Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk V

Hulpverlening aan joden


I. De jaren dertig

I.1. Inleiding

Op 30 januari 1933 werd Hitler tot rijkskanselier benoemd. Twee maanden daarna organiseerden de nazi’s in Duitsland de eerste massale boycot van joodse winkels en bedrijven. Wat Hitler c.s. steeds in woord en geschrift hadden beleden, werd werkelijkheid.
Er volgde een reeks maatregelen om de joden volledig uit het maatschappelijk leven te verwijderen. Om deze kruistocht maatschappelijk aanvaardbaar te maken, bestookte met name minister Goebbels de Duitse bevolking op effectieve en professionele wijze met intensieve, massale propaganda. Aanvankelijk beperkten de acties van de nazi’s tegen de joden zich vanwege de nog te consolideren machtspositie tot openbare geweldpleging, hetzes in tijdschriften, dagbladen en pamfletten, en het brodeloos maken van hele beroepscategorieën. Op 15 september 1935 werden de zogeheten Neurenberger wetten van kracht op grond waarvan de in Duitsland levende joden hun Duits staatsburgerschap verloren. Hiermee verschaften de nazi’s zich de wettelijke basis om een openlijke anti-joodse politiek te bedrijven. De ene verbodsbepaling volgde op de andere waardoor de joden nagenoeg alle rechten verloren en in feite vogelvrij werden verklaard.
De geleidelijke maar stelselmatige verbanning van de joden uit het openbare leven bracht een groeiende vluchtelingenstroom op gang. Meteen na Hitlers “Machtübernahme” zochten de eerste, overwegend bemiddelde joden een veilig heenkomen in omringende landen of emigreerden naar de Verenigde Staten van Amerika of Palestina. Doorgaans wachtte hen in de omringende landen een weinig gastvrij onthaal. Anti-semitische tradities en sentimenten bestonden vrijwel overal: in de Westeuropese landen weliswaar in gematigde vorm, maar in landen als Polen, Roemenië, de Sovjetunie en Oostenrijk bestond al ruim voor 1933 een gewelddadiger anti-semitisme. Daar heerste een situatie die niet eens zoveel van de Duitse afweek, zij het dat de Oosteuropese anti-semitische variant in tegenstelling tot de Duitse, die politiek was georganiseerd en door de nationaal-socialistische overheid werd aangewakkerd, kenmerken vertoonde van een niet politiek geïnspireerde volksbeweging. Dat leidde ertoe dat zich ook Poolse en Oostenrijkse joden onder de vluchtelingen naar West-Europa bevonden. In antwoord op de aanslag op een medewerker van de Duitse ambassade in Parijs door een zeventienjarige gevluchte Poolse jood ontketenden de nazi’s in de nacht van 9 op 10 november 1938 een groots opgezette en goed georganiseerde golf van terreur tegen joodse winkels, woningen, synagogen en gemeenschapsruimten. Talrijke joden werden gemolesteerd en mishandeld. Ongeveer dertigduizend joden verdwenen naar kampen als Buchenwald, Dachau en Sachsenhausen. Deze tot dusver omvangrijkste geweldsexplosie, bekend geworden als de “Kristallnacht” vanwege de glasschade die ontstond door het kapotslaan van winkelruiten, bracht een massale exodus van joden uit Duitsland op gang. Het enige wat de joden overbleef was proberen te overleven of te vluchten, wat in 1938 nog mogelijk was, zij het met achterlating van have en goed.

I.2. Het Nederlands vluchtelingenbeleid en de ontwikkelingen in Limburg tussen 1933 en november 1938

Al in 1933 zag de Nederlandse regering zich geconfronteerd met de komst van aanzienlijke aantallen joodse vluchtelingen uit Polen en Duitsland. Hoewel Nederland de reputatie had een soepel asielbeleid te voeren, ontstond door de omvang van de vluchtelingenstroom verwarring over de interpretatie van de toelatingscriteria: de wetgeving was nogal ondoorzichtig en moeilijk te hanteren. Dat leidde er onder meer toe, dat het beleid in Limburg, grenzend aan het dichtbevolkte Noordrijn-Westfalen, van gemeente tot gemeente verschilde. Sommige gezagsdragers, zoals de commissaris van politie te Heerlen, stoorden zich daaraan. Begin april werden in Heerlen veertig Poolse joden aangetroffen die niet de status van politieke vluchteling hadden, terwijl er op dat tijdstip al circa tweehonderd joodse families verbleven waarvan slechts veertig officieel in Nederland waren toegelaten. Aangenomen mag worden dat de gemeente al deze illegale vluchtelingen kort daarop het verblijf in Heerlen heeft ontzegd. In een brief van 24 augustus 1933 aan de procureur-generaal van het gerechtshof in Den Bosch, mr. Th.W.F.A. Mathon, wees de Heerlense commissaris van politie erop dat de Nederlandse middenstand niet gebaat was bij het exclusief weren van joodse vluchtelingen uit Heerlen, want dat gaf slechts aanleiding tot vestiging van deze joden in kleinere gemeenten. Op grond van dit economisch argument drong de commissaris er bij de procureur-generaal op aan de burgemeesters van kleinere plaatsen ervan te doordringen ook daar geen joden toe te laten. 1]
Nog geen week later liet de Bossche magistraat de commissaris van de koningin in Limburg weten dat alle, niet uit Duitsland afkomstige vluchtelingen teruggestuurd moesten worden naar het land van herkomst of, indien zij dat wensten, door moesten reizen naar een land van eigen keuze. Bovendien, zo merkte hij op, was bij de toelating van vele, vooral Poolse joden, in Limburg niet of nauwelijks acht geslagen op de geldende vestigingsvoorwaarden en op de deugdelijkheid van hun papieren. Inderdaad hanteerden sommige gemeenten zoals Gennep, Venlo, Maastricht, Heer en Amby zeer soepele toelatingscriteria voor joodse vluchtelingen. In het kleine Amby vestigden zich tot augustus 1933 maar liefst 117 uit Duitsland en Oost-Europa gevluchte joodse families. Tot dusver had hun komst overigens nog niet tot klachten geleid. 2]
Door de aandacht te vestigen op het economisch motief raakte de Heerlense politiecommissaris, in een periode dat de mondiale economische crisis zich verdiepte, een gevoelige snaar. In tegenstelling tot de meeste naar Nederland uitgeweken Duitse joden beschikten de Oosteuropese joden nauwelijks over enige financiële middelen. Gevreesd werd dat hun komst tot een verdere ontwrichting van de economie zou leiden. Vooralsnog leek de regering bij monde van de minister van justitie, de R.K.S.P.-er mr. J.R.H. van Schaik, te kiezen voor een tamelijk coulante opstelling. Op 27 december 1933 ontving de commissaris van de koningin in Limburg een schrijven van Van Schaik waarin hij zijn houding ten aanzien van het vluchtelingenprobleem toelichtte. Joodse vluchtelingen mocht niets in de weg worden gelegd, behalve als de openbare orde, zedelijkheid, volksgezondheid of de staatsveiligheid in het geding kwamen. Toch hield hij een slag om de arm: de toelating in Nederland was van voorlopige aard. De regering moest, aldus de minister, haar standpunt zonodig kunnen herzien.
Dezelfde houding gold voor het aannemen van werk. Binnen bepaalde grenzen was dat toegestaan. Als armlastige vluchtelingen ten laste van de overheid dreigden te komen, zou een nader standpunt bepaald moeten worden. Tot zover liet de notitie van de bewindsman aan duidelijkheid niets te wensen over. De passage dat niet-Duitse vluchtelingen naar het land van herkomst moesten worden teruggestuurd of moesten doorreizen naar een land van eigen keuze schiep echter nieuwe onduidelijkheid.3] De Bossche procureur-generaal had enkele maanden tevoren een gelijkluidende formulering gebruikt. Welke houding diende te worden aangenomen jegens joodse vluchtelingen uit Oosteuropese landen? Door te kiezen voor een vage formulering creëerde de minister enige speelruimte voor de lagere overheden. Wellicht verkeerde hij in de veronderstelling dat Hitler de joden weldra weer met rust zou laten en het vluchtelingenvraagstuk zich zonder veel overheidsbemoeienis vanzelf zou oplossen.
Door de ontwikkelingen in Duitsland nam het aantal vluchtelingen juist toe. In het voorjaar van 1934 besloot Van Schaik om economische redenen de vluchtelingenstroom in te dammen. Elk geval werd voortaan aan een ambtelijke procedure onderworpen en pas na zorgvuldig wikken en wegen werd de vluchteling al dan niet toegelaten. Op 30 mei 1934 ontvingen de politie en de douane een officiële instructie: vluchtelingen moesten aan de grens tegengehouden worden, tenzij aannemelijk gemaakt kon worden dat terugkeer naar Duitsland “onmiddellijk lijfsgevaar voor de betrokkenen zal medebrengen”. Voorts beperkte de overheid de mogelijkheden voor vluchtelingen een arbeidsvergunning te krijgen teneinde het verblijf in Nederland te bemoeilijken en druk uit te oefenen om te vertrekken. De nieuwe maatregelen werden steeds strenger toegepast.
Ofschoon het overheidsbeleid officieel op economische argumenten was gebaseerd, speelden ongetwijfeld ook andere motieven en elementen een rol. Voor de meeste, beleidsbepalende personen en instanties betrof het toch vooral een Duits-Joods dan wel een internationaal probleem waar men de vingers liever niet (alleen) aan wenste te branden. Zo’n houding leidde tot een tamelijk algemeen indifferentisme dat incidenteel, afhankelijk van de ontwikkelingen in Duitsland, kon omslaan in een door medelijden gevoede, welwillender opstelling. Dit indifferentisme werd eveneens geschraagd door voorzichtigheid en terughoudendheid vanwege een zekere angst voor de machtige buurstaat en een gebrek aan inzicht in de gebeurtenissen in Duitsland. De nazi’s bestreden het communisme met hand en tand en ze gingen de economische crisis energiek te lijf, wat door grote delen van de Nederlandse bevolking als positief werd ervaren. Bovendien kende Nederland een latent, gematigd anti-semitisme, waaraan weliswaar niet teveel gewicht moet worden toegekend, maar wat er wel toe leidde dat velen ertoe neigden de ogen te sluiten voor de schrijnende gebeurtenissen in Duitsland. 4] Deze desinteresse of dit indifferentisme werd tevens in stand gehouden door de houding van de meeste dagbladen, die tot 1938 weinig oog hadden voor de vervolgingen in Duitsland en het daarmee samenhangende vluchtelingenprobleem. De regionale pers in Limburg week hier niet noemenswaardig van af. Aanvankelijk schonk men nog incidenteel aandacht aan het anti-semitisme in Duitsland zoals het “Limburgsch Dagblad” op 30 maart 1933: “Er heerst, het valt helaas niet te ontkennen, bij een groot deel van het Duitse volk een fel anti-semitische geest. Maar mag men alle joden over een kam scheren? Mag men het anti-semitisme zijn gang laten gaan omdat de joden in kunst en wetenschap, publiek leven, handel en nijverheid een grote rol spelen? Wanneer joden zich misdragen dan dient het recht zijn loop te hebben, maar men make geen opgezweepte massa rechter en stootte niet alle joden uit de gemeenschap. De nationaal-socialistische leiding in Duitsland bedenke zich”. Naar aanleiding van de eerste massale boycotactie eind maart 1933 schreef dezelfde krant op 7 april 1933: “De Limburgse en Akense pers hebben 5 april jl. te Aken een bijeenkomst gehad.
Ook het stadsbestuur was vertegenwoordigd en een joodse advocaat was er om te getuigen dat de joden in Aken geen haar gekrenkt was. Na zaterdag 1 april had men kunnen verwachten dat er zoiets als een stille boycot van joodse zaken was. Maar daarvan was niets te merken in de grote joodse zaken waar het druk was.”. 5] Los van de vraag of men zich een rad voor ogen liet draaien was de teneur van de verslaggeving duidelijk: het viel mee met de anti-joodse boycot, in elk geval in de Duits-Limburgse grensstreek. Naar aanleiding van het in werking treden van de Neurenberger wetten berichtte het “Limburgsch Dagblad” in september 1935 voor het eerst weer over de gevolgen van de vervolgingen. Er zouden Duits-Joodse vluchtelingen in de grensstreek zijn aangetroffen.
Naarmate de bewijzen zich opstapelden dat de geruchten over de verschrikkingen in Duitsland op waarheid berustten, leek de publieke opinie zich van het regeringsbeleid af te keren, vooral vanaf 1938. Een groeiend aantal Nederlanders begon zich het lot van de Duitse joden aan te trekken. Vóór die tijd waren de vluchtelingen aangewezen op zichzelf, op hulp van familie, vrienden en kennissen en landgenoten die al eerder waren uitgeweken. Op steun van de overheid hoefde niet te worden gerekend. Die kwam van particuliere zijde: in maart 1933 werd in Amsterdam het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen opgericht, spoedig gevolgd door het Joodse Vluchtelingencomité, dat nauw gelieerd was aan het eerstgenoemde comité. 6] Voorts werd een organisatie met de naam “Steun aan Doortrekkenden” opgericht. 7] Op initiatief van aartsbisschop J. de Jong ontstond in 1936 het R.-K.-Comité voor slachtoffers van geloofsvervolging. Dit comité legde zich onder leiding van de Utrechtse hoogleraar J.I.J.M. Schmutzer toe op de opvang van gevluchte r.-k. joden. Aan protestants-christelijke zijde werd een soortgelijk initiatief genomen. 8]
In Limburg waren diverse (joodse) organisaties betrokken bij de opvang van joodse vluchtelingen. Maastricht telde er twee. Een steuncomité voor uitgeweken buitenlandse joden dat vooral dank zij de inspanningen van de zeventigjarige joodse veehandelaar J. Kaufmann enige activiteit kon ontplooien. Met veel moeite wist deze enige fondsen te verwerven. Op aandringen van de plaatselijke joodse gemeenschap - Maastricht telde circa tachtig joodse families - trad in de loop van de jaren dertig de joodse advocaat mr. E.R. von Geldern, die met een niet-joodse gehuwd was, tot dit comité toe. Hij aanvaardde de functie overigens met tegenzin. 9] Het tweede comité, met dezelfde doelstelling, ontstond in protestantchristelijke kring. Namens de gereformeerde gemeente nam A.H. van Mansum hierin zitting. 10] In Heerlen was het Joods Immigratie Comité actief, waarin de textielhandelaar S. Herzdahl en diens medewerker R. Horn een vooraanstaande rol speelden. De hulpverleners vingen joden op en hielpen hen overal in het land aan onderdak. Horn legde hier een uitgebreid archief over aan dat na de Duitse inval slechts ternauwernood vernietigd kon worden door twee werknemers van Herzdahl. 11] Ook in andere plaatsen, zoals Roermond en Venlo bestonden joodse vluchtelingencomité’s.
Velen, zoals de Roermondse hoofdcontroleur bij de C.C.D., M.A.M. Bouman, verleenden hulp buiten georganiseerd verband. Onder hen bevonden zich zowel in Limburg woonachtige joden, zoals de Roermondse familie Goudsmit die er al vroeg in de jaren dertig mee begon, alsook uitgeweken joden. Gennep, waar de joden een gesloten gemeenschap vormden, voerde onder leiding van burgemeester J.P.D. van Banning een opvallend soepel toelatingsbeleid. De procureur-generaal in Den Bosch, mr. E.L.M.H. Speyart van Woerden, riep de burgemeester zelfs op het matje, omdat hij de landelijke richtlijnen aan zijn laars lapte. Prompt nam A. Spiegel, een uitgeweken jood, een verbluffend doelmatig initiatief. Hij liet zich benoemen tot honorair-consul van een Latijns-Amerikaans land en bezorgde gevluchte landgenoten een uitreisvisum, waardoor ze in elk geval voorlopig in Nederland konden blijven.
Toen Speyart van Woerden dat vernam, sommeerde hij Van Banning terstond huiszoeking te laten verrichten bij Spiegel waarna de vindingrijke immigrant zijn activiteiten moest staken. 12]
In het zuidoosten van de provincie bestonden talrijke grensoverschrijdende familiebanden. Het in Nieuwenhagen woonachtige echtpaar H.P. Schillings en I.L. Schillings-Weller hielp vanaf 1933 met steun van Duitse verwanten tientallen joden over de grens. Zij hadden verbinding met de Belgische afdeling van de internationaal georiënteerde Esperantistenvereniging. Zodoende konden de joodse vluchtelingen met medewerking van Belgische contactpersonen naar Luik en Verviers uitwijken. 13] Een aanzienlijk aantal joden dat in Limburg de grens overschreed bleef niet in de provincie, maar reisde verder naar Amsterdam of naar België, met name naar Antwerpen met zijn grote joodse gemeenschap. De Belgische autoriteiten legden de vluchtelingen minder in de weg, vooral als ze naar een andere bestemming wilden reizen. 14]
Nadat de R.K.S.P.-er mr. C.M.J.F. Goseling Van Schaik in juni 1937 als minister van justitie was opgevolgd, onderging het asielbeleid een ingrijpende wijziging. Begin februari 1938 besloot de nieuwe bewindsman tot de invoering van nieuwe, aanzienlijk scherpere toelatingscriteria. In de voorafgaande jaren waren door de grenspolitie en de marechaussee nog mondjesmaat vluchtelingen toegelaten, maar op 7 mei 1938 gingen de grenzen helemaal dicht. “Een vluchteling zal voortaan als een ongewenst element voor de Nederlandse maatschappij en derhalve als een ongewenste vreemdeling te beschouwen zijn, die derhalve aan de grens geweerd en, binnenslands aangetroffen, over de grens gebracht zal moeten worden”, schreef Goseling. Slechts bij uitzondering was nog toelating mogelijk. Hij motiveerde zijn besluit met economische argumenten. 15]
De regionale katholieke pers in Limburg steunde de R.K.S.P.minister. Er bestonden evenwel nuanceverschillen in de berichtgeving tussen het in de Mijnstreek verschijnende “Limburgsch Dagblad” (L.D.) en de in Midden-Limburg en het westelijk deel van Zuid-Limburg veelgelezen “Limburger Koerier” (L.K.). Terwijl het L.D. een toenemende betrokkenheid met het lot van de Duitse joden aan de dag legde, beperkte de L.K. zich tot een overwegend zakelijke, neutrale berichtgeving. Vanaf de zomer van 1938 kwam dit verschil steeds duidelijker aan het licht, omdat beide kranten voordien slechts sporadisch aandacht schonken aan de joodse kwestie. Op 18 juli 1936 had de L.K. nog gemeld dat zesentwintig Poolse joden, die door de Duitse politie bij Kerkrade over de grens waren gezet, meteen weer waren teruggestuurd. 16] Daar bleef het bij. In de loop van 1938 kwamen de vervolgingen en het vluchtelingenvraagstuk opnieuw in het middelpunt van de belangstelling te staan. Begin augustus nam het L.D. een bericht uit de Britse pers over met schokkende onthullingen over het lot van de joden in Duitsland. Zo zouden in het kamp Buchenwald tachtig joden zijn doodgemarteld. De “Limburger Koerier” had heel andere zorgen. Op 8 september 1938 publiceerde de krant een brief van een lezer uit Vaals die zich beklaagde over de honderden joodse vluchtelingen in zijn woonplaats. Zij zouden vooral de plaatselijke middenstand oneerlijke concurrentie aandoen. Teneinde zijn argument kracht bij te zetten voegde de anonieme briefschrijver eraan toe, dat in Vaals een zedelijk verval te constateren viel als gevolg van de komst der joden. 17] Deze brief sloot goed aan op het regeringsstandpunt, zodat hier wellicht sprake was van een redactioneel schrijven teneinde de publieke opinie op de hand van de regering te houden.
De Limburgers waren inmiddels vertrouwd geraakt met het vluchtelingenvraagstuk en brachten steeds meer begrip op voor de netelige situatie van de joden in Duitsland en de joodse vluchtelingen. 18] Voor de “Limburger Koerier” met zijn gezagsgetrouwe maar tevens pro-Duitse hoofdredacteur H. van den Broeck gold dat laatste veel minder. De editie van 3 oktober 1938 wijdde voor het eerst een commentaar aan het vraagstuk. In september had de militaire politie in Kerkrade veel joodse vluchtelingen uit Oostenrijk - waar Seyss-Inquart sedert enige maanden een met Duitsland vergelijkbare anti-joodse politiek voerde - aangehouden en over de grens gezet. In de nacht van 1 op 2 oktober waren opnieuw vijftien vluchtelingen aangetroffen en teruggestuurd. Kennelijk schoot de grensbewaking tekort, aldus het dagblad, en ondervonden de vluchtelingen van Duitse zijde weinig hinder. Met betrekking tot de hulp van Nederlandse zijde merkte de commentator op: “De vraag is, of zij (de Nederlandse hulpverleners, auteur) zich schuldig maken aan een strafbaar feit en als zulks niet het geval zou zijn, of zij dan niet verwijderd kunnen worden uit het grensgebied”. Om het probleem het hoofd te kunnen bieden moest met steun van de militaire politie, de marechaussee of de rijksveldwacht de grens beter worden bewaakt. 19]

I.3. November 1938 - mei 1940

De verschrikkingen van de “Kristallnacht” brachten een kentering in de landelijke pers en in de publieke opinie teweeg. Voor de twee meest gezaghebbende Limburgse dagbladen, de “Limburger Koerier” en het “Limburgsch Dagblad”, gold dat in veel mindere mate. Beide bladen hielden vast aan de tot dan toe gevolgde lijn. Door zich vrijwel uitsluitend te beperken tot een feitelijke weergave van de gebeurtenissen in Duitsland nam de “Limburger Koerier” zelfs enige afstand van haar rol van vertolker van de openbare mening. Het “Limburgsch Dagblad” daarentegen veroordeelde de geweldadigheden in felle bewoordingen en zocht de schuldigen bij de N.S.D.A.P-leiding en de lagere partijfunctionarissen. Verslaggevers peilden de opinie in de Nederlandse grensstreek: “De weinige Noord-Limburgers die nog regelmatig voor zaken naar Duitsland reizen, zijn naar huis gekomen met beschrijvingen van weerzinwekkende taferelen welke zich hebben afgespeeld op de pleinen en in de straten der Duitse plaatsen, waar de Limburgers vroeger zo veel hartelijkheid ondervonden hebben. Het gebeurde in de Duitse grensstreek heeft hier een diepe indruk gemaakt op de bevolking: weerzin tegen zulk een onmenselijk optreden van enkelen, medelijden met het lot der verdrukten. Vanaf de Nederlandse bodem heeft men in de Duitse grensplaatsen vuren zien oplaaien in de nachtelijke duisternis en naderhand vernam men, dat dit de joodse synagoges waren of de woningen van Israëlitische personen, wier namen tot hier een goede klank hadden”. Op 12 november schreef het “Limburgsch Dagblad” dat men het Duitse volk niet in staat van beschuldiging wilde stellen, omdat men maar al te goed wist dat vele Duitsers deze schandelijke dingen afkeurden al durfden velen dit niet hardop te zeggen. “De wraak der nazi’s is een der verschrikkelijkste dingen in deze eeuw, een geweldig gevolg van het altijd maar preken dat geweld boven recht gaat”, aldus een commentaar. In een artikel van 14 november werd hieraan toegevoegd dat het nu toch voor iedereen duidelijk moest zijn dat de uitgevaardigde verordeningen het leven van de joden in Duitsland ten enenmale onmogelijk maakten. De Duitse bladen noemden dit rechtvaardigheid of moesten dit zo noemen, maar in werkelijkheid was het een ontstellende willekeur en barbaars, aldus het “Limburgsch Dagblad”, dat op 15 november vaststelde dat men zich helaas moest beperken tot morele veroordelingen van het systeem in Duitsland. In diezelfde editie onderstreepte het dagblad dat de vervolgingen in Duitsland en Oostenrijk, waarbij het in totaal om vele honderdduizenden personen zou gaan, een internationaal vraagstuk was. Nederland kon degenen die wilden vluchten onmogelijk zelf opnemen, maar het “Limburgsch Dagblad” meende er tegelijkertijd op te kunnen vertrouwen dat men hier te lande niet zo onmenselijk zou zijn de slachtoffers, die erin slaagden de nazi-hel te ontvluchten, weer terug te drijven naar het oord van verschrikking en wanhoop. Niettemin bleef het blad het vluchtelingenbeleid van de regering steunen.
De “Limburger Koerier” voer een veel terughoudener koers. Op 17 en 18 november berichtte het blad dat enkele dagen na de “Kristallnacht” in Aken aanplakbiljetten waren aangetroffen waarop stond dat Nederland bereid was joden op te nemen. Talrijke joden hadden zich terstond naar de grens begeven. Daar zouden ze een verklaring hebben moeten ondertekenen waarin ze zich verplichtten, indien Nederland hen niet opnam, vrijwillig naar een concentratiekamp te vertrekken. De Nederlandse overheid reageerde met het naar de grens sturen van nieuwe detachementen militaire politietroepen in de hoop een joodse invasie te voorkomen. Aan de Zuidlimburgse grensposten speelden zich schrijnende taferelen af. De smeekbeden van de wanhopige vluchtelingen haalden niets uit. Ze werden onverbiddellijk teruggestuurd. Hoewel de maatregelen tegen de joden in Duitsland steeds drastischer werden, kon Nederland, aldus de “Limburger Koerier”, toch onmogelijk als enige de stroom berooide vluchtelingen opvangen.
Het “Limburgsch Dagblad” berichtte eveneens over de groeiende vluchtelingenstroom. Op 18 november schreef het blad: “Met kracht zijn ze (joodse vluchtelingen, auteur) naar het grensland getrokken; aan de Nederlandse en Belgische grens kwam de stilstand. Nu weten ze niet meer waarheen te gaan en in de bossen rond Aken zwerven ze; ellendig en beklagenswaardig (...). Deze mensen hebben de laatste weken zo veel meegemaakt, dat ze onverschillig geworden zijn voor het leed (...). Wat ze zullen gaan doen? De vraag klinkt wreed, maar een der mannen zegt dociel: nach Holland....Hij houdt er zo’n simpele economie op na: In Holland ist Geld und wo Geld ist, kan man es verdienen. En hij vergeet dat dit juist een van de simpele, maar keiharde redenen is, waarom Holland hen weren moet. Even leeft het oerinstinct van zijn ras nog op”. Naar aanleiding van het valse gerucht in Aken dat de Nederlandse grens zou openstaan voor joodse vluchtelingen, berichtte het “Limburgsch Dagblad” diezelfde achttiende november dat in Vaals plotseling tientallen vluchtelingen uit de mist waren opgedoken. Men had hierop gereageerd door terstond militairen, marechaussee en militaire politie aan te voeren ter versterking van de grensbewaking. Aan Duitse zijde waren na aanvankelijke aarzeling vluchtelingen tegengehouden. Vaals was, aldus de verslaggever, getuige “van een mensenjacht, die geboden was door een verschrikkelijke noodzakelijkheid, zonder dat er ook maar een kans was om het hart te laten spreken tegenover de ellende welke een troep opgejaagde menschen met zich meedroegen. Een man met een eerlijk gemoed acht het op de eerste plaats zijn plicht te helpen, wanneer hij ellende ziet. Hier eiste de plicht voor alles om hard te zijn en de ellende te laten voor wat het was”. Een grensbeambte verklaarde desgevraagd dat men deze dingen moest doen zonder er bij na te denken, want als men een ogenblik dacht dan werd het bijna onmogelijk zijn plicht te doen. Afsluitend merkte de medewerker van het “Limburgsch Dagblad” op: “Met opzet hebben wij de feiten die we hierboven meedeelden zonder enige kleur verteld en ons bepaald tot de vermelding alleen. Te spoedig maakt men stemming met deze droevige dingen, terwijl niemands belang op dit ogenblik met stemmingsmakerij gediend is. Ongetwijfeld zal iedereen geneigd zijn om maar zoveel mogelijk van de stakkers toe te laten tot ons land, maar daartegenover staat, dat ons land zelf in allerlei grote moeilijkheden zou geraken wanneer men de grens eenvoudig openzette. De minister-president heeft daarover duidelijke taal gesproken. Men moet in deze ook vertrouwen hebben in de regering, die nu zowel de harten als de hoofden van de Nederlanders moet vertegnwoordigen. Het is hard in het aangezicht van zoveel ellende eerst allerlei beperkingen te moeten maken, maar er is geen andere weg”.20]
Niet alleen het “Limburgsch Dagblad”, maar ook talrijke andere regionale en landelijke dagbladen spraken hun openlijke afkeuring uit over de jodenvervolging in Duitsland. Door desondanks toch het vluchtelingenbeleid van de regering te steunen kwamen heel wat dagbladen voor een dilemma te staan. Onder druk van de publieke opinie besloot de regering de grens alsnog op een kier te zetten en liet zevenduizend vluchtelingen toe. In maart 1939 was dat aantal opgelopen tot tienduizend. Het R.-K.-Comité voor slachtoffers van geloofsvervolging kreeg toestemming driehonderd asielaanvragen te honoreren. 21] Op 19 november haakte de “Limburger Koerier” hierop in en riep zijn lezers op het Utrechts comité, dat zich beijverde een vestingsplaats voor Duitse en Oostenrijkse katholieke joden in Zuid-Amerika te vinden, financieel te steunen. De vluchtelingen mochten namelijk in Nederland blijven als gedurende een jaar in hun onderhoud kon worden voorzien. 22] In navolging van België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Zwitserland werd in november 1938 besloten tot de opvang van joodse vluchtelingen in een speciaal kamp, te financieren door het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen. De keus viel uiteindelijk op het geïsoleerd liggende Westerbork in Drente. Vooruitlopend op het nieuwe beleid bracht de politie op 23] december 1938 een aantal illegaal het land binnengekomen mannelijke joden, die zich conform de voorschriften meldden, over naar opvangcentra in Hoek van Holland, Hellevoetsluis, Veenhuizen en Reuver. Sommige van deze onderkomens, zoals Veenhuizen, waren voor dit doel volkomen ongeschikt. 23 De honderdtwintig joodse vluchtelingen in Reuver, overwegend intellectuelen en kooplieden, werden gehuisvest in een voormalige kweekschool die deel uitmaakte van het klooster der Dominicanessen. Onder leiding van reserve-kapitein J.B.N. Simonis namen de kloosterzusters de verzorging op zich. De vluchtelingen leefden aanvankelijk volstrekt geïsoleerd van de plaatselijke gemeenschap; naderhand mochten ze één keer per week groepsgewijs en begeleid door de politie enkele uren door het dorp wandelen. Hoewel de joden een uitstekende verzorging genoten, leefden ze in voortdurende spanning, omdat de Duitse grens op een steenworp afstand lag. Op 31 augustus 1939 evacueerden de Reuverse vluchtelingen naar een als opvangkamp ingerichte exportslagerij in Hoek van Holland. De meesten van hen kwamen uiteindelijk in Auschwitz om het leven. Slechts vijftien, overwegend jonge vluchtelingen, slaagden erin vanuit Reuver Antwerpen te bereiken en naar Palestina uit te wijken. 24]
Het aantal van zevenduizend nog toe te laten joden was niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Velen probeerden dan ook clandestien Nederland binnen te komen. Sedert november 1938 verschenen regelmatig berichten in de Limburgse pers over deze illegale grensoverschrijdingen. Op 22 november haalden rijksambtenaren, aldus de “Limburger Koerier”, negen joodse vluchtelingen uit de tram in de buurt van Heerlen. Zij werden door de Kerkraadse politie bij Pannesheide over de grens gezet. Twee dagen later trof zeven andere personen hetzelfde lot. De “Limburger Koerier” suggereerde dat de zeven hulp van Nederlanders hadden gekregen. 25]
Het “Limburgsch Dagblad” schreef op 25 november: “Begunstigd door het buitengewoon slechte weer was een groep van tien joden er woensdagnacht in geslaagd om de grens te overschrijden. Zij waren met zijn tienen helemaal van Berlijn te voet naar Kerkrade gekomen en in de vroege morgen zochten ze een schuilplaats in de kerk van Kaalheide. Door schoolkinderen werd de aandacht op hen gevestigd, doordat de kinderen riepen “joden, joden”. Militaire politie greep in en wist van de joden, die ijlings de vlucht namen, er vijf aan te houden en over de grens te zetten. De andere ontkwamen, doch daar de omliggende gemeenten gewaarschuwd waren, werden de vijf in Heerlen bij het station gevat. Ook zij werden opnieuw over de grens gebracht”. In 1939 berichtte de “Limburger Koerier” herhaaldelijk dat de vluchtelingen telkens in een andere regio de grens probeerden over te steken. Nu eens was het de regio Vaals of Kerkrade dan weer de regio Sittard of het grensgebied ten noorden daarvan. In de grensplaats Kohlscheid, waar zich veel joden verzameld hadden, wachtten de vluchtelingen op een gunstig tijdstip om de grens onopgemerkt te passeren. Dat de grens onmogelijk hermetisch te sluiten was, had het “Limburgsch Dagblad” in een artikel van 17 december 1938 nogmaals vastgesteld: hoewel douaniers aan de Noordlimburgse grens alles tot en met smokkelpaadjes observeerden en controles hielden aan de bruggen over de Maas, leek het gebied te uitgestrekt om een effectieve controle uit te oefenen. Bovendien waren de terreinomstandigheden daar niet naar. Dagelijks druppelden joodse vluchtelingen met hulp van smokkelaars, die hen bijvoorbeeld verstopten tussen een met kerstdennen, groente of zelfs met afval of mest beladen vrachtwagen, clandestien Nederland binnen. Met roeibootjes werden ze vervolgens over de Maas gezet. 26]
Omdat steeds meer bekend werd over de noodsituatie waarin de joden in Duitsland verkeerden en door de kentering in de publieke opinie, ging een groeiend aantal (niet-joodse) particulieren zich actief met het vraagstuk bezighouden. Zo stelde een sigarenfabrikant uit Tegelen vanaf november 1938 één procent van zijn omzet beschikbaar voor steun aan joodse vluchtelingen. 27] Anderen gingen clandestien hulp verlenen. Terwijl bij sommigen uitsluitend humanitaire motieven aan deze mensensmokkel ten grondslag lagen, verleenden anderen hoofdzakelijk hulp om er financieel beter van te worden. Dat laatste was het geval met een in 1933 naar Maastricht uitgeweken Duitse jood. Deze liet zich voor zijn aandeel in de hulp betalen en speelde onder een hoedje met de Duitse autoriteiten waar het de verdeling van in Duitsland achtergebleven goederen en kapitaal van de door hem geholpen joden betrof. In ruil hiervoor liet men hem zijn gang gaan en ontvingen bemiddelde joden de noodzakelijke papieren om Duitsland te kunnen verlaten. Na mei 1940 stelde hij zijn diensten ter beschikking van de Maastrichtse Sipo. Voorzover bekend bleven zijn activiteiten beperkt tot omkoperij en het geven van tips waar geld en goederen van joden verborgen waren. Mensenlevens bracht hij vermoedelijk niet in gevaar. 28] Een in Vaals woonachtige jood, die weliswaar niet zover ging als de emigrant in Maastricht, vroeg bedragen variërend van ƒ 300,- tot ƒ 1.000,- voor de clandestiene grensoversteek. Op 12 september 1939 liep hij tegen de lamp. 29] De Maastrichtenaren A. Henkes, H.J. Wijler en J.L. Lindauer werden in de loop van 1938 en 1939 gearresteerd vanwege de hulpverlening. Laatstgenoemde werkte in opdracht van J. Verhagen, eigenaar van een taxibedrijf. Hij haalde joden in Heerlen op en bracht ze tegen betaling naar België. Op 25 november 1938 arresteerde de Gestapo Verhagen in Aken toen hij met een groep vluchtelingen op weg was naar de Nederlandse grens. Hij kreeg vijf maanden gevangenisstraf. Ook andere Zuidlimburgse taxibedrijven zoals dat van P. Lebon uit Maastricht, waren bij de hulpverlening betrokken.30]
Er zijn helaas weinig bronnen over de clandestiene hulp voorhanden en doorgaans bevatten die slechts informatie over malafide praktijken of arrestaties van hulpverleners. De indruk bestaat echter dat de hulp aan joden in 1939 een georganiseerd karakter kreeg. In maart 1939 arresteerde de politie een aantal uitgeweken joden in de buurt van de Belgische grens bij Maastricht. Zij hielden zich bezig met het doorsluizen van landgenoten via Limburg naar België. 31] De Heerlenaren W.M. Schalbroeck en W. Beismann smokkelden in 1939 tientallen joden over de Duitse grens. Een taxichauffeur uit Brunssum, F. Mikolic, pikte de vluchtelingen vervolgens op in een café in Heerlerheide, waar ze tijdelijk werden ondergebracht, en bracht ze via Maastricht en Eijsden naar België. Het ging mis toen de Heerlense politie Beismann in gezelschap van vier joden aanhield. De vier werden over de grens gezet. 32] L.M. Devies uit Sittard overkwam op 20 maart 1939 hetzelfde. 33] In juli 1939 kwam de politie per toeval op het spoor van een goed georganiseerd netwerk. Vier personen uit Sittard bleken werkzaam voor een ontsnappingsroute van Keulen naar Brussel en Antwerpen. Ze sluisden vluchtelingen over de grens op het moment dat aan Duitse zijde een aflossing van de wacht plaatsvond. Een taxi-ondernemer nam ze over en bracht ze naar Obbicht, Grevenbicht, Berg of Urmond. Daar werden de joden met een bootje de Maas overgezet. Vervolgens pikte de taxi-chauffeur, die bij Maaseik de grens was overgestoken, ze weer op en reed ze naar Brussel of Antwerpen. Toen douaniers op een groepje joden en hun begeleiders stuitten, werd snel een einde gemaakt aan deze mensensmokkel. Inmiddels waren al tientallen joden naar België gebracht. 34] In september hield de Roermondse politie twee smokkelaars aan die tegen betaling joden via Limburg naar België hielpen. Hun werkwijze was eenvoudig: zij postten dagenlang in het bosrijke grensgebied. Toen de douane daar lucht van kreeg, reisden ze naar Duisburg en Mönchen-Gladbach om ter plaatse prijsafspraken te maken. Het bedrag dat ze voor hun hulp vroegen kon oplopen tot ƒ 500,- per persoon. Toen Duitse douaniers een groepje joden en hun begeleiders ontdekten, liep het fout. De twee smokkelaars maakten zich uit de voeten. Desondanks bereikten de joden Roermond, waar ze alsnog werden aangehouden en een verklaring aflegden. 35] In het uiterste noorden van de provincie was een Nijmeegse organisatie actief. Medewerkers smokkelden joden tegen betaling - soms wel 800 Reichsmark - vanuit Goch naar Siebengewald. De Duitse douane kwam de groep in de zomer van 1939 op het spoor. Vreemd genoeg werd de medewerkers deviezensmokkel ten laste gelegd. 36]
Uit het voorgaande zou misschien de indruk kunnen ontstaan dat Limburg vooral diende als transitogebied voor joodse vluchtelingen die een veilig heenkomen zochten in België en het westen van het land. Gezien de ligging van Limburg ten opzichte van Duitsland zou men dat kunnen veronderstellen. Toch waande menig vluchteling zich er veilig genoeg en vestigde zich in deze provincie. Niettegenstaande het strikte toelatingsbeleid kwamen duizenden joden langs illegale weg het land binnen. Tussen februari 1933 en mei 1940 passeerden naar schatting veertigduizend joodse vluchtelingen al dan niet clandestien de Nederlandse grens, van wie velen via Limburg. Vanzelfsprekend had dat aantal bij een minder restrictief beleid veel hoger gelegen. 37]

II. Mei 1940 - juni 1942

II.1. Algemeen

In een redevoering op 30 januari 1939 verklaarde Hitler: “Als het internationale jodendom erin mocht slagen in Europa of elders volkeren in een wereldoorlog te storten, zal dit niet tot gevolg hebben dat Europa bolsjewistisch wordt en zal die geen overwinning van het jodendom betekenen, maar de uitroeiing van het joodse ras”. Het definitieve besluit tot de “Endlösung”, de totale vernietiging van het joodse ras, nam de Führer vermoedelijk in de eerste maanden van 1941. Hoe deze genocide in Duitsland en in de bezette gebieden moest worden georganiseerd, gecoördineerd en uitgevoerd, bespraken hoge nazi-functionarissen, S.S.-officieren en topambtenaren van diverse ministeries op 20 januari 1942 tijdens de Wannsee-conferentie. De bijeenkomst markeerde een nieuw dieptepunt in een zich aldoor versterkend en versnellend proces dat het Duitse openbare leven al sedert 1933 domineerde. Hoewel niemand het voor mogelijk had gehouden, vormden Hitlers beslissing en de daaropvolgende Wannsee-conferentie in feite de logische uitkomst van dit onstuitbare radicaliseringsproces. Dat bleek eens te meer in de door de Duitse legers veroverde gebieden, waar de bezettingsautoriteiten er alles aan deden de “achterstand” in de tot dusver gevolgde politiek jegens de joden zo snel mogelijk in te lopen. Dat was vooral het geval in landen als Nederland, waar men te maken kreeg met een Duits politiek bestuur. Daar waar een Duits militair bewind werd geïnstalleerd, zoals in België en Frankrijk, heerste een iets minder rigoureus vervolgingsklimaat zodat de overlevingskansen er iets gunstiger waren. In Oosteuropese landen als Polen daarentegen en naderhand ook in de Sovjetunie kende de moordzucht van de nazi’s van meet af aan geen enkele grens.
Al vanaf juli 1940 nam de bezetter in Nederland een reeks maatregelen waardoor het joodse bevolkingsdeel maatschappelijk in een isolement geraakte en verpauperde. In dit macabere proces speelde de in februari 1941 opgerichte Joodse Raad onder leiding van A. Asscher en D. Cohen noodgedwongen een (omstreden) rol. Evenals de bestuurlijke autoriteiten voerde de Raad een aanpassingspolitiek teneinde te redden wat nog te redden viel, maar hierdoor begaf zij zich steeds meer op een hellend vlak. De verantwoordelijke Duitse instanties volgden namelijk de cynische taktiek de Raad een belangrijk deel van de voorbereidingen, die uiteindelijk tot de deportaties en de massamoord leidden, in handen te geven wat telkens weer tot de meest weerzinwekkende dilemma’s aanleiding gaf. Zo werkte de Raad mee aan de registratie van de in Nederland woonachtige joden en de uitreiking van de gele Davidster in mei 1942. Tevens spoorde zij de joodse bevolking aan zich te melden voor transport. 38]
In Limburg vertegenwoordigde I. de Vries de in de synagoge van Maastricht gevestigde Joodse Raad. Het gebouw ligt op de hoek van de Bogaardenstraat en de Capucijnengang. Medewerking verleenden zijn echtgenote, zijn schoonzoon, mejuffrouw M. van der Hoop, H. Landau en mr. E.R. von Geldern, die de financiën beheerde. De Raad was tevens verantwoordelijk voor de financiële ondersteuning van noodlijdende en werkloze joden en de inrichting van joodse scholen en ziekenhuizen. Waarschijnlijk nam Von Geldern De Vries’ functie waar sedert diens onderduiken in mei 1943, maar toen waren de meeste joden al uit Limburg weggevoerd.39] Zoals gezegd bestond een van de taken van de Raad uit de registratie van de joodse bevolking. Nederland telde ongeveer 140.000 joden, van wie de meesten in de grote steden in het westen van het land woonden. Op een totale bevolking van 620.886 zielen telde Limburg op 20 augustus 1941 1660 joden ofwel 0.27%. Die 1660 joden vormden 1.19% van de joodse populatie in Nederland. Het betrof dus een naar verhouding kleine groep. De meesten van hen woonden in de grotere plaatsen. Hoewel de beschikbare cijfers niet volkomen betrouwbaar zijn, schommelde het aantal joodse inwoners in Maastricht gedurende 1941 tussen 502 en 671, Venlo telde circa 160 joden, Heerlen 139, Roermond 113, Kerkrade circa 60, Geleen 56 en het plaatsje Heer bij Maastricht 31. 40]

II.2. Protesten van de katholieke Kerk tegen de jodenvervolging

De rooms-katholieke Kerk had niet de reputatie voor joden op te komen. Integendeel, het Vaticaan kon ervan worden beticht op grond van theologische overwegingen anti-semitische sentimenten door de eeuwen heen tot op zekere hoogte te hebben aangewakkerd. In de Nederlandse kerkprovincie overheerste een ambivalente houding. De katholieke geestelijkheid predikte weliswaar geen virulent anti-semitisme, maar sprak evenmin in vriendelijke of genuanceeerde bewoordingen over de joden. Het laatste was alleen het geval met betrekking tot katholieke joden. Als gevolg van de vervolgingen veranderde de houding van de Nederlandse r.-k. geestelijkheid ingrijpend. Het eerste conflict tussen de bezetter en het episcopaat ontstond toen de collaborerende overheid pogingen ondernam om voor de aanvang van het schooljaar 1941-1942 alle joodse leerlingen van de scholen te verwijderen en onder te brengen in speciale scholen. Aartsbisschop J. de Jong nam het op voor de katholieke joodse leerlingen en schreef op 13 september 1941 aan alle schoolbesturen van de r.-k. bijzondere scholen dat geen medewerking mocht worden verleend aan de uitvoering van deze maatregel en het onderwijs aan katholieke joodse leerlingen normaal moest worden voortgezet.41]
Begin 1942 tekende zich een nieuw conflict af. De politie kreeg opdracht aan alle openbare gebouwen, inclusief de katholieke, borden met de tekst “Voor Joden verboden” aan te brengen. In de officiële mededelingen van het aartsbisdom Utrecht van maart liet mgr. De Jong weten, dat het episcopaat het ophangen van dergelijke borden niet kon toestaan. “Nog afgezien van andere motieven (bijvoorbeeld daardoor zouden ook bekeerde Joden worden buitengesloten) is het reeds hierom onaanvaardbaar, omdat die bordjes een uiting zijn van principieel anti-semitisme en daar mogen zeker onze R.K. instellingen niet aan meedoen”. 42] Hierop lieten kerkelijke autoriteiten in de lente en zomer van 1942 overal in de provincie Limburg de bordjes verwijderen uit r.-k. ziekenhuizen, bibliotheken en patronaatsgebouwen. 43] De bezetter zag de actie aanvankelijk door de vingers, omdat de tijd nog niet rijp werd geacht voor een openlijke strijd met de katholieke Kerk. Klaarblijkelijk leverde de verwijdering van de borden steeds grotere problemen op, met name bij zwembaden en op sportterreinen. 44] In een instructie van juli 1942 adviseerde De Jong de geestelijkheid een “permissieve” houding aan te nemen als de politie de borden kwam plaatsen op sportterreinen of bij zwembaden, eigendom van een r.-k. instantie. Om de zaak niet op de spits te drijven liet men de politie haar gang gaan omdat “op sportterreinen of zwembaden, die voor ieder toegankelijk zijn, deze borden niet zonder groote moeilijkheden kunnen worden verwijderd”. 45]
Toen in juli 1942 de deportaties op gang kwamen, openbaarde zich het heftigste conflict. Op 10 juli besloten vertegenwoordigers van de Nederlandse Kerken, bijeen in het zogeheten Interkerkelijk Overleg (I.K.O.), een protesttelegram te verzenden. Op 11 juli ontving onder anderen Rijkscommissaris Seyss-Inquart het rekest, ondertekend door tien kerkgenootschappen, waaronder de r.-k.-Kerk (zie hoofdstuk VI, paragraaf I.1.). Het antwoord liet niet lang op zich wachten. De Wehrmachtsbevelhebber in Nederland, F.C. Christiansen, die zijn exemplaar aan Seyss-Inquart doorstuurde, stelde voor ook de ondertekenaars te deporteren. Commissaris-generaal F. Schmidt zegde echter namens de Rijkscommissaris toe dat de christelijke joden, voorzover zij vóór januari 1941 tot een der christelijke Kerken behoorden, niet weggevoerd zouden worden. Met deze concessie namen de Kerken geen genoegen. Ze besloten een protestbrief op te stellen, waarin het telegram van 11 juli was vervat, en deze op 26 juli in alle kerken voor te laten lezen. Van Duitse zijde werd druk uitgeoefend dit achterwege te laten. De officiaal van het aartsbisdom, mgr. F. van de Loo, die namens de bisschoppen contact met het I.K.O. onderhield, hield De Jong voor dat “Die (Duitse pressie, auteur) er overigens het bewijs van is hoezeer de Duitsers de kracht van de afkondiging vrezen en daarom voor mij persoonlijk een reden te meer om deze wèl te laten doorgaan”. De aartsbisschop deelde het standpunt van Van de Loo: “Wij mogen toch niet toelaten dat de wereldse overheid beslist wat in onze kerken zal worden voorgelezen”, schreef hij aan zijn mede-bisschoppen. Van de andere Kerken zwichtte alleen de Synode van de Nederlands hervormde Kerk. De Jong kon daar begrip voor opbrengen. Deze Kerk had al zwaar moeten lijden. Vrijwel al haar voormannen waren geïnterneerd. Op zondag 26 juli werd de herderlijke brief van 20 juli in alle r.-k.-kerken voorgelezen. De volgende dag reeds reageerde Seyss-Inquart: “Omdat de katholieke bisschoppen - ofschoon ze er niets mee te maken hebben - zich in de aangelegenheid (van de deportaties, auteur) hebben gemengd, worden nu alle katholieke joden nog deze week gedeporteerd. Commissaris-Generaal F. Schmidt zal op zondag 2 augustus 1942 op een partijvergadering in Limburg de bisschoppen in het openbaar antwoord geven”. Daar verklaarde Schmidt dat de Kerkvertegenwoordigers voor hun joodse geloofsgenoten waren opgekomen. Dat was wel zo, maar in de eerste plaats waren de Kerken in het krijt getreden voor alle joden. Voorts zei hij: “... wanneer echter de katholieke geestelijkheid op deze wijze blijk geeft zich niets aan te trekken van gevoerde onderhandelingen, dan zijn wij van onze kant gedwongen de katholieke joden als onze ergste vijanden te beschouwen en voor hun onmiddellijke transport naar het Oosten te zorgen. Dat is geschied”. Opnieuw nam de commissaris-generaal het niet nauw met de werkelijke gang van zaken. Van onderhandelingen was geen sprake geweest. Slechts de vertegenwoordiger van de Nederlands hervormde Kerk, ds. H.J. Dijckmeester, was dringend verzocht het I.K.O.-telegram aan Seyss-Inquart niet voor te lezen. Door de katholieke joden te deporteren beoogde men waarschijnlijk een bres te slaan in het kerkelijke eenheidsfront. Hoewel de poging mislukte, berichtte Rauter zijn chef Himmler in een brief van 24 september 1942 dat “... es tatsächlich gelungen ist, die katholische Kirche von der protestantischen aus dieser Einheitsfront zu sprengen”.
Op zondag 2 augustus 1942 werden in alle vroegte 245 katholieke joden opgepakt en op transport gesteld naar Amersfoort. Ook verscheidene Limburgse joden trof dat lot, onder wie vier inwoners van Maastricht, vier van Roermond, en de in december 1938 naar het Karmelitessenklooster van Echt uitgeweken Duits-joodse filosofe Edith Stein en haar zuster, eveneens karmelites. Vierenveertig joden kwamen spoedig weer vrij, de overigen gingen op transport naar Westerbork. Vandaar werden tweeënnegentig van hen, onder wie Edith Stein, in augustus 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Protesten van aartsbisschop De Jong haalden niets uit. 46]
Nog één keer verhieven de Kerken hun stem. Op 17 februari 1943, de deportaties waren in volle gang, schreven de Kerken een brief aan de Rijkscommissaris, waarin nogmaals geprotesteerd werd tegen de ongehoorde schendingen van de grondbeginselen der christelijke samenleving: gerechtigheid, barmhartigheid en de vrijheid van levensovertuiging. Tot die schendingen behoorde ook “het ten doode vervolgen van Joodsche medeburgers”. In de brief stond verder: “Om der wille van het recht Gods mag door niemand eenige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor mede schuldig maakt aan dat onrecht”. De bisschoppen lichtten deze passage nader toe in een herderlijke brief die op 21 februari in alle r.-k.-kerken werd voorgelezen. Daarin constateerden ze dat veel landgenoten zoals autoriteiten, ambtenaren en bestuurders van inrichtingen in gewetensnood raakten omdat hun medewerking werd geeïst bij de uitvoering van de deportatiemaatregelen. “Welnu”, aldus de bisschoppen, “om alle twijfel en onzekerheid omtrent dit punt bij u weg te nemen, verklaren Wij met alle nadruk, dat medewerking in deze in geweten ongeoorloofd is”. 47] Een officiële reactie van Duitse zijde bleef uit.

II.3. Protesten van civiele zijde

Afgezien van de Februaristaking van 1941, die overigens aan Limburg voorbijging, droegen de protesten van civiele zijde geen georganiseerd karakter. Wel was er sprake van incidentele en individuele protestuitingen. Zo nam de Maastrichtse politie in mei 1941 joodse kooplui in bescherming toen W.A.-ers trachtten ze van de markt te verdrijven. Dat paste overigens in het beleid om bemoeienis van de N.S.B. met het bestuur niet toe te laten en maakte dus deel uit van de normale politietaken. Niettemin kan men er ook een protestuiting in zien. Overal in de provincie werden bordjes met het opschrift “Voor Joden verboden” verwijderd, met name door exploitanten van horecagelegenheden. Soms werden de borden vernield of met verf besmeurd. 48] Naar aanleiding van het weghalen van dergelijke bordjes bij de ingang van parken en plantsoenen arresteerde de Maastrichtse politie eind mei 1942 elf joden. Zij kwamen vermoedelijk na enkele weken weer vrij. 49] Maastrichtenaar P. Frantzen wilde zich niet zonder meer neerleggen bij de vernedering die zijn echtgenote E. Nooitrust door het dragen van de ster moest ondergaan. Hij besloot er ook zelf een te gaan dragen. Trots liep hij hiermee door de stad, wat uiteraard niet onopgemerkt bleef, temeer omdat hij een bekend figuur in Maastricht was die al vaker in opspraak was gekomen. Nog in mei 1942 arresteerde de Sipo het echtpaar. Mevrouw Frantzen werd na enige tijd vrijgelaten, haar echtgenoot kwam op 25 mei 1943 in Neuengamme om het leven.50] Sommigen maakten hun afkeer over de vervolging en de deportaties kenbaar door middel van vlugschriften, pamfletten en krantjes. In juli 1942 circuleerde in Geleen een vlugschrift met de tekst: “Wij verwachten dat Secretarissen-Generaal, burgemeesters en hogere ambtenaren hun ambt in de waagschaal zullen werpen en zullen weigeren om nog langer met de de Duitse bezetter samen te werken. Wie nog aan zijn zetel blijft kleven zal na de bevrijding een zware taak hebben om zijn houding te rechtvaardigen. We rekenen erop, dat allen, die daartoe in de gelegenheid zullen zijn, speciaal ambtenaren van politie, spoorwegpersoneel enzovoort deze sadistische nazi-maatregelen zullen saboteren”. In andere plaatsen verschenen eveneens pamfletten waarin stelling werd genomen tegen de vervolgingen. In Maastricht circuleerde in de zomer van 1942 bijvoorbeeld een vlugschrift waarin werd opgeroepen zich tegen de deportaties te verzetten en werd aangespoord tot het geven van hulp. 51]
Van openlijke of georganiseerde protesten van overheidspersoneel is weinig of niets bekend. Binnenskamers zal menigeen ongetwijfeld zijn afkeuring hebben uitgesproken, maar in de praktijk was daar bitter weinig van te merken. Niet één burgemeester in Limburg zag zich op grond van de vervolging en de voorbereiding en uitvoering van de deportaties genoodzaakt af te treden. Dat neemt niet weg dat de burgemeesters die in de loop van 1941 om “principiële” redenen terugtraden, de Duitse politiek jegens de joden in hun overwegingen kunnen hebben laten meespelen. Slechts één keer, in de zomer van 1941, had het er de schijn van dat een aantal burgemeesters front vormde tegen de niet aflatende stroom anti-joodse verordeningen. Het betrof een maatregel van 17 juni 1941 waarin werd bepaald dat het joodse leerlingen voortaan verboden was in klassikaal verband met niet-joden te zwemmen. Burgemeester Ch.P.F.M. Strens van Swalmen liet weten dat hij geen maatregelen nodig achtte aangezien joden nooit gebruik maakten van een badinrichting. Dat schoot de commissaris van de koningin in de provincie, de N.S.B.-er M. de Marchant et d’Ansembourg, in het verkeerde keelgat. Hij klaagde bij zijn Haagse superieuren over de niet-loyale mentaliteit van Strens. Swalmen en een groot aantal andere Limburgse gemeenten moesten alsnog tot de orde worden geroepen, aldus Marchant. 52]

III. De deportaties

Op 22 juni 1940, ruim een maand na de Duitse inval, liet de S.S. eenendertig Duitse, twee Poolse en twee Nederlandse in Roermond woonachtige joden oppakken. 53] Mogelijk waren de arrestaties het gevolg van de hulp aan joodse vluchtelingen in de jaren dertig. Om wie het ging en wat er met hen gebeurde is niet bekend. De meeste joden zou in de loop van de bezetting hetzelfde lot treffen als deze vijfendertig Roermondse joden. Op 25 november 1941 verloren de Duitse joden in Nederland de Duitse nationaliteit. Ze werden statenloos. 54] Kort tevoren, op 7 oktober, had het gewestelijk hoofd van de politie in Den Bosch, N.J. van Leeuwen, gelast om per gemeente in zijn district, waaronder Limburg ressorteerde, opgave te doen van het aantal daar woonachtige joden. In de daarop volgende maanden druppelden de gegevens binnen. Nadat Adolf Eichmann, belast met de “Endlösung der Judenfrage”, op 20 juni 1942 had laten weten dat medio juli of augustus begonnen kon worden met de deportaties uit Nederland, raakten de ontwikkelingen in een stroomversnelling. 55] Op 23 augustus - de lijsten waren inmiddels compleet -verzond de “Zentralstelle für Jüdische Auswanderung” in Amsterdam honderden oproepen aan joden in Limburg om zich te melden. In de voorafgaande weken was in sommige plaatsen beroering ontstaan vanwege het gerucht dat alle joden gearresteerd zouden worden. Begin augustus waren naar aanleiding van de kerkelijke protesten immers tweehonderdvijfen veertig katholieke joden opgepakt. Het gerucht scheen op waarheid te berusten. In Maastricht ontvingen 159 joden een oproep, in Venlo 60, in Heerlen 56, in Roermond 45, in Amby 39, in Valkenburg-Houthem 32, in Vaals 21, in Kerkrade 13 en in Heer 12. In andere, overwegend kleinere plaatsen ging het om geringere aantallen.56] Men moest zich voor het einde van de maand in de gemeentelijke lagere jongensschool aan de professor Pieter Willemsstraat 39 te Maastricht melden. Het opkomstpercentage in Limburg lag veel hoger dan het landelijk gemiddelde: ongeveer de helft van de opgeroepen joden meldde zich, in Maastricht en Heerlen zelfs bijna 60%. Vooraf waarschuwde de bezetter krachtig tegen vluchtpogingen. Men verscherpte de bewaking van de grens met België. Talrijke joden trachtten een veilig heenkomen te zoeken, maar werden alsnog opgepakt. De zoekacties strekten zich zelfs uit tot voorbij Luik.
Enkele dagen voor de komst van de joden naar Maastricht brachten medewerkers van de Joodse Raad het schoolgebouw in gereedheid. Middenstanders en particulieren stelden goederen beschikbaar zodat behoeftige joden alsnog de beschikking kregen over de toegestane uitrusting, die overigens weinig voorstelde. In een kantine, bemand door vrijwilligers, kreeg iedereen belegde broodjes, koffie, thee, melk en fruit. Marechaussees, belast met de bewaking, beseften aanvankelijk niet eens waarom het ging en moesten door de joden worden ingelicht. Sommigen reageerden geschokt, temeer omdat zich onder de opgeroepenen bekenden bevonden. Op 25 augustus vertrok de eerste groep uit Maastricht. ’s Avonds laat brachten S.S.-ers, politiebeambten en leden van de marechaussee de joden - het aantal staat niet vast - naar het station. Mejuffrouw Van der Hoop, een medewerkster van de Joodse Raad die eerder vaststelde dat de bevolking van Maastricht sterk meeleefde met de joden, noteerde naderhand: “Bijna geen Maastrichtenaar heeft er iets van gemerkt: het was bijna 12 uur en de weinigen die nog op straat waren, werden van tevoren door de politie weggejaagd. Eenmaal in de treincoupé’s begonnen deze joden de leden van de Joodse Raad te bedanken voor de goede zorgen en wensten hun het beste en sterkte. Stel je voor: zij, de slachtoffers, aan ons, Joodse Raad, ridders van de droevige figuur, Don Quichotes in het kwadraat”. 57]
Tot april 1943 bleef de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung Limburgse joden oproepen en gaf de Sipo opdracht aan de politie joden uit hun huizen te halen. 58] In februari 1943 meldde de Roermondse politie dat nog drieënvijftig joden geregistreerd stonden, van wie er telkens weer verdwenen. 59] Uit een lijst van 28 maart 1943 bleek dat vanuit Limburg inmiddels driehonderd joden - honderdzesenvijftig vrouwen, honderdnegentien mannen en vijfentwintig kinderen - naar Vught, Amsterdam of Westerbork waren vertrokken. Twintig personen golden als verdwenen. 60] In werkelijkheid waren dat er meer. De laatste deportaties vonden plaats in april. Tussen 8 en 15 april werden tientallen joodse inwoners van Roermond op last van de Sipo op transport gesteld naar Vught en Westerbork. Op 15 april meldde de politie dat “de nog te Roermond verblijvende Joden op eigen gelegenheid naar Vught zijn vertrokken, waarbij niets bijzonders is voorgevallen”.61] Een dubieuze weergave van de werkelijkheid. Wat bedoelde men met “op eigen gelegenheid” en “niets bijzonders”? De meesten waren gearresteerd en onder politiebegeleiding naar het station gebracht. Bovendien ontstond enig tumult onder het publiek toen de trieste stoet voorbij trok. Een of meer omstanders trachtten zelf enkele joden uit de stoet te halen. Het was een buitengewoon emotioneel en schrijnend afscheid.
In april 1943 werden de laatste, nog in de noordelijke, oostelijke en zuidelijke provincies verblijvende joden gedwongen zich naar het doorgangskamp in Vught te begeven. Met uitzondering van de gemengd-gehuwden mochten ze zich vanaf 10 april niet meer in deze gebieden ophouden. Daarmee was de deportatiefase afgesloten. Degenen die niet waren komen opdagen moesten voortaan beducht zijn voor de verbeten jodenjager H.W. Conrad van de Sipo-Maastricht en diens medewerkers en informanten. Hetzelfde gold uiteraard voor de in Limburg ondergedoken joden uit andere delen van het land.

IV. Hulpverlening

IV.1. Enkele algemene opmerkingen vooraf

Kon de nog in betrekkelijke rust levende Nederlandse bevolking in de zomer van 1942, toen de hulp aan joden geen moment langer uitstel verdroeg, verzetshandelingen wel waarderen en was men bereid risico’s te lopen door er zelf aan deel te nemen? De aanhoudende stroom maatregelen tegen de joodse bevolking kon niemand zijn ontgaan. Aangenomen mag worden dat velen inmiddels een mening over de vervolgingspolitiek hadden gevormd. Die kon ruwweg variëren van afkeuring, onverschilligheid en desinteresse tot bijval. Van meer belang was de opinie of gezindheid jegens het joodse bevolkingsdeel, die min of meer in vergelijkbare categorieen kan worden verdeeld. Ervan uitgaande dat de meeste Nederlanders hun gezindheid en opinie jegens de joden hadden bepaald, was een onvermijdelijke volgende stap het aannemen van een houding. Hoewel meningsvorming en houding in elkaars verlengde liggen en verwacht mocht worden dat bijvoorbeeld een gunstige opinie in een positieve houding uitmondde, deden zich alle denkbare variaties voor. Voor velen bestond een groot verschil tussen het bepalen van een standpunt, het al dan niet openlijk uitkomen daarvoor en het al dan niet (durven) aanvaarden van de consequenties. Anders gezegd: een overwegend positieve mening of gezindheid jegens de joden kon heel goed samengaan met een onverschillige, gedesinteresseerde houding - vgl. het hanteren van de overheid en grote delen van de pers van het joodse vluchtelingenvraagstuk in de jaren dertig - of andersom. Vanzelfsprekend behoorde ook de combinatie van een ongunstige gezindheid met een onverschillige houding tot de mogelijkheden. 62] Zonder nader in te gaan op de variaties en los van een nauwkeurige omschrijving van generalisaties als “ongunstig”, “onverschillig”, “gedesinteresseerd”, “gunstig” en “positief” - er zijn veel meer termen denkbaar - kan worden vastgesteld, dat een ruime meerderheid van de Nederlanders een overwegend positieve gezindheid koppelde aan desinteresse en daarmee de lijn uit de jaren dertig in zekere zin doortrok. Met andere woorden: men had weliswaar waardering voor handelingen, gericht op de bescherming van en de hulp aan joden, maar tot een actieve deelname daaraan kwam het doorgaans niet. Men berustte in de situatie en schikte zich naar de feitelijke omstandigheden. Welke factoren bepaalden deze onverschillige, gedesinteresseerde houding? Naast gevoelens van onmacht weerhielden gezagsgetrouwheid en volgzaamheid, eigenschappen die het joodse bevolkingsdeel evenmin vreemd waren, de Nederlandse bevolking ervan te protesteren. Door de realiteit van bezetting en jodenvervolging en de daaraan gekoppelde breuk met de christelijk-westerse beschavingsgeschiedenis waren essentiële referentiekaders weggevallen. Wat zich afspeelde ging het bevattingsvermogen van velen te boven, zodat een adequaat antwoord uitbleef. Bovendien ontbrak het lange tijd aan instrumenten om de Duitse politiek waar mogelijk afbreuk te doen of te neutraliseren. Men was tot ver in 1942 niet georganiseerd, laat staan dat er een (landelijke) organisatie voor hulp aan joden bestond. Daarbij kan men zich afvragen of het noodzakelijke maatschappelijke draagvlak voor een dergelijke organisatie aanwezig was. Er bestond een sterke neiging de ogen te sluiten voor het onrecht dat de joden moesten ondergaan. 63] Vanzelfsprekend gold dat niet voor iedereen. Er waren ook personen die het anti-semitisme en de gevolgen daarvan in strijd achtten met hun eigen normen en waarden en op grond van hun overtuiging joden hielpen. Men zou geneigd zijn te veronderstellen dat het laatste het geval was binnen de illegaliteit. Toch was zo’n houding niet per definitie de grondslag waarop de hulpverlening stoelde. Meer dan eens kwam het voor dat achter een positieve houding een ongunstige gezindheid schuilging. Onder de illegale werkers bevonden zich zoals overal jodenhaters en er zijn gevallen bekend waarin joden door de illegaliteit werden verraden. 64] Dat een Limburgse geestelijke die joden hielp zich tegenover een van zijn medewerkers in de illegaliteit liet ontvallen dat men de handen van de joden moest afhouden, omdat het een klef volk was, getuigde evenzeer van een ongunstige gezindheid, gekoppeld aan een goede houding. Een andere exponent van deze combinatie was de Middenlimburgse verzetsman die op 22 augustus 1943 in zijn dagboek noteerde: “Alle aktiviteit schenkt veel voldoening. De uitzondering wordt gevormd door de afdeling Joden. Deze mensen hebben over het algemeen nog niets geleerd. Dankbaarheid moet je van het gros niet verwachten en naastenliefde - zelfs ten aanzien van hun eigen onbemiddelde landgenoten - kennen ze vrijwel niet. En dan te bedenken dat een groot aantal vaderlanders, gedreven door Christelijke naastenliefde, deze mensen gered hebben om tenslotte zelf de dood door de kogel tot loon te ontvangen. Dit zijn ontstellende ervaringen waarover na de oorlog nog menig woordje gezegd zal worden”.65] Zowel de geestelijke als de civiele verzetsman maakten deel uit van de L.O., een organisatie die de hulp aan joden als een nevenactiviteit beschouwde.
De specifiek op joden gerichte hulp werd voornamelijk gedragen door talrijke, in de loop van 1942 en 1943 rond individuele hulpverleners ontstane groepjes. Meestal bestonden die uit niet-joodse familieleden, vrienden en kennissen van joden zoals bijvoorbeeld in het geval van M. Souget uit Amsterdam die er in 1942 in slaagde via kennissen onderdak te vinden in Blerick waar hij de rest van de oorlog verbleef. 66] Soms lagen relaties uit de beroepssfeer of de politiek aan de hulpverlening ten grondslag. Al deze organisaties bereikten nimmer de omvang van de grotere verzetsgroepen, hoewel sommige in grote delen van het land actief waren. Het kon gebeuren dat hulpgroepen na verloop van tijd met elkaar in aanraking kwamen, maar doorgaans bleven ze zelfstandig. 67] Alvorens de georganiseerde hulp te bespreken zullen we kort stilstaan bij enkele onafhankelijke hulpverleners die zich niet bij een organisatie aansloten. In samenwerking met M. Platvoet, een jood uit Breda, hielp rector H.H.B. Hobus uit Breust bij Eijsden een onbekend aantal joden. Hiervoor ontving hij na de oorlog een hoge onderscheiding.68] J.H. Gorissen uit Maastricht smokkelde met enkele vrachtwagenchauffeurs joden naar België. Voor hun vertrek ontvingen de joden van P.M.J. Tilmans, een medewerker van de Belasting Groep Maastricht, een vals identiteitsbewijs. Om hoeveel personen het ging en waar ze vandaan kwamen, staat niet vast. 69] Met steun van Belgische contactpersonen smokkelden de Maastrichtenaren C. Janssen en C. Corsius joden ter hoogte van Klein-Ternaayen over de Belgische grens. Tegen betaling van 1100 Belgische francs ontvingen ze een identiteitsbewijs. Waarschijnlijk hadden de twee inwoners van Maastricht verbinding gekregen met een bonafide vluchtroute, want het staat vast dat een aantal joden Zwitserland bereikte. In 1943 vertrok Corsius naar Frankrijk waarmee een einde kwam aan deze mensensmokkel. 70] Soms liep het mis. Drie gezinsleden van de familie Peussens uit Eijsden, twee broers en een zuster, beschikten over verschillende, los van elkaar staande verbindingen met verzetsmensen in Amsterdam. Afgezien van twee politiebeambten waren deze relaties bonafide. Enige tijd verliep de mensensmokkel zonder noemenswaardige incidenten. Tot 18 juli 1942 staken vermoedelijk enkele tientallen joden met hulp van de Peussens de grens met België over. Die dag hielden vier Amsterdamse Sipo-leden en twee marechaussees de drie helpers aan. Vermoedelijk waren ze getipt door de Amsterdamse politiebeambten. C.H.J. Peussens kwam op 30 december 1942 in Sachsenhausen om het leven. M.J.H. Peussens werd uit hetzelfde kamp ontslagen en keerde op 28 april 1944 in zijn woonplaats terug. Mejuffrouw J.M.H. Peussens werd niet naar Duitsland gedeporteerd en kon na een kort verblijf in een Amsterdamse gevangenis huiswaarts keren. 71] Een groepje van zes personen uit Maastricht hielp in de zomer van 1942 joodse vluchtelingen over de Belgische grens. Op grond van inlichtingen van de Sipo-informant A. Engwirda kon R. Nitsch het groepje in september en oktober 1942 oprollen. Eén medewerker, een zekere Simonis, zou in een concentratiekamp om het leven zijn gekomen. De overigen kwamen begin 1943 weer vrij. 72]

IV.2. In jodenhulp gespecialiseerde organisaties

IV.2.1. Het “Utrechts Kindercomité” en de groep-Meerburg

Op dinsdag 14 juli 1942 bezocht een studente uit Utrecht Amsterdam, waar ze getuige was van een razzia op joden. Dit greep haar zo aan, dat ze ter plaatse besloot enkele joodse kinderen te helpen. Met toestemming van de ouders nam ze negen kinderen mee naar Utrecht en bracht ze onder bij de moeder van J. Meulenbelt. Laatstgenoemde, student sociale geografie, ging meteen op zoek naar pleegouders en won advies in bij G.Th. Kempe, hoofdassistent op het criminologisch instituut van de Utrechtse universiteit. Weldra ontstond een klein netwerk van medewerkers rond Meulenbelt. De kern van dit “Utrechts Kindercomité” vormden mejuffrouw A.M. Pont, mejuffrouw A. de Waard, mejuffrouw R. Matthijsen, F. Iordens, J. Haak en G. Lubberhuizen, vrijwel allemaal studenten van de Utrechtse universiteit. 73] Via het landelijk studentenverzet kregen Meulenbelt c.s. in augustus 1942 contact met de Amsterdamse rechtenstudent P.A. Meerburg en naderhand met de Heerlense Ch. van Berckel. Het laatste contact was tot stand gekomen via de in Nijmegen studerende Limburger J.F.H.M. van Hövell van Wezeveld en Westerflier, een van de leiders van het landelijk studentenverzet. De koeriersters H. Voûte en G. Söhnlein brachten de door Meerburg en zijn helpers opgespoorde joodse kinderen naar Utrecht. 74] Van Berckel slaagde erin verschillende kinderen in Noord-Brabant en Zuid-Limburg onder te brengen. 75]
Op 29 augustus 1942 ontving aartsbisschop De Jong een niet ondertekende brief met de volgende inhoud: “De zeer bijzondere tijdsomstandigheden brengen met zich dat sinds eenigen tijd voor een groot aantal jeugdige kinderen een onderdak gezocht dient te worden, en wel voor geruime tijd. Dientengevolge is dit noodzakelijke werk door velen ter hand genomen. Een groep van deze personen heeft met elkander contact gekregen van meer blijvenden aard en heeft in samenwerking gezorgd voor het onderbrengen van ongeveer 40 kinderen, hoofdzakelijk in de leeftijden tot en met 10 jaar, in deze gemeente (Utrecht, auteur). Dezelfde groep was daarenboven in staat om in verschillende deelen des lands, zowel in stedelijke als in plattelandsgemeenten, eveneens een aantal van dergelijke kinderen onder te brengen. Dit laatste aantal bedraagt op dit oogenblik naar schatting 70 tot 80. Wanneer alle mogelijkheden uitgeput zijn zal in totaal naar voorzichtige raming een aantal van ongeveer 150 kinderen zijn geplaatst in pleeggezinnen.
De aan de verzorging dezer kinderen verbonden kosten zijn uiteraard niet gering. Verschillende pleeggezinen hebben weliswaar afgezien van het ontvangen van financieele steun, terwijl ook de kinderen soms eenig geld meebrengen, doch er blijft een aantal pleeggezinnen over die dit mooie werk zonder financieele tegemoetkoming onmogelijk kunnen verrichten. In het bijzonder echter is de voedselvoorziening in dezen een factor die de werkers op dit gebied met voortdurende zorg vervult. Ten behoeve van de financiering van dit liefdewerk is reeds een basis gelegd, doch ook niet meer dan een basis. Voor een voorziening gedurende iets langere tijd is het tot dusver bijeengebrachte kapitaal ten eenenmale onvoldoende.
Met het oog op het bovenstaande moge thans de vraag gesteld worden of het wellicht, in het kader van de pogingen om financieele steun die thans ondernomen worden, op de weg zijt van het Fonds voor Bijzondere Nooden om hier eveneens hulp te verleenen”. 76]
Aangenomen mag worden dat de brief afkomstig was uit de kring van het “Utrechts Kindercomité”. Mgr. De Jong stond er sympathiek tegenover getuige zijn schrijven van 31 augustus aan zijn medebisschoppen: “Hierbij vinden Uwe Exellenties een rapport, gedateerd 29 augustus 1942. Het betreft hier de onderbrenging van joodsche kinderen, wier ouders het land moeten verlaten. De “organisatoren” moeten natuurlijk heel onopvallend werken, juist wijl iedere “organisatie” illegaal is. Daarom hebben zij ook bezwaar, dat hun namen op schrift komen te staan. Er bestaat geen bezwaar U bij gelegenheid mondeling hun namen te noemen. De twee heeren, die hier zijn geweest, zijn ons bekend als hoogst respectabele en menschlievende personen.
Wij meenen, dat financieele hulp onzerzijds hier wel op zijn plaats is. Wij denken nu aan de collecte van den laatsten Zondag van juni 1941 voor de bijzondere Nooden van het Episcopaat. Deze collecte bracht in het Aartsbisdom op ruim ƒ 25.000,-. Deze som is uitgegeven: ƒ 10.000,- aan het Departement van Justitie en driemaal ƒ 5.000,- aan de stichting voor Joodsche Belangen. De opbrengst in de andere Bisdommen is nog niet aangesproken. Daarom durven wij U voor te stellen, dat ieder Uwer uit deze collecte ƒ 2.500,- beschikbaar stelt voor dit doel”. De brief circuleerde tussen de verschillende bisdommen en alle bisschoppen betuigden op hetzelfde stuk papier hun instemming met het voorstel. 77] De Utrechtse hulpverleners van joodse kinderen zouden dus ƒ 10.000,- ontvangen.
Meulenbelt c.s. ontplooiden diverse nevenactiviteiten zoals het vervalsen van allerlei bescheiden. Ze leverden de Amsterdammers rond Meerburg uitstekende valse papieren, hetgeen het illegale werk aanzienlijk vergemakkelijkte. Niettemin opereerde de Amsterdamse groep steeds zelfstandiger. Meerburg c.s vonden “afzetgebieden” voor joodse kinderen in Noord-Holland, Friesland en Limburg. De samenwerking duurde tot de zomer van 1943 toen de Sipo Meulenbelt, Iordens, Voûte en Söhnlein arresteerde. In totaal redden de Utrechtenaren in samenwerking met Meerburg c.s. tussen de driehonderd en driehonderdvijftig joodse kinderen. 78] De meeste medewerkers van Meerburg, tot wie onder anderen mejuffrouw A. Brunner, mejuffrouw H. van Loghem, mejuffrouw I. van Dijk, mejuffrouw M. Mees, W. van Zeytveld en broer en zus J. en T. Haak behoorden, kenden elkaar al geruime tijd. Sommigen waren oud-leerlingen van het Vossius Gymnasium of studeerden aan de universiteit. 79] Ze startten de hulpverlening toen in augustus 1942 de verbinding met Utrecht tot stand kwam. Aanvankelijk benaderden de Amsterdammers in overleg met (kinder)artsen ouders van wie mocht worden aangenomen dat ze zouden meewerken aan de reddingsactie. Het kostte, ondanks de ernst van de situatie, veel overredingskracht ouders ervan te overtuigen hun kind(eren) af te staan. Voor de kinderen betekende het een abrupte breuk met de ouders en de eigen vertrouwde omgeving. Sommige artsen, zoals G.W.F. Edgar uit Amsterdam-Zuid, boden op eigen gelegenheid hulp. Edgar wist enkele kinderen in Mook en Middelaar in Noord-Limburg onder te brengen. Mogelijk nam hij tevens de kosten van de verzorging voor zijn rekening. Op 12 april 1944 arresteerde de Nijmeegse politie P. van Beuningen en de door Edgar bij hem ondergebrachte kinderen Max en Levie Sleutelberg. Over het lot van de twee kinderen is niets bekend. Van Beuningen verbleef tot de bevrijding in diverse Duitse kampen. 80]
In tegenstelling tot Edgar vond de kinderarts Ph.H. Fiedeldy Dop wel aansluiting bij de groep-Meerburg. Hij had contacten bij de politie en wist precies waar en wanneer een razzia op komst was. Fiedeldy Dop waarschuwde dan meteen Meerburg. Aanvankelijk raadden hij en zijn helpers de ouders aan hun kind te vondeling te leggen. Nadat de kinderen waren “gevonden”, werden ze opnieuw geregistreerd, maar nu als niet-joods. De snelle toename van het aantal vondelingen viel op en na een bericht in het Joodsch Weekblad van 15 januari 1943 moest men deze werkwijze loslaten. 81]
Sedert 18 juli 1942 werden alle bij razzia’s opgepakte joden samengebracht in de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. Aangezien het gebouw niet berekend was op zoveel mensen, werd een tegenoverliggend pand in gebruik genomen voor de huisvesting van kinderen tot 12 jaar, de zogeheten crèche. Hiermee kreeg Meerburg begin 1943 verbinding. Met medewerking van crèchedirectrice H.H. Pimentel, de beheerders van de kartotheek W. Süsskind en F. Halverstad en de verpleegsters M. en V. Cohen, S. Kattenburg en M. Herz kwam een grootschalige kindersmokkel op gang waaraan overigens meer hulpgroepen deelnamen. 82] Süsskind en Halverstad knoeiden met de administratie. Ze lieten kinderen uit de kartotheek verdwijnen of brachten wijzingen aan in de transportlijsten. Omdat de crèche minder scherp werd bewaakt dan de Hollandsche Schouwburg, lukte het tot de sluiting op 29 september 1943 circa duizend kinderen naar buiten te smokkelen. Dat gebeurde op allerlei manieren: in dozen, jute zakken, melkbussen, wasmanden, broodmanden, via de aangrenzende hervormde kweekschool of op het moment dat een tram passeerde en het gebouw luttele seconden aan het zicht van de bewaker aan de overzijde van de straat was onttrokken. Sedert de zomer van 1943 mochten de kinderen onder begeleiding af en toe een wandeling in de omgeving maken. Uiteraard grepen de helpers die kans telkens aan om enkelen te laten verdwijnen.
Hoofdverpleegster V. Cohen, dochter van de voorzitter van de Joodse Raad en opvolgster van directrice Pimentel die in de zomer van 1943 naar Auschwitz werd gedeporteerd, zag erop toe dat blonde kinderen bij voorkeur naar het noorden van het land en kinderen met een donkerder haarkleur naar het zuiden gingen. Eenmaal uit de crèche gesmokkeld werden de kinderen naar twee adressen elders in de stad gebracht. Daar kregen ze een nieuwe identiteit en andere kleren. Voorts ontvingen ze een bewijs dat ze uit Rotterdam afkomstige evacueetjes waren. Door verduistering op het Centraal Evacuatiebureau te Rotterdam had Meerburg de hand op die bewijzen weten te leggen.83]
Door de verbinding met de crèche steeg het aanbod van kinderen dermate snel dat het “Utrechts Kindercomité” nauwelijks in staat was de groeiende stroom op te vangen. De Amsterdamse groep ging naarstig op zoek naar nieuwe “afzetgebieden”. Die vond men onder meer in Zuid-Limburg en de Noord-Limburgse Maasdorpen en de aangrenzende Peel.

Zuid-Limburg

Het eerste contact van de groep-Meerburg met Zuid-Limburg dateerde uit de tijd dat de Utrechtse en Amsterdamse studenten nog intensief samenwerkten. De verbinding was echter niet tot stand gekomen via Ch. van Berckel, maar via A.H. van Mansum uit Maastricht. In 1941 werkte Van Mansum als vertegenwoordiger voor een chemisch bedrijf uit Rotterdam en vanaf 1943 voor een importeur van kantoormachines in Den Haag. Daardoor kon hij ongehinderd reizen. Hij was lid van de kleine en hechte gereformeerde gemeente te Maastricht die nauwe banden onderhield met gereformeerde gemeenten in de Mijnstreek en Midden- en Noord-Limburg. Van Mansum begon met de hulpverlening in 1941 toen hij op verzoek van zijn geloofsgenoot D. van Assen een joodse familie naar Apeldoorn bracht. Door zijn beroep had deurwaarder Van Assen veel contact met joodse zakenlieden uit Maastricht. Beide waren van mening dat het hun christelijke plicht was het vervolgde joodse volk te helpen. Naderhand zond Van Assen Van Mansum meer joden die in moeilijkheden verkeerden en hulp behoefden en introduceerde hem bij andere helpers zoals de ouderling W. Heukels, een winkelier die toezegde voor levensmiddelen te zullen zorgen, en politie-inspecteur J.F. Kraay. Kraay zou waarschuwen als er gevaar dreigde en verzocht Van Mansum om te zien naar duikadressen voor enkele joodse vrienden, tot wie de in 1933 naar Maastricht uitgeweken Duitse familie Freilich behoorde. Door de hulpverlening ontstond in de loop van 1942 een netwerk van verbindingen rond Van Mansum. Hij kwam onder meer in contact met J.S.H. Lokerman en J. Lamberts die joden naar hem verwezen en hem op hun beurt introduceerden bij S.D.A.P.-ers en personen uit socialistische vakverenigingen in de Mijnstreek, Sittard, Roermond en Venlo.
Vanzelfsprekend bestond een grote behoefte aan valse identiteitspapieren. Aanvankelijk ontvreemdden vrienden van Van Mansum persoonsbewijzen uit de garderobes van de kerk en de plaatselijke H.B.S. Ze werden door F. Freilich, die tot zijn onderduik op het kantoor van de Joodse Raad in Maastricht werkte, vervalst. Een contactpersoon in Amsterdam, J. Pellicaan, bracht een verbinding tot stand met een Amsterdamse vervalsingsgroep. Ook Kraay leverde af en toe PB’s. Van Mansum gebruikte de stamkaarten van ondergedoken joden om distributiebonnen op te halen. Toen dat te riskant werd wendde hij zich tot J.J. Zanders, een distributieambtenaar in Heerlen die hem maandelijks circa tweehonderd bonkaarten leverde. Dit contact was tot stand gebracht door J. Outjers, een van zijn medewerkers in Heerlen. In 1943 ontving hij voorts bonkaarten van de Heerlense politiebeambte J.H. de Koning en aalmoezenier L.J. Roumen, een Maastrichtse L.O.-er. 84] Begin 1943, het precieze tijdstip staat niet vast, kreeg Van Mansum contact met M. Karels, een in Utrecht woonachtige jodin uit Maastricht en gehuwd met de student H. Koert. Koert, die deel uitmaakte van het “Utrechts Kindercomité”, legde een verbinding tussen Van Mansum en de groep-Meerburg. De Amsterdamse organisatie ging meteen gebruik maken van de diensten van Van Mansum c.s. Bijna wekelijks nam Van Mansum op het station van Sittard joodse kinderen over van medewerkers van Meerburg. Hij bracht ze naar het doorgangshuis van S. en J. Bosch in Hoensbroek, die hij kende van de Gereformeerde Jongelingsvereniging, en naar gereformeerde gezinnen in de regio Treebeek. 85] De familie Bosch en mejuffrouw A. Prins behoorden tot Van Mansums belangrijkste contactpersonen in de Mijnstreek. Zij spoorden nieuwe pleeggezinnnen op. Met name kinderrijke (arbeiders)gezinnen bleken bereid joodse kinderen op te nemen. Daar waren ze wellicht nog het veiligst, omdat ze temidden van de andere kinderen nauwelijks opvielen. Drieëndertig kinderen kregen onderdak in Brunssum, Heerlen, Ubach over Worms, Eys-Wittem en Vaals. Voor bonnen, schoeisel en kleding zorgde Bosch. 86] Een andere medewerker van Van Mansum was de eerder genoemde Outjers, machinist op de O.N.-mijnen te Heerlen, die in verbinding stond met leden van de groep-Bongaerts, van wie sommigen bij de hulpverlening betrokken waren (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.1.). Naar aanleiding van de arrestatie van een joods kind dook Outjers in Eindhoven onder. Daar viel hij op 11 augustus 1944 alsnog in Duitse handen. Tot zijn bevrijding in april 1945 te Hannover bleef Outjers in hechtenis. 87] Wellicht door hun contacten met medewerkers van Ch. Bongaerts kregen ook leden van de latere knokploeg van Heerlen, onder anderen P.F.A. Driessen, met de hulpverlening te maken. 88] A.C. van der Gronden uit Valkenburg haalde sedert begin 1943 joodse kinderen in Amsterdam op en bracht ze naar Zuid-Limburg. Of, en zo ja hoe, hij met de groep-Meerburg in contact was gekomen is niet bekend. 89] In tegenstelling tot de Mijnstreek lag het accent in Maastricht op de hulp aan volwassen joden, woonachtig in de regio. Mejuffrouw A. Musters haalde op verzoek van Van Mansum ook joden op in Amsterdam en Zutphen, die ze overdroeg aan J. Lokerman, J.H.A. Sorée, J. Lamberts, J.W. Ummels, P.F. Driessen en C.M.J. Laudy, beide laatsten uit Heerlen. 90] J. Vrij bracht joden onder bij L. Nijs en mejuffrouw J. Pinkas of liet ze door P. Souren naar België smokkelen. Politiebeambte E. van der Noordaa en fotograaf G.F. Braun hielden zich voornamelijk bezig met het vervalsen van PB’s. Mejuffrouw Pinkas werkte samen met Braun. Haar woning lag in buurt van de Belgische grens. Zowel Amsterdamse als Maastrichtse joden verbleven er korte tijd. Pinkas bracht ze vervolgens naar een klooster in Luik. 91]
Door zijn verbinding met de groep-Bongaerts raakte Van Mansum in de zomer van 1943 zijdelings betrokken bij de infiltratie in die groep van de V-man H. Vastenhout. Op 1 oktober viel hij in Duitse handen (zie hoofdstuk IV, paragraaf III). Zijn zuster Margreet nam de zorg over de circa honderdvijftig joden terstond over. Uit voorzorg werden sommige kinderen bij andere pleeggezinnen ondergebracht. Ondanks de sluiting van de crèche en de arrestatie van hun belangrijkste verbindingsman brachten medewerkers van Meerburg in het najaar van 1943 nog tien kinderen naar Zuid-Limburg die dank zij hulp van kapelaan W.H. Hermans uit Hoensbroek en het L.O.-duikhoofd van Treebeek, C.A. Maas, gehuisvest konden worden. In de loop van de tijd namen de Zuidlimburgse L.O.-districten een groot deel van de verzorging van de joden over. 92]
Onder de circa honderdvijftig, door de Van Mansums verzorgde joden bevonden zich vijftig à zestig kinderen, afkomstig van de groep-Meerburg. De rest bestond uit alleenstaande volwassenen en enkele tientallen echtparen met kinderen. Drie joden - een te Voerendaal en twee in Oirsbeek - overleefden de oorlog niet, zij werden verraden. 93] Noord-Limburg en de Peelstreek Meerburgs verbinding met de Noordlimburgse Peel- en Maasdorpen dateerde van de zomer van 1943. De wijze waarop die tot stand kwam, had alles te maken met de relatie tussen het studentenverzet, het ontstaan van de L.O. en de ontwikkeling van een uitgebreid en wijdvertakt verbindingsnetwerk in het voorjaar en de zomer van 1943. Venlose L.O.-ers speelden daarbij een rol. In mei 1943 benaderde Meerburg de Venlose rechtenstudent K.P.M. Ex met de vraag of het mogelijk was joodse kinderen uit de Amsterdamse crèche in Limburg onder te brengen. Ex won her en der informatie in en stelde J. Hendrikx en F. Russel op de hoogte. In gezelschap van laatstgenoemde polste hij mejuffrouw E. Boutet in Sevenum. Zij had echter haar handen vol aan ander verzetswerk, maar was de twee in zoverre terwille dat ze besloot een bezoek te brengen aan haar oom en tante, de familie Van de Voort in Tienray. Hun 39-jarige dochter, mejuffrouw J.C.M. (Hanna) van de Voort, had al een lange staat van dienst als hulpverleenster van ontvluchte krijgsgevangenen die ze in de regio opving en naar haar nicht in Sevenum begeleidde. Bovendien kende mejuffrouw Van de Voort als zelfstandig kraamverzorgster talrijke gezinnen in Tienray en omgeving. Zowel het echtpaar Van de Voort als hun dochter reageerden positief op de vraag van mejuffrouw Boutet of ze bereid waren joodse kinderen te helpen. Vervolgens lichtte Boutet Russel en Ex in die zich naar Tienray begaven om de introductie van Meerburg voor te bereiden. 94]
Samen met N.J.P. Dohmen organiseerde mejuffrouw Van de Voort de hulp. Dohmen, een 22-jarige student klassieke taal- en letterkunde aan de universiteit van Nijmegen, was begin mei 1943 bij een oom, F. Lintjens, te Maasniel ondergedoken, omdat hij had geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Vlak na zijn komst ontdekte hij met zijn broer in de omgeving twee geallieerde vliegeniers. Een bleek te zijn overleden, de ander was gewond. Dohmen bracht hem naar het ziekenhuis van Roermond. Kennelijk kwamen de Duitsers er achter wie de vliegenier had geholpen. Secretaris J. Moonen waarschuwde kapelaan S.H.A. Spee van Maasniel en het plaatselijk duikhoofd, mejuffrouw W.E.M. van de Voort. Dohmen moest zo spoedig mogelijk van onderduikadres veranderen. Door tussenkomst van mejuffrouw Van de Voort kon hij terecht bij haar ouders en zusters in Tienray, waar hij op 25 mei 1943 arriveerde. Daar bereikte hem en J. van de Voort het verzoek van mejuffrouw Boutet en de twee Venlonaren. 95]
Met grote ijver en geheel op eigen initiatief begon mejuffrouw Van de Voort de speurtocht naar pleeggezinnen. Talrijke gezinnen, met name de kinderrijke, verklaarden zich bereid een kind op te nemen. De pleegouders werd vooraf verteld dat het om joodse kinderen ging, maar voor hun eigen veiligheid en die van de kinderen moesten ze steeds volhouden dat ze een Rotterdams evacueetje in huis hadden genomen. Met het oog daarop werd hen geadviseerd het bewijs van het Centraal Evacuatiebureau te Rotterdam steeds bij de hand te hebben. Op 20 augustus bracht Meerburg de eerste kinderen per trein naar Venray. De kinderen tussen vijf en vijftien jaar waren vooraf geïnformeerd en wisten enigszins wat hun te wachten stond. Ze hadden allemaal een evacuatiebewijs bij zich waarop als adres een platgebombardeerde Rotterdamse straat stond vermeld. Voor een persoonsbewijs waren ze nog te jong. Naderhand zond Meerburg ook blanco bewijsjes naar Tienray die men ter plaatse kon invullen. Dohmen en Van de Voort namen de kinderen op het station van Meerburg over. Met de bus brachten ze ze vervolgens naar Tienray, naderhand ook op de fiets of te voet. Ten huize van Van de Voort konden de kinderen enkele dagen op adem komen en enigszins wennen aan de sterk gewijzigde leefomstandigheden. Daarna werden ze verdeeld over de pleeggezinnen. Niet alleen Meerburg begeleidde de kinderen naar Venray, hetzelfde deden de koeriersters A. Brunner, I. van Dijk en M. Mees. Zodra de koeriers in Noord-Limburg arriveerden, vernamen ze van Van de Voort of een van haar medewerkers wanneer er weer plaats was voor nieuwe kinderen. Als de kans bestond dat vreemden meeluisterden sprak men van koffiesurrogaat (jongens) en theesurrogaat (meisjes).
Het aantal medewerkers rond Van de Voort en Dohmen groeide snel. K. Löwenstein, een 17-jarige uit Duitsland gevluchte jood die via Venlo - waar het te gevaarlijk voor hem werd - naar Hegelsom was gekomen, bewees de twee talrijke diensten. Hetzelfde gold voor P.A.J. Peeters, A. Reijnders, de broers W. en H.L.M. van de Pas uit Broekhuizenvorst en kapelaan P.R.E.J. Miedema uit Gennep, die kinderen overnam als de helpers in Tienray ze niet meer konden plaatsen of meer kinderen arriveerden dan vooraf was afgesproken. Een vergelijkbare, maar bescheidenere rol in de opvang vervulde J.C.I. Dohmen uit Maastricht, een broer van de helper in Tienray.
Geruime tijd bleef het rustig in de Noordlimburgse Maas- en Peeldorpen. N.S.B.-ers en Duitsers waren er nauwelijks en de dorpen lagen tamelijk geïsoleerd. De bevolking wist weliswaar dat er joodse kinderen gehuisvest werden, maar toonde zich betrouwbaar en zweeg. Het leven van alledag werd normaal voortgezet en de daarvoor in aanmerking komende kinderen bezochten de plaatselijke scholen. Dat laatste was mede mogelijk gemaakt door pastoor J.A.H. Dinckels uit Tienray die Dohmen een in het latijn gestelde aanbeveling had gegeven waarmee deze de omliggende dorpen bezocht om de pastoors toestemming te vragen joodse onderduikers op school toe te laten.
Tussen augustus 1943 en medio 1944 bracht de groep-Meerburg honderddrieëntwintig joodse kinderen - 75% van hen waren jongens en 25% meisjes - naar Tienray. Ze vonden onder meer onderdak in Swolgen, Meerlo, Tienray, Oirlo, Castenray, Lottum, Gennep en Venray. Ongeveer veertig kinderen waren in de leeftijd tussen 10 en 15 jaar. Zij waren naar verhouding het moeilijkst te plaatsen. Voor de jongsten - circa tachtig waren tussen 5 en 10 jaar, enkele nog jonger - kon altijd wel een adres gevonden worden. Dit ondanks het feit dat vooral deze kinderen de meeste moeite hadden met de nieuwe identiteit en de instructies gemakkelijk vergaten. Daar stond een opvallend groot aanpassingsvermogen van juist deze kinderen tegenover.
Meerburg c.s. hielden via de Limburgse helpers contact met de kinderen in verband met distributiebescheiden, financiële ondersteuning, correspondentie, de situatie in de pleeggezinnen, eventuele overplaatsingen en om in uitzonderlijke gevallen het contact tussen ouders en kinderen tijdelijk te herstellen. Aan bonkaarten en financiële ondersteuning bestond nauwelijks behoefte, er werd althans weinig om gevraagd. De meeste pleegouders namen de materiële zorg voor eigen rekening. Een kind meer viel nauwelijks op. Winkeliers leverden kleding en schoeisel. 96]
Niet alleen de groep-Meerburg, maar ook individuele L.O.-ers en de vader van Dohmen, hoofd van de landbouwschool in Kampen, lieten joden in deze regio onderduiken. Dohmen zond zijn zoon twaalf volwassenen en enkele jongeren. 97] Tegen de zomer van 1944 was het plotseling gedaan met de rust. Ofschoon de plaatselijke bevolking zweeg, was inmiddels vrij algemeen bekend dat de Peel veel joodse onderduikers herbergde. Op een N.S.B.-bijeenkomst in Venray sprak men er schande van en een jongeman deed zijn beklag bij de Sipo-Eindhoven. De Venlose commissaris van politie, O. Couperus, vernam er eveneens van. Zijn kennis J.H.L. Nahon uit Gulpen, die sinds juni 1942 in pension was in hotel Wijnhoven in Tienray, lichtte hem in. Nahon was controleur van de Landstand en slaagde erin pleeggezinnen in Tienray, Oirlo, Broekhuizenvorst en Castenray op te sporen. Op grond van Nahons mededelingen stelde Couperus op 3 juli een rapport op, bestemd voor de Sipo-Den Bosch. Om de ernst van de situatie te onderstrepen maakte hij melding van een overval op een boer in Oirlo op 25 mei. Wat was namelijk gebeurd? De bewuste landbouwer uit Oirlo had geweigerd de kleding terug te geven van een joodse jongen die bij hem was vertrokken. Dohmen, Löwenstein, H. van de Pas en G. Schmitz zetten hierop een overval door de Sipo in scène en maakten de boer alsnog de kleren afhandig. Deze ontstak in woede en beklaagde zich vermoedelijk bij de Sipo-Eindhoven, dat verklaarde althans het Eindhovense Sipo-lid W. Weber na de oorlog. Weber gaf de politiebeambte P.J. Eickhout opdracht pleeggezinnen in de regio Venray op te sporen, omdat deze al eerder te kennen had gegeven dat daar joden zaten ondergedoken. Eickhout beschikte dus al over aanknopingspunten. Aangenomen mag worden dat hij bij zijn naspeuringen van verschillende zijden inlichtingen ontving. In juni vond de eerste razzia plaats. Hoeveel personen bij deze actie in Helenaveen werden opgepakt staat niet vast. Diezelfde maand arresteerden de Duitsers acht volwassen joden en vier joodse kinderen in het vlak bij Tienray gelegen Oirlo. Twee kinderen overleefden de oorlog niet. Hoewel deze joden niet door de groep-Van de Voort/Dohmen waren geplaatst, brachten de arrestaties bij veel pleegouders een schok teweeg. De hulpverleners in Tienray konden hen enigszins geruststellen, omdat ze wisten dat de arrestaties in Oirlo weliswaar het gevolg moesten zijn geweest van verraad, maar ze beseften tevens dat de gebeurtenis waarschijnlijk te wijten was geweest aan het vrijpostig gedrag van sommige joodse onderduikers, want daarover was herhaaldelijk geklaagd.
De rust was nauwelijks teruggekeerd of het noodlot sloeg opnieuw toe. Terwijl Couperus nog op antwoord op zijn rapport wachtte, gaf de Sipo-Maastricht hem en J. Berendsen opdracht enkele joodse kinderen in Velden te arresteren. Twee werden meteen op transport gesteld. Vermoedelijk vulden Couperus’ rapport en Eickhouts naspeuringen elkaar aan want beide bleven niet zonder gevolgen.
In de nacht van 31 augustus op 1 september sloegen leden van de (Eindhovense) staatspolitie, onder wie Eickhout, toe en arresteerden drie joodse kinderen en een joods meisje van 19 jaar in Tienray, een joods kind in Broekhuizenvorst en een joods kind in Venray. Voorts werden twee echtparen in Horst-America, drie hoofden van pleeggezinnen uit Tienray en mejuffrouw Van de Voort aangehouden. De niet-joodse arrestanten verklaarden allemaal, zoals afgesproken, dat ze niet wisten dat het joodse kinderen waren. Voor hen stond vast dat het om Rotterdamse evacueetjes ging wat ze konden staven aan de hand van de evacuatiebewijsjes. Hun lezing werd geaccepteerd. Op 2 augustus kwamen ze allemaal weer vrij. De kinderen gingen naar Westerbork. Mejuffrouw Van de Voort kwam na tien dagen op miraculeuze wijze vrij. Toen men in Amsterdam vernam van de arrestaties, reisde koerierster M. Mees naar Eindhoven en slaagde erin door te dringen tot de Sipo. Vermoedelijk bezweek een van de Sipo-leden voor haar charmes met als gevolg de vrijlating van Van de Voort. De kraamverpleegster keerde terug naar Tienray en nam samen met Dohmen en de intussen naar Tienray uitgeweken hoofdverpleegster/directrice van de crèche, V. Cohen, de draad weer op.
Dohmen wist in de bewuste nacht te ontsnappen door zich te verstoppen in de kast van de slaapkamer in de woning van Van de Voort. Wat verwacht mocht worden gebeurde niet. Hoewel korte tijd paniek heerste, wilde bijna geen van de pleeggezinnen de kinderen kwijt. Zij lieten de pleegkinderen enkele nachten buiten in de velden in de buurt van de woning overnachten, soms in gezelschap van een van de eigen kinderen. De rust keerde helemaal terug toen Hanna van de Voort vrijkwam. Meerburg in Amsterdam maakte zich uiteraard zorgen naar aanleiding van de arrestaties. Mogelijk verwachtte hij dat veel pleegouders van hun kinderen af wilden, want hij polste medewerkers van de N.V., een andere verzorgingsgroep van joodse kinderen, of wellicht elders nog pleeggezinnen bereid waren kinderen op te nemen. De voorbereidingen voor een evacuatie van kinderen naar het oosten van het land waren nog in volle gang toen de landelijke spoorwegstaking de uitvoering van het plan onmogelijk maakte. Bovendien ging toen het contact tussen Limburg en Amsterdam verloren.
In oktober en november 1944 hadden Tienray en omgeving zwaar te lijden van het oorlogsgeweld. Er brak een buitengewoon moeilijke tijd aan voor de bewoners van de streek. Men kon weinig anders doen dan gelaten de bevrijding afwachten, opeengepakt in dompige, vochtige kelders. In gezelschap van twee Amerikaanse vliegeniers trokken Van de Voort, Dohmen en Cohen op 21 november ter hoogte van Oirlo door het front. Op 25 november werd de hele streek van Duitsers gezuiverd. 98]

IV.2.2. De N.V.

De leidende krachten achter de N.V. (de afkorting staat inderdaad voor Naamloze Vennootschap vanwege de volstrekte anonimiteit waarin de hulpverlening geschiedde), die zich evenals de groep-Meerburg toelegde op de hulp aan joodse kinderen, waren de Amsterdammers J. Woortman en J.Ph. Musch. De 37-jarige Woortman begon na de Februaristaking van 1941 met de hulpverlening en bouwde in de loop van 1941 en 1942 een wijdvertakt netwerk op. Samen met onder anderen D. de Miranda, een arts die veel joden in zijn praktijk had, ging hij op zoek naar ouders die bereid waren hun kind(eren) te laten onderduiken. Rond de jaarwisseling van 1942-1943 kreeg Woortman contact met W. Süsskind. Deze samenwerking resulteerde in een grootschalige reddingsoperatie van kinderen uit de crèche. 99] De broers Jaap en Gerard Musch startten met de hulpverlening omstreeks juli 1942 toen de eerste joden op transport werden gesteld. Als eerste hielpen zij de vier personen tellende Oostenrijks-joodse familie Braun aan een duikplaats. Uit een gevoel van lotsverbondenheid en op grond van hun christelijke - ze waren gereformeerd - geloofsprincipes besloten ze ermee door te gaan. Daarbij ondervonden ze steun van een vriend en leeftijdgenoot van G. Musch, D. Groenewegen van Wijk.100] Vooralsnog beperkten de drie hun activiteiten tot een voorzichtig aftasten van de mogelijkheden en het leggen van de noodzakelijke contacten.
In de zomer van 1942 verhuisde J. Musch naar Zuid-Limburg om er adressen voor joodse onderduikers te zoeken. Bovendien vond hij een betrekking als chemisch analist bij de Staatsmijnen. Musch vestigde zich in Heerlen, waar hij contact zocht met dominee G.J. Pontier. Het adres had hij vermoedelijk gekregen van een Amsterdamse dominee die zijdelings betrokken was geweest bij de hulp aan de familie Braun. De Maastrichtenaar D. van Assen kan hierin eveneens een rol hebben gespeeld. Van Assen beschikte immers over talrijke connecties in gereformeerde kring, óók in Amsterdam. Bij Pontier was Musch aan het juiste adres. De 54-jarige dominee bood al enige tijd onderdak aan een joodse familie uit Polen. Hij verklaarde zich bereid mee te werken aan Musch’ speurtocht naar duikadressen en stelde een lijst op van mogelijke pleeggezinnen uit zijn achthonderd leden tellende gereformerde gemeente. 101] Voorts bezocht Pontier de 41-jarige mijnwerker H. Bockma, vader van acht kinderen, die op een grote boerderij aan de rand van Heerlen woonde, en vroeg hem of hij bereid was Musch in huis op te nemen. Bockma stemde hiermee in en werd weldra een van de belangrijkste steunpilaren van de N.V. in Zuid-Limburg.102] G. Musch en Groenewegen van Wijk ondervonden tegenslag bij hun zoekactie naar duikadressen. In oktober 1942 doken beiden onder in Appingedam, maar de Oost-Groningers die ze benaderden voelden er weinig voor op hun verzoek in te gaan. Jaap Musch had meer succes en de twee reisden dezelfde maand nog naar Heerlen. De twee kinderen uit het gezin Braun, Marianne van 19 en Leo van 15 jaar, waren hen reeds voorgegaan. Zij hadden respectievelijk onderdak gekregen bij Pontier en Bockma. Ook G. Musch en Groenewegen van Wijk vonden een duikplaats. Pontier leverde hun een identiteitsbewijs waarop stond dat ze mijnwerker waren, zodat ze evenals J. Musch gevrijwaard bleven van dwangarbeid in Duitsland. 103]
Met het oog op de verdere uitbouw van de organisatie adviseerde Marianne Braun de broers Musch en Groenewegen van Wijk contact op te nemen met haar schoolvriendinnen J. de Neve en R. van Delft. De twee jongedames verklaarden zich bereid joodse kinderen naar Limburg te begeleiden. Van Delft bracht G. Musch bovendien in contact met P.A. Meerburg die hem verwees naar J. Woortman. De twee kenden elkaar vermoedelijk, omdat ze dezelfde werkwijze volgden en het wereldje van de hulpverlening klein was. Het overleg tussen Woortman en de zeer gemotiveerde J. Musch verliep in een goede sfeer. De twee konden uitstekend met elkaar overweg. Ze besloten te gaan samenwerken. Het was niet moeilijk kinderen op te sporen. Woortman kende de wegen die bewandeld moesten worden en juist in de zomer van 1942 werden onafgebroken joodse gezinnen voor deportatie opgeroepen. 104] De N.V.-ers waren zeer ingenomen met dit contact. Hun voorkeur ging uit naar kinderen, omdat ze zelf jong waren en kinderen hun gezag niet ter discussie stelden. Bij volwassenen lag dat anders. Groenewegen van Wijk had vervelende ervaringen opgedaan met het echtpaar Braun. In tegenstelling tot volwassenen waren kinderen hulpeloos en niet in staat zichzelf te helpen, zo redeneerden de N.V.-ers. Kinderen beneden de 16 jaar hadden trouwens geen PB nodig wat de hulpverlening aanzienlijk vereenvoudigde. Bovendien was menigeen uit medelijden of sentimentele overwegingen sneller geneigd een kind in huis te nemen. Daarnaast speelden enkele morele factoren een rol. De kinderen mochten niet het slachtoffer worden van de oorlog en de verschrikkingen die ermee samenhingen, zij moesten worden ontzien; kinderen vormden de toekomst van elk volk, een toekomst die veilig gesteld moest worden. 105]
Met de introductiebrief en de adressenlijst van Pontier op zak togen G. Musch en Groenewegen van Wijk in Heerlen aan het werk. Overal waar ze kwamen vertelden ze over de schrijnende situatie waarin de joden in Amsterdam verkeerden. Daar deden ze verstandig aan, want in Limburg bleek men er vrijwel niets van te weten. Vervolgens noemden ze de voorwaarden die de N.V. aan het opnemen van een kind stelde. De kinderen moesten kunnen deelnemen aan het leven van alledag, volledig integreren, buiten kunnen spelen en gewoon naar school gaan. Iedere maand zou een medewerker van de N.V. nagaan of men zich aan die voorwaarden hield. Na twee weken hadden Musch en Groenewegen van Wijk al ongeveer twintig pleegouders gevonden. Medio november 1942 brachten G. Musch, Groenewegen van Wijk, J. de Neve en R. van Delft de eerste kinderen per trein naar Heerlen, naderhand sloot mejuffrouw A. van Verschuer zich bij de koeriers aan. Ze maakten gebruik van het relatief veilige traject Nijmegen-Venlo-Roermond-Sittard-Heerlen. Soms namen ze meer dan tien kinderen mee. Begin 1943 dook J. Musch onder om zich volledig aan de hulpverlening te wijden. Ook hij haalde regelmatig kinderen op in Amsterdam evenals H. Bockma, zijn oudste dochter Rins en mevrouw J. Rodriguez-Dols. Laatstgenoemde was gehuwd met de uit Amsterdam afkomstige jood H.L. Rodriguez. De woning van dit echtpaar, de boerderij van Bockma en de woning van de familie Hellenbrand (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.) fungeerden als zogenaamd “stop-adres”, een eerste opvanghuis als er niet meteen voldoende adressen in Heerlen beschikbaar waren. 106]
De medewerkers van de N.V. schakelden op hun beurt nieuwe, onder wie ook katholieke helpers in en zochten naar pleeggezinnen. Bockma kreeg steun van J.J.A. Consten, P.J. Dolls, bakker A. Wiertz uit Spekholzerheide, P.J. Heckmans en A. Jeninga, een medewerker van Ch. Bongaerts bij de Heerlense brandweer. Jeninga betrok G. Musch en Groenewegen van Wijk bij de hulpverlening aan geallieerde vliegeniers. Toen Jaap Musch dit hoorde gaf hij de twee een fikse uitbrander. 107] Van extra risico’s moest hij niets hebben. Het echtpaar Rodriguez kreeg onder meer hulp van J. de Blauw, L.H.M. Schunck en de politiebeambten J.H. de Koning en M.G. de Kruijff. 108] Vanwege de verbinding tussen Woortman en Süsskind nam het aanbod van kinderen snel toe. Gelukkig gold dat ook voor de bereidheid ze op te nemen, vooral na de April-Meistaking van 1943. De broers Musch en Groenewegen van Wijk spraken af dat ieder in een eigen rayon adressen zou opsporen: Gerard in de plaatsen Terwinselen, Schaesberg en Kerkrade, Groenewegen van Wijk in de regio Heerlen en Jaap in de hele oostelijke Mijnstreek. 109]
Voor distributiebescheiden en financiële middelen bleven de N.V.-ers voorlopig aangewezen op Woortmans verzetsrelaties in het westen van het land. In Zuid-Limburg kregen ze hulp van H. van de Bosch uit Eygelshoven, directeur van de coöperatie “Ons Dagelijksch Brood”, een samenwerkingsverband van bakkers uit Heerlen, Sittard en Kerkrade. De coöperatie leverde naast brood en textiel af en toe wat geld. 110] Van de circa honderd door de N.V. in de regio Heerlen ondergebrachte kinderen viel er niet één in Duitse handen, wèl enige pleegouders. Dominee Pontier werd op 6 november 1943 opgepakt, omdat hij een jongeman aan een duikadres had geholpen. Op voorwaarde dat hij zich niet meer zou inlaten met onderduikers werd hij op 17 mei 1944 uit de gevangenis van Scheveningen ontslagen. 111] De meeste dreiging in Heerlen en omliggende plaatsen ging uit van de landwachter M.J. Raeven. Hij was voortdurend op pad om (joodse) onderduikers op te sporen die hij vervolgens aan de Duitse autoriteiten uitleverde. In de woning van Bockma verrichtte hij herhaaldelijk huiszoeking, echter zonder resultaat. Tussen de keuken en de kelder bevond zich een goed gecamoufleerde schuilplaats. 112] Meer succes boekten hij, zijn collega-landwachter J. Straten en het Sipo-lid H. Conrad bij een inval op 20 juni in de woning van M.H.J.H. Hellenbrand op de Molenberg te Heerlen. Het gezinshoofd werd gearresteerd en verbleef tot de bevrijding in Duitse kampen. Afgezien van A. de Leeuw werden de bij hem ondergedoken joden niet ontdekt. 113] Tot zijn liquidatie op 14 augustus 1944 bleef Raeven jacht maken op onderduikers en hun verzorgers. De naam Raeven riep bij velen angst en afgrijzen op, maar ook woede en wraakgevoelens.
Hoewel de bereidheid om kinderen op te nemen toenam, noopte de groeiende kinderstroom de N.V.-ers tegen de zomer van 1943 op zoek te gaan naar contacten buiten de regio Heerlen. Opnieuw vervulde dominee Pontier een gidsrol. Hij bracht de broers Musch en Groenewegen van Wijk in contact met dominee H. Bouma van de 1100 leden tellende gereformeerde gemeente Treebeek-Brunssum-Hoensbroek. Evenals Pontier stelde Bouma zich uiterst coöperatief op. Hij stond aan de basis van het contact tussen de N.V.-ers en de Brunssumse familie Vermeer. Het gezin Vermeer telde elf kinderen, onder wie de dochters Truus, Mien en Greet en zoon Piet, allen rond de 20 jaar. Deze vier sloten zich bij de kerngroep aan en namen actief deel aan de hulpverlening. Ook betrokken ze nieuwe medewerkers bij de N.V. zoals T. Meines, een broer van Piet Vermeers verloofde en C. Grootendorst, die verloofd was met Truus Vermeer en zijn studie in Delft had afgebroken - hij weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen - waarna hij in Zuid-Limburg was ondergedoken. Voorts kregen ze hulp van de radiotechnicus J. Postuma, die na een oproep voor dwangarbeid in Duitsland bij zijn moeder in Brunssum was ondergedoken. Groenewegen van Wijk tenslotte betrok begin 1944 een vriend uit Amsterdam, B. Fritz, bij het N.V.-werk in Limburg. Daar stond tegenover dat de koeriersters Van Delft, De Neve en Van Verschuer de organisatie in de loop van 1943 verlieten. 114]
De woning van de familie Vermeer ontwikkelde zich tot hèt centraal N.V.-adres. Groenewegen van Wijk en Gerard Musch namen er hun intrek. Volgens B. Fritz was het er goed toeven: “Bij Vermeer was je thuis, bij Vermeer was geen oorlog. De radio met de engelse zender stond in de kamer, de joodse kinderen moesten van tante Truus (mevrouw G. Vermeer, auteur) buiten spelen als ze uit school kwamen. En ’s zondags gingen we met een horde mensen, Jood en niet-Jood, naar de kerk. We noemden onszelf “de vrolijke Christenen”. Wel heb ik me in die dagen verschrikkelijk geërgerd aan de artikel 31 discussie in de kerk. Dat was met recht de andere wereld. Niet onze wereld. We waren in “onze” wereld toen we een keer met de hele familie Vermeer en een groot aantal joodse kinderen een dagje uit zijn geweest. Dat was begin 1944. Naar een speeltuin in het Geuldal. Gewoon op reis, met de tram en met de trein, met de kinderen. Zonder één enkele veiligheidsmaatregel, want dat zou de kinderen frustreren. En het ging goed en wij vonden het heel gewoon”. 115]
Groenewegen van Wijk, de broers Musch en Piet Vermeer vonden nieuwe pleeggezinnen in het rayon Brunssum-Treebeek-Hoensbroek en C. Grootendorst in de regio Geleen, waar de gereformeerde gemeente 900 leden telde. Hij maakte daar kennis met melkboer Claus, die zich ontpopte als een zeer actieve medewerker.116] De nieuwe adressen kwamen goed van pas, want op 23 juli 1943 ontruimden de Duitsers de Amsterdamse crèche. Woortman c.s. probeerden zoveel mogelijk kinderen op het laatste moment voor deportatie te behoeden. In één transport kwamen veertien kinderen naar Limburg. Na de ontruiming liep de crèche echter spoedig weer vol en kon hoofdverpleegster V. Cohen, opvolgster van directrice H. Pimentel, de hulpverlening voortzetten. Pas na de definitieve ontruiming op 29 september 1943 kwam geleidelijk een einde aan de kinderstroom. Nadien arriveerden nog ongeveer twintig kinderen in Zuid-Limburg. In totaal had de N.V. toen minstens 231 kinderen onder haar hoede. 117] Vanaf september 1943 kregen de N.V.-ers dank zij dominee H.R. de Jong de beschikking over nieuwe pleeggezinnen in de regio Venlo. 118]
De organisatie draaide op volle toeren en alles verliep naar tevredenheid, ook op materieel vlak. Met het laatste belastten zich voornamelijk de mannelijke N.V.-ers. De vrouwen hielden zich overwegend bezig met het distribueren van goederen, geld en bonkaarten. In september 1943 maakte Jaap Musch kennis met de rayonleider van de L.O.-Brunssum, pater W.E.H. van der Geest. Deze bracht Groenewegen van Wijk in contact met pater “Beatus” van Beckhoven uit Heerlen, die nauwe relaties met de L.O. onderhield (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.). Voor Grootendorst, die in het westen van het land geld probeerde in te zamelen, betekende de nieuwe verbinding een hele geruststelling. Van Beckhoven steunde de N.V. voortaan met ƒ 500,- per maand en vijftig bonkaarten, naderhand verhoogde hij het bedrag tot ƒ 750,-. De L.O.-Brunssum nam vanaf februari 1944 de volledige bonkaartenbehoefte van de N.V. in de regio - zestig per maand - voor haar rekening. Gemeente-ambtenaar H.J. Hendriks leverde de N.V.-ers valse PB’s. In de Noordbrabantse Langstraat lukte het Gerard Musch en andere medewerkers 120 paar nieuwe kinderschoenen te krijgen en in Twente leverde een fabrikant 200 meter stof voor kinderkleding. 119] Hoe juist de beslissing was om de kinderen over een groter gebied te verspreiden bleek in de herfst van 1943. Op 7 november waarschuwde een politieman de N.V.-ers bij Vermeer dat elk moment een razzia verwacht kon worden. Diezelfde nacht nog werden de kinderen uit de meest bedreigde wijken bij hun pleegouders opgehaald en geëvacueerd naar het openluchtzwembad op de Brunssummerheide. De deurtjes van de kleedhokken werden eruit gehaald en dienden als slaapplaats voor de kinderen. Van slapen kwam niet veel terecht: het was koud en in de buurt van het zwembad werd een politiepatrouille gesignaleerd. Aan deze onhoudbare toestand moest zo snel mogelijk een einde worden gemaakt. De inmiddels gealarmeerde pater Van der Geest bracht de volgende morgen uitkomst. Achttien kinderen konden worden ondergebracht in een mergelgrot onder een aantal rijtjeshuizen op het Schuttersveld. Vijf anderen werden verstopt achter het orgel in de gereformeerde kerk van Treebeek. Iedereen begreep dat het slechts een noodoplossing was, maar betere mogelijkheden dienden zich vooralsnog niet aan. De meeste ouders wilden uit angst de kinderen niet meer terugnemen. Uiteindelijk bracht J. Broers op verzoek van de plaatselijke L.O.-leiding uitkomst. Broers, vader van elf kinderen, werkte als eerste machinist op het pompstation van de Staatsmijnen en woonde in een ruime dienstwoning. Hij nam twintig kinderen op in het omheinde en bewaakte complex. Op 11 november voegde Jaap Musch zich bij de kinderen. Hij en twee zusters van de congregatie van de “Dochters van Liefde”, A. Goebbels - moeder-overste Bernarda - en M.P. Cals - zuster Emerentia - namen de verzorging en begeleiding op zich. In de loop van januari 1944 konden de kinderen opnieuw bij pleeggezinnen worden ondergebracht.120] Vanwege de razziadreiging namen de N.V.-ers de spreiding van de kinderen versneld ter hand. T. Meines en G. Musch vonden een nieuw “afzetgebied” in de Betuwe en Piet Vermeer in Twente, met name in Nijverdal waar de familie Flim een prominente rol ging spelen. Medio november 1943 arriveerden de eerste kinderen uit Limburg in Twente. Truus Vermeer en Jaap Musch namen hun intrek in een landhuisje van de familie Flim. Daar begonnen ze in de winter van 1943-1944 met de uitwerking van een plan voor de opvang van verwaarloosde kinderen. Na de oorlog hoopte Musch zijn ideëen in praktijk te kunnen brengen. 121]
Rond mei 1944 waren ruim honderd kinderen vanuit de Mijnstreek overgebracht naar de nieuwe onderduikgebieden. De regio Brunssum herbergde toen 48 kinderen, de regio Heerlen 44, Geleen 33, Venlo 17, de Betuwe 45 en Twente 44. 122] G. Musch en Groenewegen van Wijk pendelden tussen de drie N.V.-gebieden op en neer en hielden Jaap Musch in Nijverdal op de hoogte. In Limburg werkten toen Piet Vermeer, C. Grootendorst, B. Fritz en vanaf 10 mei Mien Vermeer, I. Roose, een nichtje van H. Flim, en J. van de Boomgaard, een medewerker uit de Betuwe die op zoek ging naar pleeggezinnen in Nuth en omgeving. De komst van de drie laatstgenoemden hing samen met de aanhouding van Gerard Musch en Groenewegen van Wijk op 9 mei. Musch viel op de terugweg van een bespreking in Nijverdal bij een treincontrole in Amsterdam in Duitse handen. Op 20 april 1945 werd hij in Sachsenhausen bevrijd. 123] Groenewegen van Wijk, die zich door een ongelukkige samenloop van omstandigheden na spertijd nog op straat bevond, werd door landwachters in de buurt van de mijn Hendrik in Brunssum staande gehouden. Zijn PB bleek niet in orde. Via Amersfoort belandde hij in Burscheid, circa 25 km. ten noordoosten van Keulen, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Hij slaagde erin te ontsnappen en keerde op 7 juli in Brunssum terug. 124] Zuster M.P. Cals ontfermde zich over hem. Nadat hij weer op krachten was gekomen, vertrok hij in augustus naar Amsterdam. Daar bleek dat J. Woortman op 19 juli door de Sipo was gearresteerd. Hij kwam op 21 maart 1945 in Bergen-Belsen om het leven. Groenewegen van Wijk vernam voorts dat kwade tongen in Amsterdam beweerden, dat de N.V.-ers zichzelf zouden verrijken. Wie het gerucht in de wereld had gebracht staat niet vast. Hij deed er alles aan het beeld recht te zetten. Tenslotte kwam hem via medewerkers van Meerburg ter ore dat in de regio Tienray in de nacht van 31 augustus op 1 september een razzia had plaatsgevonden. Hem werd gevraagd of de N.V. in staat was kinderen van de groep-Meerburg in Limburg over te nemen. Groenewegen van Wijk nam J. Postuma in de arm die naarstig op zoek ging naar adressen in Twente, maar de overplaatsing ging - zoals eerder werd vermeld - vanwege de landelijke spoorwegstaking niet door.125]
In de tweede helft van september en begin oktober 1944 werd Zuid-Limburg bevrijd. In Noord-Limburg brak kort daarna de fronttijd aan. In Twente arresteerden de Duitsers op 9 september Jaap Musch min of meer bij toeval in het landhuisje te Nijverdal. De daar verblijvende kinderen konden ternauwernood ontsnappen. Ondanks zware mishandelingen liet Musch niets los. In de nacht van 9 op 10 september werd hij op gruwelijke wijze vermoord in de bossen bij het kamp Erica in de buurt van Ommen. 126] Ook twee andere N.V.-ers lieten het leven. Dominee De Jong uit Venlo, die in maart 1944 was ondergedoken in Amsterdam, werd in januari 1945 opgepakt en op 12 februari in Haarlem doodgeschoten. J. Postuma kwam op 22 maart 1945 om het leven bij een bombardement op Nijverdal. 127]
Alle 231 N.V.-kinderen overleefden de oorlog. Ongeveer zeventig waren bij hun ouders opgehaald, de overigen door Woortman c.s. uit de crèche gesmokkeld. In totaal hadden de verschillende hulpgroepen ongeveer duizend kinderen uit de crèche gered. Ieder N.V.-kind had gemiddeld op vier pleegadressen gewoond en de organisatie had naar schatting duizend adressen benut. 128]

IV.2.3. De organisatie-Stakenborg/Paasen

Hoewel in de bronnen sprake is van de organisatie-Stakenborg, betreft het in feite twee, los van elkaar opererende hulpgroepjes in de Mijnstreek die in het najaar van 1943 werden samengevoegd. Op verzoek van de L.O.-rayonleider pater W. van der Geest nam het duikhoofd H. Stakenborg eind september 1943 een joods echtpaar op in zijn woning. Al spoedig verwees Van der Geest ook andere joden, die via uiteenlopende kanalen bij hem terechtkwamen, naar zijn duikhoofd. Stakenborg ging op zoek naar geschikte adressen en kwam in aanraking met de in Heerlen woonachtige handelsreiziger en eigenaar van een metaalwarenbedrijfje C. Paasen, die tevens over een etagewoning in Amsterdam beschikte. Paasen was in de tweede helft van 1942 met onder anderen dr. S. van der Heide, F. Ooms en de latere L.O.-rayonleider A.J. Derks, allen uit Heerlen, gestart met de hulpverlening aan joden. Hij haalde de joden af en toe zelf op in Amsterdam, maar meestal brachten koeriersters ze naar Heerlen. Bij de hulpverlening in Amsterdam waren onder meer leden van de groep-Westerweel, een niet bij naam bekende dominee, de aan de Amstel woonachtige familie Hakker en B. Lodeijzen betrokken. Laatstgenoemde overhandigde de Limburgers bonkaarten in de buurt van het Amstelstation.
Toen het contact met Stakenborg tot stand kwam waren al tientallen joden via deze weg geholpen. Kennelijk breidde men hierna de hulpverlening uit, want sinds het najaar van 1943 arriveerden per keer soms meer dan tien personen met hun begeleider(s) per trein in Sittard. Daar ving Stakenborgs zoon Gerard ze op, waarna ze per tram via Oirsbeek naar Brunssum reisden. Onderweg stonden medewerkers van Stakenborg, zoals H.B. Egberink en Y. Heddema, aan verscheidene haltes klaar om een of meer joden over te nemen en naar het onderduikadres te brengen. De joden die in Brunssum arriveerden droeg G. Stakenborg over aan K. Claus, die samenwerkte met plaatselijke S.D.A.P.-ers. Veruit de meeste door de groep-Stakenborg/Paasen geholpen joden vonden met steun van de plaatselijke L.O. onderdak in Brunssum (hier doken uiteindelijk tachtig joden onder), Heerlen, Hoensbroek en Schinveld.129]
Voor de materiële verzorging was de organisatie aangewezen op Lodeijzen, de L.O.-Heerlen en de heer Watervoort, een beambte op de staatsmijn Hendrik die op ruime schaal kleding, schoeisel, bonnen voor fietsen en fietsbanden en toeslagkaarten voor levensmiddelen beschikbaar stelde. Gemeente-ambtenaar H.J. Hendriks uit Brunssum voorzag de joden van valse PB’s.
Begin 1944 kreeg de groep-Stakenborg/Paasen voor het eerst met tegenslag te maken. Wegens de aanhoudende dreiging van razzia’s wilden veel onderdakverleners van hun joden af. Stakenborg c.s. hadden de grootste moeite de mensen te overreden de joden te houden. Koortsachtig werd naar nieuwe adressen gezocht. Tot overmaat van ramp kreeg het Brunssumse duikhoofd, wiens woning regelmatig vol joden zat, bezoek van de Sipo. Hij had geluk, de Sipo-leden zochten iemand anders. In de woning troffen ze niemand aan. Stakenborg kwam met de schrik vrij. Pijnlijker was de ontdekking, begin 1944, dat sommige medewerkers bonkaarten, bestemd voor joden, ten eigen bate gebruikten. Zonder pardon zette Stakenborg ze uit de organisatie. 130]
Paasen liet de door hem geholpen joden niet alleen in de oostelijke Mijnstreek onderduiken. In Roermond beschikte hij over een steunpunt in de persoon van de elektrotechnicus A.J. Dahmen, eigenaar van een bedrijf aan de Brugstraat. Enkele jaren voor het uitbreken van de oorlog had hij Dahmen leren kennen toen hij hem lampen leverde. De twee hadden een gemeenschappelijke afkeer van het nationaal-socialisme. In augustus 1942 deed Paasen voor het eerst een beroep op Dahmen, die zich bereid verklaarde een joods echtpaar in huis te nemen. Weldra volgde een tweede echtpaar. Gemeente-ambtenaar G.H. van Appeven zorgde voor vervalste persoonsbewijzen. Dahmen en Paasen kwamen overeen dat eerstgenoemde op zijn beurt, indien nodig, joden kon verwijzen naar de Mijnstreek. Begin 1943 bracht de Roermondse familie Loven Dahmen in contact met de jood J. Sternfeld in Amsterdam. Op voorwaarde dat Paasen hem precies op de hoogte zou houden van de verdere gang van zaken, wilde Dahmen Sternfeld aan de Heerlenaar overdragen. Die weigerde gedecideerd en de twee raakten gebrouilleerd, zo ernstig zelfs dat er over en weer allerlei beschuldigingen werden geuit. Sternfeld mengde zich eveneens in deze onverkwikkelijke affaire, die zich voortsleepte tot 9 februari 1944. 131] Op die dag viel de Sipo de woning van Paasen binnen en arresteerde er een jodin. Paasen was op het moment van de inval niet thuis. Hij hield bij zijn ouders een bespreking met D.C. Jesse. Toen hij van de gebeurtenis hoorde, vertrok hij meteen naar Amsterdam. 132]
Na het vertrek van Paasen uit Heerlen kreeg de organisatie- Stakenborg het nog drukker. Naast de dominee uit Amsterdam en diens helpers zond nu ook Paasen joden vanuit de hoofstad naar zijn Brunssumse verbindingsman. Hij werkte vermoedelijk nog steeds samen met de groep-Westerweel, maar niet meer met zijn vroegere Amsterdamse connecties (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.). Stakenborg kreeg hierdoor nieuwe verbindingen. Sedert het voorjaar van 1944 reisde hij regelmatig naar Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag om joden op te halen en naar Zuid-Limburg te begeleiden. Tegen de zomer droeg zijn organisatie de zorg over enkele honderden joden.133]
In juni en augustus kreeg de groep opnieuw met tegenslag te maken. Na een tip deden de eerder genoemde H. Conrad, M.J. Raeven en een of meer landwachters op 19 juni een inval in de woning van de familie Hardeveld en arresteerden er het vier personen tellende joodse gezin Van Praag uit Amsterdam. De joden werden gedeporteerd. 134] Twee leden van het gezin Hardeveld belandden in Vught. Op 1 september kwamen ze weer vrij (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.). De familie Heddema kreeg eveneens bezoek van de Sipo en de landwachters. Y. Heddema was niet thuis, maar zijn echtgenote, mevrouw B. Heddema-Rutgers, werd gearresteerd. Zij bleef tot de bevrijding in Duitse hechtenis (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.). Hoeveel joden van de organisatie-Stakenborg bij deze en mogelijke andere acties zijn gearresteerd, was niet te achterhalen.
De mijnwerker A.H. Inberg uit Brunssum, we vermelden hem op deze plaats omdat hij waarschijnlijk een medewerker van Stakenborg was, kwam in de zomer van 1944 in aanraking met enkele provocateurs uit Amsterdam, die hem na een wapen- en dynamiettransport op 31 augustus 1944 aan de Sipo uitleverden. Over zijn vermoedelijke verbinding met Stakenborg liet hij niets los. Op 19 september werd hij in Amsterdam geëxecuteerd. 135]

IV.2.4. Grubbenvorst - Sevenum en de groep-Westerweel

In de zomer van 1941 begon de journalist en sociaal-democraat P.M. (Mathieu) Smedts, die kort daarvoor van een verblijf van drie maanden in Berlijn naar Amsterdam was teruggekeerd, de mogelijkheden te onderzoeken om een vluchtweg voor joden naar Zwitserland te openen. Met hulp van de student H. Pelser slaagde hij erin een route op te bouwen via zijn geboorteprovincie Limburg. Tot de herfst van 1942, toen de Sipo de vluchtweg als gevolg van infiltratie en verraad op het spoor kwam en Smedts op 4 november in Brussel arresteerde, trokken bijna honderd joodse vluchtelingen via deze route naar het veilige Zwitserland. Inmiddels was een heel netwerk van voornamelijk sociaal-democraten rond Smedts en zijn naaste medewerkers ontstaan. J.J. Vorrink en jhr. J.P. Beelaerts van Blokland gebruikten de route om inlichtingen en politieke documenten door te geven.
Ook liet Smedts joden in Limburg onderduiken. Bij de huisvesting ondervond hij steun van zijn in Horst woonachtige familie, zijn mentor en persoonlijke vriend pastoor H.J. Vullinghs in Grubbenvorst en diens kapelaan P.J.H. Slots. Vullinghs en Slots waren grote liefhebbers van muziek, met name koormuziek, en kenden de muziekminnaar P.J. Tiggers, die dank zij de V.A.R.A.-radio landelijke bekendheid genoot. 136] Ze misten dan ook de toen vrij algemene katholieke afkeer van het socialisme en zijn aanhangers. Zo kon in de loop van 1941 en 1942 een hechte band ontstaan tussen de overwegend sociaal-democratisch georiënteerde groep hulpverleners rond Smedts en de twee geestelijken in het Noorlimburgse Maasdorp. Dit contact bleef na de arrestatie van Smedts intact.
Een van Vullinghs’ contactpersonen, mejuffrouw C.W. Ouwellen, lerares aan een huishoudschool voor joodse meisjes in Amsterdam, had in de tweede helft van de jaren dertig de noden van de joodse vluchtelingen uit Duitsland, met name van de kinderen, leren kennen. Met een collega-docente begon ze meteen na het begin van de deportaties joodse vrienden en kennissen te polsen of ze eventuele hulp op prijs stelden. De respons viel tegen, menigeen achtte het niet nodig. De twee onderwijzeressen legden zich er niet bij neer. Uiteindelijk bleken met name de jonge Duitse immigranten bereid de hulp te aanvaarden. Dank zij pastoor Vullinghs konden ze terecht in Grubbenvorst en omgeving.137]
In het najaar van 1942 kwam een verbinding tot stand tussen Vullinghs en een kring van helpers rond J.G. Westerweel, waarschijnlijk via Smedts’ connecties. De socialist en pacifist Westerweel gaf les aan de onderwijsinstelling van C. Boeke in Bilthoven. In de jaren twintig had Boeke een geheel eigen onderwijsmethode ontwikkeld waarbij de nadruk lag op een zo breed mogelijke zelfontplooiïng. De school kende een leerlingenzelfbestuur. De leerkrachten fungeerden als medewerkers van deze kindergemeenschappen. Toen een groep joodse kinderen uit Den Dolder door een Duitse maatregel van onderwijs dreigde te worden uitgesloten, nam de school van Boeke ze over. De in Loosdrecht woonachtige familie van een joodse collega-docente, M. Waterman, die Westerweel op indringende wijze vertelde over het ellendige lot dat de joden boven het hoofd hing, onderhield al enige tijd contact met een ongeveer zeventig personen tellende groep joodse jongens en meisjes die in een plaatselijk paviljoen woonde. Na de Kristallnacht waren ruim zeshonderd Duitse en Oostenrijkse Zionisten of Palestina-pioniers - de meesten waren wees - naar Nederland uitgeweken. Een gedeelte van deze jonge Zionisten had zich in 1939 onder leiding van J. Simon in Loosdrecht gevestigd. Daar bereidden ze zich voor op een toekomst in Palestina. De meesten waren toen tussen de 14 en 20 jaar oud. De jongeren waren zeer gemotiveerd en hadden zich van hun oorspronkelijke leefomgeving losgemaakt. Sommigen bezochten de school van Boeke. In het voorjaar van 1942 bracht M. Waterman een verbinding tot stand tussen Simon en Westerweel. Westerweel raakte diep onder de indruk van de uitgangspunten, de (politieke) idealen en de karaktervastheid van de Palestina-pioniers. Enige tijd speelde hij met de gedachte mee te gaan naar Palestina. Zover kwam het niet. De mentaliteit van de jonge Zionisten was er niet naar de deportaties lijdzaam af te wachten. Ze namen het lot in eigen handen. Westerweel, die inmiddels in Rotterdam doceerde, ging samen met M. Waterman, J. Simon en B.J. Koning op zoek naar onderduikadressen voor de jongeren in de regio. Op 15 augustus 1942 bereikte het bericht Loosdrecht dat het paviljoen elk moment ontruimd kon worden. Er moest snel worden gehandeld. De zoekactie naar duikadressen werd tot ver buiten de regio uitgebreid. Men vond adressen in Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Limburg. Voorts zetten Westerweel en Simon ontsnappingslijnen naar Zwitserland en Spanje op. Het eerste gedeelte liep via Eindhoven en Budel naar het Belgische Hamont. De twee gingen zeer listig en vernuftig te werk. Ze lieten zich met de vluchtelingen inschrijven voor de Organisation Todt waarna ze een paspoort ontvingen en probleemloos naar Frankrijk konden reizen. Aanvankelijk koesterden de Duitsers geen argwaan, want degenen die van deze route gebruik maakten spoorden gewoon naar Bordeaux en begaven zich vervolgens op pad naar de Spaanse grens. Een andere vluchtweg leidde naar Zwitserland. Ongeveer 150 joodse vluchtelingen weken via deze twee ontsnappingslijnen naar onbezet gebied uit.
De twee organisatoren van de ontsnappingsroute betaalden overigens duur leergeld. Sommige grenspasseurs vroegen buitensporig hoge bedragen voor de mensensmokkel en leverden de joden vervolgens uit. Naderhand liep het beter en beschikten Westerweel c.s. over maar liefst drie grensovergangen in Noord-Brabant. Toch ging het fout. Op 26 januari 1943 werd Simon in de buurt van de Belgische grens aangehouden. Hij liet niets los en pleegde de volgende dag zelfmoord in de gevangenis van Breda. M. Pinkhof nam zijn plaats in, maar werd op 22 april 1944 eveneens gearresteerd. Westerweel en B. Koning waren kort tevoren, op 11 maart 1944, ter hoogte van Budel in Duitse handen gevalen. Westerweel werd op 11 augustus 1944 in Vught doodgeschoten. Koning en Pinkhof overleefden de oorlog. 138]
Van de door de groep-Westerweel geholpen joden die in Nederland bleven, belandden er naar schatting tussen de 75 en 100 in Limburg. De eersten arriveerden in het najaar van 1942 in Grubbenvorst. Aanvankelijk begeleidden Westerweel en zijn echtgenote W. Westerweel-Bosdriesz de onderduikers naar het Noordlimburgse Maasdorp, maar vanaf december 1942 trad M.J. Salomé uit Hardinxveld op als de vaste verbindingsman van de groep met Limburg. In 1941 had hij zich voor het eerst met de hulp ingelaten en enkele maanden in de gevangenis doorgebracht. Hij kwam vrij wegens gebrek aan bewijs. In de zomer van 1942 betrok een joodse huisgenoot hem opnieuw bij de hulpverlening. Dat lekte al spoedig uit en Salomé dook drie maanden onder in Boxtel. Via zijn moeder kwam hij in aanraking met een Rotterdamse collega-onderwijzeres van Westerweel en met C. van Bakergem, die op hun beurt een verbinding tot stand brachten tussen Westerweel, pastoor Vullinghs en Salomé. Vanwege de groeiende toeloop van joden verwees de pastoor van Grubbenvorst Salomé en Westerweel begin 1943 naar mejuffrouw E. Boutet in Sevenum. Salomé kreeg verder contact met helpers in Zuid-Limburg zoals F. Ooms en S. van der Heide.
Tussen december 1942 en eind 1943 bracht Salomé ongeveer dertig Palestina-pioniers per trein naar Venray. Vandaar begaven ze zich te voet naar Sevenum. 139] Eens in de veertien dagen kwamen de Palestina-pioniers bijeen in een schuilplaats in de Sevenumse bossen. Men sprak van de “Israël-soos”. Tijdens de bijeenkomsten bespraken de jongeren hun toekomstplannen. Omdat ze vernomen hadden dat sommige pleegouders voornemens waren de kinderen te laten dopen, namen ze zich voor direct na de bevrijding te beginnen met het opsporen van joodse kinderen. Men zou trachten ze weer met de ouders te verenigen. 140] De meesten Palestinapioniers doken onder in Sevenum, sommigen reisden verder naar Helden en Roermond. Boutet had Salomé naar kapelaan A.R.J. Thomassen in Helden verwezen. Deze had hem geïntroduceerd bij zijn zuster L.C.J. Thomassen in Roermond. Mejuffrouw Thomassen werkte samen met hulpverleners van joden uit de groep-Bongaerts. 141] Hoeveel Zionisten door Salomé naar Zuid-Limburg zijn gebracht, staat niet vast.
Aangezien Boutet bij talrijke andere verzetsactiviteiten betrokken was, werd P.J. Arts de vaste verbindingsman van de groep-Westerweel in Sevenum. Tot de bevrijding op 22 november 1944 leidde hij de verzorging van ruim honderd joodse onderduikers. Ze kwamen niet allemaal via Westerweel c.s., ook fietsenhandelaar Th. Obers haalde, buiten georganiseerd verband, joden op in Amsterdam, maar hij vroeg er aanzienlijke geldbedragen voor. 142] Naar aanleiding van een mislukte poging een illegale werker uit de gevangenis van Scheveningen te bevrijden, werden Salomé en mevrouw W. Westerweel-Bosdriesz in december 1943 gearresteerd. Ze verdwenen via Vught naar Duitse kampen, maar overleefden de oorlog. Mejuffrouw E. Waterman, een zuster van de onderwijzeres, nam de plaats van Salomé in. Naast de begeleiding van Palestinapioniers en andere joden naar het station van Horst-Sevenum bekommerde ze zich om het materiële welzijn van de in Noord-Limburg ondergedoken joden. 143] Voor valse PB’s zorgden medewerkers van de plaatselijke of regionale L.O. en specialisten zoals F.J. Gerritsen in Haarlem, D.C. Jesse, mejuffrouw G. Loeff uit Den Haag en mejuffrouw H. Neubauer uit Amsterdam. De voorziening van distributiebescheiden leverde evenmin problemen op. De bij boeren gehuisveste joden hadden er doorgaans geen nodig. De overigen ontvingen bonkaarten van de L.O. of medewerkers van Westerweel. 144]
De meeste joodse onderduikers oordeelden positief over hun verblijf in Sevenum. Mevrouw L. Kettner-Ticho smokkelde enige tijd kinderen uit de Amsterdamse crèche en belandde na haar ontsnapping uit Westerbork in Sevenum. Aanvankelijk werkte ze in het dorpscafé dat als doorgangshuis dienst deed. Aansluitend hielp ze anderhalf jaar op de boerderij van haar gastgever, waarvoor ze een vergoeding ontving die ze ten behoeve van de organisatie aan E. Waterman afdroeg. Mevrouw Kettner schreef haar gunstige ervaringen met de inwoners van Sevenum toe aan het feit dat de dorpelingen de enige jood die daar voor de oorlog woonde, een veehandelaar, als een rechtschapen mens hadden leren kennen. Bovendien spoorde pastoor J.J.H. Salden de mensen openlijk aan onderduikers in huis te nemen. 145] Onderduikster S. Nussbaum-Jaari, in december 1943 door E. Waterman naar Sevenum gebracht, ondervond enige hinder van bekeringsijver. Ze moest Sevenum verlaten toen bleek dat de autoriteiten door een anonieme brief achter haar ware identiteit waren gekomen. Ze vertrok naar Grubbenvorst, maar belandde uiteindelijk in Roermond en beleefde er de zware fronttijd. 146] Salomé beschreef zijn ervaringen als volgt: “De gastvrijheid in en rond Sevenum was groots, alles kon, alles was mogelijk en werd zonder meer gedaan. Wij werkten in een sfeer van vertrouwen waarin veel mensen eendrachtig samenwerkten en zich in goede harmonie verzetten tegen de vijand. Huizen, deuren en harten stonden open; de onderduikers waren èn welkom èn ook ik werd steeds hartelijk ontvangen. Bij al ons werk was Eugénie (Boutet, auteur) de sleutelfiguur. Ik klopte nooit tevergeefs bij haar aan. Zij wist altijd raad. De pastoor van Grubbenvorst steunde en beaamde ons werk”.147]
Afgezien van één inwoner die als een potentiële verrader werd beschouwd zwegen de inwoners van Sevenum. Toch liep het mis. Door onvoorzichtigheid van een paar Haagse onderduikers - zij konden het contact met hun plaatsgenoten niet loslaten - kon de Haagse Sipo op 10 augustus 1944 verscheidene aanhoudingen verrichten in Grubbenvorst. Twee joden werden op transport gesteld en kwamen om het leven. 148] In opdracht van de Sipo-Maastricht zond de Venlose A.K.D.-er J. Berendsen op 2 september 1944 zes medewerkers naar Sevenum om het bejaarde joodse echtpaar E. Maisonpierre en H. Maisonpierre-Compris op te halen. Twaalf dagen later gaf een luitenant-kolonel van de in Venlo gelegerde Ordnungspolizei Berendsen en de oostfrontstrijder A. Aarts bevel het echtpaar dood te schieten. De twee haalden het echtpaar uit de gevangenis en brachten hen per auto naar het Zwarte Water, een ven bij Venlo. De auto werd aan de rand van het bos geparkeerd en de twee bejaarden moesten uitstappen. Aarts en Berendsen dwongen het echtpaar voor hen uit te lopen. Vooraan in het bos werden ze van achteren neergeschoten. Aarts liep naar de twee kermende, zwaar gewonde mensen toe en schoot ze door het hoofd. Daarna beroofde hij ze van een armband en de horloges. De moordenaars sleepten de lijken verder het bos in en wierpen ze in een ondiepe greppel die ze met wat takken en gras afdekten. Daags erna attendeerde een passant de O.D.-ers L. Jans en W. van Boekhold, die onderweg waren naar Velden voor een bijeenkomst met de gewestelijke O.D.-leider, op de lijken. Ze waarschuwden onmiddellijk een in de buurt rond fietsende politieman. Die gaf hen te verstaan zich er niet mee te bemoeien. Toen politiecommissaris Couperus ervan vernam, beval hij Berendsen de lijken te laten verdwijnen. Twee medewerkers van Berendsen begaven zich naar het ven en gooiden de stoffelijke resten van het echtpaar in het Zwarte Water, nadat ze de armen en benen met touw en ijzerdraad aan elkaar hadden gebonden. Het duurde geruime tijd tot de lijken onder water verdwenen. De locatie maskeerden ze met wat groen.149]
Kort voor de bevrijding vond een inval plaats in de woning van P. Arts. De vier aanwezige joden konden ontsnappen, Arts zelf was niet thuis. In totaal vielen acht joodse onderduikers in Sevenum in Duitse handen. De meesten kwamen om het leven. 150] Ook elders werden van tijd tot tijd, met name in 1944, joodse onderduikers gearresteerd. Precieze cijfers ontbreken.

IV.3.

Georganiseerde hulp, gelieerd aan niet specifiek op hulp aan joden gerichte organisaties

IV.3.1. De L.O.: algemeen

In de vorige paragraaf werd vastgesteld dat de specifiek op hulp aan joden gerichte organisaties allemaal in meerdere of mindere mate steun kregen van L.O.-ers of van de L.O. zelf. De L.O. was immers in zelfs de kleinste gehuchten actief en steunde op een naar verhouding breed maatschappelijk draagvlak. In deze paragraaf zullen we stilstaan bij de hulpverlening aan joden door L.O.-ers en medewerkers van andere verzetsgroepen die gebruik maakten van de mogelijkheden die de eigen organisatie daartoe bood. Eigenlijk kwam de L.O. in Limburg te laat, dat wil zeggen in de zomer van 1943 toen de deportaties al in een ver gevorderd stadium waren, tot stand om nog veel voor de joden te kunnen doen. Desondanks kreeg de organisatie vanaf haar ontstaan met deze hulpverlening te maken. Veel illegale werkers die in 1943 tot de L.O. toetraden, ontplooiden daarvóór allerlei andere verzetsactiviteiten. Daar hielden ze doorgaans aan vast. Sommige van die activiteiten geschiedden sedertdien binnen L.O.-verband, zeker in Limburg (zie hoofdstuk VI, in het bijzonder de paragrafen VIII.5. en VIII.8.).
In het voorjaar van 1943 zochten zowel O.D.-ers als onderduikers hun toevlucht in zogeheten duikkampen, provisorisch ingerichte schuilplaatsen in de Midden- en Noordlimburgse bossen. In april 1943, toen alle nog in de zuidelijke provincies verblijvende joden het bevel kregen zich naar het doorgangskamp in Vught te begeven, werd in de bossen bij Grathem een gedemonteerd kippenhok opgetrokken en ingericht voor een joods gezin uit Roermond. Bij een boerderij in de buurt werd een ondergrondse schuilplaats aangelegd, bestemd voor joden en voor jongeren die zich niet voor dwangarbeid in Duitsland wensten te melden. In een ander duikkamp in de omgeving van Roggel hielden zich temidden van andere onderduikers twaalf joden schuil. De kampen was geen lang leven beschoren. Sommige bewoners van de schuilplaats bij Grathem gedroegen zich dermate roekeloos dat het kamp in de zomer van 1943 moest worden opgebroken. In het kamp “Stokershorst” bij Roggel brak in november 1943 brand uit tijdens het koken. De nog aanwezige twaalf joden vluchtten de bossen in. Ze vonden uiteindelijk onderdak bij particulieren in de omgeving. Helpers van krijgsgevangenen zoals F. van Kemenade uit Roermond waren hierbij behulpzaam. 151]
Tegen het najaar van 1943, toen de provinciale organisatie van de L.O. vrijwel rond was, arriveerden de eerste joodse onderduikers via de gewestelijke L.O.-vergadering in Limburg. Hoeveel joden langs die weg in Limburg terecht zijn gekomen is niet te achterhalen, maar waarschijnlijk zijn het er honderden geweest. Alleen al het rayon Ravenstein-Oss herbergde tientallen joodse onderduikers die er via L.O.-kanalen waren terechtgekomen. 152] Andere districten en rayons gaven een vergelijkbaar beeld te zien.

IV.3.2. Activiteiten van aan de L.O. gelieerde hulpverleners

IV.3.2.1. Venlo, Heerlen en Valkenburg

Bij de aanvang van de laatste deportatiefase van de Venlose joden in april 1943 lieten de politiebeambten H.H. Pollaert, J.G.A. Aarts en H.G. Snellen zoveel mogelijk de joden door Ph.A.V. Wolff, een “half-jood”, vooraf waarschuwen. Tevens zorgden ze voor onderduikadressen. Weldra ontstond een netwerk van hulpverleners, waartoe onder anderen de gebroeders K.P.M. en P.P.J. Ex, L.P.C. Meyers en W.F.Th. van Boekhold en later ook pastoor H.J.H. Vullinghs en H. Joosten uit Grubbenvorst, P.A.J. Peeters en P. Reijnders uit Broekhuizenvorst en J.H. van Megen uit Broekhuizen behoorden. De helpers uit Broekhuizen brachten een zijdelingse verbinding tot stand met leden van de groep- Bongaerts zoals P.G. Gulikers. Veruit de meeste joden uit de regio Venlo - Pollaert c.s. hielpen er naar schatting honderd - doken onder in de Maas- en Peeldorpen op de westelijke Maasoever. Vanaf de zomer van 1943 nam de L.O. het grootste deel van de materiële zorg op zich. In augustus 1943 arresteerde de Sipo-Maastricht achtereenvolgens Aarts, Snellen, Meyers en Van Megen. De twee politiebeambten verdwenen naar Duitse kampen, Van Megen kwam in 1945 om het leven. Meyers, die PB’s voor de joden vervalste, werd vanwege zijn verzetswerk maar liefst vijf keer ingesloten, maar wist telkens te ontsnappen. Pollaert dook na de arrestatie van zijn collega’s meteen onder. Zijn echtgenote en beide kinderen werden door de Sipo opgepakt en twee maanden opgesloten in het kamp Vught.153] Voor de komst van joden uit het westen van het land naar het L.O.-district Venlo en naderhand ook andere districten was A.J. Slikker grotendeels verantwoordelijk. Tot 1941 werkte de uit Alkmaar afkomstige Slikker in Boskoop. Dat jaar verhuisde hij naar Venlo. Als controleur van groenten- en fruitveilingen in het district Limburg zinde het hem niet dat het grootste gedeelte van de produkten naar Duitsland verdween. Hij keurde grote partijen af. Dat bleef niet onopgemerkt. In juni 1942 zag hij zich genoodzaakt onder te duiken. Hierdoor kwam hij in aanraking met de ontluikende Venlose illegaliteit. Een tussenpersoon bracht Slikker in verbinding met de directrice van het ziekenhuis in Hoorn. Zij zocht onderduikadressen voor joodse kinderen en jongeren. Als Slikker kon zorgen voor duikadressen in Limburg, zou zij erop toezien dat Limburgse onderduikers in Noord-Holland terecht konden. Voorts kreeg Slikker contact met hulpverleners als K. Chardon uit Delft - een verbindingsman van P.M. Smedts - H. Dienske en mevrouw Baas uit Amsterdam. Laatstgenoemde werkte samen met P.A. Meerburg. Er volgde een bespreking in de hoofdstad waaraan naast de hierboven genoemde personen J. Hendrikx deelnam. De aanwezigen waren het erover eens dat er meer structuur in de hulpverlening moest worden aangebracht. Ze besloten de hulp in de toekomst te integreren in de L.O. Dank zij de in Amsterdam gemaakte afspraken konden vanaf het einde van de zomer van 1943 vele tientallen joden in de dorpen ten noorden en ten zuiden van Venlo op de oostelijke en op de westelijke Maasoever onderduiken. Ook andere Limburgse L.O.-districten namen sindsdien vanuit Venlo doorgezonden joodse onderduikers op. 154]
Evenals in Venlo namen in Heerlen individuele politiebeambten en O.D.-ers, met name uit de kring rond Ch. Bongaerts, het voortouw in de hulpverlening. Het betrof voornamelijk joden uit de regio. Sedert de oprichting van de L.O. in het district Heerlen, dat vrijwel de gehele Mijnstreek omvatte, raakten talrijke medewerkers van deze organisatie betrokken bij de hulpverlening van de N.V., de groepen Stakenborg-Paasen, Meerburg, Westerweel en andere kleinschalige organisaties (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.).
De in Valkenburg woonachtige L.O.-medewerker P.J.A. Schunck constateerde dat de plaatselijke, overigens kleine joodse gemeenschap de dreigende gevaren niet onder ogen wenste te zien en de aangeboden hulp van de hand wees. Hun houding stond model voor die van zoveel joden en anderen. Men kon niet bevatten, zelfs niet geloven hoe erg het kwaad kon zijn. Zo was een bejaard joods echtpaar er vast van overtuigd dat ze hun woning moesten ontruimen ten behoeve van een groot gezin. In ruil voor hun vertrek was de twee bejaarden namelijk onderdak in een rusthuis toegezegd. Andere joodse inwoners van Valkenburg hechtten geen geloof aan de alarmerende berichten die binnensijpelden en meenden oprecht dat er hooguit sprake was van (dwang)arbeid in Poolse werkkampen. Met deze voorstelling van zaken draaiden ze zich een rad voor ogen om vrede te vinden met hun situatie. 155] In een ander opzicht stond Valkenburg eveneens model voor een veel voorkomend verschijnsel. De “kleine”, onbemiddelde joden werden vrijwel allemaal gedeporteerd, terwijl de rijkere in veel gevallen tijdig wisten onder te duiken, soms met hulp van particulieren soms met hulp van de L.O. of een andere verzetsgroep. Dank zij de L.O. vonden tientallen joden onderdak in het rayon Valkenburg.

IV.3.2.2. De groep-Brandsma

De groep-Brandsma, geleid door de Delftenaar H.H. van der Wielen - schuilnaam Hugo Brandsma - maakte deel uit van de zogeheten Vrije Groepen Amsterdam (V.G.A.), een samenvoeging van zeven kleine organisaties in het westen van het land. De bundeling was in 1943 tot stand gekomen om niet afhankelijk te zijn van de gecentraliseerde L.O. De opzet slaagde slechts ten dele. Men had de L.O. nodig voor distributiebescheiden en werkte ermee samen binnen het zogeheten Utrechts “bonkaarten-contact”.156]
Pater L. Bleijs stond aan de basis van de verbinding van Van der Wielen met de L.O.-districten Roermond en Weert. In de zomer van 1943 introduceerde hij de Delftenaar bij de districtsleider van Roermond-West, L. Frantzen uit Horn. Het is niet bekend welke afspraken zijn gemaakt, maar aangenomen mag worden dat Van der Wielen Frantzen verzocht joodse onderduikers in Midden-Limburg te plaatsen. Tot de komst van C.L. van Donselaar gebeurde er vrijwel niets. De uit Haarlem afkomstige Van Donselaar volgde een opleiding in Amsterdam, maar brak zijn studie in januari 1943 af, omdat hij weigerde bewakingsdiensten voor de bezetter te verrichten. Hij dook onder en informeerde bij de hoogbejaarde C. ten Boom in Haarlem of er een mogelijkheid bestond uit te wijken naar Zwitserland waar zijn vriendin woonde. Met zijn dochters Corrie en Elisabeth verleende Ten Boom hulp aan joden. Op voorwaarde dat Van Donselaar enkele joden zou meenemen verklaarde hij zich bereid te helpen. Hierdoor kwam Van Donselaar in aanraking met Van der Wielen die hem in november 1943 bij L. Frantzen introduceerde. Voor hem ging Van Donselaar weldra koeriersdiensten verrichten. Van zijn voornemen naar Zwitserland uit te wijken kwam niets meer terecht. In plaats daarvan begeleidde hij op verzoek van Van der Wielen joden naar Limburg. Bij zijn werkzaamheden ondervond Van Donselaar steun van J. Lowé Ball uit Delft, die met zijn gezin naar Limburg kwam, en A. van der Pluijm. De drie medewerkers van de groep-Brandsma brachten naar schatting tussen de honderd en tweehonderd joden naar de districten Roermond en Weert. 157]
Van Donselaar vestigde zich in hotel “Het Gouden Kruis” van het echtpaar Smeets aan de Kapellerlaan in Roermond, een doorgangshuis voor (joodse) onderduikers en geallieerde vluchtelingen. Vanuit dit adres zette hij zijn activiteiten voort. Een van de eerste opdrachten die Frantzen hem en Lowé Ball verstrekte behelsde het herstel van de ontsnappingsroute van P. Timmermans over Nancy die sedert november 1943 niet meer te gebruiken was (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.2.). Twee weken hadden ze nodig om nieuwe contactpunten te vinden, maar verder dan Nancy kwamen ze niet. De lijn was dermate geïnfiltreerd dat het onbegonnen werk was de oorspronkelijke weg naar Zwitserland nieuw leven in te blazen. Terug in Nederland legden de twee zich na overleg met Frantzen en Van der Wielen opnieuw toe op de hulp aan joden. De groep-Brandsma ontving de joden van verbindingspersonen in Amsterdam en Twente en van C. ten Boom. Als gevolg van de aanhouding van Ten Boom en zijn beide dochters viel de verbinding met Haarlem op 28 februari 1944 weg. Ten Boom sr. overleed na een kort verblijf in de gevangenis van Scheveningen te Loosduinen op 9 maart 1944 en zijn dochter Elisabeth in het kamp Ravensbrück. Corrie ten Boom werd in december 1944 uit Ravensbrück ontslagen. 158]
Voor Van der Wielen en zijn koeriers op Limburg hadden de Haarlemse arrestaties geen nadelige gevolgen. Van Donselaar en Lowé Ball gingen in Roermond samenwerken met L.O.-ers en O.D.-ers als K.H.H. Simmelink, M.E.J.M. Stoffels, A. Reulen, J.P.H. Frencken en verschillende bij de illegaliteit aangesloten politiebeambten.
In het aangrenzend district Weert legden Van der Wielens medewerkers eveneens contacten. Daar hielpen mejuffrouw M. Vlugt, werkzaam in hotel “Jan van Weert”, dat als doorgangshuis dienst deed, en L.O.-districtshoofd A.H.M. Hermans, die voor distributiebonnen zorgde; in Stramproy hielpen mejuffrouw M. Stevens, dochter van de directeur van de plaatselijke melkfabriek, en J.L. Salemans. Dank zij het contact met de laatste twee kon de groep-Brandsma in dit grensdorp joden plaatsen. 159]
Begin 1944 deed zich het eerste ernstige probleem voor. Een in Horn ondergedoken jodin kon de voortdurende spanning niet langer aan en had steeds vaker last van angstpsychoses, die soms gepaard gingen met aanvallen van hysterie. Een normale omgang met de vrouw was niet meer mogelijk. Frantzen ging naarstig op zoek naar een gepaste oplossing. Na lang wikken en wegen besloot hij de vrouw te laten overbrengen naar Heythuysen, maar er trad geen verbetering op in haar toestand. Op 14 mei 1944 vertrok ze tenslotte in gezelschap van een begeleidster naar kennissen in Bloemendaal. In Haarlem liepen ze tegen de lamp toen de vrouw opnieuw een hysterische aanval kreeg. De twee werden in hechtenis genomen. Hoe het met de jodin is afgelopen is niet bekend. Haar begeleidster kwam door tussenkomst van een vriendin spoedig weer vrij. Naderhand bleek dat de vriendin een hoge prijs had moeten betalen voor de vrijlating, want op 10 juni arresteerde de Sipo drie in Heythuysen ondergedoken joden en hun gastgever, de 39-jarige electro-technicus J.H. Berkhout. Het betrof drie leden van de familie Prijs, de moeder en twee van haar kinderen. Mevrouw Prijs kwam in een Duits kamp om het leven, haar twee kinderen overleefden de oorlog. Berkhout kwam via Vught in Neuengamme terecht. In februari 1945 werd hij met andere gevangenen in Dantzig op een boot gezet waarna nooit meer iets van hem vernomen is. Vermoedelijk werd het schip ergens voor de kust op de Oostzee tot zinken gebracht.
Toen Frantzen op 14 of 15 mei 1944 van de arrestaties in Haarlem vernam, dook hij meteen onder. Hij vertrouwde het zaakje niet. Op aanraden van secretaris Moonen volgden zijn echtgenote en kinderen op 28 mei zijn voorbeeld. Met het onderduiken van Frantzen kwam een einde aan de verbinding van Van der Wielen met de Limburgse L.O.160]
Van Donselaar zette zijn verzetswerk voort, maar beperkte dat tot de verzorging van de door de groep-Brandsma in Limburg ondergedoken joden. Hij viel als gevolg van de overval op hotel Het Gouden Kruis in de nacht van 9 op 10 augustus 1944 in Duitse handen (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.3.). Tot mei 1945 verrichtte hij onder toezicht van Oekraïnse S.S.-ers dwangarbeid in Duitsland. 161] Waarschijnlijk namen of Lowé Ball en Van der Pluijm of plaatselijke L.O.-ers en gastgevers van de joden de verzorging van deze onderduikers tot de bevrijding over.

IV.3.2.3. Truus Jetten

K. Hiegentlich uit Roermond betrok zijn assistente mejuffrouw G.M. Jetten uit Horn bij de hulpverlening. Als gevolg van de maatregelen, die tot doel hadden de joden uit het economisch leven te verwijderen, zag Hiegentlich zich genoodzaakt zijn zaak te sluiten. Hij vertrok naar Amsterdam, van waaruit hij samen met Jetten in de tweede helft van 1942 een lijntje voor joodse vluchtelingen naar Limburg opzette. In eerste instantie maakten voornamelijk Hiegentlichs familie, vrienden en kennissen daarvan gebruik, later ook andere joden. Jetten reisde herhaaldelijk naar Amsterdam om personen in de “jodenhoek” op te halen. In Limburg ondervond ze steun van onder anderen haar ouders, P.H.M. Linssen uit Beegden, W.G.Th. Verrijt uit Helden, L. Frantzen in Horn, J. Frantzen in Swalmen en K.H.H. Simmelink in Nunhem. Zelf ontfermde Jetten zich over vijftien joodse kinderen. Verscheidene andere kinderen werden gehuisvest in Stramproy en Leveroy. In totaal vonden vele tientallen joodse jongeren en volwassen via het kanaal van Hiegentlich en Jetten onderdak in Midden-Limburg.
Dank zij Jettens uitstekende verbindingen met de L.O., contacten die grotendeels samenvielen met die van de organisatie-Brandsma, leverde de materiële verzorging geen problemen op. Voor bonkaarten deed ze een beroep op haar neef W. Philips, werkzaam op het distributiekantoor van Roermond, L. Frantzen en in een later stadium op L.O.-ers uit de kring rond pater Bleijs. Eind november 1943 dook Jetten onder, omdat de Duitsers achter haar illegale activiteiten dreigden te komen. Haar zus Ella nam haar taken over. 162]

IV.3.2.4. Paul Terwindt en Tini van de Bilt

De in Arnhem woonachtige student Paul W. Terwindt kreeg in 1942 verbinding met enkele illegaal werkende Utrechtse studenten, die hem introduceerden bij Amsterdamse hulpverleners als B. en I. Groothand. Het contact kwam mogelijk tot stand via het landelijk studentenverzet. Wellicht betrof het studenten van het “Utrechts Kindercomité” en rond P.A. Meerburg uit Amsterdam.
In de zomer van 1942 nam Terwindt twee joodse kinderen mee naar Arnhem. Hij bracht ze onder bij de familie Van de Bilt. Dochter Tini (A.M. van de Bilt), die zich het tragisch lot van de joodse gemeenschap zeer aantrok, besloot Terwindt te gaan helpen. Hij gaf haar het adres van een joods echtpaar in Amsterdam dat in verbinding stond met de Joodse Raad en over een lijst met namen van kinderen beschikte die aan een onderduikadres geholpen moesten worden. Het kostte de twee Arnhemmers aanvankelijk heel wat moeite de kinderen onder te brengen in Amsterdam, Utrecht en Arnhem. Daarin kwam verandering toen Paul Terwindt zijn medewerkster in november of december 1942 introduceerde bij zijn zus M. Terwindt en de familie Berger, verwanten van hem, in Venlo. Mejuffrouw Terwindt bracht Paul en Tini in contact met J.H. Knapen uit Panningen, verbonden aan de plaatselijke Boerenleenbank. Knapen had veel connecties en maakte deel uit van de plaatselijke L.O. Bij hem waren ze aan het goede adres. Het verschafte Terwindt de gelegenheid zijn zoekacties naar verbindingen in de loop van 1943 te verleggen. Hij reisde naar Zuid-Limburg in de wetenschap dat Tini van de Bilt en Knapen de verdere opvang en verzorging zelf konden regelen.163]
Eind 1942 bracht Van de Bilt de eerste joden naar Helden en dorpen in de omgeving zoals Maasbree, Sevenum, Koningslust en Heythuysen. Niet alleen de oorspronkelijke verzetsrelaties vertrouwden haar joodse kinderen toe, hetzelfde deden nieuwe contactpersonen als de heer Bührmann, mejuffrouw V. Rosenberg en naderhand ook medewerkers van de Amsterdamse crèche zoals V. Cohen en personeel van de Centraal Israëlitische Ziekenverpleging. Van de Bilt haalde kinderen, later ook jongeren en volwassen, op in Amsterdam en begeleidde ze per trein naar Limburg. Knapen, haar vaste Limburgse verbindingsman, en zijn echtgenote P.J. Knapen-Joosten droegen uiteindelijk de zorg over 114 joodse kinderen. De meesten waren door Van de Bilt gebracht, een aantal kwam via Sevenum en andere plaatsen naar Helden en Panningen. Knapen en Van de Bilt ondervonden veel steun van plaatselijke L.O.-ers zoals W.L. Houwen en de Heldense arts L.J.A. Verberne. Laatstgenoemde gaf Van de Bilt in de zomer van 1943 het adres van H. Janssen uit Neerkant in Noord-Brabant. Janssen was veekeurder en kende veel veehouders in de Brabantse Peelstreek. Dank zij hem openden zich nieuwe mogelijkheden, waarvan Van de Bilt uiteraard gebruik maakte.
Ernstige problemen deden zich nergens voor. Aanvankelijk kocht Paul Terwindt valse PB’s bij de Utrechtse studenten en een Amsterdamse vervalsingsgroep, die overigens matig werk afleverde. In een latere fase ontving mejuffrouw Van de Bilt, met name van H. Janssen, vrijgemaakte en ontvreemde PB’s van onopvallende, enigszins op de onderduiker in kwestie lijkende landgenoten waarop ze slechts het adres hoefde te veranderen. Als het nodig was leverden Houwen, de Utrechtenaren en Janssen distributiebonnen. Er werd echter zelden om gevraagd. Kostgeld hoefde helemaal niet betaald te worden. Sommige, overwegend volwassen joden kampten met aanpassingsmoeilijkheden, maar die konden over het algemeen worden opgelost. Lastiger werd het als gastgevers ten gevolge van een razzia van hun onderduikers af wilden (de groep-Meerburg en de N.V. deden soortgelijke ervaringen op). Dan moest in korte tijd een groot aantal nieuwe adressen gevonden worden. De door Tini van de Bilt geholpen joden overleefden vrijwel allemaal de oorlog. Janssen verloor één, door hem in Helenaveen geplaatst kind door verraad. De verantwoordelijke hiervoor zou later door de plaatselijke illegaliteit zijn geliquideerd. Knapen werd bij de grootscheepse razzia van oktober 1944 op de westelijke Maasoever opgepakt. Korte tijd later volgde de bevrijding van de regio, zodat zijn (tijdelijke) afwezigheid nauwelijks nadelige gevolgen had voor de joodse onderduikers.164]
Nadat het contact met Noord- en Midden-Limburg tot stand was gekomen, verlegde Terwindt, zoals gezegd, zijn werkterrein naar het zuiden van de provincie, wat niet wegneemt dat hij met Van de Bilt bleef samenwerken. Ze onderhielden dagelijks telefonisch contact in verband met de eventuele uitwisseling van onderduikers. Daarvoor hanteerden ze een code: jongensboeken, meisjesboeken en kookboeken, zoveelste druk (leeftijd). Terwindt vond nieuwe medewerkers in de regio’s Sittard en Heerlen zoals Th. Huurdeman en echtgenote in Heerlen, de heer Hustinx, mevrouw S.A.M. Lemmens-Bisschops (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.) en mejuffrouw H.F. Dröge, directie-secretaresse op de Oranje-Nassau-mijnen, die vermoedelijk door J.R.P. Crasborn met hem in aanraking was gekomen. Terwindt bracht ongeveer zestig joodse kinderen naar Zuid-Limburg. Ofschoon hij de verzorging zoveel mogelijk in eigen hand hield, kreeg de L.O. er in de loop van de tijd steeds meer bemoeienis mee. Slechts één kind, ondergebracht in de buurt van Maastricht, viel door verraad in Duitse handen. 165]

IV.3.2.5. Sociaal-Democraten en leden van de Arbeiders Jeugd Centrale in Zuid-Limburg

Het in Brunssum woonachtige A.J.C.-bestuurslid P. van Ackooy bleef na de opheffing van de A.J.C. in contact met leden van zijn organisatie, onder anderen met het hoofdbestuurslid A. van Moock. Hetzelfde deden de sociaal-democraten J.H. de Wever, S. de Vries en F.J. van Bree. In samenwerking met de bakkers J. de Blauw en K. Claus van de coöperatie “Ons Dagelijksch Brood”, de arts J.H.J. Tulleners, B.L.S. Beverwijk, H. Wansink en P. Donkersloot begonnen zij met S.D.A.P.-ers en A.J.C.-ers uit het westen van het land, onder wie mevrouw L. Keja-Jambroes, in de zomer van 1942 met de hulpverlening aan jongere en volwassen joden (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.). De meeste joden kwamen uit Amsterdam en andere steden in het westen. Mejuffrouw C.W.M. Molenaar, onderwijzeres aan de Nutsschool in Brunssum, haalde ze daar op (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.).
Omdat in de Zuidlimburgse Mijnstreek verschillende hulporganisaties actief waren, ontstonden in 1943 allerlei verbindingen tussen S.D.A.P.-ers en A.J.C.-ers en andere hulpverleners, onder anderen met de groep rond pater “Beatus” van Beckhoven. De Blauw, die in december 1943 zou worden opgepakt, werkte samen met N.V.-ers; Claus steunde de activiteiten van de groep-Stakenborg/Paasen en Donkersloot het werk van mevrouw S.A.M. Lemmens-Bisschops, die op haar beurt weer in contact stond met P. Terwindt c.s. Zo er al een scheiding bestond tussen de medewerkers van de verschillende verzorgingsgroepen dan vervaagde die in de loop van de tijd. Men hielp waar het nodig was. Welhaast vanzelfsprekend kreeg de L.O. er vanaf haar oprichting mee te maken. Door de talrijke onderlinge verbindingen is zelfs bij benadering niet aan te geven hoeveel joodse onderduikers mejuffrouw Molenaar en wellicht andere koeriers naar Limburg begeleidden. Bovendien namen de verschillende groepen herhaaldelijk onderduikers van elkaar over.
Tegenslag bleef de Brunssumse en Heerlense S.D.A.P.-ers en A.J.C.-ers niet bespaard. M. Raeven en andere landwachters joegen hen en de gastgezinnen herhaaldelijk de stuipen op het lijf. Bakker Claus achtte de risico’s na verscheidene huiszoekingen te groot en dook op 15 augustus 1944 onder. Ook de onderduikers maakten het de helpers af en toe behoorlijk lastig. Een verloofd joods stel wenste kost wat kost ondergebracht te worden op een boerderij zodat ze zich vrijer konden bewegen. Ze konden geen begrip opbrengen voor het feit dat men er niet op kon ingaan. Integendeel, teneinde de organisatie onder druk te zetten, probeerde het paar uit te vissen wie bij de hulpverlening in de regio Heerlen betrokken waren. Het conflict liep zo hoog op dat men zich genoodzaakt zag de twee te laten liquideren (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.). Soms had men geluk. In december 1943 stelde F. van Bree tot zijn ontzetting vast dat hij een lijst met namen van onderduikers en zijn identiteitspapieren had verloren. Het liep met een sisser af. De familie Van Bree dook veiligheidshalve onder, maar er gebeurde niets. Klaarblijkelijk was de lijst niet in verkeerde handen gevallen. 166]

IV.3.2.6. Zuid-Limburg en de groep rond dominee L. Overduin uit Enschede

Diep geschokt door de eerste razzia op joden te Enschede in de nacht van 13 op 14 september 1941 begon dominee L. Overduin nog datzelfde jaar met de hulpverlening. Hij slaagde erin joden onder te brengen bij gereformeerden in de regio. In 1942 en 1943 ontstond een vaste kern van vijf medewerkers rond Overduin. Van dit groepje maakten zijn zusters Corrie en Maartje, F. van Hoorn, banketbakker G. Voogd en diens dochter Saartje deel uit. Dank zij nieuwe contacten kon de groep in totaal ruim zevenhonderd joodse onderduikers plaatsen in Twente, Nijmegen, Hilversum, Harderwijk, de Achterhoek en de provincies Friesland en Limburg. Ze werden bij voorkeur ondergebracht in streng gereformeerde milieus. Enige zendingsdrang was Overduin niet vreemd.167]
J. Regensburg was Overduins vaste koerier op Limburg. Diens verbindingsman M.H.J.H. Hellenbrand uit Heerlen werkte samen met andere hulpverleners in de regio, onder anderen met N.V.-ers (zie paragraaf IV.2.2.), die de joden aanvankelijk eveneens voornamelijk onderbrachten bij gereformeerde gezinnen. Dank zij Hellenbrand kreeg Regensburg de beschikking over talrijke nieuwe adressen in de regio Heerlen. Daartoe hoorde vermoedelijk ook D. Zweep uit Chevremont, die zich met J. Mulders en J. Jaminon over de joden ontfermde. G. Voogd en zijn dochter Sara brachten eveneens joden naar Limburg. Op 17 mei 1944 begeleidden ze met Regensburg het joods gezin De Leeuw uit Hengelo naar Heerlen. Een maand later, op 20 juni 1944, vielen het gezinshoofd A. de Leeuw en Hellenbrand door toedoen van landwachter M. Raeven, die vermoedelijk was getipt, in Duitse handen (zie paragraaf IV.2.2.). Over het lot van De Leeuw bestaat geen zekerheid. Hellenbrand verbleef tot de bevrijding in Duitse kampen en keerde invalide huiswaarts.
In de zomer van 1944 arresteerden de Duitsers Regensburg toen hij per trein op weg was naar Heerlen om er distributiebonnen te bezorgen en de stand van zaken op te nemen. Zijn aanhouding maakte een einde aan de verbinding met Enschede. De Limburgse verzorgingsgroepen namen samen met de L.O. de verantwoordelijkheid voor de ruim honderd joden die via Overduins organisatie naar Zuid-Limburg waren gebracht over. 168]

IV.3.2.7. Internationale vluchtelingenroutes via Limburg

De organisatie van N.E. Erkens slaagde er in 1942 met hulp van haar Limburgse contactpersonen en medewerkers van de Belgische inlichtingendiensten “Clarence” en “Luc” in meerdere joden naar Zwitserland te loodsen. Door bemiddeling van M.G. Grasselier uit Amsterdam kon bijvoorbeeld de in de hoofdstad woonachtige familie Flesseman in juli 1942 via Eijsden, Visé, Luik en het onbezette Vichy-Frankrijk naar Zwitserland uitwijken. Van deze route maakten - tegen betaling - hoofdzakelijk vrienden en kennissen van Erkens en zijn medewerkers gebruik. Het geld dat Erkens c.s. voor hun diensten ontvingen werd aangewend om de illegale activiteiten te bekostigen en gezinnen van ondergedoken medewerkers te ondersteunen (zie hoofdstuk II, paragraaf I.5.). 169]
Aanvankelijk voerde Zwitserland een soepel toelatingsbeleid, maar vanaf 13 augustus 1942 veranderde dat. In de twee moeilijkste oorlogsjaren, tot 12 juli 1944, zonden de Zwitserse autoriteiten op grote schaal joden en Engelandgangers terug. Omdat de grens niet hermetisch werd afgesloten, slaagden vluchtelingen er toch in het land binnen te komen. Ze kwamen doorgaans in speciale kampen terecht. 170]
E. Veterman maakte gebruik van de vluchtroute van Luctor et Emergo om zijn joodse connecties naar Zwitserland te laten uitwijken. Op verzoek van R. Kloeg en Veterman hielp M.H.L. Beelen samen met een bakkersknecht uit zijn woonplaats Tungelroy deze eerste joden de grens over. Hulp ondervonden ze daarbij van de familie Scheepers uit Stramproy, die een boerderij bewoonde waarvan een gedeelte op Nederlands en een gedeelte op Belgisch grondgebied lag (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.3.). Belgische medewerkers namen de vluchtelingen over en begeleidden ze naar de volgende schakel in de keten naar onbezet gebied. Aanvankelijk stapten de Nederlandse helpers met hun vluchtelingen ook wel in Maaseik op de trein en reisden naar Antwerpen, waar een grote joodse gemeenschap woonde. Hier was de kans op hulp naar verhouding groot. Beelen, die als gevolg van zijn arrestatie al vroeg wegviel, hielp in totaal ongeveer twintig joden. 171] Priesterdocent Ch. Brummans uit Weert, die veel joodse vrienden en kennissen had, raakte eveneens in een vroeg stadium bij de hulpverlening betrokken. Hij hielp joden aan een onderduikadres in de regio Weert of liet ze via de routes van Luctor et Emergo naar Zwitserland en Spanje vertrekken, vluchtwegen die hij zelf had helpen opbouwen. Het is niet bekend hoeveel joden Brummans geholpen heeft. 172]
Tientallen joden, ook Limburgse, maakten gebruik van de in 1941, 1942 en 1943 ontstane vluchtroutes voor geallieerde (militaire) vluchtelingen (zie hoofdstuk III en IV). Medewerkers van de Noord- en Middenlimburgse netwerken kregen ermee te maken evenals Zuidlimburgse medewerkers van de Belasting Groep Maastricht en de pilotengroep-Vrij. Leden van de Maastrichtse familie Wijnen lieten de vluchtelingen enige tijd gebruik maken van P. Timmermans’ lijn over Nancy naar Zwitserland (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.2.). Doorgaans reisden ze via de grensplaats Givet, soms ook over Brussel, waar familie van de Wijnens woonde die voor identiteitsbewijzen zorgde. 173]
Helaas is zelfs bij benadering niet aan te geven hoeveel joden gebruik maakten van deze vluchtwegen. Vast staat slechts dat ze via vrijwel alle bestaande internationale vluchtroutes naar onbezet gebied uitweken. Evenals geheime agenten, krijgsgevangenen, geallieerde vliegeniers en Engelandgangers vielen ook zij soms in verkeerde handen. De lijnen konden geïnfiltreerd zijn of het toeval speelde hen parten. Dat laatste was het geval op 6 november 1942 toen twee joden met hun Belgische begeleiders in de buurt van het grensplaatsje Ittervoort door de marechaussee in de kraag werden gegrepen. 174]

IV.3.3. Communisten

Onder de links-radicale Duitse vluchtelingen in de jaren dertig bevonden zich ook joden. Zij konden uiteraard op steun rekenen van hun geestverwanten in Zuid-Limburg. Ook tijdens de bezetting konden communistische joden steeds terecht bij hun geestverwanten in de Mijnstreek, tenminste als de woonomstandigheden dat toelieten. Plaatselijke L.O.-duikhoofden namen sedert het najaar van 1943 een gedeelte van de verzorging op zich. Mogelijk kregen ook andere verzorgingsgroepen ermee te maken. Om hoeveel joden het ging is niet bekend. 175]

V. Malafide praktijken: zelfverrijking en verraad

In de marge van de bonafide hulpverlening opereerden “hulpverleners” die uitsluitend op persoonlijk gewin uit waren. We signaleerden dit verschijnsel al in de paragraaf over de hulp aan joodse vluchtelingen in de jaren dertig. Deze zogenaamde hulpverleners molken de radeloze joden meedogenloos uit of leverden ze tegen een financiële beloning aan de bezetter uit. Sommigen hielden zich zelfs met beide praktijken bezig. In deze paragraaf willen we kort stilstaan bij deze wellicht kwalijkste en immoreelste praktijken uit de bezetting en twee voorbeelden daarvan geven. Bepaalde vormen van deze “hulpverlening” werden ook door illegale werkers toegepast. Het strekt de georganisserde illegaliteit tot eer dat men alles in het werk stelde dergelijke praktijken tegen te gaan en dat bij ontdekking maatregelen getroffen werden.

Een van de meest weerzinwekkende affaires speelde vermoedelijk in 1943. De zaak kwam aan het rollen toen P.H.J. Schulpen uit Roosteren zijn plaatsgenoot J.M. Peters meedeelde dat Belgische contactpersonen hadden ontdekt, dat V-mannen van de Brusselse Sipo joden vanuit Amsterdam via Maaseik naar Brussel brachten onder het voorwendsel dat ze vandaar naar Zwitserland konden doorreizen. In de Belgische hoofdstad werden de joden echter aan de Sipo uitgeleverd. Een geschokte en verontwaardigde Peters gaf zijn medewerker C.H. van Eck, wachtmeester van politie in Grevenbicht, onmiddellijk opdracht de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Na intensief speurwerk kwam Van Eck een zekere Smeets op het spoor en via hem een kleine Belgische groep, waarvan naast Smeets ene Van der Weijden en ene Weeckers deel uitmaakten. Weeckers, een in Maaseik woonachtige Belg van Nederlandse afkomst, leidde het groepje, dat samenwerkte met een gewezen politieman uit Amsterdam die H. Campers of Kampers heette en met personen in Den Haag en Rotterdam, wier namen niet achterhaald konden worden. Van Eck kwam verder aan de weet dat het groepje inmiddels 180 Nederlandse joden aan de Sipo had uitgeleverd. De joden betaalden de V-mannen per persoon ƒ 5.000,-. Daar bovenop ontving het drietal een beloning van de Sipo. Teneinde een helder beeld te krijgen van de werkwijze van Weeckers c.s. verzocht Peters de filiaalhouder van het hulppostkantoor in Roosteren, N. Jennissen, telegrammen bestemd voor Weeckers te onderscheppen. Hoewel de telegrammen gedeeltelijk waren gecodeerd, kon Peters eruit opmaken dat Weeckers de joden aan het station van Echt afhaalde en ze via Roosteren over de Maasbrug naar Maaseik bracht. Ook slaagden de “rechercheurs” uit Roosteren erin een zakboekje van Weeckers in handen te krijgen met de namen van 150 joden die allen in Duitse handen waren gevallen. Daarmee was het definitieve bewijs geleverd en Peters sloeg groot alarm.
Hij lichtte enkele verbindingsmannen in Amsterdam in. Het doodvonnis van Campers was nu getekend. Medewerkers van een Amsterdamse verzetsgroep liquideerden hem in de buurt van de Munt. Pogingen om Weeckers van het leven te beroven mislukten. Hij slaagde er zelfs nog in een groep van vier of vijf joden uit te leveren. Na de oorlog veroordeelde een Belgische rechtbank hem ter dood. 176]

Verscheidene smokkelaars en zwarthandelaren beschouwden de hulpverlening aan joden als een lucratieve bijverdienste. De in Velden woonachtige F.W.M. Pannemans bezocht van tijd tot tijd Amsterdam om goederen op de zwarte markt te slijten. Hierdoor kwam hij in contact met J. van Strijland die hem polste of het mogelijk was joden naar België te smokkelen. Pannemans had er wel oren naar en nam enkele kennissen uit Venlo in vertrouwen. Begin juli 1942 begeleidde hij de eerste drie joden afkomstig van Strijland tegen een fors geldbedrag naar het Belgische Visé. De hulp was dermate amateuristisch opgezet dat het reeds op 19 juli misliep. Een tweede groep van vijf joden werd in gezelschap van hun Venlose begeleiders in Eijsden uit de bus gehaald en gearresteerd. Pannemans ontsprong de dans. Kort daarop bracht hij met zijn echtgenote een bezoek aan Amsterdam. Hij kon niet bevroeden dat een jodin uit het eerste groepje wegens geldgebrek vanuit Visé was teruggekeerd naar Amsterdam. Daar had zij vastgesteld dat uit de door de joden verlaten woningen goederen waren ontvreemd. Ze deed aangifte en noemde waarschijnlijk de naam van Pannemans als mogelijke betrokkene bij de diefstal. Deze logeerde met zijn echtgenote in hotel “Centraal” op het Damrak. Daar trof de politie hem bij toeval aan. In de gevangenis was Pannemans’ weerstand snel gebroken. J. van Strijland verdween op zijn aanwijzing eveneens achter slot en grendel. Medio oktober 1942 werden de twee vrijgelaten op voorwaarde dat ze de “hulpverlening” voortaan in dienst van de Amsterdamse Sipo zouden voortzetten. Pannemans verbrak echter het contact met Van Strijland en gebruikte zijn herkregen vrijheid om van een groepje Arnhemse joden ƒ 30.000,- te eisen in ruil voor zijn zwijgen. Hij gaf hen een paar dagen bedenktijd. De joden maakten van die gelegenheid gebruik om te vluchten. In andere gevallen hadden zijn pogingen tot afpersing en chantage wèl succes. Op 30 april leverde hij op het station van Roermond zeven joden uit aan de Sipo. Mogelijk pleegde hij nog meer verraad. In 1944 werd Pannemans opgepakt, omdat hij zich had onttrokken aan de arbeidsinzet. Zijn beroep op de Amsterdamse Sipo mocht niet baten. Hij belandde via Amersfoort in Duitse kampen. Daarmee kwam een einde aan zijn misdadige activiteiten. 177]
Na de oorlog stonden de opsporingsambtenaren vaak voor de schier onmogelijke taak om de ware toedracht van de malafide praktijken te achterhalen, omdat de getuigen niet meer in leven waren. Aangenomen mag worden dat de werkwijze van “hulpverleners” als Weeckers c.s. en Pannemans ook door anderen werd toegepast. Op welke schaal dat voorkwam is niet meer na te gaan. Omdat belastende getuigenverklaringen ontbraken ontliepen oorlogsmisdadigers van het ergste soort hun straf. In de bezettingsjaren lag dat soms anders. Als dergelijke praktijken aan het licht kwamen, liepen de daders een gerede kans te worden geliquideerd. Dat lot trof bijvoorbeeld C.J.W.A. Ververs, F. Ruyters, G.L. Ortha (zie hoofdstuk IV, paragraaf VI) en M.J. Raeven (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.).

VI. Enkele daden van collaborateurs en Duitse instanties

Evenals de in de voorafgaande paragraaf besproken gevallen van hulpverleners die te kwader trouw waren, moesten ook sommige collaborateurs na de oorlog verantwoording afleggen voor hun daden. Dat was het geval met hulplandwachter V.J. Geurts uit Montfort die medio juli 1944 de commandant van de regionale landwacht, G.H. Holla, informatie verschafte over de verblijfplaats van enkele Roermondse joden. Op 8 augustus 1944 vielen Holla en leden van de Ordnungspolizei de woning van H. Roosendaal in Wessem binnen waar de joden zaten ondergedoken. Twee van de drie joodse arrestanten kwamen in Auschwitz om het leven. Roosendaal verbleef enkele weken in de gevangenis.178]
Mevrouw M.E. Coenegracht-Straetermans uit het Belgische Vroenhoven bracht minstens één jood bij de Sipo aan. Als gevolg daarvan kon Nitsch op 24 november 1943 de Maastrichtse politieinspecteur J.F. Kraay aanhouden (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.4.). Kraay had een joods gezin, de familie Zilversmit, aan onderdak in Luik geholpen. Door toedoen van mevrouw Coenegracht-Straetermans kwam de Sipo achter de verblijfplaats van het gezin. Op een dochter na konden alle gezinsleden ontsnappen. 179]
Opgepakte joden werden tot de zomer van 1944 gedeporteerd naar kampen, maar sedert september 1944, toen het front naderbij kwam, namen plaatselijke Duitse autoriteiten het “recht” steeds vaker in eigen handen. In paragraaf IV.2.4. werd reeds melding gemaakt van de koelbloedige moord op het joods echtpaar Maisonpierre op 14 september 1944. Op 1 november 1944 vielen leden van de Ordnungspolizei een woning in Velden binnen en arresteerden onder anderen de 62-jarige O. Grünthal en de 21-jarige W. Rosenthal. Vermoedelijk waren de aanhoudingen het gevolg van verregaande roekeloosheid van Rosenthal. Hij nodigde zelfs Duitse militairen in de woning uit en probeerde vriendschap te sluiten. Op bevel van Ströbel schoten H. Conrad en C. Schut de twee joden dezelfde dag nog dood in Hout-Blerick. 180]

VII. Statistiek en de situatie direct na de bevrijding

Meteen na de bevrijding van Limburg gaven het Militair Gezag en het in Eindhoven gevestigde Centraal Registratiebureau voor Joden opdracht de in de provincie verblijvende joden te registreren. De telling kon vanwege de alom heersende chaos - de oostelijke Maasoever in Noord- en Midden-Limburg was grotendeels ontvolkt en op de westelijke oever waren talrijke dorpen geëvacueerd - en de begrijpelijke weerzin van zowel joden als hun helpers tegen elke vorm van registratie, onmogelijk nauwkeurig geschieden. In Tienray zouden slechts twee joden verblijven, in Helden 24 en in de Mijnstreek ruim tweehonderd. Hoewel de cijfers geenszins in overeenstemming waren met de werkelijkheid - Limburg zou in totaal circa duizend joden herbergen - kunnen er toch enige interessante conclusies uit getrokken worden. Dat geldt ook voor de Limburgse joden. Aangezien er geen specifieke organisatie bestond die zich hun lot aantrok en omdat de bronnen ons in dit opzicht in de steek laten, is het wedervaren van de Limburgse joden in dit hoofdstuk onderbelicht gebleven. Hiermee is overigens niet gezegd dat er helemaal niets van bekend zou zijn. Een meerderheid van de Limburgse joden, ongeveer 70% van de 1660, ging op transport naar de Duitse vernietigingskampen. Zij, die aan de deportaties ontsnapten, maakten in principe gebruik van dezelfde mogelijkheden als andere vluchtelingen en vervolgden. Een klein aantal slaagde erin het vege lijf te redden door te vluchten via een van de internationale vluchtelingenroutes. Een naar verhouding grotere groep, met name Zuidlimburgse joden, nam de wijk naar België, in het bijzonder naar de regio Luik, waar de vervolgingen minder streng waren. De meeste overlevenden, zo blijkt uit de cijfers van het Centraal Registratiebureau voor Joden, vonden echter in de eigen woonplaats of in de directe omgeving een onderduikadres. Om hoeveel personen het daarbij ging, is niet meer na te gaan, maar vermoedelijk waren het er ongeveer tweehonderd, ruim 12% van de oorspronkelijke joodse populatie in Limburg. Een meerderheid van de joodse inwoners van het Zuidlimburgse Beek bijvoorbeeld slaagde erin onder te duiken in de gemeente zelf, in België of in Noord-Limburg. Dat de onderduik er zo succesvol was hing waarschijnlijk samen met de goede verstandhouding tussen joden en niet-joden in Beek alsook met de nagenoeg volledige integratie van de joden. Hoewel de lotgevallen van de joden in Beek niet illustratief zijn voor het lot van de Limburgse joden - na de oorlog woonden er méér joden in Beek dan voor de oorlog - is de wijze waarop de overlevenden aan de holocaust ontsnapten dat wèl.
Verder kan uit de cijfers van het Centraal Registratiebureau voor Joden worden afgeleid dat de meeste joodse onderduikers uit het westen van het land onderdak vonden in de Peel- en Maasdorpen op de westelijke Maasoever in Noord- en Midden-Limburg, de Mijnstreek - vooral het oostelijk deel - en de regio Maastricht. 181]
Uiteraard dringt zich de vraag op hoeveel joden tijdens de bezetting in Limburg geholpen zijn. Aangezien nauwkeurige cijfers ontbreken, kunnen we slechts een ruwe schatting geven. Van de volgende groepen en personen zijn tamelijk nauwkeurige cijfers bekend:

De groep-Meerburg in Z. Limburg50 à 60 kinderen
De groep-Meerburg in N. Limburg123 kinderen
A.H. van Mansum c.s. in Z. Limburgcirca 100 personen,inclusief kinderen
De N.V.-groep231 kinderen
De organisatie-Stakenborg/Paasenin Z. Limburg200 à 300 personen
De groep-Brandsma100 à 200 personen
De groep-Westerweel in N. enZ. Limburg100 à 150 personen
Tini van de Biltruim 100 personen
Paul Terwindtcirca 60 personen
De groep-Overduinruim 100 personen

In totaal hielpen deze groepen en personen ongeveer 1300 personen, onder wie ongeveer 500 kinderen. De L.O., inclusief de individuele leden, Truus Jetten, P.M. Smedts en pastoor Vullinghs plaatsen ons bij gebrek aan duidelijke cijfers voor grotere problemen. Gezamenlijk verleenden zij ongetwijfeld hulp aan honderden personen. Tellen we de joden mee die door individuele helpers buiten georganiseerd verband, zoals de Zuidlimburgse sociaaldemocraten en A.J.C.-ers en de communisten zijn geholpen, de in Limburg achtergebleven joden en degenen die via de internationale vluchtroutes naar België of onbezet gebied uitweken - hiervan zijn geen exacte cijfers bekend - dan komen we bij een voorzichtige raming uit op een totaal van vijfentwintighonderd à vijfendertighonderd. Zelfs dan zijn echter nog (aanzienlijke?) afwijkingen mogelijk. Resteert tenslotte nog de vraag hoe succesvol de onderduik in Limburg is geweest. Met inachtnemening van de nodige reserves willen we proberen hierop een antwoord te geven. Uit naoorlogse verklaringen van gearresteerde medewerkers van de Sipo-Maastricht blijkt dat H. Conrad, belast met joodse aangelegenheden, tot 9 september 1944 honderdtweeëndertig personen, onder wie ruim honderd joden, liet insluiten. 182] Zijn collega’s Ströbel en Nitsch, mogelijk ook anderen, waren eveneens verantwoordelijk voor de arrestatie van joodse onderduikers. Om hoeveel personen het daarbij ging is niet meer te achterhalen, maar het zijn er ongetwijfeld tientallen geweest. In Noord-Limburg liepen de werkterreinen van de verschillende Sipo-Außenstellen door elkaar. Sipo-beambten uit Eindhoven, ’s Hertogenbosch, Arnhem en ’s Gravenhage verrichtten er van tijd tot tijd arrestaties. Hoeveel joden zij in totaal wisten op te pakken weten we niet, maar ook hier ging het waarschijnlijk om tientallen. Een en ander zou betekenen dat in de hele provincie in totaal tussen de honderdvijftig en tweehonderd joodse onderduikers en vluchtelingen zijn gearresteerd, wat wil zeggen dat in het gunstigste geval 4,29% en in het ongunstigste geval 8% alsnog in Duitse handen is gevallen. De kans voor een joodse onderduiker om gearresteerd te worden bewoog zich - mits onze ramingen correct zijn - binnen acceptabele marges, zodat de onderduik in Limburg succesvol genoemd mag worden. Hierbij dient te worden aangetekend dat de malafide hulpverlening niet in de becijferingen is meegenomen.
Van de 140.000 joden die vóór de oorlog in Nederland woonden overleefden slechts 34.000 de oorlog. Van die joden zijn er, zoals gezegd, vijfentwintig- à vijfendertighonderd via Limburg uitgeweken dan wel in Limburg ondergedoken. In de laatste bezettingsjaren herbergde de provincie dus aanzienlijk meer joden dan er vóór de oorlog woonden. Dat was voor een aanzienlijk deel de verdienste van de in Limburg woonachtige gereformeerden, die, zoals we zagen, al in een vroeg stadium belangrijke initiatieven namen om de hulpverlening te organiseren. In dit opzicht speelde de r.-k.-Kerk in Nederland, ook in Limburg, ondanks de felle protesten tegen de vervolgingen en de deportaties in 1941, 1942 en begin 1943, een veel minder prominente rol. Immers, waar de Limburgse geestelijken steeds massaler de daad bij het woord voegden, ontplooiden ze, sommige uitzonderingen als pastoor Vullinghs daargelaten, ten aanzien van het vervolgde joodse bevolkingsdeel geruime tijd weinig initiatief. Pas toen de L.O. overal in de provincie op volle toeren draaide, gold de hulpverlening eveneens de joden, maar toen was het voor de meesten al te laat.
Vanzelfsprekend betekende de bevrijding voor de ondergedoken joden het einde van een gruwelijke nachtmerrie. De volwassenen keerden doorgaans spoedig terug naar hun oorspronkelijke woonplaats en gingen op zoek naar nabestaanden, waarbij de meesten nieuwe traumatische ervaringen opdeden. Het merendeel van de pleegkinderen had één of beide ouders verloren. Daags na de bevrijding van Brunssum op 19 september 1944 meldden zich enkele joodse medewerkers van het Militair Gezag om de ondergedoken joden op te vangen en te begeleiden. Elders gebeurde hetzelfde. Voorzover medewerking op prijs werd gesteld sloten Zuidlimburgse N.V.-ers zich bij hen aan. Naderhand nam het Landelijk Bureau voor Oorlogspleegkinderen deze taken grotendeels over. Verscheidene N.V.-ers stelden hun diensten ter beschikking van dit bureau. 183]
Soms ontstonden moeilijkheden met de pleegouders als bleek dat een joods kind wees was geworden. Meer dan eens werden processen gevoerd tussen pleegouders en joodse instanties over de vraag wie het kind kreeg toegewezen. 184] Het kon ook anders lopen. De groep rond mejuffrouw Van de Voort in Tienray hielp 123 kinderen, van wie zes het einde van de oorlog niet haalden: vijf kinderen werden opgepakt tijdens de razzia in de nacht van 31 augustus op 1 september en kwamen in Duitse kampen om het leven en een kind bezweek aan de gevolgen van een besmettelijke ziekte. Van meet af aan had mejuffrouw Van de Voort ervoor gepleit dat de kinderen joods zouden blijven. Direct na de bevrijding beijverde ze zich voor de terugkeer van de kinderen naar hun oorspronkelijk joods milieu. Anderzijds besefte ze dat dat niet meteen mogelijk was. Daarom beloofde ze de pleegouders dat de kinderen konden blijven tot iets bekend was over ouders of familie. Hiermee opende ze de mogelijkheid voor de pleegouders de joodse kinderen persoonlijk aan hun echte ouders of familie terug te geven. Begin 1945 kreeg mejuffrouw Van de Voort het verzoek om te komen praten met de voorzitter van de Joodse Coördinatiecommissie, A. de Jong. Omdat ze verhinderd was, ging N. Dohmen. Tijdens het gesprek ontstonden al spoedig wederzijdse irritaties. Op De Jongs vraag of Dohmen een lijst met de namen van alle kinderen bij zich had, antwoordde laatstgenoemde weliswaar de namen te kennen, maar nooit een lijst te hebben samengesteld. De Jong wenste zo spoedig mogelijk over een volledige lijst te beschikken om de kinderen uit de regio Tienray te kunnen evacueren, omdat ze nog steeds gevaar liepen vanwege granaatbeschietingen. Hoe zat het dan met de niet-joodse kinderen die immers hetzelfde risico liepen, wilde Dohmen weten. Hierop bleef de voorzitter van de Joodse Coördinatiecommissie het antwoord schuldig. Het was hem uitsluitend om de joodse kinderen te doen die toch al zoveel hadden geleden. Dohmen gaf hem te verstaan niet mee te zullen werken aan de samenstelling van een dergelijke lijst, omdat de organisatie waartoe hij behoorde juist géén onderscheid wilde maken tussen joods en niet-joods. Bovendien was de ouders toegezegd dat men zou wachten op de eventuele komst van ouders of familie, dus als de oorlog was afgelopen. Dohmen verklaarde zich bereid mee te werken als het alle kinderen in de regio die gevaar liepen betrof, dus ook de niet-joodse. Hierop dreigde De Jong hem van antisemitisme te zullen beschuldigen als hij niet onmiddellijk met een lijst op de proppen kwam. Zonder verder iets te zeggen vertrok Dohmen. 185]
De kwestie rond de joodse pleegkinderen lag uiterst gevoelig. Naderhand stelde Dohmen de bedoelde lijst samen, zij het voor een andere instantie. Gemakkelijk was dat overigens niet: “Sommige kinderen wisten niet meer hoe ze heetten en wij wisten het soms ook niet meer”. 186] Toen duidelijk werd dat bijna tweederde van de Tienrayse groep beide ouders had verloren, moest men een heel wat lastiger vraagstuk zien op te lossen. Konden de kinderen bij de pleegouders blijven of was het beter ze toe te vertrouwen aan nog levende joodse verwanten? Zelfs binnen de joodse gemeenschap kon men over deze aangelegenheid geen overeenstemming bereiken. Uiteindelijk beslisten degenen die van mening waren dat de joodse wezen voor de eigen gemeenschap behouden moesten blijven en derhalve bij de pleegouders weggehaald moesten worden, dit emotionele debat in hun voordeel. Tot de voorstanders van deze opvatting behoorden onder anderen de in de regio Sevenum ondergedoken Palestina Pioniers. Mejuffrouw Van der Voort slaagde erin de weinige pleegouders uit haar organisatie die moeite hadden om hun pleegkind af te staan, te bewegen dat alsnog te doen. Op twee kinderen na, die uitdrukkelijk te kennen gaven bij hun pleegouders te willen blijven, vertrokken ze allemaal uit Tienray en de omliggende dorpen.187]

Noten

  1. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 1.754.3, inlichtingendienst: brief commissaris van politie Heerlen, 24-8-1933. Limburgsch Dagblad, 7-4-1933.
  2. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 1.754.3, inlichtingendienst: schrijven procureur-generaal fgd. Directeur van Politie Den Bosch, 30-8-1933.
  3. "> ⇑ Ibidem, schrijven minister van Justitie, 27-12-1933.
  4. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 494-508. Vraaggesprekken auteur met mevrouw A.M.J. van Cruchten-Ramaekers, Geleen, 28-11-1985 en met A.H.L. Meertens, Roermond, 3-12-1985. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, pp. 95-104.
  5. Limburgsch Dagblad, 30-3-1933 en 7-4-1933.
  6. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 511-520. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, pp. 95-104.
  7. Meijer, Hoge Hoeden-Lage Standaarden, p. 149.
  8. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 539-540.
  9. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 9 (1947).
  10. Brief A.H. van Mansum, Ottawa, aan auteur, 22-11-1985.
  11. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  12. Vraaggesprek auteur met J.P.D. van Banning, Rekem (B), 18-11-1985.
  13. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  14. Vraaggesprek auteur met C. Claassens, Horst-America, 20-11-1985.
  15. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, pp. 95-104. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 529-530. Meijer, Hoge Hoeden-Lage Standaarden p. 161.
  16. Limburger Koerier, 18-7-1936.
  17. Ibidem, 8-9-1938.
  18. Vraaggesprekken auteur met W.J.H. Botterweck, Mechelen, 25-11-1985; J. Mulders, Venlo, 16-6-1986; mevrouw A.M.J. van Cruchten-Ramaekers, Geleen, 28-11-1985; A.H.L. Meertens, Roermond, 3-12-1985 en met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985.
  19. Limburger Koerier, 3-10-1938.
  20. Ibidem, 17 en 18-11-1938. Limburgsch Dagblad, 11-11-1938, 12-11-1938, 14-11-1938, 15-11-1938, 18-11-1938 en 22-11-1938.
  21. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, pp. 95-104. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 529-538, 540. Tot mei 1940 zorgde het R.-K.-Comité in totaal voor 700 vluchtelingen (De Jong, Het Koninkrijk, I, p. 543).
  22. Limburger Koerier, 19-11-1938.
  23. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 542-543. Meijer, Hoge Hoeden-Lage Standaarden p. 163.
  24. Vintcent, “De laatste loodjes wogen zwaar...”, p. 14. Berghuis, Joodse vluchtelingen in Nederland, pp. 117, 194. Limburger Koerier, 31-12-1938.
  25. Limburger Koerier, 23-11-1938, 26-11-1938.
  26. Limburger Koerier, 11-3-1939 en 3-8-1939. Limburgsch Dagblad, 25-11-1938 en 17-12-1938.
  27. Limburgsch Dagblad, 22-11-1938.
  28. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 7 (1944) en nr. 869 (1945).
  29. Limburger Koerier, 31-10-1939.
  30. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nrs. 1462 en 1463.
  31. Ibidem, inv. nr. 1463.
  32. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  33. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1463.
  34. Limburger Koerier, 3-8-1939.
  35. Ibidem, 12-9-1939.
  36. Ibidem, 18-10-1939.
  37. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 502-503.
  38. Ibidem, V, pp. 528-546, 591-600 en 1057. “Nederland: De jodenvervolging”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, p. 431.
  39. R.v.O. Coll. 186 C, doos 2, map 3a (particuliere correspondentie): brief 31-8-1942 van M. van der H. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 9 (1947).
  40. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 496. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 281 B, 282, 283, 286 D. Presser, Ondergang, I, pp. 415-416. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1572.
  41. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 115.
  42. Ibidem, p. 225.
  43. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1572. G.A.R. Archief Commissaris van Politie: rapport 13-8-1942.
  44. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 1077-1078. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 115.
  45. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 115, 248.
  46. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 13-21. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 90-97. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 114-118, 249-250. Aukes, Kardinaal De Jong, pp. 385-392. Presser, Ondergang, I, brief H. Rauter aan H. Himmler, illustratie tussen p. 273 en p. 274. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1490 (2-8-1942). G.A.R. Archief Commissaris van Politie: rapport 6-8-1942.
  47. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 118, 266-267. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, p. 108.
  48. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1572 (6-3-1942; 18-4-1942; 30-4-1942; 18-1-1943; 5-3-1944).
  49. Ibidem, rapport mei 1942. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 1078.
  50. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1572, P.R.A.-Maastricht, rapport 39 (1944).
  51. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, dossier Zuivering: vlugschrift Geleen, 19-7-1942. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1485.
  52. Presser, Ondergang, I, pp. 122-123.
  53. G.A.R. Archief Commissaris van Politie, 22-6-1940.
  54. Ibidem, 25-11-1941.
  55. Ibidem, 7-10-1941. De Jong, Het Koninkrijk, V B, p. 1100.
  56. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1574 (25-8-1942). G.A.R. Archief Commissaris van Politie: rapport juli/augustus 1942 en rapport 26-8-1942.
  57. R.v.O. Coll. 186 C, doos 2, map 3a (particuliere correspondentie): brief 31-8-1942 van M. van der H. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 34-35. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: Joden Heerlen. G.A.R. Archief Commissaris van Politie: 31 rapporten 24, 25 en 26-8-1942. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1485 (23-8-1942).
  58. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nrs. 1498, 1492 C en 1572. G.A.R. Archief Commissaris van Politie: rapport 11-11-1942.
  59. G.A.R. Archief Commissaris van Politie: rapport februari 1943.
  60. Presser, Ondergang, I, pp. 416-418.
  61. G.A.R. Archief Commissaris van Politie, 8, 9, 10, 13 en 15-4-1943.
  62. Vgl. Presser, Ondergang, II, pp. 125-126.
  63. Vgl. Ibidem, pp. 126-127. Vgl. Von der Dunk, Voorbij de verboden drempel, pp. 217-220.
  64. Presser, Ondergang, II, pp. 129-132.
  65. S.H.C. Collectie L. Frantzen, E.A.N. 863: oorlogsdagboek, 22-8-1943.
  66. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  67. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 50-51.
  68. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  69. Ibidem.
  70. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1010 (1946).
  71. C.A.B.R. Dossier F.W.M. Pannemans. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  72. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 426 (1947).
  73. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, p. 52. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 51. De Groene Amsterdammer, jrg. 107, nr. 18 (4-5-1983), pp. 5-9. Artikel M. Arian.
  74. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 104-105 (scriptie). Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 42, 50-52.
  75. Brief Ch. van Berckel, Develier (Zwitserland), 20-9-1987 en 17-10-1987.
  76. Brief gedateerd 29 augustus 1942, ontvangen van W. Willemsen te Venray (origineel in het Archief van het Aartsbisdom Utrecht).
  77. Brief gedateerd 31 augustus 1942, ontvangen van W. Willemsen te Venray (origineel in het Archief van het Aartsbisdom Utrecht). De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 21. De auteur vermeldt een bedrag van ƒ 12.500,- hetgeen juist zou zijn geweest als ook het bisdom Utrecht ƒ 2.500,- beschikbaar had gesteld, maar dat was niet zo.
  78. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 42, 50-53, 60. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 104-105. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 352-353.
  79. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 54, 82. Limburgs Dagblad, 3-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  80. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  81. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 55-58. Limburgs Dagblad, 3-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  82. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 21-24.
  83. Ibidem, pp. 24, 39-40. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 66-70. Limburgs Dagblad, 3-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  84. Vraaggesprek auteur met mevrouw M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985. Brieven A.H. van Mansum, Ottawa (Canada), aan auteur, 22-11-1985 en 3-7-1992. Collectie A.H. van Mansum, Ottawa (Canada): schriftelijke samenvatting van radiogesprek 1985. Limburgs Dagblad, 12-5-1977, p. 2; 17-5-1977, p. 2; 18-5-1977, p. 2. Reeks artikelen J. van Lieshout.
  85. Brief A.H. van Mansum, Ottawa (Canada), aan auteur, 22-11-1985. Limburgs Dagblad, 12-5-1977, p. 2; 17-5-1977, p. 2; 18-5-1977, p. 2. Reeks artikelen J. van Lieshout. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  86. Limburgs Dagblad, 11-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  87. Brief A.H. van Mansum, Ottawa (Canada), aan auteur, 22-11-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  88. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  89. Ibidem.
  90. Ibidem.
  91. Ibidem. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1501 B.
  92. Vraaggesprek auteur met mevrouw M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Limburgs Dagblad, 11-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  93. Limburgs Dagblad, 12-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  94. Vraaggesprekken auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985 en met N.J.P. Dohmen, Maastricht, 3-12-1985. Brief N.J.P. Dohmen, Baarn, aan auteur, 23-12-1986. Limburgs Dagblad, 3 en 4-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: rapport hulp aan joden te Broekhuizen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  95. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 75-76. Vraaggesprek auteur met N.J.P. Dohmen, Maastricht, 3-12-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: rapport hulp aan joden te Broekhuizen.
  96. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 62-65 en 75-83. Vraaggesprekken auteur met N.J.P. Dohmen, Maastricht, 3-12-1985 en met J. Daemen, Bergen, 28-10-1985. C.A.B.R. Dossier J.H.L. Nahon: Rijkspolitie district Roermond, Parketgroep, nr. 90 (1948). Limburgs Dagblad, 4 en 5-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. Paape, Donkere jaren, pp. 59-63. Het Grote Gebod, II, pp. 8, 216-218. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 48-49. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  97. Vraaggesprek auteur met N.J.P. Dohmen, Maastricht, 3-12-1985.
  98. Limburgs Dagblad, 5-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: rapport hulp aan joden te Broekhuizen. C.A.B.R. Dossier J.H.L. Nahon: Rijkspolitie district Roermond, Parketgroep, nr. 90 (1948), uitspraak rechtbank Rotterdam op 17-10-1949. C.A.B.R. Dossier O. Couperus: Parketgroep Roermond, nr. 24/48 (1948), nr. 67 (1948), nr. 83 (1948), nr. 96 (1948), nr. 101 (1948) en nr. 105 (1948); idem, Politie Eindhoven, nr. 2734 I en M (1947); idem, P.R.A.-Venray, nr. 249 (1946) en nr. 254 (1946); idem, P.R.A.-Roermond, rayon Venlo, nr. 27 (1947); idem, Groep-Grubbenvorst, nr. 23, Post Velden, nr. 36 (1948). C.A.B.R. Dossier C. Stolk. Flim, De N.V. en haar kinderen, p. 78. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 75-82. Het Grote Gebod, II, pp. 216-218. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 48-49.
  99. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 17, 21. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 67-68. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 150, 152.
  100. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 12-14. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 149-150.
  101. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 13-14, 125 (noot 17). Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 152-153, 161. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII. Limburgs Dagblad, 25-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  102. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  103. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 14-15.
  104. Ibidem, pp. 16-17. Limburgs Dagblad, 25-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. 87 “Het grote kinderspel”, Artikel M. Arian in De Groene Amsterdammer, jrg. 107, nr. 18 (4-5-1983), pp. 5-9. Dolfsma, Uit de illegaliteit naar de studie, pp. 67-68. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395.
  105. Flim, De N.V. en haar kinderen, p. 15.
  106. Ibidem, pp. 17-20, 32. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 152-153. Stichting ’40-’45, Eindhoven. “Het grote kinderspel”, Artikel M. Arian in De Groene Amsterdammer, jrg. 107, nr. 18 (4-5-1983), pp. 5-9.
  107. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395.
  108. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  109. Flim, De N.V. en haar kinderen, p. 31.
  110. Ibidem, pp. 20, 33.
  111. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 161-162.
  112. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  113. “Het grote kinderspel”, Artikel M. Arian in De Groene Amsterdammer, jrg. 107, nr. 18 (4-5-1983), pp. 5-9. C.A.B.R. Dossier M.J. Raeven.
  114. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 33, 35-36, 43-44. Limburgs Dagblad, 26-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  115. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395: Fritz, B., “...en dit is mijn verhaal”, p. 7.
  116. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395. Flim, De N.V. en haar kinderen, p. 37.
  117. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 35, 39-40.
  118. Ibidem, p. 37. Limburgs Dagblad, 26-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  119. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Limburgs Dagblad, 26-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, p. 154. Flim, De N.V. en haar kinderem, pp. 50, 67, 70. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395; idem, Coll. L.O./L.K.P., doos 19, map FK. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: verslag H.J. Hendriks.
  120. Flim. De N.V. en haar kinderen, pp. 45-47, 57-58. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII.
  121. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 44, 47-50, 59-63. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 19, map FK.
  122. Limburgs Dagblad, 26-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  123. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 70-71, 73.
  124. Ibidem, p. 71-72.
  125. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395.
  126. Flim. De N.V. en haar kinderen, p. 82-86, 89. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 19, map FK.
  127. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, p. 155. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 95-96.
  128. Flim, De N.V. en haar kinderen, pp. 103-104. J. van Lieshout schreef in het Limburgs Dagblad van 27-5-1977 (p. 2) dat 229 van de 231 N.V.-kinderen de oorlog overleefden. Eén kind stierf een natuurlijke dood, een ander werd in 1942 met zijn ouders in Heerlen opgepakt.
  129. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII: rapport over organisatie Stakenborg en over L.O.-Brunssum. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: verslag H.J. Hendriks. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Doc. II, 296-a.
  130. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII: rapport over organisatie Stakenborg en over L.O.-Brunssum. Collectie H.J. Hendriks, Brunssum: dagboeknotities april/mei 1944.
  131. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie A.M.E. Ramakers-Dahmen, Roermond.
  132. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  133. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII: rapport over organisatie Stakenborg en over L.O.-Brunssum.
  134. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: verslag H.J. Hendriks.
  135. Ibidem, P.R.A.-Heerlen, nr. 1268/P/46. Collectie H.J. Hendriks, Brunssum: verslag Th. Smeulders, 6-12-1947. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  136. Smedts, Waarheid en leugen, pp. 65-66, 83. Smedts, Den vaderland getrouwe, pp. 37-39. R.v.O. Coll. Doc. I, 2157.
  137. R.v.O. Coll. Doc. II, 362-a: brief C.O., 15-4-1974.
  138. Vraaggesprekken auteur met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985 en met E. Waterman, Loosdrecht, 27-11-1987. R.v.O. Coll. Doc. II, 296-a. Limburgs Dagblad, 13-11-1964, p. 13. Brasz et al., De jeugdaliah, pp. 11-13, 20, 24-26, 60-108.
  139. Limburgs Dagblad, 13-11-1964, p. 13. R.v.O. Coll. Doc. II, 296-a; idem, 1283: Kochba, A. (samenst.), Het verzet van de Nederlandse Chaloetsbeweging en de Westerweel-groep tijdens de Duitse bezetting, p. 148. Brief M.J. Salomé, Arnhem, aan auteur, 7-6-1988. De Gelderlander, 14-4-1988. Vraaggesprekken auteur met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985 en met E. Waterman, Loosdrecht, 27-11-1987.
  140. R.v.O. Coll. Doc. II, 1283: Kochba, o.c., pp. 198-199.
  141. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  142. Ibidem. Vraaggesprekken auteur met H. Hanssen, Venray, 13-11-1986 en met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985.
  143. De Gelderlander, 14-4-1988. Vraaggesprek auteur met E. Waterman, Loosdrecht, 27-11-1987. R.v.O. Coll. Doc. II, 296-a; idem, 1283: Kochba, o.c., p. 217; idem, 857-d: verslag E.D.
  144. Vraaggesprekken auteur met E. Waterman, Loosdrecht, 27-11-1987 en met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985. R.v.O. Coll. Doc. II, 296-a; idem, 857-d: verslag E.D. Brief M.J. Salomé, Arnhem, aan auteur, 7-6-1988. Brief F.J. Gerritsen, Amersfoort, aan auteur, 10-3-1988.
  145. R.v.O. Coll. Doc. II, 1283: Kochba, o.c., pp. 195-198.
  146. Ibidem.
  147. Brief M.J. Salomé, Arnhem, aan auteur, 7-6-1988.
  148. Collectie G.v.A., Roermond: P.R.A.-Horst, nr. 54 (1946).
  149. Ibidem, P.R.A.-Venlo, nrs. 1390 (1945) en 1436 (1945); idem P.R.A.-Roermond, nrs. 416 (1947), 629 (1947) en 724 (1947). C.A.B.R. Dossier J. Berendsen, Rol nr. R 7/31, Parketnr. 115-118: Bijzonder Gerechtshof Den Bosch, 3e Kamer Roermond, 11-3-1946.
  150. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Limburgs Dagblad, 13-11-1964, p. 13.
  151. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 187. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 477. Vraaggesprekken auteur met L. Teepen, Venlo, 14-11-1986 en met A. van Horne-Heythuijzen, Heythuysen, 9-10-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-3: rapport L.F. over L.O.-Limburg; map AL-3: “Nog enkele bijzonderheden over de duikkampen”.
  152. Vraaggesprekken auteur met F.J.K. Russel, Nijmegen, 26-9-1985 en met Th. van Helvoort, Nijmegen, 26-9-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-3: rapport L.F. over L.O.-Limburg. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: L.O.-rayon Ravenstein-Oss en Joden.
  153. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/2-572/2: rapport H. Pollaert, Venlo, 13-12-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H.H. Pollaert. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BP-2: brief B., 5-5-1947. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met W.F.Th. van Boekhold, Velden, 7-10-1985 en met J. Schade, Venlo, 21-10-1985.
  154. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BP-2: brief B., 5-5-1947. Vraaggesprekken auteur met H.H. Bouten, Sittard, 20-10-1987; J. Mulders, Venlo, 16-6-1986; G. Janssen, Reuver, 19-11-1985; J. Sieben, Venlo, 21-11-1985 en met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985.
  155. Collectie P. Schunck, Schaesberg: rapport “Het ophalen van joden in Valkenburg” en rapport “Valkenburg en de joden”.
  156. B.R.I.O.P. Doc. B.S., groepen op naam, groep-Brandsma-Rolls Royce.
  157. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  158. Het Grote Gebod, I, pp. 246-247 en II, pp. 159-161. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 348 en 364. Vraaggesprek auteur met C.L. van Donselaar, Eindhoven, 20-9-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport Roermond, hulp aan joden.
  159. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met C.L. van Donselaar, Eindhoven, 20-9-1985.
  160. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-3: rapport L.F. over L.O.-Limburg. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen: verklaring L. Frantzen, Roermond, 20-8-1951.
  161. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  162. Limburgs Dagblad, 24-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. Stichting ’40-’45, Eindhoven.Flim, De N.V. en haar kinderen, p. 106. Vraaggesprekken auteur met J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11-1985 en met R.J. Suilen, Swalmen, 17-4-1986.
  163. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met A.M. van de Bilt, Maastricht, 27-11-1985. Telefonisch onderhoud auteur met A.M. van de Bilt, Maastricht, 28-1-1992. Brief mevrouw A.M. van de Bilt, Maastricht, aan auteur, 17-5-1992.
  164. Vraaggesprek auteur met A.M. van de Bilt, Maastricht, 27-11-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Brief mevrouw A.M. van de Bilt, Maastricht, aan auteur, 17-5-1992.
  165. Vraaggesprek auteur met A.M. van de Bilt, Maastricht, 27-11-1985. S.H.C. E.A.N. 602 (F.C.M. Wijffels), inv. nr. 2: schrijven aan C.d.K.-Limburg, 15-2-1945. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  166. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  167. Hilbrink, De illegalen, pp. 109-113.
  168. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier J. Straten.
  169. Zie hoofdstuk II, III en IV: passages over de groep-Erkens. Collectie H.J. Heijboer, Heerlen: documentatie radioprogramma van A.H. Paape over Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.
  170. De Jong, Het Koninkrijk, IX, pp. 592-600.
  171. Vraaggesprek auteur met M.H.L. Beelen, Tungelroy, 18-10-1985, 4-11-1985, 14-3-1986 en 3-11-1987.
  172. Vraaggesprekken auteur met mevrouw Rooyakkers-Brummans, Meijel, 27-5-1986 en met M.H.L. Beelen, Tungelroy, 18-10-1985, 4-11-1985. Vraaggesprek J. Smit, Weert, met mevrouw Jochimstal (copie band in bezit van auteur).
  173. Vraaggesprekken auteur met mevrouw C.M.A. Slabbers-Spierings, Rekem (B), 25-6-1985; A.H. Gielens, Maastricht, 17-10-1985; J. Vrij, Rijswijk, 22-10-1985; mevrouw M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985; J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985; P. Satijn, Maastricht, 29-11-1985; H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985; L. Teepen, Venlo, 14-11-1986; A. van Horne-Heythuijzen, Heythuysen, 9-10-1987 en met mevrouw J.S. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  174. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 1.755: maatregelen van de Duitse bezetter tegen Nederlandse ingezetenen, Hunsel, 7-11-1942.
  175. Vraaggesprek auteur met A. van Brink, Heerlen, 8-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  176. B.R.I.O.P. B.S.-dossier Ch. van Eck. Collectie P. Peters, Belfeld: rapport Ch. van Eck, 1-7-1950 en niet gedateerd rapport van J.M. Peters.
  177. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie G.v.A., Roermond: ongenummerd proces verbaal inzake Pannemans. C.A.B.R. Dossiers A.B. Reuten en F.W.M. Pannemans. Uit het op het C.A.B.R. aangetroffen dossier Pannemans blijkt niet of hij na de oorlog voor zijn misdragingen is veroordeeld.
  178. V.J. Geurts, die, naar het oordeel van de rechtbank, zich de consequenties van zijn handelen niet gerealiseerd zou hebben, werd bestraft met 21/2 jaar detentie. C.A.B.R. Dossier V.J. Geurts. Collectie G.v.A., Roermond, P.R.A.-Roermond, nr. 531 (1945).
  179. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 168 (1946).
  180. Collectie G.v.A., Roermond, P.R.A.-Amsterdam, ongenummerd (1946): inzake executie Grünthal en Rosenthal. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: inzake executies te Hout-Blerick op 1-11-1944.
  181. R.A.L. Archief Militair Gezag, repatriëring vak VI (Maastricht), doos 2840, nr. 2. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-3: rapport L.F. over L.O.-Limburg. Limburgs Dagblad, 24-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. S.H.C. E.A.N. 602 (F.C.M. Wijffels), map 99. Vraaggesprekken auteur met P. Satijn, Maastricht, 29-11-1985; mevrouw M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985 en met J. Puts, Maasbracht, 14-11-1985. Jansen et al., Joods Beek, pp. 93-128.
  182. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz.
  183. R.v.O. Coll. Doc. II, 1395.
  184. Vraaggesprek auteur met mevrouw M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985. De Jong, Het Koninkrijk, XII, pp. 56-57.
  185. Vraaggesprek auteur met N.J.P. Dohmen, Maastricht, 3-12-1985. Brief N.J.P. Dohmen, Baarn, aan auteur, mei 1992.
  186. Vraaggesprek auteur met N.J.P. Dohmen, Maastricht, 3-12-1985.
  187. Limburgs Dagblad, 5-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. Brief N.J.P. Dohmen, Baarn, aan auteur, mei 1992.