Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk VIb

De landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers


VIII. De L.O.-districten

VIII.1. Inleiding

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling van de L.O. in elk district afzonderlijk geschetst. Uiteraard zal ruime aandacht worden geschonken aan de regionale organisatiestructuur waardoor de indruk kan ontstaan dat de L.O. overal in de provincie even goed was georganiseerd. In weerwil van de algemene en specifieke naoorlogse L.O.-rapporten bleek uit mondelinge en schriftelijke mededelingen van diverse L.O.-ers dat men vooral de regionale organisatiegraad van de hulp aan onderduikers niet moet overschatten. Vaak waren de interne verbindingen los en informeel; met name in de veraf gelegen rayons werd veel geïmproviseerd. In een enkel geval vernam een regionale of plaatselijke L.O.-functionaris pas na de oorlog omtrent zijn precieze rol in de organisatie. Het bovenstaande neemt niet weg dat de gewestelijke en regionale L.O.-leiders streefden naar een perfectionering van het apparaat. Zolang men geen klachten ontving en de plaatselijke helpers de opvang en verzorging van de onderduikers aankonden, bestond er geen reden om in te grijpen.
Het eerst worden de districten Venlo en Roermond besproken. De duikorganisatie ontstond immers in deze steden. Vervolgens worden de Zuidlimburgse districten behandeld en afsluitend de West- en Noordlimburgse en de Gelderse. Laatstgenoemde districten omvatten tevens delen van Noord-Brabant en Gelderland of lagen zelfs helemaal buiten Limburg (Nijmegen en Maas en Waal). Aan de buiten de provincie gelegen districten of districtsdelen zal om twee redenen slechts summier of in het geheel geen aandacht worden geschonken. In de eerste plaats vallen de districten Nijmegen en Maas en Waal strikt genomen buiten het kader van deze studie, maar om een afgerond beeld te krijgen menen we ze toch in het kort te moeten bespreken. Een argument om de buiten Limburg gelegen districtsdelen grotendeels buiten beschouwing te laten hangt, naast de afbakening van deze studie, samen met het feit dat er (nog) onvoldoende of geen gegevens voorhanden zijn. De Limburgse L.O.-ers schonken in hun naoorlogse verslagen namelijk doorgaans uitsluitend aandacht aan het Limburgse deel van hun district. Een gedetailleerd onderzoek naar de geschiedenis van de L.O. in de provincies Noord-Brabant en Gelderland verschaft wellicht meer inzicht, maar is niet verricht.
Om nodeloze herhalingen te voorkomen zal soms worden verwezen naar paragrafen in de hoofdstukken III, IV en VIII, aangezien veel ontwikkelingen binnen de L.O. daarmee samenhingen en veel L.O.-ers tevens voor andere organisaties werkten, vooral in Noord- en Midden-Limburg. De algemene geschiedenis van de knokploegen zal in hoofdstuk VII beschreven worden wat niet wegneemt dat de knokploegen in deze paragraaf regelmatig worden genoemd. Sommige K.P.-acties hielden immers direct verband met het wedervaren van de L.O.

VIII.2. District Venlo

VIII.2.1. Algemene geschiedenis van het district en de rayons Venlo, Blerick, Tegelen en Steyl

Venlo

Veel L.O.-ers in het district Venlo waren er ten tijde van de bezetting al van overtuigd dat de L.O. in hun regio het beste functioneerde en organisatorisch perfect in elkaar zat. De bakermat van de provinciale organisatie lag immers in Venlo. Hier kwam de opbouw van het district in parochies, wijken, dorpen en rayons het eerst tot stand. Alle overige districten namen het Venloos voorbeeld naderhand over. De Venlonaren bouwden voort op het organisatiemodel van de Ordedienst. De samenwerking met de O.D. kwam de harmonie binnen de georganiseerde illegaliteit in het district ongetwijfeld ten goede. 263] De geschiedenis van de duikorganisatie begon eigenlijk al in 1942. Het succes van de Nederlandsche Unie had aangetoond dat in Venlo een felle anti-N.S.B. stemming heerste. In Nijmegen studerende Venlonaren, zoals Hendrikx, Ex en Russel, namen

Kaart 41. District Venlo: indeling in rayons
Kaart 41. District Venlo: indeling in rayons

kennis van het studentenverzet en overlegden wat ze in Venlo konden doen. Ze organiseerden zich in een debatingclubje, “Symposion”, en met het verspreiden van illegale blaadjes en het manen van de Venlose middenstand om niet langer reclame te maken voor nazifilms zetten ze de eerste schreden op het illegale pad. Jongeren uit katholieke organisaties, zoals Jonge Werkman, Jonge Boeren, Jonge Middenstander en Jonge Wacht, naderhand samengevoegd in Katholieke Actie, lieten zich evenmin onbetuigd. Middelbare scholieren besmeurden Duits legermaterieel, kalkten anti-Duitse of pro-Nederlandse leuzen op straten en muren, haalden wegwijzers omver of veranderden die en deelden allerlei andere speldeprikken uit. Verschillende medewerkers van de Ordedienst stelden zich eveneens actief op, verleenden hulp waar nodig en begonnen met de verspreiding van zelf vervaardigde vlugschriften.
J.J. Naus, kapelaan van de in het centrum van de stad gelegen St. Martinusparochie, trad uit hoofde van zijn functie op als adviseur, aalmoezenier of geestelijk leidsman van diverse jeugdorganisaties. Hij kende derhalve veel jongeren en jonge activisten. Naus genoot hun vertrouwen, wist wat er bij hen leefde en welke problemen het hoofd moesten worden geboden. In 1942 raakte hij bij verzetsactiviteiten betrokken, zoals de hulp aan de eerste onderduikers, joden en krijgsgevangenen. Van een doelgerichte organisatie was nog nauwelijks sprake. Er moest volop worden geïmproviseerd. Toen de problemen hem begin 1943 boven het hoofd dreigden te groeien, zag Naus geen andere uitweg dan een beroep te doen op vrienden en kennissen uit het verenigingsleven. Deze potentiële verzetsmensen moesten gemobiliseerd en in een organisatorisch verband samengebracht worden. Zoals gezegd vond Naus twee belangrijke medestanders in zijn collega P.G. van Enckevort en de onderwijzer J.J. Hendrikx. In overleg met vertegenwoordigers van de O.D. werd besloten een organisatie in het leven te roepen om de te verwachten stroom van duizenden onderduikers zo goed en zo kwaad als het ging op te vangen en aan onderdak te helpen. Voor het welslagen van dit plan was alle denkbare hulp en veel, zeer veel mankracht nodig. Bij de eerste besprekingen begin 1943 in de woning van Naus waren nog maar weinig belangstellenden aanwezig, maar weldra deed zich een sneeuwbaleffect voor. Iedereen wierf nieuwe krachten, zowel geestelijken als leken. Naus’ woning was er niet op berekend en er moest worden uitgeweken naar het parochiezaaltje van de St. Martinuskerk, waar op zekere avond zelfs zo’n zestig personen bijeenkwamen. Het waren jongeren uit Venlo, Blerick, Horst, Sevenum, Maasbree, Helden, Wanssum, Broekhuizen, Tegelen en andere plaatsen in de regio. De overweldigende respons vergemakkelijkte het de initiatiefnemers een wijdvertakte organisatie op te zetten.
Hendrikx liet zich bij de opbouw van het district leiden door de kerkelijke indeling. Venlo werd verdeeld in de H. Familieparochie met als duikhoofd G.F.A. Oirbans; de St. Martinusparochie: H. Jansen; de O.L. Vrouweparochie: H. Mestrom; de H. Hartparochie: H. Holla; Venlo-West: H. Goertz; Hout-Blerick: M.H.A. Janssen. In andere plaatsen van het district Venlo werd dezelfde werkwijze toegepast. Een aaneengesloten groep dorpen of parochies vormde een rayon met aan het hoofd een rayonleider. De gezamenlijke rayons vormden het district. Hendrikx stond aan het hoofd van het Venloos district. Na zijn overgang naar het gewest en de landelijke organisatie, in de tweede helft van de zomer van 1943, nam K.P.M. Ex die functie over. 264]
De Venlonaren werkten hard aan de perfectionering van hun organisatie. In september 1943 werd een districtsduikraad ingesteld, een overkoepelend orgaan waarin naast Hendrikx en de kapelaans Naus en Van Enckevort vijf vertegenwoordigers van de O.D. zitting namen. De O.D.-ers trokken zich in het najaar terug. F.J.K. Russel, A.J. Slikker en de broers K. en P. Ex namen de opengevallen plaatsen in. Slikker, J.J. Theelen en K. Ex (hij vervulde deze functie slechts korte tijd) fungeerden als duikinspecteur, een post die in het leven was geroepen om de verbindingen tussen de districtsleiding en de werkers aan de basis optimaal te laten verlopen. Tot de taken van de duikinspecteur hoorde het bezoeken van de dorpen en parochies om de beschikbare duikplaatsen te inventariseren en na te gaan hoeveel valse papieren en bonkaarten nodig waren. Bij eventuele problemen traden ze als arbiter op. Voorts distribueerden ze illegale bladen.
Regelmatig vond in Venlo een stadsvergadering plaats, meestal in het café van J. Cornet aan de Oude Markt. Op de tweewekelijkse districtsvergaderingen kwamen de lopende zaken en de verdeling van de onderduikers aan de orde. Zowel de onderduikers uit Venlo als degenen afkomstig van buiten het district - laatstgenoemden arriveerden meestal in het café-hotel van W.G.J.M. de Bruyn aan de Oude Markt - werden overwegend gehuisvest in de dorpen op de westelijke Maasoever, waar de omstandigheden om onder te duiken het gunstigst waren. 265]
In de naast elkaar gelegen woningen van de families Ex en Jacobs aan de Goltziusstraat lagen de bon- en stamkaarten. Tot begin 1944 moest het district zichzelf financieel bedruipen. De opbrengst van de verkoop van door onderduikers vervaardigde curiosa, van foto’s van de koninklijke familie en van verboden gedichten en literaire werken vormde slechts een druppel op een gloeiende plaat. Veel Venlonaren stelden kleine en grotere bedragen beschikbaar. Dat leverde meer op. Slikker had hiervoor een kettingsysteem bedacht. Iemand benaderde tien personen met het verzoek wekelijks of maandelijks een bepaald geldbedrag te doneren. De tien personen benaderden op hun beurt weer tien anderen, enzovoort. 266] Ambtenaren als J. Derkx, H. Ezendam, H. Mulder en M. Krekelberg maakten grote aantallen bonkaarten vrij. Met hun hulp konden de problemen rond de Tweede Distributiestamkaart gedeeltelijk omzeild worden. Via Slikker, een medewerker met veel verbindingen, kreeg Venlo de beschikking over een vervalsingsspecialist, D. Guit. Hij maakte alle bij een kraak in Echteld en Kesteren buitgemaakte persoonsbewijzen gebruiksklaar. De Venlose falsificatiecentrale, waaraan overigens meer personen verbonden waren, verhuisde begin 1944 naar Nijmegen, maar Guit keerde in de loop van het voorjaar naar Venlo terug. 267] Zelfs voor de post voor onderduikers werd op centraal niveau gezorgd. Mejuffrouw C. Theunissen beheerde een speciale postbus waar de post voor duikers in de regio Sevenum binnenkwam die vervolgens werd verdeeld. 268] Begin 1944 kwam een abrupt einde aan de ongestoorde ontwikkeling van de L.O. in het district Venlo. Als gevolg van de liquidatie van F. van Bilsen op 19 januari 1944 (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.2.) dook districtsleider Ex onder. Zijn opvolger A. Slikker stelde een nieuwe districtsduikraad samen. De vorige functioneerde eigenlijk al niet meer, omdat de oorspronkelijke leden inmiddels andere functies bekleedden. De nieuwe raad telde drie leden: Slikker, J. Sorée en de koerier A.R. Berger. Dezelfde maand werd een districtsraad in het leven geroepen, waarvan naast Slikker onder anderen de rayonleiders G. Hanssen, J. van Eijk en J. Cox deel uitmaakten. De centrale opbergplaats van bonkaarten en andere bescheiden werd van de Goltziusstraat verplaatst naar de woning van de familie Nabben in Blerick, de ouderlijke woning van Slikkers verloofde.269] Naast Berger traden als (districts)koeriers F.G.M.J. Coehorst, H.A. Janssen, H.J. Meijer, P. Vloeiberghs en de uit Alkmaar overgekomen A.J. Wokke op, die zich op meer terreinen verdienstelijk maakte. Hij bouwde onder andere afluisterapparatuur in het kantoor van de Venlose hoofdcommissaris van politie, O. Couperus, in. Het ontvangtoestel werd in een woning tegenover het politiegebouw geïnstalleerd, zodat de L.O.-ers de telefoongesprekken tussen Couperus en de Sipo-Maastricht konden volgen. 270]
Om de invoering van de Tweede Distributiestamkaart tegen te werken kwam de L.O.-er J.F.H. Mulders, werkzaam op de gemeentesecretarie, na overleg met A. Donné van de afdeling bevolking met het voorstel alle persoonskaarten weg te nemen en op te bergen tot na de oorlog. Het plan wachtte nog op de goedkeuring van de L.O.-leiding, toen bekend werd dat het bevolkingsregister voortaan ook overdag zou worden bewaakt. Er zat niets anders op dan het gebouw waar het bevolkingsregister zich bevond te overvallen en de persoonskaarten te vernietigen. De Venlonaren riepen hiervoor de hulp in van de K.P.-Nijmegen. In de woning van de familie Dael te Venlo werd een plan uitgewerkt. Donné zou zorgen voor de sleutels en een plattegrond van het gebouw. Vóór zijn onderduiken zou hij nog een stapeltje blanco persoonsbewijzen ontvreemden.
Op woensdagavond 16 februari 1944 om 21.30 zou de Nijmeegse K.P., bijgestaan door enkele L.O.-ers, in actie komen. Mulders haalde de groep van de trein en begeleidde die naar de woning van J. Sorée, waar het draaiboek nogmaals werd doorgenomen. Na de overval konden de K.P.-ers in Tegelen terecht. Op de afgesproken tijd begaven de L.O.-ers en K.P.-ers zich per fiets op weg. Op het moment dat Sorée de deur van het gebouw wilde openen, kwam er iemand met een zaklantaarn uit het gemeentehuis. De onbekende liep in de richting van het bewuste pand, waar ook de Luchtbeschermingsdienst (L.B.D.) was gevestigd. Sorée trok zich ijlings terug. De betreffende persoon, een L.B.D.-er, ging naar binnen en kwam even later weer naar buiten. Een of meer K.P.-ers maakten wat rumoer, waarop de man in hun richting scheen. Na enig aarzelen liep hij weg. K.P.-leider Th. Dobbe liet zijn mannen de keuze: doorzetten of uitstellen. Ze kozen voor uitstel. De groep overnachtte bij Sorée. Donné werd teruggehaald van zijn duikadres in Vierlingsbeek. Hij moest de volgende dag gewoon gaan werken en de blanco PB’s terugleggen om geen argwaan te wekken. Op vrijdag 18 februari waagden de K.P.-ers een nieuwe poging. De sleutels waren inmiddels nagemaakt, zodat Donné niet hoefde onder te duiken. J. Hendrikx zou, zich uitgevend voor Nitsch, de politie bellen en de lijn bezet houden, zodat de politie telefonisch niet bereikbaar was. Die avond kwam de groep bijeen in het café van Cornet. De overval verliep volgens plan. Twee bewakers en een politieman werden overmeesterd, waarna de kaartenbakken werden leeggeschud. De inhoud werd overgoten met benzine en fosfor en in brand gestoken. Ongehinderd verlieten de K.P.-ers het pand. Tachtig procent van het Venlose bevolkingsregister ging in vlammen op. Donné werd in hechtenis genomen, maar liet niets los. Elk bewijs van medeplichtigheid ontbrak, zodat hij na enkele weken weer vrij kwam.271]
Ruim een week later werd dit succes overschaduwd door een ernstige tegenslag. Op 8 februari was de onderduiker J.H. Scheeres aangehouden. Hij bleek in het bezit van een briefje van het Venloos duikhoofd H.J. Holla en leek meer van de Venlose organisatie te weten. Politiechef Couperus schakelde de Sipo in. Scheeres noemde Nitsch een aantal namen, onder anderen die van pastoor A.M.L. Omloo. Op dinsdag 29 februari sloeg de Sipo toe en arresteerde Holla, Omloo, de koeriers A.R. Berger en F.G.M.J. Coehorst, enkele andere medewerkers van de L.O. en een aantal onderduikers. In totaal werden die dag dertig personen aangehouden. Sommigen hadden geluk en kwamen spoedig weer vrij.
Anderen, zoals pastoor Omloo, moesten langdurige verhoren en mishandelingen ondergaan. Omloo werd in juli 1944 uit het kamp Amersfoort ontslagen. Holla kwam via Maastricht en Amersfoort in Oranienburg terecht, waar hij op 25 december 1944 door uitputting overleed. Berger, zoon van de in 1941 teruggetreden burgemeester van Venlo, belandde uiteindelijk in Neuengamme, waar hij in januari 1945 eveneens door uitputting bezweek. 272] Voor de gewestelijke L.O.-leider Hendrikx betekende de arrestatie van zijn koerier en secretaris F. Coehorst een persoonlijk drama. De 18-jarige Coehorst was na zijn eindexamen Gymnasium door Hendrikx gevraagd voor hem te gaan werken. Hij reisde stad en land af voor de gewestelijke leider en kende veel vooraanstaande L.O.-ers. Al meteen na de arrestatie bereikten Hendrikx alarmerende berichten uit Maastricht. Nitsch c.s. deden er alles aan om Coehorst aan het spreken te krijgen. Vier dagen lang werd hij aan zijn polsen opgehangen. Al die tijd kreeg hij geen eten en drinken. Hendrikx bewoog hemel en aarde voor de bevrijding van zijn koerier. Na herhaald aandringen ging Th. Dobbe overstag en zegde zijn medewerking toe. De begin april 1944 geplande overval op het Maastrichtse Huis van Bewaring ging echter niet door, omdat Coehorst met een groep andere arrestanten een dag eerder was overgebracht naar Amersfoort. Via Kleef, Leipzig en Hannover kwam hij tenslotte in Flossenburg terecht, waar hij werd tewerkgesteld in een automobielfabriek. De mishandelingen in Maastricht en mogelijk ook elders hadden de 18-jarige dermate verzwakt dat hij op 1 november 1944 in een ziekenhuis in Zwickau ten gevolge van totale uitputting overleed. 273]
Hendrikx had het onheil zien naderen en de gewestelijke L.O.-centrale van Venlo naar Nijmegen laten verplaatsen. De districtscentrale werd eind maart ondergebracht in een kamer van café Daniëls-Bouten tegenover het station van Blerick. Een maand later verhuisde het bureau naar de Burgemeester van Rijnsingel in Venlo. 274] Er kwam een nieuwe districtsduikraad, waarin H. Bouten, J. Nabben en A. Slikker zitting namen. De rust keerde echter niet meer terug. Integendeel, de gebeurtenissen volgden elkaar in een versneld tempo op. Op 12 mei 1944 werd de in de woning van de familie Dael ondergedoken pilotenhelper A.L.J. Mooren uit Vierlingsbeek gearresteerd. Hoewel de reden van zijn arrestatie niets te maken had met zijn illegaal werk, sloegen de broers Leo en Jan Dael meteen alarm. Pogingen om Mooren door omkoping van een politieman vrij te krijgen mislukten. In overleg met de K.P.-Nijmegen werd een bevrijdingsplan opgesteld. Contactpersonen in de gevangenis brachten Mooren op de hoogte. Diens celgenoot kreeg er weldra lucht van en lichtte Couperus in. Op 17 mei togen de K.P.-ers in gezelschap van enkele L.O.-ers naar het Venloos politiebureau. Er ontstond een schietpartij, waarbij een dienstdoende wachtmeester van de marechaussee, C.J.H. Dijkman, ernstig gewond raakte. Hij overleed korte tijd later. De overvallers staakten hun bevrijdingspoging. Een week later liet Couperus de gebroeders Dael arresteren. Leo Dael kwam via Maastricht en Vught in Mauthausen terecht, waar hij op 1 maart 1945 overleed; zijn broer en A. Mooren bezweken in hetzelfde kamp op respectievelijk 9 en 5 maart 1945. 275]
Door de talrijke arrestaties op gewestelijk en districtsniveau wist Nitsch de namen van onder meer J. Nabben en A. Slikker te achterhalen. Op 2 augustus dacht hij opnieuw een slag te kunnen slaan in Venlo, maar de twee L.O.-ers slaagden erin te ontsnappen en doken onder. J.J. van Eijk uit Tegelen nam op 15 augustus de districtsleiding op zich. In Venlo zelf ontplooide de organisatie steeds minder activiteiten, het was er tè gevaarlijk. 276] Op 12 augustus bleek dat nogmaals. Koerier H.J. Meijer, in wiens ouderlijke woning regelmatig koeriers uit de tien Limburgse districten kwamen, werd die dag op last van Nitsch in hechtenis genomen. Aangenomen mag worden dat het Sipo-lid hem op het spoor was gekomen door verklaringen van eerder gearresteerde L.O.-ers. Tot begin september verbleef Meijer voor verhoor in Maastricht. Op 5 september werd hij in Vught doodgeschoten. 277]
Het gevaar in Venlo kwam niet alleen van de zijde van politiecommissaris Couperus, op wie op 10 juli 1944 een mislukte aanslag werd gepleegd, en zijn helpers en de Sipo, maar ook van een in Venlo gestationeerd A.K.D.-commando - ook wel Ommenpolitie genoemd - onder leiding van een zekere Hauptman Winkler.278] Voor de uitvoering van diens opdrachten was J. Berendsen verantwoordelijk. Het commando, dat enkele tientallen leden telde, oefende sinds het voorjaar van 1944 een ware terreur uit in het district Venlo. Berendsen en zijn trawanten hielden zich sedert hun komst naar Venlo vooral bezig met de jacht op onderduikers en contractbrekers, d.w.z. personen die in Duitsland dwangarbeid hadden verricht en kans hadden gezien zich hieraan na verloop van tijd te onttrekken. Het aantal door Berendsen c.s. aangehouden personen liep in de honderden. De meeste arrestanten werden op transport gesteld naar het kamp Amersfoort of door bemiddeling van het G.A.B.-Venlo op het plaatselijk vliegveld of in Duitsland tewerkgesteld. Bij de aanhoudingen gedroegen de A.K.D.-ers zich vaak bruut. Er werd niet alleen gedreigd met executie, de daad werd regelmatig bij het woord gevoegd: bij de arrestaties vielen verscheidene doden en gewonden. 279] Het optreden van Berendsen werd nog driester, nadat hij door de ondergedoken politieman en L.O.-medewerker J.J. Theelen op 16 juli 1944 in de buurt van Grubbenvorst was beschoten waarbij hij in de rechtervoet was geraakt. In het najaar van 1944 maakte zijn groep, aangevuld met N.S.B.-ers, zich schuldig aan grootscheepse plunderingen.280]
Bovendien ging men samenwerken met de Sipo, toen die in Venlo neerstreek. Met het naderen van het front vertrokken Berendsen en zijn kornuiten eind oktober naar het noorden van het land. Uiteindelijk belandden ze in Noord-Holland. 281]
Met de komst van de Sipo naar Venlo, eind september, werd de sfeer zo mogelijk nòg grimmiger. Begin oktober droeg de Feldgendarmerie twee jongemannen van 19 en 25 jaar aan de Sipo over. Het betrof L. de Geus uit Overloon en L.P.A. Arts uit Venray, die bij hun aanhouding wapens bij zich droegen. Ze werden beschuldigd van spionage. Ströbel gaf opdracht de twee aan de Maas te executeren. Duitse soldaten, die zich in de buurt van de Maaskade bevonden, hoorden de schoten en openden het vuur, maar ze konden in de duisternis niet onderscheiden op wie ze schoten. De Sipo-leden Nitsch, Fiebig en H.E.L.F. Hoffmann zochten onmiddellijk dekking, een dode Arts en een zwaargewonde De Geus achterlatend. Laatstgenoemde sleepte zich naar de vlakbij aangemeerde boot van schipper K. de Jong, die hem verbond. Even later klommen Duitse soldaten aan boord. Ze hadden het bloedspoor van De Geus gevolgd. De jongeman werd meegenomen en op de kade door J. Grootjans doodgeschoten. 282] Enkele dagen erna werden op last van Ströbel drie personen geëxecuteerd: twee Belgen en een Nederlandse Rode Kruis-medewerker. Ze werden ervan verdacht in opdracht van de geallieerden door de linies te zijn getrokken. De drie werden op het Venloos vliegveld door Nitsch, Conrad en Fiebig doodgeschoten.283] Op 30 september liet de Sipo twee inwoners van Eindhoven, W.J. Jonker en M. Reuchlin, opsluiten in het Venloos politiebureau. Jonker werkte bij de Nederlandse Spoorwegen. In overleg met Reuchlin, ingenieur bij Philips, had hij begin september een treinlading platina en wolfram, eigendom van Philips, uit Duitse handen weten te houden door de wagons achter het vleeshuis in Eindhoven te rangeren. Vlak voor hun aftocht ontdekten de Duitsers de wagons en namen ze mee. Reuchlin en Jonker gingen de kostbare lading op de fiets achterna. Ter hoogte van Griendtsveen werden de twee aangehouden. Tijdens een bombardement op Venlo op 13 oktober slaagde Reuchlin erin uit het politiebureau te ontsnappen. Hij vond onderdak in de beeldenfabriek van A. Gödden, waar zich een groep O.D.-ers ophield. Daar ontpopte hij zich als militair instructeur. Toen de situatie in Venlo onhoudbaar werd, vertrok Reuchlin naar een veiliger schuiloord, maar op 13 november viel hij in handen van de Sipo-beambte Conrad. De volgende dag werden Jonker en Reuchlin uit hun cel gehaald en door Nitsch en Conrad op het vliegveld geëxecuteerd. De lijken werden in een bomtrechter begraven. 284]

Blerick

Vanaf het voorjaar van 1943 trad H. Goertz op als duikhoofd van “Venlo-West”, zoals Blerick ook wel werd genoemd. Als gevolg van eerdere arrestaties in L.O.-kring viel Goertz op 5 maart 1944 in Duitse handen. 285] M.H.A. Janssen, tot dan toe duikhoofd van Hout-Blerick, nam zijn plaats in. Janssen was op 3 maart ternauwernood aan arrestatie ontsnapt en dook niet lang daarna in Neer onder. G. Mertens uit Hout-Blerick volgde hem op. De L.O.-ers ondervonden veel steun van kaashandelaar P. Paulusma, kapelaan H.A.C. Janssen en pastoor A.F.M. Lenaerts. 286] Ook in Blerick hadden de onderduikers en “contractbrekers” veel last van het gevreesde commando-Berendsen, dat verscheidene onderduikers arresteerde. 287]

Tegelen en Steyl

De inspirator en stimulator van de georganiseerde illegaliteit in Tegelen was zonder twijfel kapelaan L.A. Akkermans. Aanvankelijk hield hij zich bezig met het verspreiden van illegale bladen, hulp aan krijgsgevangenen en het zoeken van onderdak voor de eerste onderduikers. Na de bijeenkomsten in Venlo, begin 1943, begon hij met H.H. Driessen, P. van Leipzig, J.J. van Eijk, F. Jentjens, M. Leenders, M.J. Janssen, J. Hanssen, F.H.A.A. Breuer, G. van de Loo en H.A. Sprengers en de kapelaans P.N.A. Peters en A.J.J. Geurts uit Steyl te werken aan de opbouw van de duikorganisatie in Tegelen en Steyl. De meeste van de genoemde personen waren afkomstig uit opgeheven katholieke organisaties of waren betrokken bij de hulp aan krijgsgevangenen. In korte tijd was de organisatie rond. Het hoofd van de afdeling bevolking, A.F.J. Poell, en zijn collega J.W.H. Lebens voorzagen de L.O. van persoonsbewijzen, zegeltjes en andere bescheiden. De directeur van het distributiekantoor, de heer Veembrink, en zijn medewerker F.H.A.A. Breuer zorgden voor bonkaarten en distributiebonnen. Als er onvoldoende bescheiden konden worden vrijgemaakt, sprong het district bij. Door de inkomsten uit de verkoop voor ƒ 10,- per exemplaar van het boek “Het treurspel van Frankrijk” van A. Maurois, dat was vertaald door Akkermans en gedrukt door J. Werps, en door royale geldelijke bijdragen van Th. Theeuwen, directeur van een gresbuizenfabriek, en J. Vermeulen, directeur van de Tegelse Metaalwarenindustrie, konden Tegelen en Steyl zich financieel grotendeels zelf bedruipen. Als er onverhoopt toch tekorten ontstonden, sprong kapelaan Naus bij. Ofschoon in de loop van 1943 en 1944 verscheidene personen werden opgepakt, bleef de organisatie intact. Bij onraad doken Akkermans en Driessen, die enige tijd als rayonleider voor Tegelen, Steyl, Belfeld, Reuver en Beesel optrad, tijdelijk in Blitterswijk onder bij een broer van de Tegelse kapelaan G.A.J. Cremers. Op last van Naus doken ze na de arrestaties in de Venlose L.O. op 5 maart 1944 definitief onder. Driessen vertrok naar Cuyk. Akkermans trok zich terug in het ziekenhuis van Tegelen, vanwaar hij zijn illegale activiteiten voortzette. J.J. van Eijk nam de functie van Driessen over en bleef rayonleider tot de bevrijding. Afgezien van kapelaan P. Peters, die op 11 februari 1945 werd gearresteerd en op 6 april 1945 in Buchenwald om het leven kwam, vielen er in de L.O.-Tegelen/Steyl geen dodelijke slachtoffers. 288] Wel bevonden zich verscheidene onderduikers en L.O.-medewerkers voor korte of langere tijd in Duitse gevangenschap.289]

VIII.2.2. Rayon Belfeld, Reuver en Beesel

In deze plaatsen viel de hulp aan onderduikers grotendeels samen met de hulpverlening aan krijgsgevangenen, zij het dat er na verloop van tijd een zekere taakverdeling ontstond. L. Geurts leidde de L.O. in Belfeld, waar naar verhouding veel joden ondergedoken zaten. De leider van de plaatselijke Jonge Wacht, H.W.M. Gommans, en onderwijzer C. Theunissen stonden aan het hoofd van de duikorganisatie in Reuver. In Beesel tenslotte gaf P.J. van der Sterren geruime tijd leiding aan de L.O. Na zijn vertrek naar Sevenum nam zijn medewerker J.M. Sieben het werk over. Tot ver in 1944 liep alles gesmeerd. De L.O.-ers slaagden erin ƒ 25.000,- in te zamelen, waarvan ƒ 14.000,- werd gebruikt voor de uitkering van steungelden. Distributiekaarten en -bonnen kreeg men van de distributieambtenaar W.J.L. Naus uit Reuver en van de districtsleiding in Venlo. Gedurende de zomer van 1944 ondervond de L.O. veel hinder van de groep-Berendsen. 290] Bovendien werd in Reuver een commando van de Geheime Feldpolizei gestationeerd, geleid door W. Freimuth. Op 5 oktober arresteerde deze ploeg C. Janssen uit Sevenum, die als knecht op de boerderij van de familie Franssen werkte. De jongeman werd ingesloten in het gemeentehuis. Twee dagen later, omstreeks 18.00 uur, omsingelden acht leden van de Feldpolizei de woning van de familie Gommans en namen H.W.M. Gommans mee naar het gemeentehuis. Hoe Freimuth aan zijn inlichtingen kwam, staat niet vast. Meteen na de arrestatie belde hij de Sipo in Venlo en deelde mee, dat hij twee personen had gearresteerd die ervan werden verdacht tot de illegaliteit te behoren. Nitsch, Grootjans en Schut begaven zich naar Reuver. Op grond van een verklaring van Freimuth en enkele notities die op de op 20 augustus doodgeschoten K.P.-er B.P.L. Verstappen waren aangetroffen, werden Janssen en Gommans schuldig bevonden. Nitsch lichtte Ströbel in, die opdracht gaf de twee te liquideren. Diezelfde avond nog schoten Schut en Grootjans C. Janssen in de bossen tussen Reuver en Beesel dood. Gommans werd meegenomen naar Belfeld, waar hem hetzelfde lot wachtte. 291]
Dat Gommans in Belfeld werd geëxecuteerd hing samen met gebeurtenissen, die daar ruim een maand eerder hadden plaatsgevonden. In het voorjaar van 1944 was door B. Verstappen een K.P. opgericht, die in verbinding stond met de overkoepelende K.P.-Noord-Limburg, geleid door H.J.H. Bouten uit Velden. Naast Verstappen maakten J.H. Goossens, G. Janssen, M.J. Pereira, een onderduiker uit Den Haag, A.M. Roelofs en B. Hegger deel uit van de Reuverse knokploeg. Een schuilbunker aan de Patersweg in Belfeld, die geruime tijd dienst had gedaan als doorgangslocatie voor krijgsgevangenen, werd als plaats van samenkomst gebruikt. Aanvankelijk beperkten de werkzaamheden zich tot het zoeken van onderduikadressen voor de L.O. In de zomer veranderde dat radicaal. De provinciale K.P.-leiders verstrekten steeds vaker opdrachten aan Verstappen en zijn helpers. In de nacht van 15 op 16 juli kraakten ze de melkfabriek in Broekhuizen. De buit omvatte een aanzienlijke hoeveelheid voedselbonnen. In juli en augustus ontvreemdden ze twee grote partijen koolzaad: een bij een molenaar in Beesel, met wie vooraf overleg was gevoerd, en een bij de Boerenbond in Velden. Twee acties werden voortijdig afgeblazen: de bevrijding van F.P.J. Smulders uit het ziekenhuis in Horst, omdat anderen de actie kort tevoren tot een goed einde hadden gebracht (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.1.), en een overval op een postwagen met distributiebonnen. De chauffeur volgde namelijk een andere route. Op 28 augustus beroofden de K.P.-ers een Belfeldse zwarthandelaar van zijn woekerwinst. 292] In opdracht van de Limburgse K.P.-leiding liquideerden ze omstreeks dezelfde tijd twee onderduikers, die de organisatie in Hulsberg in gevaar dreigden te brengen. De lijken werden in de nabijheid van de Belfeldse bunker begraven, maar in het najaar door dwangarbeiders ontdekt. 293]
Op woensdag 30 augustus bevond Pereira zich in de bunker in afwachting van de terugkeer van zijn makkers, die een opdracht van Bouten uitvoerden. Aangezien ze langer wegbleven dan afgesproken, besloot hij buiten een kijkje te nemen. Op straat liep hij enkele A.K.D.-ers tegen het lijf, onder wie J. Sabbé en S. Blaauw. De twee hielden Pereira staande en vroegen hem naar zijn identiteitspapieren. Die bleken niet in orde. Hun verdenking groeide toen bleek dat Pereira opvallend veel distributiebonnen bij zich had. Hij moest mee naar zijn duikadres, waar ze belastend materiaal aantroffen. Een vrachtrijder, die de aanhouding van een afstand had gadegeslagen, spoedde zich naar Reuver en lichtte Verstappen en de opperwachtmeester van de marechaussee A.H. Ummels in. Beide begaven zich naar Pereira’s duikadres. In de buurt van de boerderij van de familie Janssen, Pereira’s gastgever, kwam het tot een vuurgevecht tussen de A.K.D.-er Sabbé, die buiten op wacht stond, en Verstappen. Laatstgenoemde werd dodelijk getroffen in het voorhoofd en de borst. Ummels, die iets later arriveerde, werd gearresteerd. Ummels, Pereira en het stoffelijk overschot van Verstappen werden overgebracht naar een kazerne in Blerick, waar omstreeks 17.30 Nitsch, Fiebig en Conrad arriveerden. Op het lichaam van Verstappen vonden ze een lijst met namen van personen die een vuurwapen van hem hadden ontvangen. Op de lijst stonden eveneens de namen van Ummels en Gommans. Huiszoekingen in Reuver leverden niets op. Ummels en Pereira werden teruggebracht naar Belfeld. Aan de spoorlijn tussen Belfeld en Reuver schoten Nitsch en Conrad de twee op last van Ströbel dood. 294]
Na de dramatische gebeurtenissen van eind augustus en begin oktober kwam het gebied allengs in de greep van het naderend front. De L.O. raadde de eigen medewerkers en de onderduikers aan een veilig heenkomen te zoeken op de westelijke Maasoever. Sommigen volgden het advies op, anderen bleven achter in afwachting van wat zou komen. Eind november werd een koeriersdienst ingesteld tussen Venlo, Roermond en de tussenliggende dorpen, die slechts met de grootste moeite in stand kon worden gehouden. Onafgebroken beschietingen en granaatvuur maakte elke tocht tot een uiterst hachelijke onderneming. In deze chaos trachtte de bevolking op de oostelijke Maasoever, volledig geïsoleerd, zo goed en zo kwaad als het ging te overleven in afwachting van de bevrijding, die nog tot 1 maart 1945 op zich liet wachten.

VIII.2.3. Rayon Arcen, Velden en Wellerlooi

De benoeming van H.J.H. Bouten tot duikhoofd van Arcen en Velden was niet veel meer dan een formaliteit, want in deze plaatsen hoefde nauwelijks iets te worden georganiseerd. Ingezetenen hadden al het initiatief genomen. Uit de spontaan gegroeide hulp aan krijgsgevangenen was een gemotiveerde en goed georganiseerde kern van medewerkers ontstaan, die tevens de hulp aan onderduikers voor zijn rekening nam. In Arcen ontstond een groep rond de onderwijzer L.H. Timmermans. 295] De bezetter kreeg geen vat op de organisatie in Arcen en Velden en ongelukken bleven uit. Op 4 september 1944 werden uit het gemeentehuis enkele wapens, het bevolkingsregister, de gemeentestempels en een aantal radio’s ontvreemd. 296] Wie hiervoor verantwoordelijk was, staat niet vast. Mogelijk waren medewerkers van de plaatselijke organisatie erbij betrokken. In Wellerlooi vond Bouten P.J.J. Fleuren bereid de L.O. te organiseren. Laatstgenoemde kreeg daarbij steun van F. Camps en P.J.H. Fleuren. 297]

VIII.2.4. Rayon Horst

De Venlose initiatieven bleven niet onopgemerkt in de regio Horst. Bij het ontstaan van de duikorganisatie waren plaatselijke O.D.-ers en hulpverleners aan joden en geallieerde vluchtelingen betrokken. In het voorjaar van 1943 bezochten F.P.J. Smulders en J.G. Arts op verzoek van pastoor J.C.C.B. Janssen van Horst-America de bijeenkomsten in Venlo. Smulders maakte al deel uit van de O.D., evenals G.A. Lucassen en J.J.L. Timmermans. Zij sloten zich allemaal aan bij de L.O. Lucassen werd aangesteld als rayonleider van de regio Horst. Hij en Timmermans raakten betrokken bij de uitgave van een illegaal blad, dat in de zomer van 1943 in Wanssum verscheen. De Duitsers achterhaalden wie het blad uitgaven en begin september 1943 volgde de arrestatie van Timmermans en enkele anderen. Bij gebrek aan bewijs werd hij weliswaar vrijgelaten, maar korte tijd later als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd. Lucassen dook onder. F. Smulders en zijn assistent J. Arts volgden hem op.
Als duikhoofden voor Horst traden L.H. Smulders, L. Hoeymakers en W.J. Houwen op, voor Horst-America F.J. Janssen, voor Castenray P.M.G. Geerets, voor Oirlo P. Vaessen en voor Hegelsom J.G. Arts. G. Peeters bekleedde die functie tot maart 1944 in Melderslo, H. Claessens volgde hem op. A.A.W. Steeghs leidde de L.O. in Meterik, maar hij moest als gevolg van de infiltratie van A. Damen in augustus 1943 onderduiken (zie hoofdstuk IV, paragraaf VI). F. Cuppen nam zijn plaats in. De L.O. in het rayon Horst was goed georganiseerd en telde veel medewerkers. Bonkaarten, bonnen en zegels ontving men van P. Timmermans, verbonden aan het plaatselijk distributiekantoor, en van de districtsleiding in Venlo. Horst beschikte over een zogeheten duikherberg, gevestigd in de woning van W. Gielen en een doorgangshuis, de woning van H. Hoeymakers-Peeters. Door de vele contacten vonden naar verhouding veel joden onderdak in het rayon. Als er gevaar dreigde, waarschuwde men elkaar via een clandestiene telefoonverbinding in Sevenum en via het telefoonnet van de Provinciale Limburgsche Electriciteits Maatschappij (P.L.E.M.). 298]
De Horster en Sevenumse illegaliteit beschikte over een voor het Limburgs verzet unieke verbinding met het landelijk kunstenaarsverzet. Cursisten van het Ward-instituut te Roermond, onder wie C. Claassens uit Horst, waren na afloop van de cursus bijeen blijven komen op het landgoed “De Spar” in Haelen om zich cultureel verder te ontplooien. Na mei 1940 veranderden de ontmoetingen van karakter. De deelnemers stelden zich meer en meer ten doel de eigen, Nederlandse cultuur onder de aandacht van de bevolking te brengen om tegenwicht te bieden aan de Duitse propaganda en indoctrinatie en de nazi-cultuur. Door persoonlijke contacten kwam men in aanraking met kringen van het kunstenaarsverzet. Vanaf 1942 tot ver in 1944 bezochten vooraanstaande toneelspelers, schrijvers en andere kunstenaars Horst en Sevenum om er lezingen en voordrachten te houden voor de plaatselijke bevolking en de onderduikers. 299]
Ofschoon in Horst in 1944 een gelegenheidsknokploeg ontstond, bestond er gedurende het grootste deel van de bezetting geen groep die zich exclusief toelegde op sabotage en overvallen. Naast de hulpverlening aan onderduikers en vluchtelingen hield de illegaliteit in Horst en Sevenum zich bezig met activiteiten die eigenlijk op het terrein van de knokploegen lagen. In 1943 en 1944 werd herhaaldelijk brand gesticht in opslagplaatsen van stro. Honderdduizenden kilo’s stro gingen in vlammen op. Op 23 juli 1943 kon een brand in het bijkantoor van het G.A.B. ternauwernood worden geblust. Ruim drie maanden later, op 25 oktober, werd het kantoor door circa vijf personen overvallen. Alle belangrijke papieren werden verbrand en enkele stempels meegenomen. De bewakers werden in de kelder van het gebouw opgesloten. Eind 1943 maakte men een aantal in beslag genomen radio’s buit. In 1944 tenslotte werden enkele acties tegen zwarthandelaren ondernomen en werd de kas van het station Horst-Sevenum gelicht. De buit bedroeg ƒ 314,-. 300]
Ook Horst ontsnapte niet aan de terreur van het commando-Berendsen. Op 29 juli 1944 werd H.G. Driessen, een regionaal verspreider van “Vrij Nederland” en “Trouw”, door J. Sabbé en J. van Zutphen aangehouden. Driessen probeerde te vluchten, maar hij werd door een kogel in de rug getroffen. Via het ziekenhuis van Horst kwam hij in Vught terecht. Tijdens het transport van gevangenen van Vught naar Sachsenhausen op 6 september probeerde hij, waarschijnlijk ter hoogte van Ravenstein, opnieuw te ontsnappen. De bewakers openden het vuur, Driessen werd dodelijk getroffen. 301] Op 2 augustus raakte F. Smulders gewond toen Van Zutphen op hem schoot. Medewerkers bevrijdden hem uit het ziekenhuis (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.1.).
Gedurende de fronttijd, die eind september 1944 aanbrak, kreeg de regio het zwaar te verduren. Bombardementen en beschietingen werden afgewisseld door plunderingen, razzia’s, evacuaties van de bevolking en ernstige misdragingen van Duitse militairen. Uiteraard raakte de L.O.-organisatie ernstig in het ongerede. Eind november 1944 volgde de bevrijding van Horst en de omliggende dorpen en gehuchten. 302]

VIII.2.5. Rayon Sevenum

Al tijdens de bezetting was Sevenum een begrip in L.O.-kring. Volgens J. Hendrikx kon deze plaats model staan voor de duikorganisatie zoals hem die voor ogen stond. Van meet af aan golden de dorpen op de westelijke Maasoever voor de Venlonaren als “afzetgebied” par excellence voor onderduikers. In mei 1943 kwam Hendrikx met zes onderduikers naar Sevenum op zoek naar gastgezinnen. Veel inwoners waren toen al direct of indirect bij de hulp aan krijgsgevangenen betrokken. Het kostte Hendrikx weinig moeite onderdak te vinden voor zijn onderduikers. Sindsdien droeg hij Sevenum een warm hart toe. In december 1943 nodigde hij de landelijke L.O.-Top uit voor een vergadering op de hoeve “Rust Roest” van de familie Groot. Pogingen van de Sipo - Nitsch noemde Horst en Sevenum broeinesten van verzet - om de plaatselijke organisatie op te rollen, liepen op niets uit. Talrijke onderduikers, onder wie ruim honderd joden, vonden er onderdak. Onder hen bevonden zich personen die landelijke bekendheid genoten, zoals J.E. de Quay, katholiek politicus en mede-oprichter van de Nederlandsche Unie.
Begin 1943 was de Sevenumse kapelaan E.M. Gommans door zijn Venlose collega’s Naus en Van Enckevort benaderd om mee te werken aan de opbouw van een organisatie voor onderduikers. De kapelaan verzocht de secretaris van de plaatselijke afdeling van de Katholieke Actie, G.H. Hanssen, in Venlo een L.O.-oprichtingsvergadering bij te wonen. Hanssen werd benoemd tot duikhoofd van Sevenum en in de loop van het voorjaar werd in samenwerking met Gommans en verscheidene helpers van krijgsgevangenen op boerderij “Rust Roest” de plaatselijke duikorganisatie opgericht. Naaste medewerkers van Gommans en Hanssen waren onderwijzeres E.M.T. Boutet, onderwijzer A.M.H. Mertens, P.J. Arts, de broers J.G. en G. van de Ven, de broers J. en P.G. Vermeeren, P.J.H. den Mulder, L. Bussemakers, G.H. Baeten, P. Nabben en vele anderen. De meeste onderduikers bereikten het dorp via kapelaan Gommans. Op 7 augustus 1943 vertrok Hanssen naar Gulpen om daar te helpen bij de opbouw van de L.O. Mejuffrouw Boutet volgde hem op. Distributiebonnen ontving men van W.L. Houwen uit Helden, J.A.H. Segers uit Baarlo en via Venlo, dat tevens zorgdroeg voor financiële middelen. De O.D.-er J.G. Rommelse bracht via Sevenum een clandestiene telefoonverbinding tot stand tussen Venlo en Den Bosch, waarvan de L.O. eveneens gebruik kon maken. Door valse oogstcijfers op te geven konden aanzienlijke hoeveelheden graan achtergehouden worden, zodat Sevenum over een grote voedselvoorraad beschikte. In de winter van 1943-1944 werden op verzoek van Hendrikx enige ladingen graan per binnenschip van Wanssum naar Rotterdam vervoerd. Th.H. Gruntjens en J.G. van de Ven brachten enkele keren een vracht graan naar de Mijnstreek, waar in de winter van 1943-1944 eveneens tekorten heersten. Het graan werd afgeleverd bij het sanatorium en het ziekenhuis van Heerlen en een graanhandelaar in Amstenrade. Vandaar werd het over noodlijdende gezinnen verdeeld. De tochten naar Zuid-Limburg bleven onopgemerkt, omdat Van de Ven dank zij hulpvaardige ambtenaren kon beschikken over blanco vervoersbewijzen. Aangezien Sevenum met een gebrek aan kolen kampte - turf was er voldoende - namen Gruntjens en Van de Ven op de terugweg kolen mee, die ze van mijnbeambten als J.R.P. Crasborn, G.H. Bensen, ir. J. Knoups, P. Janssen en J. Colon kregen. 303]
Om de onderduikers niet in gevaar te brengen ondernam de plaatselijke organisatie geen acties die de aandacht konden trekken. Overigens had men een telefonisch waarschuwingssysteem. Zodra J. Berendsen en zijn trawanten of Duitse politietroepen vanuit Venlo op patrouille gingen, werd meteen alarm geslagen. Een andere manier om te waarschuwen was het geven van licht- of geluidssignalen. Voor het laatste maakte men gebruik van een driepoot waaraan een stuk rail hing. Als daartegen werd geslagen ontstond een goed hoorbaar, hoog snerpend geluid. Tot het voorjaar van 1944 bleef het tamelijk rustig. Op 5 april 1944 hield de Sipo een grote razzia. Er zouden er nog verscheidene volgen. De eerste razzia was een gevolg van de activiteiten van W. Engels, die als onbetrouwbaar te boek stond. Regelmatig schreef hij brieven aan Duitse instanties, die telkens op het postkantoor werden onderschept. Omdat zelfs een blinde kon zien dat in het dorp van alles gebeurde wat het daglicht niet kon verdragen, moest Engels voortdurend in de gaten worden gehouden. Om uit te vissen wat hij werkelijk wist, bracht W. Houwen uit Helden hem in Duits uniform een bezoek. Uit zijn verhalen maakte Houwen op dat Engels weinig wist. Om geen argwaan te wekken beloofde Houwen hem spoedig weer op te zoeken, maar door autopech kwam het daar niet meer van. Een ongeduldige Engels nam daarop zelf contact op met de Sipo. Op zijn aanwijzingen - hij wist klaarblijkelijk méér dan hij Houwen had verteld - en die van een in Helden-Panningen woonachtige Duitser arresteerden Nitsch c.s. drieëntwintig personen. Terwijl het onderzoek nog in volle gang was, takelde een inwoner van Sevenum Engels zodanig toe, dat de verrader een oog moest missen. Een zoekactie naar de dader leverde niets op. Als represaille voor de aanslag nam de Sipo nog eens acht inwoners in gijzeling. De meesten kwamen in de loop van mei 1944 weer op vrije voeten. Toen Engels hersteld was, vormde hij een nòg groter gevaar voor de illegaliteit. Een Brabantse knokploeg verklaarde zich bereid hem op te halen en te liquideren. Het stoffelijk overschot bleef ergens in de Peel achter. 304]
Op 1 mei 1944, enkele weken na de razzia, moest mejuffrouw Boutet onderduiken omdat er een arrestatiebevel tegen haar liep. Tot haar terugkeer in oktober hield ze zich bezig met de zorg voor de gevangenen in Vught en Amersfoort. In september viel ze in Duitse handen in verband met het oprollen van de O.D.-zendinstallatie in Venlo, maar met een vurig en overtuigend pleidooi wist ze zich vrij te praten. Na haar vertrek uit Sevenum had Hanssen de leiding weer op zich genomen. 305] In juli en augustus arresteerde het commando-Berendsen enkele inwoners en onderduikers, waarbij tenminste één gewonde viel. 306] Vanaf september werd het werk van de L.O.-ers in toenemende mate bemoeilijkt door de ontwikkelingen aan het front. Burgemeester W.P. Everts weigerde ingezetenen aan te wijzen voor het graven van verdedigingswerken. Hij dook onder. Hanssen c.s drongen kort daarop het gemeentehuis binnen en namen het bevolkingsregister, persoonsbewijzen en de inhoud van de brandkast mee. Daarna was het plaatselijk voedselbureau aan de beurt, want ook daar lagen gegevens over de bevolking.307] Na de tweede grote razzia van zondag 8 oktober, waarbij honderden mannen werden opgepakt, waagde zich vrijwel geen man meer op straat. Vrouwen namen het (koeriers)werk over. Tot de bevrijding op 22 november moest er volop worden geïmproviseerd.

VIII.2.6. Rayon Grubbenvorst en rayon Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Wanssum, Swolgen, Meerlo, Blitterswijk en Tienray

In deze plaatsen werd de hulp aan onderduikers door O.D.-ers en helpers van joden, krijgsgevangenen en geallieerde vliegeniers georganiseerd. De banden tussen de twee rayons waren zo hecht dat we ze hier samen bespreken. In Broekhuizen en Broekhuizenvorst richtte onderwijzer J.H. van Megen in samenwerking met A. Reijnders en P.A.J. Peeters de L.O. op. Van Megen was, evenals Lucassen uit Horst, betrokken bij de uitgave en verspreiding van een illegaal blad. P.J.G.A. Spreeuwenberg en J.H. Vissers, beide werkzaam voor de L.O.-Wanssum, werkten er eveneens aan mee.
Hetzelfde gold voor H.G.H. de Mulder uit Meerlo. Hij ondervond steun van Th. Peeters, J.F. Joosten en J. Poels. In Grubbenvorst leidden H. Joosten en pastoor H. Vullinghs de duikorganisatie en in Blitterswijk H.J. Reijnen. Omdat beide rayons veel onderduikers uit Venlo herbergden, was de bemoeienis van de Venlose organisatie groot. Venlo zorgde voor distributiebonnen en financiële ondersteuning. Slechts Tienray vormde een uitzondering. Onder leiding van verpleegster J. van de Voort, bijgestaan door de student N.J.P. Dohmen en de in Meerlo ondergedoken 17-jarige joodse jongen K. Löwenstein, vonden ruim honderd joodse kinderen onderdak bij pleeggezinnen in Tienray en omliggende dorpen. De contacten van de groep-Tienray met de L.O. waren minimaal en informeel.
Doordat telkens dezelfde personen verschillende illegale werkzaamheden voor hun rekening namen, liep het al vroeg fout. Eind augustus 1943 arresteerde de Sipo een aantal onderduikers en P. Spreeuwenberg, J.H. Vissers, H. de Mulder en J. van Megen, allen medewerkers van het illegale blad “Voor de Vrijheid”. Devier kregen vijf jaar tuchthuisstraf. De eerste drie overleefden de oorlog, maar Van Megen werd op 5 april 1945 in het Duitse Dohnson doodgeschoten.
H.L.M. van de Pas volgde Van Megen op. K. Ex uit Venlo werkte hem in. Op 16 november 1943 sloeg de Sipo als gevolg van de infiltratie door H. Vastenhout opnieuw toe en arresteerde A. Reijnders en P.A.J. Peeters. Het kostte Van de Pas veel moeite de L.O. in de regio nieuw leven in te blazen, maar met hulp van N. Dohmen, P. Reijnders, mejuffrouw M. Coenders en haar verloofde M. Paulus lukte dat. Rustig bleef het echter niet. Op 1 mei 1944 deed de Sipo een inval in de woning van de familie Peeters in Broekhuizenvorst. Een zoon raakte gewond toen hij trachtte te vluchten, een andere zoon ontsnapte. Een derde zoon werd gearresteerd, maar kwam al gauw wegens gebrek aan bewijs weer vrij. Op 13 augustus 1944 reisde een groep Sipo-beambten uit Den Haag tevergeefs naar Broekhuizenvorst om het joods echtpaar Peres en hun twee zoons Daud en Maud te arresteren. Er was echter tijdig alarm geslagen. Het commando- Berendsen nam twee onderduikers in Broekhuizenvorst in hechtenis. Op 22 augustus overvielen A.K.D.-ers de woning van Van de Pas, die wist te ontkomen. Naderhand kwam aan het licht, dat de overval had plaatsgevonden, omdat een gearresteerde onderduiker was doorgeslagen. Veilig was Van de Pas niet meer; de A.K.D.-ers keerden herhaaldelijk terug. In de loop van september verloren de twee rayons het contact met Venlo. Evenals elders in het district werkten de L.O.-ers zelfstandig verder en improviseerden naar beste vermogen. Ze gingen zelfs offensiever te werk: het gemeentehuis van Broekhuizen werd gekraakt - dat van Wanssum was al eerder, op 23 juni, gekraakt - de spoorweg ter hoogte van Tienray opgebroken en de wegwijzers gedraaid. Als gevolg van de razzia’s in het najaar werden ongeveer vijftig personen opgepakt. Zij keerden naderhand allen behouden terug. 308]
Op 15 oktober 1944 voltrok zich een tragedie in Broekhuizenvorst. Die dag ontstond een heftige woordenwisseling tussen de hoogbejaarde boer P.J. van Bracht en plunderende Duitse frontsoldaten. Van Bracht haalde een oude revolver te voorschijn, wellicht om zijn argumenten kracht bij te zetten. Op hetzelfde moment doemde een Brits gevechtsvliegtuig op. De Duitsers zochten een goed heenkomen. Nadat het vliegtuig uit het zicht was verdwenen, keerden de militairen terug met zeven gevangenen. Ze arresteerden tevens Van Bracht en P.A. Vergeldt, die een door de Duitsers gestolen koe had meegenomen. De boerderij van Van Bracht staken ze in brand. Doordat de militairen even waren afgeleid, kon een van de arrestanten ontsnappen. Daarop vertrokken de soldaten, maar ze keerden ’s middags met vier gevangenen, P.A. Vergeldt, P.J. van Bracht, G.M. Brouwers en E.K.L. Hafmans terug om de ontsnapte gevangene te zoeken. Toen dat niets opleverde, moesten de vier gearmd naar de boomgaard van de buurman van Van Bracht lopen. Daar werden ze door drie militairen met machinepistolen door het achterhoofd geschoten. De executies zouden op bevel van Ströbel zijn uitgevoerd. 309]

VIII.2.7. Rayon Helden, Meijel en Kessel

Helden

Tot zijn arrestatie op 23 april 1944 gaf W.L. Houwen leiding aan de L.O.-Helden. Tientallen medewerkers hielpen hem bij de uiteenlopende werkzaamheden, zoals de hulp aan krijgsgevangenen en geallieerde vliegeniers. In 1939 had Houwen in opdracht van de burgemeester het plaatselijk distributiekantoor opgezet, wat hem na mei 1940 uiteraard van pas kwam. Houwen stond bovendien aan het hoofd van de Heldense Luchtbeschermingsdienst, waardoor hij vrij over een politiewagen kon beschikken. In het voorjaar van 1943 begon hij met G.M. Reijnders, die hiervoor was aangezocht door kapelaan Naus, met de opbouw van de plaatselijke duikorganisatie. Ze ondervonden nauwelijks problemen bij het vinden van medewerkers. Er had zich inmiddels een vaste kern van illegale werkers gevormd, waarop zij konden voortbouwen. In Helden-Egchel trad W.L. Schaareman als duikhoofd op en in Helden-Beringe P. Jacobs. Volgens eigen opgave vonden circa zevenhonderd onderduikers onderdak in de regio Helden. De eersten werden gehuisvest in een kamp in de bossen, maar dat lekte uit en na de razzia van 17 juli 1943 werd van het opzetten van kampen afgestapt (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.2.). Het vrijmaken van bonkaarten en distributiebonnen leverde vanzelfsprekend weinig problemen op. Persoonsbewijzen ontving men van gemeenteambtenaren en voor voedsel kon men terugvallen op medewerkers van het plaatselijk voedselbureau. Lastige of voor de L.O. gevaarlijke onderduikers werden ondergebracht in een inrichting voor geesteszieken in Woensel. Bij dreigend gevaar waarschuwde de politie of de marechaussee, waarvan drie leden deel uitmaakten van de L.O.-L.K.P.: P.R. Raedts, J.J. Grijsbach en G.W.H. van Amerongen.310]
Houwen stelde al vroeg in 1943 een knokploeg samen, waartoe naast de drie hierboven genoemde marechaussees L. Korsten, P.J.J. Hoebers, H.Y. Gietema, J. Knapen en, sedert november 1943, G.C.M. Moust behoorden. Aan sommige acties namen overigens ook anderen deel. De samenstelling van de groep wisselde per actie. De Heldense K.P. trad voor het eerst op, toen op een van de eerste provinciale bijeenkomsten ter sprake kwam, dat onderduikers, door medewerkers van de Heidemaatschappij in de omgeving van Weert en Helden gehuisvest, met een ernstig tekort aan dekens en kleding kampten. Houwen c.s. werden geattendeerd op een kamp van de Nederlandsche Arbeidsdienst, “De Heibloem”, in Roggel. Op een avond in de zomer van 1943 drongen negen K.P.-ers het Roggelse kamp binnen en bedwelmden twee bewakers met chloroform. De buit bestond uit een partij dekens, werkkleding, sokken en schoenen. Enige tijd daarna overvielen de K.P.-ers een legerwasserij in Helden-Panningen en bemachtigden ze nog eens circa driehonderd dekens. In het patronaatsgebouw in Helden-Beringe, waar een Duits militair voorraaddepot was gevestigd, maakten ze een flinke partij lakens, dekens en andere schaarse goederen buit. Om aan de vraag naar levensmiddelen te kunnen voldoen overviel de Heldense K.P. in 1943 de melkfabriek in Helden-Panningen en het plaatselijk voedselbureau. De goederen kwamen ten goede aan onderduikers en hun gastgezinnen. Voorts trad de K.P. herhaaldelijk op tegen zwarthandelaren in de regio. 311]
Gaandeweg breidde het geografisch werkterrein zich uit en nam het aantal acties toe. Steeds vaker deed de gewestelijke L.O.-leiding een beroep op de K.P.-Helden. Begin 1944 werden in opdracht van de L.O. verscheidene liquidaties uitgevoerd (zie hoofdstuk III, paragraaf III.3.5.). Met enkele helpers ontvreemdde Houwen in januari of februari in opdracht van de L.O. een voorraad van ruim driehonderd fietsbanden in Maasniel. De koeriers van de L.O. kampten met een nijpend gebrek aan binnen- en buitenbanden. In de nacht van 24 op 25 januari 1944 overvielen Houwen en J. Hendrikx na overleg met de plaatselijke gemeenteambtenaar J.H.J. Limpens het gemeentehuis van Amby bij Maastricht. Ze verbrandden het bevolkingsregister en namen zegels, stempels en enkele honderden blanco PB’s mee. 312] Op 23 februari was het gemeentehuis van het Zuidlimburgse St. Geertruid aan de beurt. In overleg met de gemeenteambtenaar J.A.R.H. van den Bergh ontvreemdden ze het bevolkingsregister, blanco PB’s, zegels en stempels. Van den Bergh, die na de overval onderdook, schreef op een kalender: “Deze maand is de oorlog in Europa voorbij. Ik ben verdwenen...maar jullie krijgen me niet”. Het laatste werd bewaarheid. De Sipo stond voor een raadsel en arresteerde de burgemeester en een marechaussee. De twee kwamen na vijf weken wegens gebrek aan bewijs weer vrij. 313] Vermoedelijk had Hendrikx de twee overvallen gepleegd, omdat de landelijke Top met ernstige tekorten kampte. De laatste actie onder leiding van Houwen vond op 19 april 1944, kort na middernacht, plaats. Een zeven man sterke ploeg reed die nacht naar Meijel om het gemeentehuis te overvallen. Op het moment dat ze arriveerden ontspon zich een hevig luchtgevecht. Twee leden van de Luchtbeschermingsdienst, belast met de bewaking van het gebouw, kwamen naar buiten om niets van het schouwspel te missen. H.Y. Gietema, gekleed in een veldgrijs Duits legeruniform, stapte met getrokken pistool op het tweetal af. “Hände hoch, Sicherheitspolizei” was voldoende. De bewakers werden gesommeerd naar binnen te gaan. De K.P.-ers bedwelmden hen met chloroform. Tientallen radio’s, enkele jachtgeweren, gemeentestempels en enige levensmiddelen vielen in handen van de K.P.-ers. Met snijbranders trachtten ze tevergeefs de brandkast met het bevolkingsregister te openen. Andermaal tastte de Sipo in het duister. De wachtmeester van de marechaussee W. Grift uit Meijel, die bij de voorbereiding van de overval betrokken was geweest en met het onderzoek werd belast, leidde het onderzoek bekwaam op een dood spoor. 314]
Op zondag 23 april reden Houwen, Raedts, Grijsbach, Moust en een onderduiker naar Heerlen. Hun was door de K.P.-Heerlen gevraagd de gearresteerde illegale werker Th. Crijns, die met verwondingen in het ziekenhuis lag, te bevrijden. Eerder op de dag had Houwen een gewonde piloot vervoerd, maar onderweg was hij zonder benzine komen te zitten. Voorbijgangers hadden een opvallende belangstelling getoond. Mogelijk had iemand de Duitse instanties gewaarschuwd. In ieder geval stond Ströbel in gezelschap van twee medewerkers aan de Maasbrug bij Roermond, toen Houwen en zijn medepassagiers daar in de loop van de middag arriveerden. Ze moesten stoppen en hun papieren laten zien. Op de vraag waar ze naar toe gingen antwoordde Houwen dat ze de Ortskommandant van Roermond ervan op de hoogte wilden stellen dat in Meijel een geallieerde piloot was neergekomen. Ströbel leek geloof te hechten aan de uitleg, maar nam de auto in beslag, omdat de papieren niet in orde waren. De K.P.-ers moesten te voet verder en maar zien hoe ze thuiskwamen. Houwen vroeg nog of ze de auto naderhand konden ophalen, wanneer zou blijken dat alles in orde was. Daarmee overspeelde hij zijn hand, want plotseling kreeg Ströbel argwaan. Hij onderwierp Houwen aan een spervuur van vragen. Moust en de onderduiker moesten uitstappen. Hun plaats werd ingenomen door een Sipo-beambte. Vervolgens begaf het gezelschap zich naar Roermond. Ter hoogte van het station sprong Houwen plotseling uit de auto en zette het op een lopen, achternagezeten door de Sipo-beambte. Grijsbach en Raedts bleven onbewaakt achter. De eerste wilde vluchten, de laatste niet. Grijsbach besloot het erop te wagen en vertrok. Even later keerde de Sipo-beambte met Houwen terug, diens vluchtpoging was mislukt. De vier arrestanten - Moust en de onderduiker waren door de twee andere Sipo-leden naar Roermond gebracht - werden overgebracht naar het bureau van de Feldgendarmerie. Raedts kon zich op het toilet nog net op tijd van belastend materiaal ontdoen. Na een eerste korte ondervraging vertrok Ströbel met zijn arrestanten naar Maastricht. De onderduiker werd na twee dagen vrijgelaten, hij stond overal buiten.
Houwen, Raedts en Moust werden opgesloten in de Duitse gevangenis. Ströbel, Nitsch en Elsholz namen de verhoren af. Aangezien Houwen bij zijn ontsnappingspoging een revolver had getrokken en een brief van een Britse piloot op hem was gevonden, concentreerde de aandacht zich op hem. Nitsch ging zich te buiten aan de vreselijkste mishandelingen en sloeg en schopte Houwen waar hij hem raken kon. Langzaam maar zeker zag hij zijn vermoedens bevestigd. Ook Raedts en Moust ondervonden de gewelddadigheden van de sadist aan den lijve. Begin mei 1944 liet Ströbel Houwen naar Vught overbrengen, omdat hij een bevrijdingsactie verwachtte. Nitsch zette daar de verhoren voort. Begin juni werd ook Raedts naar Vught overgebracht. Tijdens een van de verhoren sloeg Nitsch hem met een paal op zijn hoofd. Moust, die niets had losgelaten, belandde in Keulen. In juli werd hij naar Nederland teruggebracht en opgesloten in de bunker van het kamp Vught. Hij werd dertien keer ter dood veroordeeld, maar niet terechtgesteld. Moust belandde in september in het kamp Sachsenhausen, waar hij op 26 april 1945 werd bevrijd. Ook Houwen ontsnapte aan zijn doodvonnis en kwam in verschillende Duitse kampen terecht. Op 20 augustus, drie dagen voor de voltrekking van zijn vonnis - hij was zeven keer ter dood veroordeeld - slaagde Raedts erin samen met de Maastrichtse pilotenhelper J. Vrij uit Vught te ontsnappen. Hij dook met zijn gezin in de omgeving van Weert onder. 315] Aan de hand van de door Houwen afgelegde verklaringen hoopte Ströbel met hulp van infiltranten een grote slag te kunnen slaan in Helden en omgeving. Begin mei zond hij H.M. Meyers en C. Schut naar Helden. Ze moesten zich respectievelijk uitgeven voor piloot en onderduiker. Hun aanloopadres was de woning van de in Helden woonachtige Duitser Th. Michalak, die hen verder zou helpen. Veel succes hadden ze niet. De leden van de verzetsorganisatie waren zo kort na de arrestatie van de drie K.P.-ers uiteraard op hun hoede. Na enkele dagen keerden de twee infiltranten naar Maastricht terug. Ze noemden Ströbel ongeveer tien namen. 316]
Naast de genoemde twee zette de Sipo-chef nog drie landwachters in, H. Boere, H.J. Lebbink en J.G. Roseboom, die zich als onderduikers moesten voordoen. Lebbink kende de streek enigszins. Het drietal ging in de week van 7 mei aan de slag. Ze hadden meer succes dan Schut en Meyers. Ze kwamen veel aan de weet over de plaatselijke organisatie. 317] In de vroege ochtend van woensdag 17 mei 1944 begaven zich ruim honderd militairen, leden van de Ordnungspolizei uit Roermond, de vrijwel voltallige Sipo-Maastricht en de vijf infiltranten op weg naar Helden en arresteerden tweeënvijftig personen. Ze werden verdeeld in drie categorieën: onderduikers, zwarthandelaren en leden van de verzetsorganisatie. De laatsten, veertien in getal, werden verhoord door Nitsch. Zeventien van de tweeënvijftig arrestanten kwamen na korte tijd weer vrij. De overigen verdwenen naar kampen in Nederland en Duitsland. Zeven van hen overleefden de oorlog niet of stierven kort na de oorlog: A.M. Schilte (Sachsenhausen, 15 november 1944), Th.J. Kranen (Venray, 29 november 1946), G.H. van Diepen (Lübeck, 21 juni 1945), W. Lenis (Swarmstedt, 15 september 1944), F.P.M. van Cann (Bergen-Belsen, 31 maart 1945), A.J.A. van der Mullen (Bergen-Belsen, 31 mei 1945) en L. van Lee (Neustadt, 3 mei 1945). 318]
Vanzelfsprekend was de ontreddering groot. De organisatie was vleugellam geraakt. Egchel zat door de arrestatie van W.L. Schaareman zonder duikhoofd. De L.O.-er keerde pas na de bevrijding terug uit Duitsland. G.P.J. Engels volgde Houwen op, want plaatsvervanger G.M. Reijnders was maar ternauwernood ontsnapt en in Deurne ondergedoken. De K.P.-ers raakten verspreid over de omgeving. Sommigen kwamen op het landgoed “De Bedelaar” in Haelen terecht. Met H.J.H. Bouten, die inmiddels een knokploeg voor geheel Noord-Limburg had geformeerd, en enkele anderen overvielen ze in de nacht van 5 op 6 juli het distributiekantoor in Helden, dat na Houwens arrestatie minder scheutig met bonnen was geworden. De buit was aanzienlijk: zestien zakken met bonnen, bonkaarten, rantsoenbonnen, stamkaarten en inlegvellen. 319]
De rust keerde niet meer terug in Helden. Uit de verhoren maakte Nitsch op dat P.J.J. Hoebers aan sommige K.P.-acties had deelgenomen. Ook kwam hem de naam van een zekere Korsten ter ore. In de vroege ochtend van donderdag 10 augustus lichtte Nitsch, geassisteerd door vier leden van de Ordnungspolizei, Hoebers en P. Korsten in Helden-Panningen van hun bed. Korsten, vader van dertien kinderen, had evenwel niets met de K.P. te maken. De Korsten die Nitsch zocht was niet P. maar L. Korsten. Als eerste werd Hoebers uit zijn huis gehaald en na Nitsch’ commando “laufen, schneller laufen” voor zijn woning doodgeschoten. Hetzelfde lot trof P. Korsten. De lijken bleven op straat achter. Tijdens de executies werd een lid van de Ordnungspolizei door een van zijn collega’s in zijn been geschoten. 320] Op 15 augustus arresteerde de Sipo de L.O.-er P. Jacobs uit Beringe. Hij probeerde nog te vluchten, maar werd door een kogel geraakt. Op 6 september werd hij van Vught naar Sachsenhausen gedeporteerd. Op 18 juni 1945 stierf Jacobs in een herstellingsoord op Mainau, een eilandje in het Bodenmeer.
In de zomer kreeg Helden enkele malen bezoek van Berendsen c.s. Zij arresteerden verscheidene onderduikers. Het personeel van de marechaussee-groep Helden weigerde op 17 juni drie door Berendsen en Couperus gearresteerde onderduikers naar Maastricht te begeleiden. Er ontstond een woordenwisseling met wachtmeester Th. Janssen, die tenslotte na het uiten van dreigementen één marechaussee bereid vond de taak op zich te nemen. 321] Bij een grootscheepse razzia op 8 oktober pakten de Duitsers circa zeshonderd mannelijke inwoners van Helden en de omliggende dorpen op. Ze werden naar Duitsland afgevoerd om er dwangarbeid te verrichten. 322] Eind oktober begingen de Duitsers nog een laatste wandaad. Zes militairen schoten M. Wilms in Helden-Beringe dood. De jongeman had vooraf zijn eigen graf moeten delven, waarna hij was geblinddoekt en zijn handen op de rug waren gebonden.323] Enkele weken later, op 18 november, werd Helden bevrijd.

Meijel

De geschiedenis van de Meijelse duikorganisatie begon op een plaatselijke K.A.-bijeenkomst in juni 1943 toen de Lazarist pater J. Smeets uit Helden de verzamelde jongeren wees op de gevaren verbonden aan het werken in Duitsland. De meeste begrepen wat de pater in bedekte termen wilde zeggen en doken onder. Tot november 1943 leidde P. Jaspers de plaatselijke L.O. In verband met zijn aanstaande huwelijk legde hij zijn functie neer. G.J. Gooden en veldwachter Th. Bouts volgden Jaspers op. Samen reorganiseerden ze de L.O. en stelden ze A. van der Elzen, P. Verstappen en P. Pouls als wijkhoofden aan. Meijel telde ongeveer vijfenzeventig onderduikers.
In 1944 werden twee knokploegen opgericht: een door de L.O.-ers, die bestond uit mensen uit eigen kring, en een door wachtmeester W. Grift. Omwille van de coördinatie werden de twee groepjes, die samen dertien man telden, samengevoegd. De acties bleven beperkt tot het optreden tegen zwarthandelaren, het in brand steken van stroperserijen en het strooien van spijkers op de wegen ten tijde van de Duitse terugtocht. De plaatselijke bevolking was niet erg ingenomen met de K.P.-acties. Zo liep een overval op een zwarthandelaar uit de hand. Zijn beide zoons trachtten zich te verzetten en raakten gewond door pistoolkogels. Op 12 mei 1944 ging een stroperserij in vlammen op, waarbij weliswaar 150.000 kilo stro (elders is sprake van 15.000 kilo), bestemd voor het Duitse leger, verloren ging, maar ook een loods en de complete inventaris. De Sipo kondigde terstond strafmaatregelen aan en legde de inwoners van Meijel een boete van ƒ 8.000,- op. Nuttiger was de aanleg van schuilplaatsen in het voorjaar van 1944. Bij de grote razzia op de westelijke Maasoever van 8 oktober kwamen die goed van pas. Van infiltratie of verraad had de L.O.-Meijel geen last. Bij een razzia in augustus 1944 slaagde Gooden erin te ontsnappen. 324]
Tijdens de fronttijd kreeg Meijel het bijzonder zwaar te verduren. Doordat het front op en neer golfde, werd de plaats twee keer, op 25 september en op 27 oktober, bevrijd. Na de tweede bevrijding evacueerden de Britten de bevolking naar Noord-Brabant, omdat het er nog steeds gevaarlijk was.

Kessel

Zowel de L.O. als de O.D. stonden in Kessel onder leiding van P. Timmermans. Aangenomen mag worden dat hij voor beide functies vanuit Venlo was benaderd. Timmermans vond P.A. Bongers bereid in Kessel-Eik als wijkhoofd op te treden. Omdat Kessel herhaaldelijk met een gebrek aan duikadressen kampte, werden in de omliggende bossen enkele noodkampen aangelegd. De familie Schreurs verzorgde tweeëntwintg onderduikers in het kamp “Timmermans-bosch” en vijf in het kamp “Broek”. 325] In de nacht van 8 op 9 juli 1944 werd het gemeentehuis van Kessel, waarschijnlijk door een Brabantse knokploeg, overvallen. Met een ladder drongen de overvallers door een uitgesneden raam aan de achterzijde het gebouw binnen. De actie slaagde volledig: het complete bevolkingsregister, alle PB’s en zegels werden meegenomen. 326] Op 10 of 11 november 1944 begaf een Duitse officier zich in gezelschap van zijn adjudant in het bos bij Kessel-Eik, waar zij prompt onder vuur werden genomen. De officier bezweek aan zijn verwondingen, de soldaat overleefde de aanslag. Wie de schoten heeft gelost staat niet vast, mogelijk een of meer leden van de K.P., die in de bossen bij Baarlo en Kessel rondzwierven. Op 14 november pakten de Duitsers vader Christiaan en zoon Frans J.J. Schreurs op - hun boerderij lag in de buurt van de plaats waar het incident had plaatsgevonden - en namen hen mee naar Venlo. De Sipo beschuldigde F.J.J. Schreurs van de aanslag. De jongeman ontkende ten stelligste. Na zware mishandelingen vertelde hij dat in de bossen een kamp lag, waar tussen de vijftien en twintig gewapende personen vertoefden. Uiteindelijk gaf hij toe aan de schietpartij te hebben deelgenomen, aldus een naoorlogse verklaring van Nitsch. C. Schreurs kwam op 18 november vrij. F. Schreurs werd een dag later door C. Schut in het Venlose politiebureau doodgeschoten.327]

VIII.2.8. Rayon Maasbree en Baarlo

Maasbree

In Maasbree liepen de hulp aan onderduikers en krijgsgevangenen en de activiteiten van de O.D. door elkaar. 328] Ofschoon er in 1942 al enige onderduikers onderdak hadden gevonden, kreeg de hulpverlening een krachtige nieuwe impuls, nadat achtereenvolgens J.F.H. Mulders en J.W. Cox vanuit Venlo benaderd waren. Mulders, werkzaam op het gemeentehuis in Venlo sinds hij in Maasbree door de N.S.B.-burgemeester was ontslagen, woonde begin mei 1943 op verzoek van kapelaan Naus een vergadering bij in diens woning. Enkele weken later informeerde kapelaan Van Enckevort bij Cox, voorzitter van de plaatselijke K.A., die Van Enckevort kende van de katholieke landbouworganisatie, of hij duikadressen wist voor militairen uit Venlo. Aangezien Cox en Mulders elkaar kenden via de Nederlandsche Unie en hun anti-nazi en anti-N.S.B. houding niet voor elkaar verborgen hadden gehouden, kwam het al spoedig tot een bundeling van krachten. Beiden bezochten voortaan de vergaderingen in Venlo. In Maasbree konden ze voortbouwen op de helpers van krijgsgevangenen. De gemeente werd in gehuchten en wijken verdeeld. Mulders trad op als duikhoofd.
Cox’ bemoeienis met het duikkamp bij Helden werd hem in juli 1943 bijna noodlottig. In zijn plaats arresteerde de Sipo overste P. Cockx van het klooster “De Berckt”. Die zomer kwam de stroom onderduikers pas echt op gang. Tussen de twee- en driehonderd vonden in Maasbree onderdak, van wie er ruim vijftig korte of langere tijd in de woning van A.J. Thielen verbleven. Aanvankelijk waren de ingezetenen nauwelijks genegen onderduikers op te nemen. Toen de eigen jeugd steeds vaker het slachtoffer van de Duitse maatregelen dreigde te worden, groeide de bereidheid om te helpen. Naar verhouding kwamen veel personen uit het westen van het land in Maasbree terecht. De organisatie zat uitstekend in elkaar. Zo beschikte men over een recherchedienst, die de bevindingen aan het duikhoofd rapporteerde. Als er gevaar dreigde, werden aanvankelijk koeriers op pad gestuurd om te waarschuwen. Naderhand bedachten de L.O.-ers een minder omslachtige methode: de wieken van twee windmolens werden in de X-stand gezet. Maasbree had een postdienst, zodat onderduikers uit veraf gelegen gebieden zich minder geïsoleerd hoefden te voelen. De brieven moesten naar een gefingeerd adres worden gezonden. De postbode wist, dat deze “onbestelbare” brieven moesten worden afgeleverd bij het duikhoofd, die ze distribueerde. Landelijke illegale bladen, financiële middelen en distributiebescheiden bereikten Maasbree via plaatselijke koeriers of koeriers uit Venlo. Distributiebonnen en -kaarten ontving men ook wel van een medewerker van de plaatselijke distributiedienst. Met ambtenaren van het gemeentehuis bestonden goede contacten. De politie werkte passief mee. J.J. Engels, werkzaam op het voedselbureau, slaagde erin drieduizend kilo rogge ten behoeve van het district Venlo achterover te drukken. Doordat hij uit hoofde van zijn functie veel bij boeren kwam, kon hij de L.O. bovendien aan duikplaatsen helpen. In januari 1944 ontvreemdde hij in samenwerking met Cox een stel radio’s uit het gemeentehuis.
De L.O.-Maasbree ondervond weinig tegenslag. Alleen J. Mulders verdween in februari 1944 van het toneel naar aanleiding van de overval op het Venlose bevolkingsregister. Een verstandig besluit, want korte tijd later bracht de Sipo als gevolg van de arrestaties in Venlose L.O.-kringen een bezoek aan zijn woning. Mulders vertrok naar Maastricht waar hij een actieve rol in de L.O. speelde. In de laatste maanden voor de bevrijding trad de Maasbreese verzetsorganisatie steeds openlijker op. In september kraakten Engels en Cox het gemeentehuis opnieuw en ontvreemdden zegels, stempels, een schrijfmachine en tientallen PB’s. Verscheidene L.O.-ers raakten betrokken bij de activiteiten van de knokploegen en de O.D. in de regio. Gedurende de bezetting werden in totaal acht onderduikers gearresteerd of opgepakt voor de Arbeidsinzet. De organisatie zelf bleef van arrestaties gevrijwaard. 329]

Baarlo

De grondslag voor de L.O.-Baarlo was nog maar nauwelijks gelegd, toen het duikhoofd, G.Th. Dirkx, op 25 juli 1943 door Nitsch werd ingerekend op verdenking van betrokkenheid bij het onderduikerskamp in de Heldense bossen (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.2.). Tot 20 april 1944 verbleef Dirkx in het kamp Amersfoort. Zijn opvolger, G.J.M.J. Heines, steunde voornamelijk op helpers van krijgsgevangenen, onder wie J.M.H. Martens, medewerker van het voedselbureau en tot voor kort werkzaam voor Dirkx. In opdracht van Dirkx had hij enkele L.O.-vergaderingen in Venlo bezocht. De woning van zijn ouders, hotel-restaurant “De Molen”, deed al spoedig dienst als doorgangshuis voor krijgsgevangenen en als schuilplaats voor onderduikers. Heines beschikte over uiteenlopende verbindingen. Namens de gewestelijke L.O. trad hij op als verbindingsman met het kamp Vught en distribueerde hij het blad “Vrij Nederland”, dat hem werd toegezonden vanuit Zuid-Limburg. Hij legde contact met een knokploeg in het Gelderse Kesteren, waardoor aanzienlijke hoeveelheden bonkaarten, zegels en stamkaarten beschikbaar kwamen. De Venlose districtsleiding kon er zijn voordeel mee doen. Naast hotel-restaurant “De Molen” en talrijke particulieren herbergde klooster “De Berckt” eveneens onderduikers. C.M.J. Driessen nam een deel van de voedselvoorziening voor deze onderduikers voor zijn rekening. Hij leverde circa honderd varkens en uit koolzaad geslagen raapolie. 330]
In de loop van september 1944 raakten de meeste Baarlose L.O.-medewerkers betrokken bij de activiteiten van de knokploegen in de naburige bossen. Ze verrichtten allerlei hulpdiensten en zorgden voor onderdak en voedsel. Sommigen namen actief deel aan de K.P.-acties (zie hoofdstuk VII, paragraaf II.9.).

VIII.3. District Roermond

VIII.3.1. Voorgeschiedenis

In het vroege voorjaar van 1943 richtte aannemer-timmerman P.H.M. Linssen uit Beegden in de plaatselijke bossen een klein kamp in voor vluchtelingen en onderduikers. Het kampje was geen lang leven beschoren, want in april omsingelden Duitsers het bos. De bewoners konden ternauwernood ontkomen. Linssen liet zich door deze tegenslag niet uit het veld slaan. In de bossen tussen Beegden en Baexem verrees een houten keet, bestemd voor enkele joden. Voorts richtte hij een kamp in in de omgeving van “De Bedelaar” bij Haelen en nog een in de bossen tussen Beegden en Baexem bij het klooster Exaten. Landbouwer W.H. Heber uit Heel bouwde in de buurt van zijn boerderij een schuilplaats voor zes onderduikers. De twee kwamen spoedig met elkaar in contact en gingen samenwerken. Ze ondervonden steun van M.J.A. Rutten uit Heel, C.H. Delissen uit Beegden, W.J. Meevissen uit Horn en R. Roosjen en F.W.G. Verbruggen uit Roermond. Omdat er steeds meer verbindingen tot stand kwamen en de druk op jongeren en militairen toenam, liepen de kampen tegen de zomer vol. Tientallen onderduikers, afkomstig uit de wijde omtrek en uit het westen van het land, vonden er onderdak. Plaatselijke geestelijken als kapelaan L.J.A. Theunissen uit Grathem, kapelaan P.J.H. Coenen uit Heel en pater L.A. Bleijs uit Roermond namen de geestelijke verzorging voor hun rekening en zorgden voor boeken en huisraad.
Sommige jongeren namen het niet zo nauw met de eigen veiligheid en die van hun verzorgers. Een groepje zong op een kermis in een nabijgelegen dorp luidkeels “en dat we onderduikers zijn dat willen we weten”. In hun jeugdige naïviteit konden sommigen de drang naar avontuur en romantiek niet weerstaan. Toen de plaatselijke leiders van de kort tevoren opgerichte duikorganisatie ervan vernamen, luidden ze de noodklok. Tijdens een districtsvergadering in de zomer werd besloten af te zien van het huisvesten van onderduikers in kampen. Desondanks liep het toch nog mis. De in Duitsland geboren en in Horn woonachtige statenloze J.J. Schmitz zwierf regelmatig door de bossen bij Haelen om er klein wild te vangen. Het viel hem op dat zich steeds meer jongeren in de bossen bij “De Bedelaar” ophielden. Een confrontatie kon niet uitblijven. Schmitz had zich bedreigd gevoeld toen hij eens door vier personen met houten knuppels een eindje was gevolgd. Hij ging op onderzoek uit en ontdekte dat de jongeren in een volledig ingericht kamp woonden. Zijn bevindingen vertelde hij aan de N.S.B.-er G.H. Holla, een caféhouder uit Roermond en tevens afdelingscommandant van de Hulplandwacht, en aan het hoofd van de Roermondse politie, A. Roselle, die bij Holla op kamers woonde. Schmitz had de jongeren met boomstammen zien sjouwen en water naar ondergrondse holen zien dragen. Op verzoek van Holla en Roselle vervaardigde hij een plattegrond van het kamp met de precieze ligging. In juli bracht Roselle een bezoek aan de marechaussee in het rayon Heythuysen. De commandant wimpelde zijn verzoek om het kamp op te rollen af met het argument dat het buiten zijn gebied lag. Een collega sloeg echter terstond alarm, toen hij Roselles verhaal vernam. Het bericht verspreidde zich als een lopend vuurtje. De vijfenveertig onderduikers ontruimden het kamp en vertrokken naar een ander. Bij de evacuatie werd gebruik gemaakt van de overvalwagen van de Roermondse politie. De verwachte overval bleef echter uit en in augustus betrokken zesentwintig onderduikers opnieuw het kamp. Toen kapelaan H.L.J. Janssen uit Horn dit hoorde, gelaste hij de onmiddellijke ontruiming van het onderkomen. De districtsleiding was na de gebeurtenissen rond het kamp in de Heldense bossen tot het inzicht gekomen dat er te veel nadelen kleefden aan de huisvesting van onderduikers in kampen. Begin september werd het kamp voor de tweede keer verlaten. De veertig bewoners vonden onderdak bij boeren en particulieren in de omgeving. Alleen in het kampje bij het klooster Exaten zaten begin september nog zes onderduikers.
Na zijn vergeefse pogingen de marechaussee van Heythuysen in te schakelen, klopte Roselle bij de Sipo-Maastricht aan. Men had daar al meer inlichtingen ontvangen over kampen voor onderduikers in de bossen in Midden-Limburg. Een ontslagen jachtopziener uit Haelen en twee inwoners van Beegden hadden waarschijnlijk informatie verschaft over de andere kampen bij Beegden en Haelen. In de vroege ochtend van woensdag 8 september 1943 stuurde Ströbel zijn manschappen, geassisteerd door enkele tientallen leden van de Ordnungspolizei uit Maastricht erop af. De bossen tussen Haelen en Beegden moesten afgezet en uitgekamd worden. Voorts stonden razzia’s in Nunhem en Maasniel op het programma, want ook daar zouden zich onderduikers schuilhouden. Om 5 uur in de morgen arriveerden zes auto’s en een autobus van een garagehouder uit Echt bij de brug over de Roer in Roermond. Holla en Roselle voegden zich bij het gezelschap waarna men zich naar Horn begaf, waar twee commando’s werden samengesteld. Het ene, waarvan E. Elsholz, Roselle en Holla deel uitmaakten, trof bij “De Bedelaar” een leeg kamp aan. In Nunhem en Maasniel kon het commando evenmin aanhoudingen verrichten. Het tweede, waartoe Ströbel, Nitsch en Conrad behoorden, kamde de bossen vanaf het klooster Exaten tot voorbij Beegden uit. Achttien personen werden gearresteerd, onder wie vier onderduikers uit het kamp, enkele kloosterlingen en onderduikers die zich in het klooster ophielden en enkele inwoners van Beegden. Sommigen kwamen na enige tijd weer vrij; anderen verbleven tot ver in 1944 in het kamp Amersfoort en werden uiteindelijk naar Duitsland gedeporteerd. Tijdens het transport naar Duitsland slaagden twee kampbewoners erin te ontsnappen. Een van hen had gedurende zijn verblijf in het kamp in het bos een dagboek bijgehouden. Dat werd W.H. Heber en M.J.A. Rutten noodlottig. Zij werden op 17 september opgepakt. Heber overleed op 25 maart 1945 in Mauthausen en Rutten op 31 mei 1945 te Bergen-Belsen. Zijn vader, L.J.A. Rutten, viel eveneens in Duitse handen. Hij verbleef tot 7 oktober 1944 in Amersfoort. Linssen, die de rest van de bezetting hoog op de lijst van gezochte personen stond, was tijdig ondergedoken. 331]

VIII.3.2. Algemene geschiedenis van het district en rayon Roermond

Elders in Midden-Limburg verrezen in de eerste helft van 1943 eveneens kampen voor onderduikers, maar de meeste waren geen lang leven beschoren. De risico’s waren tè groot en in de herfst en de winter kwam men voor onoverkomelijke problemen te staan. Er moest naar structurele oplossingen worden gezocht. Dat kon uitsluitend binnen een organisatorisch raamwerk. In het voorjaar en het begin van de zomer van 1943 waren enerzijds spontane, maar niet altijd even gelukkige, initiatieven ontplooid, terwijl anderzijds sprake was van beter doordachte plannen en meer structurele ontwikkelingen. Vervolgens brak een fase aan waarin sommige van de spontane initiatieven werden geïntegreerd in de duikorganisatie en andere juist niet, zoals de duikkampen.
De opbouw van de L.O. in het district Roermond vertoonde veel overeenkomsten met die van het district Venlo. Wat de personele bezetting betreft vonden ook in Roermond talrijke O.D.-ers en helpers van vluchtelingen sedert de zomer van 1943 aansluiting bij de L.O. Pater Bleijs en secretaris Moonen namen het initiatief tot de oprichting van de duikorganisatie in Midden-Limburg. Na een bezoek van Hendrikx en Naus aan Roermond om de Venlose werkwijze toe te lichten, bezocht Bleijs vanaf de tweede helft van juni 1943 geestelijken in de regio op zoek naar geschikte krachten voor de duikorganisatie. Met onderwijzer L.F.J.H. Frantzen uit Horn, een gewezen activist van de Nederlandsche Unie, en kapelaan H.L.J. Janssen uit Horn vormde hij vanaf juni 1943 de districtsraad. Bij hun inspanningen kregen ze hulp van H.L. van Hooydonk, die achter de schermen veel nuttig werk verrichtte. Het district werd in acht rayons verdeeld met Roermond als centrum voor het gebied ten oosten van de Maas en Horn voor het gedeelte ten westen van de rivier. Bleijs trad op als districtsleider en onderhield de contacten buiten het district. Hij kreeg assistentie van Van Hooydonk. Frantzen en Janssen concentreerden hun aandacht op het gebied ten westen van de Maas. Kapelaan Janssen hield zich voornamelijk bezig met de coördinatie van de

Kaart 42. District Roermond: indeling in rayons
Kaart 42. District Roermond: indeling in rayons

hulp aan vluchtelingen, aangezien Horn een belangrijk knooppunt in de vluchtroutes vormde. Frantzen bekommerde zich om de onderduikers en onderhield contact met een groep jodenhelpers uit Delft, geleid door H.H. van der Wielen. In Horn en omgeving vonden circa honderdvijftig joden onderdak.
De praktijk wees uit, dat zo’n taakverdeling moeilijk te handhaven was. Bleijs had het veel te druk en moest zelfs af en toe verstek laten gaan op de gewestelijke en districtsvergaderingen. In januari 1944 traden H.L. van Hooydonk en J.A.H. Delsing uit Echt tot de districtsraad toe. Laatstgenoemde studeerde aan de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg, maar had geweigerd de loyaliteitsverklaring te tekenen. Hij was ondergedoken in Roggel en kreeg tot taak de organisatie van de L.O. op de oostelijke Maasoever te perfectioneren en Bleijs, bij verhindering, op de gewestelijke vergaderingen te vervangen. Van Hooydonk vertegenwoordigde het Nationaal Steun Fonds en was verantwoordelijk voor de voorzieningen in natura en de materiële verzorging van de ruim tweeduizend onderduikers in het district. Deze vijfkoppige districtsraad functioneerde slechts korte tijd: eind februari viel Bleijs weg en op 27 april 1944 arresteerde de Feldgendarmerie Delsing. De opengevallen plaatsen werden ingenomen door Th. van Helvoort uit Roermond en J. Hobus uit Roggel. Van Helvoort leidde op dat moment met veel succes de PB-sectie in het district, wellicht een reden hem in de districtsraad op te nemen. In overleg met ambtenaren in de regio had hij namelijk een vernuftig systeem bedacht om PB’s vrij te maken. Door overleden kinderen uit de decennia rond de eeuwwisseling administratief weer tot leven te wekken, konden gezochte personen uit de meest bedreigde leeftijdscategorie aan een betrouwbaar PB worden geholpen. Van Helvoorts werkwijze vond navolging in andere districten en gewesten. Tevens was hij belast met het zoeken naar een antwoord op de invoering van de Tweede Distributiestamkaart. Hierdoor kreeg hij verbinding met medewerkers van de zogeheten TD-groep. Voorts bezocht Van Helvoort namens zijn district de gewestelijke L.O.-vergaderingen. J. Hobus kreeg opdracht de L.O. in het oostelijk districtsdeel te reorganiseren naar het model van het westelijk deel. J.W.H. Frantzen uit Swalmen, een broer van de onderwijzer uit Horn, werd belast met de uitvoering van bijzondere opdrachten zoals het onderhouden van contact met de gevangenis te Maastricht. L. Frantzen en kapelaan Janssen moesten respectievelijk in mei en juli 1944 onderduiken, maar ze bleven op de achtergrond actief.
De L.O.-Roermond beschikte over veel medewerkers. Als duikhoofden traden J. Linssen, W. Jutjens, J. Cobben, F. Munnicks en kapelaan E.H.M. Vallen op; als koeriers onder anderen A.P. Wuts, E.H. van Wegberg, P. Kaanders, J. Delsing (tot diens overgang naar de districtsraad) en de dames M.M. Mulders, J.S. Huskens, H. Bremmers, J. Huijsmans en G.M. Jetten. Roermondse politiebeambten, onder wie Th.J. Bots, G. Verlinden, W.B. Heiligers, G.H.J. Munten en J.D.A. van Mierlo werkten mee, evenals enkele ambtenaren zoals G.H. van Appeven, geestelijken als de kapelaans A. Sars en E.A.G. van den Boorn en dominee H.Ch.J. Hoogendijk en particulieren als C.H.L. Hofman, R. Roosjen, J.H.M. Kuijper, H. Geraedts, H. Korsten en J.H.H. van Melick. Bonkaarten verkreeg men van de distributiekantoren in Echt, Horn, Tegelen en Linne. M.H. Pollaert drukte valse bonkaarten en andere papieren bescheiden. De N.S.F.-agent Van Hooydonk kreeg bij het afsluiten van leningen hulp van J.W.I. de Haan, een joodse onderduiker uit Deventer die met zijn gezin via Breda en Roermond in Roggel was beland. In de eerste acht maanden van 1944 haalde De Haan voor het Fonds maar liefst ƒ 300.000,- op, verdeeld over honderdvijfenzeventig leningen en giften. In totaal bracht het district Roermond bijna ƒ 500.000,- ten behoeve van het N.S.F. bijeen. Van veel betekenis was tenslotte het inlichtingenwerk. Door technische foefjes lukte het de L.O. de telefoon van politiecommissaris Roselle en de plaatselijke afdelingen van de N.S.B. en N.S.D.A.P. af te luisteren, waardoor veel onheil kon worden voorkomen. Bovendien kon men dank zij het telefoneersysyteem van J. Hendrikx door het hele land bellen. Het telefoonnet van de Provinciale Limburgse Electriciteits Maatschappij (P.L.E.M.) bleek voor de L.O., de O.D. en de inlichtingendienst Albrecht in de laatste maanden van 1944 van onschatbare waarde. 332]
In december 1943 gaf pater Bleijs de Roermondse rechercheur van politie M.H. Schmitz opdracht een knokploeg te vormen. Het groepje zou slechts kleinschalige acties moeten uitvoeren, want secretaris Moonen had bij herhaling te kennen gegeven tegen K.P.-acties te zijn. Die pasten volgens hem niet in de aard van het verzet en zouden slechts de aandacht van de Sipo trekken. Schmitz vond A. Reulen, J.P.H. Frencken en J.M.P. de Bie bereid deze taak op zich te nemen. Reulen en Frencken, beide afkomstig uit Maasniel, maakten zowel deel uit van de O.D. als van de L.O. De twee hadden zich voordien beziggehouden met hulp aan vluchtelingen. De Bie was een kantoorbediende uit Maastricht en werkte voor de L.O. en de Belasting Groep Maastricht. In het najaar van 1943 was hem gevraagd inlichtingen te verzamelen over het vliegveld Venlo en ter plaatse een knokploeg op te richten. Het laatste was vanwege verraad niet gelukt. In december vertrok hij naar Roermond. Omdat K.P.-acties op last van de geestelijke leiding tot een minimum beperkt moesten blijven en het drietal met de armen over elkaar zat, bracht de Roermondse districtsleiding hen in januari 1944 via de landelijke K.P.-leider Th. Dobbe in contact met F. Conijn uit Alkmaar, die op dat moment een K.P. in Noord-Holland formeerde. De drie maakten sindsdien deel uit van de K.P.-Alkmaar, maar ze hielden zich beschikbaar voor eventuele acties in Limburg. 333]
In januari 1944 bereikte de Roermondse K.P. het bericht, dat in Haelen problemen waren ontstaan met betrekking tot PB’s. Ambtenaren hadden blanco PB’s ter beschikking gesteld van de L.O., maar over het hoofd gezien dat diezelfde PB’s aan de beurt waren om uitgegeven te worden. Terugleggen kon niet, omdat sommige PB’s al een nieuwe eigenaar hadden. Bovendien was bekend dat men in Den Haag met een nijpend tekort aan PB’s en distributiebonnen kampte. Een overval op het gemeentehuis van Haelen leek de beste uitweg. In overleg met de Haelense marechaussee H. Soethout, mejuffrouw J.S. Huskens uit Boukoul, A. van de Bussche en J. Koopmans - twee op drift geraakte illegale werkers uit het midden en westen van het land - bereidden de drie Roermondse K.P.-ers en M.H. Schmitz de actie tot in detail voor. Op vrijdag 18 februari 1944 rond het middaguur stopte een auto met de drie K.P.-ers voor het Haelense gemeentehuis. Reulen, gekleed in een Duits officiersuniform, belde aan. De N.S.B.-burgemeester A.J.M. Tendijck deed open. Reulen vroeg in zijn beste Duits of hij kon telefoneren met zijn collega’s in Roermond. Tendijck koesterde geen argwaan. Toen Reulen eenmaal binnen was, volgden de andere twee. De burgemeester en zijn wethouder werden overmeesterd en ontwapend. Ze moesten de kluis openen, waaruit de K.P.-ers circa zeshonderd PB’s, tweeduizendzeshonderdvijftig zegels voor PB’s, distributiestamkaarten en een geldbedrag van ƒ 98,- wegnamen. Een gedeelte van het bevolkingsregister gooiden ze in de kachel. De burgemeester en de wethouder werden in de kluis opgesloten. Pas nadat er een gat in de muur was gekapt, kon het tweetal in de loop van de middag uit zijn benarde positie worden bevrijd. De enigszins gezette wethouder kon er tot vermaak van de toegestroomde nieuwsgierigen maar net doorheen. Naspeuringen door de Sipo-Den Bosch leverden niets op. Soethout en zijn collega P.J. van Hegelsom leidden het onderzoek op een dood spoor. Soethout was immers zelf bij de overval betrokken. Diezelfde avond haalde M.H. Schmitz de buit op bij mevrouw A. Teuwen-Boonen in Roermond. Volgens afspraak zou koerierster J.S. Huskens de PB’s de volgende dag bij Schmitz ophalen. Toen ze aanbelde, deed mevrouw Schmitz open. Ze bezwoer Huskens de PB’s niet naar het afgesproken adres in Den Haag te brengen. Het zou een valstrik zijn. Was Schmitz dan niet te vertrouwen? Ze wist het niet. Aangezien de drie overvallers hadden verzuimd de gemeentestempel van Haelen mee te nemen, kon men vooralsnog niets met de PB’s doen. Door een list lukte het Huskens naderhand alsnog de stempel te bemachtigen en er een afdruk van te laten maken. 334]
De sfeer binnen de K.P.-ploeg werd er niet beter op toen Schmitz na de overval bij Reulen en Frencken bleef zeuren om levensmiddelenkaarten. Zij wisten niet waar ze die vandaan moesten halen; ze konden zelf amper de eindjes aan elkaar knopen. Toen begin mei 1944 bovendien aan het licht kwam dat de politierechercheur geld, bestemd voor Reulen en Frencken, had achtergehouden, verslechterde de verhouding tussen de twee en Schmitz nog meer. Sommige medewerkers uit de groep rond pater Bleijs verdachten Schmitz zelfs van verraad, toen Reulen en Frencken op 22 mei in Amsterdam door landwachters werden gearresteerd. Wat was er namelijk gebeurd? Reulen, Frencken en De Bie reisden die dag naar Amsterdam in opdracht van Schmitz. Op het station werden ze opgewacht door mejuffrouw A. IJzerdraat, een medewerkster van Conijn. Ze had twee pistolen voor Reulen en Frencken bij zich. De Bie, kennelijk belast met een andere opdracht, ging alleen de stad in. Omdat IJzerdraat de pistolen liever niet op het station wilde afgeven, vroeg ze de twee met haar mee te gaan naar een adres aan de Van Breestraat, waar ze bonnen moest afgeven aan een L.O.-medewerkster. Ze wist niet dat leden van de Landwacht, op grond van een anonieme tip dat een L.O.-medewerkster dit adres zou bezoeken, daar inmiddels post hadden gevat. IJzerdraat vroeg de twee buiten te wachten. In de woning werd ze meteen overmeesterd. Toen het wachten te lang duurde, belden Reulen en Frencken aan. Hen wachtte hetzelfde lot. Tijdens de verhoren gaven ze toe voor de Alkmaarse K.P. te werken en bekenden ze hun rol in de overval te Haelen. Op 10 juni 1944 werden ze ter dood veroordeeld en dezelfde dag in de duinen bij Bloemendaal doodgeschoten. IJzerdraat verbleef tot de bevrijding in kampen in Duitsland. 335]
Ofschoon tegen Schmitz geen enkel bewijs geleverd kon worden, stond menigeen de merkwaardige arrestatie van districtsleider J. Delsing op 27 april 1944 nog helder voor de geest. Die ochtend vond in hotel-café “De Beurs” van J. Bronckhorst aan de Markt in Roermond een bespreking plaats tussen Delsing, de Venlonaren kapelaan Naus en politierechercheur H. Pollaert, beiden ondergedoken in Roermond, Reulen, Schmitz en politieman Heiligers. Sommigen hadden belastende papieren op zak. Omstreeks 11.30 uur - kort tevoren had Bronckhorst de aanwezigen het jongste exemplaar van “Trouw” ter hand gesteld - stapten twee leden van de Feldgendarmerie het café binnen. Ze liepen rechtstreeks naar de tafel, waaraan ook Delsing zat. Iedereen moest zijn persoonsbewijs tonen, maar alleen Delsing werd gefouilleerd. Op hem werden twee exemplaren van Trouw en een brief gevonden. Hij moest mee, de overigen liet men ongemoeid. Tijdens zijn verblijf in Maastricht kreeg Delsing het zwaar te verduren. Nitsch wilde tegen elke prijs weten wie de aanslag op de N.S.B-er F.J. Nizet uit Echt op 23 januari 1944 had gepleegd. Delsing liet niets los. Via Vught kwam hij in Duitsland terecht waar hij in verschillende kampen verbleef. In het voorjaar van 1945 werd hij bevrijd. 336]
Meer dan van de kant van Schmitz, wiens rol in nevelen bleef gehuld, dreigde gevaar van de zijde van het plaatselijk A.K.D.-commando en van de Hulplandwacht van G.H. Holla. Tussen 8 november 1943 en 30 augustus 1944 arresteerden deze twee groepen bijna honderd personen, van wie de meesten op transport gesteld werden naar Amersfoort. Holla verschafte van tijd tot tijd inlichtingen. De Sipo arresteerde waarschijnlijk op grond van een van zijn aanwijzingen in juni 1944 de L.O.-medewerker P.A.J. Janssens en een onderduiker uit Rotterdam. Het lot van laatstgenoemde staat niet vast; Janssens kwam op 6 januari 1945 om het leven in het kamp Sachsenhausen. 337]
De Roermondse L.O. bleef evenmin verschoond van infiltratie. Op grond van door J. de Heus verstrekte inlichtingen arresteerde de Sipo-Den Bosch op 9 juni 1944 een aantal medewerkers van de Roermondse illegaliteit. De Heus, die enige tijd in Roermond als chauffeur had gewerkt en in 1942 of 1943 aansluiting had gevonden bij de “Oranje Vrijbuiters”, een buiten Limburg werkzame verzetsgroep, was in augustus 1943 in Utrecht gearresteerd. Een groot deel van zijn groep was die zomer opgepakt. De Heus bood de Sipo zijn diensten aan. Begin 1944 trad hij in dienst van de Außenstelle-Den Bosch. Hij kreeg opdracht te infiltreren in hem bekende verzetskringen. De Heus dook zogenaamd onder bij een voormalig lid van de “Oranje Vrijbuiters” in Nijmegen en legde er zijn oor te luisteren. Van een pater uit Wijchen vernam hij van het verzetswerk van J.E. Janssen uit Roermond, filiaalhouder van de Edah, een winkelketen in koloniale waren. Aangezien hij goed bekend was in Roermond, bracht hij eind mei een bezoek aan Janssen. De winkelier liet niets los, omdat de pater uit Wijchen De Heus niet vertrouwde en Janssen inmiddels had gewaarschuwd. De Heus zette door en zocht kennissen op van wie hij wist of vermoedde dat ze illegaal werkzaam waren. Zo bezocht hij het echtpaar Dahmen en het café van C.H.L. Hofman. Bij Dahmen diste hij het verhaal op dat hij onlangs uit de gevangenis van Scheveningen was ontsnapt. De echtelieden konden het niet eens worden over de vraag of De Heus betrouwbaar was. Laatstgenoemde stelde vast dat zich geallieerde vliegeniers en joodse onderduikers in de woning ophielden. Medewerkers van de Roermondse illegaliteit als L.F.J.H. Frantzen uit Horn gebruikten de ruime woning namelijk regelmatig als doorgangshuis voor geallieerde vluchtelingen. Wat hij bij Dahmen had gezien, aangevuld met op andere adressen ingewonnen informatie, speelde De Heus door aan zijn opdrachtgevers. Op 9 juni 1944 sloeg de Bossche Sipo toe en arresteerde Hofman en zijn zoon Harrie - laatstgenoemde kwam spoedig weer op vrije voeten - Janssen, Dahmen en twee bij hem ondergedoken joden. De gemeenteambtenaar G.H. van Appeven, die Dahmen PB’s leverde, trof hetzelfde lot toen hij die avond de woning van Dahmen betrad. Drukker H.J. Pollaert werd aangehouden op grond van in Dahmens woning aangetroffen drukwerk met zijn firmastempel. Voorts arresteerde de Sipo de O.D.-er M.E.J.M. Stoffels, een medewerker van Dahmen en Van Appeven. Janssen, die in eerste instantie werd beschuldigd van hulp aan piloten, moest toegeven dat hij in het voorjaar had ingestemd met een gefingeerde overval op zijn winkel door J.D.A. van Mierlo, waarbij een grote hoeveelheid distributiebonnen was buitgemaakt. Janssen en Stoffels werden op 11 augustus en Dahmen op 19 augustus 1944 te Vught gefusilleerd. P. Weyl, een van de joden die bij Dahmen was gearresteerd, kwam op 20 maart 1945 om het leven in Dachau. Zijn zus Thea overleefde de oorlog evenals G. van Appeven, die op 26 april 1945 in Sachsenhausen-Rathenau werd bevrijd. Hofman en Pollaert waren op 6 augustus 1944 wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. 338]
Eind juni/begin juli 1944 speelde zich voor het station in Roermond een wild-west tafereel af, een gevolg van een actie tegen de provocateur W. Marcus. Nadat J.G. de Groot uit Heerlen een mislukte poging had ondernomen naar Engeland uit te wijken en korte tijd in gevangenschap had doorgebracht, richtte hij in Den Haag een falsificatiebureau en een inlichtingendienst op. Hij beschikte over verbindingen door het hele land, onder meer met een illegale organisatie in Eibergen. W. Marcus, die eerder door de Sipo-Arnhem was opgepakt in verband met zwarthandel en sindsdien voor de Sipo werkte, slaagde erin het vertrouwen te winnen van deze groep in Eibergen. De Groot gaf opdracht de gangen van Marcus na te gaan, toen er twijfels rond zijn persoon rezen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de man inderdaad onbetrouwbaar was. Nog voordat De Groot kon waarschuwen sloeg de Sipo op 20 april toe in de Achterhoek. In overleg met de K.P.-er J.R.P. Crasborn uit Heerlen stelde De Groot een plan op om Marcus te ontvoeren en te verhoren. De infiltrant werd uitgenodigd naar Roermond te komen, waar Crasborn in een auto zou wachten. Klaarblijkelijk vreesde Marcus voor een aanslag, want het lukte De Groot niet hem te overreden mee te gaan naar Crasborn. Er werd een nieuwe afspraak gemaakt, ditmaal in Hotel de la Station in Roermond. Klaarblijkelijk was Marcus er nu van overtuigd dat de illegaliteit het op zijn leven had gemunt. Hij lichtte de Sipo-Arnhem in, die op haar beurt de Maastrichtse Sipo op de hoogte stelde. Nitsch, Schut en enkele andere Sipo-leden begaven zich op de dag van de afspraak naar Roermond. Een medewerker van de Sipo-Arnhem en Marcus waren ter plaatse. Schut posteerde zich met een machinepistool op het Stationsplein. De overige Sipo-beambten namen plaats op het terras van het hotel. Marcus en zijn begeleider wachtten binnen op de komst van De Groot. Omdat de anderen De Groot niet kenden, moest Marcus hem identificeren. De Groot verscheen op het afgesproken tijdstip en fietste langzaam voor het hotel op en neer. Hij vertrouwde het zaakje niet. Nitsch verbaasde zich weliswaar over de telkens voorbij rijdende fietser, maar hij wist niet dat het De Groot was. Plotseling kwam het Arnhemse Sipo-lid naar buiten en zei dat de gezochte persoon zoëven voorbij was gefietst. Toen De Groot opnieuw naderde nam Nitsch hem onder vuur, maar trof geen doel. De Groot maakte zich uit de voeten en ontkwam, de fiets achterlatend. Gelukkig voor hem stond Schut met de rug naar Nitsch. Hij toonde meer aandacht voor andere zaken. Pas na het schot van Nitsch draaide Schut zich om, begon wild om zich heen te schieten en verwondde drie voorbijgangers. 339]
Op grond van de verklaringen die Nitsch en Schut in Vught uit de op 21 juni te Weert gearresteerde L.O.-leiders en andere arrestanten hadden geranseld, aangevuld met anonieme tips en inlichtingen van onder anderen Holla, ondernam de Sipo-Maastricht op 10 augustus 1944 een grootscheepse actie in Roermond. Die dag werd niet alleen secretaris Moonen opgepakt, dat lot trof ook W.R.H. Smeets en zijn echtgenote J.H. Smeets-Hendrikx, exploitanten van hotel “Het Gouden Kruis” aan de Kapellerlaan. “Het Gouden Kruis” deed al geruime tijd dienst als doorgangshuis voor vluchtelingen en joden en bood onderdak aan onderduikers. Er vonden regelmatig districts- en gewestelijke L.O.-vergaderingen plaats. Eind juli waren leden van de A.K.D. en de Landwacht het hotel al eens binnengevallen, omdat in N.S.B.-kring al enige tijd het gerucht de ronde deed dat er onderduikers zaten. Twee personen uit Nijmegen waren toen aangehouden. 340] In de vroege ochtend van 10 augustus zetten Ströbel, Conrad, Schneider en Unger, bijgestaan door leden van de Grüne Polizei, het hotel af. Ze arresteerden naast het echtpaar Smeets tussen de tien en vijftien personen, onder wie enkele joden en de illegale werker C. van Donselaar. Op 2 september werden de arrestanten naar Vught overgebracht en vandaar naar de kampen Sachsenhausen en Ravensbrück. Mevrouw Smeets overleed op 19 februari 1945 in Ravensbrück. De heren Smeets en Van Donselaar overleefden de Duitse kampen. Het lot van de meeste andere arrestanten staat niet vast.
Na de overval op het hotel volgden huiszoekingen in Roermond, Maasniel, Posterholt, Beegden en Wessem. Veel leverden die niet op. Op een kasteel-boerderij in Schöndeln hielden de Sipo-leden twee of drie personen aan en in Wessem drie joden die ondergedoken zaten in de woning van H. Roosendaal. De tip voor de laatste aanhoudingen was vermoedelijk afkomstig van een landwachter uit Montfort. 341]
In het najaar verslechterde de algemene situatie snel. Het gebied op de oostelijke Maasoever werd bij Duitsland ingelijfd. Razzia’s en arrestaties waren aan de orde van de dag. Menigeen nam Russische dwangarbeiders, die uit Duitsland waren overgebracht om versterkingen aan de Maas aan te leggen, in huis. Van tijd tot tijd kwamen Duitse militairen, N.S.B.-ers en elementen uit de bevolking die er voordeel uit hoopten te halen daar achter, wat tot nieuwe arrestaties leidde. In een enkel geval hielpen opgepakte Russen de Duitsers bij hun zoekacties. C. Raab, bakker J. Brummans en zijn echtgenote, de arts A.E.A.M. Wong Lun Hing en zijn zoon Dolf werden er het slachtoffer van. Raab kwam op 3 maart 1945 in een gevangenis in Keulen om het leven. 342]
Met de komst van een bataljon parachutisten onder commando van majoor U. Matthaeas ontstond in Roermond een grimmige, welhaast lugubere sfeer. De majoor beklaagde zich er bij zijn meerderen over dat de mannelijke bevolking een bedreiging in de rug van zijn soldaten vormde. Een van zijn ondergeschikten, F.W. Held, oefende in december een ware terreur uit onder de Roermondenaren. Hij kreeg hulp van twee inwoners, die hem allerlei tips gaven. Op 17 december viel kapelaan A.J.A. Sars in handen van de parachutisten. Sars en Held waren al eerder met elkaar in botsing gekomen. Held had een geschikt moment afgewacht om Sars op te pakken. De kapelaan stierf op 23 april 1945 in Passau. Op 18 december werd de L.O.-medewerker dominee H.Ch.J. Hoogendijk gearresteerd. Hij overleed op 10 april 1945 in Buchenwald. Op 28 december nam Held pater G.H.A. van den Heuvel in hechtenis. Van den Heuvel kwam op 6 maart 1945 om in de gevangenis van Keulen. Tenminste acht andere Roermondenaren verdwenen door toedoen van Held en zijn twee Nederlandse trawanten achter tralies. Bovendien maakten zij zich schuldig aan plunderingen. 343]
Rond Kerstmis 1944 speelde zich een macaber drama af. Vanwege het oorlogsgeweld - de Maas vormde al ruim een maand de frontlijn - en door het gedrag der parachutisten hield nagenoeg de hele Roermondse bevolking zich schuil in kelders. Sommigen maakten van de gelegenheid gebruik om te stelen. Terwijl de een in positieve zin boven zichzelf uitgroeide, zonk een ander naar een absoluut dieptepunt. Om het vege lijf te redden wees een wegens diefstal opgepakte marskramer de schuilplaats aan van elf Roermondenaren, die onder de vloer van een schoollokaal aan het Schoolpad zaten. Eén jongeman wist te ontsnappen. De overige tien en twee andere arrestanten moesten op Tweede Kerstdag voor een inderhaast samengesteld standgerecht verschijnen. Het vonnis stond bij voorbaat vast. Matthaeas wilde alle mannen uit de voorste frontlijn verwijderen en greep zijn kans. De twaalf onschuldigen werden ter dood veroordeeld wegens illegale activiteiten. Matthaeas liet ze dezelfde dag nog in de bossen bij het Duitse grensplaatsje Elmpt doodschieten. De volgende dag liet hij daar nòg twee personen, onder wie een Pool, executeren. Na de bekendmaking van het vonnis en het bevel dat alle mannelijke inwoners van Roermond en Maasniel in de leeftijd van 16 tot 60 jaar zich vóór 30 december 16.00 uur op de Ortskommandantur moesten melden op straffe des doods ging er een golf van ontzetting door de stad. Op 30 december begaven zich zevenentwintighonderd Roermondenaren te voet op weg naar Wuppertal, waar ze tewerkgesteld werden. 344]
De L.O. kon in deze omstandigheden weinig meer doen. In feite was iedereen onderduiker. Ieder moest zelf zien te overleven. Toen in januari 1945 bekend werd dat het gebied ontruimd zou worden, had men de keus tussen achterblijven, het Duits bevel opvolgen of trachten bevrijd gebied te bereiken. Die laatste optie was wellicht de gevaarlijkste. Op 20 januari hielden parachutisten van Matthaeas, die zich inmiddels in een molen bij Linne had gevestigd, ter hoogte van Maasbracht de oud kabinetschef van de Commissaris van de Koningin in Limburg R.A.Ch. van den Boorn en bankfiliaalhouder baron F.M.M. van Lamsweerde, beide uit Roermond, aan. Van Lamsweerde had ƒ 60.000,- bij zich voor schippers in Maasbracht. Het geld werd hem afhandig gemaakt. Matthaeas liet de twee ter plaatse doodschieten. 345] Anderen hadden meer geluk en bereikten heelhuids bevrijd gebied.

VIII.3.3. Rayon Maasniel en Swalmen

In Maasniel trad mejuffrouw W.E.M. van de Voort op als duikhoofd van de plaatselijke L.O., die intensief samenwerkte met de L.O.-Roermond. Gemeenteambtenaar J.H.H. van Melick, J. Engelen, G. Gorris, J.W. Engelbarts, J. Reinders en Th. Haagmans en de kapelaans S.H.A. Spee, C.F.J. Janssen en M.P. Pijpers hielpen haar. Als onderwijzeres en actief deelneemster aan het verenigingsleven kende Van de Voort veel plaatsgenoten. Het was niet moeilijk duikadressen te vinden. Honderden onderduikers, afkomstig uit Limburg, de Achterhoek en het westen van het land, vonden onderdak in Maasniel. Het dorp deed dienst als “afzetgebied” voor Roermond. Dank zij de uitstekende samenwerking met de bisschopsstad en de medewerking van de bevolking kende de L.O.-Maasniel geen problemen bij het verkrijgen van distributiebonnen, valse papieren en financiële middelen. 346]
In 1944 nam de druk op de organisatie toe. Eind april moest Van Melick onderduiken, omdat zijn administratieve malversaties aan het licht dreigden te komen. In de zomer doken kapelaan Pijpers en mejuffrouw Van de Voort onder. Een inwoner van Maasniel, die zich had aangemeld bij de Nederlandsche S.S., had hun namen genoemd en dreigde nog meer onheil te stichten. Na overleg met secretaris Moonen werd de jongeman geliquideerd. Hetzelfde overkwam een N.S.B.-er die was binnengedrongen in een groep onderduikers in de bossen bij het gehucht Asenray. Pijpers en Van de Voort vertrokken naar Amsterdam. Medio september keerden ze naar Limburg terug. Kort daarop werden ze in Weert bevrijd. 347]
Op 29 juli 1944 hield de Sipo-Maastricht, vergezeld door G. Holla en de politiebeambten A. Roselle en G. Verheesen, een razzia. Acht personen werden gearresteerd en twee uit hun woning gezet. Met bruut geweld en intensieve verhoren hoopte de Sipo meer aan de weet te komen over de plaatselijke illegaliteit. Noch de huiszoekingen noch de verhoren leverden iets op. De meeste arrestanten kwamen na enige tijd weer vrij. Twee personen zaten begin september nog steeds vast in Maastricht. Zij werden bij de overval op het Huis van Bewaring bevrijd. Een derde arrestant, de 51-jarige J.M. van Laar, was op 8 augustus in dezelfde gevangenis aan een hartverlamming overleden. 348]
De Sipo-Maastricht leidde sedert begin september een min of meer zwervend bestaan. Tijdens het verblijf in Maasniel, medio september, schoten Nitsch, Conrad en Fiebig in de buurt van de Duitse grens drie jeugdige inwoners van Sittard, F.J.A. Clemens, M.H.F. Schadron en F.M.C.M. Eijck, neer. De drie waren op 18 september naar het centrum van hun woonplaats gegaan om de bevrijding te vieren. Sittard was op dat moment nog niet helemaal gezuiverd van Duitsers. Ongeveer dertig Duitse militairen arresteerden die avond twintig inwoners, toen ze vernamen dat een wapenbroeder door burgers was doodgeschoten. De arrestanten werden aan verschillende instanties overgeleverd. Genoemd drietal viel in handen van de Sipo. Waarschijnlijk vonden de executies plaats op of omstreeks 20 september. De volgende dag berichtten twee Duitse politiemannen de Sipo dat er twee lijken en een zwaargewonde aan de Duitse grens lagen. Nitsch of Schut begaf zich naar de plaats des onheils en schoot de zwaargewonde alsnog dood. 349]
Kort na het vertrek van de Sipo uit Maasniel ontdekten twee Duitse militairen bij de boerderij van J.H. Smeets enkele wapens, die door onderduikers in de bossen waren verstopt. Op dinsdag 26 september verscheen de Sipo ter plekke. Na verhoor werden J.H. Smeets en de onderduiker P.J. Peeters wegens verboden wapenbezit in de buurt van de Duitse grens doodgeschoten.350]
Het laatste slachtoffer van de Duitse terreur was H. Strijbos. Medio december trachtten twee dronken militairen ’s nachts bij kaarslicht een motor te repareren in een schuur met munitie en explosieven. De kaars viel om en de motor vatte vlam. Er volgde een hevige explosie. De twee militairen konden zich bijtijds in veiligheid brengen, maar de eigenaar van de schuur, C. Engels, kwam om het leven. Tegenover hun superieuren beweerde het tweetal slachtoffer van sabotage te zijn geworden. Een zoekactie leverde niets op. Om te voorkomen dat er sancties tegen hen zouden worden genomen, arresteerden de twee begin februari 1945 H. Strijbos, die in de omgeving was ondergedoken. Hem werd prompt de sabotage in de schoenen geschoven. Srijbos werd op 25 februari op last van de bataljonscommandant U. Matthaeas in de bossen bij het gehucht Maalbroek doodgeschoten. 351]
In Swalmen stonden J.W.H. Frantzen, R.J. Suilen en de kapelaans J.G. Stevens en H.J.J. Vercoulen aan de wieg van de duikorganisatie. Later in de oorlog kregen ze steun van kapelaan H.H. Opveld, die uit St. Odiliënberg was overgekomen. Diverse inwoners van Swalmen hielpen mee bij de werkzaamheden. Dank zij de uitstekende verbindingen met de Roermondse L.O. ondervond de Swalmense organisatie nauwelijks problemen. Het lukte Suilen, Frantzen en hun helpers steeds voldoende duikadressen te vinden. Veel dorpelingen doken trouwens op eigen houtje onder en waren niet of nauwelijks afhankelijk van de L.O. In totaal herbergde Swalmen circa honderdvijftig onderduikers, van wie een klein aantal uit het westen van het land. Onder hen bevonden zich enkele joden. 352]
Vanwege de centrale ligging kreeg Swalmen in de zomer van 1944 steeds vaker bezoek van de provinciale leiders van L.O., K.P. en O.D. Zij vonden onder meer onderdak in een door Suilen aangelegde schuilplaats, bij de familie Poels op hoeve “De Baxhof” aan de rand van het dorp en bij de arts H.H.J. Crasborn. 353] Klaarblijkelijk bleef het dermate rustig in het dorp dat de bezetter er weinig of niets van merkte. Niettemin kwam het in de zomer van 1944 tot enkele incidenten. Op 5 augustus hielden vier landwachters een illegale werker uit Vlodrop, H.L. Polak, aan. Een van hen had hem herkend en wist dat de Sipo hem zocht. Terwijl de vier de papieren van Polak controleerden, arriveerde uit de richting Roermond een auto met politiecommissaris Roselle. Hij vroeg het viertal om uitleg. Polak greep zijn kans en maakte zich uit de voeten. Een van de landwachters opende het vuur en trof hem in zijn been. Op 6 september werd Polak vanuit Vught naar Sachsenhausen gedeporteerd. Hij maakte eind april de barre evacuatietransporten mee. Op 2 mei 1945 werd Polak door Russische militairen bevrijd. 354] Op 16 augustus arresteerde het commando-Berendsen in Swalmen de onderduiker A. van den Munckhof uit Venray. Hij kwam op 24 januari 1945 in het kamp Neuengamme om het leven. 355]
De eerste razzia’s vonden plaats in de nazomer, toen het gebied op de oostelijke Maasoever bij Duitsland was ingelijfd. Men had het niet gemunt op onderduikers, maar op mannelijke inwoners die verdedigingswerken aan de Maas moesten aanleggen. De organisatie bleef vooralsnog intact. Gedurende de fronttijd, die in oktober aanbrak, raakten alle verbindingen in het ongerede. 356]

VIII.3.4. Rayon Echt, Koningsbosch, Ohé en Laak, Roosteren en Susteren

Omtrent de L.O.-Echt zijn slechts zeer onvolledige gegevens beschikbaar. Zeker is dat de P.T.T.-ambtenaar A. Engelen in juni 1943 in opdracht van kapelaan E.A.F. Goossens de oprichtingsvergadering van de L.O. te Roermond bezocht. Hij gaf sindsdien leiding aan de L.O. in Echt en kreeg steun van vluchtelingenhelpers en enkele distributieambtenaren, zoals L. Vos en W. Hermkens. 357] Engelen moest uiterst behoedzaam te werk gaan, omdat er fanatieke N.S.B.-ers in de gemeente woonden. Bovendien kreeg de L.O.-Echt te maken met twee ingezetenen die waarschijnlijk een dubbelrol speelden. De twee, een bioscoopexploitant en een garagehouder van Duitse afkomst, onderhielden contact met de Sipo-Maastricht. Wellicht gaven ze diverse inlichtingen door. De garagehouder stelde regelmatig autobussen ter beschikking als de Sipo razzia’s in de provincie hield. Anderzijds lukte het hem arrestanten vrij te pleiten. Omdat hun belangrijkste contactpersoon, Ströbel, na de oorlog verdween, bleef de precieze rol van de twee onopgehelderd. De justitiële autoriteiten konden geen definitief en weloverwogen oordeel vellen. 358]
Op 23 januari 1944 pleegden een of meer niet nader geïdentificeerde personen een aanslag op de N.S.B.-er F.J. Nizet. Deze overleefde de aanslag, maar de Sipo sloeg hard terug. Aan de hand van een door de kringleider van de N.S.B. opgestelde lijst werden vijftien personen in gijzeling genomen. Nitsch en Klonen lichtten de als anti-Duits bekend staande kapper H.J. Korrel in de vroege ochtend van 25 januari van zijn bed. Ströbel had opdracht gegeven hem zogenaamd op de vlucht neer te schieten. Vermoedelijk sommeerden de twee Korrel te gaan rennen, waarna Klonen hem met zijn machinepistool doodschoot. 359]
Tot twee keer toe, op 10 oktober 1943 en op 5 april 1944, werd de strohulzenfabriek in brand gestoken. Een groot deel van de gebouwen en 400.000 kg. stro vielen ten prooi aan de vlammen. Het is niet bekend wie hiervoor verantwoordelijk was of waren. Hetzelfde geldt voor de liquidatie van een provocateur op 24 juli 1944 in St. Joost.360]
Kapelaan L.H. Verdonschot leidde sedert de zomer van 1943 de L.O. in Koningsbosch. Hij stond in verbinding met A. Engelen in Echt, kapelaan P.A.H. Römkens in Pey-Echt en pater Bleijs in Roermond. Begin juli 1943 kwam de 17-jarige H. Greune uit Mönchen-Gladbach naar St. Joost en vond onderdak bij verre familie. De knaap was erin geslaagd uit gevangenschap te ontsnappen. Hij was gearresteerd op verdenking van lidmaatschap van de Edelweißpiraten, een organisatie van overwegend jeugdige Duitsers die zich tegen het nazi-regime keerde en vooral in het Ruhrgebied aanhang had. Door zijn brutaliteit en jeugdige bravoure joeg Greune de L.O. in Koningsbosch, waar hij sedert augustus rondzwierf, regelmatig de stuipen op het lijf. Hij schreef zijn belevenissen op en reisde van tijd tot tijd naar zijn moeder in Duitsland. Ten einde raad nam kapelaan Verdonschot hem in huis. In januari 1944 maakte de moeilijk te hanteren kwajongen kennis met B. Borowitsch, een jonge Duitse militair die na een bombardement op Calais rondzwierf en uiteindelijk in Koningsbosch terechtkwam. De twee sloten vriendschap en Greune vertelde alles wat hij van de L.O. wist. Het liep goed tot Borowitsch er achter kwam dat Greune werd gezocht door de Duitse politie. Opnieuw schoot Verdonschot te hulp en bracht hem in contact met pater Bleijs. In Koningsbosch kon hij niet langer blijven. G. van Appeven zou voor een PB zorgen. Op zaterdag 29 januari werden in Roermond pasfoto’s gemaakt. Terwijl Greune in een café wachtte om naar Koningsbosch te worden teruggebracht, kwamen leden van de Feldgendarmerie binnen en probeerden hem in hechtenis te nemen. Opnieuw wist Greune te ontkomen. Sindsdien verbleef hij afwisselend in Roermond, Roggel, Vierlingsbeek en Koningsbosch. Met Borowitsch liep het minder fortuinlijk af. Medio februari hielden militairen hem aan. Tijdens de verhoren liet hij alles los wat hij van Greune had gehoord. Hij vertelde dat zich in de bossen Duitse deserteurs schuilhielden en hij noemde de namen van Bleijs en Verdonschot. Op Aswoensdag 23 februari ondernamen de Sipo en ruim honderd militairen een grootscheepse actie. Ze kamden de bossen rond Koningsbosch uit en ze omsingelden de kerk, waar juist een eucharistieviering plaatsvond. Na afloop van de mis namen de militairen kapelaan Verdonschot, pastoor H.M. Knops en circa twaalf inwoners van Koningsbosch in hechtenis. De zoekactie in de bossen leverde niets op. Verdonschot werd begin september 1944 vanuit Vught naar Sachsenhausen gedeporteerd. In februari 1945 kwam hij ernstig verzwakt in Bergen-Belsen aan, waar hij op 2 maart 1945 overleed. Pastoor Knops kwam in maart 1944 op vrije voeten, maar hij stierf op 23 april van dat jaar als gevolg van de in de gevangenis van Maastricht doorstane ontberingen. De overige arrestanten werden enkele maanden op het vliegveld Venlo tewerkgesteld.
Uit de verhoren van Borowitsch en andere arrestanten was het Sipo-lid Schneider gebleken, dat pater Bleijs een vooraanstaande rol in de duikorganisatie speelde. Arrestatie kon niet lang meer uitblijven, zodat de illegaliteit besloot Bleijs te ontvoeren. Wat moest met Greune gebeuren? De jongeman was op de dag van de razzia in Koningsbosch gesignaleerd. Zou hij dan tòch de verrader zijn?
De districtsleiding kwam in spoedvergadering bijeen. W. Houwen uit Helden werd gepolst of het mogelijk was Greune onder te brengen in de psychiatrische inrichting te Woensel. De K.P.-er durfde het risico niet aan en sprak zich uit voor liquidatie. Pater Bleijs wilde er niets van weten. Volgens hem had Greune te goeder trouw informatie gegeven aan een kameraad. Bovendien was hij nog erg jong. Eind februari/begin maart brachten Houwen, J. Frantzen en J. Hobus de jonge Duitser naar Helden en sloten hem op in een cel onder het raadhuis. Nader verhoor bracht geen nieuwe feiten aan het licht. Tot augustus 1944 vertoefde Greune op diverse duikadressen in Helden. Uiteindelijk belandde hij in een door geallieerde vliegeniers, O.D.-ers en onderduikers bewoond kamp in de bossen bij Sevenum. Toen iedereen in het najaar zijn eigen weg ging, bleef Greune met drie Duitse deserteurs in het kamp achter. Terugtrekkende militairen ontdekten het viertal. Tijdens het transport naar Duitsland slaagde Greune er andermaal in te ontsnappen. 361]
Van de L.O. in Ohé en Laak en Roosteren is niet veel bekend. Aangezien de hulpverlening aan vluchtelingen in deze plaatsen een belangrijke rol speelde, is het mogelijk, dat de betrokken illegale werkers tevens waren belast met de zorg voor onderduikers. Een andere mogelijkheid is dat vanuit andere plaatsen initiatieven werden ontplooid. Er bestonden bijvoorbeeld nauwe banden tussen Roosteren en Sittard. Aangenomen mag worden dat in beide dorpen dezelfde mensen werkzaam waren voor de O.D. en de L.O. Dat was ook in Susteren het geval. In eerste instantie vroeg pater Bleijs de N.S.-beambte J. van Riet om in overleg met kapelaan F. Dusée de L.O. op te bouwen. Van Riet achtte zich er ongeschikt voor, maar vond voldoende helpers. Het waren voornamelijk O.D.-ers zoals W.A. Meuffels en Ch. Plitscher. Het hoofd van de V.G.L.O.-school, J.M.W. Pernot trad op als duikhoofd en onderhield contacten met J.M. Peters in Roosteren, M.P.J.M. Corbeij in Sittard en kapelaan Goossens in Echt. Pernot viel op 8 december 1944 in Posterholt, kort na de evacuatie van Susteren, als gevolg van verraad in Duitse handen. Vermoedelijk kwam hij begin 1945 in het kamp Mauthausen om het leven. 362]

VIII.3.5. Rayon Herten, Linne, Montfort, Maasbracht en Stevensweert

In Herten trad vluchtelingenhelper J.H.L.H. Hamans op als duikhoofd. Hulp kreeg hij van J. Linssen, A. Geraedts en van zijn joodse vriendin E.N. Roodenburg, die voor hem koerierde. 363] Pas in het najaar van 1944, toen het gebied bij Duitsland werd ingelijfd en het front naderde, liep het fout. Hamans kon na zijn arrestatie op 20 september nog vluchten, maar J.G.H. Wolters, die enkele Russische dwangarbeiders in huis had opgenomen en daar geen geheim van maakte, moest zijn loslippigheid op 25 oktober met de dood bekopen. Toen hij wilde vluchten schoten leden van de N.S.D.A.P.-Ortsgruppe Roermond hem neer. In het ziekenhuis van Roermond bezweek hij aan zijn verwondingen. 364] Eind januari 1945 arresteerden parachutisten van het bataljon van U. Matthaeas vier ondergedoken inwoners van Herten en begin februari volgden nog enkele aanhoudingen. Twee personen verdwenen naar Duitse werkkampen. Jan H. Moors, Jacob H. Moors en J. Boonen werden op last van Matthaeas in de buurt van kasteel Hattem bij Roermond doodgeschoten. 365]
De L.O. in Linne stond onder leiding van J.J.H. Puts. Pater Bleijs, met wie Puts al langer samenwerkte, had hem in de zomer van 1943 voor deze functie benaderd. Dank zij zijn baan bij de distributiedienst kon Puts aan bonnen en PB’s komen. Hulp kreeg hij van distributieambtenaar P.H. Bovend’eert en W. Backus. 366] De L.O. in Montfort werd geleid door H. Seegers en kapelaan G.H.H. Hermkens. Laatstgenoemde werd met zijn neef, rector J.J. Hendrix uit Beek-Maasbracht, die na zijn evacuatie bij Hermkens onderdak had gevonden, op 17 december 1944 als gevolg van verraad gearresteerd. De Duitsers beschuldigden hem ervan personen behulpzaam te zijn geweest bij frontcrossing. De twee geestelijken kwamen in Buchenwald terecht. Op 8 februari 1945 raakten ze bij een bombardement op een fabriek, waar ze tewerkgesteld waren, allebei zwaar gewond. Hendrix overleed op 9 februari en Hermkens negen dagen later. 367]
De ontwikkelingen in Maasbracht weken nogal af van die in de rest van het rayon en het district. Een in Amsterdam woonachtige zus van timmermansknecht J.H.M. Puts zond al vroeg in de oorlog een officier naar haar broer in Maasbracht, die zich met distributieambtenaar H. Creemers, P. van Buggenum en P.T.T.-ambtenaar Th. Verreussel al enige tijd bezon over acties tegen de bezetter. De officier bracht het groepje in contact met illegale werkers in Amsterdam. In het voorjaar van 1943 lukte het Van Buggenum de anonieme afzender van exemplaren van “Vrij Nederland” op te sporen. Een sneeuwbaleffect volgde. Er ontstonden verbindingen met het westen van het land, Utrecht en Gelderland. Toen pater Bleijs in juni 1943 rector J.J. Hendrix uit Beek-Maasbracht en J. Puts bereid vond de plaatselijke L.O. te organiseren, kreeg de Maasbrachtse groep aansluiting bij het district Roermond. De werkzaamheden voor de L.O. werden voortaan gecombineerd met de verspreiding van illegale bladen. Daarin had de moeder van Puts, mevrouw M.H. Puts-Henckens, een actief aandeel.
Weldra werd van verschillende zijden bij de Maasbrachtse L.O.-ers geïnformeerd of het mogelijk was distributiebonnen te leveren. Vooral Amsterdam en Nijmegen kampten met tekorten. Distributieambtenaren in Echt, Linne, Maasbracht en Melick verklaarden zich bereid te helpen. De illegale relaties brachten inlegvellen naar Maasbracht, nodig voor het vrijmaken van bonkaarten. In 1944 liep het aantal vrijgemaakte bonkaarten op tot ruim vijftienhonderd per vier weken. De distributiedienst in Maasbracht liep wellicht nog de minste risico’s, omdat het aantal schippers in de binnenhaven sterk wisselde en niemand precies wist hoeveel bonkaarten verstrekt moesten worden. Ook elders verliep de operatie zonder noemenswaardige problemen. Uiteraard mochten de hulpvaardige distributieambtenaren bij de sabotage van de invoering van de Tweede Distributiestamkaart op steun van hun illegale relaties elders in het land rekenen. Vanwege het uitgebreide scala aan nevenactiviteiten bleef het aantal door Puts c.s. te verzorgen onderduikers beperkt. Het betrof overwegend joden en personen uit het westen van het land. 368]
Op initiatief van B.J.C. van Kooten werd in augustus 1944 een knokploeg opgericht, geleid door P. Coonen. De eerste actie van de negen personen tellende K.P. liet niet lang op zich wachten. Begin september bevalen Duitse militairen de schippers in de haven met hun schepen in noordelijke richting te varen. Omdat de Amerikanen oprukten in de richting van de sluis te Roosteren, waren de Duitse bevelhebbers in Midden-Limburg bevreesd dat de tweehonderdvijftig schepen in de haven gebruikt zouden worden om de Maas over te steken. Vooralsnog weigerden de schippers eensgezind aan het bevel gehoor te geven, maar hun front begon weldra scheuren te vertonen. Om het vertrek definitief onmogelijk te maken besloot de knokploeg de sluizen in het noordelijker gelegen Linne onklaar te maken. In de avond van 14 september overmeesterden zeven K.P.-ers de driekoppige bewaking van de sluis en vernielden de elektromotoren en het bedieningsmechanisme. De Maasbrachtse schepen konden geen kant meer op. Om 3 uur in de ochtend van 30 september begon de bezetter met het tot zinken brengen van alle schepen in de haven van Maasbracht. 369] Op 6 november 1944 kregen de inwoners van Maasbracht te horen dat ze hun woonplaats moesten ontruimen. J.H.M. Puts en enkele anderen negeerden het bevel en trokken zich terug in zelfgebouwde schuilplaatsen. Toen het daar niet meer veilig was, begaven ze zich naar een bunker, waar ze op 19 januari 1945 door Duitsers werden ontdekt. Sommigen slaagden erin te ontkomen. Puts niet, hij werd naar Duitsland overgebracht. Eind februari lukte het hem te ontsnappen. Hij keerde naar Maasbracht terug en kreeg een functie bij de O.D. 370]
Over de L.O.-Stevensweert staan ons geen gegevens ter beschikking. Aangenomen mag worden dat de vluchtelingenhelpers tevens de zorg voor de onderduikers voor hun rekening namen en dat ze steun kregen van L.O.-ers uit de omliggende dorpen en Roermond.

VIII.3.6. Rayon Melick, Herkenbosch, St. Odiliënberg, Vlodrop en Posterholt

Distributieambtenaar W. Philips leidde de L.O. in Melick met steun van kapelaan M.J. Gilissen. In St. Odiliënberg stond kapelaan H.H. Opveld aan het hoofd van de L.O. In Herkenbosch werden de meeste activiteiten ontplooid. In juni 1943 had Bleijs P.J.H. Beckers, die op het Landbouwhuis in Roermond werkte, gevraagd de duikorganisatie in Herkenbosch op poten te zetten. Kapelaan J.P. Verscharen, H. Simons en de zusters H.M. en G. Moors, dochters van de beheerder van het plaatselijk postkantoor, hielpen hem daarbij. Het groepje onderhield nauwe contacten met Herten, Vlodrop, Posterholt, Roggel en Roermond. De eerste onderduikers waren afkomstig uit de omgeving. Naderhand vonden ook personen uit Nijmegen en Heerlen onderdak in de regio. Mejuffrouw H.M. Moors verrichtte koeriersdiensten tussen de rayons en de districtsleiding. Het postkantoor van haar vader diende als inlichtingen- en waarschuwingspost. Zoals eerder vermeld ging de hulpverlening aan onderduikers en krijgsgevangenen in deze dorpen hand in hand. 371]
Vanaf de zomer van 1944 werd de sfeer grimmiger. Op 2 augustus hield een groep landwachters, bijgestaan door twee leden van de A.K.D., een razzia in Herkenbosch. Verscheidene personen werden opgepakt en overgeleverd aan de Sipo-Maastricht. Het is niet bekend wie het betrof en wat er met hen is gebeurd. 372] In november schoot een lid van de Ordnungspolizei een van plundering verdachte inwoner van Roermond, J. Dörenberg, in Herkenbosch dood.373] Door bemiddeling van A. Raab, een jeneverfabrikant uit Herkenbosch, vonden in de loop van december vierentwintig Roermondenaren onderdak op boerderij “Lindenhof” in het natuurgebied de Meinweg. Dat lekte uit. Op 11 januari 1945 omsingelde de Sipo uit het Duitse grensplaatsje Dahlheim, geassisteerd door Holla, de boerderij. De Roermondenaren werden na verhoor naar een werkkamp in Wassenberg gezonden. Via verschillende kampen en de gevangenis van Keulen kwamen ze tenslotte in een kamp bij Hunswinkel terecht. De arrestanten ondergingen een buitengewoon slechte behandeling. Tenminste negen Roermondenaren kwamen als gevolg van de mishandelingen en ontberingen om het leven.374] Douanier H.L. Polak stond aan het hoofd van de L.O. in Posterholt. Medewerking verleenden onder anderen kapelaan P.J.J. Pennings, rector E.A.G. van den Boorn en onderwijzer J.F.A. van Heel. In Vlodrop leidde E.A. Joosten de duikorganisatie. Hij kreeg steun van kapelaan N.L. Schlangen en L.J. Lucassen. De samenwerking tussen de dorpen verliep harmonieus. De koeriersters H.M. Moors en M.M. Mulders zorgden voor voldoende bonkaarten voor de circa zestig onderduikers in het rayon. De woning van Polak en hoeve “De Triest” van Joosten deden dienst als doorgangshuis en vergaderadres. 375]
In de loop van de zomer werd de situatie in de dorpen in de Roerstreek kritiek. Leden van de A.K.D. arresteerden in juli enkele inwoners van Posterholt. 376] Op 6 oktober hielden twee S.S.-ers de Roermondenaren P.E.J. Gruijters en A.E.L. Schols aan, die onderweg waren naar Posterholt om bij een boer voedsel op te halen voor onderduikers. Ze weigerden hun fietsen af te geven, waarop arrestatie volgde. In de zadeltas van Schols vonden de S.S.-ers illegale krantjes. De twee koerierden voor de L.O.-Roermond en brachten illegale blaadjes rond. Twee dagen later moesten ze zich verantwoorden bij een Gestapo-commando in het Duitse Effeld. De commandant, W. Lammertz, gaf na verhoor opdracht de twee te executeren. Aan de executie in de bossen bij Effeld nam hij persoonlijk deel.377]
Eind oktober protesteerde rector Van den Boorn krachtig tegen het roven van vee en het als slaven wegvoeren van mannen naar Duitsland. Hij betoogde, dat het Duits optreden in strijd was met het menselijk recht en het volkenrecht. Dat schoot de bij Van den Boorn ingekwartierde luitenant E. Heyermann uit Keulen in het verkeerde keelgat. De twee konden niet met elkaar overweg. De luitenant gebruikte het protest als voorwendsel om zijn gastheer aan te pakken. Daarbij gingen Heyermann en zijn trawanten
uitzonderlijk gewelddadig te werk. In de avond van 28 oktober 1944 mishandelden ze de rector op beestachtige wijze en sloten ze hem op in de kelder van zijn woning. Vervolgens hielden ze een slemppartij in de woning en namen alles mee wat van hun gading was. ’s Nachts brachten vier Gestapo-leden, onder wie Lammertz, de zwaar toegetakelde Van den Boorn naar Effeld. Heyermann c.s. brachten de meest onwaarschijnlijke beschuldigingen tegen de rector in. Hij zou in het bezit zijn geweest van een geheime zender, van munitie en een valse stempel. Op 1 november moest Van den Boorn voor een inderhaast bijeengeroepen Kriegsgericht verschijnen. Dezelfde dag nog werd hij op bevel van Lammertz met vijf Duitse deserteurs op het kerkhof van Effeld geëxecuteerd. 378]
Begin november 1944 werden vijfhonderd Russen via Dahlheim naar het klooster van de Minderbroeders St. Ludwig in Vlodrop gebracht om tankwallen en loopgraven aan te leggen. Door honger en koude gedreven keerden zeven Russische meisjes terug naar Dahlheim om er naar voedsel en kleding te zoeken. Ze vonden enkele volle inmaakglazen die ze meenamen. De Gestapo uit Dahlheim kwam de Russinnen echter op het spoor. In bijzijn van G. Holla en Gestapo-voorman H. Schmidt werden de Russinnen omstreeks 20 november uit het klooster gehaald en op de begraafplaats van Dahlheim doodgeschoten. 379]
Door het optreden van N.S.D.A.P.-ers, Gestapo, S.S., Landwacht en N.S.B.-ers heerste er in de laatste oorlogsmaanden in de Roerstreek een sfeer van angst en terreur. Niemand in de frontlijn was veilig. Sommigen probeerden met steun van plaatselijke illegale werkers de Roer over te steken naar bevrijd gebied.

VIII.3.7. Rayon Horn, Beegden, Baexem en Grathem

Bij de bespreking van de ontwikkelingen op districtsniveau werden de namen van kapelaan H.L.J. Janssen en onderwijzer L.F.J.H. Frantzen uit Horn reeds genoemd. Frantzen vond zijn oud-leerling J.P.H. Oyen bereid de functie van duikhoofd op zich te nemen. Het drietal kon rekenen op steun van plaatselijke vluchtelingenhelpers. Behalve de al genoemden maakten met name W.J. Meevissen,
F.W.H. van Herten en mejuffrouw G.M. Jetten zich verdienstelijk voor de plaatselijke L.O. Voorts lukte het Frantzen oud-leerlingen, Unieleden en jongeren uit de jeugdbeweging bij het werk te betrekken. Talrijke onderduikers uit het gebied op de oostelijke Maasoever en uit het westen en het midden van het land vonden onderdak in Horn en omliggende gemeenten. Ook hield zich een aantal joden schuil in het Middenlimburgse dorp. Mejuffrouw Jetten haalde ze in opdracht van pater Bleijs op in Amsterdam. Frantzen kreeg in augustus 1943 via Bleijs verbinding met H.H. van der Wielen in Delft. Langs die weg arriveerden nog eens ongeveer twintig joden en andere onderduikers in Horn. In ruil voor de geboden hulp ontving Frantzen vervalste papieren, stempels en textiel. De districtsleiding zorgde voor financiële ondersteuning en bonnen. Van drukker M.H. Pollaert kreeg men valse inlegvellen, die door medewerkers van de distributiekantoren van Roermond en Heythuysen werden geaccepteerd. Distributieambtenaar A. Frantzen uit Horn leverde eveneens bonnen. 380]
In vergelijking met andere plaatsen bleef het in Horn tamelijk rustig. Weliswaar moesten Janssen en Frantzen in de loop van 1944 onderduiken en vonden er enkele arrestaties plaats, maar voor het overige liet de Sipo zich niet of nauwelijks zien, ondanks het feit dat in september 1944 bij de Duitse terugtocht aanzienlijke materiaalpech ontstond, omdat de wegen bezaaid lagen met kraaiepoten en kopspijkers. De ontvreemding van een aantal PB’s en twee stempels uit het gemeentehuis in oktober 1944 leidde evenmin tot tegenmaatregelen. 381]
De situatie in de dorpen Beegden, Baexem en Grathem week weinig af van die in Horn. De L.O.-ers konden, afgezien van een enkel incident, in alle rust werken. In Beegden stond P.H.M. Linssen, tot hij in september 1943 onderdook, aan het hoofd van de L.O. Wie Linssen opvolgde staat niet vast. Wellicht namen Frantzen en zijn medewerkers Linssens taak over. In het voorjaar van 1944 meldde een inwoner de aanwezigheid van een deserteur in Beegden bij de Sipo-Maastricht. Er volgden huiszoekingen. Enkele personen, onder wie de deserteur, werden opgepakt. Hij ontsnapte uit het Sipo-gebouw, maar werd in de zomer opnieuw gearresteerd. Het is niet bekend wat er met de overige arrestanten gebeurde. 382]
J.J.E.P. Theelen, assistent-directeur van de zuivelfabriek “St. Anthonius” in Heythuysen, leidde de L.O.-Baexem. Uit hoofde van zijn functie kende hij veel boeren, zodat het hem weinig moeite kostte gastgezinnen te vinden. Vanwege de contacten van zijn broer en zuster (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.1.) vonden naar verhouding veel joden onderdak in Baexem. Theelen werkte samen met een groep illegale werkers in Heythuysen. 383] M.J.E.G. Verbruggen, werkzaam op het plaatselijk voedselbureau, stond aan het hoofd van de L.O.-Grathem. Door zijn baan kon hij veel voor de onderduikers doen. Hij werkte nauw samen met L. Frantzen. De twee hadden elkaar in 1940 leren kennen, toen Verbruggen districtshoofd van de Nederlandsche Unie was, en in 1942 waren ze bij de hulp aan krijgsgevangenen betrokken geraakt. In oktober 1944 dook Verbruggen onder. 384]

VIII.3.8. Rayon Heythuysen, Roggel, Neer en Haelen

Kapelaan J.Th. Reintjes uit Heythuysen zond, na gepolst te zijn door pater Bleijs, P.J. Beelen in juni 1943 naar Roermond om de oprichtingsvergadering van de L.O. bij te wonen. De kapelaan was in het voorjaar van 1942 met Bleijs gestart met de hulp aan onderduikers. Beelen en Reintjes vonden de beheerder van de Boerenbond, P.W. Timmermans, bereid als duikhoofd op te treden.
Timmermans kende veel boeren bij wie onderduikers geplaatst konden worden. Bovendien beschikte hij over een telefoon. Het groepje kreeg versterking van onder anderen E.H. van Wegberg, H. van der Kop, P. Hendriks, de wachtmeesters van politie F. Togny en H. Westerhof, de gemeenteambtenaren P. Joosten en R.E.C. Hover. Met name Van Wegberg ontplooide veel initiatieven. Hij hielp mee aan de uitbouw van de L.O., vooral in de omgeving van Heythuysen, verrichtte allerlei voorkomende werkzaamheden en koerierde voor L. Frantzen en pater Bleijs. Op zijn tochten door het land kwam hij in aanraking met verscheidene illegale groepen en organisaties waaronder de verzorgingsgroep van H. van der Wielen. P. Joosten en R. Hover maakten PB’s en distributiebonnen vrij en de twee politiebeambten waarschuwden als er gevaar dreigde. De hecht georganiseerde L.O.-Heythuysen verzorgde circa honderdvijftig onderduikers. 385]
Nog voor er sprake was van een knokploeg, namen leden van de L.O. reeds deel aan acties die eigenlijk tot het terrein van de K.P.’s behoorden. Zo bevrijdden wachtmeester Togny en andere L.O.-ers op 15 juli 1943 de gearresteerde onderduiker P. van de Heuvel uit de plaatselijke marechausseekazerne. 386] In de zomer van 1944 werd de L.O.-groep omgevormd tot een K.P. onder leiding van E. van Wegberg. Ze kregen versterking van J.J.E.P. Theelen en J. Ramakers uit Baexem. De Heythuysense K.P. telde ruim tien medewerkers. De eerste en langdurigste actie was de verwijdering van de inboedel van het door Duitsers in beslag genomen pensionaat St. Elizabeth van de zusters Franciscanessen. In overleg met de beheerder begon het leegruimen eind 1943. Toen Duitse militairen het in een landhuis gevestigde pensionaat in de nazomer van 1944 als lazaret inrichtten, kwam de K.P. opnieuw in actie en ontvreemdde allerlei goederen en huisraad.
Op 13 september kreeg Van Wegberg van de gewestelijke K.P.-commandant J.R.P. Crasborn opdracht het spoorwegbaanvak Roermond-Weert te saboteren. Acht medewerkers - Van Wegberg zelf was verhinderd - schroefden op 14 september ter hoogte van Haelen enkele spoorstaven los en bogen de rails naar binnen. Het gereedschap hiervoor hadden ze van een N.S.-medewerker gekregen. Dezelfde dag nog ontspoorde een goederentrein met textiel en het complete machinepark van een textielfabriek in Weert. Het baanvak raakte geblokkeerd. Een onderzoek naar de toedracht, opgedragen aan wachtmeester F. Togny die er nauw bij betrokken was geweest, leverde uiteraard niets op.
Enkele dagen later, op maandag 18 september, moest de K.P. op de Beegderheide een strook grond afzetten in verband met een wapendropping die elk moment werd verwacht. Er gebeurde niets. De laatste actie was preventief: op 20 september demonteerden zeven K.P.-ers alle vitale onderdelen van de telefooncentrale in Roggel, zodat meteen na de bevrijding de verbindingen konden worden hersteld. 387]
In Roggel, waar kapelaan J.M.J. Adams de L.O. coördineerde en achtereenvolgens A. Derckx en J. Hobus als duikhoofd optraden, geassisteerd door J. Maessen en A. Salemans, bleef het gedurende de bezetting tamelijk rustig. In 1944 werden enkele zwarthandelaren overvallen en ging 75.000 kg. stro in vlammen op. 388] Rond
Kerstmis 1943 vond een incident plaats, dat de gemoederen nog geruime tijd zou bezighouden. Op 14 december was de N.S.B.-er M. Stemkens, een bakker uit Roggel, door onbekenden geliquideerd, omdat hij inlichtingen aan de Sipo zou hebben verstrekt. Toen Ströbel hiervan hoorde, gaf hij Elsholz opdracht de anti-Duits gezinde H.H. Geenen uit Roggel te liquideren. De maatregel was bedoeld als represaille, een zogeheten “Silbertanne-moord”. In de zomer en november 1943 hadden verschillende Sipo-leden al een bezoek aan Geenen gebracht om te informeren naar zijn van spionage verdachte en naar Spanje uitgeweken zoon. Tot woede van Ströbel weigerde Elsholz het bevel tot liquidatie op te volgen. De Sipo-chef belastte vervolgens C.W. Klonen en H.W. Conrad met de opdracht. Op 23 december reden de twee naar Roggel. Klonen klopte bij Geenen aan en legitimeerde zich als Sipo-medewerker, hetgeen Ströbel uitdrukkelijk verboden had, aangezien dergelijke represailles in volstrekte anonimiteit moesten plaatsvinden. Klonen kreeg naderhand een fikse uitbrander. Geenen moest in de auto plaatsnemen. Ter hoogte van het gehucht Kessel-Broek stopte de auto aan een landweg bij een bos. Geenen moest maar eens eindelijk opbiechten waar hij de wapens had verborgen. De onschuldige bleef natuurlijk het antwoord schuldig. Conrad veinsde wel beter te weten. Hij dwong Geenen uit te stappen en de geheime bergplaats aan te wijzen. Iets verderop schoten Conrad en Klonen hem dood. Drie dagen later werd het lijk gevonden. Elsholz stelde een schijnonderzoek in. 389]
Nog vóór de L.O. in het district tot stand kwam, droeg de directeur van de zuivelfabriek in Neer, L.H.M. Teepen, al zorg voor tientallen onderduikers. Teepen had zijn anti-Duitse gezindheid nooit onder stoelen of banken gestoken. In 1940 begon hij met het verzamelen van wapens en munitie. Als gevolg van provocatie zat hij in mei 1941 enkele weken gevangen, maar het verboden wapenbezit was hem naar eigen zeggen niet zwaar aangerekend. Na zijn vrijlating ging Teepen zich toeleggen op de hulp aan onderduikers en vluchtelingen. Toen hem in juni 1943 het verzoek bereikte de vergaderingen in Roermond bij te wonen, weigerde hij beslist. Bij herhaling gaf hij tegenover Bleijs te kennen, dat het veel te gevaarlijk was zoveel mensen bijeen te laten komen. Teepen stelde nadrukkelijk bereid te zijn te werken vóór de L.O., maar niet onder de L.O. Klaarblijkelijk wenste hij zich niet te binden. Kapelaan P.H. van Leipzig vond, na een verzoek uit Roermond om iemand anders te sturen, de graanhandelaar J.G.H. Geraets bereid de vergaderingen bij te wonen. Aangezien men niet aan Teepen voorbij kon, kreeg Neer twee duikhoofden. Om eventuele kwaadsprekerij in het dorp bij voorbaat de kop in te drukken opperde Teepen dat elke inwoner een onderduiker in huis zou nemen. Of dat inderdaad gebeurde staat niet vast, maar reden voor roddel was er niet: de samenwerking tussen Teepen en Geraets verliep probleemloos. Teepen verzorgde circa zeventig en Geraets vierennegentig onderduikers die vanuit Roermond waren gezonden. 390]
Slagerszoon G.H. Roumen uit Haelen raakte in het voorjaar van 1943 betrokken bij de verzorging van onderduikers in het duikkamp bij “De Bedelaar”. In juni bezocht hij een bijeenkomst in Roermond, waar pater Bleijs een exposé gaf over de organisatiestructuur van de duikershulp in de regio Horst-Sevenum. In het district Roermond zou men volgens Bleijs op dezelfde manier te werk moeten gaan. Toen Roumen een week later de volgende bijeenkomst bezocht, trof hij maar liefst dertig personen aan. Hij werd aangewezen als duikhoofd van Haelen; W. Veugelers kreeg die taak toebedeeld voor Buggenum en H.J.H. Boonen voor Nunhem. 391] Zoals in veel andere dorpen op de westelijke Maasoever viel de hulp aan vluchtelingen grotendeels samen met de hulp aan onderduikers.

VIII.3.9. Rayon Thorn, Neeritter, Ittervoort, Heel en Wessem

In dit aan België grenzend rayon stond de hulp aan vluchtelingen die naar onbezet gebied of België wilden uitwijken centraal. Het is niet bekend hoeveel onderduikers er vertoefden. Waarschijnlijk betrof het jongeren uit de omgeving die zonder veel problemen onderdak vonden bij boeren en particulieren. In Thorn, Neeritter en Ittervoort leidde kapelaan L.W. Weijs uit Thorn de L.O. Rond de dorpen Neeritter en Ittervoort rezen enige problemen, omdat het district Weert de twee plaatsen claimde. Het geschil kon in der minne worden geschikt. F. Giessen stond aan het hoofd van de L.O.-Heel. Hij werd geholpen door kapelaan P.J.H. Coenen, P. Adams en H. Linssen. Voor Wessem trad kapelaan M.A. Berkers als duikhoofd op. 392] De Sipo-Maastricht liet zich weliswaar van tijd tot tijd in de regio zien, maar dat had vooral te maken met de vluchtelingenhulp. De L.O. had er niet van te lijden en kon het werk zonder noemenswaardige problemen doen.

VIII.4. District Maastricht

De ontwikkeling van de L.O. in het district Maastricht week aanvankelijk af van die in de rest van de provincie. Van verschillende zijden werd hulp geboden aan onderduikers, onder anderen door M.H. Sporck. Hij werkte voor de Rotterdamse firma Sporck, een bedrijf dat in opdracht van de Organisation Todt verdedigingswerken aanlegde in Frankrijk. Aangezien de controle in de treinen met arbeiders op weg naar Frankrijk aanvankelijk weinig voorstelde, zag Sporck kans tientallen onderduikers ongemerkt te laten meereizen. Ook elders in het land werd deze methode met succes toegepast. Enige administratieve fraude was doorgaans voldoende. In de loop van 1943 liep het mis. Een inwoner van Maastricht hoorde van de mogelijkheid via deze weg het land uit te komen en sprak erover met N.J.W. Keurvers, die de Sipo inlichtte. Nitsch startte meteen met intensieve controles in de treinen op het station van Maastricht en tientallen personen met valse, ondeugdelijke of zelfs zonder papieren liepen tegen de lamp. In totaal arresteerde hij ongeveer honderd onderduikers. De Sipo-agent veronderstelde dat Sporck was aangesloten bij een landelijke organisatie die een en ander coördineerde. Vanwege de uitgebreide controles in de treinen staakte Sporck de hulpverlening. Nitsch ondernam vooralsnog niets. Hij hoopte dat Sporck hem op het spoor van het landelijk netwerk zou brengen. Die hoop bleek ijdel.393]
In tegenstelling tot Noord- en Midden-Limburg speelden in Zuid-Limburg, met name in Maastricht, politieke en confessionele factoren een rol bij het ontstaan en de ontwikkeling van de L.O. Buiten Sporcks individuele hulpverlening bemoeiden zich in 1943 vier, los van elkaar werkende groepen met de hulp aan onderduikers: vier groepen met duidelijke accentverschillen, niet alleen wat politiek-confessionele achtergrond betreft, maar ook qua onderduikerskeuze.
De vermoedelijk oudste organisatie kwam voort uit de protestants-christelijke gemeenschap. Tot de medewerkers behoorden onder anderen D. van Assen, A.H. van Mansum en zijn zus Margreet, J. Vrij en mevrouw A.L. Wehner. Zij hielden zich met een breed scala aan illegale activiteiten bezig, zoals hulp aan joden, onderduikers en geallieerde vliegeniers, vervalsingen en verspreiding van illegale bladen als “Vrij Nederland” en “Trouw”. Ofschoon ook hulp werd verleend aan “gewone” onderduikers die onder meer onderdak vonden in Utrecht en Groningen, lag het accent op de hulp aan joden. Zowel Van Mansum als Van Assen beschikten al vroeg in de oorlog over talrijke verbindingen. Beider beroep zal ertoe hebben bijgedragen: Van Mansum was handelsreiziger en wisselde herhaaldelijk van standplaats; Van Assen was deurwaarder bij de Belastingen en had veel contacten in zakelijke kringen. Bovendien was laatstgenoemde ouderling van de plaatselijke gereformeerde kerk. Terwijl Van Mansum de door hem geholpen joden voornamelijk in Maastricht, de Mijnstreek en Zutphen huisvestte, poogde Van Assen ze in België onder te brengen of, indien mogelijk, naar onbezet gebied te laten uitwijken. De hulpverlening, die begin 1942 van start ging, leverden Van Assen, Van Mansum en hun medewerkers verbindingen op met een vervalsingsgroep rond G. van der Veen in Amsterdam en andere hulpverleners in het westen van het land. De voormalige militairen M.A. Kaufman en W. Mol, die sedert hun vrijlating uit krijgsgevangenschap als grenscommiezen dienst deden aan de grensovergang Maastricht-België, steunden Van Assen en hielpen bij de clandestiene grenspassage. Hetzelfde deed P. Souren, van wiens diensten pilotenhelper J. Vrij naderhand veelvuldig gebruik zou maken. Dank zij de snelle uitbreiding van de verbindingen kreeg Van Mansum voldoende valse papieren en distributiebescheiden. 394] In de zomer van 1943 raakte Van Mansum verstrikt in het Englandspiel. Op 1 oktober 1943 werd hij in Heerlen gearresteerd (zie hoofdstuk IV, paragraaf III).
Deurwaarder Van Assen viel eveneens in Duitse handen. De gebeurtenissen die tot zijn aanhouding leidden verliepen als volgt. Een van de grondleggers van de rooms-katholieke tak binnen de L.O., A.P.P. Schweigmann, kreeg via zijn in Maastricht woonachtige verloofde, mejuffrouw M.C.J. Bloemen, in het voorjaar van 1943 verbinding met Van Assen. Op zijn tochten naar de Limburgse hoofdstad maakte hij kennis met de Maastrichtenaar P.J.M. Rademakers. Hij nam hem in vertrouwen. Mocht Rademakers in moeilijkheden geraken of personen kennen die uit het zicht van de bezetter moesten verdwijnen, dan kon hij altijd een beroep op hem doen. In mei 1943 was het inderdaad zover. Rademakers schreef Schweigmann een brief, waarin hij om hulp verzocht. Hij wist niet dat de Sipo kort tevoren een inval in Schweigmanns woning in Den Haag had gedaan. De brief viel in verkeerde handen en twee Haagse Sipo-agenten rekenden Rademakers in juni op het station van Sittard in. In ruil voor zijn vrijlating uit de Scheveningse gevangenis bood Rademakers de Sipo aan behulpzaam te zijn bij de opsporing van Schweigmann. Hij wist dat zijn Haagse verbindingsman regelmatig mejuffrouw Bloemen bezocht en dat hij samenwerkte met Van Assen. Twee Nederlandse Sipo-medewerkers, F.C. Grondel en baron C.W.J. van Boetselaar, bijgestaan door twee rechercheurs, kregen de zaak in behandeling. Zij reisden in de week van 19 juli in gezelschap van Rademakers naar Maastricht, waar Van Boetselaar en Rademakers mejuffrouw Bloemen bezochten. Een broer van haar stond de twee te woord. De andere drie wachtten een eindje verderop in een auto. Van Boetselaar en Rademakers gaven zich uit voor studenten die op zoek waren naar een onderduikadres en distributiebonnen. Tot zover klonk hun verhaal aannemelijk. Toen echter de een zich liet ontvallen met de trein naar Maastricht te zijn gereisd en de ander het even later over een auto had, begreep Bloemen dat er iets niet in de haak was. Hij liet niets meer los. Het tweetal vertrok en begaf zich naar de woning van Van Assen. Daar hadden ze meer succes. De deurwaarder hechtte geloof aan hun verhaal en zegde toe voor bonnen te zorgen en op zoek te gaan naar Schweigmann. Ondanks het verzoek van mejuffrouw Bloemen - zij was door haar verloofde schriftelijk gewaarschuwd voorzichtig te zijn met de twee student-onderduikers naar aanleiding van de overval op zijn woning - wenste de goedgelovige Van Assen het contact niet op te geven. Op vrijdag 23 juli bezorgde Van Mansum de deurwaarder de distributiebonnen. De volgende dag, ’s middags om 17.00 uur, arresteerden de Haagse Sipo-medewerkers Van Assen en het bij hem ondergedoken joodse echtpaar J. Hoffnung en J. Hoffnung-Sandhaus. Mevrouw B. van Assen-Grolleman trof hetzelfde lot, toen zij tegen de avond thuiskwam. 395]
Toen Nitsch van de aanhouding van Van Assen vernam, ontstak hij in woede. Kort tevoren, in juni, was mejuffrouw A. van Leeuwen bij een poging de grens met België te overschrijden ter hoogte van Maastricht aangehouden op verdenking van hulp aan joden en het verrichten van koeriersdiensten voor een Amsterdamse verzetsorganisatie. Gefrustreerd door de volgens haar laakbare houding van haar opdrachtgevers en uit angst voor de straf die haar boven het hoofd hing, bood zij Nitsch haar diensten aan. De Sipo-agent kwam door de talrijke bruikbare inlichtingen van zijn kersverse informante een wijdvertakte organisatie op het spoor, waarvan ook Van Assen deel uitmaakte. Teneinde een grote slag te kunnen slaan ondernam hij vooralsnog niets, maar liet hij de deurwaarder schaduwen (zie hoofdstuk IV, paragraaf III en IV). De Haagse Sipo-medewerkers doorkruisten zijn plan. Voor Nitsch viel weinig eer meer te behalen. Van Leeuwen vertrok naar Den Haag en zette haar rol als informante voort in dienst van de Sipo-agent F. Frank, die haar inzette om de organisatie Luctor et Emergo op te rollen. Door het Englandspiel was de Haagse Sipo erin geslaagd de groep-Bongaerts te infiltreren. Bongaerts’ medewerker H. Tobben raakte betrokken bij plannen om Van Assen uit de gevangenis te bevrijden. Op aanraden van verpleegster G.J.H. Roeloffzen werd het plan naderhand gewijzigd. Zij stelde voor Van Assen met paratyphus te infecteren, waarna hij uit het ziekenhuis zou worden bevrijd, wat eenvoudiger leek. De nietsvermoedende Tobben lichtte de V-mannen en de Haagse Sipo hierover in. Zij zegden medewerking toe. Vervolgens vernam Nitsch er via Den Haag van. In de loop van augustus liet hij de betrokkenen, Roeloffzen, haar verloofde H.W.L. Frischmuth, de arts Th. Castermans en de gevangenisklerk M.J.H. Rademakers oppakken. Op 27 juli 1944 werden ze wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken en op 7 september vrijgelaten. Aan bewijslast schortte het niet, want eind augustus 1943 had Van Assen inderdaad paratyphus gekregen. Conform de eerder gemaakte afspraken meldde Nitsch dit terstond aan zijn Haagse collega’s. Hij kreeg opdracht Van Assen te executeren. Op dinsdag 14 september schoten Nitsch, Conrad en Ströbel de zieke deurwaarder op bevel van B.d.S., K. Schöngarth, dood in de Schadijkse bossen bij Horst-Meterik. Pogingen van de Belastinggroep Maastricht om Van Assen tegen betaling van ƒ 40.000,- vrij te kopen, hadden niets opgeleverd. Tijdens de rechtszitting in juli 1944 moest de executie worden verzwegen. De aanklager deelde mee dat Van Assen door de illegaliteit was bevrijd. De Maastrichtse Sipo-leden gingen vrijuit.396]
Door de uiteenlopende illegale activiteiten en de daaruit voortkomende verbindingen en de gemeenschappelijke anti-nationaalsocialistische gezindheid kwam de protestants-christelijke verzetsgroep begin 1943 in contact met een illegale groep van leden en sympathisanten van de voormalige S.D.A.P. in Maastricht. Traditionele geschillen werden omwille van het gemeenschappelijk doel terzijde geschoven. Omdat ze ontevreden waren over het feit dat het S.D.A.P.-afdelingsbestuur zich volstrekt afzijdig hield, hadden individuele S.D.A.P.-leden de handen in elkaar geslagen. Tot de voortrekkers behoorden het gewezen raadslid en treinmachinist J.S.H. Lokerman, de leraar J. Lamberts en zijn collega J.J.A.H. Jacobs en E.G. Courrech Staal. Zij kregen steun van onder anderen F.H. van Wijhe, M. van Wijhe-Robeers en de bejaarde N. van Haaren. De socialisten, zoals ze genoemd werden, hielden zich bezig met de verspreiding van allerlei illegale vlugschriften, onder meer afkomstig uit de kring rond J. Vorrink, het “Parool”, waarvoor Lokerman enige tijd als verbindingsman optrad, en “Vrij Nederland”. Voorts bekommerde de groep zich om politiek links georiënteerde onderduikers en joden. Ze werden in dezelfde streek gehuisvest als de onderduikers van de protestants-christelijke groep.
Nadat de medewerkers door Lokerman en Van Mansum bij elkaar waren geïntroduceerd, kwam het al spoedig tot samenwerking tussen de twee groepen. Lokerman gebruikte zijn beroep om illegale bladen in treinen te verspreiden en knoopte verbindingen aan met Belgische collega’s, zodat de mogelijkheid ontstond Engelandgangers en joodse vluchtelingen per spoor naar Frankrijk en zo mogelijk naar Zwitserland en Spanje te laten uitwijken. De vooraanstaande S.D.A.P.-er J.H. Scheps reisde op zijn uitnodiging van tijd tot tijd naar Maastricht om de socialisten in Zuid-Limburg advies te geven en moed in te spreken. 397]
De twee groepen maakten gebruik van elkaars verbindingen en nieuwe contacten werden uitgewisseld. Dank zij de coöperatieve opstelling van de socialisten ontstond tevens samenwerking met illegale werkers van radicaal-socialistische en communistische huize, hetgeen het draagvlak, de effectiviteit en het rendement van het verzetswerk ten goede kwam. 398]
Naast deze twee groepen hield een tak van de Belasting Groep Maastricht (B.G.M.) zich met hulp aan onderduikers bezig. De B.G.M. was voortgekomen uit de R.A.F.-groep (zie hoofdstuk II, paragraaf II) en stelde zich oorspronkelijk ten doel contact te onderhouden met en steun te verlenen aan politieke gevangenen in het Huis van Bewaring te Maastricht. Deze taakstelling was al spoedig uitgebreid. Hoewel de B.G.M.-leden individueel werkten en elke medewerker zijn eigen verantwoordelijkheid had, pleegde men onderling overleg over de uiteenlopende werkzaamheden.399] Belastingambtenaar M.C.M.H. Bartels nam het initiatief tot de vorming van een tak die zich op de hulp aan onderduikers toelegde: de groep-Sjeng of groep-Versleijen. Het accent lag op de hulp aan in moeilijkheden geraakte ambtenaren, zowel in als buiten de provincie. De groep-Versleijen kreeg hierdoor verbindingen in het hele land en met organisaties als R.V.V. en P.B.C. 400] Bovendien was in deze B.G.M.-tak eveneens een sterk O.D.-element vertegenwoordigd. De onderduikers werden ondergebracht in Maastricht en omliggende dorpen. Met name in de regio Eijsden ondervond de groep veel steun. Douaniers, betrokken bij de hulp aan vluchtelingen, zetten zich tevens in voor de door de Maastrichtse organisatie gezonden (militaire) onderduikers. 401]
De groep-Versleijen telde een groot aantal medewerkers zoals G.H. Satijn, G.H. Lemson, de burgemeester van Borgharen mr. E.H.A.M. Meijer, mr. M.P.R. Meeuwissen, S.W. Hovens, F. Bouwens, H. Bruls, L.E. Backerra en de koeriersters M. Visser, Jonkman en P. Hennekens.402] Distributiebescheiden, PB’s, valse papieren en andere administratieve benodigdheden werden verkregen van de gemeenteambtenaren P.H. Herben, P.M.J. Tilmans, G.L. Nijs en Smitshuijsen. Met name de eveneens voor de L.O. werkende Tilmans, verbonden aan de afdeling bevolking van de gemeente Maastricht, was van onschatbare waarde voor de groep-Versleijen. Toen hij op 26 juni 1944 onderdook, nam Nijs zijn taak over. 403] In totaal verzorgde de B.G.M.-tak ongeveer driehonderd onderduikers. 404]
De vierde groep droeg een duidelijk katholiek stempel. In illegale kring was bekend dat aalmoezenier L.J. Roumen op grote schaal de preken van de bisschop van Münster, mgr. C.A. von Galen, vermenigvuldigde. Jongeren uit het katholiek verenigingsleven verspreidden ze over de provincie. Naderhand waren ze overgegaan op de distributie van illegale bladen zoals “Trouw”, “Vrij Nederland” en “Je Maintiendrai”. Toch werd niet Roumen maar kapelaan J.G.W. Joosten in het voorjaar van 1943 door kapelaan Naus benaderd om de L.O. in Maastricht te organiseren. Nadat secretaris Moonen financiële toezeggingen had gedaan, gaf Joosten gehoor aan dat verzoek. In overleg met kapelaan H.J.C. Nijsten, K.A.-voorzitter H. Debats en de assistent-verkoper bij de Sphinx J.A.J. Janssen, begon hij in de zomer met de opbouw van de L.O.-Maastricht. Weldra telde het groepje twaalf medewerkers, onder wie A. Caris, E.K.L. Gemmeke, H.J.L. Wijnen, M. Miesen, J.H. Ensinck en enkele geestelijken zoals kapelaan B.L.J. Sijstermans en pastoor L.W. Linssen. Vanzelfsprekend putten de organisatoren in niet geringe mate uit het reservoir aan krachten dat de K.A. hen leverde. 405] De katholieke groep hield zich vooral bezig met onderduikers uit Maastricht en omgeving.
Hoewel nauw contact bestond met de gewestelijke leiding, verliep de ontwikkeling in Maastricht niet bevredigend, hetgeen voor Naus, Hendrikx en Van Enckevort aanleiding was om in september 1943 naar Maastricht te reizen. De oorzaak kon snel worden opgespoord. Er werkten maar liefs vier onafhankelijk groepen. Tijdens een bespreking ten huize van kapelaan Joosten werd Janssen gevraagd de groepen op te sporen en te bundelen. Bovendien stond Naus erop dat het district Maastricht naar het Venlose model zou worden georganiseerd, wat betekende dat de omliggende gemeenten in L.O.-verband moesten worden opgenomen en er plaatselijke organisaties moesten komen. Met tegenzin stemde Joosten in. 406] Het district Maastricht werd verdeeld in vijf stadsrayons en vijf buitenrayons. In de stad zelf traden naast vier geestelijken zes leken als duikhoofd op. In de buitenrayons werden tenminste tien duikhoofden aangesteld, onder wie burgemeester

Kaart 43. District Maastricht: indeling in rayons
Kaart 43. District Maastricht: indeling in rayons

E.H.A.M. Meijer in Borgharen en Itteren, P.W.A. Landman in Eijsden, J. Limpens in Amby, P.J. Coenen in Banholt en Mheer, J. Notermans in Ulestraten en D. en G. van Beek in Meerssen.407]
Janssen zag zijn inspanningen gedeeltelijk met succes bekroond. De socialistische en protestants-christelijke groep bleken bereid op te gaan in een groter verband, maar de groep-Versleijen gaf er de voorkeur aan zelfstandig te blijven.
Het feit dat de L.O.-ers de groep hardnekkig Belastinggroep bleven noemen had kwaad bloed gezet. Uit camouflageoverwegingen spraken de B.G.M.-medewerkers zelf steeds van “Versleijen”, “Sjeng” en “Blok”. Samenwerking werd niet op voorhand afgewezen, aangezien de groep-Versleijen voordeel had bij een goed contact met de L.O. Langs die weg konden bijvoorbeeld distributiebonnen worden verkregen. Bartels onderhield namens de B.G.M. het contact met de L.O. Naderhand vertegenwoordigde Hovens de groep in de L.O.-districtsraad. Door de fusie tussen de drie groepen en de samenwerking met de B.G.M.-tak hoopte men de contacten met de verschillende instanties beter te kunnen benutten en coördineren, dubbele steunuitkeringen tegen te gaan en een goed functionerend alarmsysteem op te kunnen zetten. Afgesproken werd voortaan elke dinsdag bij Joosten bijeen te komen voor overleg: Lokerman namens de socialisten, Vrij namens de protestants-christelijken en Janssen en Joosten namens de katholieken. Bij toerbeurt zou een van hen namens het district op woensdag de gewestelijke vergadering in Roermond bezoeken. In november 1943 bezocht Lokerman als eerste de gewestelijke vergadering.408] De bundeling bracht enige organisatorische verbetering. De rayonleiders vormden de districtsraad, aangevuld met A. Caris, die de contacten met de distributiedienst, het gewestelijk arbeidsbureau, andere overheidsdiensten, het bedrijfsleven en de duikhoofden onderhield. Er werd een duikraad in het leven geroepen, waarin Lokerman, Vrij, Caris, Hovens en Janssen zitting namen. Ondanks de reorganisatie functioneerde de L.O.-Maastricht begin 1944 nog steeds niet naar behoren. Het district kampte met de gevolgen van de versnipperde hulpverlening. Zo had men voor relatief weinig onderduikers veel bonkaarten nodig. Bovendien liet menig gastgever zich betalen voor de verleende diensten. Na de arrestatie van J.A.J. Janssen, in februari 1944, besloot de gewestelijke leiding de knoop door te hakken. Zij zond achtereenvolgens J.F.H. Mulders, J.H.A. Sorée en kapelaan Van Enckevort naar Maastricht om orde op zaken te stellen. De drie waren ondergedoken en vanwege hun ervaring bij uitstek geschikt om de in Noord-Limburg toegepaste werkwijze in Maastricht te introduceren. Op aandringen van Hendrikx hield Mulders een administratie bij. De groep-Versleijen was daar mordicus tegen vanwege de risico’s. Dank zij Mulders aanpak kwam al gauw aan het licht dat maandelijks maar liefst tweehonderd bonkaarten teveel werden uitgereikt, waarvan de meeste door de B.G.M.-tak. Het gevolg was dat Hovens tijdelijk uit de duikraad stapte. Hij keerde spoedig terug, omdat zijn groep niet buiten de steun van de L.O. kon.
Mulders en Sorée lieten zich door de moeilijkheden niet uit het veld slaan en gingen onverdroten verder met de reorganisatie. Hun inspanningen wierpen vrucht af. De L.O.-Maastricht maakte in het voorjaar een stormachtige groei door. Het aantal onderduikers nam toe van enkele honderden tot meer dan duizend. Daarnaast verleende de L.O. hulp aan ruim honderd joodse onderduikers. Het totaal bedrag aan steunuitkeringen liep op tot meer dan ƒ 20.000,- per maand. 409] Er kwam een apart fonds voor het vrijkopen van gevangenen. Na de arrestatie van J.A.J. Janssen werd deze mogelijkheid voor het eerst beproefd.
Op 17 februari 1944 bezocht Janssen een gewestelijke vergadering in Roermond. Een van de aanwezigen vroeg hem na te gaan of de afvoer van geallieerde vliegeniers via de Maastrichtse organisatie kon lopen, omdat de lijn in het noorden en midden van de provincie stagneerde. Janssen zegde toe zijn best te zullen doen, maar kon geen zekerheid verschaffen. Vrij had eerder laten weten het liever niet over te nemen. ’s Avonds werden Janssen en de districtsleiders van Heerlen en Gulpen aan het station te Roermond met een auto opgewacht door het hoofd van de Maastrichtse Luchtbeschermingsdienst P. Dolmans en diens medewerker F. Schrijnemaekers. Janssen had een schooltas met distributiebescheiden en een aantal illegale bladen bij zich. In Sittard stapten de districtsleiders van Heerlen en Gulpen uit. Terug in Maastricht bracht Janssen meteen verslag uit aan de kapelaans Joosten en Nijsten. Hij wist op dat moment nog niet dat de Sipo even tevoren Dolmans en Schrijnemaekers in de kraag had gegrepen. Het is onduidelijk of dat was gebeurd naar aanleiding van een anonieme schriftelijke tip of door loslippigheid van Schrijnemaekers. Onder zware druk lieten de twee los dat ze die avond Janssen naar Maastricht hadden gereden. In de vroege ochtend van 18 februari omsingelde de Sipo de woning van Janssen. De L.O.-er trachtte tevergeefs over het dak te vluchten. Nitsch vroeg meteen naar de schooltas. Aanvankelijk ontkende Janssen alles, maar de Sipo vond de schooltas. Nitsch, Ströbel en Klonen gingen zich te buiten aan de meest weerzinwekkende wreedheden. Ze bewerkten Janssen met een boksbeugel en een ijzeren liniaal, stopten een prop papier in zijn keel, drukten zijn strottehoofd dicht, verbrandden zijn neus met een sigaar en sloegen op zijn adamsappel. Hoewel de Sipo-leden Janssen bleven schoppen en slaan, zweeg hij, ook nadat Nitsch met de liniaal zijn rechterpink doormidden had geslagen. Na drie etmalen van martelingen, waarbij Janssen herhaaldelijk buiten bewustzijn raakte, beval Ströbel hiermee te stoppen, omdat de L.O.-er dreigde te bezwijken. 410]
Naast Janssen, Dolmans en Schrijnemaekers hield de Sipo broers van de twee eerstgenoemden aan. Op grond van op Janssen gevonden notities werden naderhand twee L.O.-ers gearresteerd. 411]
Hetzelfde lot trof de technisch rechercheur bij de Maastrichtse gemeentepolitie E. van der Noordaa op 22 februari. Hij werd het slachtoffer van een op Dolmans aangetroffen aantekening.412] Geheel onverwacht deed zich een gelegenheid voor om de gevangenen vrij te krijgen. M.J. Hooghuis, een textielbewerker, had in een eerder stadium zijdelings hulp verleend aan de L.O.-medewerker J.W. Ummels, eigenaar van een slagerij in de Wolfstraat. Begin 1944 maakte Hooghuis kennis met de 25-jarige mevrouw A.E. Zeguers-Boere. Hij raakte met haar bevriend.
Mevrouw Zeguers-Boere was met drie kleine kinderen achtergebleven, toen haar echtgenoot in mei 1940 als krijgsgevangene naar Duitsland was afgevoerd. Haar huwelijk was niet gelukkig. Ze hechtte aan een luxueus en onbekommerd bestaan en ze raakte al gauw in financiële problemen. Om het door haar gewenste leven te kunnen voortzetten organiseerde mevrouw Zeguers vanaf 1941 in haar woning aan de Van Heylerhoflaan feestjes voor Duitse militairen. De partijtjes liepen weldra uit de hand. Publieke vrouwen namen er tot genoegen van de militairen aan deel. In december 1941 verhuisde Zeguers-Boere naar het St. Servaasklooster bij het Vrijthof, waar ze haar praktijken voortzette en zelfs uitbreidde. Dank zij de contacten in militaire kring kon ze smokkelen en zwarthandel bedrijven. In 1942 verbleef ze vanwege haar misdragingen acht weken in gevangenschap. Gedurende haar detentie maakte ze kennis met Ströbel, met wie ze prompt een intieme relatie aanknoopte. 413]
Dat laatste was Hooghuis bekend. Toen hij van een van zijn werkneemsters vernam dat S. Dolmans was gearresteerd, polste hij mevrouw Zeguers-Boere over de mogelijkheid Dolmans vrij te kopen. Hierover lichtte hij Ummels in, die zich geïnteresseerd toonde. Zeguers bracht een bezoek aan Nitsch en vroeg hem of Dolmans, Schrijnemaekers, Janssen en Van der Noordaa tegen betaling vrijgelaten konden worden. Ook Nitsch toonde belangstelling. Zeguers vertelde hem dat ze via Hooghuis en Ummels verbinding had met de illegaliteit. Het Sipo-lid was bereid het spel mee te spelen. Hij probeerde tijd te rekken om zoveel mogelijk aan de weet te komen. De informant F. Jaegers (zie hoofdstuk III, paragraaf III.6.2. - De oostelijke Mijnstreek-Noorbeek/Slenaken) - door Nitsch eerder tevergeefs bij Janssen in de cel geplaatst om informatie los te krijgen - kreeg opdracht de woning van Ummels in de gaten te houden en te noteren welke personen het pand bezochten. Via Zeguers liet de Sipo weten, dat Dolmans, Schrijnemaekers en Janssen tegen betaling van ƒ 2.000,- en 20.000 Belgische francs zouden worden vrijgelaten. Na overleg met de districtsleiding berichtte Ummels dat men met het voorstel accoord ging. Schrijnemaekers en de broers van Janssen en Dolmans kwamen vrij. De Maastrichtse L.O.-leiding was uiteraard tevreden met het resultaat; wellicht konden ook de overige arrestanten door bemiddeling van Zeguers, die men volkomen vertrouwde, vrijgekocht worden.
Teneinde haar extra krediet te verschaffen in L.O.-kring gaf Nitsch op 26 april opdracht E. van der Noordaa, tegen wie geen enkel bewijs voorhanden was, vrij te laten. Zijn opzet slaagde. Zeguers bezocht regelmatig L.O.-bijeenkomsten ten huize van Ummels en maakte kennis met Lokerman. De Sipo raakte steeds uitvoeriger geïnformeerd over de plaatselijke L.O. Lokerman stond erop dat hij zelf de onderhandelingen met Zeguers over vrijkoping van arrestanten zou voeren. De slagerij van Ummels fungeerde als contactadres. Op verzoek van Zeguers gaf Lokerman de P.T.T.-er H.J. Reinders opdracht haar telefoon clandestien op het net aan te sluiten. Toen bleek dat de L.O. bereid was ƒ 12.000,- te betalen voor de vrijlating van Janssen, begreep Nitsch dat zijn arrestant een vooraanstaande rol in de Maastrichtse organisatie moest hebben gespeeld. Opnieuw kreeg Janssen het zwaar te verduren. Zeguers bleef intussen uitvoerig rapporteren. Zo berichtte ze dat de gevangenbewaarders L. Krans en H.J. Jamin met de L.O. samenwerkten en doorgaven wanneer gevangenen op transport werden gesteld. Nitsch beraamde een nieuw plan. Hij vertelde Zeguers dat op Goede Vrijdag, 7 april 1944, twaalf gedetineerden uit Maastricht zouden vertrekken. De L.O.-ers hapten meteen toe. Die dag zou een knokploeg de gevangenen ter hoogte van Sittard proberen te bevrijden, maar door gebrek aan coördinatie ging het plan niet door. Op 7 april vond er inderdaad een zwaarbewaakt transport plaats van Maastricht naar Amersfoort. De bewakers waren op alles voorbereid en hadden met de K.P. willen afrekenen.
Eind april achtte Nitsch de tijd rijp om in te grijpen. De omgeving van de woning van Ummels werd afgezet door een Sipo-commando. Omdat Lokerman niet kwam opdagen, besloot men vooralsnog af te wachten. Een volgende poging, begin mei, mislukte eveneens, omdat de zieke Lokerman opnieuw verstek liet gaan. Nitsch wilde niet langer wachten en liet Zeguers een briefje schrijven, waarin ze Lokerman verzocht haar op dinsdag 9 mei ’s avonds om tien uur in haar woning te bezoeken. Het berichtje liet ze door een van haar kinderen bij Ummels bezorgen. Op de bewuste avond vatten Ströbel en Nitsch post achter een gordijn in Zeguers woning.
Lokerman en Zeguers-Boere spraken een half uur met elkaar. Toen hij wilde vertrekken namen de twee hem in hechtenis. Dit was tevens het sein om overal in de stad tot actie over te gaan. Ruim vijftig personen werden gearresteerd, onder wie een onderduiker die Zeguers-Boere in huis had genomen om zo de indruk te wekken dat ze volledig te vertrouwen was, alsook degene die de onderduiker bij haar had gebracht. Laatstgenoemde, H. Brouwers, kwam in Neuengamme om het leven. De P.T.T.-ambtenaar Reinders, die onder de schuilnaam Hermans werkte, werd opgepakt evenals de P.T.T.-er P.A. Hermans, die nergens van wist, maar niettemin ernstig werd mishandeld door Nitsch. Hij verdween enkele maanden naar het kamp Amersfoort. De meeste arrestanten kwamen na enige tijd weer vrij. De overigen werden naar Duitse (werk)kampen gedeporteerd. Als gevolg van het verraad van A. Zeguers-Boere kwamen naast Brouwers de volgende personen om het leven: E.M.H.Ch.H. Houtappel (Neuengamme, 24-11-1944), H.J. Jamin (Buchenwald, 8-3-1945), kapelaan H.J. Lochtman (Bergen-Belsen, 27-2-1945), J.S.H. Lokerman (Neuengamme, 11-2-1945) en J.W. Ummels (Sachsenhausen, 2-12-1944). 414]
Kort na middernacht had M. Schoon, de chauffeur van de Sipo, de twee Sipo-leden, Zeguers-Boere en Lokerman opgehaald aan het St. Servaasklooster en hen naar het bureau van de Sipo aan de Wilhelminasingel gebracht. De verraadster wachtte er tot ’s morgens zeven uur, waarna ze met Nitsch door Zuid-Limburg ging toeren. Tenslotte werd ze ondergebracht in hotel “Mooi Nederland” in Epen, waar ze twee weken logeerde. Vervolgens vertrok ze in gezelschap van Ströbel naar hotel Sonsbeek in Arnhem. 415]
Terug in Maastricht zette ze haar leventje ongestoord voort, totdat Ströbel besloot een einde te maken aan haar smokkelpraktijken en dreigde haar grenspas in te nemen. Ze vond er snel een antwoord op. Eind juli liet ze de Sipo-chef weten verbinding te hebben gekregen met de Belgische Witte Brigade in de persoon van een zekere De Wit. Om haar verhaal geloofwaardig te maken overhandigde ze Ströbel enkele pistolen. Die had ze, naar ze vertelde, ontvangen van H.H. Schepers (De Wit) uit Elsloo. Door tussenkomst van een caféhoudster uit het Belgische grensplaatsje Vroenhoven, M.E. Coenegracht-Straetermans, maakte ze voor 18 augustus een afspraak met hem in Meerssen. Vier Sipo-beambten, onder wie Nitsch en Conrad, wachtten de jongeman die dag in Meerssen op en schoten hem dood. 416]
Na de arrestatiegolf van 9 mei heerste grote verslagenheid in de sterk uitgedunde L.O.-gelederen. Niemand had ook maar enige argwaan gekoesterd jegens mevrouw Zeguers. Integendeel, ze had zich in korte tijd ontpopt als een nuttig en zeer verdienstelijk medewerkster. Slager Ummels liet via een gevangenbewaarder weten, dat zij waarschijnlijk verantwoordelijk was voor het verraad. Volstrekte zekerheid had men niet, aangezien zij - voor de vorm - tegelijk met Lokerman en de onderduiker was gearresteerd. Plannen om de arrestanten, die eind juni op bevel van Nitsch naar Vught waren overgebracht, te bevrijden liepen op niets uit. De K.P.-Den Bosch voelde er niets voor en de K.P.-leider van Noord-Limburg, H. Bouten, werd te laat ingeschakeld om nog iets te kunnen ondernemen. 417]
Opnieuw stond de L.O.-Maastricht voor een ingrijpende reorganisatie. J. Vrij en J. Mulders namen de districtsleiding op zich, maar vielen respectievelijk op 23 mei en 21 juni weg als gevolg van arrestatie. J.H.A. Sorée volgde Mulders en Vrij op. Met K. Schoolmeesters, A. Caris, H. Debats en J. Lamberts vormde hij tot de bevrijding, medio september, de duikraad. 418] Hovens, die namens de groep-Versleijen zitting had in de raad, trad er na de arrestatiegolf definitief uit. Van een hechte samenwerking tussen de twee groepen was nimmer sprake geweest. Niettemin bleef de L.O. de B.G.M.-tak van bonnen voorzien. 419]
Ondanks de reorganisatie en het dure leergeld dat de Maastrichtse L.O. had moeten betalen konden enkele verraders de organisatie toch nog schade toebrengen. In juni 1943 waren de grenspasseur P.H. Moors en mejuffrouw A.M. Osmetti uit het Belgische Herstal aangehouden op aanwijzing van mevrouw M.E. Coenegracht-Straetermans uit Vroenhoven. Evenals Zeguers-Boere was mevrouw Coenegracht een speelbal in handen van de Sipo geworden. Pogingen om haar echtgenoot, die in verband met een smokkelaffaire was opgepakt, vrij te krijgen hadden haar in de armen van de Sipo gedreven. In ruil voor diens vrijlating verschafte ze Nitsch en Ströbel inlichtingen over personen die joden hielpen. Dat leidde op 24 november 1943 tot de aanhouding van politieinspecteur J.F. Kraay en in 1944 tot de arrestatie van rechercheur R.C.A.M.E. Pagnier en rentenier J.J.P. Hazelzet. Zij verbleven geruime tijd in Duitse kampen. Aangezien haar inlichtingen vooral de Belgische illegaliteit betrof, bleef de schade voor de Maastrichtse organisatie beperkt. 420]
Op 4 juli 1944 belde de hoofdwachtmeester van politie, A.B. Reuten, bij mevrouw A.M.J.H. Duijkers-Debije in Heer aan en vroeg of hij mocht telefoneren, omdat hij een illegale transactie van kersen op het spoor was gekomen. In de woning zag hij enkele exemplaren van het illegale blad “Trouw” op tafel liggen. Reuten knoopte een gesprek aan over de illegaliteit, waarop mevrouw Duijkers hem in vertrouwen nam en vroeg of hij bereid was tijdelijk de joodse onderduiker H. Oppenheim in huis te nemen. De politieman stemde ermee in en lichtte de Sipo in. Op 7 juli haalde Reuten de joodse jongeman op, die prompt werd gearresteerd. Reuten liet mevrouw Duijkers weten dat alles in orde was. Hij probeerde uit te vissen van wie ze de illegale bladen ontving en wie bij de hulp aan joden betrokken was. In de loop van juli arresteerde de Sipo twee verspreiders van het blad “Trouw”, J.W. van Heyst en F.A. Erkamp uit Heer, alsook de hulpverlener aan joden J.H.M. Speetjens en het echtpaar G. Duijkers en A. Duijkers-Debije. Van Heyst en Erkamp kwamen na enkele weken weer op vrije voeten. Duijkers kwam op 23 februari 1945 om het leven in Sachsenhausen en Speetjens op 5 maart 1945 in Mauthausen. Mevrouw Duijkers overleefde de Duitse kampen. Het is niet bekend hoe het met H. Oppenheim is afgelopen. Na zijn aanhouding sloeg hij door en vertelde te zijn geholpen door medewerkers van de L.O.-Gulpen. Dat leidde in elk geval tot de arrestatie van J.H. Ortmans uit Wahlwiller en kapelaan L.M.H. Penders uit Gulpen op 21 juli 1944. 421]

VIII.5. District Heerlen

VIII.5.1. Algemene geschiedenis van het district en het rayon Heerlen

In Heerlen en omgeving verzorgden communisten, socialisten, protestants-christelijken en medewerkers van de O.D. en de groep-Bongaerts al onderduikers toen er van enige structuur en coördinatie nog geen sprake was. Het betrof met name joden, communisten en links-socialisten. Zij hadden in 1941 en 1942 het meest te lijden van de Duitse maatregelen. Medio mei 1942 kwamen daar de beroepsofficieren bij. Hulpverleners als kapelaan J.W. Berix en politieman J.H. de Koning wisten weliswaar voldoende gastgezinnen te vinden, maar de moeilijkheden rond de voedselvoorziening dreigden de initiatiefnemers al gauw boven het hoofd te groeien. Honderden personen waren in 1942 afhankelijk van de hulp geworden. Door contact op te nemen met de directeur van het distributiebureau, J. Hendrix, en diens naaste medewerker P. Stoks slaagden de helpers erin de ergste nood te lenigen. 422] Anderen reisden stad en land af om voedsel te verzamelen en hielden inzamelingsacties onder geestverwanten.
Begin 1943 noopte de te verwachten groei van het aantal onderduikers de initiatiefnemers de hulpverlening anders aan te pakken. Vooralsnog boekten Berix, De Koning en het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Heerlen W.J. Quint, die regelmatig bijeenkwamen in het St. Josephziekenhuis te Heerlen en daar met rector P.E.J.J. Teeuwen de moeilijkheden bespraken, weinig resultaat. Dat veranderde in het voorjaar toen kapelaan Naus zijn Heerlense collega N.M.H. Prompers voor een bezoek aan Venlo uitnodigde.

Kaart 44. District Heerlen: indeling in rayons
Kaart 44. District Heerlen: indeling in rayons
Prompers had in zijn preken zijn anti-nationaal-socialistische gezindheid niet onder stoelen of banken gestoken. Op 19 maart 1943 had hij zich voor zijn uitlatingen moeten verantwoorden bij de Sipo. Hij was er met een fikse uitbrander vanaf gekomen. In Venlo vroeg men hem het district Heerlen te organiseren. Ofschoon er over zijn gezindheid geen twijfel bestond, maakte Naus toch een ongelukkige keuze met Prompers. De kapelaan kampte met een zwakke gezondheid en kort na zijn bezoek aan Venlo volgde zijn benoeming tot rector van het Heerlens ziekenhuis. Door drukke werkzaamheden was hij niet bij machte een efficiënte organisatie op poten te zetten. 423] In kapelaan J.W. Berix vond hij echter een bekwaam en actief medewerker. In september 1943 droeg Prompers de leiding aan hem over.
Berix was op 12 april 1907 in het Maasdorp Meers geboren. Na het gymnasium studeerde hij twee jaar filosofie te Rolduc en vier jaar theologie aan het Groot Seminarie in Roermond. In 1933 werd hij tot priester gewijd en datzelfde jaar benoemd tot kapelaan in Heerlen. Als zoveel jonge geestelijken onderhield Berix nauwe banden met plaatselijke jeugdorganisaties, zoals de Jonge Wacht en de Verkennerij. Na de opheffing van die organisaties zag hij erop toe dat de activiteiten konden worden voortgezet in een E.H.B.O.-groep en de K.A. In het voorjaar van 1943 organiseerde hij met enkele artsen voorlichtingsbijeenkomsten, waar hij uit de doeken deed hoe de jongeren zich door middel van vrijstellingen aan uitzending naar Duitsland konden onttrekken. 424] In de zomer van 1943 raakte Berix bij de L.O. betrokken. Aanvankelijk wilde het niet erg vlotten met de organisatie. Kapelaan A.H.L. Meertens, die door Naus was benaderd, werd door Berix ongeschikt geacht, omdat hij tussen juli 1941 en juni 1942 gevangen had gezeten wegens zijn anti-nationaal-socialistische houding. Bovendien was Meertens’ pastoor, P.J. van Oppen, gekant tegen deelname van zijn kapelaan aan de illegaliteit. De overredingskracht van secretaris Moonen deed Van Oppen echter van gedachten veranderen. Meertens adviseerde Berix op welke jongeren van de K.A. hij een beroep kon doen, want aanvankelijk waren K.A.-ers aangezocht die door hun loslippigheid alle inspanningen teniet dreigden te doen.425] Tegen oktober 1943 was het fundament eindelijk hecht genoeg om een organisatie op te bouwen. Het district werd door Berix en J.H.A.E. Cornips ingedeeld in acht rayons. In overleg met de districten Roermond, Maastricht en contactpersonen in de regio Gulpen werden de grenzen afgebakend. Cornips, student aan de Economische Hogeschool in Tilburg, had geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen en was in mei 1943 naar Duitsland vertrokken om zijn ouders niet in gevaar te brengen. In september keerde hij naar Heerlen terug. Zijn vader introduceerde hem bij Berix. 426]
R.-k. geestelijken, dominees en personen die al langer in de illegaliteit actief waren genoten de voorkeur van Berix en Cornips. Zij kregen het verzoek de noodzakelijke contacten in hun gemeenten te leggen en duikadressen te zoeken. De initiatiefrijkste en met leidinggevende capaciteiten begiftigde medewerkers werden doorgaans tot rayonleider benoemd. Berix en Cornips streefden ernaar alle illegale werkers in de rayons in één organisatie te bundelen. In november 1943 was het organisatorisch raamwerk klaar. In verband met de risico’s zag men al spoedig af van het beleggen van districtsvergaderingen in het ziekenhuis van Heerlen. Als een rayonleider dat nodig achtte, werden kleinere bijeenkomsten belegd ten huize van Berix, in het patronaatsgebouw of naderhand in de spreekkamer van het klooster van de Kleine Zusters van de H. Joseph en de woning van de familie Seelen. Cornips fungeerde als verbindingsman tussen het district en de rayons. Hij bracht wekelijks verslag uit aan de districtsraad, waarvan hij zelf, Berix, kapelaan J.J. Keulen, Quint en De Koning deel uitmaakten. Doorgaans vond de districtsraadsvergadering daags na de gewestelijke vergadering plaats. Afwisselend bezochten Cornips en Berix die vergadering. 427] Als gevolg van de moeizame totstandkoming van de L.O.-Maastricht en de geringe belangstelling van dat district voor de omliggende gemeenten werd het rayon Valkenburg in januari 1944 aan het district Heerlen toegevoegd.
Begin 1944 telde het district dus negen rayons: Hoensbroek (geleid door kapelaan W.H. Hermans), Brunssum (pater W.E.H. van der Geest), Geleen-Beek (H. Smeets), Kerkrade (Th.J.M. Goossen), Ubach over Worms (pater Ch. Fréhen), Klimmen (B.J.C. van Kooten), Heerlen (tot januari 1944 J.H.A.E. Cornips en kapelaan J.J. Keulen daarna alleen Keulen en vanaf maart respectievelijk J. Seelen en A.J. Derks), Valkenburg (P.J.A. Schunck) en Sittard (M.P.J.M. Corbeij). Na een vergadering ten huize van B. van Kooten werd Klimmen als laatste rayon aan het district toegevoegd. Erg soepel verliep de samensmelting overigens niet. Het rayon Geleen-Beek sloot zich pas definitief aan toen onomstotelijk vaststond dat men er veel profijt van zou hebben. 428] Sittard bleef hardnekkig een onafhankelijke koers varen tot ergernis van de districten Roermond en Heerlen. Het rayon zal derhalve in een aparte paragraaf worden besproken. Met het district Gulpen boterde het evenmin. Wellicht werden de strubbelingen gedeeltelijk veroorzaakt door het feit dat Berix c.s. veel medewerkers hadden geworven in kringen van personen die al enige tijd deelnamen aan het verzet en deel uitmaakten van bestaande illegale “organisaties” die hun zelfstandigheid ongaarne prijsgaven.
Gedurende de eerste maanden, dat wil zeggen de laatste maanden van 1943, baarden de financiën de districtsleiding veel zorgen. Met steun van de directeur van de Twentsche Bank, W. Driessen, het Fonds voor Bijzondere Nooden, beheerd door de hoofdaalmoezenier van sociale werken, K.W.A.H. Roncken en in overleg met de gewezen voorzitter van de R.K. Werklieden Bond, J. Maenen, konden de ergste problemen het hoofd worden geboden. Quint nam contact op met A.J. Gelderblom, zodat een verbinding tot stand kwam met het N.S.F. Een gemachtigde van de districtsraad, H.Cordewener, trad als districtskassier op. 429]
Voor voorzieningen in natura bleef men aangewezen op inzamelingsacties bij boeren en particulieren. Naderhand was dat nauwelijks nog nodig. Geld voor kleding kreeg men van het Fonds voor Bijzondere Nooden. De textielfirma Schunck verwierf textiel van het rijksbureau voor de distributie van textielproducten door de handel, kortweg Distex, in Arnhem. Een medewerker van Distex zorgde ervoor dat de clandestiene leveranties buiten de boeken bleven. 430] Distributieambtenaren, onder wie Hendrix, P. Stoks, H.M. Hegtermans, P. Lucer, T.H.W. Rensen en J. Spreksel toonden zich actief en inventief bij het vrijmaken van bonkaarten voor de L.O. In 1944 liep het aantal geleverde bonkaarten op tot dertienhonderdvijftig per periode. De bescheiden werden toevertrouwd aan koster J. Brouns, die alles in de hoofdkerk verborg. 431]
Teneinde personen voor uitzending naar Duitsland te behoeden en vrijstellingen te verschaffen waren goede contacten met het Gewestelijk Arbeidsbureau onontbeerlijk. Tot 8 december 1943 ondervond de Heerlense L.O. steun van de G.A.B.-medewerker H.J.H. Vreuls. Na zijn ontslag maakte Vreuls zich verdienstelijk voor de L.O. in het rayon Ubach over Worms en voor het Außenministerium. Na het vertrek van Vreuls traden onder anderen H.J.M. Dassen, W.J.M. Dautzenberg en J.P.F. van Els op als contactpersonen bij het G.A.B. De assistente van de G.A.B.-keuringsarts, mejuffrouw M.A.C. Förster, behoedde talrijke goedgekeurde personen voor uitzending naar Duitsland door op grote schaal medische attesten te veranderen en zelf afkeuringsbewijzen te ondertekenen. Toen men er achter kwam dat een “foute” collega, H.Th.G. Derryx, in opdracht van Nitsch haar gangen naging en de Sipo over haar doen en laten informeerde, dook Förster onder. Haar opvolgster, mejuffrouw M.A.P. Duysens, zette de activiteiten van Förster voort. 432]
De L.O. beschikte eveneens over contactpersonen op het gemeentehuis, onder wie C. Crombach en S. Apers. Om te vermijden dat de werkzaamheden verstrengeld zouden raken werd een taakverdeling doorgevoerd: A. van de Akker leidde de persoonsbewijzensectie; een groep rond L.J. de Graaf hield zich bezig met de verspreiding van illegale bladen die, voor zover ze niet in de regio werden gedrukt, het district veelal via L.O.-kanalen bereikten; pater C. Holthuijzen uit Hoensbroek onderhield het contact met het kamp Vught en een groep rond G.H. Bensen, P.F. Driessen en J.R.P. Crasborn waaruit naderhand de K.P.-Heerlen ontstond, die strikt gescheiden van de L.O. opereerde.
Omdat de districtsleiding al in een vroeg stadium afzag van het houden van grote bijeenkomsten, ontstond in de regio Heerlen een wijdvertakt net van koeriers. Sommigen vervoerden naast distributiebescheiden, valse stempels en papieren, illegale bladen, persoonsbewijzen, berichten en inlichtingen ook wapens en munitie. Hun werkterrein beperkte zich overigens niet uitsluitend tot het district. Verscheidene koeriers doorkruisten het hele land, vooral in 1944. Aanvankelijk verplaatsten ze zich per trein, later per fiets of te voet. Tot het legertje koeriers behoorden de dames F.L.H. van den Bergh (“Meta”), M.A.C. Cuypers (“Corrie”), M.Th. Jaspers (“Trees”), H. Okhuyzen (“Riek”), M. Retrae, J. Smeets, A.M.G. Straver (“Ploon”) en de heren J. van Betuw, Th.G.W.B.M. Crijns, Th.G. Keulaerds, C.M.J. Laudy (“Riel”) en J. Seelen (“Joep”) die er leiding aan gaf en de opdrachten verstrekte. 433]
Het district Heerlen was bij uitstek geschikt voor het huisvesten van onderduikers. De bezetter deed er alles aan om de steenkoolproduktie op te voeren. Daarvoor was mankracht nodig. Talrijke onderduikers vonden emplooi in de mijnen. Ze ontvingen een vrijstellingsbewijs voor arbeid in Duitsland. Daarmee waren ze weliswaar niet helemaal veilig, maar aangezien de autoriteiten een oogje dichtknepen en de bezetter de pogingen van de mijndirecties om de produktie op te voeren moeilijk iets in de weg kon leggen, bestond de mogelijkheid op grote schaal allerlei documenten te vervalsen. De samenwerking tussen het administratief en hoger mijnpersoneel en de L.O. liep mede daardoor overwegend bevredigend. In de Staatsmijn Emma bijvoorbeeld werkten driehonderd onderduikers. Van de andere mijnen zijn geen cijfers beschikbaar, maar hoogstwaarschijnlijk zijn vanaf 1943 meer dan duizend - wellicht enkele duizenden - onderduikers in de Zuid-Limburgse mijnschachten afgedaald. Als zij over deugdelijke papieren beschikten, had de L.O. met hen vrijwel geen bemoeienis meer. Ze ontvingen hun distributiebonnen via de gebruikelijke, legale weg en de mijndirecties zorgden voor onderdak in gezellenhuizen en bij particulieren. Men zou derhalve van semi-legale onderduikers kunnen spreken. Echte risico’s of ernstig gevaar liepen deze mijnwerkers in elk geval niet. 434]
Een andere categorie onderduikers, met wie vooral het district Heerlen te maken kreeg, kwam uit de gelederen van de talrijke Duitsers die in de regio woonden. Een aantal van de in Nederland woonachtige Duitsers stond afwijzend tegenover het nazi-regime en voelde er niets voor in de Wehrmacht te dienen. Zij gingen op zoek naar duikadressen of deden al dan niet via tussenpersonen een beroep op de L.O. In 1944 kwam daar nog een aanzienlijk groep deserteurs bij. Hoewel de L.O. aanvankelijk bereid was te helpen, werd in 1944 een richtlijn uitgevaardigd dat vanwege het ontoereikend aantal duikadressen en het verhoogde risico Nederlandse onderduikers voorrang genoten. Hoeveel Duitse onderduikers zijn geholpen is niet bekend. Zeker is dat het geen grote aantallen betrof. Voor deserteurs wilde men nog wel eens een uitzondering maken, aangezien zij hun wapens en munitie aan de slecht bewapende L.O. (K.P.) moesten afstaan.435]
Het rayon Heerlen stond aanvankelijk onder leiding van J. Cornips en kapelaan J. Keulen. Cornips’ taken breidden zich zodanig uit dat hij zijn functie in januari 1944, toen hij zitting nam in de gewestelijke duikraad, overdroeg aan kapelaan Keulen, maar ook die kreeg het steeds drukker zodat de rayonleiding vanaf maart 1944 berustte bij achtereenvolgens J. Seelen en A.J. Derks. Als duikhoofden traden op: pater Conradinus Aerts O.F.M., de kapelaans M. Leclerq, A.H.L. Meertens, H.W.J. Creusen, G.F.H. Marcus en L.J.H.M. Petit en de heren F. Derks, A.J. Derks, De Groot en Wierts. 436]
Hoewel de L.O. en de K.P. gescheiden van elkaar opereerden - er bestond overigens wel contact tussen de twee organisaties: H. Putters trad als verbindingsman op - fungeerde de K.P. als sterke arm van de L.O. Begin maart 1944 vatte de Heerlense K.P. in samenwerking met de K.P.-Nijmegen het ambitieuze plan op om met één gecoördineerde actie achtereenvolgens het politiebureau, het distributiekantoor en het gemeentehuis in Heerlen te overvallen. Het idee was gelanceerd door G.H. Bensen en de Nijmeegse K.P.-er L.A. van Druenen. Nadat ze enkele dagen de objecten geobserveerd hadden, kwamen ze tot de slotsom dat het plan uitvoerbaar was. De K.P.-Nijmegen zou in twee groepen worden gesplitst. Vijf K.P.-ers onder leiding van Van Druenen zouden het politiebureau voor hun rekening nemen. De tweede groep, geleid door Th. Dobbe, zou het distributiekantoor overvallen. Daarna zouden de twee groepen samen met de K.P.-Heerlen het gemeentehuis binnendringen.
In de nacht van 9 op 10 maart om 0.30 uur klopten de K.P.-ers bij het politiebureau aan. Ze vertelden treinreizigers te zijn die na aankomst geen onderdak meer hadden kunnen vinden. De dienstdoende agent koesterde geen argwaan en liet hen binnen. De K.P.-ers overmeesterden de vijf nachtwakers, die een sigaar en een deken ontvingen en in een cel werden opgesloten. Een agent moest zijn uniform afstaan. Het zou van pas kunnen komen bij de volgende fase van de operatie. De overvallers namen vierentwintig pistolen mee, waarvan er zestien geladen waren, twee leren motorjacks en andere uitrusting en vier paar handboeien. Nadat ze het alarm en de telefoon onklaar hadden gemaakt begaven ze zich naar het distributiekantoor, waar Dobbe en zijn groep wachtten. Bij aankomst bleek dat Van Druenen in de haast de sleutels van het distributiekantoor, die op het politiebureau werden bewaard, had vergeten mee te nemen. Dobbe liet zich door deze tegenvaller niet uit het veld slaan. Bensen c.s wachtten immers bij het gemeentehuis om toe te slaan. De geüniformeerde K.P.-er moest aanbellen, waarna de overige K.P.-ers naar binnen zouden gaan om de bewakers buiten gevecht te stellen. Het liep anders. Een van de bewakers sloeg alarm. Er ontstond een vuurgevecht, waarbij een bewaker gewond raakte. De K.P.-ers bliezen de aftocht en vertrokken naar Valkenburg. De K.P.-Heerlen hoefde niet meer in actie te komen. De volgende dag keerden Dobbe en zijn ploeg naar Nijmegen terug.437] Een onderzoek door de Sipo leverde niets op. Het staat niet vast of Nitsch door de overval van 9 maart kapelaan Berix op het spoor kwam. Toen Berix vernam dat in Geleen arrestaties hadden plaatsgevonden, dook hij op 24 maart 1944 onder. De districtsleider vestigde zich in de woning van mevrouw J. Jaspers-Koten in Klimmmen, waar hij zijn werkzaamheden voortzette. 438]
Vanzelfsprekend had de L.O. baat gehad bij een geslaagde overval op het distributiekantoor en het gemeentehuis, maar of de organisatie bij de plannen was betrokken staat niet vast. Dat lag anders bij de bevrijding van koerier Th. Crijns in de nacht van 23 op 24 april 1944. Op 20 april bezocht Crijns kapelaan Keulen. Op weg naar huis werd hij omstreeks 23.00 uur door patrouillerende landwachters aangehouden. Aangezien hij een partij distributiebescheiden, PB’s en belastende papieren waaronder een adressenboekje bij zich had, probeerde hij te vluchten, maar hij reed met zijn fiets in een afzetting van prikkeldraad waarbij hij gewond raakte in zijn gezicht. De landwachters brachten hem naar het ziekenhuis. Chirurg K.C. van Berckel, die van Crijns illegale werk wist, verbond het gezicht zodanig dat Crijns voorlopig niet kon spreken. Toen Nitsch de volgende dag Crijns voor verhoor wilde ophalen, weigerde de arts hem te laten gaan. Ongetwijfeld zou Nitsch een van de volgende dagen terug komen. De plaatselijke L.O. bevond zich in een lastig parket. Als Crijns doorsloeg of de adressen werden gevonden kon dat fatale gevolgen hebben. Een politieman liet C.J.E. Cornips, de vader van J. Cornips, de volgende dag weten dat bezoek van de Sipo-Maastricht verwacht kon worden. J. Cornips vertrok uit Heerlen. Hij dook onder in Nijmegen. In zijn plaats arresteerde de Sipo diezelfde dag nog Cornips sr., die op 2 september in Vught terechtkwam waar hij twee dagen later werd doodgeschoten. Kapelaan J.H. Heusschen belde in de avond van 21 april G.H. Bensen. Hij legde de situatie uit en verzocht Bensen iets te ondernemen om erger te voorkomen.
Toen kapelaan Keulen van de arrestatie van Crijns hoorde waarschuwde hij meteen J. Crasborn. De K.P.-leider zette zijn ploeg nog liever niet op eigen terrein in en nam contact op met P. Sijmons in Maastricht. Sijmons had net bezoek van de Venlose kapelaan P. van Enckevort, die zich in verbinding stelde met K.P.-leider Houwen in Helden. Houwen was bereid met zijn ploeg de bevrijdingsactie uit te voeren en bezocht Heerlen op 22 april. Ofschoon Crijns zwaar bewaakt werd, besloot hij de volgende dag tot actie over te gaan. Op weg van Helden naar Heerlen werd hij echter ter hoogte van Roermond aangehouden. De K.P.-Nijmegen was eveneens gepolst, maar Dobbe vond de onderneming te riskant. Bensen en Crasborn besloten het dan maar zelf te doen en vonden M.J.H. Edelhausen, P.F. Driessen, L.J. de Graaf en P. Janssen bereid tot deelname. Voorts riepen ze de hulp in van mejuffrouw H.F. Dröge. Zij moest de rol van verpleegster spelen en Crijns op de hoogte brengen van het bevrijdingsplan. Bovendien moest ze de bewakers van te voren koffie brengen, waaraan een slaapmiddel was toegevoegd. Enkele verpleegsters zouden een raam open laten staan, zodat de K.P.-ers naar binnen konden. In de ochtend van 24 april om 4.30 uur bracht Dröge de twee politiemannen Koevoets en Vervoort de koffie. Even later drongen de K.P.-ers het ziekenhuis binnen. De twee agenten waren nog klaar wakker toen plotseling G.H. Bensen opdook. Koevoets greep naar zijn pistool. Bensen aarzelde geen moment en opende het vuur, maar hij miste. Een kogel uit Koevoets pistool trof Bensen in de linkerarm. Crasborn schoot zijn kameraad te hulp en er volgde een vuurgevecht, waarbij Crasborn Koevoets zeer ernstig en Vervoort licht verwondde. De twee K.P.-ers vluchtten over een balkon. Bensen had zoveel last van zijn wond, dat hij in de kelder van het ziekenhuis moest achterblijven. De volgende dag werd hij per brancard naar een duikadres in Heerlen vervoerd. Twee weken later vertrok hij met Th. Dobbe naar Nijmegen. Hij keerde tot de bevrijding niet meer terug in Heerlen. Crijns had, nadat de K.P.-ers hem gesommeerd hadden zich uit de voeten te maken, in het tumult van de schietpartij kans gezien de kamer te verlaten en onopgemerkt de kolenkelder van een aangrenzende school te bereiken waar hij de rest van de dag bleef. ’s Avonds begaf hij zich naar J. van de Velden, hopman van de jeugdvereniging, waar kapelaan Keulen hem opzocht. Vervolgens brachten K.P.-ers hem naar zijn onderduikadres, de schoonfamilie van P.F. Driessen.
In de loop van de morgen stelden Ströbel, Nitsch, Micheels, Schut en Klonen een onderzoek in. Van agent Koevoets, die na enkele weken aan zijn verwondingen bezweek, vernam men dat Bensen tot de overvallers behoorde. Daarop namen de Sipo-leden zijn ouders, G. Bensen sr. en M.A. Bensen-Versaan in hechtenis en plunderden de woning. Vader Bensen zat tot de bevrijding vast in het kamp Amersfoort. Mevrouw Bensen werd op 14 september 1944 uit het kamp Vught ontslagen. De familie Crijns trof hetzelfde lot: Nitsch arresteerde mevrouw Crijns, drie dochters en een zoon. Ze werden evenals het echtpaar Bensen op 5 juni naar Vught overgebracht. Vader Crijns en een andere zoon hadden kunnen vluchten. De inboedel van de woning werd verbeurd verklaard en de bezittingen geconfisceerd. Medio september 1944 kwamen de familieleden van Th. Crijns vrij. Voor hem waren het zeer moeilijke maanden geweest. Aanvankelijk had de L.O. hem niet ingelicht over de arrestatie van zijn familie uit angst dat hij zich misschien alsnog bij de Sipo zou melden. 439]
Na de affaire Crijns vonden enkele wijzigingen op districtsniveau plaats. Zo werd B.J.C. van Kooten in de districtsraad opgenomen. Na de arrestaties te Weert op 21 juni stond Van Kooten tijdelijk aan het hoofd van het district. Berix’ definitieve opvolgers waren kapelaan J.J. Keulen, die zich voornamelijk bezighield met de interne betrekkingen en aangelegenheden van het district, en het rayonhoofd van Kerkrade, Th.J.M. Goosen, die zich vooral om de externe betrekkingen van het district bekommerde. Zijn verbindingen en ervaringen met het Außenministerium (zie paragraaf IV.2.) brachten Goossen er medio juni toe een inlichtingendienst (I.D.) op te zetten, die ten dienste stond van alle verzetsorganisaties in de regio. De eerste en voornaamste taak van de I.D. was de bescherming van de illegale werkers. Daarnaast verzamelde de dienst militaire inlichtingen. Sinds de geallieerde landing op de Normandische kust begin juni was het belang van zulke inlichtingen nog meer toegenomen. In augustus 1944 verzocht de O.D.-commandant C. Nicolas de militaire tak van Goossens I.D. expliciet om dergelijke inlichtingen. Voor het doorgeven van berichten was Goossen aangewezen op koeriers en het clandestiene P.L.E.M.-telefoonnet. Toen de geallieerden in september Zuid-Limburg binnentrokken begaven L.O.-I.D.-medewerkers zich herhaaldelijk door het front om de Amerikanen over Duitse posities, geschutsopstellingen en troepenverplaatsingen te informeren. In de maanden na de bevrijding bleef deze inlichtingendienst gehandhaafd en werd zelfs uitgebreid over Zuid-Limburg.440] Ofschoon kapelaan Keulen en Goossen in juni een tot in de puntjes georganiseerd district aantroffen, bleef het rayon Heerlen niet gevrijwaard van tegenslag. Landwacht en A.K.D. maakten de omgeving onveilig en arresteerden in de zomer van 1944 talrijke onderduikers. Als gevolg van een speuractie naar de illegale werker J. Stitzinger werd op 20 juni de Heerlense L.O.-er M.H.T.S.L. Wilders gearresteerd door het Sipo-lid K.P. Fiebig. Wilders kwam in Duitsland terecht en werd in het voorjaar van 1945 in de buurt van Koblenz door Amerikanen bevrijd. 441] Waarschijnlijk was de aanhouding op 18 augustus van de L.O.-er kapelaan V.L.S. Ramakers door de Landwacht een gevolg van liquidaties en pogingen daartoe, enkele dagen eerder door de K.P. Een paar landwachters en de Sipo-agenten C. Klonen en C. Schut sommeerden de kapelaan omstreeks 15.00 uur ter hoogte van een spoorwegviaduct bij de Oranje-Nassau I van zijn fiets te stappen. Toen Ramakers aanstalten maakte weer op te stappen en weg te rijden, loste iemand een schot. De kogel trof de geestelijke aan het hoofd. Ramakers werd naar een eerste hulppost op de mijn gebracht. Ströbel liet de kapelaan naar Vught overbrengen, waar hij van de verwonding herstelde. Op 6 september werd Ramakers op transport gesteld naar Sachsenhausen. In februari 1945 kwam hij in het kamp Bergen-Belsen aan, waar hij op 9 maart aan typhus bezweek. 442]
Aan het begin van deze paragraaf werd in het kort iets gezegd over de voorgeschiedenis van de Heerlense L.O. Verscheidene groepen die hulp aan onderduikers verleenden werkten weliswaar samen met de L.O., maar behielden grotendeels hun zelfstandigheid. Een van die groepen, waarin sociaal-democraten, protestanten en katholieken eendrachtig samenwerkten, stond onder leiding van de franciscaan G.L.J. van Beckhoven (pater Beatus). Hoewel de groep geen hechte organisatiestructuur kende en verschillende leden over eigen verbindingsnetwerken beschikten, bestond er toch een zekere cohesie. De meeste hoofdrolspelers, zoals Van Beckhoven, mejuffrouw M.A. Hoogland, mevrouw S.A.M. Lemmens-Bisschops, A.M. van Kranen, W. Slooten en R. Boxem, kenden elkaar en hadden verbinding met de L.O. of werkten voor die organisatie, zoals Boxem. Dat deze hulpverleners allemaal betrokken waren bij de hulp aan joodse onderduikers lag waarschijnlijk ten grondslag aan hun relatief onafhankelijk opstelling: het betrof immers een illegale activiteit, waar men al in 1942 mee was begonnen en die tot uiteenlopende verbindingen had geleid in een periode dat er nog geen L.O. bestond.
Menigeen achtte een samengaan met de L.O., eind 1943, niet noodzakelijk.
Mevrouw S.A.M. Lemmens-Bisschops startte in 1942 met haar dochter de hulpverlening aan joden. Aangezien haar moeder jodin was had ze veel verwanten, vrienden en kennissen in joodse kring. De joden werden haar gezonden door P. Terwindt uit Arnhem, ds. Aalders uit Driebergen en L. Cats-Bollen uit Den Haag. De ruim tweehonderdvijftig joden die uiteindelijk via deze kanalen in Heerlen terechtkwamen vonden zowel bij haar thuis als elders onderdak. Ze ondervond onder anderen steun van pater Beatus, A.M. van Kranen en verscheidene L.O.-ers. Van Kranen, een P.T.T.-beambte, haalde sedert 1942 joden op in Amsterdam en Zeist. Hij bracht ze onder in de regio Heerlen met steun van J. Rog, wiens echtgenote stad en land afreisde om voedsel voor de hun toevertrouwde onderduikers te vergaren. De families Rog en Van Kranen verzorgden samen ruim veertig joden. Af en toe bood de L.O.-er J.H. de Koning hulp en leverde hun distributiebonnen.443] De familie Slooten was bij de hulpverlening betrokken door mejuffrouw G. Slooten, die in Hilversum bij de joodse familie Waterman had gewerkt. Als gevolg van de Duitse maatregelen keerde zij in 1942 naar huis terug, waar de toch al anti-nationaalsocialistische stemming een nieuw impuls kreeg. Het gezinshoofd W. Slooten besloot in overleg met zijn dochter joden uit Amsterdam en Hilversum te laten overkomen. Als eerste kwam in mei 1943 de familie Waterman. Daarna volgden tientallen andere joodse vluchtelingen. Weldra kreeg Slooten contact met de L.O.-ers J.H. de Koning en R. Boxem, mevrouw Lemmens-Bisschops en B. Rinzema, die de familie Slooten vele diensten bewees. 444] De medewerker van het sociaal-democratisch georiënteerde verzetsblad “Het Vrije Volk” en voormalig N.V.V.-bestuurslid R. Boxem bleek in 1944 van onschatbare waarde voor de hulpverleners in de regio. Een kennis van hem, J.H. van Dijck, was toegetreden tot de Landwacht en lichtte Boxem vooraf in over op handen zijnde arrestaties. Van Dijck wist overigens niets van Boxems illegale werk. Zo kon Boxem op 29 april Slooten waarschuwen, die tijdig voorzorgsmaatregelen trof. De hulpverleners aan joden M. Ackermans, G. Jonker en G. Samson werden eveneens door hem getipt. Dank zij de loslippigheid van Van Dijck en het alerte optreden van Boxem en Slooten ontsprongen zij allen de dans. 445]
Pater Beatus werd onder anderen geholpen door W.J. Cordowiner, mejuffrouw M.A. Hoogland - haar woning deed dienst als doorgangshuis - en mejuffrouw J.B. Prakken, die voor hem koerierde.446] Waarschijnlijk fungeerde de franciscaan als intermediair tussen de hulpverleners en de L.O. Een van de gezinnen waar Beatus joden onderbracht was de familie Westdorp. Het gezinshoofd M.G. Westdorp haalde ze ook wel zelf op in Amsterdam en Twente. Zo bood Westdorp onderdak aan gezinsleden van de familie Frankenhuis uit Enschede. Mejuffrouw A. Frankenhuis en haar verloofde L. Meyers hielden zich schuil bij mevrouw Lemmens-Bisschops, die de twee begin 1943 kwijt wilde in verband met de komst van joodse kinderen. Weldra ontstonden problemen rond het verloofde stel. Het conflict liep zo hoog op dat A. Frankenhuis dreigde de autoriteiten mee te delen wat ze van de illegaliteit wist. Op 20 april 1943 werden de stoffelijke resten van Frankenhuis en Meyers aangetroffen in een kalkput bij Voerendaal. Ze waren door de illegaliteit geliquideerd. Op het lichaam van Frankenhuis trof een rechercheur een brief aan met de naam van mevrouw Lemmens. Bij het verhoor op het politiebureau beweerde ze steeds te hebben verondersteld dat Frankenhuis een evacué uit Den Haag was. Haar voorstelling van zaken werd geaccepteerd, zodat de Sipo er buiten bleef.
De familie Westdorp raakte in moeilijkheden door loslippigheid van een buurman. Op 3 november 1943 arresteerde Nitsch enkele familieleden en achttien joodse onderduikers. Laatstgenoemden kwamen allen in Duitse kampen om het leven. De gearresteerde gezinsleden van de familie Westdorp kwamen nog tijdens de bezetting op vrije voeten. 447]
Begin 1944 schreef de G.A.B.-medewerker H.Th.G. Derryx de Sipo een brief, waarin hij meedeelde dat er bij de opticien Peree in Heerlen een onderduiker werkte zonder geldige papieren. Nader onderzoek door Nitsch wees uit dat de betreffende persoon zat ondergedoken bij de familie Prakken. Op 3 februari 1944 arresteerden Nitsch en Klonen mevrouw Prakken. Er volgden nog meer arrestaties. Bij de verhoren dook de naam van pater Beatus op als leider van de organisatie. Een onderzoek in het klooster leverde niets op. De gearresteerde gezinsleden van de familie Prakken en de overige arrestanten verbleven op één persoon na, die in juni 1944 wist te ontsnappen, tot de bevrijding in kampen en gevangenissen in Duitsland of werden tewerkgesteld in de oorlogsindustrie.
Pater Beatus begreep dat hij vogelvrij was en leidde sedert februari een zwervend bestaan. De Sipo bleef hem zoeken en slaagde erin de geestelijke op 17 juni 1944 in een trein bij Rotterdam te arresteren. Op 6 september werd hij van Vught naar Sachsenhausen gedeporteerd. In februari 1945 kwam Beatus in Bergen-Belsen terecht, waar hij medio maart aan vlektyphus overleed. 448]
In het voorjaar en de zomer van 1944 hadden de hulpverleners en de (joodse) onderduikers het meest te duchten van de landwachter M.J. Raeven. Met het Sipo-lid H. Conrad en anderen maakte hij talrijke slachtoffers in Heerlen en omliggende gemeenten. Hulpverleners als M.H.J.H. Hellenbrand, H. Klingenberg, mevrouw J.W. Debets-Janssen en vele niet met naam bekende joden verdwenen door zijn toedoen naar Duitse kampen. De meeste joodse arrestanten overleefden de oorlog niet.449] De K.P. ondernam diverse tevergeefse pogingen Raeven uit te schakelen. Op 14 augustus 1944 lukte het wel. Overal in de Mijnstreek hielden zich die dag kleine groepjes bewapende K.P.-ers op. Ze hadden opdracht Raeven te liquideren zodra hij opdook. In de wijk Molenberg in Heerlen werd de landwachter kort na een uur in de namiddag door de K.P.-er P.G.J. Janssen gesignaleerd en neergeschoten. Hij werd door vier kogels in de rug getroffen. Kapelaan Meertens, die er getuige van was, begeleidde de zwaargewonde naar het ziekenhuis. Daar bezweek Raeven korte tijd later. 450]
Ofschoon de sociaal-democraten in de Mijnstreek aansluiting zochten en vonden bij de regionale verzetsorganisaties, ontplooiden zij aanvankelijk zelf allerlei initiatieven. Dat was mede te danken aan de bezoeken die de socialist J.H. Scheps op verzoek van J. Vorrink vanaf 1941 aan Zuid-Limburg bracht. Hij riep de Limburgse S.D.A.P.-ers en N.V.V.-ers in woord en geschrift op tot weerbaarheid. De verbindingen waren voornamelijk tot stand gebracht door J.J. Hamelink, die zich sedert 1940 bezighield met het leggen van contacten met S.D.A.P.-ers en leden van de Bond van Spooren Tramwegpersoneel in het hele land.451] In Limburg bracht hij onder meer verbindingen tot stand met J. Lokerman, J.H. de Wever en H. van der Ploeg. Van der Ploeg leidde voor de oorlog de S.D.A.P.-fractie in de Heerlense gemeenteraad en begon kort na de Duitse inval bijeenkomsten te beleggen in zijn woning. Daaruit ontstonden weldra kleine verzetskernen. Op 13 juni 1942 werd hij als gijzelaar opgepakt en overgebracht naar Haaren. Toen hij vier maanden later vrijkwam, zette hij niettegenstaande een in gevangenschap opgelopen longziekte zijn verzetswerk voort. Zijn woning werd het verspreidingscentrum van het “Parool” in de regio. Regelmatig vonden er bijeenkomsten plaats van L.O.-ers, K.P.-ers en O.D.-ers. Pater Beatus sloeg allerlei goederen op in de woning, bestemd voor de joden in het kamp Westerbork. Op 16 april 1944 overleed de Heerlense S.D.A.P.-er aan de longziekte. 452] Brunssum kende eveneens een actieve verzetskern van S.D.A.P.-ers, waarvan J.H. de Wever, S. de Vries, J. Wassen, mejuffrouw C.W. Molenaar en de heren Sopers en P. Vullers deel uitmaakten. Zij hielden zich voornamelijk bezig met de hulp aan (joodse) onderduikers en werkten samen met de L.O. Voorts verspreidden ze illegale bladen en verzamelden ze explosieven, afkomstig van mijnbeambte W. Leisenaar. De Wever vervoerde de springstoffen naar medewerkers van de R.V.V. in Amsterdam. 453]
Afsluitend willen we kort stilstaan bij de illegale activiteiten van de Poolse gemeenschap in de Mijnstreek. Vanwege gebrek aan bronnen is deze schets summier. Sommigen, zoals E. Koniecny, startten hun verzetswerk in overleg met plaatselijke illegale werkers en vonden naderhand onderdak bij de L.O. Koniecny, die sedert eind 1942 het beroep van tolk-vertaler uitoefende, zette zich vooral in voor Poolse onderduikers. Daarnaast verzamelde hij met landgenoten wapens, munitie en springstoffen en pleegde hij sabotage. Als gevolg van verraad werd hij op 24 augustus 1944 door vijftien S.S.-ers in zijn woning in Heerlen gearresteerd. Op 7 september beroofde Nitsch hem in Berg en Terblijt met een nekschot van het leven. 454] Andere Polen vormden verzetseenheden onder commandant S. Remi, bevelhebber van het Pools verzet in Noord-Frankrijk, België en Nederland. In 1943 ontstond in de Mijnstreek de eerste groep onder leiding van J. Zaremba. Het aantal groepen of secties groeide in 1944 tot elf. Elke sectie telde vijf of zes medewerkers. De Polen maakten telefoonverbindingen onklaar, knoeiden met wegwijzers en maakten landmijnen onschadelijk. Op 24 juli 1944 liet een groep in de buurt van het station Kerkrade een locomotief ontsporen. Vanaf september 1944 verzamelden de Polen militaire inlichtingen, voerden ze verkenningstochten uit en fungeerden ze als gids voor de Amerikaanse troepen. Het is mogelijk dat de Polen samenwerkten met Hongaren, die zich eveneens trachtten te organiseren in kleine verzetsverbanden, maar daar is verder niets van bekend. 455]

VIII.5.2. Rayon Hoensbroek

Na een vergeefs beroep op een geestelijke uit Hoensbroek, vonden Berix en Cornips in september 1943 kapelaan W.H. Hermans bereid de L.O. in het rayon Hoensbroek op te bouwen. Het rayon omvatte naast de hoofdplaats de dorpen Nuth, Schinnen, Spaubeek, Oirsbeek en Treebeek. Kapelaan Hermans, G.H.H. Coenjaarts, G.H. Dirrix, kapelaan G.J.H. Meens en pater C. Holthuijzen traden als duikhoofd op in Hoensbroek. Begin 1944 besloot Hermans, die korte tijd later werd overgeplaatst naar Berg aan de Maas, na enige strubbelingen de rayonleiding over te dragen aan Coenjaarts, Dirrix en het duikhoofd van Nuth, H.P.J. Jamin. De duikhoofden recruteerden hun medewerkers voornamelijk uit leden van de voormalige jeugdbewegingen. Er werden verbindingen aangeknoopt met distributieambtenaren, overheidsdienaren op de verschillende gemeentehuizen en de mijnen. Drie koeriers onderhielden de verbindingen binnen het rayon en met het district. In de Hoensbroekse kapelanie werd een vervalsingsbureau ingericht, dat tientallen PB’s produceerde. Onder winkeliers en groothandelaren hield men voedselinzamelingen. De goederen werden opgeslagen in het kasteel van Hoensbroek. 456] G.H.H. Coenjaarts, die op het kantoor van de Staatsmijnen werkte, ontvreemdde ruim duizend bedrijfspassen voor onderduikers. Hij drukte illegale blaadjes en zelfs boeken op de Staatsmijnen. In de zomer van 1944 dreigde dat aan het licht te komen. De voltallige rayonleiding dook onder. Gedurende de laatste maanden van de bezetting fungeerde Coenjaarts als hoofdmedewerker van Goossens inlichtingendienst in het rayon.457] Slechts eenmaal dreigde de L.O.-Hoensbroek in moeilijkheden te geraken. In de eerste helft van 1944 arresteerden leden van de A.K.D. een onderduiker met een namenlijst van onderduikers en medewerkers. Een knokploeg uit Sittard slaagde er bijtijds in de arrestant uit de gevangenis te bevrijden. 458]
Evenals in Heerlen lag in het rayon Hoensbroek het accent op de hulp aan joodse onderduikers. Gereformeerden en Nederlands Hervormden namen het voortouw. Een in Zeist woonachtige oom van de M.T.S.-student J. Bosch drong er al in 1942 bij zijn Hoensbroekse familie op aan de vervolgde joden te helpen. De aansporing was niet aan dovemansoren gericht. Bosch zocht contact met A.H. van Mansum in Maastricht en hij ging op zoek naar pleeggezinnen voor joodse kinderen. Vele tientallen kwamen in de loop van 1942 en 1943 naar Hoensbroek, vanwaar ze over de gehele oostelijke Mijnstreek werden verspreid. De hulpverlening geschiedde na verloop van tijd in overleg met de L.O. Langs die weg arriveerden nog meer joden. Via de verschillende contacten ontvingen de helpers in Hoensbroek diverse landelijke illegale bladen, zoals “Trouw”, “Vrij Nederland” en het “Parool”, die ze in de regio verspreidden. 459] Het echtpaar Y. Heddema en B. Heddema-Rutgers had connecties in joodse kringen en vanaf 1943 met R.V.V.-medewerkers in Amsterdam. Zij verzorgden tenminste honderdvijf onderduikers, onder wie tachtig joden. Ze kregen steun van L.O.-ers in de oostelijke Mijnstreek. Als gevolg van verraad arresteerden Nitsch, Conrad en landwachter M. Raeven op 19 juni 1944 mevrouw B. Heddema, de familie Hardeveld uit Brunssum, H. Sikkes uit Heerlen en een aantal niet bij naam bekende joden. Op 1 september kwamen de gezinsleden Hardeveld weer vrij. Mevrouw Heddema werd begin 1945 in Innsbruck bevrijd. Sikkes stierf op 31 mei 1945 in Bergen-Belsen. Over het lot van de gearresteerde joden is niets bekend. Y. Heddema was op het tijdstip van de razzia niet thuis. Hij dook onder in Groningen, waar hij enkele dagen later alsnog werd opgepakt. Zes maanden later kwam hij weer vrij. 460]
Het duikhoofd van Treebeek, C.A. Maas, verleende sedert 1942 met zijn echtgenote en zoon hulp aan joodse onderduikers. Ze waren afkomstig van J. Bosch en helpers in Heerlen en Brunssum. Toen hij in het najaar van 1943 verbindingsman van de L.O. werd, hield hij de contacten met de rayons Heerlen en Brunssum uiteraard aan. Maas’ woning diende als doorgangshuis voor circa tweehonderd personen. Van duik- en rayonhoofd Jamin uit Nuth ontving hij exemplaren van “Vrij Nederland” en “Je Maintiendrai”, die in de regio werden verspreid.461] Het Treebeeks duikhoofd had veel profijt van het feit dat een van zijn medewerkers portier was bij de Sipo in Maastricht. Hij ontving tijdig een waarschuwing als er razzia’s op komst waren. De onderduikers werden dan ondergebracht in de kelders van de plaatselijke bioscoop of in een huisje op het kerkhof. 462]
De L.O. in Nuth werd geleid door genoemde Jamin en kapelaan L.M.J.H. Claessens; de L.O.-Spaubeek door mevrouw A. Gerits en kapelaan M.H. Frissen. De joden in Nuth waren overwegend afkomstig van J. Bosch. Afgezien van een mislukte overval door een knokploeg op het gemeentehuis van Spaubeek op 31 augustus 1944, bedoeld om het bevolkingsregister mee te nemen, bleef het in beide plaatsen tamelijk rustig. Er vonden geen razzia’s op onderduikers plaats en er vielen geen L.O.-ers in Duitse handen.463] De L.O. in Schinnen met aan het hoofd M.H.R. Mulleners en kapelaan A.Th. Smeets kende weinig problemen. De huisvesting en verzorging van de tientallen onderduikers verliep soepel. Mulleners werkte op het gemeentehuis en pleegde de noodzakelijke malversaties. Begin 1944 dreigde hij vanwege de uitreiking van de Tweede Distributiestamkaart in moeilijkheden te komen. Toen hij met een overval door een knokploeg dreigde, werd hem niets meer in de weg gelegd. Niettemin kwam de K.P.-Sittard in augustus 1944 twee keer in actie in Schinnen. De eerste keer, op 8 augustus, bevrijdde de ploeg de geestelijke H. Huybers, die veel van de Sittardse illegaliteit wist en kort tevoren was opgepakt, uit de gevangenis. Op 31 augustus om 11 uur ’s morgens overvielen de K.P.-ers alsnog het gemeentehuis en namen het bevolkingsregister mee. 464]
Op verzoek van rector Voesten uit Heerlen hielp gemeentesecretaris A.J.G. Fleischeuer uit Oirsbeek joden. Voesten maakte vermoedelijk zowel deel uit van de groep rond pater Beatus als de groep-Bongaerts. Op 15 februari 1943 arriveerden tien joden bij de Oirsbeekse gemeentesecretaris, die, omwille van een adequate huisvesting, zijn woning liet verbouwen. Als gevolg van de infiltratie door H. Vastenhout c.s. in de groep-Bongaerts vielen Fleischeuer en de joden op 16 november 1943 in handen van de Sipo (zie hoofdstuk IV, paragraaf III). De joodse arrestanten werden de volgende dag naar Westerbork overgebracht en uiteindelijk naar Duitse vernietigingskampen gedeporteerd. Fleischeuer kwam op 29 maart 1945 in Dachau om het leven. 465] Deze hulpverlening stond vermoedelijk los van de plaatselijke L.O., die onder leiding stond van F.B.M. Zuure en kapelaan J.J.L.H. Frijns. Laatstgenoemde was door secretaris Moonen persoonlijk aangespoord de jongeren te instrueren hoe zich aan de arbeidsinzet te onttrekken. Frijns had contact opgenomen met het plaatsvervangend hoofd van het G.A.B.-Heerlen, H.J.M. Dassen. De kapelaan was voorts betrokken bij de hulp aan joodse onderduikers, ontsnapte krijgsgevangenen en geallieerde vliegeniers. Zijn openlijke anti-nationaal-socialistische houding werd hem noodlottig. Op 24 maart 1944 werd hij, wellicht mede als gevolg van het doorslaan van een gearresteerde politieman uit Geleen, opgepakt. Hij verbleef tot zijn bevrijding op 7 mei 1945 in het Huis van Bewaring te Maastricht en het kamp Amersfoort. 466]

VIII.5.3. Rayon Kerkrade

Op hun zoektocht naar medewerkers in Kerkrade kwamen Berix en Cornips in september 1943 terecht bij aalmoezenier H.Th.E. Beel, die hen attendeerde op Th.J.M. Goossen. Deze had zich al eerder verdienstelijk gemaakt bij de hulpverlening aan vluchtelingen in Noord-Brabant. Op een vergadering bij Beel ontving de kort tevoren in Kerkrade teruggekeerde Goossen het verzoek de L.O. te organiseren en de leiding van het rayon op zich te nemen.467]
Goossen slaagde erin met steun van voormalige Unie-leden zijn taak in korte tijd te voltooien. De Nederlandsche Unie had in Kerkrade en omgeving een opvallend grote aanhang gehad. Uit de meest strijdbare leden was een groep voortgekomen die in 1942 was begonnen met de verspreiding van verschillende landelijke illegale bladen en de hulpverlening aan joden en andere vluchtelingen. De kerngroep vormde het fundament, waarop Goossen voortbouwde.468]
Het rayon, dat de gemeente Kerkrade omvatte, werd in zes wijken verdeeld: Bleyerheide (duikhoofden J. Meelkop en J. Bahnen), Chevremont (W. Mingelers), Spekholzerheide (kapelaan P.M. de Groot), Haanrade (M. Heckmans), Kerkrade-centrum (M.J. Renkens) en Holz (J. Bemelmans). 469] Aalmoezenier Beel verschafte de L.O. financiële middelen via het Fonds voor Bijzondere Nooden.470] In 1944 droeg het N.S.F. haar steentje bij. De interne en externe verbindingen werden onderhouden door twee koeriers, R. Goossen en mejuffrouw M.H.F. Bemelmans. De contacten met de politie, de gemeente (N. Beugels) en de distributiedienst (L. Vinders) waren uitstekend. Aangezien Beugels niet aan de vraag naar PB’s kon voldoen en de administratieve manipulaties van gemeenteambtenaar H. Botterweck in Mechelen aan het licht dreigden te komen, overvielen twee L.O.-ers, J. Grooten en W. Grooten, in de nacht van 15 op 16 april 1944 het gemeentehuis van Mechelen, waarbij het bevolkingsregister grotendeels in vlammen opging (zie paragraaf VIII.7.). 471]
Belangrijk was de medewerking van G. Frantzen, chef afdeling personeel van de Domaniale mijn. Hij slaagde erin in overleg met medewerkers van het G.A.B.-Heerlen vele onderduikers als mijnwerker in de mijn te plaatsen, een aanzienlijke lastenverlichting voor de L.O. 472] De Kerkraadse organisatie ondervond weinig tegenslag. Omtrent het aantal onderduikers dat men verzorgde zijn geen cijfers beschikbaar. Het zijn er waarschijnlijk niet erg veel geweest. De organisatie functioneerde uitstekend, zodat er voldoende tijd overbleef voor andere activiteiten, zoals hulp aan vluchtelingen, verspreiding van illegale bladen, het Außenministerium en de Inlichtingendienst. Tegen de zomer van 1944 vertrok Goossen naar Heerlen. W. Mingelers volgde hem op en leidde het rayon tot de bevrijding.

VIII.5.4. Rayon Ubach over Worms

Op verzoek van de districtsleiding begon pater Ch. Fréhen met steun van H.J.H. Vreuls in het najaar van 1943 met de opbouw van de L.O. in het rayon Ubach over Worms, dat de gemeenten Eygelshoven, Nieuwenhagen, Schaesberg en Ubach over Worms omvatte. In Eygelshoven trad F.H. Soomers op als duikhoofd. Hij kreeg assistentie van onder anderen F. Kortbeek, G.A.J. Franssen en kapelaan P.J. Keybets. Veel onderduikers konden terecht in het gezellenhuis van Eygelshoven, beheerd door J.S. Schoffelen.473] Onderwijzer F.J. Spierts stond aan het hoofd van de L.O. in Nieuwenhagen. Hij werkte samen met pastoor J.W. Janssen en een groep hulpverleners, waarvan onder anderen P.J. Dolls, D. Zweep, F. Kessels, S.I. Naiman en mejuffrouw A.C. Augenbroe deel uitmaakten. Zij ontvingen de joden van helpers in Heerlen en Brunssum. Dolls, die op het slachthuis in Kerkrade werkte, was in 1942 met H. Bockma uit Heerlen met de hulpverlening begonnen. Hoeveel joden onderdak vonden in Nieuwenhagen staat niet precies vast, wellicht enkele tientallen. 474] G. Zijlstra leidde de L.O.-Schaesberg. Dank zij de medewerking van de Schaesbergse distributieambtenaar L.A. Reumkens kenden Zijlstra en zijn collega’s weinig problemen met het verkrijgen van distributiebescheiden. Bovendien stond de illegale werkers in Schaesberg een kleine knokploeg van J. Stouthart ter beschikking. Of deze groep betrokken was bij een mislukte poging tot brandstichting in een opslagplaats voor radio’s op 1 juli 1943 is onzeker. Stouthart c.s. hadden in elk geval geen bemoeienis met de aanslag op de groepscommandant van de landwacht H. Feenstra in de ochtend van 15 augustus 1944. De landwachter maakte met A.K.D.-leden jacht op onderduikers. Hij vormde een steeds grotere bedreiging voor de plaatselijke L.O. Ten einde raad deed pater Fréhen een beroep op de K.P. Vier personen, onder wie de Heerlense K.P.-er J.A.L. Lemmens en de R.V.V.-er O.R.M. van Hövell tot Westerflier pleegden die ochtend een aanslag op Feenstra. De landwachter werd in de rechterarm getroffen en keerde na een behandeling in een Duitse kliniek naar Schaesberg terug. De vier personen fietsten na de aanslag richting Heerlen, waar ze uiteengingen. Lemmens en Van Hövell tot Westerflier hadden pech. In Heerlen werden ze aangehouden door landwachter E.G. Wagner. Er volgde een nieuwe schietpartij, waarbij Van Hövell tot Westerflier licht gewond raakte. Desondanks konden ze ontsnappen. Lemmens vertrok tijdelijk naar Noord-Holland. 475]
Aan het hoofd van de L.O.-Ubach over Worms stond J.A.V. Apers. Hij werd geassisteerd door kapelaan J.M. Douven. Waarschijnlijk bestond bij de L.O. een groot gebrek aan allerlei goederen, want in de nacht van 16 op 17 maart 1944 braken onbekenden in bij de coöperatie “Ons Dagelijksch Brood”. Er verdwenen aanzienlijke hoeveelheden voedsel, textiel en bonnen. 476] Of de buit alleen de plaatselijk organisatie ten goede kwam staat niet vast. Wellicht was die voor een groter gebied bestemd.
Afgezien van de activiteiten van de Landwacht en de A.K.D. bleef het in het rayon rustig. De interne en externe verbindingen, het vervoer van bonnen, illegale bladen en andere bescheiden werden verzorgd door de dames A. Grond en A.M.L.C. Janssen. In het voorjaar van 1944 verdwenen Fréhen en Vreuls van het toneel, omdat de Sipo hen op het spoor dreigde te komen. A. Janssen volgde Fréhen op en bleef tot de bevrijding in functie. 477]

VIII.5.5. Rayon Brunssum

In de geschiedenis van het district Heerlen neemt Brunssum een aparte plaats in. Vanwege de principiële houding van met name de plaatselijke protestants-christelijke gemeenschap en een groep S.D.A.P.-ers en hun bereidheid zich actief in te zetten, ontstonden in de loop van 1942 en 1943 verscheidene organisaties die zich uitsluitend op de hulp aan joden toelegden. Zij kregen weldra vertakkingen over grote delen van het land. Het “afzetgebied” van deze organisaties bleef niet beperkt tot Brunssum, maar bestreek grote delen van Zuid-Limburg, vooral de oostelijke en westelijke Mijnstreek. Hoewel deze hulpverlening gedeeltelijk binnen L.O.-verband geschiedde of door die organisatie werd ondersteund of gecoördineerd, wordt er in deze paragraaf geen aandacht aan geschonken. Hier bespreken we uitsluitend de L.O.-organisatie. De geschiedenis van de hulpverlening aan joden door deze gespecialiseerde groepen wordt in een afzonderlijk hoofdstuk beschreven.
In het najaar van 1943 bracht een onderduiker pater W.E.H. van der Geest in contact met kapelaan Berix. Kort na hun kennismaking verzocht Berix Van der Geest de L.O. in het rayon Brunssum op poten te zetten. Het rayon omvatte naast Brunssum de dorpen Schinveld, Merkelbeek, Bingelrade, Jabeek, Doenrade en Treebeek. Omdat Van der Geest nog maar een jaar in Brunssum woonde en nauwelijks op de hoogte was van de plaatselijke verhoudingen en omstandigheden, kostte het hem de grootste moeite de organisatie van de grond te krijgen. Uiteindelijk vond hij de heren H. Stakenborg, J. Wassen en P. Vullers bereid de taak van duikhoofd op zich te nemen. Met hun steun en de contacten die weldra werden gelegd met hulpverleners van joden lukte het Van der Geest tòch aan Berix’ verzoek te voldoen. Als duikhoofd traden naast de genoemde personen kapelaan J.A.J. Custers (Schinveld), de heer Severens (Merkelbeek), J. Mertens (Bingelrade en Jabeek), pater Smeets (Doenrade) en H.B. Egberink (Treebeek) op. Mejuffrouw M. Bockmeulen fungeerde als koerierster.
De Brunssumse ambtenaar H.J. Hendriks was het vaste contact bij de gemeente. Hij pleegde op grote schaal administratieve “fraude”, maakte talrijke PB’s vrij, verschafte de L.O. maandelijks honderden levensmiddelenkaarten en hij liet in het voorjaar van 1944 de T.D.-verordening op aanwijzing van D.C. Jesse (zie paragraaf VI) in het honderd lopen. Het tekort aan bonnen werd maandelijks door het district aangevuld. H. Stakenborg onderhield verbinding met de Staatsmijn Hendrik in de persoon van de heer Watervoort. Laatstgenoemde leverde de L.O. en Stakenborg allerlei primaire levensbehoeften als textiel, schoeisel en een aanzienlijke hoeveelheid bonnen. Veel onderduikers vonden emplooi in de mijn Hendrik en door bemiddeling van personeelschef J. Jansen in de bruinkoolontginning. Er bestonden contacten met het plaatselijk distributie kantoor en het G.A.B. Op financieel terrein kende de L.O. weinig problemen. Op initiatief van vier personen, onder wie de heer Koninx, werd een comité gevormd tot steun aan gezinsleden van politieke gevangenen. De leden hielden inzamelingen en droegen de opbrengst af aan Van der Geest.
Vanaf het voorjaar van 1944 nam de druk op de organisatie toe. Kennelijk had het Sipo-lid H. Conrad, belast met joodse aangelegenheden, lont geroken, want de ene razzia volgde op de andere. Begin mei 1944 kreeg Van der Geest een tip dat de Sipo hem op de hielen zat. De lazarist dook onder in Amsterdam, waar hij de hulpverlening aan joodse onderduikers tot september voortzette, toen hij bij een razzia werd opgepakt. H. Hendriks was tegelijk met Van der Geest ondergedoken. Hij zette zijn illegale werk op bescheidener schaal voort. J. van der Geest, een broer van de pater, nam de rayonleiding in mei over. Hij was in Brunssum ondergedoken, toen de Sipo hem in Zuid-Holland op het spoor was gekomen. Niet alle L.O.-ers waren het er mee eens dat J. van der Geest de leiding op zich nam. Ze twijfelden niet zozeer aan zijn inzet, maar hij miste volgens hen de talenten en kundigheid van zijn broer. Dit leidde tot een proces van verzelfstandiging van de verschillende L.O.-secties. In juli 1944 werd die ontwikkeling een halt toegeroepen door de rayonleiding uit te breiden met Hendriks en Stakenborg. Deze situatie bleef tot de bevrijding ongewijzigd.478] Wellicht vanwege het feit dat de regio veel joden herbergde onthielden de K.P. en R.V.V. zich tot ver in de zomer van 1944 van grootscheepse acties. Een voorgenomen overval door K.P. en R.V.V. werd tijdig stopgezet, toen bleek dat er verraad in het spel was (zie hoofdstuk IX, paragraaf IV). Kort voor de bevrijding, op vrijdagmiddag 1 september 1944, vond een overval plaats op het gemeentehuis van Schinveld. De actie was in overleg met de gemeentesecretaris voorbereid en verliep vlekkeloos. Naast het bevolkingsregister werden een groot aantal PB’s en zegels, gemeentestempels en drie schrijfmachines meegenomen. 479] Represailles bleven uit. Afgezien van enkele razzia’s bleef het tot de bevrijding rustig.

VIII.5.6. Rayon Geleen

In de tweede helft van 1941 schakelde de gewezen voorzitter van de R.K. Werklieden Bond, J.H. Maenen, zijn jeugdvriend en voormalig dorpsgenoot H. Smeets uit Geleen in bij de voorlichting van en hulp aan personen die vanwege hun principiële houding waren ontslagen of in aanmerking kwamen voor verplichte tewerkstelling in Duitsland. Uiteraard konden Smeets en Maenen alleen weinig doen. Weloverwogen en met inachtneming van de vereiste voorzichtigheid ging Smeets op zoek naar medewerkers. Op het G.A.B. in Beek kreeg hij contact met G.M.F. Pilgram en op het gemeentehuis van Beek met het hoofd van de afdeling bevolking, W.J.H. Sangers. Als naaste medewerkers trok hij P.M. Schols, F.G. Crombag en de huismeester van het gezellenhuis te Geleen, de heer Huismans, aan. Met hulp van de arts H.J.M. Croughs, die hem crétonolie gaf dat eczeem veroorzaakt als het op de huid wordt gesmeerd, en van mejuffrouw M.A.C. Förster van het G.A.B.-Heerlen lukte het Smeets, nog voor er sprake was van een L.O., circa vijftig personen voor uitzending naar Duitsland te behoeden. Pilgram liet Smeets weten wie voor de Arbeidsinzet in aanmerking kwamen en Sangers bedacht methodes om PB’s vrij te maken. De hulp aan onderduikers was dus al op gang gekomen toen Smeets in september of oktober 1943 het verzoek bereikte de L.O. in het rayon te organiseren, dat naast Geleen de plaatsen Berg, Urmond, Elsloo, Beek, Meers, Stein en Schimmert omvatte. Kapelaan J.H. Deckers verklaarde zich bereid als duikhoofd van Geleen op te treden. Nieuwe medewerkers als gemeenteontvanger F. Salden en de jezuiet pater M. ten Berge kwamen de gelederen versterken. Laatstgenoemde was een uit Den Haag afkomstige medewerker van de R.V.V. die in de regio was ondergedoken en Smeets van valse papieren, PB’s en financiële middelen voorzag.480] In het hele rayon werden verbindingen aangeknoopt met gemeenteambtenaren om verzekerd te zijn van ambtelijke hulp als er fraude gepleegd moest worden met PB’s en distributiebescheiden. 481] Het hoofd van het distributiekantoor Geleen, W. Jansen, en zijn medewerker G.J. Beun onttrokken maandelijks ruim duizend bonkaarten en grote hoeveelheden bonnen aan het officiële circuit. Met Th.J.H. Nohlmans, die hout leverde aan de mijnen en over een auto beschikte, bracht Smeets de distributiebescheiden naar de verschillende duikhoofden.482] In totaal herbergde het rayon tussen de vierhonderd en vijfhonderd onderduikers, die voornamelijk werden gehuisvest bij boeren en ook wel in scholen en kloosters. Dank zij de “Vriendenkring Beek”, een clandestien comité dat geld inzamelde, particuliere giften, de bijdragen van pater Ten Berge en de steun van het Fonds voor Bijzondere Nooden kende de L.O.-Geleen geen financiële zorgen. 483]
Afgezien van de arrestatie van G. van Verseveld op 16 oktober 1943 kon de Sipo Smeets’ organisatie dat jaar geen schade berokkenen. Op 17 mei 1944 kwam Van Verseveld weer vrij. In 1944 sloeg Nitsch toe. Een afzonderlijke tak van de L.O.-Geleen, geleid door J.H. Adriaans, die overigens samenwerkte met kapelaan Deckers, ontving na enig aandringen een gedeelte van de toeslagbonnen voor mijnwerkers, die rond Kerstmis 1943 door de mijnpolitiebeambte J. van der Schaar en de telefonist Th. Kerens waren buitgemaakt bij een overval op de Staatsmijn Maurits. Op 22 februari 1944 werden de twee door de Sipo aangehouden. Van der Schaar kwam in Duitse gevangenschap om het leven.484] De groep-Adriaans, die in verbinding stond met de R.V.V. en de K.P.-Sittard, besloot het overschot aan bonnen aan te wenden voor de aankoop van wapens in Amsterdam. Een afvaardiging onder leiding van de student J.M.L.J. Kuiper reisde op 13 maart 1944 naar de hoofdstad. Het plan mislukte en Kuiper viel in Duitse handen. Nitsch, die klaarblijkelijk al het een en ander van de groep wist, begreep dat er spoedig alarm geslagen zou worden en greep op 14 en 24 maart in. Hij arresteerde de politiewachtmeester A. de Blauw, H.J.H. Winkelmolen, J.H. Adriaans, kapelaan J.W.J. Lanckohr, P.M. Schols, pater A.P. Smackers en kapelaan J.J.L.H. Frijns uit Oirsbeek. Uit de verhoren maakte de Sipo-medewerker op dat de groep-Adriaans, waarschijnlijk met hulp van kapelaan Deckers, onderduikers in de regio Gemert onderbracht in samenwerking met de plaatselijke geestelijkheid en dat de groep in overleg met K.P. en R.V.V. diverse acties voorbereidde. 485] Naar aanleiding hiervan merkte hij op: “Auch im vorliegenden Fall ergibt sich ganz eindeutig das Bild, daß die katholischen Geistlichen des hiesigen Bezirkes eine hervorragende Rolle in den Widerstandsorganisationen spielen und sich insbesondere mit der Unterstützung untergetauchter Personen befassen”.486] Sommigen kwamen spoedig vrij. Lanckohr en Smackers werden in augustus 1944 uit het kamp Amersfoort ontslagen en Adriaans kwam op 16 september op vrije voeten op grond van een medische verklaring dat hij aan TBC leed. Alle overige arrestanten bleven tot de bevrijding in Duitse gevangenschap.487]
Door de arrestatiegolf viel de groep-Adriaans uiteen. Sommigen vonden aansluiting bij de R.V.V., anderen bleven voor de L.O. werken. Voor Smeets en zijn helpers veranderde er overigens weinig. Zij zetten hun werkzaamheden tot de bevrijding, in de tweede helft van september, voort zonder dat de Sipo de organisatie opnieuw schade kon toebrengen. De L.O.-Beek werd geleid door W.J.H. Sangers, de L.O.-Berg door J.A. Vaessen met assistentie van de uit Hoensbroek overgekomen pastoor W.H. Hermans en de L.O.-Urmond door Th.G. Heyen met steun van gemeenteambtenaar J. Willems. 488] Het staat niet vast wie aan het hoofd stonden van de L.O. in Schimmert en Elsloo. Hoogstwaarschijnlijk speelden de gemeenteambtenaren J. Odekerken en L. Driessen een rol in de L.O.-Elsloo, want op 7 juli 1944 doken beide onder na een poging tot inbraak in het gemeentehuis. De Sipo haalde de woning van Driessen leeg en verzegelde het pand. 489]
Het duikhoofd van Meers-Stein, H.H.A. Meijers, vormde een schakel in de Zwitserse Weg A. Hij gaf leiding aan een actieve verzetsgroep. Begin september 1944 kwam het tot een schietpartij tussen deze groep en tientallen zwaar bewapende Duitse militairen, die zich bij de brug van Meers hadden ingegraven. Aan Duitse zijde vielen een dode en twee gewonden. Nadat de militairen zich hadden overgegeven, werden ze in kleine groepjes verspreid over Meers, waar inmiddels bijna veertig van hun wapenbroeders krijgsgevangen werden gehouden. 490]
Meijers werkte gedurende de bezetting samen met het duikhoofd van Stein, kapelaan W.J.V. Spauwen. Laatstgenoemde was afkomstig uit Noorbeek waar hij als leider van de K.A. het voortouw had genomen in de opbouw van de plaatselijke illegaliteit. Vanwege zijn openlijke anti-nationaal-socialistische houding zat Spauwen in de zomer van 1941 enkele weken vast in Maastricht. In 1942 werd hij overgeplaatst naar Stein, waar hij in 1943 met pastoor M. Alberts en M.H.J. Höppener, beide uit Stein, en G. Crombag uit Beek de L.O. opbouwde. 491] Omdat de administratieve manipulaties van enkele ambtenaren aan het licht dreigden te komen, pleegde de K.P.-Sittard in de nacht van 25 op 26 juli 1944 een overval op het gemeentehuis van Stein. Die nacht begaven P.J. Ronden, F.A.A. van Maanen, de broers J.M. en C. van Cleef, W. Janssen, H. van Sloun en M. Dols zich in twee auto’s op weg naar Stein. Een van de auto’s was een gepantserde brandweerwagen uit Geleen die de K.P.-ers eerder hadden buitgemaakt. Ze droegen Duitse uniformen. Allereerst lichtten ze de burgemeester, R.V.H.M. Corten, en de gemeenteontvanger A. Lenssen, die in het bezit was van de sleutels van de kluis, van hun bed. Aangekomen bij het gemeentehuis verzocht de burgemeester de twee bewakers, J.R. Janssen en H. Frederici, open te doen. Lenssen moest de brandkast openen. De buit was aanzienlijk. Het complete bevolkingsregister, de gemeentestempels, een groot aantal T.D.-zegels en blanco PB’s, enkele schrijfmachines en radio’s en een geldbedrag van ongeveer ƒ 3.000,- werden meegenomen en verstopt in een boerderij in de buurt van Susteren. Op de terugweg naar Sittard, omstreeks 3 uur, stuitten de K.P.-ers op enkele marechaussees van de groep Susteren die hen tot stoppen maanden. De ontmoeting moet louter toeval zijn geweest, want in Stein had men alle personen in een cel opgesloten en de telefoonverbindingen onklaar gemaakt. De K.P.-ers negeerden het bevel, waarop de marechaussees het vuur openden. Ze slaagden erin te ontkomen. De volgende dag verscheen de Sipo in Stein en arresteerde Corten, Lenssen, de bewakers Janssen en Frederici en de gemeenteambtenaar M.H.J. Höppener. Op 5 september werden ze uit het Huis van Bewaring van Maastricht bevrijd. Veel profijt van de buit had de illegaliteit niet, want de Sipo wist de boerderij te lokaliseren. Alles werd teruggevonden behalve het geldbedrag. In de hoop de K.P.-ers alsnog in de kraag te vatten liet Nitsch bij de boerderij posten. Tevergeefs, er kwam niemand opdagen. 492]

VIII.5.7. Rayon Klimmen

In de voorgeschiedenis van de L.O. in het rayon Klimmen speelt de groep-Smit een rol (zie hoofdstuk II, paragraaf III). Na het oprollen van Smits organisatie in februari 1942 gingen J.H. Brouwers, die eind februari 1942 was vrijgelaten, N.J. Dohmen en A.H. Baeten zich bezighouden met de hulp aan onderduikers en de verspreiding van illegale bladen. Er kwam een verbinding tot stand met een groep in Rotterdam die joodse onderduikers naar de regio Klimmen-Voerendaal zond. Baeten, P.H. Roelofs en F. Vliegen concentreerden zich op de verspreiding van landelijke illegale bladen. Sommige groepsleden maakten deel uit van de O.D. en onderhielden contacten met hulpverleners in de regio Heerlen, onder anderen met kapelaan Berix. Deze verbindingen dateerden nog uit de periode Smit of waren door de kapelaan van Voerendaal, A.F.J. Vondenhoff, tot stand gebracht. 493]
In het najaar van 1943 bracht B.J.C. van Kooten de aansluiting van het rayon, dat naast Klimmen de plaatsen Hulsberg, Voerendaal, Ransdaal en Ubachsberg omvatte, bij het district Heerlen tot stand. Hij nam de leiding op zich en stelde mejuffrouw M.Th. Jaspers als koerierster aan. Vanwege de snelle carrière van Van Kooten in de Limburgse illegaliteit berustte de feitelijke leiding bij Brouwers die hem weldra opvolgde. G.H. Meurders en kapelaan A.J. Gibbels, die onder zeer moeilijke omstandigheden moest werken omdat de pastoor pro-Duits was, waren zijn plaatsvervangers. In Ransdaal trad N.J. Dohmen op als duikhoofd, in Hulsberg J.W. Eggen, in Klimmen en omgeving D. Jongen en in Voerendaal J.J.F.M. Senden. Laatstgenoemde, die tevens deel uitmaakte van de K.P.-Heerlen, stelde zijn boerderij beschikbaar als opslagplaats voor buitgemaakte goederen en wapens. Op de gemeentehuizen van Klimmen en Voerendaal ondervond de L.O. steun van respectievelijk J. Ramaekers en J. Boumans. Het rayon Klimmen telde in totaal drieëndertig medewerkers. 494] Zij hadden de zorg over circa tweehonderdvijftig onderduikers, onder wie Tsjechen, Polen, Russen en - merkwaardig genoeg - Sudeten-Duitsers. Het rayon kon grotendeels in de eigen behoeften voorzien. Heerlen hoefde maar mondjesmaat bij te springen. Het maandelijks tekort bedroeg ƒ 1.700,-, bestemd voor financiële ondersteuning, en ongeveer honderd bonkaarten. 495]
Op 30 december 1943 hield de Sipo een razzia in Voerendaal, waarvan enkele joden het slachtoffer werden. Of er verraad in het spel was staat niet vast. Dat was wel het geval in het voorjaar van 1944. Een Duitser slaagde erin in Hulsberg te infiltreren en leverde vijf personen aan de Sipo uit. Omtrent het lot van de arrestanten staan ons geen gegevens ter beschikking. 496]
Afgezien van enkele stro- en hooibranden, het onklaar maken van de telefoonverbindingen in 1944 en de ontvreemding van dertig radio’s uit een opslagplaats door de K.P.-Heerlen met hulp van Brouwers in de nacht van 8 op 9 maart 1944 ondernam de illegaliteit tot de zomer van 1944 geen acties in de regio. 497] Dat beeld veranderde in augustus en september 1944 toen de bezetter de bevolking opriep versperringen in de omgeving aan te leggen om de Amerikaanse opmars te vertragen. K.P.-ers, geassisteerd door enkele gemeenteambtenaren en politiebeambten, overvielen in de vroege avond van 30 augustus het gemeentehuis van Klimmen en namen het bevolkingsregister mee. Aldus hoopten ze de Duitse plannen te verijdelen. 498] Uiteraard doken de deelnemers na de actie onder.
Brouwers en zijn medewerkers werden ingeschakeld in de O.D. en verschaften inlichtingen aan de I.D. van Th. Goossen. Van tijd tot tijd gingen ze door het front om de Amerikanen te informeren en als gids te dienen. Brouwers vertelde de Amerikanen onder meer dat de kerktoren van Klimmen als uitkijkpost diende. De toren werd prompt onder vuur genomen. Kort voor de bevrijding op 17 september bonden Brouwers c.s. de strijd aan met Duitse militairen. Aan Duitse zijde sneuvelden zes militairen. Een aantal werd krijgsgevangen genomen en overgedragen aan de Amerikanen. 499]

VIII.5.8. Rayon Valkenburg

Enkele inwoners van Valkenburg en omgeving begonnen al in 1941 met de hulpverlening aan eerste onderduikers. A.C. van der Gronden, een broer van de op 13 januari 1942 gearresteerde G.J. van der Gronden (zie hoofdstuk X, paragraaf II.2.1.), hielp joden en communisten aan onderdak in samenwerking met rector G.A. Wolf uit Sibbe. Eind 1943 sloten zij zich aan bij de L.O. Onvoorzichtigheid en loslippigheid van de onderduiker A.S. Bron leidden op 17 februari 1944 tot de aanhouding van Wolf, Bron en de onderduiker Th.M. van Santpoort. Bij gebrek aan bewijs kwam Wolf na tien dagen vrij en Van Santpoort na enkele maanden. Bron werd gedeporteerd en overleefde de Duitse kampen.500]
Kapelaan Th.G.H. Geelen uit Meerssen liet in samenwerking met leden van de voormalige Jonge Wacht sedert 1942 jongeren onderduiken in een grot tegenover de woning van P.J.A. Schunck. (Aanmerking Arnold Schunck: Deze grot was eigendom van P.J. Schunck uit Heerlen, de vader van P.J.A. Schunck en bevond zich niet tegenover diens woning, maar maakte deel uit van Schuncks mergelgroeve bij de Meersenerbroek tussen Geulhem en Meerssen.) In de loop van 1942 bezocht kapelaan Berix Schunck. Hij vroeg of de textielfirma Schunck hem aan kleding voor onderduikers kon helpen. Schunck antwoordde bevestigend. Na het bezoek van Berix kreeg Schunck veel meer bemoeienis met de hulpverlening. Hij liet de uiterst primitieve leefomstandigheden in de vochtige grot verbeteren door er clandestien elektriciteit aan te leggen en de voedselverzorging te regelen. In de loop van 1943 kwam een tweede onderaardse schuilplaats gereed die de naam duikherberg kreeg. Er stonden twintig britsen voor de eerste opvang van onderduikers. Tot de zomer van 1944 bleef de duikherberg in gebruik. In juli van dat jaar verplaatsten de Duitsers enkele produktieonderdelen van Philips, zoals de fabricage van radio-ontvangstapparatuur, van Eindhoven naar de bombestendige mergelgrotten van Zuid-Limburg. Een van de nieuwe vestigingsplaatsen lag in de onmiddellijke nabijheid van de duikherberg. De grot van de groep van kapelaan Geelen bleef in gebruik, totdat B. van Kooten er zijn oog op liet vallen. Hij was op zoek naar een geschikte opslagplaats voor wapens en een schietbaan voor de Zuidlimburgse knokploegen. Ook deze grot moest derhalve ontruimd worden. Voor de opslag van wapens bleek ze niet geschikt, het was er te vochtig. Schietoefeningen konden er wel gehouden worden. Gedurende de zomer van 1944 deed de grot tevens dienst als onderkomen van de K.P., als gevangenis en als verhoorruimte van arrestanten en mogelijke verraders. 501]
Dank zij het contact tussen Berix en Schunck konden weldra de eerste onderduikers van Heerlen naar Valkenburg komen. Hoewel het hem niet was gevraagd, begon Schunck met de opbouw van een onderduikorganisatie. De volgende personen zocht hij aan als duikhoofd: kapelaan W.B.J. Horsmans en koster H. van Ogtrop, geassisteerd door J. Peusens en J. van de Aa, in Valkenburg; J. Hendriks in Berg en Terblijt; F. Schoenmakers in Sibbe; J. van de Laar in Margraten; A.H. Laeven in Schin op Geul; L. Horsmans in Houthem-St.Gerlach en A. Caldenborg in Houthem. W. Cremers en de gezusters Peusens traden op als koerier. Vooralsnog bleef het rayon Valkenburg zelfstandig. J. Starmans onderhield de verbindingen met andere districten. Pas in januari 1944 werd het rayon, na moeilijkheden met Maastricht, aan het district Heerlen toegevoegd. Op het plaatselijk distributiekantoor maakten W.A.P. Freysen en V. Willems maandelijks tussen de vijfhonderd en achthonderd bonkaarten vrij. Er ontstond zelfs een overschot, dat aan andere rayons ten goede kwam. Veel onderduikers ontvingen van de C.C.D.-medewerker en het plaatselijk hoofd van het voedselbureau, L. Brands, een landbouwvrijstelling, zodat ze in hun eigen levensonderhoud konden voorzien en de rayonleiding slechts mondjesmaat met geldelijke middelen hoefde bij te springen. Maandelijks werd gemiddeld ƒ 1.600,- aan steungelden uitgekeerd, ontvangen van de districtsleiding in Heerlen. Het rayon telde ongeveer honderdvijftig onderduikers. Bij hun aankomst op het station in Valkenburg vond controle plaats aan de hand van een wachtwoord en een Turks pasje. In 1944 arriveerden als gevolg van problemen in het district Maas en Waal op één dag maar liefst honderd onderduikers op het station. Schunck c.s. wisten de meesten met steun van L. Brands bij boeren te plaatsen zonder dat het echt opviel in de door toeristen druk bezochte gemeente. 502]
Slechts voor PB’s (persoonsbewijzen) was het rayon goeddeels afhankelijk van hulp van buiten. Schunck deed een beroep op de onderduikers geen nieuwe PB’s aan te vragen als het niet hoogst noodzakelijk was. In juni 1944 dreigde door de invoering van een nieuw inlegvel een abrupt einde te komen aan de relatieve autarkie. De directeur van het distributiekantoor, Th. van Hinsberg, had de voor de L.O. werkzame ambtenaren steeds hun gang laten gaan, maar toen hij begin 1944 moest onderduiken ging de leiding over op twee N.S.B.-ers. Freysen en Willems vreesden dat met de introductie van het nieuwe inlegvel de omvangrijke manipulaties aan het licht zouden komen. Ze bespraken hun problemen met de rayonleiding en ze stelden voor een knok- of overvalploeg een enorme chaos op het distributiekantoor te laten aanrichten. Alleen zo kon de fraude onopgemerkt blijven. J. Crasborn werkte een plan uit en verklaarde zich bereid de leiding op zich te nemen. Freysen zou op zijn beurt alle gewenste inlichtingen verstrekken, een plattegrond vervaardigen en voor de sleutels zorgen. Dat laatste was niet gemakkelijk.
Elke avond werden de belangrijkste sleutels in een verzegelde en door de directeur gesigneerde enveloppe in de kazerne van de rijkspolitie in een kluis opgeborgen. Freysen omzeilde dit obstakel door een volkomen identieke enveloppe met nagemaakte lakzegels en handtekening te overhandigen aan de bij het complot ingeschakelde nachtwaker, de politieman J.H. op de Ven. Toen een nietsvermoedende medewerker op de avond van 22 juni de echte enveloppe op de politiekazerne bezorgde, nam Op de Ven die in ontvangst en gaf de valse enveloppe aan een collega, die ze in de kluis opborg. Vervolgens begaf Op de Ven zich naar het distributiekantoor, waar hij die nacht met een N.S.B.-er de wacht moest houden. ’s Avonds laat arriveerden twee auto’s met een vijf of zes man sterke K.P.-ploeg in Valkenburg. Een auto was “geleend” van de Staatsmijnen. De andere had de K.P.-Sittard beschikbaar gesteld. Omdat alles tot in de details was geregeld, verliep de overval vlekkeloos. De N.S.B.-er kreeg een klap op zijn hoofd en werd bedwelmd. De K.P.-ers wisten niet dat daags tevoren een zending distributiebescheiden voor twee maanden was gearriveerd. De buit was gigantisch: ruim tweehonderdtienduizend bonkaarten, ruim tweeëntachtigduizend rantsoenbonnen, ruim vijfentwintighonderd rantsoenkaarten, vijfduizend T.D.-stamkaarten, ruim zestienhonderd toeslagkaarten, talloze inlegvellen en een schrijfmachine. Er waren maar liefst twaalf juten zakken nodig om alles in te stoppen. De zakken werden naar een boerderij in de buurt van Kunrade bij Voerendaal gebracht. Bij het sorteren in de woning van mevrouw J. Jaspers-Koten in Klimmen bleek een gedeelte onbruikbaar en werd vernietigd. Een ander deel van de buit kwam uiteindelijk weer in Valkenburg terecht en werd verborgen in de oude parochiekerk. De Sipo tastte in het duister. Op de Ven was na de overval ondergedoken en had daarmee de verdenking op zich geladen. Freysen en zijn collega’s gingen vrijuit en konden hun praktijken ongestoord voortzetten. De argeloze bezorger van de sleutels werd stevig aan de tand gevoeld, omdat de enveloppe in de politiekluis valse sleutels bevatte. Hij wist nergens van en kwam na een dag weer vrij. 503]
Op 31 augustus om 13.00 uur verscheen de Heerlense K.P. opnieuw in Valkenburg. Deze keer was het gemeentehuis het doelwit. Men wilde verhinderen dat de bevolking zou worden gedwongen verdedigingswerken aan te leggen. Bij de kraak kregen ze hulp van ambtenaar H.P.A. Laeven, die na de overval bewusteloosheid veinsde. De Sipo nam genoegen met zijn uitleg van het gebeuren. De K.P.-ers hadden alle persoonskaarten, vijftig PB’s, vijftig controlezegels en vijftig legeszegels meegenomen. Het bevolkingsregister verbrandden ze op het K.P.-hoofdkwartier in Ulestraten.504]
Enkele weken later werd Valkenburg bevrijd.

VIII.6. District Sittard

Over het district Sittard, dat formeel deel uitmaakte van het district Heerlen en daarom ook wel rayon Sittard werd genoemd, is bij gebrek aan historische bronnen niet veel bekend. De illegale werkers in Sittard legden veel nadruk op geheimhouding en voorzichtigheid. Ze hechtten aan de eigen zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Alleen hierdoor was een optimale beveiliging van de eigen ondergrondse gewaarborgd. Samenwerking met provinciale organisaties bleef tot een minimum beperkt, ondanks enkele pogingen vanuit Roermond en Heerlen de leiders over te halen zich bij de L.O. aan te sluiten. Sittard was en bleef een buitenbeentje binnen het georganiseerde verzet in Limburg. Dit vasthouden aan de eigen zelfstandigheid betekende geenszins dat de Sittardse illegaliteit minder doelmatig functioneerde. De basisstructuren waren in een vroeg stadium gelegd. Er bestonden verbindingen met landelijke organisaties en de diverse illegale activiteiten zoals hulp aan onderduikers, joden, geallieerde vliegeniers en Franstalige krijgsgevangenen, de verspreiding van illegale bladen en K.P.-acties liepen door elkaar. De onderlinge band tussen de Sittardse illegale werkers was opvallend hecht. Dit proces was eind 1943 al zover voortgeschreden dat het vrijwel onmogelijk was de intensieve vervlechting ongedaan te maken en nieuwe structuren op te bouwen. 505]
De onbetwiste leider van de Sittardse illegaliteit was M.P.J.M. Corbeij. Voor de oorlog werkte hij voor de militaire inlichtingendienst en verzamelde hij gegevens over de Duitse posities, geschutopstellingen en verdedigingswerken. Rond Pasen 1940 constateerde hij tot zijn ergernis dat Duitse officieren in burger Nederland als toerist bezochten en nauwkeurig notitie namen van de verdedigingslinie in Limburg. Op 31 augustus 1941 vroeg Corbeij het Departement van Binnenlandse Zaken om ontheffing van zijn post als burgemeester van Broeksittard. Hij kon zich niet langer verenigen met de uitholling van de democratie en de voortschrijdende nazificatie. Op 21 september 1941 werd hem ontslag verleend. Tussen 7 januari 1942 en 8 februari 1943 zat hij als gijzelaar gevangen in St. Michielsgestel. Na zijn vrijlating begon hij meteen contacten te leggen met het doel in de regio Sittard een illegale organisatie op te bouwen. Zo kreeg hij verbinding met de criminoloog pater M.H. van Rooy OFM uit Sittard, de leraar Frans A.H. Simonis, de griffier van het kantongerecht te Sittard, mr. G. Dahmen, rector E. Pompen uit Ophoven-Sittard, de directeur van het ziekenhuis, H.L.M. van der Hoff, de politierechercheur J.J. Leentjens en met P.J. Ronden, werkzaam als elektricien op de Staatsmijnen. Sommigen van hen werkten al samen of stonden in contact met personen die zich bezighielden met de hulpverlening aan vluchtelingen zoals J.L. Muyres en Dom. van den Bergh. Corbeij beschikte bovendien over verbindingen met illegale werkers en groepen buiten de provincie. Via die kanalen bereikten verschillende landelijke verzetsbladen Sittard. Een bezoek van mr. P.J.A. Clavareau aan mr. G. Dahmen, begin 1943, gaf de jonge organisatie een nieuwe impuls. Clavareau werkte samen met een groep in Amsterdam die zich op het vervalsen van distributiebescheiden toelegde en op zoek was naar contactpunten in het land om een organisatie voor hulp aan onderduikers op te bouwen. Rector Pompen, die het gesprek bijwoonde, beval pater J.C.Th. Pex OFM aan als leider en coördinator van deze groep in Sittard. Twee koeriers, die ten huize van P.J. Ronden werden opgevangen, brachten alle benodigdheden.
Vanzelfsprekend waren voor de opvang en verzorging van de onderduikers uit de regio en uit het westen van het land nieuwe krachten nodig. De directeur van het distributiekantoor, Th. Dirckx, zegde medewerking toe evenals pater H. Mannesse MSC, ds. Coolsma, de gemeenteambtenaren B.J.M. Derks en P. Kaanders, C.C.J. van der Drift van de Provinciale Waterstaat en verschillende anderen. 506] In het voorjaar van 1943 was de organisatie vrijwel rond. Alleen de financiële kant van de zaak baarde de leiding zorgen. Bijdragen van particulieren en van het Fonds voor Bijzondere Nooden, in de regio Sittard beheerd door aalmoezenier L.F. Feiter, konden de ergste nood enigszins lenigen. Desondanks slaagde men er niet in het probleem op bevredigende wijze op te lossen.
Door de weloverwogen en uiterst voorzichtige wijze van optreden viel niet één illegale werker uit de kring rond Corbeij in Duitse handen wat niet wegnam dat de Sittardse organisatie machteloos moest toezien toen Ströbel en Schneider op 28 juli 1944 in samenwerking met uit de hele provincie opgetrommelde landwachters en A.K.D.-ers een razzia op onderduikers hielden. Elke wijk in Sittard werd door een arrestatieteam van circa acht personen uitgekamd. Men beschikte over een lijst met adressen van families, van wie vermoed werd dat ze onderduikers huisvestten. De Sipo en haar handlangers arresteerden circa vijftig personen, van wie er twintig na verhoor weer vrij kwamen. De overigen verdwenen naar Duitsland of werden in opdracht van Schneider ingesloten in het Huis van Bewaring te Maastricht. Op 14 oktober kwamen drie personen van deze groep om het leven bij een bombardement op een ziekenbarak in de buurt van Keulen. 507]
Kapelaan Ch.J. Engwegen uit Buchten, die door aalmoezenier Feiter was voorgedragen, besloot na consultatie van de vicaris-generaal van het bisdom, F.J. Féron, te voldoen aan het verzoek van Corbeij om de leiding en coördinatie van de illegaliteit in de regio Born-Buchten op zich te nemen. Het lag voor de hand dat Engwegen was aangezocht. De kapelaan was goed geïnformeerd over de hulpverlening aan met name joodse vluchtelingen. Er waren zowel personen van Corbeijs organisatie uit Sittard als personen uit Born, onder wie een aantal binnenschippers, bij betrokken. De spoorwegarbeider P.H. Collée en diens broer hadden sedert mei 1942 de zorg voor veertien joden. Schippers als J.P.M. van Hoornick en C.L.J.J. Zwaans hielden joden verborgen op hun schepen. Zij lieten hun collega’s regelmatig joodse vluchtelingen per binnenschip naar de haven van Born brengen. De kosten van dit vervoer waren hoog. Pogingen om de L.O.-Geleen financieel te laten bijspringen liepen op niets uit. Particuliere giften en de donaties van het Fonds voor Bijzondere Nooden vormden naast de eigen bijdragen, aangevuld met het geld dat de joodse vluchtelingen zelf nog bezaten, de enige financiële middelen. In juni 1943 kwamen de Duitsers de hulpverleners op het spoor. De Sittardse politie waarschuwde tijdig, zodat een onderzoek in het bedrijf van J.L. Muyres en op de schepen van Zwaans en Van Hoornick niets opleverde. Sommige joden keerden naderhand terug op de schepen. Andere werden gehuisvest in Born, Schinnen, Nieuwenhagen en Geleen. Overigens vertrokken veel joden via Born naar België. Ze maakten gebruik van dezelfde vluchtroutes als de geallieerde vluchtelingen.
Engwegen droeg de zorg over bijna tachtig onderduikers. Bij de huisvesting en verzorging kreeg hij hulp van H.J.W. Leyendeckers, gemeenteambtenaar J. Maenen, dokter J.G. de Leeuw en C. van Cleef, een broer van een naaste medewerker van P.J. Ronden uit Sittard die sedert begin 1944 deel uitmaakte van een knokploeg. Van Cleef onderhield nauwe banden met de L.O.-ers J. Kelleners en C. Plitscher uit Susteren.508] Er bestonden veel overeenkomsten tussen de illegaliteit in de regio Born en die in Sittard. Hier was eveneens sprake van een verzetsorganisatie die zich op velerlei terreinen manifesteerde. Het enige verschil was dat de onderlinge banden minder hecht waren en dat sommige groepsleden niet wisten dat ze in feite deel uitmaakten van dezelfde organisatie, die vanuit Sittard werd gedirigeerd.
Evenals in Maasbracht ontstonden kort voor de aftocht van de Duitsers problemen in de haven van Born. De bezetter dreigde de schepen tot zinken te brengen. De schippers wendden zich tot Engwegen, die H. Zwaans en J. Hardenberg aanspoorde de sluis in Born te saboteren. Het waterpeil daalde tot anderhalve meter, zodat de bezetter machteloos stond en de schepen gespaard bleven. Represailles bleven uit. 509] Een groepje illegale werkers in Sittard, waarvan F.A.A. van Maanen, P.J. Ronden, M. Dols, J.M. van Cleef, L. Lambrechts en C.A.A. Hagenaars deel uitmaakten, hield zich al met K.P.-activiteiten bezig nog voordat er sprake was van een K.P.-Sittard. Tot hun voornaamste taak rekenden zij de bescherming van pilotenhelpers in de regio. Dat veranderde in de loop van 1943 toen A.H. Simonis de leiding van het groepje op zich nam. Nieuwe krachten zoals Th.A.F. Fijen, W. Janssen en H.J. van Sloun kwamen de gelederen versterken. Politiebeambte J. Wolfs gaf de groep wapeninstructie en F. Ehlen, J.C.H. van den Moosdijk, E. Beugels, M. Ronden, J.J.H. Schiffer, P. de Clerq, J. Jamar, A.J.P.K. Besselink en P.M. Kierkels ondersteunden de activiteiten. De dames I. Jurica en J.L. Penners koerierden voor de K.P., die haar opdrachten ontving van Simonis, Corbeij en pater Pex. De wapens waren afkomstig van Besselink en de politierechercheur Leentjens. Contactpersonen op de Staatsmijnen leverden springstoffen, benzol en fosfor. 510] Het vaste ontmoetingspunt van de groep was het klooster van de paters Franciscanen in Ophoven-Sittard en de even buiten Sittard gelegen garage van A. Matrai. Bij laatstgenoemde waren de wapens en springstoffen opgeborgen. Een buitgemaakte bluswagen van de Geleense brandweer werd er door de K.P.-ers, die in overalls rondliepen en er uitzagen als monteurs, van een pantser voorzien. Van tijd tot tijd werkte men samen met de Heerlense K.P., zoals bij de overval op een opslagplaats van de C.C.D. te Heerlen in het voorjaar van 1944 en bij de overval op het distributiekantoor in Valkenburg toen de Sittardse K.P. de gepantserde brandweerauto ter beschikking stelde. Sommige groepsleden zoals P. Ronden waren buiten de provincie actief, maar het aandachtsveld van de K.P. als zodanig richtte zich op Zuid-Limburg. Na een mislukte overval op het distributiekantoor van St. Oedenrode trad de ploeg niet meer buiten Limburg op. 511]
Op donderdag 8 juni 1944 begaven Ronden, Van Cleef, Dols en Van Maanen zich omstreeks 9 uur ’s morgens in een door Dom. van den Bergh beschikbaar gestelde auto op weg naar Heerlen, waar ze in opdracht van A.H. Simonis op een aantal adressen nieuws over de invasie moesten bezorgen. Bovendien moesten ze een viaduct in de buurt van Heerlen opblazen. M. Dols reed met hoge snelheid, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de Sipo hen achtervolgde. In Nuth, ter hoogte van de spoorlijn, verloor hij de macht over het stuur en botste tegen een omheining.
De gevolgen waren ernstig. Van Cleef raakte blind aan het linkeroog en Dols liep een nekwervelfractuur en een hersenschudding op. Ook Ronden raakte gewond. Van Maanen kwam met de schrik vrij. Een toevallig passerende automobilist bracht het viertal naar Munstergeleen. Vandaar vertrok Ronden naar E. Beugels in Oirsbeek. Dols en Van Cleef werden naar het ziekenhuis van Sittard gebracht, waar dokter Van der Hoff zich over hen ontfermde. Ze waren voor de rest van de oorlog uitgeschakeld.512]
Gedurende de laatste bezettingsweken kwam de ploeg van Van Maanen, Ronden en Simonis nog enkele keren in actie. Op 18 augustus werden de commandant van de marechausseekazerne en een collaborateur doodgeschoten. Ze zouden informatie over de Sittardse illegaliteit hebben doorgegeven aan Duitse instanties en dreigden dat weer te doen. De diefstal van drieduizend liter brandstof uit een Duits legerdepot, begin september, kan waarschijnlijk eveneens op het conto van de K.P. geschreven worden. In de nacht van 18 op 19 september werd een Duitse patrouille vanaf het balkon van het oude stadhuis met handgranaten bestookt. Het staat niet vast of dat een daad van de K.P.-ers was.513] Sittard was op dat moment al bevrijd.

VIII.7. District Gulpen

Tot de herfst van 1943 bestond er in de regio Gulpen slechts plaatselijk enige illegale activiteit. Het betrof vooral hulp aan krijgsgevangenen en de verspreiding van illegale bladen. Terwijl overal in de provincie verzetskernen ontstonden die zich op de hulp aan onderduikers toelegden, beperkte de hulpverlening in de zuidoosthoek van Zuid-Limburg zich tot kleinschalige plaatselijke initiatieven.
Op een van de eerste gewestelijke vergaderingen concludeerden de aanwezigen dat deze situatie snel moest veranderen. Kapelaan Van Enckevort verzocht G.H. Hanssen uit Sevenum naar Gulpen af te reizen en er een L.O.-organisatie naar Venloos model op te bouwen. Gedurende een half jaar vertoefden Hanssen en zijn assistent J.G. van de Ven wekelijks drie of vier dagen in Gulpen. Bij de K.A. in de regio bespeurden ze weinig enthousiasme voor hun plannen, zodat ze zich tot de geestelijkheid en een neef van Hanssen, L. Coenen, wendden, die op het voedselbureau in Mechelen werkte. Voorts wonnen ze advies in in Heerlen. Weldra kon een kennismakingsbijeenkomst worden gehouden ten huize van de familie Coenen in Simpelveld. Voor Epen was kapelaan P.H.H. Houben aanwezig, voor Gulpen kapelaan L.M.H. Penders, voor Vaals kapelaan W.P. Wermeling, voor Vijlen kapelaan L. Hünen, voor Mechelen kapelaan W.J.H.A. Widdershoven en J. Koole, voor Eys H. Kessels, voor Bocholtz P. Voncken, voor Wittem J.H. Ortmans en voor Simpelveld de broers J.H. en H.H. Coenen, J.M. Knops en J. Bemelmans. De aanwezigen werden verzocht medewerkers te werven en duikadressen te zoeken. Op een volgende bijeenkomst in de woning van kapelaan Wermeling kon met tevredenheid worden teruggekeken op het resultaat van de inspanningen. De grenzen van het nieuw te vormen district

Kaart 45. District Gulpen: indeling in rayons
Kaart 45. District Gulpen: indeling in rayons

werden afgebakend. Knops aanvaardde het districtsleiderschap en J.H. Coenen werd zijn plaatsvervanger. Nieuwe krachten meldden zich, zoals W.J. Francotte, J.A. Hermans en de arts Keunen uit Vaals. In het najaar van 1943 ontstonden overal in het district verzetskernen. Ofschoon er nog geen rayonindeling bestond en evenmin duikhoofden waren benoemd ontwikkelden Vaals, Gulpen en Simpelveld zich tot de hoofdkernen van het district. Enkele dominerende persoonlijkheden konden er inmiddels rekenen op de steun van een groeiend aantal helpers. Op 12 januari 1944 kwamen de voormannen uit het district bijeen in de woning van kapelaan Penders. De definitieve organisatiestructuur werd vastgesteld en de grenzen van de in het najaar ontstane rayons min of meer aanvaard. Rayon 1, dat Vaals, Nijswiller, Epen en Mechelen omvatte, kwam onder leiding van kapelaan Wermeling. Kapelaan Penders kwam aan het hoofd van rayon 2 met de plaatsen Gulpen, Reymerstok en Wylré. Rayon 3, geleid door J.H. Coenen, omvatte de plaatsen Simpelveld, Bocholtz, Eys en Wittem. Voortaan was Gulpen een zelfstandig district met een eigen vertegenwoordiger, Knops, op de gewestelijke vergadering. 514]
De districtsvergaderingen vonden achtereenvolgens plaats in het huis van de Zusters van Liefde in Gulpen, in het klooster van de paters Redemptoristen in Wittem en in het klooster van de zusters Franciscanessen te Nijswiller. P. van der Linden en P.M.H.M. Horbach uit Gulpen, kapelaan J.Th.H.M. Abels uit Eys en kapelaan J.F.J. Franck en J.H. van Houtem uit Wylré kwamen de gelederen versterken. In het voorjaar van 1944 achtten Hanssen en Van de Ven hun opdracht voltooid en trokken zich terug. 515] Distributiebescheiden werden verkregen via het gewest en via L. Kohnen, een medewerker van het distibutiekantoor van Vaals. Per periode leverde Kohnen J. Coenen tussen de zes- en achthonderd bonkaarten. De vader van Coenen drukte in zijn drukkerij valse bonnen. Kohnen plakte ze op kaarten en maakte die conform de instructies met zwarte inkt ongeldig. Het aantal uit te geven bonnen werd aldus kunstmatig verhoogd. De fraude kwam nimmer aan het licht.516] Valse of vrijgemaakte PB’s ontving men via L.O.-kanalen en van H. Botterweck, gemeenteambtenaar in Mechelen. Verscheidene boeren leverden de L.O. graan en vlees van clandestien geslacht vee. Het district Gulpen ontving maandelijks duizend ton steenkool van de Oranje Nassau mijnen. De kosten van de steunuitkeringen werden gedekt door de verkoop van foto’s van de koninklijke familie en verboden lectuur en door bijdragen van het Fonds voor Bijzondere Nooden. Aanvankelijk beheerden de kapelaans Wermeling, Houben en Penders alsmede Knops en Coenen de gelden, maar tijdens de vergadering van 12 januari 1944 werd besloten het financieel beheer op te dragen aan één persoon, kapelaan Penders. Diens medewerker, districtskassier J. Mulder, sloot in 1944 voor ƒ 23.000,- leningen af namens het N.S.F. 517] Het aantal onderduikers nam snel toe. In de loop van 1944 verzorgde men er ruim driehonderd. De jongeren uit de streek slaagden er doorgaans zelf in een geschikte duikplaats te vinden of ze vertrokken naar een ander district. Sommigen klopten voor advies aan bij de plaatselijke geestelijkheid. De meeste onderduikers waren door de gewestelijke leiding naar het district gezonden. Met grote regelmaat arriveerden kleine en grotere groepen met een zogeheten Turkse pas in de drukkerij van Coenen of in de plaatselijke parochiekerk. H. Hamers, die gebruik maakte van een vrachtauto uit het bedrijf van zijn vader, bracht de onderduikers naar hun bestemming. De meesten werden ingeschakeld in bedrijven of op boerderijen. Sommigen, zoals de studenten H.J.M. Beaumont uit Maastricht en G.J.M. Pirovano uit Delft namen actief deel aan het verzet of verleenden zijdelingse hulp.518]
Op 17 maart 1944 vond een tragisch incident plaats in Epen. Om zich aan arrestatie te onttrekken trachtte J. Witteveen uit Heerenveen, die was ondergedoken bij hotelhouder J.H. Groneschild, te vluchten. Hij werd echter door kogels getroffen en zakte op straat ineen. Hij overleed enkele dagen later in het ziekenhuis van Heerlen. Groneschild, die was opgepakt, slaagde er twee maanden later tijdens een transport van gevangenen in te ontsnappen. Hij dook tot enkele weken voor de bevrijding onder in een zelfgebouwde schuilplaats in Epen. Of er een verband bestaat tussen de gebeurtenis van 17 maart en de aanslag op de N.S.B.-er V. Loo op 1 juni 1944 door een L.O./K.P.-medewerker staat niet vast. Waarschijnlijk werden de schoten gelost door W.J. Francotte. Loo bezweek op 4 juni. 519]
Door zijn malversaties op het gemeentehuis van Mechelen dreigde H. Botterweck in moeilijkheden te komen. Vijf personen werden benaderd om het gemeentehuis in de nacht van zaterdag 15 op zondag 16 april te overvallen. Toen de broers J. en W. Grooten zaterdagavond op de afgesproken plaats arriveerden, bleek dat verder niemand was komen opdagen. Ze besloten de klus alleen te klaren. Eenmaal binnen bleken de sleutels van de stalen kasten met de registers en andere bescheiden onvindbaar. De broers trachtten de van dik papier vervaardigde persoonskaarten die niet waren opgeborgen te verbranden in de kachels. Dat lukte slechts ten dele waarna ze de kaarten over de vloer uitspreidden en met fosfor in brand staken. 520]
Zonder de Gulpener L.O. vooraf te informeren, kwam de K.P.-Heerlen op grond van inlichtingen uit het rayon Valkenburg in mei en juni 1944 twee keer in actie in het district. De Valkenburgse stationschef had hen in kennis gesteld van de aankomst van een wagonlading eieren op het station van Wylré. Op 25 maart maakte de Heerlense K.P. tussen de zes- en zevenduizend eieren buit, die verdeeld werden over de Zuidlimburgse districten. De meeste waren bestemd voor het ziekenhuis in Heerlen. Hetzelfde gold voor een boterkraak in Reymerstok op 14 juni. Bij deze kraak ontvreemdden de K.P.-ers, gekleed in Duits militair uniform, bijna duizend kilo boter, bestemd voor Duitse militairen. Een gedeelte kwam ten goede aan de gevangenen in het Huis van Bewaring te Maastricht. 521]
Niet de Duitsers of de N.S.B. veroorzaakten de eerste echte moeilijkheden, maar het aangrenzende district Heerlen. Eind mei 1944 sijpelde voor het eerst het bericht door dat men in Heerlen geen genoegen nam met de werkwijze in Gulpen. De L.O.-ers zouden futloos en passief zijn. Heerlen stuurde J. Kockelkoren naar het district om orde op zaken te stellen. Tot woede van de L.O.-ers in Gulpen begon deze met de opbouw van een nieuwe organisatie. Ruzie kon niet uitblijven. Geen van beide partijen wilde ook maar een duimbreed toegeven, wat tot onverkwikkelijke taferelen op de eerstvolgende gewestelijke vergadering leidde. Uiteindelijk besloot de gewestelijke leiding de oorspronkelijke L.O.-groep als de enige echte te erkennen, nadat pogingen om de twee organisaties samen te voegen niets hadden opgeleverd. Door een dreigbrief, gericht aan kapelaan Penders, dreigde de zaak verder te escaleren. Zover kwam het niet. Kockelkoren trok zich met zijn groep terug. 522] Eind juni kwamen de gemoederen enigszins tot bedaren, nadat de gewestelijke top in Weert was opgepakt. Op 7 juli vergaderde de districtsleiding in de kelder van bierbrouwer A. Brand. J.H. Coenen volgde Knops op. Er werd een definitieve rayonindeling vastgesteld die vrijwel overeenkwam met de tot dusver geldende. Rayon 1 (Vaals, Mechelen, Epen) kwam onder leiding van A. Noppeney, rayon 2 (Gulpen, Wylré) onder P.M.H.M. Horbach en rayon 3 (Simpelveld, Eys, Wittem, Bocholtz) onder H.J.D. Hamers. 523] In verband met de arrestaties te Weert achtte men het raadzaam nieuwe schuilnamen aan te nemen. De voorzorgsmaatregel bleek niet voldoende. Bij de door Nitsch afgenomen verhoren in Vught waren tenminste drie namen uit het district Gulpen naar voren gekomen: pater B.J. Baars C.s.s.R. uit Wittem, J.H. Coenen en de familie Merckelbach uit Wittem, waar af en toe vergaderd was. Het is mogelijk, dat Nitsch nog meer namen van L.O.-medewerkers uit Knops wist te ranselen. De Staatspolitie uit Aken berichtte bovendien in juli dat ze op grond van verklaringen van enkele aan de Duits-Nederlandse grens opgepakte studenten, medewerkers van het Außenministerium op het spoor was gekomen. Het betrof Coenen, J. Grooten en J. Stitzinger. Voorts achterhaalde Conrad na de arrestatie van H. Oppenheim in Heer, begin juli, de namen van kapelaan Penders en J.H. Ortmans. Wellicht liet Oppenheim nog meer namen los. 524]
Medio juli 1944 raakte de zaak in een stroomversnelling. Ströbel vernam dat zich in een militair lazaret in het klooster van de Redemptoristen te Wittem een onderofficier van de Luftwaffe bevond die contact had opgenomen met de plaatselijke duikorganisatie, omdat hij wilde deserteren. Nitsch drong er bij zijn chef op aan te wachten met ingrijpen. De infiltratie moest een zo groot mogelijk rendement opleveren. De verstandhouding tussen Nitsch en Ströbel was al enige tijd bekoeld. Wellicht was er sprake van jalousie de métier. Ströbel was van mening dat de essentiële inlichtingen niet van Nitsch, maar van Conrad afkomstig waren. De Sipo-chef sloeg Nitsch’s advies in de wind. Hij wilde zo spoedig mogelijk toeslaan.
De Duitse onderofficier, een zeker Lambertz, was afkomstig uit Aken. In het lazaret kreeg hij contact met de in het klooster werkzame schoenmaker J.H. Wienen, aan wie hij toevertrouwde dat hij genoeg had van de oorlog en een duikplaats zocht. De schoenmaker lichtte pater Baars in over de desertieplannen van Lambertz. Baars nodigde de onderofficier uit voor een kennismakingsgesprek. De Duitser trachtte de pater te paaien door te benadrukken dat hij een goed christen was. Hij verklaarde zich bereid zijn uniform en wapens ter beschikking te stellen van de ondergrondse. Baars schakelde op 17 juli P. Horbach in. Het is niet duidelijk of Lambertz tot dat tijdstip inderdaad van plan was te deserteren. Toen zijn voornemen ter ore kwam van de Duitse chef-arts K. Capellman nam de zaak een wending. De arts vreesde voor zijn hachje en stelde de Sipo op de hoogte. Vanaf dat tijdstip speelde Lambertz het spel in ieder geval mee. Op donderdagavond 20 juli ontmoette hij Horbach. Afgesproken werd dat de twee elkaar de volgende ochtend om 8 uur zouden treffen op de landweg tussen Partij-Wittem en Mechelen. De Duitser zou dan burgerkleding ontvangen en zijn uniform en wapens inleveren. Daarna zou hij naar een adres in Vaals worden gebracht.
De volgende dag verliep alles aanvankelijk volgens het draaiboek. Toen Lambertz Horbach begon uit te leggen hoe het wapen werkte, riep hij plotseling: “Hände hoch, das Spiel ist aus”. Links en rechts van de weg doken twaalf Sipo-leden en S.S.-ers uit het koren op. Horbach stond machteloos. Hij moest zich met Lambertz naar de plek begeven waar Hamers en J.M.W. Bisschoff in een vrachtwagen wachtten. Ook zij werden overrompeld. In de vrachtauto trof men twee pistolen aan die Hamers van G. Hanssen had ontvangen. De wapens waren bestemd voor de gastgevers van Lambertz in Vaals. Lambertz en de zwaar bewaakte Hamers en Bisschoff vertrokken even later met enkele Duitsers naar Vaals. Men wilde daar de wachtende L.O.-medewerker arresteren. Vermoedelijk had deze argwaan gekregen vanwege het lange oponthoud. Hij verscheen in ieder geval niet. De andere Duitsers gingen met Horbach op zoek naar Baars. Onderweg ontmoetten ze een pater die hen wist te vertellen dat Baars retraite hield in Haanrade. Nadat ook Baars was opgepakt, reed het hele voltallige gezelschap in de loop van de namiddag terug naar Maastricht, waar de arrestanten meteen werden verhoord. Sommigen ondergingen mishandelingen.
J. Coenen, die intussen was gealarmeerd, begaf zich in eerste instantie naar Schin op Geul voor een ontmoeting met de districtsleiders van Roermond en Maastricht. Naderhand bezocht hij Van Houtem en Ortmans, waar hij uiting gaf aan zijn woede. Hij bezwoer Lambertz te zullen doodschieten. Zover kwam het niet. Tegen de avond bezochten Sipo-agenten, kennelijk tegen elke verwachting in, het district opnieuw. Ze arresteerden Van Houtem, Ortmans, de broers E.A.H.M. en J.M.H. Merckelbach, de onderduiker G. Pirovano, de kapelaans P.H.H. Houben en L.M.H. Penders en twee onschuldige inwoners van Vaals. De kapelaans Wermeling en Franck en A. Noppeney ontsnapten. J. Merckelbach en de twee inwoners van Vaals kwamen na enkele dagen vrij. De overigen werden op 1 augustus van Maastricht naar Vught overgebracht en vijf dagen later naar Sachsenhausen, vanwaar ze over verscheidene kampen werden verspreid. Slechts drie van de tien arrestanten overleefden de kampen. De anderen kwamen in Duitsland om het leven: H.J.D. Hamers (Oranienburg, 29-12-1944), J.M.W. Bisschoff (Buchenwald, 23-4-1945). B.J. Baars (Bergen-Belsen, 27-4-1945), J.H. van Houtem (Lübeck, 28-5-1945), L.M.H. Penders (Bergen-Belsen, 24-4-1945), P.H.H. Houben (Ludwigslust, 19-5-1945) en E.A.H.M. Merckelbach (Neuengamme, 15-1-1945). 525]
Aan de “Klap van Wittem”, zoals de arrestatiegolf van 21 juli spoedig werd genoemd, zat een luchtje. Uit de gevangenis van Maastricht kwam namelijk het bericht dat de Sipo op de hoogte was geweest van de vergadering op 7 juli in de kelder van Brand en over een lijst beschikte met de nieuwe schuilnamen. Als dat juist was moest iemand verraad hebben gepleegd. De kwestie werd nimmer opgehelderd. Nitsch ontkende na de oorlog ooit een dergelijke lijst onder ogen te hebben gehad, maar sloot niet uit dat Conrad en Ströbel er meer van wisten. Door de inlichtingen van de Staatspolizei in Aken en van Lambertz en de verhoren van Oppenheim en Knops was de Sipo de L.O.-Gulpen al grotendeels op het spoor gekomen. Tussen de aanhouding van Horbach, Hamers en Bisschoff verliepen bovendien enige uren die de ondervragers in Maastricht gebruikt zouden kunnen hebben om de eerste arrestanten onder zware druk te zetten en te overbluffen met de kennis die ze inmiddels uit de genoemde bronnen hadden. Aan een lijst met louter schuilnamen had de Sipo trouwens niet veel. Bovendien bleek uit de arrestaties dat de Sipo niet alle vooraanstaande L.O.-medewerkers kende. De lijst met namen kwam nimmer boven water. Evenmin staat vast wie erop stonden. Derhalve moet worden geconcludeerd dat met of zonder lijst, met of zonder verraad in eigen kring, de “Klap van Wittem” niet te vermijden was geweest. Naar aanleiding van de gebeurtenissen op 21 juli hield J.H. Coenen het voor gezien. Hij ging met zijn kameraad W.J. Francotte over naar de K.P.-Zuid-Limburg, die haar hoofdkwartier in Ulestraten had. Het K.P.-werk lag hem beter. Hanssen had dat al in een eerder stadium vastgesteld en hem steeds moeten afremmen. Coenen verzocht P. van der Linden de L.O. te reconstrueren. Een lastige taak aangezien de mogelijkheid bestond dat de verrader nog actief was in de organisatie. Tot overmaat van ramp dreigde het conflict met de groep-Kockelkoren opnieuw tot uitbarsting te komen. De bedachtzame Van der Linden vond een oplossing door Kockelkoren tot hoofd van het verspreidingsapparaat van de illegale pers in het district te benoemen. Vooral in het rayon Simpelveld werkte men onder zware druk. In de streek woonden naar verhouding veel Duitsers en N.S.B.-ers. Van der Linden vond L. Rutten bereid het rayon te reorganiseren. Rutten slaagde er weldra in een nieuwe kerngroep te vormen, waarvan hij zelf, H.H. Coenen, J. Bindels, J.D. Pelzer en K. Ruiters deel uitmaakten. Omdat men uiterst voorzichtig te werk ging, liep het goed af. Koeriers als mejuffrouw B.J. Coenjaarts en mejuffrouw J.M.J. Martinussen onderhielden de interne verbindingen in het district. De duikers arriveerden voortaan in Heerlen om vandaar naar Gulpen te worden overgebracht. Tot de bevrijding in september-oktober 1944 bleef het rustig in het district. 526]

VIII.8. District Weert

Op grond van berichten over de lotgevallen en de houding van Franse dwangarbeiders in Duitsland die Weert in de loop van 1942 bereikten, traden verscheidene geestelijken met elkaar in overleg hoe ze zich moesten opstellen als de Duitse autoriteiten in Nederland jongeren zouden oproepen voor dwangarbeid. Terwijl de gesprekken nog in volle gang waren, werd de ene na de andere maatregel afgekondigd. In mei 1943, toen de eerste jongeren en militairen er het slachtoffer van dreigden te worden, namen de kapelaans P.J. Slots en H.Th.H. Adams het voortouw. Zij gingen op zoek naar duikadressen. Al spoedig wisten de twee geestelijken met steun van F.J.P. Nies en mejuffrouw M.A. Hermans een organisatie op poten te zetten. Nies bekleedde een leidende functie in de Jonge Wacht en was hoofd van de Katholieke Jonge Middenstanders in de regio Weert. Een medewerkster van de distributiedienst, mejuffrouw G.J.M. Boers, verschafte bonkaarten. Uit kerkelijke en particuliere bijdragen, onder andere

Kaart 46. District Weert: indeling in rayons
Kaart 46. District Weert: indeling in rayons

van de afgetreden burgemeester W.F.W. Kolkman, konden de kosten worden bestreden. Slots en mejuffrouw Hermans beheerden dit fonds.
Medio juni 1943 dook Slots onder in Baarlo. Sindsdien gaven Adams, Hermans en Nies leiding aan de duikorganisatie in Weert. Mejuffrouw Hermans zorgde voor de verdeling van de distributiebescheiden en Adams en Nies hielden zich bezig met het zoeken van gastgezinnen en het plaatsen van onderduikers. Vooralsnog geschiedde de hulpverlening zelfstandig. Er bestonden geen verbindingen met Venlo of andere districten. Kapelaan W.J.G. Coenen uit Weert bracht hier eind augustus 1943 verandering in. Hij legde contact tussen de organisatie in Weert en kapelaan Naus. Het Venloos organisatiemodel werd geïntroduceerd, hetgeen begin oktober leidde tot de vorming van een duikraad, waarin Adams, Hermans en Nies zitting namen. Diezelfde maand bezocht Hermans voor het eerst de gewestelijke vergadering in Roermond. Vier kleine verzorgingsgroepen, die in het voorjaar en de zomer in Weert en omgeving waren ontstaan, werden in L.O.-verband opgenomen. Begin november 1943 was de organisatorische opbouw al zover gevorderd dat Nies de eerste districtsvergadering kon beleggen in het missiehuis van de paters van de H. Geest te Weert. 527]
In januari 1944 vond een reorganisatie plaats. Het rayon Weert, onder leiding van kapelaan Adams, werd verdeeld in de stad Weert (leiding L. Meewis) en de omliggende gehuchten (leiding J. Gubbels). Nies hield zich bezig met het organiseren van de overige rayons. Dat waren Nederweert, Ospel, Kelpen (rayonhoofd M. Keupers), Asten en Someren (rayonhoofd P. Hoefnagels), Stramproy en Tungelroy (rayonhoofd A. Maes) en Ell, Hunsel, Neeritter, Ittervoort (rayonhoofd J.L. Koolen). De organisatie telde ongeveer veertig medewerkers. In februari 1944 volgden vanwege de snelle groei nog enkele wijzigingen in de districtsleiding. Adams, die sedert oktober 1943 de distributiebescheiden beheerde, trad voortaan op als contactpersoon tussen de rayons. Hij behield weliswaar in naam de leiding over het rayon Weert, maar in feite kwam die te liggen bij Gubbels en Meewis. Voor het beheer van de distributiebescheiden en de verbinding met het gewest trok de duikraad een nieuwe kracht aan: A.H.M. Hermans, een broer van mejuffrouw M.A. Hermans. Zij bleef belast met het beheer van de financiën, een taak die ze sedert oktober vervulde. Voor Nies veranderde er weinig: deze bedachtzame en toegewijde werker had zich inmiddels een zeer bekwaam districtsleider getoond. De districtsvergaderingen vonden plaats in de woning van de familie Hermans. In mei werd besloten de splitsing van het rayon Weert ongedaan te maken. De verdeling tussen stad en gehuchten bleef weliswaar gehandhaafd, maar de leiding kwam weer in handen van één persoon: L. Meewis. Th. Knoups nam Meewis’ oorspronkelijke functie over. 528]
Het district Weert herbergde ongeveer tweeduizend onderduikers, van wie de meesten bij boeren en middenstanders werden gehuisvest. Indien mogelijk hielden de duikhoofden bij de plaatsing rekening met het beroep van de gasten. Men onderscheidde vier categorieën onderduikers: de eerste categorie betrof personen uit de regio die zelfstandig hun weg naar de L.O. hadden gevonden. Aangezien menigeen zelf op zoek ging naar een duikplaats, omdat men aanvankelijk niet wist dat er een L.O. bestond of hoe ermee in contact te komen, verzorgde de L.O. vermoedelijk niet veel van dergelijke onderduikers. Dat lag anders bij de tweede categorie: personen die voor uitzending naar Duitsland in aanmerking kwamen en wier namen door het G.A.B. aan de L.O.-leiding waren doorgegeven. Deze groep, eveneens uit de regio, werd door de L.O. op de mogelijkheid van onderduiken geattendeerd. De derde categorie bestond uit personen die via de gewestelijke vergadering naar Weert kwamen. Tot de laatste en kleinste categorie behoorden gezochte illegale werkers uit andere regio’s. 529]
Nadat de verbinding met Venlo tot stand was gekomen, ontving mejuffrouw Hermans geld via het Fonds voor Bijzondere Nooden. Bovendien konden sedert eind 1943 leningen worden afgesloten namens het N.S.F. J.W.I. de Haan uit Roggel bracht in dit kader ƒ 56.500,- bijeen. Daarnaast beschikte de districtskas over middelen die werden verworven door de verkoop van foto’s van de koninklijke familie, illegale lectuur en door onderduikers vervaardigde kalenders. Met deze gelden werden gezinnen ondersteund, waarvan de kostwinner was ondergedoken, de kostgelden van onderduikers betaald evenals de reis- en verblijfkosten van koeriers. Voorts kocht men goederen aan zoals schoeisel en kleding. Aanvankelijk pleegden onttrokken ambtenaren bij de distributiedienst, zoals mejuffrouw Boers, op eigen gelegenheid bonnen aan het officiële circuit. Met de benoeming van de N.S.B.-er J.M.W. Rösener Manz tot burgemeester van Weert werd dat moeilijker, omdat nieuwe, “deutschfreundliche” krachten werden aangesteld. Sommige ambtenaren moesten zelfs onderduiken. Desondanks slaagde Nies er in de zomer van 1943 in de clandestiene activiteiten op het distributiekantoor beter te coördineren. Acht ambtenaren, verdeeld in twee los van elkaar werkende groepen, waren daarbij betrokken. Mocht het ene groepje worden opgerold dan kon het andere blijven doorwerken. Nies’ systeem werkte voortreffelijk. Maandelijks werd acht tot tien procent méér aan distributiebescheiden uitgekeerd dan was toegestaan. Kennelijk bleef men binnen de marge, want de manipulates bleven onopgemerkt. Er ontstonden zelfs overschotten, die werden gebruikt voor het aanleggen van voorraden. In het najaar van 1944 konden van de oostelijke Maasoever overgekomen illegale werkers daarvan profiteren. De acht distributieambtenaren saboteerden in samenwerking met collega’s van de afdeling bevolking met succes de invoering van de Tweede Distributiestamkaart.
M.P.H. de Haan, P.J.M. Post en Th. Wolswijk waren de contactpersonen van de L.O. op het gemeentehuis. Een van hen leverde de L.O. tijdelijk geldige bewijzen van zoek geraakte PB’s, waardoor personen die dringend om een PB verlegen zaten voorlopig konden worden geholpen. F.H. Smitz en J.F.A. van Dooren van het G.A.B. en A.H.H. Nouwen van het bureau Oogstvoorziening ondersteunden het werk van de L.O. eveneens. Via die kanalen kreeg de organisatie onder meer de beschikking over diverse vrijstellingsbewijzen. Het voedselbureau leverde de felbegeerde gele vrijstellingsbewijzen voor landbouwers en pater van Gestel bezorgde de L.O. Belgische identiteitsbewijzen. 530]
De politiebeambten J.H.M. Geurts, P.W. Saes en H.C.B. Miltenburg werkten samen met de L.O. Zij hielpen de organisatie aan bewijsjes op grond waarvan medewerkers zich ’s avonds en ’s nachts op straat mochten begeven. Op 20 juni 1944 arresteerde de Sipo de illegale werker P.F. Dorssers. Hij was in het bezit van een pistool. Politieman K.W.L.A. Wering en marechaussee H.L.M. Kroezen kregen opdracht de arrestant naar Maastricht te begeleiden. Dorssers nam in een ogenblik van onoplettendheid de benen. Dezelfde avond nog ontbood de Sipo Kroezen, Wering, opperluitenant A. Josephs en marechaussee L.H.J. Dusink naar Maastricht voor nadere uitleg. Vermoedelijk maakte burgemeester Rösener Manz van de gelegenheid gebruik om zijn ontevredenheid over sommige leden van het Weertse politiekorps kenbaar te maken bij de Sipo. Een wegens diefstal ontslagen politieman, die allerlei beschuldigingen uitte aan het adres van Kroezen, Wering en Dusink, gooide olie op het vuur. Vermoedelijk noemde hij tevens P. Saes. Kroezen, Wering en Dusink kwamen in Duitse kampen terecht. Alleen Wering keerde na de oorlog terug. Dusink overleed op 24 mei 1945 tijdens een transport vanuit het kamp Oranienburg. Kroezen bezweek diezelfde maand in Bergen-Belsen. 531] Het staat niet vast, maar vermoedelijk vervaardigde de politiebeambte H. Miltenburg in juli 1944 in opdracht van Nies een plattegrond van het distributiekantoor in Weert. De districtsleider beschikte kennelijk over aanwijzingen dat de hulpvaardige ambtenaren niet langer veilig waren. Een overval door de K.P.-Den Bosch werd overwogen. Het toeval wilde dat een bij Miltenburg verblijvende onderduiker dezelfde maand met het plan op zak in Rotterdam werd opgepakt. Het is niet zeker of de naam Miltenburg er in voorkwam of dat de onderduiker doorsloeg. De Sipo nam het echtpaar Miltenburg onmiddellijk in hechtenis. Mevrouw Miltenburg werd spoedig weer vrijgelaten. H. Miltenburg kwam op 30 augustus in Vught om het leven. 532] De verbindingen tussen de L.O. en Geurts en Saes bleven ondanks de arrestaties intact. Nitsch liet Saes ongemoeid in de hoop een grotere slag te kunnen slaan. Vanwege de vroege bevrijding van Weert mislukte zijn plan. 533] De L.O.-Weert beschikte over een berichtendienst en met hulp van de chef van de telefooncentrale konden diverse lijnen worden afgetapt. Het laatste leverde weinig resultaat op. Onderduiker A. de Haas vervaardigde een nieuwsblaadje in een oplage van veertig exemplaren. Toen het drukkerijtje in april 1944 ontdekt dreigde te worden, stopte hij ermee. Voortaan namen koeriers het sedert 25 mei 1944 in Roermond verschijnende “Berichten Voorziening Oorlogstijd” (B.V.O.) mee naar Weert. In juni of juli pakte De Haas de draad weer op. Het clandestiene Weertse nieuwsblad werd vanaf die tijd gedrukt in de woning van de familie Quasters. 534] Vijf koeriers - J.F. Snijders, J. Geene, J. Quasters, F. Nouwen en R. Baets - onderhielden de interne en externe verbindingen. Snijders, rechercheur bij de Nederlandsche Spoorwegen, verspreidde illegale bladen als “De Stem”, “Je Maintiendrai” en “Trouw”. Op 19 juli 1944 ontving hij een telegram met het verzoek de volgende dag naar Eindhoven te komen. In de wachtkamer van het station werd hij, nadat hij door een onbekende was aangewezen, gearresteerd. De koerier kwam in Vught terecht, waar hij op 5 september werd doodgeschoten. 535]
Evenals de districten Venlo en Roermond beschikte Weert over enkele kampen voor onderduikers. Een daarvan lag in Stramproy. In opdracht van priesterleraar Ch. Brummans ging mejuffrouw A. Maes in maart 1943 op zoek naar duikadressen voor jongeren. Ze kreeg al spoedig contact met onderwijzer J.L. Salemans en H. Weerens, die eveneens op zoek waren naar adressen. In mei voegde J. van de Berk zich bij het Stramprooyse groepje. Hij zorgde tevens voor aansluiting bij Weert. Sommige onderduikers vonden onderdak in het Belgische Molenbeersel. Toen tegen de zomer de toeloop tè groot werd, besloten Salemans c.s. een kamp in het Beerseler Broek in te richten. P.J. Vrancken, P. Creemers, N. Lempens en anderen namen de verzorging van de onderduikers voor hun rekening. Ze ondervonden steun van de plaatselijke middenstand, boeren en bierbrouwer M. Maes, die aanzienlijke geldbedragen ter beschikking stelde. Pastoor J.J.H. van Montfoort plaatste een offerblok achter in de kerk en riep de parochianen op met gulle hand te geven. Over het doel liet hij geen onduidelijkheid bestaan. Wellicht schrok hij de gelovigen er enigszins mee af, want de offerblok bleef nagenoeg leeg. Vanwege de ongunstige ligging - de leefomstandigheden bleken ongezond - moest het duikkamp in de loop van de zomer dieper in de bossen van het Beerseler Broek worden verplaatst. Circa veertig personen verbleven er enkele dagen of weken. Als gevolg van verraad door een Rotterdamse onderduiker hield de Sipo-Den Bosch op 6 april 1944 een razzia. Sommige L.O.-ers zoals Salemans en kapelaan P.J.L. Geusens konden tijdig worden gewaarschuwd en doken onder. De broers P.J. en M. Vrancken, mevrouw E. Geene en mejuffrouw L. Leijssen werden gearresteerd. Alle arrestanten, behalve P. Vrancken, kwamen na enkele weken vrij. Vrancken kwam op 9 december 1944 in Oldenburg om het leven. Na de arrestaties staakte J. van de Berk op advies van Nies zijn illegaal werk. Begin juni vertrok Salemans op verzoek van Nies naar Weert. In totaal herbergde het rayon Stramproy-Tungelroy bijna honderd onderduikers, van wie twee in de zomer werden gearresteerd. Zij keerden naderhand behouden terug. 536]
Na de arrestatie van districtsvertegenwoordiger A. Hermans op 21 juni 1944 kwam het tot nieuwe wijzigingen binnen de districtsleiding. Mejuffrouw M. Hermans trad uit de duikraad en L. Meewis nam het beheer van de distributiebescheiden en de financiën op zich. J. Maes en kapelaan Adams verzorgden voortaan de verbindingen met de rayons. De overgang van Meewis naar het district had consequenties voor de leiding in het rayon Weert. Die kwam in handen van J. Gubbels. J.H.H. Erkens kreeg de leiding over de stad en J.M. Huijsmans over de gehuchten. Omdat de districtsvergaderingen niet langer ten huize van de familie Hermans konden worden gehouden, kwam men voortaan bijeen in de kamer van priesterleraar J.P.M.J. Maes of de kamer van rector P.A.J. Geurts in het St. Jans Gasthuis. 537]
Op donderdagmorgen 10 augustus arresteerde de Sipo, geassisteerd door landwachters en Duitse militairen, F. Nies. Of er verraad in het spel was of dat de aanhouding het gevolg was van speurwerk van de Sipo dan wel van het doorslaan van arrestanten staat niet vast. Nies onderging in Maastricht vreselijke mishandelingen. In gezelschap van andere arrestanten werd hij op 2 september op transport gesteld naar Vught, waar hij op 5 september om het leven kwam. 538]
Opnieuw moest de districtsleiding worden gewijzigd. Meewis volgde Nies op. Maes en J. Erkens onderhielden voortaan de verbindingen met de rayons. J.L. Salemans uit Stramproy nam het beheer en de verdeling van de distributiebescheiden op zich en de chef van de telefooncentrale, J. Pleysier, de districtsfinanciën. Omdat Erkens doorschoof naar de districtsleiding nam A. Geurts de leiding over de stad Weert over. Deze situatie bleef tot de bevrijding op 21 september ongewijzigd. 539]
Naast de L.O.-ers waren in het district Weert medewerkers van de Nederlandse Heidemaatschappij betrokken bij de hulp aan onderduikers. Op 21 maart 1943 was opzichter H.J. de Kort op eigen verzoek vanuit Schagen in Noord-Holland overgeplaatst naar Weert. Drie onderduikers uit Schagen, K.S. Molenaar, L. Schenk en J. van Middelkoop reisden met hem mee (zie hoofdstuk IV, paragraaf VII). In de loop van het voorjaar begon De Kort in overleg met collega’s met de plaatsing van onderduikers uit de kop van Noord-Holland op diverse, onder toezicht van de Heidemij uitgevoerde projecten. Hun aantal liep op tot enkele honderden. Hoewel de onderduikers loon ontvingen en een bewijs van vrijstelling van dwangarbeid in Duitsland, zodat de L.O. zich niet om hen hoefde te bekommeren, raakten De Kort c.s. toch in moeilijkheden. Er waren nog steeds voldoende boeren bereid onderduikers in huis te nemen, maar er heerste een nijpend tekort aan dekens. De Kort besloot een beroep te doen op de inspecteur van de Rijksdienst voor de Werkverruiming in Limburg, burgemeester J.H. Martin van Hoensbroek, die hem attendeerde op een opslagplaats van militaire goederen in Helden-Beringe. De Heldense knokploeg van W. Houwen voerde de overval uit (zie paragraaf VIII.2.7.). Martin was persoonlijk bij het onderzoek naar de daders betrokken, zodat Houwen c.s. niets te vrezen hadden.
De verbinding met Helden was tot stand gebracht door L. van Lee, een uitvoerder bij de Heidemij die in overleg met De Kort circa veertig onderduikers plaatste. In totaal brachten De Kort c.s. circa honderdzestig onderduikers onder in de regio Helden. Erg nauw met hun veiligheid namen de onderduikers het niet. Ze bezochten regelmatig café’s en sportwedstrijden. Martin, die Helden uit hoofde van zijn functie regelmatig bezocht, alarmeerde De Kort.540]
De twee konden niet voorkomen dat als gevolg van infiltratie door Sipo-medewerkers en landwachters op 17 mei 1944 een razzia plaatsvond, waarvan ook Van Lee het slachtoffer werd (zie paragraaf VIII.2.7.). 541] De Kort vertrok naar Zeeland. Zijn assistent K. Molenaar nam het werk over.
De eerste onderduikers van de Heidemij waren, zoals gezegd, afkomstig uit Noord-Holland. In de loop van 1943 ontvingen De Kort c.s. tevens onderduikers van de Groep-2000, een Amsterdamse verzorgingsgroep. Aan het hoofd van de organisatie stond mejuffrouw J.J. van Tongeren, dochter van de grootmeester der Vrijmetselaren H. van Tongeren. Laatstgenoemde kwam in een Duits kamp om het leven. Vóór zijn arrestatie had Van Tongeren uit fondsen van de Vrijmetselaren ƒ 600.000,- in Zwolle laten verbergen. Klaarblijkelijk wist zijn dochter dat. Zij gebruikte het geld voor verzetswerk. Aanvankelijk ontving de Groep-2000 distributiebescheiden van de L.O.-Amsterdam, maar na een conflict over de wijze van verantwoording waren knokploegen de organisatie van Van Tongeren te hulp geschoten door distributiekantoren te overvallen. Via J. Dekker uit Eindhoven kreeg De Kort verbinding met A. Olmanst, een van de voormannen van de Groep-2000. In ruil voor geld, bonkaarten, bonnen en kleding verklaarde De Kort zich bereid onderduikers van de groep, onder wie tientallen joden, te helpen. 542]

VIII.9. District Venray

Bij ongestructureerde hulp aan onderduikers ontstonden vroeg of laat bijna altijd problemen. Dat ervoeren onafhankelijk werkende illegalen in Venray in de zomer van 1943 aan den lijve. De toename van het aantal onderduikers en het daaruit voortvloeiende gebrek aan bonkaarten, valse papieren en financiële middelen dwongen de helpers tot een gezamenlijke en georganiseerde aanpak van de problemen. In augustus 1943 lukte het kapelaan J.M. Kuepers en koster A. Vermeulen de krachten te bundelen. Met P. Nijssen, A. Cremers, F.G. Michels en C. van Staveren legden zij de basis voor de L.O. in het district Venray.
Hoewel er sedert augustus een betere coördinatie bestond en contacten met plaatselijke overheidsinstanties werden gelegd, deed zich het gemis van aansluiting bij een grotere, overkoepelende organisatie nog steeds gevoelen. Aan die situatie kwam begin oktober 1943 een einde, doordat men in aanraking kwam met J. Hendrikx. De gewestelijke leiding was er tot dusver van uitgegaan dat de gemeente Venray deel uitmaakte van het district Vierlingsbeek, maar vanuit die plaats waren nog geen initiatieven genomen. Hendrikx wees F.J.K. Russel uit Tegelen aan om het district Venray naar Venloos model te organiseren. Aanvankelijk pendelde Russel tussen Venlo en Venray op en neer, maar in maart 1944 vestigde hij zich definitief in het district. De Sipo was hem in Venlo op het spoor gekomen. In overleg met kapelaan Kuepers hield Russel medio oktober 1943 een kennismakingsbijeenkomst, waar tevens een groepje illegale werkers uit het Noordbrabantse Deurne onder leiding van M.J. Hendriks verscheen. De helpers uit Deurne misten aansluiting bij een overkoepelende organisatie en grepen de gelegenheid met beide handen aan. Deurne werd toegevoegd aan het nieuwe district, dat sindsdien op de gewestelijke vergadering vertegenwoordigd werd door Russel. 543]

Kaart 47. District Venray: indeling in rayons
Kaart 47. District Venray: indeling in rayons

Een toevallige ontmoeting tussen gewestelijk leider J. Hendrikx en F. Nuchelmans uit Veghel leidde in november 1943 tot een nieuwe uitbreiding van het district. Laatstgenoemde had in zijn woonplaats een groepje hulpverleners om zich heen verzameld en zocht verbinding met een grotere organisatie. De L.O.-leider introduceerde Nuchelmans bij kapelaan Kuepers. Dit resulteerde in de aansluiting van Veghel bij Venray. Vanaf november 1943 omvatte Venray dus drie rayons, waarvan er twee, Deurne en Veghel, in Noord-Brabant lagen. Daar bleef het niet bij. In december 1943 vond in het district Helmond, dat onder het gewest Noord-Brabant-Oost viel, een aantal arrestaties plaats, waardoor de verbinding met de gewestelijke leiding verloren ging. Een van de weinigen die de dans ontsprongen, J. Knaapen, wist van het bestaan van de Limburgse organisatie en kreeg via de arts A.P. Nelemans uit Bakel contact met Venray. Sedert eind december ontving Knaapen geld en distributiebescheiden van Nelemans.
De snelle uitbreiding van het district Venray gaf zowel in het gewest Noord-Brabant-Oost als in het district Vierlingsbeek aanleiding tot kritiek. De L.O.-ers uit Venray en Vierlingsbeek betwistten elkaar de bevoegdheden in Veghel en het inmiddels hechter georganiseerde gewest Noord-Brabant-Oost toonde zich weinig gelukkig met de Limburgse enclaves op eigen grondgebied. Om verdere escalatie van het conflict te voorkomen organiseerde het Brabantse gewest in maart 1944 een bijeenkomst, waar districtsleider Russel de situatie toelichtte. Het overleg resulteerde in een voorstel, waarin beide partijen zich konden vinden. Veghel zou terugkeren naar Noord-Brabant-Oost en Helmond zou deel blijven uitmaken van het district Venray. Met deze verstandige oplossing kwam tevens een einde aan het conflict tussen Venray en Vierlingsbeek. Het district Venray omvatte voortaan een redelijk aaneengesloten gebied. 544]
De districtsraad werd gevormd door Russel, die zowel als districts- èn rayonhoofd optrad, de rayonleiders Hendriks en Knaapen, Th. Driessen en P. van Kimpen uit Helmond, P. Nijssen uit Venray en dokter Nelemans. De raad kwam doorgaans bijeen ten huize van Nelemans of Knaapen of in het textielbedrijf van Raaymakers in Helmond. Actuele kwesties werden doorgenomen en gelden en bonkaarten verdeeld. Russel bracht verslag uit op de gewestelijke vergadering. In Deurne hield Hendriks regelmatig bijeenkomsten met vertegenwoordigers uit Someren, Liessel en Ysselsteyn. 545] Het rayon bood aan circa zeshonderd onderduikers onderdak, van wie er vierhonderd bonkaarten ontvingen. De andere tweehonderd konden zich klaarblijkelijk zelf redden. Hendriks en zijn helpers hielden zelfs bonnen over. Het surplus gebruikten ze voor het aanleggen van buffervoorraden. W. Koolen, ambtenaar bij de burgerlijke stand, maakte PB’s vrij en de politieman A. van Maartensdijk waarschuwde als er gevaar dreigde. 546]
Helmond kende geen echte rayonleiding. Men kwam er bijeen als dat nodig was. Niettemin draaide het rayon, ondanks de arrestatiegolf van december 1943, uitstekend. Dat was mede te danken aan een wijdvertakt intern verbindingsnetwerk. Dank zij de medewerking van een ambtenaar van de afdeling bevolking genoten de Helmondse onderduikers steeds alle distributiefaciliteiten. Het is onduidelijk hoe dit was opgezet en gecamoufleerd. Knaapen en zijn helpers verwierven bovendien grote hoeveelheden textiel die de Limburgse organisatie ten goede kwamen. 547]
De rayonleiding van Venray, die naast Russel en Kuepers was samengesteld uit vertegenwoordigers van politie, gemeente, G.A.B. en distributiedienst, kwam wekelijks bijeen in de woning van Kuepers. De uitkomst van het beraad werd meegedeeld aan de duikhoofden: C. van Staveren (Veulen), B. Loonen en G. Lucassen (Leunen), P.M.G. Geerets (Castenray), P. Vaessen (Oirlo), L. Verheyen (Oostrum) en F.G. Michels (Merselo). Tevens ontvingen zij dan de gevraagde bonnen en gelden. Het contact tussen rayonleiding en duikhoofden bleef tot een minimum beperkt. Evenals Deurne telde Venray ongeveer zeshonderd onderduikers. Het waren aanvankelijk vooral personen uit de omgeving die zelf de weg naar de hulpverleners hadden weten te vinden. In de loop van 1943 kwamen daar personen van buiten het district bij en onderduikers die van andere organisaties waren overgenomen. De meesten werden tamelijk willekeurig bij boeren en particulieren gehuisvest. Daarin kwam verandering toen men aansluiting kreeg bij de L.O. De duikmogelijkheden werden geïnventariseerd, zodat de gewestelijke vergadering op grond van die informatie het aantal naar het district Venray te zenden onderduikers kon vaststellen. De nieuwkomers maakten aldus een betere kans op een passende werkkring. Bij aankomst in Venray namen ze achter in de kerk plaats. Koster A. Vermeulen controleerde hun Turkse pas en begeleidde ze naar het duikadres.
Distributiebescheiden ontving het district via het gewest. Daarvan hoefde niet lang gebruik te maken gemaakt, doordat men contact kreeg met distributieambtenaren als J. Arts, G. Lucassen en W. Jansen. Zij leverden de L.O. zoveel bonkaarten dat er zelfs overschotten ontstonden, die ten dele werden benut voor de aanschaf van goederen. Daarvan profiteerden de illegale werkers die in het najaar van 1944 de Maas overstaken en in de regio Venray terechtkwamen. Een ander deel werd ter beschikking gesteld van het gewest. De invoering van de Tweede Distributiestamkaart liep op een fiasco uit. Hulpvaardige ambtenaren schroefden het inwonertal van Venray met driehonderd op. 548] De malversatie was vrijwel niet te achterhalen, want een ambtenaar van de burgerlijke stand had het bevolkingsregister al in mei 1940 laten verdwijnen. 549] Hierdoor was het tevens mogelijk zonder veel risico’s PB’s vrij te maken. J.A. van de Bergh schreef bijvoorbeeld jongeren in die nog geen PB nodig hadden. Voorts beschikte de L.O.-Venray over blanco PB’s afkomstig van kraken in Deurne en Wanssum. Tussen eind 1943 en oktober 1944 keerden de rayons Venray en Deurne samen ongeveer ƒ 100.000,- uit aan steungelden. De kosten werden bestreden uit de verkoop van foto’s van de koninklijke familie en verboden lectuur, doch vooral door giften en leningen. De leningen werden namens het N.S.F. afgesloten door Th. Terwindt, die tevens als contactman bij het G.A.B. optrad.550]
De L.O.-Venray telde circa dertig medewerkers die zich met uiteenlopende zaken bezighielden. Sommigen fungeerden als verbindingspersonen bij de verschillende overheidsdiensten, anderen zoals P. Schoester en T. Mers waren verantwoordelijk voor de telefoonverbindingen. P.J.C. Aben verrichtte koeriersdiensten en was tevens betrokken bij de produktie en verspreiding van illegale bladen. C. van Staveren speelde een rol in de hulpverlening aan geallieerde vliegeniers. Door de strikte scheiding tussen gewest en district enerzijds en rayon en duikhoofden anderzijds èn een goed functionerende waarschuwingsdienst bleef de organisatie gevrijwaard van ernstige tegenslagen. Daarbij moet worden aangetekend dat Venray buiten het territorium van de Sipo-Maastricht lag. 551]
Ondanks de efficiënte beveiliging slaagden de bezetter en zijn handlangers er in het voorjaar en de zomer van 1944 in een aantal onderduikers op te pakken. In mei hield de Sipo-Den Bosch een razzia in Oirlo en arresteerde twaalf joden. 552] In de zomer van 1944 hield het A.K.D.-commando van Berendsen huis in de regio. Het is onbekend hoeveel onderduikers er het slachtoffer van werden. Tenminste vijf personen kwamen in Duitsland om het leven: A.J. van den Munckhof, L.J. Rongen, J.M. van Gestel, P.H. van Rhee en H.A. van Oudenhoven. 553]
De bevrijding van het district nam geruime tijd in beslag. Het werd een ware beproeving voor de bevolking. Afgezien van de burgers die het slachtoffer werden van het oorlogsgeweld vielen er door andere oorzaken nog enkele doden. Op 18 oktober fusilleerden Duitse militairen H.W. Voesten die weigerde verdedigingswerken aan te leggen. Na de bevrijding van het centrum van Venray, diezelfde dag, deporteerden de Duitsers honderdvijfenzestig mannen naar Duitsland. Drie keerden niet terug. Vooralsnog bracht de bevrijding niet de zo gehoopte verlichting. Engelsen plunderden de streek en richtten voor tenminste een miljoen gulden schade aan.554]

VIII.10. District Vierlingsbeek

In tegenstelling tot het district Venray bevatten de na-oorlogse rapporten over het district Vierlingsbeek geen of uiterst summiere informatie over het Noordbrabantse deel van het district. Dit is wellicht toe te schrijven aan het feit dat de rapporteurs afkomstig waren van de oostelijke Maasoever en klaarblijkelijk niet of onvoldoende op de hoogte waren van de organisatie in het Noordbrabantse deel. In deze paragraaf zal de lezer daarom geen beschrijving aantreffen van de L.O. in de rayons Cuyk, Boxmeer en Vierlingsbeek. Het accent ligt op de geschiedenis van de L.O. in het Limburgse districtsdeel, de rayons Bergen en Gennep. Naar aanleiding van de invoering van de arbeidsdienstplicht riep kapelaan A.A.R.H. Corbeij uit Bergen in de tweede helft van 1942 enkele medewerkers van het distributiekantoor en het G.A.B., onder wie J.J. Daemen, P.J.F. van Mil, H.Th. Schelbergen en J. van Treeck, bijeen. Hij stelde voor een hulporganisatie in het leven te roepen voor degenen die zouden willen weigeren dwangarbeid in Duitsland te verrichten, mocht het zover komen. Al spoedig konden de eerste onderduikers in de regio worden gehuisvest. Schelbergen en het hoofd van het distributiekantoor,

Kaart 48. District Vierlingsbeek: indeling in rayons
Kaart 48. District Vierlingsbeek: indeling in rayons

C. Deneer, zorgden voor de bonkaarten. In april 1943 kregen zij versterking van P. van Mil, die ontslag had genomen bij het G.A.B., omdat hij weigerde mee te werken aan de invoering van de maatregelen betreffende de arbeidsinzet. 555]
Terwijl de contouren van een duikorganisatie in Bergen zichtbaar werden, kwamen tegen de zomer van 1943 krachtige nieuwe impulsen uit Venlo. J. Hendrikx was erin geslaagd contacten te leggen met personen in de regio Vierlingsbeek-Bergen, onder wie de student medicijnen G.A. Smals uit Vierlingsbeek. In overleg met hem riep hij in juni of juli een vergadering bijeen in de woning van de weduwe Smals. Tot de aanwezigen behoorden een vertegenwoordiger uit Wanssum, H. Schelbergen, pater J. van Rijsbergen uit Stevensbeek, de kapelaans H.P.A.J. Gerrits uit Afferden, P.R.E.J. Miedema uit Gennep, J.M. Kuepers uit Venray en Corbeij uit Bergen. Hendrikx hield een vlammend betoog, waarin hij fel uithaalde naar de nazi’s. Voorts schilderde hij een beeld van de lotgevallen van dwangarbeiders in Duitsland en onderstreepte hij dat hulp moest worden geboden om de jongeren in eigen land te houden. De Venlose onderwijzer legde uit hoe men de zaken moest aanpakken en hoe men de medewerking van de bevolking kon verkrijgen. Zijn toehoorders raakten begeesterd.
Hendrikx zegde toe te zullen zorgen voor de noodzakelijke verbindingen. G.A. Smals nam de taak op zich het gebied van Cuyk tot Wanssum op de westelijke Maasoever te organiseren en Schelbergen de Limburgse strook tussen Mook en Well op de oostelijke oever. Voorlopig zouden ze samen leiding geven aan het district. Schelbergen begon met het aanstellen van duikhoofden: in Well J.J. Daemen, in Bergen P.J.F. van Mil, in Afferden kapelaan H.P.A.J. Gerrits - hij hield zich enigszins afzijdig, waardoor het meeste werk door de familie Kool werd opgeknapt - in Gennep en Ottersum kapelaan P.R.E.J. Miedema, in Siebengewald kapelaan N.Th. Huybers en in Mook en Middelaar H.G.H. de Mulder. 556]
Ofschoon Schelbergen en Smals beiden de gewestelijke vergaderingen bezochten, berustte de feitelijke leiding bij Smals. Het district telde vijf rayons: Venray, Vierlingsbeek, Boxmeer, Bergen en Gennep. Dat Venray deel uitmaakte van dit district hing samen met de aanwezigheid van kapelaan Kuepers op de oprichtingsvergadering. Het contact met Venray ging evenwel verloren en in december 1943 werd het rayon definitief losgekoppeld van Vierlingsbeek. Venray had zich inmiddels tot een zelfstandig district ontwikkeld. In plaats van Venray werd het rayon Cuyk aan het district toegevoegd. 557]
Ongeveer honderd L.O.-medewerkers droegen in het district zorg voor circa twaalfhonderd onderduikers, onder wie veertig joden. In de bossen op de westelijke Maasoever lag een kamp, dat onderdak bood aan twintig studenten. Een naar verhouding groot aantal koeriers, onder wie de dames G.J.P. van Mil, C.M.P. van Kempen en G.G.A.V. Telkamp, onderhield de interne en externe verbindingen. Zij vervoerden grote hoeveelheden bonkaarten, documenten, illegale bladen en wapens en munitie. De medewerking van de bevolking was over het algemeen redelijk tot goed, terwijl die van politie en overheidspersoneel te wensen overliet. 558] Desondanks beschikte de L.O. over uitstekende contacten bij de belangrijkste overheidsinstanties. Toen C. Deneer in de loop van 1943 moest onderduiken omdat zijn administratieve manipulaties aan het licht dreigden te komen, volgde Schelbergen hem op als hoofd van het distributiekantoor van Bergen. In samenwerking met Van Mil, L.H.M. Thijssen en A. Jeuken, die er sedert januari 1943 werkte, zette Schelbergen het clandestiene werk van Deneer voort. J. Daemen dook onder toen hij een oproep kreeg om in Duitsland te gaan werken. Hij bleef werkzaam voor de L.O. Maandelijks kon het distributiekantoor Bergen de L.O. dank zij A.G.J.H.M. Heijnen, die eigenaar was van een drukkerij in Boxmeer, die Schelbergen sedert juli 1943 valse inlegvellen verschafte, dertienhonderd bonkaarten leveren. Ongeveer de helft ervan werd met de inlegvellen van Heijnen vrijgemaakt. Een medewerker van het distributiekantoor in Boxmeer, A. Goossens, maakte maandelijks nog eens vierhonderd bonkaarten vrij. Daardoor ontstond een overschot, dat gedeeltelijk werd gebruikt voor het aanleggen van buffervoorraden. De rest vond zijn weg naar plaatsen met een tekort aan bonkaarten, zoals Amsterdam, Amersfoort en Nijmegen. Naar aanleiding van de Tweede Distributiestamkaart-beschikking drukte H. Janssen in Gennep een circulaire, waarin stond dat de invoering voor onbepaalde tijd was uitgesteld. De circulaire werd in de wijde omtrek verspreid en veroorzaakte enige vertraging bij de invoering. 559] De directeur van het G.A.B. in Gennep, J.H. Gommans, zorgde er in overleg met kapelaan Miedema en zijn collega in Bergen, J. Peters, voor dat personen die in aanmerking kwamen voor uitzending naar Duitsland de mogelijkheid kregen zich hieraan te onttrekken. Van Mil was er na zijn overstap van het G.A.B. naar de distributiedienst niet meer bij betrokken. Hij nam weldra het financieel beheer over van J. Smals, een broer van de districtsleider.560] Voor persoonsbewijzen en valse documenten konden de L.O.-ers terecht bij de Falsificatie Centrale in Nijmegen. Het district beschikte overigens over een kleine PB-sectie, geleid door de Vierlingsbeekse gemeenteambtenaar A.A.J. Schrader. Door allerlei administratieve foefjes lukte het Schrader vijfentwintig PB’s vrij te maken. Hij deed dat zò perfect dat hij naderhand collega’s ging voorlichten over de door hem toegepaste methode. J. Martens uit Cuyk maakte eveneens PB’s vrij. 561]
Nadat in september 1943 in Nijmegen een verzorgingsgroep was opgerold, spoedde Smals zich erheen om de L.O. ter plaatse nieuw leven in te blazen en te zorgen dat de kort tevoren tot stand gekomen samenwerking intakt bleef. Vanwege de drukke werkzaamheden en de uitbreiding van de verbindingen kon Smals zich niet langer volledig kwijten van zijn taak als districtsleider. Eind 1943 droeg hij zijn functie over aan zijn plaatsgenoot W.H.M. Jansen, die sinds het voorjaar, toen hij naar aanleiding van de loyaliteitsverklaring was ondergedoken, privé-colleges psychologie volgde in Nijmegen. Jansen aanvaardde een baan op het distributiekantoor van Vierlingsbeek en kwam al spoedig in aanraking met de L.O. Het werk voor de L.O. nam hem dermate in beslag dat hij in april 1944 zijn baan opzegde. Omdat een buurman lid was van de Nederlandsche SS en Jansen zijn ouders, die overigens meehielpen, niet in gevaar wilde brengen, verliet hij de ouderlijke woning. Medio mei 1944 dook hij onder in Vianen bij Cuyk. Op 21 juni werd hij bij de overval van Weert gearresteerd. Korte tijd heerste verwarring over Jansens opvolger. Uiteindelijk werd niet Jansens plaatsvervanger, J.H. Geurts uit Ottersum, maar H. Schelbergen de nieuwe districtsleider. P.J. Tissen uit Bergen vertegenwoordigde sindsdien het district op de bijeenkomsten in Nijmegen. Deze taakverdeling bleef gehandhaafd tot de bevrijding in het najaar van 1944. 562]
Afgezien van de arrestatie van Jansen hadden noch de onderduikers noch de L.O. in het Limburgs districtsdeel, voor zover is na te gaan, veel te duchten van de Sipo of andere vijandige organisaties. Het gebied viel buiten het bereik van de Sipo-Maastricht. Van intensief speurwerk of acties van de Sipo-Außenstellen in Arnhem en Den Bosch is niets bekend. Dat lag anders voor het Noordbrabantse districtsdeel. Daar vonden diverse razzia’s plaats en kwamen meerdere illegale werkers om het leven.
Een knokploeg uit Nijmegen overviel begin 1944 een kamp van de Nederlandsche Arbeidsdienst in Bergen en maakte een aantal uniformen buit.563] De K.P.-Den Bosch kraakte in juli 1944 het distributiekantoor van Cuyk en bemachtigde vijfduizend bonkaarten. 564] De zuivelfabriek te Vierlingsbeek was tot tweemaal toe doelwit van een overval. Een medewerker van het bedrijf, A.W.L.N. van Rooy, werkte voor de L.O. en leverde boter. Toen dit aan het licht dreigde te komen werd hij bij een transport van vijfhonderd boterbonnen naar het distributiekantoor van Gennep in juni 1944 voor de schijn overvallen. De overvallers, leden van de K.P.-Nijmegen, hadden blijkbaar zo de smaak te pakken dat ze korte tijd later zelf een bezoek aan de zuivelfabriek brachten. Ze namen enige goederen en bonnen mee. 565] Als gevolg van verscheidene arrestaties in de zomer van 1944 voelde A. Schrader zich niet langer veilig op het gemeentehuis van Vierlingsbeek. Hij stelde de leider van de K.P.-Noord-Limburg, H. Bouten uit Velden, voor een overval te plegen. Op een zondag verscheen Schrader bij het gemeentehuis en vroeg de bewaker de deur te openen. Op zijn teken kwamen Bouten en enkele helpers tevoorschijn. Zij drongen het gebouw binnen en sloten de bewaker op in een kast. De K.P.-ers namen een stapel PB’s en zegels mee.566]
Voorts bestond het voornemen om het distributiekantoor van Bergen te overvallen. Toen bleek dat er geen vervoermiddel beschikbaar was, stelde A. Jeuken voor de kluis in etappes leeg te halen. In samenwerking met collega P.J. Tissen ontvreemdde Jeuken op 3 augustus 1944 de eerste stapels en de volgende dag de rest. Alvorens onder te duiken liet hij een briefje in de kluis achter met de mededeling dat hij verantwoordelijk was voor de diefstal. Schelbergen dook voor alle zekerheid ook onder, maar hervatte na enkele dagen het werk. Er gebeurde verder niets. De buit werd verstopt in de kapelanie van Afferden.567]
Kapelaan Miedema, hoofd van de L.O.-Gennep, kreeg assistentie van onder anderen de dames C. van Kempen en L. Theunissen en de heren H. van Arendsbergen, J. van de Kamp, P.J. Weijs en P.M. Verhasselt. Laatstgenoemde, een fabrikant, stelde kleding en dekens beschikbaar, ondersteunde de L.O. financieel en hielp mee bij het zoeken naar duikadressen. Bij een razzia op 26 september 1944 werd hij door leden van de Grüne Polizei opgepakt. In zijn woning trof men stencils aan met oproepen aan de boeren om niet te dorsen. Verhasselt kwam op 12 maart 1945 in Buchenwald om het leven. 568]
Miedema, de stuwende kracht achter de illegaliteit in Gennep, beschikte over talrijke verbindingen en hielp veel joden aan onderdak. Omdat de Sipo-Den Bosch hem op het spoor was gekomen, dook de geestelijke op 11 juli 1944 onder. Op zijn initiatief werd in overleg met de K.P.-Nijmegen een plaatselijke knokploeg opgericht, waarvan onder anderen J. van de Kamp, J.H. Geurts, J.H. Guelen en de broers H.F. en J.J. Hendriks deel uitmaakten. De ploeg stelde zich ten doel verraders en kletsmajoors het zwijgen op te leggen en hard op te treden tegen zwarthandelaren. Acties tegen laatstgenoemden leverden ƒ 25.000,- op. Het geld kwam ten goede aan de L.O., die het aanwendde voor steungelden, en aan H. Janssen, drukker van het illegale blad “Ons Volk”. Toen bleek dat een N.S.B.-er de plaatselijke synagoge had gekocht met de bedoeling het gebouw af te breken, haalden de K.P.-ers alle kostbaarheden eruit en stichtten brand. Door tijdig alarm bleef de schade aan het gebouw beperkt. 569]
Begin september 1944 verzocht een K.P.-leider uit Noord-Brabant de K.P.-Gennep naar Den Bosch te komen om deel te nemen aan de ontzetting van het kamp Vught. Op 5 september, “Dolle Dinsdag”, begaven de K.P.-ers zich op weg in gezelschap van een ploeg uit Nijmegen. In Den Bosch kregen ze te horen dat de plannen waren gewijzigd en dat de overval op het kamp niet doorging. Beide ploegen bleven in de omgeving rondzwerven. De Nijmegenaren pleegden links en rechts sabotage. Op 8 september togen zes K.P.-ers onder leiding van Van de Kamp naar Berlicum om het distributiekantoor te overvallen. Het is onzeker wie dit plan had beraamd, mogelijk was het Van de Kamp. Men hield halt bij hotel “De Gouden Leeuw”. De K.P.-ers vroegen de waard een warme maaltijd te bereiden. Deze wilde eerst bonnen zien, waarop Van de Kamp zijn pistool tevoorschijn haalde. De hotelhouder restte niets anders dan gevolg te geven aan “het verzoek” en maakte uitsmijters klaar. Tevens alarmeerde hij de politie in de veronderstelling met criminelen te maken te hebben. Even later verschenen vier politieagenten. Er ontstond een vechtpartij, waarbij schoten vielen. Van de Kamp raakte gewond, maar kon vluchten evenals twee groepsleden uit Oeffelt. Guelen en de broers Hendriks werden meegenomen naar het politiebureau van Berlicum. Dezelfde dag nog werden ze overgebracht naar het kamp Vught, waar hun de kogel wachtte. 570]
Kort daarop brak de fronttijd aan, een periode van grote verwarring. Door de talrijke evacuaties en de opeenhoping van mensen vielen de onderduikers niet op. De L.O. kon in deze omstandigheden uiteraard niet langer haar taak vervullen. In de loop van het najaar en de winter kwam de evacuatie van het op de oostelijke Maasoever gelegen districtsdeel naar het midden en het noorden van het land op gang. Een gedeelte van de bewoners van het districtsdeel op de westelijke Maasoever evacueerde naar de bevrijde omgeving van Eindhoven. 571]

VIII.11. Districten Nijmegen en Maas en Waal

Hoewel beide districten strikt genomen buiten het kader van deze studie vallen, wordt toch een korte schets gegeven van de ontwikkelingen in deze districten, omdat ze deel uitmaakten van de L.O. in het gewest Limburg.
De Nijmeegse duikorganisatie ontstond uit vier los van elkaar werkende groepen van voormalige leden van de Nederlandsche Unie, verspreiders van illegale bladen en vertegenwoordigers van het studentenverzet. Evenals in Limburg speelden geestelijken een stimulerende rol. Dat was onder meer het geval in de groep rond A.H. Poelen, waarvan pater J.G. van Doormalen deel uitmaakte. Laatstgenoemde beschikte over talrijke illegale contacten. Via pater M.A.Ch.M.G. van Hövell tot Westerflier kreeg de groep in de zomer van 1943 verbinding met G.A. Smals. Pater Van Doormalen legde contacten met Wageningen en met G. Pruys in Arnhem. Op 8 augustus 1943 vond een bijeenkomst plaats waar ook Pruys aanwezig was. De vier groepen werden samengevoegd en ondergebracht in de L.O.572]
De integratie was nog in volle gang toen de Sipo-agent C.J. van de Burch in de groep-Poelen infiltreerde. Toen zijn ware identiteit aan het licht kwam, werd op 24 september een aanslag op Van de Burch gepleegd. De verrader overleefde de aanslag en de groep-Poelen werd grotendeels opgepakt. 573] Smals overlegde met Hendrikx

Kaart 49. Districten Nijmegen en Maas en Waal
Kaart 49. Districten Nijmegen en Maas en Waal

hoe deze tegenslag te boven te komen. In opdracht van de gewestelijke leider reorganiseerde hij de duikorganisatie in oktober en november 1943 naar Limburgs model. Nijmegen werd als district aan het gewest Limburg toegevoegd. De stad behield haar brugfunctie tussen Noord en Zuid en tussen Arnhem en Wageningen enerzijds en Limburg anderzijds. 574] Veel tijd kon Smals niet aan het district besteden. Medewerkers als mejuffrouw N.A.M. Peters, mejuffrouw C.A. Herckenrath, W. van Kempen, G. Niemeijer, V.A.M. Beermann, F. van Burken. J.A. Dijker, J. Groenesteijn, P. Oosterlee, P. Kuin en anderen verzetten het meeste werk. Vanwege de gunstige ligging van Nijmegen met het oog op de landelijke verbindingen verlegde Hendrikx zijn aandacht steeds meer naar het Gelderse, in zijn kielzog gevolgd door Smals, die zijn werkzaamheden in Vierlingsbeek staakte. Vanaf januari 1944 maakte de student medicijnen deel uit van de gewestelijke duikraad, een functie die zoveel tijd in beslag nam dat Smals in april 1944 het districtsleiderschap van Nijmegen overdroeg aan F. van Burken. 575]
Aanvankelijk hoorde een deel van de Betuwe bij het district Nijmegen. In januari 1944 werden stad en platteland gesplitst, waarschijnlijk een gevolg van de vorming van het nieuwe district Maas en Waal. De aanzet hiertoe gaf de Nijmeegse scholier C. van Sambeek, die in december 1943 door verwanten in Roermond in contact was gekomen met L. Frantzen uit Horn. In het rivierengebied werd weliswaar plaatselijk en individueel verzet gepleegd, maar de aansluiting bij een landelijke organisatie liet nog steeds op zich wachten. Op de eerstvolgende gewestelijke vergadering bracht een van de aanwezigen dat feit ter sprake. Smals kreeg opdracht contact op te nemen met Van Sambeek. In samenwerking met G. Thijssen uit Beuningen, aan wie Smals en Van Sambeek op 16 januari 1944 een bezoek brachten, werd het district georganiseerd. Van Sambeek kreeg de leiding. De talrijke onderduikers in Nijmegen konden voortaan over een uitgestrekt gebied worden verspreid. Al spoedig werd het district Maas en Waal uitgebreid met het rayon Ravenstein-Oss. Van Sambeek kende namelijk illegale werkers in Ravenstein, die zich sedert het onderduiken van rayonleider J. van Rosendaal, hoofd van de distributiedienst in Oss, in toenemende mate op Maas en Waal oriënteerden. Het gewest Noord-Brabant-Oost protesteerde weliswaar, maar kon weinig anders dan de vrijwillige keuze van de L.O.-ers in het rayon billijken. Door het contact met de familie Cappetti in Ulft werd tenslotte eind januari 1944 het zuid-oostelijk deel van de provincie Gelderland, het rayon Lijmers, aan dit omvangrijke district toegevoegd. 576]

IX. Nabeschouwing en slotopmerkingen

Niettegenstaande een kortstondige aarzeling bij sommige kerkprelaten voerde het Nederlands episcopaat onder leiding van aartsbisschop J. de Jong ook nà mei 1940 een consequent en opvallend principieel beleid dat er in essentie op was gericht het katholieke volksdeel verre te houden van het nationaal-socialisme en het katholiek organisatieleven te vrijwaren van dergelijke invloeden. Telkens weer verhieven de bisschoppen hun stem zodra maatregelen werden afgekondigd die de katholieke zelfstandigheid en onafhankelijkheid op ontoelaatbare wijze dreigden aan te tasten. Soms hadden ze succes, soms niet, maar dat laatste resulteerde vrijwel altijd in een taktische terugtocht. Als gevolg van de toenemende Duitse pressie op de hele Nederlandse bevolking kregen de episcopale protesten vanaf 1943 een meer algemeen karakter. Hoezeer de geesten in anti-nationaal-socialistische zin waren gerijpt, manifesteerde zich misschien wel het duidelijkst in het overwegend katholieke Limburg waar talrijke, voornamelijk jonge geestelijken onder aanvoering van de secretaris van bisschop Lemmens, J.L. Moonen, zich in het voorjaar van 1943 aangordden om een organisatie voor onderduikers op te bouwen waarbij ze zich gesteund wisten door een relatief breed maatschappelijk draagvlak. Zij zochten en vonden hun medewerkers voornamelijk in kringen van het katholiek organisatieleven, veelal gebundeld in de Katholieke Actie, en in kringen van voormalige Unie-aktivisten. Op grond van hun gezag, hun invloed en het vrijwel algemeen vertrouwen dat ze genoten slaagden ze er in samenwerking met de hiervoor genoemde leken in tegen het najaar van 1943 een organisatie tot stand te brengen die nagenoeg de hele provincie Limburg en delen van Noord-Brabant en Gelderland omvatte. Van het oorspronkelijk directief dat de betrokken geestelijken na de totstandkoming van de L.O. zoveel mogelijk op de achtergrond moesten blijven, kwam weinig terecht. Vanwege hun stimulerende en sturende rol traden ze in geen provincie zo sterk op de voorgrond als in Limburg. In sommige districten hadden ze zelfs bijna uitsluitend de teugels in handen. De praktijk toonde aan dat de initiatiefnemers node gemist konden worden. Deelnemen aan de georganiseerde illegaliteit ging gemakkelijker dan zich eruit terugtrekken. In zekere zin was de Limburgse L.O. een duizendpoot. Het was veruit de grootste organisatie en het aantal medewerkers liep in de honderden. Daardoor kon het gebeuren dat velen zich, juist omdat menigeen al langer verzetswerk deed, met de meest uiteenlopende verzetsactiviteiten bezighielden. Ofschoon de hulp aan onderduikers een centrale plaats innam, was menig L.O.-er daarnaast betrokken bij de hulp aan geallieerde vluchtelingen, de verspreiding van illegale bladen, het verzamelen van inlichtingen of maakte hij of zij tevens deel uit van de K.P., de O.D., de R.V.V. of van zelfstandige verzorgingsgroepen van protestants-christelijken, communisten en socialisten. De L.O. kende zelf bovendien verscheidene nevenorganisaties en ontplooide allerlei nevenactiviteiten die de organisatie, althans in Limburg, bijna een totaalkarakter gaven.
Het is spijtig te moeten vaststellen dat ons geen precieze cijfers over het aantal door de Limburgse L.O. geholpen en verzorgde onderduikers ter beschikking staan. Velen vonden zelf een onderduikadres en kwamen niet of pas in een later stadium onder de hoede van de L.O. Anderen, met name joden, kregen steun van onafhankelijke of aan de L.O. gelieerde verzorgingsgroepen. Daarbij komt dat de schaarse gegevens van sommige rayons of districten, die veelal werden gedistilleerd uit betalingsstaten van het Fonds voor Bijzonder Nooden en het N.S.F. of die zouden moeten blijken uit het aantal benodigde distributiebonnen per maand, onbetrouwbaar zijn. Dit omdat geen rekening werd gehouden met de zelfstandige onderduikers en verzorgingsgroepen, omdat met name diverse gastgevers op het platteland de volledige verzorging voor eigen rekening namen en omdat het aantal onderduikers per plaats, per rayon en per district fluctueerde. Een ook maar enigszins nauwkeurige schatting is derhalve niet te geven en eigenlijk onverantwoord. Het district Roermond herbergde, aldus een na-oorlogs verslag, ruim tweeduizend onderduikers, terwijl in een na-oorlogs rapport over de hulpverlening in de gemeente Helden sprake is van zevenhonderd onderduikers. De indruk bestaat dat de meeste onderduikers zich “schuilhielden” op de westelijke Maasoever in Noord- en Midden-Limburg en in de Mijnstreek. Ervan uitgaande dat de districten Venlo, Roermond, Weert en Heerlen elk ruim tweeduizend onderduikers herbergden en de zes overige districten elk duizend, dan komt men op een totaal van veertienduizend. Wij hechten eraan te onderstrepen dat de districten onderling aanzienlijke verschillen te zien gaven. Het district Gulpen berichtte bijvoorbeeld na de oorlog dat de L.O. de zorg over ruim driehonderd onderduikers had gehad terwijl een andere rapporteur betoogde dat met name Gulpen veel onderduikers onderdak had geboden. Derhalve mag niet teveel waarde aan het cijfer veertienduizend worden toegekend. We hebben het uitsluitend vermeld met de bedoeling een globale impressie te geven van de omvang van de hulpverlening binnen L.O.-verband.
Niet alleen de kwantitatieve gegevens plaatsen ons telkens weer voor problemen (zie hoofdstuk III, IV en V). Hetzelfde geldt voor het organisatieniveau en het maatschappelijk draagvlak van de L.O. en de georganiseerde illegaliteit in het algemeen. Op grond van de beschrijving van de L.O. in Limburg zou de indruk kunnen ontstaan dat de hulp aan onderduikers van hoog tot laag tot in de puntjes was geregeld. Vooral op plaatselijk niveau was dat zeker niet overal het geval, maar ook hier gaven de districten onderling grote verschillen te zien. Sommige L.O.-ers vernamen, zoals gezegd in de inleiding voorafgaand aan de behandeling van de districten, pas na de oorlog omtrent hun rol en functie in de organisatie. Dat kan te maken hebben met veiligheidsoverwegingen, maar het lijdt geen twijfel dat achteraf een neiging bestond meer structuur aan te brengen in de organisatie dan in de oorlog het geval was geweest. Elders, zoals in het district Maastricht, concentreerde de districtsleiding zich geruime tijd uitsluitend op de stad zelf en verwaarloosde de omliggende gemeenten.
Het maatschappelijk draagvlak levert een vergelijkbaar probleem op. Ook hier zou men geneigd kunnen zijn te denken dat de Limburgers de L.O. overwegend welgezind waren. Dat was misschien wel zo, maar tussen een positieve gezindheid en het metterdaad deelnemen aan of ondersteunen van het L.O.-werk, inclusief het aanvaarden van (grote) risico’s, gaapte een diepe kloof. De L.O.-ers ervoeren het aan den lijve. In veel plaatsen leverde het zoeken naar gastgezinnen, zeker aanvankelijk, serieuze problemen op. Hetzelfde gold voor de bereidheid in kringen van het overheidspersoneel, in de ruimste zin van het woord, de L.O. te ondersteunen. Het kostte vaak heel wat overredingskracht, soms zelfs meer, personen in te schakelen bij de werkzaamheden, noodzakelijk om het L.O.-apparaat naar behoren te laten functioneren. Desondanks bestond, naarmate de Duitse pressie toenam, in brede lagen van de bevolking een groeiende tendens de L.O. (zijdelings) te steunen. Die bereidheid en de overwegend welgezinde houding bleek eens te meer uit het feit dat het aantal gevallen van verraad, gericht tegen de organisatie als zodanig en afkomstig uit kringen van de plaatselijke bevolking die doorgaans het een en ander wist, infiltratie en provocatie buiten beschouwing gelaten, beperkt bleef.

Bijlage VII
Organisatieschema L.O.-Limburg

Landelijke Top
|
Gewest Limburg

  • Schakel tussen landelijke Top en de districten
  • Samenstelling: Vertegenwoordigers van de tien districten en de leden van de gewestelijke duikraad
  • Secretariaat: Tot januari 1944 gevestigd in Venlo, daarna in Nijmegen

|
District

  • Schakel tussen het gewest en de rayons
  • Districtsleider en districtsraad

|
Rayon

  • Coördinerende functie en schakel tussen plaatselijke/parochiële leiding en het district

|
Parochie-Wijk-Dorp

  • Leiding: Duikhoofd of Wijkhoofd

Noten

  1. Vraaggesprekken auteur met H. Hanssen, Venray, 13-11-1986; F. Russel, Nijmegen, 26-9-1985; W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985 en met K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-1: rapport L.O.-Venlo. G.A.R. Dossier oorlogsdocu- mentatie, inv. nr. 180: verslag vraaggesprek met P.G. van Enckevort.
  2. Ibidem.
  3. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag bijeenkomst te Well. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985.
  4. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag bijeenkomst te Well.
  5. Ibidem. Vraaggesprek auteur met K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  6. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag bijeenkomst te Well.
  7. Ibidem. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  8. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  9. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-2: gemeentepolitie Venlo afdeling recherche, nr. 6175 d (4-10-1946); idem, map EO-3: verslag bijeenkomst te Well; idem, Coll. 185, 4-b: berichten en persbulletins. B.R.I.O.P. B.S.-dossier mr. J.H. Zanders. Vraaggesprek auteur met J.F.H. Mulders, Venlo, 16-6-1986.
  10. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 8/2: artikel “De Zwerver”, 29-11-1947]. C.A.B.R. Dossier O. Couperus, P.R.A.-Venlo, nr. B 365 (1948); idem, P.R.A.-Noord-Limburg, rayon Venlo, nr. 961 (1946); idem, P.R.A.-Venlo, nr. 260 (1946). C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch, document inzake arrestaties te Venlo 29-2-1944: verklaringen R.H.G. Nitsch, A.M.L. Omloo, mejuffrouw A.J.M. Wolters en P.G.J. Coe- horst. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond: niet genummerde aanvulling op eerdere verklaringen van I. Stockebrand.
  11. Stichting ’40-’45, Eindhoven (G.P.M.H. Coehorst verklaarde dat zijn broer Frans in het ziekenhuis te Zwickau stierf aan opgelopen schotwonden). R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CA-4: verklaring Van der H.; idem, doos 80, map FB: F.C. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport relatie Ambrosius-Coehorst.
  12. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag bijeenkomst te Well.
  13. C.A.B.R. Dossier O. Couperus, P.R.A.-Noord-Limburg, rayon Venlo, nr. 1 (1946) en nr. 707 (1946); idem, P.R.A.-Roermond, nr. 698 (1947) en nr. 821 (1946); idem, P.R.A.-Doetinchem, onderafdeling Winterswijk, nr. 2932 (1947); idem, P.R.A.-Venlo, nr. B 242 (1948). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, ongenummerd: verhoor R. Nitsch en E. Elsholz in Huis van Bewaring te Maastricht, 5-9-1947. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., nr. A 155-290; idem, Doc. B.S., inv. nr. 249/2: artikel “De Zwerver”. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag bijeenkomst te Well.
  14. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO 3: verslag bijeenkomst te Well.
  15. C.A.B.R. Dossier J.W.M. Blokker: gegevens betreffende de arrestatie van H.J. Meyer. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 172 (1947). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  16. Op 10 juli 1944 omstreeks het middaguur pleegde de K.P.-Margriet - een Noordbra- bantse formatie met enkele Limburgse helpers - een aanslag op Couperus. De schoten troffen geen doel (R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-3: rapport K.P.-Margriet, Den Bosch, 1-10-1945). In april 1949 werd Otto Couperus veroordeeld tot een gevangenis- straf van tien jaar (C.A.B.R. Dossier O. Couperus).
  17. C.A.B.R. Dossiers J. Berendsen, S. Blaauw, O. Couperus, J. Sabbé en J. Kannegieter. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, nrs. 1390, 1507, 1509, 1645, 1654 (1945); idem, P.R.A.-Roermond, nr. 651 (1946) en nrs. 540, 542, 551, 600, 606, 610, 613, 614, 617, 618, 620 t/m 624, 635, 636, 643, 646, 650, 691, 694, 695, 722, 724 (1947).
  18. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, nr. 1390 (1945) en nr. 76 (1946). Stich- ting ’40-’45, Eindhoven.
  19. Na de oorlog werd Johan Berendsen ter dood veroordeeld. Het vonnis werd op 2 mei 1947 voltrokken. Zijn voornaamste medewerkers kregen straffen variërend van tien tot vijftien jaar gevangenis (C.A.B.R. Dossiers J. Berendsen, S. Blaauw, J. Sabbé en J. Kannegieter).
  20. C.A.B.R. Dossier N.J. Grootjans: zaak Arts en De Geus; idem, dossier K.P. Fiebig: zaak Arts en De Geus.
  21. C.A.B.R. Dossier H. Conrad.
  22. C.A.B.R. Dossiers H. Conrad en J.W.M. Blokker. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 172 (1947).
  23. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H. Goertz. Goertz verbleef na zijn arrestatie in verschillende gevangenissen en Duitse kampen. Hij werd in het voorjaar van 1945 door Russische troepen bevrijd.
  24. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H. Goertz. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  25. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, nrs. 1510, 1715, 1904 (1945); idem, P.R.A.-Roermond, nrs. 591, 612, 692, 697 (1947).
  26. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  27. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Venlo, doos 7, nr. 55. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Tegelen, nr. 42 (1945) en P.R.A.-Noord-Limburg, rayon Venlo, nr. 185 (1947). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  28. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport L.O.-Reuver/Beesel/Belfeld. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J. van der Sterren. Collectie J. Sieben, Venlo. Lezing J. Sieben, 17-4-1946. Vraaggesprekken auteur met J. Sieben, Venlo, 21-11-1985 en met G. Janssen, Reuver, 19-11-1985.
  29. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, dossier J.N. Grootjans: verklaring R. Nitsch. C.A.B.R. Dossier J.N. Grootjans, gemeentepolitie Maastricht afdeling opsporing oorlogsmisdrij- ven, nr. 15 (1949). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, nr. 1141 (1945). B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1-01: rapport L.O.-K.P.-rayon Beesel-Reuver-Belfeld.
  30. Collectie J. Sieben, Venlo. Lezing J. Sieben, 17-4-1946. Collectie R. Suilen, Swalmen. Memoires 1940-1945. Vraaggesprekken auteur met G. Janssen, Reuver, 19-11- 1985 en met J. Sieben, Venlo, 21-11-1985. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: rapport kraak 27/28-7-1944.
  31. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met G. Janssen, Reuver, 19- 11-1985 en met J. Sieben, Venlo, 21-11-1985.
  32. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: verklaringen R. Nitsch, J. Bosch en S. Blaauw; idem, dossier S. Blaauw, P.R.A.-Roermond, nr. 512 (1947). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Noord-Limburg, rayon Venlo, nr. 966; idem, P.R.A.-Almelo, niet genummerd (1947); idem, P.R.A.-Maastricht, nr. 562 (1947); idem, rapport A.K.D.-Venlo, 31-8- 1944; idem, P.R.A.-Venlo, nr. 1073 (1946). G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 563 (1947). Vraaggesprek auteur met G. Janssen, Reuver, 19-11-
  33. Vraaggesprek auteur met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  34. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee, groep Stein, 22-8-1945.
  35. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  36. Vraaggesprek auteur met C. Claassens, F. Smulders en J. Arts, Horst, 20-11-1985. De plaatsen Oirlo en Castenray worden zowel tot het district Venlo als Venray gerekend. Mogelijk vielen ze aanvankelijk onder Venlo en in een later stadium onder Venray. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport L.O.-Horst. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  37. Vraaggesprek auteur met C. Claassens, Horst, 20-11-1985. Collectie C. Claassens, Horst. C. Claassens, “Het cultureel verzet in Limburg, regio Horst-Sevenum, 1940- 1945.”, Horst, 1988 (niet uitgegeven).
  38. Collectie W. Willemsen, Venray. Rapport Koninklijke Marechaussee Den Bosch, District Roermond, Afdeling Venray, groep Horst, nr. 552. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: acties illegaliteit, gerangschikt naar plaats (Horst). R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EJ-4: Algemeen Nederlands Politieblad nr. 41, 8-11-1943, nr. 1265 C.
  39. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 453 (1948); idem, P.R.A.-Horst, nr. 1 (1947). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  40. Zie hoofdstuk VIII (O.D.), paragraaf IV.4.1. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531, Burgemeestersdossier Horst: rapport burgemeester van Horst, 1-12-1944.
  41. Vraaggesprekken auteur met E.M.T. Boutet, Maastricht, 27-9-1985 en met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.-Sevenum.
  42. Vraaggesprekken auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986 en met E.M.T. Boutet, Maastricht, 27-9-1985. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg: arrestaties door Duitse politie 1940-1945, map 1 (arrestaties Sevenum 5-4-1944). G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 623 (1947). “Serum in d’n ôzel”, pp. 22-25. W. Willemsen uit Venray berichtte dat uit door hem verzamelde gegevens bleek dat Engels niet door een Brabantse knokploeg was geliquideerd, maar door een politieman uit Sevenum (Brief W. Willemsen, Venray, aan auteur, 27-5-1991).
  43. Vraaggesprek auteur met E.M.T. Boutet, Maastricht, 27-9-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  44. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, nrs. 1438, 1452, 1750 (1945) en P.R.A.- Roermond, nr. 669 (1947).
  45. “Serum in d’n ôzel”, p. 86.
  46. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport L.O.-Broekhuizen(vorst). Stichting ’40- ’45, Eindhoven. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: rapport Wanssum. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaringen inzake arrestaties 19-8-1943.
  47. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: verklaring M.M. Clabbers-Vergeldt. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 535 (1945). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Horst, nr. 453 (1946).
  48. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rap- port hulpverlening in Helden (Lies en Ben). R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee, Groep Stein, 22-8-1945.
  49. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag K.P.- Helden door W.H. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O./L.K.P.-Helden.
  50. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, dossier zuivering: rapport Amby, onderduiken overheidspersoneel; idem, inv. nr. 2.07.531: burgemeestersdossier Margraten. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, doos 28, inv. nr. 274. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: Amby, 24-1-1944. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee, Groep Stein, 22-8-1945.
  51. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee, Groep Stein, 22-8-1945; idem, Coll. HSSPF, map 199-d: dagrapporten Nederlandse politie, 24-2-1944.
  52. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: rapport overval raadhuis Meyel, 18/19-4-1944. R.v.O. Coll. HSSPF, map 199-e, dagrapporten Nederlandse politie, 19-4- 1944. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  53. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaringen R. Nitsch, J.J. Grijsbach, G.C.M. Moust, P.R. Raedts en W.L. Houwen.
  54. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 393 (1945) en nr. 535 (1945). C.A.B.R. Dossier M.H. Meyers, P.R.A.-Maastricht, nr. 393 (1946).
  55. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 393 (1945). Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 1011/2.
  56. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 393 (1945). C.A.B.R. Dossier H. Puts: rapport burgemeester Helden, 30-11-1946; idem, dossier R.H.G. Nitsch: documenten inzake razzia te Helden op 17-5-1944. Collectie G.v.A. Roermond. Verslag van R. Nitsch over razzia te Helden op 17-5-1944.
  57. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: rapport overval op distributiekantoor Helden. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: rapport buit distributiekantoor Helden. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 526/2.
  58. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 546/2. C.A.B.R. Dossier J.W.M. Blokker: verklaring D.W. van der Ster. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 172 (1947).
  59. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, nr. 1881 (1945) en nr. 1882 (1945); idem, P.R.A.-Roermond, nr. 592 (1947); idem, P.R.A.-Haarlem, nr. C.L. 906/45 (1946). R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, doos 30, inv. nr. 287.
  60. Collectie G.v.A. Roermond. Rijkspolitie Gewest Den Bosch, District Roermond, Groep Helden, P.R.A. nr. 875 (1948).
  61. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Helden, nr. 893 (1947) en nr. 24 (1949).
  62. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rap- port L.O./K.P.-Meijel door G.J. Gooden. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: lijst leden K.P.-Meijel; idem, dossier VI: rapport sabotage in Limburg: Meijel, 30-7- 1944 en 12-5-1944. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: rapport brand in stro-opslagplaats, 12-5-1944.
  63. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  64. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516: rapport sabotage in Limburg: Kessel, 9-7- 1944. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-2: Ned. Alg. Politieblad nr. 28, 24-7-1944, 493c.
  65. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: zaak executie F.J.J. Schreurs.
  66. Zie hoofdstuk III (Krijgsgevangenen), paragraaf III.3.1. Zie hoofdstuk VIII (O.D.), paragraaf IV.4.2.
  67. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: rapport L.O.-Maasbree. Vraaggesprek auteur met J.F.H. Mulders, Venlo, 16-6-1986. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier autobiografiën K.P.-ers en L.O.-ers: J.W. Cox.
  68. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.A.H. Segers. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  69. R.v.O. Collectie 251 A, L.O./L.K.P., doos 82, map FD en doos 89, map FK. Stich- ting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Politiearchief, doc. nr. 58, P.R.A-Roermond, nr. 850 (1946) en nr. 931 (1946); idem, dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport F. van Kemenade. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 860 (1946), 962 (1946) en 963 (1946). C.A.B.R. Dossiers R.H.G. Nitsch, A. Roselle en G.H. Holla: gegevens betreffende razzia 8-9-1943. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport L.O.-Roermond. Het Grote Gebod, II, pp. 232-234.
  70. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen BF-3, AL-2 en EO-3: rapporten L.O.-Roermond. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport L.O.-Roermond. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 35-36. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport pater Bleijs en de L.O. Collectie G.v.A. Roermond. Rapport G. Verlinden over de rol van de politie van Roermond gedurende de Tweede Wereldoorlog. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 1671: verklaring L. Frantzen, 3-7-1946; idem, Doc. B.S., Collectie Koot, diversen: verklaring L. Frantzen, 20-8-1951. Stichting ’40-’45, Eindho- ven. Vraaggesprekken auteur met Th. van Helvoort, Nijmegen, 26-9-1985 en met C. van Donselaar, Eindhoven, 20-9-1985.
  71. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 81, map FC; idem, map ED-4: rapport P. de B. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.P.H. Frencken en J.M.P. de Bie. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-2. M.v.D.-C.A.D., Doc. B.S., Collectie Koot, diversen: verklaring J.M.P. de Bie, Alkmaar, 29-10-1951.
  72. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 29/44; idem, Coll. 185, 4-b: berichten en persbulletins, 22-4- 1944. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Gewest 19-1A-2: kranteartikel juni 1985. M.v.D.-C.A.D., Doc. B.S., Collectie Koot, diversen: verklaring A.M.J.H. Teuwen-Boonen voor C.M.O., 7-11-1951. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport L.O.-Roermond; idem, dossier VI: rapport J. Bertjens. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: overval raadhuis Haelen, 18-2-1944. Collectie G.W.L. van Hegelsom, Maasbracht: Artikel B. Jeukendrup, “Een gewapende overval te Haelen”. Vraaggesprek auteur met mevrouw J.S. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985.
  73. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 29/44; idem, Coll. HSSPF, map 44-c: Lageberichte Außen- stelle Amsterdam, 27-5-1944. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier M.H. Schmitz, P.R.A.-Alkmaar, nr. O.D. 1779. Collectie G.v.A. Roermond. Politie IJmuiden, P.R.A., niet genummerd: verklaring A. Ijzerdraat; idem, P.R.A.-Roermond, nr. 14/48 (1947): G.H.J. Munten; idem, P.R.A.-Roermond, nr. 15/48 (1947): J.S. Huskens; idem, P.R.A.-Roermond, nr. 5/48: J.R.A.M. van Bruggen-van Moorsel; idem, P.R.A.-Roer- mond, nr. 14/48: W.G. Heiligers; idem, Rapport G. Verlinden uit 1946 inzake rol Schmitz en rapport K.A.M. Veltman, vertrouwensman G.O.I.W.N, afdeling Drunen.
  74. Ofschoon niet vaststaat wie de aanslag op F. Nizet pleegde, is het niet uitgesloten dat Reulen, Frencken en De Bie erbij betrokken waren. Als er verraad is gepleegd, heeft de Feldgendarmerie zich misschien vergist en in plaats van Reulen Delsing gearresteerd. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier C.W. Klonen, Commissaris van politie Venlo, nr. 1775 (1946); idem, dossier M.H. Schmitz, P.R.A.-Amsterdam, niet genum- merd: J.A.H. Delsing, 26-2-1948. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 14/48 (1947): verklaring J.H.M. Bronckhorst, L.C.H. Hofman, W.B. Heiligers en A.M.J.H. Teuwen-Boonen.
  75. C.A.B.R. Dossier F.A. Riemens. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 711 (1945): verklaring I. Janssens-Adang.
  76. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 261 (zonder jaar); idem, verslag G. Verlinden inzake arrestaties 9-6-1944; idem, verslag G. Verlinden over rol J.D.A. van Mierlo. C.A.B.R. Dossier J. de Heus, P.R.A.-Boxtel, nr. 47C (2-4-1946); idem, dossier G. Holla, P.R.A.-Roermond, nr. 1067 (zonder jaar); idem, dossier P. Hardegen: zaak arrestaties te Roermond op 9-6-1944. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie A.M.E. Ramakers-Dahmen, Roermond. De arrestant Hofman beschikte vermoedelijk over de middelen om zich vrij te kopen.
  77. S.H.C. Archief J.G. de Groot: rapport De Groot, 12-11-1946. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 964 (zonder jaar). Vraaggesprek auteur met J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11-1985.
  78. C.A.B.R. P.R.A.-Roermond, nr. 992 (1946): verklaring Th.P. Gellings.
  79. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 963 (1946), 1036 (1946), 1052 (1946). C.A.B.R. Dossier G.H. Holla, verslag openbare terechtzitting 21-4-1947 van het Bijzonder Gerechtshof te Den Bosch: verklaringen met betrekking tot razzia’s en huis- zoekingen op 10-8-1944. Gazet van Limburg, 22 april 1947, p. 3. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met C. van Donselaar, Eindhoven, 20-9-1985 en met Th.C. van Helvoort, Nijmegen, 26-9-1985.
  80. Collectie G.v.A. Roermond. Verslag G.H. Holla. C.A.B.R. Dossier G.H. Holla, P.R.A.-Midden-Limburg, nr. 337 (1945); idem, P.R.A.-Roermond, nrs. 1043 (1946) en 1044 (1946). Na de oorlog werden Holla en politiechef A. Roselle tot respectievelijk levenslang en 16 jaar gevangenisstraf veroordeeld.
  81. Collectie G.v.A. Roermond. Verslag G. Verlinden over F.W. Held en afschrift Rijkspolitie Gewest ’s Hertogenbosch, district Roermond, Parketgroep Roermond, nr. 21 (1949). De twee trawanten van Held werden na de oorlog tot respectievelijk levenslang en 14 jaar gevangenisstraf veroordeeld.
  82. C.A.B.R. Dossier D. Verstappen. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond met betrekking tot verraad Roermond in december 1944 en verslag G. Verlinden getiteld “De fles”. De verrader van de geëxecuteerde Roermondenaren werd na de oorlog tot 17 jaar gevangenisstraf veroordeeld.
  83. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 1254 (1946). Het lukte U. Matthaeas zich na de oorlog aan rechtsvervolging te onttrekken.
  84. Vraaggesprek auteur met W.E.M. Kötter-Van de Voort, Maastricht, 3-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 202.
  85. Vraaggesprek auteur met W.E.H. Kötter-Van de Voort, Maastricht, 3-10-1985.
  86. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 562 (1946) en 702 (1946). C.A.B.R. Dossier A. Roselle: verklaring betreffende razzia te Maasniel op 29-7-1944; idem, dossier G.H. Holla: verklaring betreffende razzia te Maasniel op 29-7-1944.
  87. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: verklaring betreffende executies te Maasniel in september 1944; idem, dossier E. Elsholz: idem.
  88. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 419 (1947), 420 (1947), 443 (1947) en 953 (zonder jaar). G.A.R., inv. nr. 1.776: aangelegenheden betreffende lijken 1945-1948 (P. Peeters en J. Smeets).
  89. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 77 (1947); idem, Parketgroep Roermond, nrs. 29 (1948) en 23 (1949).
  90. Collectie R.J. Suilen, Swalmen. Memoires, 30-8-1985. Vraaggesprekken auteur met J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11-1985 en met R.J. Suilen, Swalmen, 17-4-1986. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 202. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  91. Collectie R.J. Suilen, Swalmen. Memoires, 30-8-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  92. C.A.B.R. Dossier A. Roselle, P.R.A.-Maasniel, nrs. 313 (1945) en 19 (1946); idem, P.R.A.-Waalwijk, nr. 686; idem, P.R.A.-Posterholt, nr. 50 (1946). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 1068 (1946).
  93. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs 633 en 634 (1947).
  94. Vraaggesprek auteur met R.J. Suilen, Swalmen, 17-4-1986.
  95. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H. Tummers. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 198.
  96. C.A.B.R. Dossier H.H. Fonke. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 967. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, dossier C.W. Klonen: verklaring Nitsch en Elsholz over A.J. Brings.
  97. C.A.B.R. Dossier A.J. Brings en dossier A. Roselle: verklaring G.J. Oudraad. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  98. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: acties te Echt en St. Joost.
  99. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 297 (zonder jaar) en 861 (zonder jaar); idem, verweerschrift H. Greune. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1667: J.W.H. Frantzen, 2-7-1946. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, pp. 15 en 24.
  100. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  101. Ibidem.
  102. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 1158 (1946) en 1159 (1946); idem, Rijkspolitie groep Linne, nr. 425, post Montfort nr. 65 (1947).
  103. Collectie G.v.A. Roermond. Rijkspolitie groep Linne, nr. 419, post Herten, nr. 86; idem, Parketgroep Roermond, nr. 29 (1948); idem, verslag G. Verlinden getiteld “De fles”.
  104. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  105. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 82, map FD. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, p. 11.
  106. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.-Maasbracht door J.P.; idem, map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee groep Stein, 22-8-1945; idem, doos 82, map FD. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J.H.M. Puts, Maasbracht, 14-11-1985.
  107. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: rapport sabotage aan sluis te Linne op 14-9-1944. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee groep Stein, 22-8-1945.
  108. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.-Maasbracht door J.P.
  109. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 191, 192 en 239.
  110. C.A.B.R. Dossier J.M. van Cruchten.
  111. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 916 (1946).
  112. C.A.B.R. Dossier G.H. Holla: verklaring betreffende razzia en arrestaties op 11-1- 1945. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 708 (1945), 1039 (1946), 1040 (1946) en 1889 (1946).
  113. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 192-194.
  114. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 311 (1947).
  115. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C., doos 3, inv. nr. 23.
  116. Ibidem. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, p. 12.
  117. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nrs. 562 A (1945), 701 (1945), 1079 (1945), 1048 (1946) en 198 (1947).
  118. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport L.O.-Limburg. Het Grote Gebod, I, p. 334. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met em. pastoor H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985.
  119. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: sabotageacties te Horn.
  120. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 955: verklaring R. Nitsch. C.A.B.R. Dossier Th.J.H. Doggen.
  121. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  122. Ibidem. Ibidem. Collectie E.H. van Wegberg, Horst. Rapport verzet Heythuysen door E. van Wegberg.
  123. ?
  124. Collectie E.H. van Wegberg, Horst. Rapport verzet Heythuysen door E. van Wegberg. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: acties te Heythuysen.
  125. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 1575: verklaring J. Thee- len, 28-7-1946; idem, Doc. B.S., nr. 1575: leden K.P.-Heythuysen. Collectie E.H. van Wegberg, Horst. Lijst K.P.-groep Heythuysen.
  126. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 198. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: acties in Roggel.
  127. R.v.O. Coll. Doc. II, 990, rapport 14-12-1943. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.- Roermond, nr. 954 (zonder jaar): verklaring R. Nitsch; idem, P.R.A.-Roermond, Rijkspolitie Helden, post Kessel, zonder plaats en jaar. A.R.A. B.O.O.M., inv. nr. 2.09.13, dossier C.W. Klonen: zaak H. Geenen. C.A.B.R. Dossiers H. Conrad (zaak H. Geenen) en A.J. Brings (zaak H. Geenen).
  128. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Limburgs Dagblad, 27-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. Vraaggesprek auteur met L.H.M. Teepen, Venlo, 14-11-1986.
  129. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Brief G.H. Roumen aan auteur, 10-2-1988. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 198, 238-239.
  130. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 195.
  131. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nrs. 470 A (1946) en 565 (1947).
  132. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport B.G.M.; idem, dossier VIII: rapport L.O.-Maastricht. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Brief A.H. van Mansum, Ottawa (Canada), 21-10-1987. Vraaggesprek auteur met mevrouw M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring A.H. van Mansum.
  133. C.A.B.R. Dossier C.W.J. van Boetzelaar, P.R.A.-Maastricht, nr. 626 A (1946); idem, dossier P.J.M. Rademakers: verslag rechtszitting te Roermond, 12-5-1947. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 74/2: proces verbaal 17-9-1946. Stichting ’40-’45, Eindhoven. J. Hoffnung kwam op 3-3-1945 in Mauthausen om het leven. J. Hoffnung- Sandhaus overleefde de Duitse kampen en keerde in juni 1945 naar Maastricht terug. B. van Assen-Grolleman kwam op 18-2-1945 om het leven in Ravensbrück. Straf C.W.J. baron van Boetselaar: 20 jaar. Straf P.J.M. Rademakers: 31/2 jaar met aftrek voorarrest.
  134. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, nr. 473 (1946) en nr. 626 B (1946). M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 74/2: proces verbaal 14-8-1946. B.R.I.O.P., Doc. B.S., gewest 19-1A-3: verklaring P.J. Symons, 13-10-1950. Limburgsch Dagblad, 17-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  135. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.S.H. Lokerman. R.v.O. Coll. Erelijst: J.S.H. Lokerman. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI en VIII: rapporten L.O.-Maastricht; idem, Archief E.G. Courrech Staal, map 1944-1946. Brief A.H. van Mansum, Ottawa (Canada), 21-10-1987.
  136. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  137. Ibidem.
  138. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport B.G.M. B.R.I.O.P. B.S.- dossier M.C.M.H. Bartels.
  139. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  140. Ibidem.
  141. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 781 (1946). 385
  142. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: verklaring P.J. Symons, 13-10-1950.
  143. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V en VI: rapporten L.O.-Maastricht. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Maastricht; idem, map AL-2: rapport L.O.-Limburg (Maastricht). Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek P. Kempkens met J.A.J. Janssen, Maastricht, 7-4-1976. Vraaggesprek auteur met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985.
  144. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain, 23-1-1947.
  145. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Maastricht.
  146. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain, 23-1-1947.
  147. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V en VIII: rapporten L.O.-Maastricht. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Maastricht; idem, map BF-3: rapport L.O.-Maastricht; idem, map AL-2: rapport L.O.-Limburg (Maastricht); idem, map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain, 23-1-1947. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: verslag bijeenkomst voormalige illegale werkers en memoires van een L.O.- medewerker Maastricht. Vraaggesprek auteur met J.F.H. Mulders, Venlo, 16-6-1986. C.A.B.R. Dossier F. Jaegers: verklaring P.G. van Enckevort. Stichting ’40-’45, Eindho- ven.
  148. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CD-3: verklaring J.J. Vraaggesprek P. Kempkens met J.A.J. Janssen, Maastricht, 7-4-1976. Vraaggesprek auteur met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 966 (1945): verklaring Nitsch.
  149. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 1029 (1946). Het betrof S. Aussems en een zekere Slangen. Omtrent het lot van laatstgenoemde is niets bekend. Aussems kwam via Vught op 23 juni 1944 in Amersfoort terecht en belandde uiteindelijk in een werkkamp bij Leipzig. Hij slaagde erin te ontsnappen en keerde in juni 1945 terug.
  150. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 916 (1945) en nr. 966 (1945): verklaring Nitsch. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  151. C.A.B.R. Dossier A.E. Boere. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.- Maastricht, nr. 966 E (1945) en nr. 966 G (1945).
  152. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nrs. 966 (1945), 966 F (1945), 916 (1945) en 436 A (1946). C.A.B.R. Dossier A.E. Boere.
  153. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 966 (1945).
  154. Idem, P.R.A.-Maastricht, nrs. 966 (1945) en 966 D (1945). Stichting ’40-’45, Eindhoven. A.E. Zeguers-Boere werd na de oorlog tot 14 jaar gevangenisstraf veroor- deeld en kreeg T.B.R. (C.A.B.R. Dossier A.E. Boere).
  155. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain, 23-1-1947.
  156. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek P. Kempkens met H. Debats, Maastricht, 2-6-1976.
  157. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain, 23-1-1947.
  158. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, map afschriften processen verbaal 1942-1947: M.E. Coenegracht-Straetermans; idem, P.R.A.-Maastricht, nr. 491 (1946). Gazet van Limburg, 17-12-1946 en 31-12-1946. P.H. Moors zat gevangen te Vught tot 29 april 1944. J.F. Kraay werd tot 18 maanden gevangenisstraf veroordeeld (G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht nr. 168 (1946)). Een krijgsraad te Tongeren (B) veroordeelde mevrouw Coenegracht-Straeter- mans na de oorlog tot levenslange gevangenisstraf (Gazet van Limburg, 31-12-1946).405
  159. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 314 (1945). C.A.B.R. Dossiers A.B. Reuten en H. Conrad (zaak Speetjens). In 1951 werd Reuten tot 10 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest veroordeeld.
  160. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport J.H. de Koning over het ontstaan van de L.O.-Heerlen. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport J.H. de Koning.
  161. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport over L.O.-Heerlen door J. Cornips.
  162. Collectie H.J. Hendriks, Brunssum. Levensbeschrijving J.W. Berix.
  163. Vraaggesprek auteur met A.H.L. Meertens, Roermond, 3-11-1985.
  164. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  165. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Heerlen; idem, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen door J. Cornips en rapport J.H. de Koning over ontstaan L.O.-Heerlen. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., nr. A 172: rapport L.O.-Limburg.
  166. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Heerlen; idem, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen door J. Cornips. N.B. Voor algemene informatie over L.O.-Heerlen: R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen AL-2 en BF-3: rapporten L.O.-Limburg (district Heerlen).
  167. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen door J. Cornips; idem, dossier XV/XVI, nr. 39. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport W.J. Quint, 7-10-1976.
  168. Collectie P. Schunck, Valkenburg. Rapport textielvoorziening.
  169. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen door J. Cornips; idem, dossier XV/XVI, nr. 39. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  170. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier XV/XVI, nr. 39 en Doc. G.O.I.W.N., nr 38. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier H.Th.G. Derryx. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 81, map FC. Mejuffrouw M. Förster overleed op 18 maart 1945, vermoedelijk ten gevolge van de langdurige spanningen waaraan ze had blootgestaan.
  171. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier XV/XVI, nr. 39 en Doc. G.O.I.W.N., nr. 38. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  172. Vraaggesprekken auteur met J.M. Fober, Schinnen, 15-5-1986; Th. Gijsen, Spaubeek, 28-5-1986 en met G.H. Bensen en J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2 en 30-10-1985. Het Grote Gebod, I, p. 341. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 36. Limburgs Dagblad, 4-5- 1955, pp. 3 en 7. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Heerlen.
  173. Het Grote Gebod, II, pp. 66-67. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen door J. Cornips.
  174. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier XV/XVI, nr. 39.
  175. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: verslag J.C.; idem, map CA-4: verslag L., 30-4- 1947; idem, Coll. 185, 4-b: berichten en persbulletins, 29-3-1944. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, nr. 2.07.531: rapport over overval op hoofdbureau van politie te Heerlen.
  176. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Heerlen.
  177. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, nr. 1.87: arrestaties door Duitse politie 1940-1945, map 1. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: arrestaties te Heerlen op 24-4-1944. Vraaggesprekken auteur met C.M.J.A.F. Nicolas, Reuver, 30-9- 1985; deken J.J. Keulen, Schinnen, 9-9-1992; mevrouw R. Okhuyzen, Heerlen, 2-10- 1991. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 1999: verslag G.H. Bensen, 17-9-1947. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-2: verslag 17-9-1947; idem, map CF-4: verslag M.B.-V., 15-5- 1946.
  178. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Heerlen en rapport Inlichtingendienst L.O.-Heerlen; idem, dossier VIII; rapport Inlichtingendienst L.O.- Heerlen. Vraaggesprek auteur met deken J.J. Keulen, Schinnen, 9-9-1992. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Heerlen (I.D.).
  179. C.A.B.R. Dossiers G. Swinkels en K.P. Fiebig.
  180. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, p. 11. C.A.B.R. Dossier C.W. Klonen, Politie Maastricht, opsporing oorlogsmisdrijven, nr. 30: verklaring R.P. Unger; idem, dossier J. Straten (betreft V.L.S. Ramakers). Collectie G.v.A. Roermond. Handgeschreven verslag R. Nitsch, schrift III.
  181. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  182. Ibidem. C.A.B.R. Dossier L.P.M. Abrahams.
  183. C.A.B.R. Dossier J.H. van Dijck, P.R.A.-Heerlen, nr. 1304/1304A/P/46.
  184. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  185. C.A.B.R. Dossiers A.B. Reuten, P. Westdorp en A.J.M. de Koning. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  186. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossiers H.Th.G. Derryx en R.H.G. Nitsch (arrestaties 3-2-1944). A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Nitsch: arrestaties 3-2-1944. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, p. 28.
  187. C.A.B.R. Dossier M.J. Raeven.
  188. Vraaggesprekken auteur met A.H.L. Meertens, Roermond, 3-11-1985, J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986; deken J.J. Keulen, Schinnen, 9-9- 1992. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 367-f en 52-b: diverse Meldungen aus den Nieder- landen, 14-8-1944.
  189. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. 263, doos 7, map 1.
  190. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  191. Ibidem.
  192. Ibidem.
  193. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 385/2: rapport P.O.N.W.-Holland. Vraaggesprek auteur met G.H. Bensen en J. Crasborn, Heerlen, 2/30-10-1985. Archief Kabinet C.d.K.- Limburg, nr. P.07.77: sabotage 24-7-1944.
  194. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier G.O.I.W.N., nr. 38; idem, dossier XV/XVI, nr. 39; idem, dossier VIII: rapport L.O.-Hoensbroek door G.H. Dirrix. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  195. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Hoensbroek door G.H. Dirrix. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  196. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Hoensbroek door G.H. Dirrix.
  197. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  198. Ibidem. C.A.B.R. Dossiers H. Conrad (arrestaties 19-6-1944) en M.J. Sikkes.
  199. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  200. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Hoensbroek- Treebeek.
  201. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier G.O.I.W.N., nr. 38; idem, dossier XV/XVI, nr. 39; idem, dossier VI: gemeentehuis Spaubeek, 31-8-1944.
  202. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, Prov. Mil. Comm., doos 30, inv. nr. 285. Vraaggesprek auteur met J.M. Fober, Schinnen, 15-5-1986. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516: acties te Schinnen op 8 en 31-8-1944.
  203. C.A.B.R. Dossier A.B. Reuten. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 81, map FC. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Het is niet voor honderd procent zeker dat de arrestaties een uitvloeisel waren van het oprollen van de groep-Bongaerts. Mogelijk kwam de Sipo Fleischeuer op het spoor op grond van de notities in een door een helper uit Heerlen verloren zakboekje. Een joodse familie uit Sittard zou er in elk geval wèl het slachtoffer van zijn geworden (Stichting ’40-’45 Eindhoven).
  204. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, p. 24.
  205. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rap- port L.O.-Kerkrade door Th. Goossen.
  206. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  207. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Kerkrade door Th. Goossen. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 10, nr. 85. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  208. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  209. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Kerkrade door Th. Goossen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  210. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Kerkrade door Th. Goossen. N.B. Voor algemene informatie over dit rayon: S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-rayon Kerkrade.
  211. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport L.O.-Schaesberg door Th. Goossen, 29-1-1982. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  212. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport L.O.-Schaesberg door Th. Goossen, 29-1-1982. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  213. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport L.O.-Schaesberg door Th. Goossen, 29-1-1982. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: datering acties per plaats, 1-7-1943 en 15-8-1944. R.v.O. Coll. HSSPF, map 367-f: rapport landwacht, 11/18-8-1944; idem, map 52-b: Meldungen aus den Nieder- landen, 15-8-1944. C.A.B.R. Dossier H. Puts, P.R.A.-Heerlen, nr. 1124 A/P/46.
  214. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport L.O.-Schaesberg door Th. Goossen, 29-1-1982. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: inbraak te Ubach over Worms, 16/17 maart 1944.
  215. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport L.O.-Schaesberg door Th. Goossen, 29-1-1982. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  216. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VII: rapport L.O.-Brunssum, wsch. door H.J. Hendriks; idem, dossier G.O.I.W.N., nr. 38; idem, dossier XV/XVI, nr. 39; idem, dossier VIII: rapport L.O.-Brunssum door W. en J. van der Geest. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport L.O.-Brunssum door H.J. Hendriks. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  217. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: acties per plaats, 1-9-1944. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentaite, inv. nr. 181: rapport Th.J. Krebbers.
  218. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  219. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531: burgemeestersdossier Geleen, rapport Th. Gijsen, 25-10-1944.
  220. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531: burgemeestersdossier Geleen, rapport Th. Gijsen, 25-10-1944.
  221. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  222. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: inbraak bij Staatsmijn Maurits, 27-12-1944. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  223. R.v.O. Coll. 35, 1. S.G. 12/44: verklaring R.H.G. Nitsch. Vraaggesprek auteur met F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986.
  224. R.v.O. Coll. 35, 1. S.G. 12/44: verklaring R.H.G. Nitsch.
  225. Ibidem. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: arrestaties te Geleen op 14 en 24 maart 1944.
  226. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  227. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: Elsloo, 4-7-1944.
  228. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  229. Ibidem.
  230. G.A.R. Politiearchief: verslag overval te Stein, 26-7-1944. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI; datering acties per plaats, Stein, 25-7-1944. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: overval Stein; idem, dossier J.W.M. Blokker: overval Stein. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: overval Stein, 25/26-7-1944. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers P.J. Ronden en F.A.A. van Maanen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986.
  231. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rap- port rayon Klimmen.
  232. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport rayon Klimmen. B.R.I.O.P. B.S.-dossier M.Th. Jaspers. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  233. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rap- port rayon Klimmen.
  234. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport rayon Klimmen.
  235. Ibidem, dossier VI: acties per plaats, Klimmen, Voerendaal en Ubachsberg (1944).
  236. Ibidem, dossier VI: overval Klimmen, 30-8-1944.
  237. Ibidem, dossier V: rapport rayon Klimmen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  238. C.A.B.R. Dossiers J. Crützen en E.J. Georges. Collectie P. Schunck, Valkenburg: rapport onderduikers. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: arrestaties te Sibbe, 17-2-1944.
  239. Collectie P. Schunck, Valkenburg. Rapport duikherberg Meerssenerbroek. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport rayon Valkenburg door P. Schunck. R.v.O. Coll. 243 G, doos 4, map h: rapport Th.T.
  240. Collectie P. Schunck, Valkenburg. Rapport rayon Valkenburg door P. Schunck, rapport over stationschef Vroemen en rapport over onderduikers. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport L.O.-Valkenburg door P.Schunck; idem, dossier XV/XVI, nr. 39; idem, dossier G.O.I.W.N., nr. 38.
  241. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: overval distributiekantoor Valkenburg-Houthem, 22/23-5(6)-1944. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport rayon Valkenburg door P. Schunck; idem, dossier VI: acties per plaats, Valkenburg, 22/23 juni 1944. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee, groep Stein, 22-8-1945. Collectie P. Schunck, Valkenburg. Rapport distributiecontacten van L.O.-rayon 8 (Valkenburg). M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 526/2. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 210 (1946): verklaring H. Debats.
  242. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: acties per plaats, Valkenburg, 31- 8-1944. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: overval te Valkenburg, 31-8-1944.
  243. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport L.O.-Limburg (Sittard); idem, map EO- 3: rapport L.O.-Limburg (Sittard).
  244. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-2: artikel A.E.L. Jonkergouw.
  245. C.A.B.R. Dossier M.H. Meyers, P.R.A.-Heerlen, nr. 1817/P/1946.
  246. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  247. Ibidem.
  248. Ibidem. Vraaggesprek auteur met F. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers P.J. Ronden, F.A.A. van Maanen en J.C.H. van den Moosdijk. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-2: artikel A.E.L. Jonkergouw.
  249. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Doc. B.S., dossier gewest 19-1A-2: artikel A.E.L. Jonkergouw.
  250. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-2: artikel A.E.L. Jonkergouw. R.v.O. Coll. HSSPF, map 199-e: dagrapporten Nederlandse politie, 15-6- 1944.
  251. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-2: artikel A.E.L. Jonkergouw.
  252. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Limburg (L.O.-Gulpen); idem, map AL-2: rapport L.O.-Limburg (L.O.-Gulpen); idem, map BF-3: rapport L.O.-Limburg (L.O.-Gulpen). Vraaggesprek auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 37. Het Grote Gebod, I, pp. 341-343. Stichting ’40- ’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden.
  253. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden.
  254. Ibidem. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  255. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden.
  256. Ibidem. Vraaggesprek auteur met J. Beaumont, Maastricht, 15-9-1985.
  257. Mondelinge inlichting van mevr. R. Sprooten, Maastricht, april 1991.
  258. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie J. Grooten, Linne. Verslag overval op gemeentehuis Mechelen door J. Grooten. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: overval op gemeentehuis te Mechelen, 15/16-4-1944. R.v.O. Coll. HSSPF, map 199-e: dagrapporten Nederlandse politie, 16-4-1944. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: zaak Wittem, 21-7-1944.
  259. Collectie P. Schunck, Valkenburg. Rapport Vroemen, stationschef Valkenburg. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 756 (1947). S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden.
  260. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden.
  261. Ibidem.
  262. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 64 (1947).
  263. Ibidem. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: zaak Wittem, 21-7-1944. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, pp. 13-14, 29-30. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1545: artikel in “De Zwerver”. Gazet van Limburg, 23-7-1947, p. 3. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 79-80.
  264. Vraaggesprek auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: L.O.-Gulpen door P. van der Linden. Stichting ’40- ’45, Eindhoven.
  265. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946. R.v.O. Coll. L.O.-L.K.P., doos 89, FK: F.N.
  266. Ibidem. W. Willems uit Venray berichtte dat de plaatsen Asten en Someren eerst deel uitmaakten van achtereenvolgens de rayons Helmond en Deurne die beide tot het district Venray behoorden (mededeling W. Willemsen aan auteur, Venray, 20-6-1991)
  267. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946.
  268. Ibidem.
  269. C.A.B.R. Dossier J.M.W. Rösener Manz. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946.
  270. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 203.
  271. C.A.B.R. Dossier J.M.W. Rösener Manz.
  272. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946.
  273. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 89, FK: J.S. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946.
  274. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport L.O.-Stramproy. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Stramproy.
  275. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946.
  276. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: arrestatie Nies, 10-8-1944, verklaring F.J.H. Nies.
  277. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert door A. Arts, L. Meewis en J. Erkens, 29-10-1946.
  278. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531, burgemeesterdossier Hoensbroek: rapport H.J. de Kort en rapport J.H. Martin. Vraaggesprek auteur met H.J. de Kort, Haarlem, 29-7-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  279. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  280. Ibidem. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 732-733. R.v.O. Coll. Doc. II, 295.
  281. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: verslag L.O.-Venray. Bijeenkomst Well, augustus 1946. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: 2 rapporten over L.O.- Venray. “Peel en Maas”, 12-10-1984. Artikel W. Willemsen in bijlage. Vraaggesprek auteur met F.J.K. Russel, Nijmegen, 26-9-1985.
  282. Ibidem.
  283. Ibidem.
  284. Collectie F.J.K. Russel, Nijmegen. Rapport M.J. Hendriks, Venray.
  285. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: verslag L.O.-Venray. Bijeenkomst Well, augustus 1946. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: 2 rapporten over L.O.- Venray. “Peel en Maas”, 12-10-1984. Artikel W. Willemsen in bijlage. Vraaggesprek auteur met F.J.K. Russel, Nijmegen, 26-9-1985.
  286. Ibidem.
  287. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport burgemeester Venray, 8-5-1946. 757
  288. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4; verslag L.O.-Venray. Bijeenkomst Well, augustus 1946. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: 2 rapporten over L.O.- Venray. “Peel en Maas”, 12-10-1984. Artikel W. Willemsen in bijlage. Vraaggesprek auteur met F.J.K. Russel, Nijmegen, 26-9-1985.
  289. Ibidem.
  290. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport burgemeester Venray, 8-5-1946.
  291. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 550 (1947), nr. 537 (1947), nr. 135 (1945); idem, P.R.A.-Noord-Limburg, Venlo, nr. 1248 (1946).
  292. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1641. B.R.I.O.P. Doc. B.S., gewest 19-1A-3: rapport burgemeester Venray, 8-5-1946.
  293. Vraaggesprek auteur met J. Daemen, Bergen, 28-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  294. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: L.O.-Limburg, district Vierlingsbeek. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1954: Dagblad voor Noord- Limburg, 5-6-1946.
  295. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen DL-3 en EO-3: L.O.-Limburg, district Vier- lingsbeek.
  296. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen AL-2, EO-3 en DL-3: L.O.-Limburg, district Vierlingsbeek. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  297. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen DL-3 en EO-3: L.O.- Limburg, district Vierlingsbeek.
  298. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  299. Ibidem. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen DL-3 en EO-3: L.O.-Limburg, district Vierlingsbeek.
  300. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: L.O.-Limburg, district Vierlingsbeek.
  301. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: datering sabotage per plaats (Bergen).
  302. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: L.O.-Limburg, district Vierlingsbeek.
  303. Ibidem. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  304. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  305. Ibidem.
  306. Ibidem.
  307. Ibidem.
  308. C.A.B.R. Dossier P. Hardegen. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 81, map FC: K.P.- Gennep. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 140.
  309. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  310. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport V.B., 31-1-1947, rapport L.O.-Limburg (L.O.-Nijmegen) en verklaring A.P.
  311. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Nijmegen; idem, map BF-3: rapport V.B., 31-1-1947.
  312. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-1: verslag bijeenkomst te Well; idem, map BF-3: verklaring A.P. en N.P.; idem, map EO-3: rapport L.O.-Nijmegen.
  313. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Nijmegen; idem, map BF-3: rapport L.O.-Limburg (L.O.-Nijmegen); idem, map DL-1: verslag bijeenkomst te Well. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  314. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: L.O.-Limburg (Maas en Waal); idem, map BF- 3: L.O.-Maas en Waal; idem, map EO-3: L.O.-Maas en Waal; idem, map DL-1: verslag bijeenkomst te Well. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport L.O.-Ravenstein-Oss door H. v.d. Burgt, H. de Leeuw en B.W.J. Arts. Het Grote Gebod, I, p. 340. Van Aernsbergen, Onze gevallenen, pp. 31 en 37. Mededeling W. Willemsen aan auteur, Venray, 20-6-1991.