., Londen, juli 1941.
  14. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans.
  15. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII C, pp. 753-754: getuigeverklaring mr. L. Einthoven. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 844; V, pp. 217-218. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946).
  16. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946).
  17. Ibidem, M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 110, inv.nr. 65.
  18. Visser, De zaak Antonius van der Waals, pp. 244-249.
  19. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C-I, p. 288: getuigeverklaring ir. W. den Boer.
  20. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 217-218. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII C, pp. 753-754: getuigeverklaring mr. L. Einthoven.
  21. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 110, inv. nr. 65.
  22. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946).
  23. R.v.O. Coll. Doc. II, 340-a: rapport ir. W. den B., Londen, juli 1941.
  24. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 110, inv. nr. 65. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 885- 887.
  25. Rep, Englandspiel, pp. 40-47.
  26. Ibidem, pp. 185-204.
  27. Ibidem, pp. 66-119.
  28. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring M. van der Cruys-Walpot.
  29. Het Grote Gebod, II, p. 385. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Hoogeveen, ’Eveneens voor de goede orde’, pp. 90-91. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 30- 10-1987. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers H.L.M. van der Hoff, H.W.J. Hundscheid en J.J.H. Stessen.
  30. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1461 C. R.v.O. Coll. Erelijst: P.M.J. Dresen. Vraaggesprekken auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11-1987 en met L. Spierings en J. Schutrup, Maaseik (B), 5-11-1987.
  31. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  32. Ibidem. Vraaggesprek auteur met A. van Horne-Heythuijzen, Heythuysen, 9-10-1987.
  33. Ibidem.
  34. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring E.M. van Bochove-Bruggeman en B.J.M.F. Erkens-Hustinx.
  35. Ibidem: verklaring M. van der Cruys-Walpot, M.L.E. Erkens en Joseph H.A. Smeets.
  36. Ibidem: verklaring A. Ravet.
  37. Vraaggesprek auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11-1987. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 en nr. 1196 A (1946): verklaring R.H.G. Nitsch, A.M.H. Smeets-Debey, D. Sleeuwenhoek en R.M.P.J. Franquinet. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring R.H.G. Nitsch, A.M.H. Smeets-Debey, Joseph H.A. Smeets, M.G. Grasselier, E.M. van Bochove-Bruggeman en M.L.E. Groutars.
  38. Van Lieshout, Het Hannibalspiel, pp. 183-185. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11-1987.
  39. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946): verklaring R.H.G. Nitsch.
  40. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946): verklaring R.H.G. Nitsch. Visser, De zaak Antonius van der Waals, p. 286. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring R.H.G. Nitsch, I.M. van Dugteren en W.H.D. Nolen.
  41. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring R.H.G. Nitsch, A.M.H. Smeets- Debey, Joseph H.A. Smeets, Jan H.A. Smeets, Th. Groen en M. Wessel.
  42. C.A.B.R. Dossiers P. Rothert, J.F.C. Hoosemans, C.L. Huschka en J. Boegheim: tientallen getuigeverklaringen. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maas- tricht, nr. 1196 en nr. 1196 A (1946): 21 getuigeverklaringen. Vraaggesprekken auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11-1987 en met F. Rocks, Riemst (B), 15-12- 1986.
  43. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: negen getuigeverklaringen. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 en nr. 1196 A (1946): zes getuigeverklaringen. Vraaggesprekken auteur met J. Smeets en J. Arpots, Eijsden, 19-11- 1987 en met F. Rocks, Riemst (B), 15-12-1986.
  44. C.A.B.R. Dossier J.F.C. Hoosemans: verklaring R.H.G. Nitsch. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1196 (1946).
  45. Naoorlogse straffen van de drie belangrijkste infiltranten: J.F.C. Hoosemans: Bijzondere Strafkamer Den Haag, 9-11-1950: levenslang. C.L. Huschka: Bijzondere Strafkamer Zutphen, 24-6-1952: 20 jaar met aftrek plus TBR. G. Stellbrink: voort- vluchtig, niet berecht.
  46. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  47. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 266. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1461 C.
  48. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 700. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.M.J. Dresen. H. van As werd op 18 augustus 1941 gearresteerd en tijdens het zogeheten eerste O.D.- proces ter dood veroordeeld. Op 3 mei 1942 kwam hij in het kamp Sachsenhausen om het leven.
  49. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  50. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J. Schutrup, Maaseik (B), 5- 11-1987.
  51. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Doc. II, 621: rapport N.N. inzake R.A.F.- Maastricht. Vraaggesprek auteur met J. Schutrup, Maaseik (B), 5-11-1987.
  52. Bureau Commissaris van Politie Roermond. Pers. dossier W. Jole. Vraaggesprek auteur met J. Schutrup, Maaseik (B), 5-11-1987.
  53. Vraaggesprek auteur met J. Spierings, Maaseik (B), 5-11-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  54. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Erelijst: P.M.J. Dresen.
  55. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S, Collectie Koot, diversen, onderscheidingen ’40-’45, inv. nr. 282: J. de Groot. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.M.J. Dresen. Stichting ’40-’45, Eindho- ven.
  56. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, Belastinggroep Maastricht: vraaggesprek door A. de Goede. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 25.
  57. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  58. Vraaggesprek auteur met J. Schutrup, Maaseik (B), 5-11-1987. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  59. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  60. Ibidem.
  61. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  62. Ibidem.
  63. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch. R.v.O. Coll. Doc. II, 621: rapport N.N. inzake R.A.F.-Maastricht.
  64. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  65. Vraaggesprekken auteur met F. Rocks, Riemst (B), 15-12-1986; C. Slabbers- Spierings, Rekem (B), 25-6-1985; L.F.R. Spierings, Maaseik (B), 5-11-1987 en mevr. J.S. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985. R.v.O. Coll. Erelijst: D.I. Hage en D. Verha- gen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1561 E en 1461 C.
  66. Vraaggesprek auteur met L.F.R. Spierings, Maaseik (B), 5-11-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  67. R.v.O. Coll. Erelijst: P.M.J. Dresen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  68. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J. Schutrup, Maaseik (B), 5- 11-1987.
  69. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Erelijst: P.M.J. Dresen.
  70. Vraaggesprek auteur met L.F.R. Spierings, Maaseik (B), 5-11-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  71. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  72. Ibidem.
  73. Ibidem.
  74. Ibidem.
  75. Ibidem.
  76. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 242 (1947).
  77. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: verklaring C.L.
  78. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  79. Vraaggesprek auteur met L.F.R. Spierings, Maaseik (B), 5-11-1987.
  80. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  81. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J. Schutrup, Maaseik (B), 5-11-1987.
  82. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: verklaring J.E. en C.M. en slotoverzicht R.H.G. Nitsch. C.A.B.R. Dossier I. Brandon: verklaring R.H.G. Nitsch. Het staat vast dat de Maastrichtse onderwereld het kanaal gebruikte om lijken te laten verdwijnen. Bij de drooglegging in de jaren vijftig vond men die lijken terug. Over de identificatie van de stoffelijke resten is niets bekend, zodat er geen zekerheid bestaat over het aantal lijken van Duitse militairen.
  83. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met L.F.R. Spierings, Maaseik (B), 5-11-1987.
  84. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch. R.v.O. Coll. Erelijst: P.M.J. Dresen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.M.J. Dresen.
  85. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  86. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  87. Ibidem.
  88. Ibidem.
  89. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  90. Winkel, De ondergrondse pers, nr. 626: “Oranje Post”.
  91. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  92. Ibidem, verklaring J.L. en C.L.
  93. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht en rapportage aan rechtbank door R.H.G. Nitsch en verklaring C.L. en J.E. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 930 (1946). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  94. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: verklaring C.L. en slotoverzicht R.H.G. Nitsch. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 651 (1945), nr. 930 (1946), nr. 108 (1948). C.A.B.R. Dossiers A. Engwirda en I. Brandon.
  95. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948).
  96. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maas- tricht, nr. 108 (1948).
  97. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: weergave arrestaties. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948).
  98. C.A.B.R. Dossier I. Brandon. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: algemeen. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948).
  99. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1561 D.
  100. R.v.O. Coll. WBN, map 7, nr. 30/42. Betreft Brandon en Meyer: in 1947 moesten Brandon en Meyer zich verantwoorden voor hun optreden in de maanden oktober en november 1941. Het tweetal werd in gelijke mate schuldig bevonden en tot twaalf jaar met aftrek van voorarrest veroordeeld. (C.A.B.R. Dossier I. Brandon).
  101. R.v.O. Coll. WBN, nr. 15+30/42: slotoverzicht door R.H.G. Nitsch.
  102. R.v.O. Coll. Erelijst: J. Smit. G.A.R., inv. nr. 2.07.531, Kabinet mr. P.J. Reymer, dossier nr. 852. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  103. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, onderscheidingen ’40-’45, inv.nr. 282: J. de Groot.
  104. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  105. Ibidem.
  106. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 826 (1945). C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring J.G.H. Spronck en mej. C.H.J.M. Smit.
  107. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  108. Ibidem.
  109. Ibidem. C.A.B.R. Dossier H.M.J. Thelen, P.R.A.-Heerlen, nr. 1732/p (1946).
  110. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  111. Ibidem.
  112. Ibidem. M.v.D.-C.A.D. L.O.-L.K.P. Algemeen, gewest 19: schrijven Th. Goossen, 17- 7-1981. C.A.B.R. Dossier H.M.J. Thelen, P.R.A.-Heerlen, nr. 1732/p (1946).
  113. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  114. Ibidem. C.A.B.R. Dossier H.M.J. Thelen, P.R.A.-Heerlen, nr. 1732/p (1946). S.H.C. Archief J.G. de Groot (niet geïnventariseerd): rapport politie Oranje Nassau- mijnen, 16-7-1946.
  115. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring van H.H. Baeten.
  116. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier H.M.J. Thelen, P.R.A.-Heerlen, nr. 1732/p (1946).
  117. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring Nitsch.
  118. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  119. Ibidem.
  120. C.A.B.R. Dossier H.M.J. Thelen, P.R.A.-Heerlen, nr. 1732/p (1946).
  121. Ibidem.
  122. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: diverse getuigeverklaringen; idem, dossier H.M.J. Thelen, P.R.A.-Heerlen, nr. 1732/p (1946).