Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk VII

De knokploegen en de geschiedenis van de stoottroepen tot de zomer van 1945

Opmerking vooraf

Het feit dat in dit hoofdstuk aandacht wordt geschonken aan twee verschillende organisaties verdient enige toelichting. De knokploegen ontstonden in de bezettingsjaren en de stoottroepen ten tijde van de bevrijding. De stoottroepen kunnen niet als verzetsorganisatie worden aangemerkt, strikt genomen vallen ze zelfs buiten het kader van deze studie. Wat pleit dan voor een gezamenlijke behandeling? De geschiedenis van de twee organisaties ligt vooral in Limburg en Noord-Brabant in elkaars verlengde en is daarom nauw met elkaar verweven. Het initiatief tot de oprichting en de organisatie van de Stoottroepen ging grotendeels uit van en werd opgedragen aan K.P.-ers. Dat leidde tot een relatief sterke K.P.-vertegenwoordiging binnen de rijen van de Stoottroepers, die dan ook een belangrijk stempel op het karakter van de organisatie drukte. Aangezien de gebeurtenissen en ontwikkelingen in het najaar van 1944 die tot de vorming van de Stoottroepen leidden het best aanschouwelijk gemaakt kunnen worden door de (voormalige) Limburgse knokploegen te blijven volgen, lijkt het ons raadzaam de Stoottroepen in deze context te bespreken en ze er niet van los te koppelen.

I. De knokploegen: landelijk

>

Om het humanitaire werk zo adequaat en professioneel mogelijk te kunnen verrichten en de risico’s te beperken, moest de L.O. zo nu en dan haar toevlucht nemen tot geweld, wat overigens niet tot haar oorspronkelijke doelstellingen behoorde. Ofschoon de organisatie bekwame vervalsers in haar midden had, burgers op uiteenlopende manieren een steentje bijdroegen en overheidspersoneel meehielp door bijvoorbeeld distributie- en andere bescheiden te verstrekken, bleek het niet mogelijk uitsluitend op geweldloze wijze voldoende middelen te verwerven om aan de immense vraag te voldoen. Bovendien moesten de organisatie, de medewerkers en het leger van onderduikers en gastgevers zo goed mogelijk worden beschermd.
Toen in het voorjaar en de zomer van 1943 het aantal onderduikers stormachtig groeide, kreeg de L.O. steeds meer behoefte aan een ondersteunende organisatie. Dank zij de talrijke verbindingen was het in L.O.-kringen bekend, dat zich diverse groepjes op gewapende verzetsacties toelegden, zoals het overvallen van distributiekantoren. De buitgemaakte bonnen kwamen niet alleen onderduikers ten goede, er werden ook bonnen op de zwarte markt aangeboden. Met de opbrengst voorzagen de groepjes in hun eigen onderhoud en dat van andere verzetsgroepen. Een ploegje rond de in Amsterdam geboren Th. Dobbe, dat zijn uitvalsbasis in Friesland had, bediende zich van deze methode. Zo’n werkwijze stond op gespannen voet met het uitgangspunt van de L.O., die er in het kort op neerkwam dat een ieder die zich genoodzaakt zag onder te duiken aanspraak kon maken op kosteloze hulp. Indien, zo werd in L.O.-kring geredeneerd, groepen als die van Dobbe in de L.O. geïntegreerd konden worden en zich zouden houden aan de L.O.-richtlijnen, dan was hun optreden moreel en ethisch gerechtvaardigd. Bovendien bestond een reële kans op maatschappelijke acceptatie, als het publiek ervan doordrongen was dat de gewapende acties niet zomaar plaatsvonden, maar noodzakelijk en niet los te denken waren van de hulp aan vervolgde landgenoten.
In de zomer van 1943 werden pogingen in het werk gesteld de verspreid door het land opererende groepjes aan de L.O. te binden en te bundelen. Ook werd serieus overwogen zelf een ondersteunende organisatie op te richten. In Rotterdam vond overleg plaats tussen kapelaan Naus en J. Hendrikx, Zuid-Hollandse L.O.-leiders zoals pater Apeldoorn en A. Schweigmann en vertegenwoordigers van groepen die zich op het gewapend verzet toelegden, onder anderen I. van der Horst, H. van Dijk en F.M. Meulenkamp. De aanwezigen kwamen overeen dat de L.O. voortaan kon rekenen op steun van deze groepen bij het verkrijgen van bonkaarten en andere distributiebescheiden.
Op een L.O.-Top vergadering in Amersfoort op 14 augustus 1943 werd besloten een eigen knokploeg in het leven te roepen en gebruik te maken van de verbindingen met reeds bestaande groepen. Dit besluit resulteerde in september 1943 in de oprichting van de Landelijke Knokploegen (L.K.P.) als zelfstandige nevenorganisatie van de L.O. De leiding kwam in handen van L. Scheepstra, L. Valstar, I. van der Horst en H. van Dijk. De twee laatstgenoemden vormden de schakel met de L.O. Zij bepaalden welke activiteiten de knokploegen ondernamen, organiseerden die en verdeelden de taken. Van der Horst gaf het benodigde aantal bonnen door en nam het financieel beheer voor zijn rekening totdat het N.S.F. die taak in de loop van 1944 op zich nam.
Valstar en Scheepstra waren veel minder op de L.O. georiënteerd en streefden in tegenstelling tot Van der Horst en Van Dijk naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid voor de L.K.P. Dit streven was herkenbaar in de taakomschrijving van de organisatie: het beschermen en steunen van de illegaliteit in het algemeen en de L.O. in het bijzonder. Gezien hun taak was zo’n opstelling begrijpelijk. Scheepstra was belast met de organisatie van de knokploegen in het oosten van het land, waartoe ook het noorden en het zuiden behoorden. Valstar deed met steun van F.M. Meulenkamp hetzelfde in West-Nederland.
Ondanks dit verschil van inzicht was de samenwerking zowel binnen de L.K.P.-Top als met de L.O. goed. De jonge organisatie stemde de activiteiten niettegenstaande de algemene taakomschrijving af op de behoeften van de L.O., wat uiteraard bijdroeg aan een blijvende verstrengeling tussen beide organisaties. Rond de jaarwisseling van 1943-1944 hadden zich inmiddels zoveel groepjes bij de L.K.P. aangesloten, dat met recht gesproken kon worden van een landelijke organisatie. Evenals bij de L.O. waren regionale initiatieven geleidelijk gebundeld. Toch bestond er een duidelijk verschil tussen de twee organisaties. De L.K.P. was en bleef tot ver in 1944 samengesteld uit een naar verhouding gering aantal groepjes die doorgaans zelfstandig optraden. 1]
Al spoedig bleek dat Scheepstra’s rayon te uitgestrekt was. Vooral in het noorden en zuiden van het land kwamen de knokploegen nauwelijks van de grond. Door J. Post te belasten met de organisatie in Noord-Nederland en Th. Dobbe in Zuid-Nederland verwacht te de K.P.-Top de achterstand in te lopen. In maart 1944 namen de twee nieuwkomers zitting in de Top, die overigens niet lang intact bleef. Als eerste viel Valstar op 15 mei 1944 in Duitse handen. Zijn medewerker Meulenkamp was toen al ondergedoken en naar Limburg vertrokken. Post nam Valstars functie over. Op 14 juni 1944 werd Van der Horst gearresteerd en op 16 juli volgde de aanhouding van Post en Van Dijk, zodat van het oorspronkelijke viertal alleen Scheepstra overbleef. De Sipo maakte echter verbeten jacht op hem, zodat zijn bewegingsvrijheid tot een minimum beperkt was.
Door de arrestaties in de K.P.-leiding verkeerde de L.O.-Top korte tijd in onzekerheid ten aanzien van haar nevenorganisatie. De banden mochten niet verbroken worden en de aanvoer van distributiebescheiden mocht onder geen beding gevaar lopen. M.W. Rombout, leider van de L.O. in West-Brabant, werd gevraagd zitting te nemen in de K.P.-Top teneinde de banden met de L.O. te verstevigen. Om de verbindingen met de regio’s intact te houden en de coördinatie te verbeteren werd de K.P.-Top versterkt met P. de Beer namens de knokploegen in het westen van het land, J. Abbink namens de ploegen in het midden en oosten en J.R.P. Crasborn namens de groepen in het zuiden. P. Russchen kreeg de leiding over de bonnentransportorganisatie en J.A. van Bijnen, die als laatste in augustus 1944 tot de K.P.-Top toetrad, trof de nodige voorbereidingen om de knokploegen te laten overschakelen op spoorwegsabotage, zodra de geallieerde legers de landsgrenzen zouden naderen. Hoewel het voorzitterschap aan Rombout toeviel, berustte de feitelijke leiding bij Scheepstra die in K.P.-kringen groot aanzien genoot. 2]

II. Limburg: karakter, achtergrond, ontwikkeling en geschiedenis van de knokploegen

II.1. Karakter en achtergrond

Tot ver in 1943 was er in Limburg van enige activiteit van knokploegen vrijwel niets te bespeuren. De overvallen, sabotage en gewapende acties tegen verraders, N.S.B.-ers, Duitsers en zwarthandelaren waren op de vingers van een hand te tellen. Dat lag niet zozeer aan de passieve houding van de illegaliteit, maar eerder aan de ontwikkeling van het georganiseerde verzet en de rol die de geestelijkheid daarin speelde. Ten onrechte wordt in talrijke verslagen, rapporten en vraaggesprekken, die doorgaans pas na afloop van de oorlog werden opgemaakt en gehouden, melding gemaakt van knokploegen die al in het voorjaar van 1943 of zelfs in 1942 actief zouden zijn geweest. De drang om feiten en gebeurtenissen te antedateren - wellicht om de geschiedenis van het verzet kunstmatig te verlengen - was kennelijk zo groot dat de historische werkelijkheid daaraan ondergeschikt werd gemaakt. Een groot deel van de provincie was al in het najaar van 1944 bevrijd, het tijdstip waarop de snel in aantal toenemende knokploegen in het nog bezette deel van het land de lange, zware winter van 1944-1945 tegemoet gingen. Toen pas werd een naar verhouding groot aantal tot de verbeelding sprekende acties ondernomen. Los van het feit dat een verteller gemakkelijk geneigd is zijn verhaal met verzonnen ingrediënten te doorspekken en zo spannend mogelijk te maken, speelde bij sommige verzetsdeelnemers en rapporteurs wellicht enige frustratie en een onbestemd gevoel van angst om niet voor vol aangezien te worden een rol. Door de acties - zo blijkt telkens weer uit de bronnen - van het gewapende verzet op te blazen en sensationeler voor te stellen dan ze in werkelijkheid waren geweest, veronderstelden zij de geschiedenis van deze tak van de illegaliteit meer cachet te geven. Degenen die naderhand zouden kunnen beweren dat hun verzetswerk “onbeduidend” was geweest en de illegaliteit zich onvoldoende teweer had gesteld, zou bij voorbaat de mond gesnoerd worden. Daarmee dienden ze geen enkel doel. Nadere bestudering van de geschiedenis van het Limburgs verzet leert, dat het verzet zich geen moment in offensieve of agressieve richting ontwikkelde en dat de georganiseerde illegaliteit er onder invloed van de geestelijkheid juist alles aan gelegen was gewapende acties tot een minimum te beperken.
Helaas zijn wij voor de reconstructie van de geschiedenis van de knokploegen in niet geringe mate aangewezen op bronnen, waarvan de betrouwbaarheid allerminst vaststaat. Daarom is gekozen voor een sobere en behoedzame weergave van deze geschiedenis.
Waarom verschenen de knokploegen pas zo laat ten tonele? Zoals in hoofdstuk II werd vastgesteld, ontstonden in 1941 en 1942 verscheidene groepen die de vijand en zijn handlangers openlijk wensten te bestrijden en plannen beraamden voor sabotage. Geen van die groepen was een lang leven beschoren. Onervarenheid, amateurisme en vooral loslippigheid braken deze vroege formaties op. Aan acties van enige omvang kwamen ze niet toe. Dat kon ook niet, de hoeveelheid wapens en de kwaliteit ervan lieten het niet toe. In sommige bedrijven, bij overheidsinstanties en in de mijnen werd weliswaar sabotage bedreven, maar dat geschiedde meestal zonder wapens, ongeorganiseerd en in zeer klein verband. De Limburgse bevolking bleef er trouwens onkundig van en een stimulans ging er meestal niet van uit.
Terwijl de stormachtige groei van de L.O. de oprichting van knokploegen in grote delen van het land stimuleerde, gebeurde in Limburg vooralsnog niets op dit gebied. Daarvoor zijn drie redenen aan te wijzen. In de eerste plaats lukte het de Limburgse L.O. een netwerk van verbindingen met distributie- en gemeenteambtenaren, medewerkers van de Centrale Controle Dienst en plaatselijke voedselbureaus alsook met andere overheidsdiensten tot stand te brengen, waardoor de noodzaak ontbrak zich met geweld de benodigde goederen en bescheiden te verschaffen. Bovendien vonden veel onderduikers onderdak op het platteland, waar een gedeelte van de voedselproduktie aan het distributienetwerk onttrokken kon worden dank zij de medewerking van de C.C.D. en de voedselbureaus. Het plegen van overvallen genoot dus geen prioriteit. Als er desondanks behoefte aan was, dan geschiedde een overval veelal na overleg met een of meer ambtenaren ter plaatse, zodat men kon rekenen op hulp van binnenuit en de risico’s beperkt bleven. 3]
Op de tweede plaats oefenden de geestelijkheid, het katholieke geloof en de hierdoor beïnvloedde bevolkingsmentaliteit een remmende invloed uit. Alvorens tot actie over te gaan werden de risico’s en de eventuele gevolgen nauwgezet overwogen. De lokale geestelijkheid en secretaris Moonen ontvingen voortdurend bezoek van illegale werkers en werden over vrijwel alle, in moreel opzicht zwaarwegende aangelegenheden, zoals liquidaties, geconsulteerd. Zij beklemtoonden keer op keer dat men de nagestreefde doelen, indien ook maar enigszins mogelijk, op geweldloze en humanitaire wijze moest zien te bereiken. Zelfs de kleinste risico’s dienden vermeden te worden. 4]
De derde reden hangt samen met de ontwikkeling van de illegaliteit als zodanig. In het Limburgs verzet, elders waarschijnlijk ook, was nauwelijks sprake van specialisatie. De K.P. recruteerde haar medewerkers vooral uit bestaande verzetsformaties zoals de L.O. en de vluchtelingenhulporganisaties. Full-time K.P.-ers waren er in Limburg niet. Iedereen bleef de eigen organisatie(s) tot ver in 1944 trouw. Bij de voorbereiding van een actie benaderde de K.P.-leider enkele personen die hem geschikt leken. Vaak traden deze ad-hoc K.P.-ers zelfstandig op en niet in opdracht van de L.O. Zo’n werkwijze maakte de K.P.-ers minder slagvaardig.
De eerste initiatieven om te komen tot een bundeling van de knokploegen, een strakkere leiding en organisatiestructuur dateren van het voorjaar van 1944 toen de landelijke leiding er steeds nadrukkelijker op aandrong. Voordien had men in Limburg de boot steeds afgehouden, wat niet wegneemt dat op gewestelijke L.O.-bijeenkomsten herhaaldelijk gesproken was over het oprichten van knokploegen. Tijdens een vergadering in Roermond, eind 1943, was een beslissing op de lange baan geschoven op grond van de hierboven geschetste overwegingen. 5] Eenstemmigheid bestond er kennelijk niet, want pater Bleijs liet in december van dat jaar een knokploeg formeren door M.H. Schmitz (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.3.2.).

II.2. De knokploegen van Helden en Roermond

Over beide knokploegen kunnen we kort zijn, omdat ze in het hoofdstuk over de L.O. uitgebreid besproken zijn. Zij verloren hun betekenis voor de Limburgse illegaliteit in het voorjaar van 1944.
De knokploeg van Helden telde ongeveer tien leden, die tevens deel uitmaakten van de L.O. Sommigen waren bovendien betrokken bij de verspreiding van illegale bladen en de hulp aan geallieerde vluchtelingen. Van specialisatie of full-time K.P.-ers was dus geen sprake. K.P.-leider W. Houwen stelde telkens wisselende ploegen samen, als hem het verzoek voor een actie bereikte. Af en toe ondernam de K.P.-Helden op eigen initiatief actie, naderhand ook in opdracht van de L.O.-districtsleiding in Venlo en Roermond, maar aan de zelfstandigheid van de Heldense ploeg viel niet te tornen: samenwerking was mogelijk, méér niet. Na de aanhouding van Houwen, eind april 1944, viel de K.P.-Helden uiteen. 6]
De Roermondse knokploeg telde slechts drie actieve leden. Zij stond onder leiding van de uit Maastricht afkomstige J.M.P. de Bie. A. Reulen en J.P.H. Frencken hadden al een aanzienlijke staat van dienst op verzetsgebied toen ze in december 1943 werden gevraagd deel te nemen aan de K.P. Aangezien de L.O.-districtsleiding en secretaris Moonen ernstig bezwaar maakten tegen agressieve verzetsdaden, bleef het bestaan van deze knokploeg, afgezien van een overval op het gemeentehuis van Haelen in februari 1944, vrijwel onopgemerkt. Het drietal moest zich beschikbaar houden voor eventuele acties in de regio Roermond, maar daar kwam het - afgezien van een mislukte liquidatiepoging van een jodin die verraad dreigde te plegen - niet van, zodat ze hun werkterrein al in januari 1944 naar Noord-Holland verplaatsten.

II.3. De knokploeg van Heerlen

De K.P.-Heerlen ontstond uit twee of drie kleine sabotagegroepen die elk ongeveer zes medewerkers telden en hun acties beperkten tot de Staatsmijnen en de Oranje Nassaumijnen. Tot het best georganiseerde groepje op de Oranje Nassaumijnen - van de andere(n) is helaas niets bekend - behoorden onder meer G.H. Bensen, J.R.P. Crasborn, H. Tobben en W. van Keulen. Onder hen bevonden zich géén mijnwerkers, het waren allemaal mijnbeambten of leden van de mijnpolitie. Zoals wij in hoofdstuk IV, paragraaf II.1. zagen en zullen zien, werkten sommige van deze groepsleden samen met Ch. Bongaerts (zie ook hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.7.).
Bensen bekleedde sinds oktober 1940 de functie van hoofdagentrechercheur bij de Oranje Nassaumijnen en raakte in november van dat jaar betrokken bij de vervaardiging en verspreiding van een illegaal blad, “De Mijn”. Hierdoor kreeg hij verbinding met andere verspreiders van illegale bladen zoals C.S. Petit en J.G. de Groot, die betrokken was bij de uitgave van “Het Vrije Volk”. Zijn functie stelde Bensen in de gelegenheid illegale werkers, die door de Duitsers gezocht werden, tijdig te waarschuwen en aan hem opgedragen onderzoek naar mijnsabotage te traineren of op een dood spoor te leiden. Het toeval wilde dat hij geen slachtoffer werd van de infiltratie in de groep-Bongaerts. 7]
De uit Ittervoort afkomstige Crasborn koos na vier jaar gymnasium voor een opleiding tot mijnmeter. Op 1 januari 1940 werd hij in die functie aangesteld op de Oranje Nassaumijn IV. Zijn schoolvriend L.J. de Graaf, chef administratie op dezelfde mijn, betrok Crasborn bij de verspreiding van “Het Vrije Volk”. Door de verspreiding van illegale bladen en de sabotage kwamen de twee of drie verschillende groepen met elkaar in aanraking. Al spoedig kwam het tot samenwerking en uiteindelijk tot een bundeling. Gaandeweg breidden de werkzaamheden zich uit tot hulp aan geallieerde vluchtelingen en (joodse) onderduikers. Ook het aantal medewerkers nam toe. P.F.A. Driessen, J.A.L. Lemmens, H. Putters, P.G.J. Janssen, J.J.F.M. Senden, J. Joosten, J.R. Dautzenberg, J. Martens, P.H. Kardurk en naderhand M.J.H. Edelhausen, M. Hoogveld, F. Kortbeek, A. Laeven, P. Duyx en H. Quicken en anderen sloten zich bij de groep aan. 8]
In het najaar van 1943 bracht kapelaan Th.J. Snackers de groep van Bensen en Crasborn in contact met de L.O. Vanaf dat moment raakte de ontwikkeling in een stroomversnelling. J. Hendrikx en kapelaan J. Berix polsten de twee leiders of ze bereid waren voortaan hun diensten ter beschikking te stellen van de L.O. Op voorwaarde dat de groep zelfstandig bleef gingen ze ermee akkoord. De organisator van de K.P.’s in Zuid-Nederland, Th. Dobbe, reisde verscheidene keren naar Heerlen om zich van de ontwikkeling van de Heerlense K.P. op de hoogte te stellen en instructies te geven.
De voorbereiding en uitvoering van acties alsook het gebruik van wapens en explosieven vereiste immers scholing. Bensen trad op als organisator en onderhield het contact met knokploegen buiten de provincie, zoals de K.P.’s in Nijmegen, Arnhem en Den Bosch, waaraan hij springstoffen uit de mijnen leverde. Ofschoon de Heerlense groep zich stilaan tot een K.P. ontwikkelde, bleven de meeste medewerkers tevens andere illegale werkzaamheden verrichten. 9]
Een van de eerste acties van de K.P.-Heerlen vond plaats op verzoek van de L.O.-er B.J.C. van Kooten uit Klimmen: in de nacht van 8 op 9 maart 1944 werden dertig radio’s uit een schoolgebouw in Klimmen ontvreemd. Reeds de volgende nacht stond een overval op het politiebureau, het gemeentehuis en het distributiekantoor in Heerlen op het programma (zie hoofdstuk VI, paragraaf V.5.1.). Tot september 1944 volgde nog een groot aantal acties. Die vonden zeker niet allemaal na ruggespraak of in opdracht van de L.O. plaats. Hoewel van de meeste Heerlense K.P.-acties niet bekend is wanneer ze precies plaatsvonden en wie er aan deelnamen - soms kreeg men steun van illegale werkers uit de plaatsen waar de overval werd gepleegd - kan wel een indruk worden gegeven van de aard ervan: het ontvreemden van auto’s en een motor, overvallen op opslagplaatsen van schoeisel, benzine, eieren, boter, meel, textiel en fietsbanden. Ook lichtten de K.P.-ers de bevolkingsregisters van Mechelen, Schinnen en Schinveld en overvielen ze het distributiekantoor van Valkenburg. Een overval op het politiebureau en het distributiekantoor van Brunssum mislukte (zie hoofdstuk IX, paragraaf IV). Sommige acties geschiedden in samenwerking met de K.P.-Sittard (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.8. en VIII.6.) en de R.V.V. Zwarthandelaren werden aangepakt en enkele geruchtmakende liquidaties of pogingen daartoe uitgevoerd zoals de aanslagen op de landwachters M. Raeven in Heerlen, Drost in Hoensbroek en H. Feenstra in Schaesberg, de N.S.B.-er Francotte in Heerlen, distributiekantoor-controleur Grummen en de S.S.-er Weber in Heerlen. 10]
Op het gebied van sabotage liet de K.P.-Heerlen zich evenmin onbetuigd. In hoeverre de ploeg te maken had met de hooi- en strobranden in 1944 staat niet vast. Voor het knoeien met de wegwijzers, het onklaar maken van Duitse (militaire) transportmiddelen, de brandstichting in een opslagloods van radio’s en de verstoring van telefoonverbindingen waren de K.P.-ers ongetwijfeld verantwoordelijk. Dat laatste bereikten ze niet alleen door kabels door te snijden, maar ook door koningswater, een mengsel van zoutzuur en salpeterzuur, in centrale schakelmechanismen te laten lopen. In april en mei 1944 richtten de K.P.-acties zich hoofdzakelijk tegen elektrische hoogspanningsmasten in Zuid-Limburg. Bij sommige van die aanslagen kregen ze hulp van de R.V.V.
Op 17 april, even na elf uur ’s avonds, trachtte een paar K.P.-ers ter hoogte van Nuth een 56 meter hoge electriciteitsmast op te blazen. Het daartoe benodigde dynamiet was geleverd door ir. J. Knoups van de Oranje Nassaumijn III. Het ijzer van twee van de vier pijlers scheurde. De mast stond op instorten, maar bleef overeind staan. De avond daarop was de hoofdhoogspanningsleiding bij Born het doelwit. Alle vier de pijlers werden opgeblazen en scheurden, maar opnieuw viel de mast niet. De elektriciteitskabels hielden het gevaarte overeind. Medewerkers van de P.L.E.M. vonden het echter niet langer verantwoord deze verbinding te gebruiken en besloten voorlopig elektriciteit uit Noord-Brabant te betrekken. Twee dagen later, op 20 april, was de leiding die een Duitse en een Belgische centrale aan elkaar koppelde aan de beurt. De springlading aan de pijlers van twee masten ter hoogte van Simpelveld bleek niet krachtig genoeg. De masten liepen lichte schade op. Een kleine maand later, op 17 mei, herhaalden de K.P.-ers de actie, nu met meer succes. Beide masten werden zwaar beschadigd waardoor de stroomtoevoer enkele dagen stagneerde. Een poging om een mast bij Hoensbroek op te blazen werd verijdeld. Een wandelaar ontdekte de springlading en waarschuwde meteen de autoriteiten die de lading onschadelijk lieten maken. 11]
Als gevolg van de bevrijdingsactie van koerier Crijns (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.1.) uit het Heerlens ziekenhuis moest Bensen in april 1944 onderduiken. Hij verdween uit Limburg. Diezelfde maand nog werd een ingrijpende reorganisatie van de knokploegen in Limburg doorgevoerd. Crasborn schoof door naar een leidende K.P.-functie op provinciaal niveau en de Heerlense K.P. ging op in de K.P.-Zuid-Limburg. Ofschoon Crasborn nog opdrachten verstrekte aan zijn voormalige ploeg, leidde J. Lemmens sedert de reorganisatie de Heerlense tak van de K.P.-Zuid-Limburg. Vlak voor de zomer dook Lemmens onder in Bussum, waar hij tot eind augustus/begin september verbleef. Zijn opvolger H. Quicken gaf tot de bevrijding leiding aan de Heerlense ploeg. 12]
Hoewel de Sipo de K.P.-Heerlen niet op het spoor kon komen, kreeg de ploeg in de zomer van 1944 met tegenslag te maken. Op 10 juli arresteerde de Sipo M. Edelhausen en P. Kardurk die van een wapentransport op weg naar huis waren. De Duitsers wachtten de twee in Heerlen op. Tot hun bevrijding op 14 april 1945 verbleven de twee in Duitse strafkampen. 13]
De K.P. ondervond veel steun van de verloskundigen mevrouw A.M. Bensen-Offermans en mejuffrouw J.G. Scholten. Zij genoten uit hoofde van hun beroep veel bewegingsvrijheid en stelden hun woning ter beschikking van de K.P.-ers die er vergaderden. Tevens konden de K.P.-ers gebruik maken van hun auto voor het vervoer van vluchtelingen, wapens en explosieven. Op 14 augustus ontving mevrouw Bensen bericht van de gemeentepolitie dat de Sipo op het punt stond haar in hechtenis te nemen. Haar auto was gesignaleerd bij de gecombineerde actie van de K.P. en R.V.V. in Brunssum op 5 augustus. Er zat niets anders op dan onder te duiken. Omdat ze haar praktijk niet zomaar wilde achterlaten, vroeg ze de vriendin van de K.P.-medewerker W. Rooyackers tijdelijk op haar woning te passen. Rooyackers begeleidde zijn vriendin diezelfde avond nog naar de woning van mevrouw Bensen. Even na middernacht vertrok mevrouw Bensen naar haar duikadres. Rooyackers vroeg of hij een eindje mee kon rijden. Onderweg stuitten de twee op een patrouille van Sipo-leden en landwachters. ’s Middags was namelijk een aanslag gepleegd op M. Raeven. Nitsch en Elsholz bevonden zich in verband met het onderzoek nog in Heerlen. Toen Rooyackers het gezelschap opmerkte, sprong hij meteen uit de wagen. Mogelijk zag men dat, want mevrouw Bensen moest halt houden en uitleggen waar ze zo laat naar toe ging. De verloskundige vertelde dat ze onderweg was naar een bevalling. Haar verklaring werd geaccepteerd, maar de auto moest ze achterlaten. Ze kon net zo goed de fiets nemen vonden de Sipo-beambten. De volgende dag bereikte haar een geruststellend bericht uit Maastricht. Ze kon haar auto komen ophalen. De Sipo was dus kennelijk niet van plan haar te arresteren. Toen Rooyackers dit hoorde, wilde hij coûte que coûte mee naar Maastricht om de zaak nader toe te lichten. ’s Middags namen mevrouw Bensen en Rooyackers de trein naar Maastricht.
Ze moesten plaatsnemen in de wachtkamer van het pand aan de Wilhelminasingel. Eerst werd mevrouw Bensen opgehaald. Na een verhoor van vier uur was het de beurt aan Rooyackers. Beiden werden in hechtenis genomen. Bij de overval op het Huis van Bewaring van Maastricht op 5 september werd mevrouw Bensen bevrijd. Rooyackers belandde in Vught, waar hij op 6 september werd doodgeschoten. 14]

II.4. De knokploeg van Nijmegen

Bij de beschrijving van de aansluiting van de Limburgse knokploegen bij het landelijk netwerk is het van belang de ontwikkelingen in Nijmegen nader te beschouwen. Evenals bij de Limburgse L.O. vervulde de Gelderse stad een brugfunctie.
De geschiedenis van de Nijmeegse K.P. begon in het voorjaar van 1943 toen de door het land zwervende Th. Dobbe zijn gezin onderbracht in Velp. Zelf vestigde hij zich korte tijd later in Nijmegen, waar hij in mei of begin juni in aanraking kwam met de jezuïet pater Ten Berge. Deze bracht Dobbe in contact met hulpverleners van onderduikers zoals pater J. van Doormalen en A.H. Poelen. De nieuwkomer liet er geen gras over groeien en begon voortvarend aan de vorming van een knokploeg. Zijn medewerkers vond hij voornamelijk in kringen rond Poelen en Van Doormalen. Dobbes inspanningen resulteerden op 17 juni 1943 in de oprichting van de K.P.-Nijmegen, een bundeling van diverse vriendengroepjes. De ploeg opereerde onafhankelijk en kende een sterk saamhorigheidsgevoel. Vanwege de losse structuur kon de K.P. verschillende acties tegelijkertijd ondernemen. Naar aanleiding van de mislukte aanslag op 24 september op C. van de Burch, die in de groep-Poelen was geïnfiltreerd, zag Dobbe zich genoodzaakt Nijmegen te verlaten, maar hij bleef zijn K.P. trouw. De opvallend actieve ploeg had inmiddels een hele reputatie opgebouwd. K.P.-ers uit het Brabantse Boekel, geleid door L.A. van Druenen, sloten zich bij de Nijmeegse ploeg aan. Weldra telde de groep circa dertig medewerkers. 15]
In het najaar bracht de L.O.-Top medewerker G. Pruys uit Arnhem Dobbe in contact met L. Scheepstra. Kort tevoren was besloten tot de oprichting van de L.K.P. en Pruys en Scheepstra begrepen dat de ploeg van Dobbe uitstekend paste in de nieuwe organisatie. Klaarblijkelijk had Scheepstra veel vertrouwen in de Nijmeegse K.P.-leider, want hij vroeg Dobbe de organisatie en coördinatie van de K.P.’s in Noord-Brabant en Limburg op zich te nemen. J. Hendrikx stelde zich beschikbaar als contactpersoon voor Limburg en kreeg door de verbinding met Dobbe een steeds hechtere band met de K.P.-Nijmegen. In januari 1944 kwam voor het eerst een verbinding tot stand tussen Dobbe en de Limburgse K.P.-leiders Houwen en Bensen. Spoedig bleek dat het organisatorisch werk achter de schermen Dobbe niet lag. Zijn voorkeur ging uit naar een actieve deelname aan het K.P.-verzetswerk. Dat leidde ertoe, dat de toch al zelfstandige Limburgse K.P.’s vooralsnog min of meer aan hun lot werden overgelaten. Van een intensief contact met de L.K.P. was althans geen sprake.
Dobbe en een deel van zijn Nijmeegse knokploeg richtten hun aandacht steeds meer op het opsporen en liquideren van (potentiële) infiltranten en verraders. Het initiatief daartoe was uitgegaan van J. Hendrikx, die al eerder een recherchecentrale in Nijmegen in het leven had geroepen. Dobbe vond het een fascinerende taak, die hem op het lijf was geschreven. In overleg met J.C. Gerritsen uit Velp, die sedert november 1943 als zijn rechterhand fungeerde, beraamde en voerde hij nog wel een aantal acties uit, maar het accent verschoof meer en meer naar zijn nieuwe taak, wat in het voorjaar van 1944 resulteerde in de oprichting van een speciale groep, de Knokploeg Opsporing (K.P.O.). Zelfs nadat hij in maart 1944 in de K.P.-Top was opgenomen, bekommerde Dobbe zich nauwelijks om organisatorische werkzaamheden. Anderen, zoals J.G. de Groot, namen de oprichting, begeleiding en coördinatie van de knokploegen in Noord-Brabant voor hun rekening. Op 5 september 1944 kwam Dobbe om het leven toen hij bij de jacht op de verrader J. den Droog werd aangehouden en probeerde te vluchten. 16]

II.5. Landelijke verbindingen en reorganisatie

In de paragrafen II.2 en II.3 is geconstateerd dat de knokploegen in Helden en Heerlen spontaan ontstonden, zich tamelijk zelfstandig ontwikkelden en die zelfstandigheid koesterden. Ofschoon de banden met de L.O. gaandeweg hechter werden, slaagde Dobbe er niet in de twee K.P.’s zo te reorganiseren dat ze - conform de wens van de landelijke leiding - gecoördineerd optraden en inpasbaar waren in de landelijke K.P. Beide ploegen hadden inmiddels aangetoond op eigen kracht te kunnen functioneren. Een al te rigoureuze aanpak zou op tegenstand zijn gestuit. Dobbe was er de man niet naar om op een dergelijke wijze in te grijpen. Het integratieproces zou ongetwijfeld in het slop zijn geraakt als in Limburg geen stemmen waren opgegaan om de activiteiten meer op elkaar af te stemmen, de leiding te professionaliseren en de K.P.’s aan de L.O. te koppelen. Begin 1944 stelde kapelaan Naus voor om naast de bestaande nieuwe knokploegen op te richten in Maastricht, Venlo, Hoensbroek en Horst. Secretaris Moonen gaf uiting aan zijn ongenoegen over het functioneren van de twee K.P.’s: “Er wordt maar door elkaar heengewerkt en aan de leiding in Limburg of aan de Top-leiding is niets bekend”. 17]
In hoeverre men deze kritiek ter harte nam staat niet vast. Vooralsnog wierpen de eerste aanzetten om tot samenwerking te komen geen vruchten af. De vroegste contacten tussen Helden en Heerlen dateren van maart 1944. Ze hingen samen met het plan om het Huis van Bewaring in Maastricht te overvallen. De overval ging niet door. Naar aanleiding van de arrestatie van Th. Crijns uit Heerlen bracht kapelaan P. van Enckevort de twee knokploegen eind april opnieuw met elkaar in contact. Tot een gezamenlijke actie kwam het ook nu niet (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.1.). Door de affaire-Crijns moest G. Bensen onderduiken en viel Houwen in Duitse handen. Bensen vertrok uit Limburg.
Eind april vond, vermoedelijk op initiatief van F.M. Meulenkamp, een bijeenkomst plaats van vertegenwoordigers uit L.O. en L.K.P. in het zusterklooster in Meerssen. Meulenkamp had deel uitgemaakt van de verzetsorganisatie “Oranje Vrijbuiters”. Toen deze groep in augustus 1943 opgerold en uiteengevallen was, kwam hij bij de knokploegen terecht en raakte met L. Valstar betrokken bij de organisatie van de K.P.’s in het westen van het land. Na de arrestatie van zijn koerier vertrok Meulenkamp in november 1943 vanuit Rotterdam naar Eijsden, waar hij verbinding kreeg met de L.O.-Maastricht. Die zorgde ervoor dat hij in Meerssen kon onderduiken. Het Maastrichts L.O.-districtshoofd J. Lokerman, J. Vrij en kapelaan J. Naus zochten hem in januari of februari 1944 in Meerssen op. Omdat Dobbe in gebreke bleef, verzochten ze Meulenkamp de reorganisatie en verdere uitbouw van de Limburgse knokploegen op zich te nemen. Naus zou hem de nodige verbindingen verschaffen. Meulenkamp stemde ermee in en vroeg de Maastrichtse politiebeambte E. van der Noordaa hem daarbij te helpen. In februari en maart vonden de eerste oriënterende besprekingen plaats in Meerssen, maar resultaat leverden die vooralsnog niet op. Het staat niet vast of Dobbe die bijeenkomsten bijwoonde.
Op de vergadering van eind april in Meerssen, waar naast Meulenkamp onder meer kapelaan Naus, kapelaan J. Joosten, J. Vrij, J. Crasborn, E. van der Noordaa, G. Kuiper, J. Frantzen en H. Bouten aanwezig waren, werden een aantal principebesluiten genomen die een einde moesten maken aan de verwarring. Kort tevoren had J. Hendrikx in Nijmegen de landelijke K.P.-leiding alle medewerking toegezegd bij de pogingen de K.P.’s in Limburg beter te organiseren. Crasborn was hem terwille geweest en had zich bereid verklaard de leiding van de Zuidlimburgse knokploegen op zich te nemen. Vooralsnog was het bij een mondelinge toezegging gebleven. Het werd kortom de hoogste tijd spijkers met koppen te slaan. De provincie werd opgesplitst in drie rayons: noord, midden en zuid. Crasborn kreeg de leiding over de gezamenlijke Limburgse knokploegen. Teneinde L.O. en K.P. beter op elkaar af te stemmen werd Crasborn bovendien uitgenodigd zitting te nemen in de gewestelijke duikraad van de L.O. Frantzen trad voortaan op als intermediair tussen de twee organisaties. Hij en Meulenkamp werden tevens verantwoordelijk voor het contact met het Huis van Bewaring in Maastricht. Dobbe, die zich mogelijk gepasseerd voelde, liet weten een tegenstander van de reorganisatieplannen te zijn. In hoeverre B. van Kooten, G. Kuiper en Meulenkamp erin slaagden hem van mening te doen veranderen bij hun bezoek aan Dobbe in Elst is niet bekend. Door zijn eigen verzaken en de hieruit voortkomende initiatieven van de L.O.-leiding en Meulenkamp was Dobbe langzamerhand buitenspel komen te staan. 18]
Op papier was de reorganisatie nu rond, maar de praktijk gaf een ander beeld te zien. Van coördinatie en samenwerking was nauwelijks sprake. De knokploegen bleven tamelijk zelfstandig optreden. De K.P.-Sittard, die toch al grotendeels los stond van elk georganiseerd provinciaal verband, was zelfs niet eens bij de herstructurering betrokken. Pas na de overval in Weert op 21 juni 1944 (zie hoofdstuk VI, paragraaf VI) leken de geesten voldoende gerijpt voor een ingrijpende verandering. Een geïrriteerde Moonen maande niet alleen tot grotere voorzichtigheid, maar gaf tevens te verstaan dat het afgelopen moest zijn met lukraak schieten en kraken. De gebeurtenissen in Weert veroorzaakten een schokeffect en de vermaningen van Moonen werden ten langen leste ter harte genomen. Op een bijeenkomst in een klooster te Heerlen begin juli 1944 - hoogstwaarschijnlijk hebben er meer besprekingen plaatsgevonden - waaraan onder anderen Crasborn, P.F.A. Driessen, H.J.H. Bouten, B.J.C. van Kooten, kapelaan P.G. van Enckevort en J.W.H. Frantzen deelnamen, herbevestigden de aanwezigen de afspraken van april. Er werden enkele wijzigingen aangebracht: de K.P.-Midden-Limburg, die nimmer van de grond was gekomen, kwam te vervallen en Frantzen zou voortaan optreden als plaatsvervanger van Crasborn, die Limburg en naderhand ook Noord-Brabant vertegenwoordigde in de L.K.P.-Top. Hierdoor kreeg Dobbe, die sinds 14 juli 1944 geen deel meer uitmaakte van de L.K.P.-Top, de handen vrij om zich volledig op zijn K.P.-Opsporing toe te leggen. Niettemin was er sprake van enige rivaliteit tussen hem en Crasborn, die immers Dobbes plaats in de L.K.P.-top overnam.
De leiding van de K.P.-Limburg zag er voortaan als volgt uit: provinciaal leider en vertegenwoordiger in de gewestelijke L.O.-duikraad en de L.K.P.: J. Crasborn; provinciaal plaatsvervanger: J. Frantzen; leiding K.P.-Noord-Limburg: H. Bouten; leiding K.P.-Zuid-Limburg: P. Driessen. 19]
Crasborn gaf Bouten en Driessen opdracht nieuwe knokploegen te formeren. B. van Kooten, die in de zomermaanden de provincie afreisde als L.O.-voorman, was hen daarbij behulpzaam. Weldra ontstonden twee K.P.-commandocentrales: Swalmen voor Noord- Limburg en Ulestraten voor Zuid-Limburg. Met name in het midden en noorden van de provincie schoten nu K.P.’s als paddestoelen uit de grond. Tot de Noordlimburgse K.P. behoorden groepen uit Vierlingsbeek, Maas en Waal, Venlo en ploegen uit Reuver, Maasbracht, Stevensweert, Heythuysen, Weert, Meijel en Gennep, ook wel “wilde” K.P.’s genoemd, waarmee wellicht werd gedoeld op het spontane en tamelijk vrijgevochten karakter van deze ploegen. De K.P.-Heerlen, die in de zomer haar werkterrein aanzienlijk uitbreidde, vormde de kern van de Zuidlimburgse K.P. Welke rol de K.P.-Sittard in het nieuwe verband speelde is niet duidelijk, maar vermoedelijk bleef de ploeg zelfstandig. Nieuwe knokploegen ontstonden in Maastricht, Hoensbroek en Eygelshoven. Van de activiteit van deze groepen is weinig bekend. 20]

II.6. De K.P.-Noord-Limburg

Na het uiteenvallen in april 1944 van de K.P.-Helden vroeg de Venlose L.O.-districtsleiding bij monde van A. Slikker H. Bouten een nieuwe knokploeg te formeren. Dat de keuze op Bouten viel lag voor de hand. Al eerder had de L.O.-er uit Velden aangetoond geschikt te zijn voor het K.P.-werk. Op 18 februari had Bouten de K.P.-Nijmegen bij een overigens mislukte overval op het politiebureau van Venlo geassisteerd.
Bouten begon zijn werkzaamheden voor de K.P. dus op een tijdstip dat men de beoogde reorganisatie eindelijk gestalte wilde gaan geven. Hij werd benoemd tot K.P.-leider van Noord-Limburg, een K.P. die als organisatie in feite nimmer bestond. Als een actie op touw werd gezet, schakelde Bouten plaatselijke verzetsmensen of personen uit zijn eigen verzetskring in. De samenstelling van zijn K.P. verschilde per plaats en per actie. Er bestond slechts een kleine kern van vaste medewerkers. Daarmee zette Bouten tot op zekere hoogte de Heldense traditie voort. De L.O. in Noord- en Midden-Limburg deed slechts bij uitzondering een beroep op de K.P. De behoefte aan een knokploeg was niet groot vanwege het relatief breed maatschappelijk draagvlak van de L.O. Door ad hoc groepjes samen te stellen lukte het doorgaans de ergste problemen op te lossen.
Tot september 1944 deed de Noordlimburgse K.P. nauwelijks van zich spreken. De activiteiten bleven beperkt tot een overval op het distributiekantoor van Helden, uitgevoerd met hulp van oud-medewerkers van Houwen, een overval op het gemeentehuis van Vierlingsbeek (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.10.) en acties tegen zwarthandelaren. Een aanslag op de Venlose politiecommissaris O. Couperus op 10 juli 1944 mislukte en een voorgenomen overval op het distributiekantoor van Bergen kon achterwege blijven omdat de zaak reeds van binnenuit was georganiseerd.
Verscheidene van de in de loop van de zomer ontstane en aan de Noordlimburgse K.P. gelieerde groepen kwamen eveneens in actie. De K.P.-Maasbracht vernielde de elektromotoren in de sluis van Linne en de K.P.-Heythuysen kwam in het geweer ten tijde van de Duitse terugtocht (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.3.5. en VII-I.3.8.). De K.P.-Reuver belastte zich met de hulp aan ontsnapte Russische krijgsgevangenen, ondernam acties tegen zwarthandelaren, ontvreemdde enkele partijen koolzaad, waaruit olie voor de onderduikers werd geperst, en pleegde een overval op een zuivelbedrijf in Broekhuizen. J.H. Goossens, die enige tijd aan Duitse zijde in de Sovjetunie had gevochten, maar tijdig tot inkeer was gekomen en zich eind 1943 bij de Reuverse illegaliteit had aangesloten, nam verscheidene liquidaties voor zijn rekening (zie paragraaf II.9. en hoofdstuk VI, paragraaf VIII.2.2.). 21]
Ofschoon al deze groepen op papier deel uitmaakten van de K.P.-Noord-Limburg, was er van een bundeling geen sprake, laat staan van intensieve contacten en samenwerking met de K.P.-Zuid-Limburg. De K.P.-leiders kenden elkaar slechts vluchtig. Pas in september 1944 kwam daar enige verandering in toen een gedeelte van de Noordlimburgse K.P. zich onder leiding van Bouten en Crasborn terugtrok in de bossen bij Baarlo op de westelijke Maasoever. 22]

II.7. De K.P.-Zuid-Limburg

Toen begin juli 1944 de reorganisatie van de Limburgse K.P.’s haar beslag kreeg, telde Zuid-Limburg twee K.P.’s, één in Heerlen en één in Sittard. De groep in Sittard bleef, zoals gezegd, zelfstandig en stond vermoedelijk los van de nieuwe formatie onder leiding van Driessen uit Heerlen, een machineconstructeur op de Oranje Nassau-mijnen. Hij was zijn loopbaan in het verzet begonnen met hulpverlening aan joodse onderduikers, waardoor hij in aanraking kwam met de Heerlense K.P. In het voorjaar van 1944 nam hij aan verscheidene acties deel. Als K.P.-leider van Zuid-Limburg legde hij zich toe op het werven van nieuwe medewerkers en het geven van instructies. 23] Tot de nieuwkomers behoorden de pilotenhelpers K. Koers en E. Bakker die in de regio Geulle werkzaam waren. Na de invasie in Normandië hoefden er bijna geen piloten meer geholpen te worden. Koers was nauw betrokken bij de voorbereiding van een overval op het kamp Vught, die uiteindelijk niet doorging. Ook probeerde hij een gedeelte van de wapens in handen te krijgen die door Britse vliegtuigen in de buurt van het Belgische Rekem waren afgeworpen. Ze waren hem door Belgische collega’s uit de illegaliteit toegezegd. Er bleek echter verraad in het spel te zijn. De Rekemse illegaliteit liep zware klappen op, maar de wapens vielen niet in Duitse handen. Ze werden door een binnenschipper naar Antwerpen vervoerd. 24]
Na het verraad van Wittem (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.7.) sloten J.H. Coenen uit Simpelveld en W.J. Francotte uit Vaals, die tot de zomer van 1944 in Amsterdam voor het illegale blad “Je Maintiendrai” had gewerkt, zich bij de K.P. aan. Zij namen deel aan de overval op het Huis van Bewaring van Maastricht op 5 september. 25] In Hoensbroek en Eygelshoven werden nieuwe K.P.’s opgericht. Pogingen van J. Lokerman en J. Janssen in het voorjaar van 1944 om in Maastricht een K.P. te formeren hadden telkens weer schipbreuk geleden. Janssen had zelfs leden van de plaatselijke boksvereniging gepolst. Pas in de allerlaatste fase van de bezetting lukte het een knokploeg samen te stellen, waarvan onder anderen A.H. Gielens en J.A. Knoop deel uitmaakten. Deze groep werd na de bevrijding herhaaldelijk verward met een R.V.V.-ploeg van W. Hochstenbach. De K.P.-Maastricht kwam nimmer in actie. 26]
In hoofdstuk VI zagen we dat Driessen c.s. beschikten over een gevangenis in de mergelgrotten bij Geulhem, waar regelmatig verdachte personen en lastige onderduikers vastgehouden en verhoord werden. Doorgaans nam de fors gebouwde Francotte de bewaking van de “gevangenen” voor zijn rekening.27]
De K.P.-centrale was gevestigd in Ulestraten ten huize van C.J.H. Janssen. Hij verleende reeds langere tijd onderdak aan K.P.-ers uit Heerlen. Sedert de zomer van 1944 hielden provinciale en landelijke K.P.-leiders regelmatig vergaderingen in zijn woning. Er lagen wapens, munitie en springstoffen opgeslagen. Janssen trad op als ordonnans voor de K.P. Dat de K.P.-centrale in Ulestraten werd gevestigd hing ook samen met de aanwezigheid van Meulenkamp in het dorp. Een verbindingsman van de L.O.-Maastricht had hem naar Ulestraten gestuurd om bij gemeenteambtenaar J.H.J.L. Zeehandelaar zijn vals persoonsbewijs op te halen. Op verzoek van Meulenkamp sloot Zeehandelaar zich bij de K.P. aan. Meulenkamp besloot in het rustige dorp te blijven. Minstens tien inwoners boden weldra spontaan hun diensten aan de K.P.-organisator aan. 28]
Het is niet bekend hoeveel medewerkers de K.P.-Zuid-Limburg aan de vooravond van de bevrijding telde, vermoedelijk tussen de vijfentwintig en dertig. Ze beschikten allemaal over een pistool. Bovendien lagen in Heerlen nog enkele wapens, handgranaten, tijdbrandbommen en dynamiet opgeslagen. Voor het vervoer stonden de K.P.-ers zes personen- en vrachtauto’s en een motorrijwiel ter beschikking. De interne en externe verbindingen werden onderhouden via de telefoon en door koeriers. 29]
Aan de betrekkelijke rust in Ulestraten kwam begin september abrupt een einde. Op dinsdag 5 september bezochten J. Coenen en W. Francotte Koers in Geulle om er twee auto’s op te halen die nodig waren voor de overval op het kamp Vught. Ze reden de auto’s naar de boerderij van J.F.A. Horsmans in Ulestraten, waar tevens wapens waren verborgen. ’s Middags kreeg Horsmans bericht dat Duitse militairen bij hem zouden worden ingekwartierd. Omstreeks zes uur lichtte hij H. Quicken in de K.P.-centrale hierover in. Deze gaf Coenen, Francotte en Meulenkamp opdracht de auto’s en wapens onmiddellijk uit de boerderij van Horsmans te verwijderen. Ze verstopten die in een bos. Tegen negen uur keerden ze terug naar de boerderij, waar inmiddels tientallen Duitse militairen rondliepen. Het drietal gedroeg zich in de ogen van de militairen nogal zonderling. Ze moesten hun legitimatiebewijs laten zien. Coenen maakte er zo’n theater van dat Meulenkamp kans zag te vluchten. Hij verdwaalde in de bossen, maar bereikte uiteindelijk Meerssen. Pas na drie dagen keerde hij terug naar Ulestraten. Coenen werd gefouilleerd. Toen hij in het bezit van een pistool bleek, ontstond grote opschudding onder de militairen. Men had blijkbaar met twee “terroristen” te maken. Er volgde een kort beraad. Omstreeks half tien brachten vier militairen Coenen en Francotte naar een hotel in Valkenburg. De in het hotel ingekwartierde soldaten, die opgewonden en nerveus waren, onderwierpen hen aan een kort verhoor dat met schelden en dreigementen gepaard ging. Een dronken S.S.-officier wilde hen executeren, maar de militairen konden het onderling niet eens worden. Daarop brachten de vier bewakers Coenen en Francotte omstreeks tien uur naar een ander hotel, waar achttien militairen waren ingekwartierd. Die besloten over het lot van de twee te stemmen.
Een meerderheid was voor de doodstraf. Tegen half elf brachten zes militairen de twee K.P.-ers naar het hotel van de Ortskommandant. Onderweg werden de twee ernstig mishandeld. Ruim een uur later begaven de soldaten zich naar de Cauberg. Daar werden Coenen en Francotte op bevel van majoor Bernardt doodgeschoten. De volgende dag ontdekte een passant de lijken langs de weg. Coenen en Francotte waren met hun polsen aan elkaar gebonden, hun schedel was ingeslagen en ze hadden ernstige verwondingen aan hun gezicht. Een nekschot had een einde aan hun leven gemaakt. Bij de stoffelijke resten lag een bordje met het opschrift “terroristen”. 30]
Ruim een week na de executies op de Cauberg bereikten de bevrijders de Nederlandse grens bij Eijsden. Aan sabotage van enige omvang kwam de Zuidlimburgse K.P. niet meer toe. Alleen op het terrein van de spoorwegsabotage, waartoe begin september opdracht was gegeven, werd nog enig resultaat bereikt. De meeste K.P.-ers werden onder leiding van B.J.C. van Kooten opgenomen in de nieuw geformeerde Stoottroepen.

II.8. Augustus-september 1944: algemene ontwikkeling, voorbereiding en uitvoering van sabotage

In april 1944 stelde J.A. van Bijnen, die via de L.O.-Driebergen was opgeklommen tot een leidinggevende positie bij de knokploegen in westelijk Brabant, de L.K.P.-Top voor de geallieerden op een daartoe geschikt tijdstip te ondersteunen door op uitgebreide schaal spoorwegsabotage te plegen. De K.P.-leiding kon zich met het voorstel verenigen en vroeg Van Bijnen zijn plan voor Zuid-Nederland nader uit te werken. Met zijn kameraad en rechterhand J.J.F. Borghouts ging Van Bijnen aan de slag. Al spoedig kwamen de twee tot de conclusie dat naast het spoorwegvervoer ook het Duits militair wegvervoer zoveel mogelijk gehinderd diende te worden. Dat laatste en sommige vormen van spoorwegsabotage, zoals het losschroeven van rails en het omzetten van wissels, konden worden toevertrouwd aan burgerverzetsgroepen: kleine teams van ongeveer zes personen die bijvoorbeeld gerecruteerd konden worden uit L.O.-ers. Andere vormen van spoorwegsabotage, zoals het opblazen van spoorlijnen, moesten aan de knokploegen worden overgelaten. Op grond van zijn bevindingen stelde Van Bijnen een rapport op, dat hij in de loop van het voorjaar aan de K.P.-Top voorlegde. De landelijke leiding hechtte er haar goedkeuring aan. Meteen begon Van Bijnen met de noodzakelijke voorbereidingen en de omvorming van de knokploegen tot sabotagegroepen. Door tijdgebrek en de overweging dat massale actie van burgerzijde tot grootscheepse represailles kon leiden, vlotte het niet erg met de oprichting van de burgerverzetsgroepen.
Eind juni 1944 verzocht Van Bijnen de L.K.P.-Top, bijeen in Elst in verband met de uitvoering van sabotage-opdrachten, het commando over de knokploegen aan hem over te dragen. Kennelijk achtte de landelijke leiding het daarvoor nog te vroeg. Dobbe onderstreepte dat de L.O. nog steeds grote hoeveelheden bonkaarten nodig had. Voorlopig diende het accent dáár te blijven liggen. In juli stond de kwestie opnieuw op de agenda. De L.K.P. kwam nu aan Van Bijnens wens in zoverre tegemoet, dat hij tot Landelijke Sabotage Commandant (L.S.C.) werd benoemd. Van Bijnen verdeelde het land in vier gewesten en benoemde voor Noord-, Oost- en West-Nederland respectievelijk E.J. Gernaat, K. Stoove en P.W. Hordijk tot Gewestelijk Sabotage Commandant (G.S.C.). In Zuid-Nederland stelde hij J.J.F. Borghouts als G.S.C. aan. De G.S.C.’s benoemden op hun beurt provinciale sabotagecommandanten: voor Noord-Brabant J.G. de Groot en voor Limburg J.R.P. Crasborn. De twee waren bevoegd districtscommandanten te benoemen, maar Crasborn maakte daar - voorzover bekend - geen gebruik van. Na de reorganisatie van de Limburgse K.P.’s hoefde dat wellicht niet meer.
Terwijl Van Bijnen de omvorming van de K.P.’s al vrijwel voltooid had en stond te trappelen om het gezag over de K.P.’s op zich te nemen, aarzelde de landelijke K.P.-leider L. Scheepstra nog steeds. Hij betwijfelde of de oorspronkelijke K.P.-taak wel zo ingrijpend veranderd moest worden. Was het verantwoord de leiding nu al uit handen te geven? Bovendien worstelde hij met de gewetensvraag of hij de K.P.-ers, doorgaans gewone burgers zonder militaire opleiding, mocht blootstellen aan opdrachten waaraan zoveel risico’s verbonden waren. Om meer te weten te komen over de verwachtingen en wensen van de Nederlandse regering zocht Scheepstra eind juli 1944 via een radioverbinding van de O.D. contact met Londen. Een antwoord bleef vooralsnog uit. Nadat hem de garantie was gegeven dat de L.O. voorlopig over voldoende bonkaarten beschikte, hakte hij de knoop door. In hoog tempo naderden de geallieerde legers de landsgrenzen en de bevrijding leek aanstaande. Op 25 augustus droeg Scheepstra het gezag over de knokploegen over aan Van Bijnen.
Deze had in de voorafgaande weken niet stilgezeten. In juli had hij twee agenten van het Bureau Bijzondere Opdrachten (B.B.O.), L.A. de Goede en L.G. Mulholland, ontmoet en gevraagd wapens en explosieven uit Engeland te laten overvliegen. Eind augustus wierpen geallieerde toestellen een eerste zending af boven de Veluwe. Het materiaal werd naar Apeldoorn getransporteerd in afwachting van verdere distributie. Enkele dagen later, op 2 september, kwam vanuit Engeland het sein om met de spoorwegsabotage te beginnen. Voor Van Bijnen kwam die opdracht eigenlijk iets te vroeg. Hoewel zijn ploegen klaar waren voor de nieuwe taak, ontbrak het de L.S.C. aan een goed communicatienet. Een eigen verbindingsnet was nog niet operationeel, zodat men zijn toevlucht moest nemen tot het reguliere en het clandestiene P.T.T.-net van de C.I.D. (zie hoofdstuk VI, paragraaf IV.4.), waarvan vanaf 4 september gebruik werd gemaakt. Voorts stelde de inlichtingendienst “Albrecht” haar communicatienet vanaf 6 september ter beschikking. 31]
Na het verzoek aan de twee B.B.O.-agenten om wapens en explosieven gelastte Van Bijnen Crasborn zijn hoofdkwartier naar Midden-Limburg te verplaatsen aangezien in die regio een wapendropping werd verwacht. In de tweede helft van juli vestigden Crasborn en Van Kooten zich op uitnodiging van J. Frantzen in diens woonplaats Swalmen. Ze vonden onderdak op de monumentale hoeve “De Baxhof” van de familie Poels aan de rand van het dorp.
Omdat Crasborn vanwege zijn talrijke functies veel onderweg was, verving Frantzen hem steeds vaker. Laatstgenoemde nam een nogal merkwaardige positie in. Hij maakte namelijk deel uit van zowel de L.O. en de K.P. als van de O.D. In al deze organisaties bekleedde hij belangrijke posten. Daardoor was hij vrij nauwkeurig op de hoogte van de meest recente ontwikkelingen. Toen de Gewestelijke Sabotage Commandant Borghouts eind juli een bezoek bracht aan Frantzen in Swalmen en aandrong op meer sabotageactiviteiten, gaf Frantzen hem te verstaan dat men zeer wel in staat was dergelijke beslissingen zelf te nemen. Klaarblijkelijk voelde hij er weinig voor opdrachten aan te nemen van iemand van buiten de provincie die kwam vertellen wat de Limburgse illegaliteit, in casu de knokploegen, moest doen. Borghouts keerde onverrichterzake naar zijn standplaats Eindhoven terug. Begin september kwam het tot een incident, dat samenhing met de groeiende frictie tussen O.D. en K.P. Andermaal speelde Frantzen een centrale rol. In overeenstemming met kort tevoren gemaakte afspraken tussen L. Jans, Van Kooten, Crasborn en Frantzen (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.2.) gaf laatstgenoemde opdracht aan P.F.A. Driessen zijn manschappen ter beschikking te stellen van de O.D. Toen Crasborn dit vernam, verbood hij Driessen hieraan gehoor te geven. Een inderhaast in Swalmen belegde bespreking tussen generaal-majoor Jans, Crasborn en Van Kooten bracht geen uitkomst. Frantzen keerde de K.P. de rug toe. Van Kooten volgde hem meteen als plaatsvervangend provinciaal K.P.-leider op. Ondanks de meningsverschillen kwam het niet tot een breuk tussen de O.D. en K.P. In een brief van 9 september aan de Limburgse K.P.-leiders kondigden Van Kooten en Crasborn aan dat met de O.D. zou worden samengewerkt, evenwel met behoud van zelfstandigheid. Jans c.s. wisten niet dat de twee toen al met de gedachte speelden een nieuwe, op militaire leest geschoeide organisatie op te zetten, waarin de knokploegen een vooraanstaande rol werd toebedacht. Crasborn gaf Van Kooten opdracht deze kwestie bij de eerste de beste gelegenheid bij de bevelhebber der Nederlandsche Strijdkrachten, prins Bernhard, aan te kaarten (zie paragraaf III). 32]
Om met succes sabotage te kunnen bedrijven moest aan twee voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste waren goede verbindingen met Van Bijnen in Rotterdam en Borghouts in Eindhoven noodzakelijk. Vanaf 4 september kon daarvoor het C.I.D.-net worden gebruikt. Voordien bedienden Crasborn c.s. zich van het reguliere P.T.T.-telefoonnet, maar dat was vanwege afluistergevaar niet van risico’s ontbloot. Precies op 4 september ging het contact met Eindhoven verloren. Ter hoogte van Weert was de telefoonkabel vernield. Het had weinig zin in Swalmen te blijven en af te wachten. In gezelschap van Van Kooten trachtte Crasborn de Maas over te steken. Een dokterstas met medische instrumenten diende als camouflage. Onderin de tas lagen wapens en belangrijke papieren. Bij de rivier hielden twee militairen hen aan. Tot hun opluchting bleef het bij een oppervlakkige ondervraging en een vluchtige blik in de dokterstas. De Maas konden ze echter niet oversteken. Terug in Swalmen stelden ze alles in het werk om de verbinding te herstellen. Dat lukte op 7 september dank zij ir. E.H.G. Moors, een medewerker van de inlichtingendienst “Albrecht” uit Maasniel, die contact met zijn organisatie onderhield via het particuliere P.L.E.M.-telefoonnet (zie hoofdstuk XII, paragraaf II.2.2.). Dit net bleek van buitengewoon veel waarde, want na de bevrijding van Zuid-Limburg was nog tot diep in het najaar telefonisch verkeer mogelijk tussen bevrijd en bezet gebied. Crasborn maakte er dankbaar gebruik van. Hij, Borghouts en Van Bijnen stonden sedert 4 september slechts incidenteel met elkaar in contact. Tussen Crasborn en Van Bijnen vond nog regelmatiger uitwisseling van gegevens plaats dan tussen Crasborn en Borghouts. Mogelijk lagen competentiegeschillen daaraan ten grondslag. De provinciale sabotagecommandant van Noord-Brabant, J. de Groot, klaagde steen en been bij Borghouts dat Limburgse knokploegen op eigen houtje in zijn provincie actief waren en de K.P.-Bakel bij Limburg trachtten in te lijven. Borghouts kon er weinig tegen doen, want de lijn met Limburg was vrijwel altijd dood en als er al contact was betrof het eenrichtingsverkeer, onderhouden door koeriersters. Ook Van Bijnen ondervond van tijd tot tijd hinder van de slechte verbinding met zijn G.S.C. in Eindhoven. Op 11 september benoemde hij daarom Crasborn tot waarnemend G.S.C. in gewest III, dat de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg omvatte. De volgende dag ging hij nog een stap verder en droeg hij het commando over aan Crasborn voor de periode dat Borghouts onbereikbaar bleef. Mogelijk maakte hij de benoeming op 16 september weer ongedaan, maar deze beslissing had weinig om het lijf, want op 18 september werd Eindhoven bevrijd. Enkele dagen later volgde de benoeming van Borghouts tot bevelhebber van de nieuw te vormen Stoottroepen. Crasborns functie was dus niet geheel duidelijk. Hij bevond zich sedert 18 september in een van de rest van het land afgesneden regio en bleef tot de bevrijding, eind november, verstoken van contact met zowel de G.S.C. III als met de L.S.C. 33]
Keren we terug naar de eerste weken van september toen Crasborn vanuit Swalmen leiding trachtte te geven aan de sabotage in de provincie. De verbindingen waren slecht, maar met de bewapening en de hoeveelheid beschikbare munitie en explosieven was het nog droeviger gesteld. Nog niet de helft van de K.P.-ers beschikte over een vuurwapen, berichtte hij Van Bijnen. Met veel moeite had men in de voorgaande jaren en maanden via allerlei wegen enige wapens en munitie bij elkaar weten te sprokkelen. Politiebeambten stonden al dan niet vrijwillig hun wapen af. Voorts ontving men zo nu en dan niet ingeleverde wapens van militairen. Soms lukte het wapens uit neergehaalde geallieerde bommenwerpers te demonteren. Vanuit België werden van tijd tot tijd wapens over de grens gesmokkeld. Ook droegen particulieren en verzetsrelaties in den lande een steentje bij. Slechts bij hoge uitzondering grepen de K.P.-ers naar geweld om aan wapens te komen. Voor springstof waren ze aangewezen op de hulp van mijnbeambten. Trotyl, het meest gebruikte explosief, bleek echter niet altijd even geschikt voor het plegen van sabotage. Begin september legde de Zuidlimburgse illegaliteit de hand op maar liefst duizend kilo trotyl uit de Staatsmijnen. R.V.V.-ers vervaardigden brandbommen, waarvan een gedeelte aan de K.P. ten goede kwam. 34]
Ondanks herhaalde berichten van Van Bijnen dat elk moment een wapendropping in Midden-Limburg kon worden verwacht - de O.D. verwachtte die eveneens en zette op 4 september een terrein bij Sevenum af - bleef die uit. De geallieerden durfden het vanwege de verhoogde Duitse militaire activiteit in Zuid-Nederland niet aan. Het enige waarover de L.S.C. beschikte bestond uit het materiaal dat in de nacht van 27 op 28 augustus in de omgeving van Garderen was afgeworpen. Toen op zaterdag 2 september het bericht doorkwam dat begonnen moest worden met de spoorwegsabotage, liet Van Bijnen de explosieven onmiddellijk distribueren. De G.S.C. van West-Nederland, P.W. Hordijk, reed zondag 3 september in een “geleende” auto van de Nederlandsche Arbeidsdienst naar Swalmen om Crasborn en Van Kooten de voor Limburg bestemde veertien stuks kneedbommen en tijdpotloden te overhandigen en de twee over het gebruik van de explosieven te instrueren. Mogelijk was Limburg meer materiaal toegezegd, maar volgens Crasborn viel dat op de Waalbrug bij Nijmegen in Duitse handen. Door de verwarring in de Duitse gelederen als gevolg van de snelle geallieerde opmars verliep de distributie zonder noemenswaardige problemen. 35]
Omdat de sabotage uitstekend was voorbereid en Crasborn precies wist over welke baanvakken de Duitse militaire transporten liepen, konden de K.P.-ers meteen aan de slag. Zonder daartoe opdracht te hebben ontvangen pleegden ook plaatselijke verzetsgroepjes sabotage. In de nacht van 3 op 4 september kwamen de sabotageploegen van Crasborn in actie. Tussen 3 en 7 september slaagden ze erin de volgende baanvakken korte of langere tijd te blokkeren: Roermond-Venlo, Roermond-Weert ter hoogte van Buggenum, Nijmegen-Venlo, Venlo-Straelen, Venlo-Kaldenkirchen, Sittard-Heerlen, Maastricht-Heerlen en Maastricht-Aken. Sommmige acties waren zeer succesvol. Bij Helenaveen liep een trein uit de rails evenals bij Klimmen, waar twaalf goederenwagons ontspoorden. Andere acties hadden vanwege gebrek aan ervaring met explosieven weinig om het lijf, zoals die bij Buggenum, Swalmen en op de lijn Venlo-Kaldenkirchen. De buiten K.P.-verband gepleegde sabotage op het baanvak Weert-Neerpelt bij Budel leidde tot een drama (zie hoofdstuk IV, paragraaf VII).
Geallieerde gevechtstoestellen ondersteunden de acties in Limburg. Tussen 1 en 7 september werden bij Swalmen en Baexem twee personentreinen vanuit de lucht onder vuur genomen. Er vielen geen slachtoffers. Bovendien schoten de vliegtuigen ter hoogte van Horst-Sevenum en Buggenum twee goederentreinen in brand. Enkele spontaan ontstane burgerverzetsgroepen lieten zich evenmin onbetuigd en belemmerden het Duitse militair wegvervoer door kraaiepoten op de wegen te strooien, wegwijzers te verdraaien, rijdend en rollend materieel te saboteren en communicatiekabels door te knippen zoals tussen Horst en Deurne. 36]
Doordat Crasborn enige tijd verstoken bleef van contact met Van Bijnen, bereikte hem pas op 7 september het inmiddels al weer achterhaalde bevel van de L.S.C. dat de spoorwegsabotage vanaf de namiddag van 5 september moest worden stopgezet. De nieuwe opdracht behelsde de bescherming van nutsvoorzieningen en communicatienetten tegen mogelijke Duitse vernielzucht. Van Bijnen had het bevel met enige tegenzin gegeven. Hij achtte het vrijwel onuitvoerbaar, omdat zijn verzetsgroepen numeriek veruit de mindere waren van de Duitsers. Vanzelfsprekend maakte Crasborn van het herstelde contact gebruik om zijn commandant over de in Limburg behaalde successen te informeren. Via het kanaal van “Albrecht” berichtte hij dat de schade aan de baanvakken nog steeds niet was hersteld. Aan Borghouts meldde hij dat de burgerverzetsgroepen de Duitse terugtocht hinderden. De volgende dag ontving hij een pluimpje van Van Bijnen voor de prestaties van de Limburgse knokploegen in de nachten van 3 op 4 en 4 op 5 september. 37] Dat bericht was overigens op 6 september verzonden. Koeriersters waren er klaarblijkelijk al eerder in geslaagd over de successen te rapporteren. Diezelfde zesde september had de L.S.C. opdracht gegeven de acties van de burgerverzetsgroepen op te schorten. De order om geen spoorwegsabotage meer te plegen was eveneens op 6 september ingetrokken, omdat inmiddels nieuwe sabotage-opdrachten waren binnengekomen.38] In de nacht van 9 op 10 september saboteerde een ploeg het baanvak Maastricht-Sittard ter hoogte van Elsloo. Marechaussees uit Elsloo brachten die nacht een veerpont in het Julianakanaal tot zinken en maakten een ander pont los. Deze dobberde onbestuurd rond op de Maas. De aanvoer van Duitse militairen naar België stagneerde hierdoor korte tijd. 39]
Op 11 september gaf Van Bijnen opdracht de baanvakken Weert-Roermond, Venlo-Kaldenkirchen, Venlo-Straelen, Nijmegen-Venlo, Helmond-Venlo en Eindhoven-Weert door het losschroeven van de rails, met explosieven en alle andere denkbare middelen onklaar te maken. 40] Via het kanaal-Albrecht liet de provinciale sabotagecommandant de volgende dag weten dat de baanvakken Sittard-Geleen, Lutterade-Sittard, Roermond-Haelen, Weert-Budel en Weert-Maarheeze geblokkeerd waren. In hoeverre deze informatie met de actuele stand van zaken overeenkwam, staat niet vast. Bovendien konden deze blokkades niet uitsluitend op naam van de sabotageploegen geschreven worden. Plaatselijke groepjes en R.V.V.-ers hadden eveneens een bijdrage geleverd. Op 13 september berichtte Crasborn dat niet alleen op de eerder genoemde baanvakken maar ook bij Maasbracht en op het baanvak Geleen-Spaubeek blokkades bestonden. De dag daarop liet een ploeg uit Heythuysen een goederentrein bij Haelen ontsporen, hetgeen Crasborn op 15 september doorgaf aan de L.S.C. 41]
Na die datum bereikten noch de G.S.C. III noch Van Bijnen nieuwe berichten over de spoorwegsabotage. De bevrijding van Zuid-Limburg was begonnen. De K.P.-ers in dat deel van de provincie vonden weldra onderdak bij de Stoottroepen. In het midden en noorden van Limburg kwam na de eerste week van september een nieuwe bundeling van enkele knokploegen tot stand, aangevuld met leden van andere verzetsorganisaties en zelfs onderduikers.

II.9. De bossen van Baarlo

Op verzoek van Crasborn, die, om terstond te kunnen optreden wanneer de situatie dat vereiste, zoveel mogelijk K.P.-ers in Noord- en Midden-Limburg wilde concentreren, zond Van Bijnen begin september versterkingen uit Noord-Brabant en Gelderland naar Venlo. Bovendien was de L.S.C. ter ore gekomen dat een groot aantal gevangenen uit Vught naar Duitsland zou worden gedeporteerd. De K.P.’s uit Schijndel, geleid door P.F. Weemering, en Maas en Waal, geleid door C. van Sambeek, die al eerder opdracht hadden gekregen zich gereed te houden voor een overval op het kamp in Vught, werd opgedragen het gevangenentransport bij Venlo op te vangen en de spoorverbinding met Duitsland te blokkeren. Op 6 september arriveerden de twee K.P.’s, samen ongeveer twintig man, in de beeldenfabriek van A. Gödden in Venlo. Daar kregen ze versterking van medewerkers van de Noord-limburgse K.P. Toen bleek dat het kamp Vught in de twee voorgaande dagen grotendeels was ontruimd, gaf Borghouts - conform de inmiddels afgekondigde beschermingsopdracht - bevel de stuw in de Maas bij Belfeld en de Maasbrug in Venlo te beschermen en onbeschadigd in geallieerde handen te spelen. Er volgde een vruchteloze bespreking met de eveneens in de fabriek ondergebrachte O.D.-ers over de vraag hoe men dat gezamenlijk het best kon aanpakken. Samenwerking bleek niet mogelijk.42] Omstreeks 9 september voegde kapelaan H.L.J. Janssen uit Horn zich bij de K.P.-ers. Mogelijk hing zijn komst samen met Crasborns brief van 9 september aan de K.P.-leiders, waarin hij er met nadruk op wees dat nu meer dan ooit aan de geestelijke verzorging gedacht moest worden, speciaal vóór het uitvoeren van opdrachten.
Toen de K.P.-ers vernamen dat de Duitsers op het punt stonden de brug bij Venlo voor burgerverkeer te sluiten, besloten ze in kleine groepen de Maas over te steken. Of de provinciale sabotagecommandant daartoe opdracht gaf staat niet vast. De eerste groep passeerde de brug op 10 september en vond onderdak in de woning van de familie Mertens vlak bij de Maas in de gemeente Baarlo. Na enkele dagen waren ze allemaal aan de overkant. Dank zij J. Segers en H. Bouten konden de K.P.-ers gehuisvest worden op de eveneens in Baarlo gelegen “Boekenderhof” van de familie Mertens. Het echtpaar Mertens vertrok naar Kessel. De beide zoons en een dochter bleven op de boerderij. De L.O.-er L. Teepen uit Neer voorzag de K.P.-ers van voedsel. 43]
De ploeg ontpopte zich als uiterst strijdbaar. Tot dusverre was elke operatie voortijdig afgeblazen. Ondanks een chronisch tekort aan wapens popelden de meeste K.P.-ers om tot actie over te gaan. Begin september had Crasborn Borghouts laten weten dat hooguit 40% van de manschappen van de Limburgse knokploegen over een pistool beschikte. Waarschijnlijk overdreef hij, maar vaststaat dat Van Bijnen Crasborn in die dagen bevel heeft gegeven met geweld wapens te bemachtigen, want in een van zijn naderhand geschreven brieven staat te lezen: “Maar er is wel enige bitterheid tegenover de overzijde (Engeland c.q. de geallieerden, auteur), die ons slecht van wapenen heeft voorzien. Zo slecht dat ik Sjaak (Crasborn, auteur) opdracht heb gegeven om met groepjes K.P.-ers Duitsers te overvallen, hen de wapenen af te nemen en gevangen te nemen”.44] Crasborn, die op dat moment nog in Swalmen verbleef, gaf de opdracht door aan H. Bouten. Dat was het begin van een avontuur dat gemakkelijk in een drama had kunnen eindigen.
Al op 14 september ontwapenden enkele K.P.-ers vier oudere, oorlogsmoede militairen uit Keulen op de “Boekenderhof”. Kapelaan Janssen stelde het viertal op hun gemak en beloofde dat hen niets zou overkomen. Ze stelden zich tamelijk coöperatief op en kregen al gauw de bijnaam “tammen”. De volgende dag overvielen de K.P.-ers een legerauto met geld, brood en foto-apparatuur. Het aantal krijgsgevangenen liep weldra op tot tien. Uiteraard bleven de bezigheden van de K.P.-ers in de regio niet onopgemerkt. L.O.-ers en onderduikers sloten zich bij de groep aan. Acht O.D.-ers, die het contact met hun commandant hadden verloren en zich in kippenhokken in de bossen schuilhielden, voegden zich eveneens bij hen. Op 20 september namen de K.P.-ers elf parachutisten krijgsgevangen, van wie zes betrokken waren geweest bij de spectaculaire bevrijding van Mussolini op 12 september 1943 uit een hotel op een berg in de Abruzzen waar de Duce na zijn afzetting in juni van dat jaar in gevangenschap verbleef. Deze uitstekend getrainde commando’s beschouwden hun gevangenneming door partisanen als een regelrechte blamage. De eenentwintig krijgsgevangenen werden overgebracht naar de kippenhokken in de bossen. De O.D.-ers namen de bewaking voor hun rekening. Vooral aan de parachutisten hadden ze hun handen vol. Ze smeedden het ene na het andere ontsnappingsplan, maar de vier “tamme” militairen stelden hun bewakers er steeds van op de hoogte. Intussen zetten de K.P.-ers hun overvallen voort. Tussen Helden en Kessel overvielen ze een legerauto en doodden ze twee militairen. Om de aandacht af te leiden van de Baarlose bossen werd de ploeg met het oog op twee acties op 22 september gesplitst. De Limburgers begaven zich naar de omgeving van het landgoed “De Bedelaar” en overvielen een legerauto. Daarbij vielen aan Duitse zijde een dode en een gewonde. Vervolgens namen ze hun intrek op de “Spikkerhoeve” van de familie Vossen. Op 26 september ontsnapten ze er ternauwernood aan arrestatie (zie hoofdstuk IV, paragraaf V).
De Limburgers en Brabanders/Gelderlanders traden steeds vaker gescheiden op. Aan de verstandhouding tussen de twee groepen mankeerde het een en ander. Mentaliteitsverschillen en de overwegend hogere opleiding van de Gelderse en Brabantse K.P.-ers waren daar de oorzaak van. Bovendien zetten bezoekjes van koeriersters en andere helpsters aan de niet-Limburgse K.P.-ers bij sommigen kwaad bloed. Kapelaan Janssen en Crasborn moesten herhaaldelijk vrede stichten. Laatstgenoemde was pas begin oktober in Baarlo gearriveerd, nadat op 29 september de verbindingen via Albrecht door het opblazen van een brug bij Susteren, waaronder de telefoonkabel liep, (tijdelijk) waren weggevallen.
Op 27 september keerde de negen man tellende Limburgse knokploeg terug op de “Boekenderhof”. Kort na hun aankomst bezocht een Duitse officier de hoeve op zoek naar voedsel. Even later volgden nog vier militairen, twee op een motor met zijspan. Er volgde een kort vuurgevecht waarbij de twee gemotoriseerde militairen erin slaagden twee koeriersters te overmeesteren en als levend schild te gebruiken. Op het commando van de K.P.-ers “liggen” lieten de koeriersters zich vallen. Meteen werd de schotenwisseling hervat. Vier militairen kwamen om het leven, de vijfde ontkwam. De K.P.-ers trokken zich na dit incident terug in het O.D.-kamp in de bossen. Op 28 september nam een grote groep S.S.-ers wraak en verwoestte de “Boekenderhof”. Bovendien werd de bevolking in de omgeving gedreigd met het platbranden van de dorpen als er ook maar één “partisaan” of krijgsgevangene in de bossen zou worden aangetroffen. Boeren die tot dusver behulpzaam waren geweest bij de levering van voedsel, staakten prompt hun leveranties.
De situatie werd steeds gecompliceerder. Het groot aantal krijgsgevangenen dreigde de K.P. vleugellam te maken. Op 2 oktober liquideerden enkele K.P.-ers twee kort daarvoor krijgsgevangen genomen en als infiltranten ontmaskerde Oostenrijkers. Eén krijgsgevangene raakte dodelijk gewond toen door onvoorzichtigheid een stengun afging. Op zondag 8 oktober vonden grootscheepse razzia’s plaats. Duitse militairen ontdekten het kamp bijna en in de bossen wemelde het van vluchtelingen. Het plan rijpte om letterlijk ondergronds te gaan en een hol te graven waarin de krijgsgevangenen gehuisvest konden worden met een aparte ruimte voor de bewakers. Op 20 oktober was het plan gereed en werd begonnen met de uitvoering, maar na korte tijd stortte het gegraven gedeelte in. Op grond van zijn ervaringen in de mijnen stelde Crasborn voor geen gat te graven, maar een heuvel aan te leggen in het licht geaccidenteerde terrein door op stutten een vlechtwerk te maken en die met een laag aarde van circa twee meter af te dekken. Bij de uitvoering van de werkzaamheden die op 27 oktober begonnen slaagde een krijgsgevangene er in een moment van onoplettenheid van een der O.D.-bewakers in te ontsnappen. Meteen werd groot alarm geslagen, maar de Duitser bleef onvindbaar. Het boskamp moest geëvacueerd worden. In stromende regen trokken de K.P.-ers met hun krijgsgevangenen naar het zuiden, richting Neer. De weg Helden-Kessel moest vanwege het aanhoudend Duits militair verkeer in verband met het Peeloffensief in groepjes overgestoken worden. ’s Avonds laat passeerde men de sluis over het afwateringskanaal bij Neer. Uiteindelijk vond de groep onderdak in een verlaten schaapskooi. Intussen werd in de Baarlose bossen koortsachtig gewerkt aan de aanleg van de schuilplaats. Op 30 oktober bereikte de verkleumde en gedemoraliseerde groep in de schaapskooi het bericht dat de schuilgelegenheid gereed was. Onder barre weersomstandigheden begaf men zich op weg naar Baarlo. De mededeling bleek op een misverstand te berusten, de ruimte was nog lang niet gebruiksklaar. Het gemor onder de krijgsgevangenen, maar ook onder de K.P.-ers, begon ernstige vormen aan te nemen. Er gingen steeds meer stemmen op zich van de krijgsgevangenen te ontdoen. Crasborn weigerde een beslissing te nemen en poogde zijn mensen te kalmeren. De krijgsgevangenen en hun bewakers moesten terug naar het afwateringskanaal bij Neer. Een kippenfokker in de buurt stelde enkele kippenhokken beschikbaar, zodat men niet opnieuw zijn toevlucht hoefde te zoeken in de schaapskooi. Op 4 november namen de K.P.-ers twee Duitsers op een motor met zijspan krijgsgevangen. De volgende dag kwam het bericht dat de schuilplaats eindelijk gereed was. In twee groepen trokken de verkommerde K.P.-ers met hun gevangenen in de avond en nacht van 6 op 7 november terug naar de bossen. De schuilplaats omvatte een grote ruimte voor de gevangenen met stro op de grond en een kleinere ruimte voor vijf bewakers. Afgesproken werd dat de wacht elke 48 uur afgelost zou worden. Diverse K.P.-ers vonden onderdak in een klein pension van de met H. Bouten bevriende familie Gielen in Baarlo en in hotel-restaurant “De Molen” van de familie Martens (zie hoofdstuk III, paragraaf III.3.1.), de overigen in de omliggende dorpen. Crasborn en kapelaan Janssen, die zich maar incidenteel in het kamp lieten zien, verbleven op een kasteel in Baarlo. P.F. Weemering, die al eerder aan het hoofd van het boskamp had gestaan, kreeg de leiding over het nieuwe kamp.
De leefomstandigheden in de slecht geventileerde schuilplaats waren abominabel. Het stonk er vreselijk en de vervuiling van de gevangenen en hun omgeving werd met de dag erger. De bewakers zagen steeds meer op tegen de lange wachtdiensten en werden opstandig. Andermaal openbaarde zich het conflict tussen de Limburgers en de overige K.P.-ers. De sfeer raakte op een dieptepunt. Om aan de wensen van de bewakers tegemoet te komen werden de wachtdiensten ingekort. Op 9 november brak paniek uit onder de gevangenen. Een van hen zou typhus hebben. Het overigens valse gerucht verspreidde zich als een lopend vuur onder de K.P.-ers. De roep om de gevangenen te liquideren stak opnieuw de kop op. Kapelaan Janssen bleef onvermurwbaar en slaagde erin Crasborn te overtuigen en hem van een fatale beslissing te weerhouden. Het stond immers geenszins vast, aldus Janssen, dat liquidatie gemotiveerd kon worden door zich te beroepen op zelfbehoud. Het ziektebeeld leek weliswaar op typhus, maar het stond niet onomstotelijk vast dat het inderdaad zo was. Door zevenentwintig personen te executeren liepen de K.P.-ers een grote kans blijvend achtervolgd te worden door een vrijwel onoverkomelijk moreel probleem. Bovendien zouden na de bevrijding wel eens serieuze problemen kunnen ontstaan, als de noodzaak van de liquidaties aangetoond moest worden.
Er zat niets anders op dan de bevrijding lijdzaam af te wachten. Voor de voedselvoorziening was men aangewezen op overvallen op zwarthandelaren. Op 17 november was het front zover in noordelijke richting opgeschoven dat de bossen wemelden van Duitse militairen. Sommigen naderden de schuilplaats tot op enkele tientallen meters. De bevrijders moesten vlakbij zijn. Crasborn en Weemering besloten de Britten de volgende dag tegemoet te trekken en de hopeloze situatie van hun manschappen en de krijgsgevangenen uit de doeken te doen. Dezelfde dag vielen twee K.P.-ers en een van de vier oudere krijgsgevangenen in Duitse handen. Laatstgenoemde nam geen blad voor de mond. Kennelijk klonken zijn verhalen dermate ongeloofwaardig dat de militairen het drietal sommeerden zich uit de voeten te maken. Ondanks de tegenslagen was het lot de K.P.-ers telkens weer gunstig gezind. Op 19 november bereikten de Britten de schuilplaats. Het avontuur in de bossen was voorbij. De commandant van de Britse 154e infanteriebrigade nam drieëntwintig Duitse krijgsgevangenen van Crasborn en zijn manschappen over. Kennelijk gold de status van krijgsgevangene niet langer voor de vier coöperatieve oudere militairen. 45] Spoedig zou een deel van de K.P.-ers worden opgenomen in de Stoottroepen.

III. De geschiedenis van de Limburgse Stoottroepen tot de zomer van 1945

^

Toen Crasborn op vrijdag 15 september vernam van de bevrijding van Maastricht, zond hij zijn adjudant en waarnemend K.P.-leider B. van Kooten meteen door de linies naar de Limburgse hoofdstad om bij de Amerikanen te informeren naar de toekomstige militaire plannen en te verzoeken om nadere instructies voor de Limburgse knokploegen in bezet gebied. Voorts gaf hij Van Kooten - conform een eerder door J. Borghouts verstrekte order - opdracht contact op te nemen met de Bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten (B.N.S.), prins Bernhard, te Brussel om na te gaan hoe de knokploegen konden worden getransformeerd tot (semi-) militaire strijdkrachten. In afwachting van de terugkeer van zijn adjudant bleef Crasborn voorlopig bij de familie Poels in Swalmen.
Van Kooten gaf een geheel eigen interpretatie aan zijn opdracht. Het staat niet vast of hij besprekingen voerde met de Amerikanen in Zuid-Limburg. Na zijn aankomst in Maastricht zocht hij in ieder geval meteen contact met plaatselijke O.D. en R.V.V.-commandanten om hun steun te verwerven voor de vorming van nieuwe militaire eenheden. De opzet van de nieuwe militaire formatie moest, in tegenstelling tot wat Borghouts en Crasborn voor ogen stond, naar zijn mening ruimer zijn. De animo om actief deel te nemen aan de strijd tegen de Duitsers beperkte zich namelijk niet tot de K.P., zo stelde hij vast. Verzekerd van de steun van de lokale L.O.-, K.P.-, R.V.V.- en O.D.-leiders reisde Van Kooten op 17 of 18 september naar Brussel. Daar legde hij prins Bernhard zijn plan voor om de illegale werkers, aangevuld met vrijwilligers, op te nemen in een militaire formatie die bijvoorbeeld Koninklijke Patrouille (K.P.) genoemd zou kunnen worden. Zijn voorstel viel in goede aarde. Bernhards plan om voormalige illegale werkers die dat wensten op te nemen in nieuw te vormen “Stoottroepen” - als onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.): een bundeling van illegale werkers uit K.P., R.V.V. en O.D. met een militaire status - en die ter beschikking te stellen van de geallieerde bevelhebbers, kwam grotendeels met dat van Van Kooten overeen. Slechts tegen de naam “Koninklijke Patrouille” had de prins bedenkingen, omdat talrijke niet K.P.-ers deel zouden gaan uitmaken van de nieuwe formatie.
De gedachtenwisseling in Brussel resulteerde in de schriftelijke benoeming door de prins van Van Kooten tot organisator en bevelhebber van het commando Stoottroepen in Limburg. Terug in Maastricht begon Van Kooten nog op 19 september met de vorming van de Limburgse Stoottroepen. Hij benoemde de reserve eerste- luitenant der infanterie R.M.E.F. Sevenstern, voorheen adjudant van de O.D.-districtscommandant P. Sijmons, tot commandant van de Stoottroepen in Zuid-Limburg. Sevenstern verdeelde het onder zijn gezag vallend gebied in drie vakken - Maastricht, Heerlen en Sittard - en stelde er vakcommandanten aan. 46]
Met de benoeming van Sevenstern zette Van Kooten de toon voor zijn verdere beleid. Bij de benoeming van het hoger kader hield hij rekening met motivatie, deskundigheid, verdienste in de georganiseerde illegaliteit en met de uiterst gevoelig liggende verhoudingen binnen de voormalige illegaliteit. Hij ontpopte zich als een kundig organisator. Aan ambitie ontbrak het hem evenmin hetgeen onder meer bleek uit het feit dat hij Crasborn sedert zijn vertrek uit Swalmen volkomen negeerde en tevergeefs liet wachten. Drie dagen na de bevrijding van Maastricht bereikten eenheden van het tweede Britse leger Eindhoven. Meteen vertrok de G.S.C. III, J.J.F. Borghouts, in gezelschap van het hoofd van het R.V.V.-Commando-Zuid, dr. J. Hoekstra, die zich vrijwillig onder bevel van de G.S.C. had gesteld, naar Brussel, waar hij op 20 september arriveerde. Hij kreeg van prins Bernhard hetzelfde te horen als Van Kooten: “een bundeling van alle K.P.-ers, R.V.V.-ers en het strijdbare deel van de O.D., die bereid zijn tot deelname aan de strijd voor de bevrijding van Nederland, tot militaire eenheden”. Voor nadere instructies en een concrete invulling van de opdracht diende Borghouts zich te wenden tot majoor Ch.C.J.F. van Houten, die eerder de functie van plaatsvervangend hoofd van het Bureau Inlichtingen bekleedde, maar sinds kort optrad als stafmedewerker van de prins in de functie van speciaal gevolmachtigde voor het contact met de illegaliteit en aangelegenheden die met de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.) samenhingen. Van Houten wachtte inmiddels in Eindhoven op de terugkeer van Borghouts. Op 22 september kwamen de vertegenwoordigers van de Noordbrabantse illegaliteit onder voorzitterschap van Van Houten bijeen. De beraadslaging resulteerde in een splitsing van de Binnenlandse Strijdkrachten bezuiden de grote rivieren in Bewakingstroepen (B.T.) en Stoottroepen (S.T.). Van Houten benoemde de O.D.-commandant van Eindhoven, mr. W.J. van Dijk, tot commandant van de Bewakingstroepen en Borghouts tot bevelhebber van de Stoottroepen. Hoekstra werd Borghouts’ plaatsvervanger. 47] Deze benoemingen weerspiegelden de toekomstige verhoudingen binnen de B.S.: K.P. en in (veel) mindere mate de R.V.V. domineerden de S.T., terwijl de B.T. overwegend bestonden uit O.D.-ers (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.2.).
Dezelfde 22ste september bezocht Van Kooten de kersverse commandant van de Stoottroepen om verslag uit te brengen van zijn bezoek aan de prins in Brussel. Hij vertelde inmiddels begonnen te zijn met de organisatie van de S.T. in Zuid-Limburg, die onder zijn bevel stonden. Van Houten hoorde nu pas voor het eerst van Van Kootens aanstelling. Terecht concludeerde Borghouts uit Van Kootens voorstelling van zaken dat deze geheel zelfstandig en met veel toewijding met de invulling van Bernhards opdracht begonnen was. Diens aplomb en opstelling schoten Borghouts echter in het verkeerde keelgat. Alleen hij en niemand anders voerde het bevel over de S.T. Niettemin droeg hij Van Kooten op de organisatie in Limburg voort te zetten overeenkomstig de instructies van Van Houten en prins Bernhard. Hij wenste in Van Kooten echter niet meer te zien dan een voorlopige commandant. De provinciale sabotagecommandant Crasborn bevond zich immers in bezet gebied. Borghouts wilde zijn collega niet passeren ten gunste van Van Kooten. Voorlopig hield laatstgenoemde, en passant tot Borghouts adjudant benoemd, de vrije hand in het bevrijde deel van Limburg, maar de kiemen voor een conflict waren gelegd. Borghouts wilde zijn gezag doen gelden en wist dat Van Kooten de militaire vooropleiding - hij was slechts sergeant geweest in het vooroorlogse leger - voor deze functie ontbeerde. Anderzijds besefte hij dat hij de benoeming door prins Bernhard niet ongedaan kon maken. Van Kooten bleek over grote organisatorische vaardigheden te beschikken en beklemtoonde bovendien dat hij militaire deskundigen bij de organisatie en opleiding van de Limburgse Stoottroepen zou betrekken. 48]
Terug in Limburg nam Van Kooten meteen contact op met de R.V.V.-ers H.W. Burgers en J.F.C. de Witt Puyt, de commandant van de Zuidlimburgse knokploegen P.F. Driessen en de O.D.-commandant van de Mijnstreek C.M.J.A.F. Nicolas. Hij hoopte hun steun te verkrijgen voor het plan om de voormalige verzetsorganisaties te laten opgaan in de Stoottroepen. Nicolas, die enkele dagen tevoren op Amerikaans verzoek begonnen was met de vorming van een “Nederlands bevrijdingsleger” sputterde wel tegen, maar kon niet voorkomen dat veel van zijn manschappen zich aansloten bij de Stoottroepen en de Bewakingstroepen. De overigen stemden met Van Kootens voorstel in. Daags na de bespreking werden onder leiding van Driessen de eerste manschappen geworven in Wijckerveld te Maastricht. Weldra groeide deze formatie uit tot een 175 man tellende compagnie, bestaande uit K.P.-ers, aangevuld met vrijwilligers uit de L.O. en andere verzetsgroepen. 49]
Van Kooten had haast. De O.D. in het bevrijde district Maastricht was in elkaar beconcurrerende facties uiteen gevallen en tussen R.V.V. en K.P. enerzijds en O.D. anderzijds boterde het niet. Op 29 september droeg hij de Zuidlimburgse S.T.-commandant R. Sevenstern op in elk van de drie vakken twee compagnieën van ieder 166 man te formeren. Elk vak zou binnen afzienbare tijd een bataljon moeten leveren aan de nieuwe formatie, door Van Kooten tot de Koninklijke Stoottroepen gedoopt. Het woord Koninklijk kwam naderhand te vervallen. Volgens Van Kootens order van 29 september konden leden van actieve verzetsorganisaties en “allen die wapens willen, kunnen en durven dragen” en zich bereid verklaarden zich te onderwerpen aan de voor de S.T. geldende discipline tot de formatie toetreden. Voorts beval hij alle andere bewapende organisaties zo spoedig mogelijk te ontbinden en te ontwapenen. Dat laatste moest weliswaar in overleg met de betreffende organisaties gebeuren, maar leidde in O.D.-kring tot diepe teleurstelling, omdat daarmee een voortijdig einde kwam aan een organisatie die zich in de voorafgaande jaren vrijwel uitsluitend had voorbereid op de periode die nu was aangebroken. Door kundige O.D.-ers in kaderfuncties te benoemen lukte het Van Kooten deze moeilijke klip te omzeilen.
Ten aanzien van de selectie van de manschappen en het middenkader lagen de zaken beduidend anders. Van Kooten, van beroep sportleraar verbonden aan de mijnen, legde de nadruk op het pedagogisch aspect in de Stoottroepen. Karaktervorming en discipline dienden voorop te staan. Hem stond een militair apparaat van gezonde jongemannen voor ogen die overal ingezet konden worden en doordrongen waren van het streven naar een gezond christelijk Nederland. Uiteraard dacht hij daarbij in de eerste plaats aan voormalige illegale werkers. Zij hadden immers blijk gegeven van het soort bezieling waarvan Van Kooten zo begeesterd was. Het reservoir van K.P.-ers, R.V.V.-ers, L.O.-ers en geschikt bevonden O.D.-ers was evenwel niet toereikend om drie bataljons op de been te brengen. Leden van Nicolas’ “Nederlands Bevrijdingsleger” en vrijwilligers, die zich in groten getale meldden, vulden hun rijen aan. Spoedig bleek dat bij de selectie van de laatste categorie fouten waren gemaakt. Personen, van wie naderhand kwam vast te staan dat ze zich tijdens de bezettingsjaren onbehoorlijk hadden gedragen, maar ook communisten moesten de S.T. in de loop van het najaar verlaten. Ten aanzien van de lagere commandanten paste Van Kooten op het eerste gezicht de merkwaardigste selectiecriteria toe. In een situatie waarin hij nauwelijks om gevestigde namen en reputaties heen kon gold veelal als enige maatstaf het prestige en de populariteit bij de (verzets)groep waarvan de persoon in kwestie deel uitmaakte. Op de militaire vooropleiding werd niet of nauwelijks gelet. In tal van pelotons was het dan ook bon ton de commandant met de voornaam aan te spreken en militaire omgangsvormen achterwege te laten. In grote delen van de Limburgse Stoottroepen heersten de sfeer, de saamhorigheid en de kameraadschappelijkheid uit de illegaliteit, hetgeen de discipline in sommige onderdelen niet ten goede kwam. Aanvankelijk leidde dit gebrek aan discipline vanwege de slechte verzorging van de Stoottroepen zelfs tot plundertochten in de Duitse grensstreek. Amerikaanse militairen maakten zich daar trouwens ook schuldig aan. De overheveling van illegale werkers naar een strak militair verband met een dito hiërarchie leek aanvankelijk een bijna onmogelijke opgave. 50]
De inspanningen van Sevenstern en Van Kooten resulteerden begin oktober 1944 in de vorming van drie bataljons van - in eerste instantie - elk twee companieën. Het eerste bataljon, gelegerd in Maastricht, stond onder leiding van P.F.A. Driessen en bestond uit voormalige illegale werkers, manschappen van Nicolas’ bevrijdingsleger en vrijwilligers uit Maastricht en omgeving. Een derde compagnie was in oprichting. J.F.C. de Witt Puyt voerde het commando over het tweede bataljon, dat in de regio Geleen-Sittard was gelegerd. De twee compagnieën van dit bataljon bestonden voornamelijk uit R.V.V.-ers, aangevuld met K.P.-ers, vrijwilligers en leden van het bevrijdingsleger. De oud-O.D.-er kapitein W. Hombergen voerde het bevel over het in de oostelijke Mijnstreek gelegerde derde bataljon. Eén compagnie was samengesteld uit R.V.V.-ers en vrijwilligers, de andere uit K.P.-ers en vrijwilligers. Evenals in Maastricht werd gewerkt aan de vorming van een derde compagnie. In de loop van november nam J.J.H. Debey het commando van Hombergen over.51]
Zowel de Limburgse als de Brabantse Stoottroepen maakten een armzalige indruk. Ze hadden geen eigen, herkenbare kleding en de bewapening bestond uit op Duitsers buitgemaakte en in de voorafgaande jaren bij elkaar gesprokkelde wapens. Voor een gedegen militaire opleiding ontbrak het aan middelen, tijd en geschikte lokaties. De training werd veelal overgelaten aan het persoonlijk initiatief en improvisatievermogen van de lagere commandanten. De opleiding van de manschappen was minimaal en bestond doorgaans slechts uit kleinschalige oefeningen en excerceren. Reeds begin oktober bereikte de staf van de Limburgse Stoottroepen in Valkenburg het verzoek van de bevelhebber van het 9e Amerikaanse leger, generaal W.H. Simpson, binnen een week twee bataljons te leveren aan het hoofd van de militaire politie van zijn onderdeel, kolonel R.C. Andrews. Zij zouden de Amerikaanse posities moeten versterken op de lijn Roosteren-Gangelt-Aken en worden toegevoegd aan de 29e infanteriedivisie, die in deze sector met onderbezetting kampte. Op 7 oktober om negen uur ’s avonds gaf Sevenstern het bevel aan zijn bataljonscommandanten door. Eén compagnie uit het vak Maastricht en de twee uit Sittard-Geleen werden ingezet op de lijn Roosteren-Gangelt, de andere Maastrichtse compagnie tussen Gillrath en Geilenkirchen en de twee uit de regio Heerlen-Hoensbroek tussen Gangelt en Gillrath. De frontsector waar de Stoottroepers werden ingezet was ongeveer 35 kilometer lang. Er verrezen commandoposten in Waubach, Amstenrade, Nieuwstadt, Schinveld en de Duitse plaatsjes Gangelt en Tüddern. In opdracht van Andrews moesten de Stoottroepen direct achter het front patrouilleren, wagenparken bewaken en aanvoerwegen in de onmiddellijke nabijheid van het front beveiligen. Van al die taken kweten ze zich op voortreffelijke wijze ondanks de slechte uitrusting, de minimale opleiding, de lange wachtdiensten, die soms tot zestig uur per dienst opliepen, en de slechte weersomstandigheden. Het moreel was uitzonderlijk hoog. Bij de uitvoering van de opdracht kregen ze te maken met Duitse patrouilles, die achter de linies verwarring stichtten en waar mogelijk sabotage pleegden. Het hoorde tot hun taak de militairen te verjagen en sabotage te verijdelen. Tijdens zo’n expeditie op 12 oktober in de buurt van Nieuwstadt kwam het tot een schotenwisseling, waarbij een dode en enkele gewonden vielen. Op 17 oktober braken bij Holtum opnieuw gevechten uit. Hoewel ook elders herhaaldelijk sprake was van vuurcontact, had de Sittardse compagnie het in oktober het zwaarst te verduren. 52]
Tot begin november verrichtten de Stoottroepen onder steeds slechter wordende omstandigheden onafgebroken frontdiensten. Het moreel bij sommige onderdelen daalde hierdoor en er werd op beperkte schaal geplunderd. De Amerikanen waardeerden weliswaar de steun van Van Kootens manschappen, maar ze hadden geen oog voor hun wensen. Dat hing samen met de dubbele commandostructuur: operatief stonden de Stoottroepen onder bevel van kolonel Andrews, maar administratief maakten ze deel uit van de B.S. Er gingen steeds meer stemmen op om de opleiding, uitrusting en aflossing te verbeteren, zodat men beter bestand zou zijn tegen de zware frontdiensten. De nood steeg, want eind oktober was circa 30% van de 1150 manschappen verkouden. Bovendien stak het de Stoottroepers dat de Amerikanen hun telkens de zwarte piet toeschoven als er iets mis ging. Van Kooten richtte zich aanvankelijk tot de staf van prins Bernhard met het verzoek de Stoottroepen beter uit te rusten en te bevoorraden, maar vond er geen gehoor. Ten einde raad wendde hij zich begin november tot generaal Simpson en de Nederlandse sectie van de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (S.H.A.E.F.). Door te benadrukken dat hij, indien de Stoottroepen op korte termijn niet voldoende bevoorraad zouden worden, zich genoodzaakt zag de manschappen te demobiliseren, lukte het Van Kooten Simpson over te halen de Stoottroepen op te nemen in de reguliere bevoorrading van het 9e leger. Binnen drie dagen ontvingen zijn manschappen Amerikaanse gevechtskleding, geweren, munitie en voedsel. Bovendien werden Amerikaanse instructeurs aan de S.T. toegevoegd. In de week van 11 november konden het tweede en derde batajon uit de frontsector worden teruggenomen voor een opleiding. In Ravensbosch bij Valkenburg werd gestart met een kaderopleiding. Het eerste bataljon van Driessen bleef vooralsnog aan het front. Op 19 november prees een hoge Amerikaanse officier het bataljon voor de uitstekende uitvoering van de taken. Door de groeiende integratie in het 9e leger verslapten de banden tussen de Limburgse S.T. en de Binnenlandse Strijdkrachten. De Limburgers oriënteerden zich in toenemende mate op de Amerikanen. Dat resulteerde in een andere organisatiestructuur en de voorlopige invoering van het Amerikaanse rangensysteem, wat overigens nogal willekeurig en kwistig gebeurde. Van B.S.-zijde was in dat opzicht tot dusverre nog niets gebeurd. 53]
Was er al sprake van een verwijdering tussen S.T.-Limburg en B.S., tussen het Militair gezag (M.G.) en de S.T.-Limburg gaapte al gauw een kloof. Vanaf het moment dat de eerste plaats in Nederland was bevrijd, woedde een verhitte discussie over de vraag wie of welke instantie(s) bevoegd was (waren) arrestaties te verrichten. Functionarissen van de Stoottroepen mengden zich er vol overgave in. De Amerikanen hadden de S.T. namelijk verzocht behulpzaam te zijn bij het verzamelen van inlichtingen. In Maastricht had men daaruit afgeleid dat deze opdracht tevens inhield onbetrouwbare personen aan te houden. Eind september verleende de stafmedewerker van prins Bernhard majoor Van Houten de Stoottroepen deze bevoegdheid officieel. De arrestaties moesten samen met de politie uitgevoerd worden, voorzover de S.T. de politie betrouwbaar achtten. Uiteraard leidde dat tot felle protesten met name bij het Militair Gezag, dat bij monde van H.J. Kruls protesteerde bij prins Bernhard. Op 4 oktober werd de knoop doorgehakt: de arrestatiebevoegdheid werd gesplitst. De B.S. kregen voortaan de bevoegdheid degenen die een potentieel gevaar voor militaire operaties opleverden te arresteren. Alle overige arrestaties vielen toe aan het Militair Gezag, dat een beroep kon doen op de hulp van de Bewakingstroepen. 54] Ondanks deze beslissing besloot de staf van de S.T.-Limburg op grond van de instructies van Van Houten en op Amerikaanse wens een eigen inlichtingendienst op te zetten. De organisatie van Th. Goossen (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.1.) vormde de kern van de nieuwe dienst, aangevuld met illegale werkers uit andere inlichtingendiensten. Dank zij de ervaringen opgedaan in bezettingstijd en de efficiënte organisatiestructuur verwierf Goossens dienst zich een goede reputatie, ook bij het vergaren van inlichtingen in bezet gebied. De Amerikanen spraken bij herhaling hun waardering uit over de behaalde resultaten. Ze gingen in hun lofprijzingen zelfs zover dat ze het Militair Gezag bij het verzamelen van inlichtingen enigszins beknotten. Ook het Bureau Inlichtingen van J.M. Somer voelde zich gepasseerd door de I.D. van de S.T. en tekende protest aan. Dat leidde er slechts toe dat Goossens dienst voortaan uitsluitend aan de geallieerde inlichtingendiensten rapporteerde. 55]
Ten aanzien van de arrestatiebevoegdheid haalden de Stoottroepen uiteindelijk bakzeil. Die bevoegdheid waren ze begin oktober al grotendeels kwijtgeraakt. Sindsdien nam bij velen de ergernis over het vermeende selectieve arrestatiebeleid van het M.G. toe. In kringen van de S.T. vonden zulke bezwaren een vruchtbare voedingsbodem. Men vroeg zich af hoe een nieuwe maatschappij kon worden opgebouwd als talrijke vooroorlogse bestuurders, notabelen, werkgevers en andere hooggeplaatste burgers, van wie menigeen boter op zijn hoofd had, zonder meer mochten terugkeren op hun posten of van rechtsvervolging verschoond bleven, terwijl personen die zich tijdens de bezetting aan relatief onschuldige handelingen hadden schuldig gemaakt, maar van eenvoudige komaf waren, in kampen geïnterneerd werden en op relatief zware gevangenisstraffen konden rekenen. Inderdaad schortte het een en ander aan het arrestatiebeleid van het M.G. Een deel van de S.T. dacht zelfs in conspiratieve richting en verklaarde zich binnenskamers desnoods bereid met de wapens op te treden tegen de in hun ogen uiterst laakbare houding van het M.G. Hun - overigens doorgaans vaag omschreven - toekomstideaal dreigde namelijk in rook op te gaan.
Zulke frustraties kwamen tot uiting in de arrestatie van vier vooraanstaande Maastrichtenaren op 8 december 1944. Kennelijk wilde een aantal S.T.-ers op deze wijze een daad stellen en het ongenoegen dat in brede lagen van de bevolking over het arrestatiebeleid heerste een uitlaatklep verschaffen. De keuze van de vier notabelen was evenwel ongelukkig en leidde tot een storm van protest, vooral van de zijde van het M.G. Van Kooten haastte zich te verklaren dat zoiets zonder voorkennis van het M.G. niet meer zou voorkomen en droeg de arrestanten aan het M.G. over. Op 14 december bepaalde de chefstaf van het M.G., generaal-majoor H.J. Kruls, dat de arrestatiebevoegdheid uitsluitend bij de politie berustte of bij personen en instanties die door het M.G. waren aangewezen. 56]
Tot januari 1945 bleven de taken van de inmiddels circa 1800 man tellende Limburgse Stoottroepen vrijwel ongewijzigd. Afwisselend verrichtten delen van de bataljons bewakings- en patrouillediensten en politionele taken of kregen een opleiding. Nieuwkomers uit het bevrijde deel van de provincie op de westelijke Maasoever werden ingedeeld bij de bestaande bataljons, zoals een compagnie van tachtig man uit Weert onder bevel van H. Bouten die op 1 december in het Zuidlimburgse Vijlen arriveerde. Op 16 december, toen het Ardennenoffensief losbarstte, werden de S.T. teruggenomen uit de frontsector Roosteren-Geilenkirchen en verplaatst naar de zuidelijke sector Geilenkirchen-Aken. Daar kregen ze opdracht penetratie van Duitse parachutisten te verhinderen. Ook van deze taak kweten de Stoottroepers zich voorbeeldig.57]
Daags na zijn bevrijding, eind november, reisde de Limburgse sabotagecommandant J. Crasborn naar Eindhoven om verslag uit te brengen aan Borghouts. Meteen na zijn benoeming tot bevelhebber van de Stoottroepen bezuiden de grote rivieren was Borghouts begonnen met de vorming van een overkoepelend lichaam, het Commando-Zuid, dat dertien secties telde en gevestigd werd in het R.-K. ziekenhuis te Eindhoven. Hij benoemde zijn naaste medewerker J. Gerritsen tot waarnemend commandant, chefstaf en hoofd van sectie I (organisatie). J. Hoekstra kreeg de functie van algemeen gevolmachtigde van de commandant der S.T. bij het Militair Gezag. Aan het hoofd van de S.T. in Noord-Brabant stond J.G. de Groot. Borghouts lichtte Crasborn in over de oprichting van de Stoottroepen en de verdeling van de functies en vertelde hem dat Van Kooten belast was met de organisatie in Limburg en als voorlopig commandant optrad. Borghouts begreep dat Crasborn een passende functie in de nieuwe militaire structuur toekwam, maar hij achtte het niet langer opportuun Van Kooten te vervangen. Crasborn keerde terug naar de bevrijde westelijke Maasoever om zijn manschappen over de recente ontwikkelingen te informeren. Degenen die dat wensten konden toetreden tot de Stoottroepen. Sommigen kozen ervoor hun oude beroep weer op te nemen. Twee K.P.-ers verklaarden zich bereid door het front te gaan en op de oostelijke Maasoever de Duitse posities en troepensterkte te verkennen. De overigen vertrokken onder leiding van H. Bouten naar Weert, waar ze een korte militaire opleiding kregen. Daarna werden ze overgeplaatst naar een school in Vijlen en ingedeeld bij het 9e Amerikaanse leger. 58]
Op 2 december bracht Crasborn opnieuw een bezoek aan Borghouts, die inmiddels ruggespraak had gehouden met de staf van prins Bernhard. Waarschijnlijk was kort tevoren bekend geworden dat de L.S.C., J. van Bijnen, op 28 november bij een bevrijdingspoging van een aantal leden van het Utrechts Gewestelijk Sabotage Commando in de omgeving van Apeldoorn om het leven was gekomen. Door Borghouts over te hevelen naar de staf van de prins - hij werd lid van de sectie Operatiën Bezet Gebied - werd de weg vrijgemaakt voor Crasborns benoeming tot Commandant-Zuid van de Stoottroepen. Borghouts vertrok weldra naar Engeland en werd op 17 maart 1945 boven bezet gebied gedropt als leider van het strijdend gedeelte van de Binnenlandse Strijdkrachten, de nieuwe benaming voor de nog steeds in aantal toenemende sabotagegroepen die tot eind november onder bevel van Van Bijnen hadden gestaan. Voor het overige veranderde er niets in het Commando-Zuid en de afzonderlijke commando’s in Noord-Brabant en Limburg. 59]
Een van Crasborns eerste daden was een aanbod aan de hoge ambtenaar W.J. Quint uit Heerlen om leden van de Stoottroepen in te zetten om stakende mijnwerkers te dwingen het werk te hervatten. Quint bracht het voorstel op 11 december over aan de Districts Militair Commissaris in de Mijnstreek, C. Nicolas, die te kennen gaf een dergelijk ingrijpen ongewenst te achten. 60]
De kersverse commandant van de Stoottroepen trad in functie aan de vooravond van een ingrijpende reorganisatie. In de maanden november en december hadden de B.S. aan groeiende kritiek blootgestaan. Die kritiek betrof vooral de Bewakingstroepen (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.5., IV.4.6. en IV.4.7.). Zo klonk het verwijt dat ze ongedisciplineerd en eigengereid optraden, zich teveel bemoeiden met het arrestatiebeleid en het militair en civiel bestuur en dat het aantal niet illegale werkers in de B.S. door intensieve wervingscampagnes was opgelopen tot boven de 60%. Dit alles kwam ook de regering ter ore. Bovendien had veldmaarschalk Montgomery in Frankrijk en België negatieve ervaringen opgedaan met militaire formaties zoals de B.S. De Nederlandse sectie van S.H.A.E.F. bekritiseerde de B.S. eveneens en drong zelfs, evenals enige Nederlandse ministers, aan op opheffing ervan. Prins Bernhard zag het voortbestaan van zijn B.S. van diverse zijden bedreigd en wendde zich tot Eisenhowers chefstaf, W. Bedell Smith, verbonden aan S.H.A.E.F. te Versailles. De prins wees hem op de taken die de S.T. in opdracht van diverse geallieerde ondercommandanten vervulden en ontvouwde zijn plan de Stoottroepen, zoals S.H.A.E.F. al eerder had bepleit, om te vormen tot Light Infantry Bataljons (L.I.B.). Bedell Smith, die goed met de prins kon opschieten en zich had ingezet voor diens benoeming tot bevelhebber van de B.S., steunde het plan en zag erop toe dat de Nederlandse sectie niet langer op de ontbinding van de B.S. aandrong. 61]
Met zijn bezoek aan Versailles was de prins er weliswaar in geslaagd het voortbestaan van de B.S. veilig te stellen, maar voor de bewapening, uitrusting en bevoorrading van een groot deel van zijn manschappen bleef Montgomery verantwoordelijk. Wat Van Kooten voor zijn troepen bij de Amerikanen had bereikt, lukte nauwelijks in Brabant. De Stoottroepen daar werden zeer karig bevoorraad. 62]
Nog in december begon de reorganisatie van de Limburgse Stoottroepen. Elk nieuw te vormen L.I.B. zou achthonderd manschappen tellen, verdeeld over vijf compagnieën. De L.I.B.’s vormden samen het Regiment Limburg (R.L.), verdeeld in I, II en III R.L., waarvan de regimentsstaf gevestigd was op Oranjehof aan de Cauberg in Valkenburg. De nieuwe bataljons zouden moeten bestaan uit Stoottroepers - in januari 1945 ruim 1900 man - naderhand aan te vullen met manschappen van de B.T. en vrijwilligers uit de nog niet bevrijde delen van Noord- en Midden-Limburg. Van Kooten, benoemd tot bevelhebber van het Regiment Limburg, werd belast met de reorganisatie, die tot maart 1945 duurde. Hij handhaafde Driessen, De Witt Puyt en Debey als commandant van respectievelijk I, II en III R.L. Het kader zou in de nabije toekomst een cursus moeten volgen in de buurt van Rijssel. Met ingang van 1 januari 1945 werd het Limburgs regiment officieel ingedeeld bij de Koninklijke Landmacht, waardoor het belang van het Commando-Zuid aanzienlijk afnam. 63]
Een ander facet van de reorganisatie betrof de invoering van rangen en onderscheidingstekens, waarop van geallieerde zijde al eerder was aangedrongen. Op 5 januari besloot Bernhard aan de geallieerde wens tegemoet te komen en stelde voorlopige rangen in. Een door hem naar de Limburgse Stoottroepen gezonden waarnemer, J.J.G. Beelaerts van Blokland, had daar trouwens ook al op aangedrongen. Beelaerts had vastgesteld dat bij de benoeming van officieren en onderofficieren in 25 tot 30% van de gevallen de keuze op de verkeerde persoon was gevallen. Menig bevelhebber gaf een slecht voorbeeld aan de troep. Zij ontbeerden een gedegen militaire opleiding, gedroegen zich niet als militair en gingen zeer amicaal om met de manschappen. De officieren van de S.T.-Zuid-Limburg bestonden volgens hem voor het merendeel uit avonturiers en dienstplichtige onderofficieren. “... ook al door hun matige voorbeeld en gebrek aan militaire kennis ging hier weinig gezag van uit. Zo commandant, zo troep!”, aldus Beelaerts van Blokland. Van Kooten had Bernhards waarnemer met tegenzin ontvangen. Volgens Beelaerts zou de Limburgse S.T.-commandant zich niet met zijn officieren bemoeien en vaak schitteren door afwezigheid. Over wie welke rang moest krijgen liet Bernhards rapporteur zich niet uit, maar hij drong er wel op aan dat de bevelhebbers in elk geval personen zouden zijn met een militaire opleiding. 64]
In kringen van de S.T. klonken soortgelijke geluiden, maar in de praktijk werd teveel op de persoon gespeeld. Ambitie, competentiegeschillen en weigerachtigheid tot samenwerking lagen aan dat laatste ten grondslag. Nagenoeg de gehele leiding van de S.T. maakte zich er schuldig aan. Van meet af aan boterde het niet tussen Van Kooten en Borghouts/Gerritsen. Het Commando-Zuid voelde zich bij herhaling gepasseerd en stoorde zich in toenemende mate aan het zelfstandig optreden van de Limburgse S.T.-commandant. Die kaatste de bal terug door openlijk te verklaren Borghouts c.s. niet geschikt te achten voor hun taak. Zij begrepen volgens hem niets van de mentaliteit binnen de S.T. De benoeming van Crasborn ontving Van Kooten met gemengde gevoelens. De nieuwe commandant deed er beter aan te bedanken voor de hem aangeboden functie, als hij de bezem niet door het Commando-Zuid wilde halen. Van Kooten betwijfelde bij voorbaat of dat ook inderdaad zou gebeuren, omdat Crasborn zijns inziens niet beschikte over voldoende capaciteiten, vooral op organisatorisch vlak. Op een bijeenkomst, 13 januari 1945, van de leiding van de Stoottroepen sprak Van Kooten zijn ongenoegen uit. De tegenstellingen tussen Crasborn en Van Kooten, maar ook die tussen Noord-Brabant en Limburg kwamen nu duidelijk aan het licht. Crasborn zag in dat het in deze verziekte sfeer bijna onmogelijk was op normale wijze te functioneren en onderstreepte het belang van het bewaren van de eenheid. Zo niet, dan liep men een reële kans dat de S.T. opgeheven zouden worden. De kemphanen waren echter niet te stuiten.
Op een vergadering eind januari of begin februari opende De Witt Puyt de aanval op het Commando-Zuid. Hij beschuldigde het Commando ervan geen leiding te geven en allerlei eisen te stellen die niet te realiseren waren. De Brabantse S.T.-commandant De Groot trad voor het Commando-Zuid in het krijt en sprak zijn waardering uit. Omwille van de eenheid bood Crasborn aan zijn functie ter beschikking te stellen. Er volgde een stemming. Van Kooten kreeg acht, Crasborn zes en Gerritsen twee stemmen: een uitslag waarmee niemand tevreden was. Besloten werd een definitieve beslissing inzake de benoeming van een commandant S.T. bezuiden de rivieren aan prins Bernhard over te laten. Kennelijk ervoeren de ruziemakers een dergelijk zwaktebod als fnuikend, want op 17 februari kwam de kwestie opnieuw aan de orde. Crasborn bleef op zijn post, maar kreeg op voorstel van Van Kooten een waarnemend commandant naast zich, te kiezen door de commando’s Brabant en Limburg. De stemming viel ten gunste van Van Kooten uit. Hoewel de oorzaken van het conflict niet waren weggenomen, kwam hiermee een voorlopig einde aan de interne animositeit en kon eindelijk begonnen worden met de opstelling van een definitief reorganisatieplan. Daarvan was tot dusver nog vrijwel niets terechtgekomen. 65]
Op grond van de chronologische gebeurtenissen die uiteraard van invloed waren op de verdere ontwikkelingen zullen we, alvorens die reorganisatie te bespreken, eerst stilstaan bij de lotgevallen van de Limburgse Stoottroepen in de eerste maanden van 1945. In januari en februari 1945 werden nieuwe compagnieën aan de drie L.I.B.’s toegevoegd. Als ze niet in training waren, verrichtten de Stoottroepers in opdracht van kolonel Andrews bewakingsdiensten in Zuid-Limburg of politionele en bezettingstaken in het bevrijde deel van de sector Aken-Keulen-Rijn-Wesel-Venlo. 66] Na de bevrijding van Noord- en Midden-Limburg, begin maart 1945, kwamen nieuwe manschappen de gelederen versterken. Onder hen bevonden zich naar verhouding veel avonturiers en jongemannen die nimmer aan de georganiseerde illegaliteit hadden deelgenomen. Tijd om hun antecedenten na te trekken ontbrak, omdat Andrews de circa 2500 Limburgse Stoottroepers hard nodig had. Op 19 maart verplaatste Van Kooten de operatieve staf van het Regiment Limburg van Valkenburg naar Mönchen Gladbach. Andrews had namelijk bepaald dat het tweede en derde bataljon met het 9e Amerikaanse leger zouden oprukken in de richting van Berlijn. Het eerste bataljon kreeg een politionele en bezettingstaak in de sector Aken-Keulen-Wesel en werd op 4 april aan het 15e Amerikaanse leger toegevoegd. Evenals de geallieerde bezettingstroepen gedroeg dit bataljon zich van tijd tot tijd bandeloos en ongedisciplineerd. Op 26 maart staken het tweede en derde L.I.B. de Rijn over. Van een eenheid was al spoedig niets meer te bespeuren. De verschillende compagnieën verloren het onderlinge contact en waaierden over grote delen van Midden-Duitsland uit. Zo belandde een compagnie in Maagdenburg en werd een ander in de omgeving van Brunswijk door Duitse eenheden ingesloten. De Stoottroepers hielden echter stand tot de komst van de hoofdmacht. Van Kooten zag zich genoodzaakt zijn stafkwartier opnieuw te verplaatsen en wel naar villa “Bleiche” te Warendorff in Westfalen. 67] Daar vierde hij met zijn naaste medewerkers, vrienden en kennissen die hem in Duitsland hadden weten te vinden op zeer uitbundige wijze de onvoorwaardelijke capitulatie van Duitsland op 7 mei 1945. Het feit dat de Limburgse commandant met een buitgemaakte Messerschmitt in een plaatselijke vijver neerplofte en met de schrik vrijkwam kon de feestvreugde niet bederven. In de loop van mei vond de hereniging van de twee Limburgse bataljons plaats. Het eerste werd gelegerd in Kohlscheid bij Aken, het tweede in Harsewinkel en het derde in Warendorff. 68]
Hoewel in februari begonnen was met de opstelling van een reorganisatieplan, kwam van de uitvoering vooralsnog niet veel terecht. Van Kooten bevond zich immers tot mei met zijn manschappen in Duitsland en stond operatief onder commando van het 9e en 15e Amerikaanse leger. Meteen na de Duitse capitulatie werd hem de reorganisatie en samenvoeging van alle bestaande Stoottroepers in één regiment opgedragen, waarover hij het waarnemend commando kreeg. 69] Van Kooten besefte maar al te goed dat nu snel een einde gemaakt moest worden aan het nog steeds smeulende conflict en meende door snel en doortastend op te treden de Stoottroepen van de meest ongeschikte kaderleden te kunnen ontdoen en de ruzies zo spoedig mogelijk te beëindigen. Wilden de Stoottroepen op langere termijn overleven, dan moesten de gangbare militaire gedragscodes, rangen en onderscheidingstekens ingevoerd worden en gebruikelijke militaire selectiecriteria zoals opleiding, kennis, geschiktheid en kundigheid worden toegepast. Daartegen rees verzet. Zowel kader als manschappen bestonden uit een bonte mengeling, variërend van uiterst bekwame professioneel geschoolde militairen tot populaire avonturiers, die van mening waren een elitetroep te vormen op grond van hun verdiensten en houding ten tijde van de bezetting. De omgangsvormen en de sfeer uit die tijd moesten bewaard blijven. Daarin pasten geen strakke reguliere militaire verhoudingen. Zelfs commandanten als Crasborn en de waarnemend commandant van Noord-Brabant, G.H. Bensen - Crasborns K.P.-medewerker uit Heerlen - waren deze mening toegedaan. Van de invoering van hiërarchische structuren, rangen, tucht en orde moesten ze zeker aanvankelijk niets weten. 70] Van Kooten stelde zich realistischer op, omdat hij inzag dat zo’n houding tot een steeds groter isolement moest leiden. Om te overleven moesten de minst bekwame kaderleden, degenen die onvoldoende militaire scholing hadden genoten en zij die zich niet wensten te schikken naar de gewijzigde verhoudingen sedert de Duitse capitulatie of genoegen nemen met een lagere rang dan wel de Stoottroepen verlaten.
Eind 1944 waren de eerste tekenen van een geschil tussen de commando’s Noord-Brabant en Limburg aan het licht gekomen. Bij de recrutering van de Brabantse S.T. was scherp gelet op het verzetsverleden van de manschappen, zodat een uitstekende aansluiting was gevonden bij de in de illegaliteit gegroeide verhoudingen. In Limburg had men daar minder acht op geslagen. Er was veel actiever en op ruimere schaal geworven. De Limburgse S.T. vormden daarom geen heuse afspiegeling van de voormalige illegaliteit. Bovendien had Van Kooten snel een hechte band met de Amerikanen gesmeed en veel voor zijn manschappen bereikt op het terrein van uitrusting, bewapening en bevoorrading. Hierdoor was hij veel minder afhankelijk van het Commando-Zuid en had hij niet met de Brabanders hoeven samen te werken. Hij kon zich daarbij desgewenst beroepen op de hem door de prins op 19 september verstrekte opdracht. Het waren Amerikanen geweest die de Limburgse Stoottroepen opdrachten hadden verstrekt. Vooral gedurende hun verblijf in Duitsland waren Van Kootens manschappen en officieren buiten het bereik en de controle van het Commando-Zuid en de Koninklijke Landmacht, waarvan ze immers sedert 1 januari 1945 deel uitmaakten, gebleven. Vanzelfsprekend had dit kwaad bloed gezet. 71]
Na de benoeming van Van Kooten tot waarnemend regimentscommandant van alle Stoottroepen, begin mei 1945, werden de tegenstellingen nog scherper. Het Brabants commando, dat zich gesteund wist door het Commando-Zuid, stelde zich op het standpunt dat er een zuivering binnen de gelederen van de S.T. moest plaatsvinden om aan het oorspronkelijke uitgangspunt, een militair verband opgebouwd uit voormalige illegale werkers, te voldoen. De Groot verweet Van Kooten bovendien veel te weinig aandacht te schenken aan zijn manschappen in Duitsland die inmiddels volkomen losgeslagen en gedemoraliseerd zouden zijn. Het vertrouwen in de leiding zou tot een nulpunt zijn gedaald en aanleiding hebben gegeven tot allerlei excessen zoals een schietpartij bij de bewaking van gedetineerden in het kamp Vught. 72] Opnieuw dreigde de discussie te verzanden in een golf van verwijten over en weer. Vrijwel het hele S.T.-kader nam eraan deel. Er werd volop geschermd met begrippen als idealisme, bekwaamheid, persoonlijke erkenning en maatschappelijke genoegdoening op grond van de verdiensten in de illegaliteit. Veel kaderleden leken verblind door persoonlijke belangen en ambities.
Niettegenstaande de onverkwikkelijke discussies begon Van Kooten met de reorganisatie. Commando-Zuid werd medio juli opgeheven en Crasborn kreeg een functie bij de staf van prins Bernhard. De Groot moest eveneens het veld ruimen. Hij werd naar Londen gezonden voor een nieuwe opdracht. 73] Daarmee was de weg vrijgemaakt voor een zuivering van de Brabantse gelederen die nu onder commando van G.H. Bensen kwamen. Naast Van Kooten speelde hoofdinstructeur en waarnemend regimentscommandant overste Kronig een belangrijke rol bij deze operatie. Beiden werden al spoedig het mikpunt van felle kritiek vanwege hun ontactisch optreden. Kronig moest van de prins de fouten in de S.T. opsporen en het officierskader doorlichten. Door zijn onbuigzame opstelling en zijn belangrijke positie - hij bepaalde immers wie na de reorganisatie mocht blijven en wie niet - maakte hij zich zeer impopulair, zelfs bij Van Kooten die hem mogelijk als een rivaal beschouwde. Kronig bevond maar liefst de helft van de Brabantse S.T.-officieren ongeschikt voor hun functie. Dat waren doorgaans de meest populaire bevelhebbers die hun voormalige commandant De Groot door dik en dun hadden gesteund. Uit onvrede bedankte een aantal goedgekeurde officieren voor de eer en verliet de Stoottroepen, zodat vrijwel het hele officierscorps verdween. 74] Het ongenoegen onder de Brabantse manschappen nam zelfs zulke vormen aan dat De Groot kort voor zijn vertrek slechts met de grootste moeite een bataljon ervan kon weerhouden naar het stafkwartier van de S.T. in Den Bosch op te trekken. 75] Steevast werd het ontslag of het terugzetten in rang door de gedupeerden uitgelegd als het resultaat van een intrige. Soms was dat ook zo. Van Kooten bleef echter bij zijn standpunt dat kennis en geschiktheid bij de keuring voorop moesten staan en dat men de gevolgen van de reorganisatie sportief diende op te vatten. Crasborn en Kronig steunden hem daarin. Dat nam niet weg dat menig oud illegaal werker er moeite mee had na negen maanden actieve frontdienst heengezonden te worden, temeer omdat de reorganisatie van de Limburgse S.T. met zachte hand was doorgevoerd. 76]
De onlustgevoelens binnen de Stoottroepen vloeiden niet uitsluitend voort uit de gedwongen reorganisatie en de teloorgang van de in de illegaliteit gegroeide kameraadschappelijke sfeer, maar ook uit het trage en slappe zuiveringsbeleid. Dat laatste speelde vooral in Limburg, waar sommige S.T.-commandanten zelfs enige tijd plannen koesterden naar Den Haag op te trekken en een staatsgreep te plegen als hierin niet snel verandering zou komen. Het bleef echter bij plannen die, nadat ze waren uitgelekt, schielijk door de betrokkenen werden gebagatelliseerd. Niettemin was het een uiting van de stemming die binnen grote delen van de S.T. in het voorjaar van 1945 heerste. Veel S.T.-onderdelen wilden geen bevelen opvolgen van personen die als buitenstaander werden beschouwd. Gelouterd door de bezetting wist men zelf wel wat goed en fout was. Men had in het algemeen moeite met het accepteren van enige autoriteit. Een terugkeer naar de vooroorlogse gezagsverhoudingen vervulde menigeen met afschuw. Het eigen gelijk gold veelal als enig referentiekader en derhalve als enige waarheid. Als dat niet binnengehaald kon worden, sloeg de stemming gemakkelijk om in woede en frustratie. 77]
De reorganisatie van de S.T. raakte in een stroomversnelling toen Van Kooten op 15 juli formeel de opdracht kreeg zijn regiment te hervormen in verband met de strijd tegen Japan. Er moesten drie L.I.B.’s van vrijwilligers worden opgericht die een verbintenis van langere duur aangingen, aan te vullen met leden van de B.S. uit de rest van het land. 78] De drie Limburgse bataljons die na de Duitse capitulatie waren toegevoegd aan het 15e Amerikaanse leger en bewakingsdiensten hadden verricht in kampen voor S.S.-ers en oorlogsmisdadigers in België (Luik), Frankrijk (Courtroy, Epinal en Châlons sur Marne) en het Zeeuwse Sluiskil, keerden in de zomer huiswaarts. 79] Daar werden ze evenals de Brabantse S.T.-ers voor de keuze gesteld: ontslag uit de krijgsdienst, verlenging van de dienst in een kort verband van een jaar of in een lang verband, door de minister van oorlog vast te stellen. Op 5 augustus demobiliseerden tweeduizend manschappen waarna een aanvang kon worden gemaakt met de vorming van de drie nieuwe L.I.B.’s. Het eerste bataljon, I R.S. (eerste bataljon van het Regiment Stoottroepen), dat onder commando van majoor J.J.H. Debey stond, vertrok naar de Harskamp op de Veluwe en bestond uit langverbanders. Op 1 september 1945 was de reorganisatie van dit bataljon voltooid. Het tweede bataljon, II R.S., was samengesteld uit kortverbanders en stond onder commando van luitenant F. Blaas. Dit bataljon vervulde tot oktober 1945 een bezettingstaak in het Duitse Paderborn. Nadien werd het belast met de bewaking van krijgsgevangenen in IJmuiden, Hoek van Holland en Velsen. Het derde bataljon, III R.S., dat evenals het eerste was voorbestemd voor uitzending naar Nederlands Indië, bestond uit langverbanders en werd gelegerd in Vught. Majoor J. Brueren voerde het commando. In september 1945 vertrokken I en III R.S. naar Engeland, waar ze zich op 12 oktober inscheepten voor vertrek naar Nederlands Indië. Een vierde bataljon van B.S.-vrijwilligers dat inmiddels in Weert was opgeleid, vertrok op 12 december vanuit Engeland naar de Indische archipel. Op 25 mei 1946 scheepten de manschappen van het vijfde bataljon, dat eveneens was samengesteld uit B.S.-vrijwilligers uit de rest van het land, zich in voor Batavia. Met het vertrek op 23 juli 1946 van een aanvullingsdetachement was het reservoir aan oorlogsvrijwilligers uitgeput. 80]

IV. Nabeschouwing

De geschiedenis van de Limburgse knokploegen is in drie, eigenlijk vier, fasen te onderscheiden. De eerste fase, die van de zomer van 1943 tot eind april 1944 duurde, stond zoals bij de meeste verzetsformaties in het teken van een spontane, zelfstandige ontwikkeling. Dat lijkt op het eerste gezicht nogal merkwaardig, als men bedenkt dat verreweg de meeste van deze K.P.-ers ook deel uitmaakten van andere verzetsgroepen of (zijdelings) bij uiteenlopende illegale activiteiten waren betrokken. Ofschoon het de eerste knokploegen aan een heldere, gemotiveerde doelstelling ontbrak, beseften de organisatoren dat men van tijd tot tijd overvallen moest plegen en geweld moest toepassen om segmenten van de snel groeiende georganiseerde illegaliteit te ondersteunen en te beschermen. Kenmerkend was het gelegenheidskarakter van deze ploegen. Ze kwamen in actie als medewerkers van andere organisaties erom vroegen en/of omdat ze zelf de noodzaak ervan inzagen. Noch het een noch het ander kwam vaak voor. Van de gelegenheidsgroepen die zich tot knokploegen hadden kunnen ontwikkelen bleven er uiteindelijk twee over: de Heldense en Heerlense knokploegen. Tot ver in 1944 traden echter nog gelegenheidsformaties op. Evenals de K.P.-Helden en de K.P.-Heerlen beperkten ook deze groepjes hun ondersteunende en beschermende activiteiten weldra tot de L.O. en andere hulpverleningsgroepen, organisaties die er van tijd tot tijd inderdaad van afhankelijk leken. Hierdoor werd het mogelijk de knokploegen beter te integreren binnen de georganiseerde illegaliteit en de taakstelling af te stemmen op en te koppelen aan die van de L.O. en haar nevenorganisaties. De tweede ontwikkelingsfase, die tot begin juli 1944 duurde, werd gekenmerkt door een bijzonder moeizaam verlopen reorganisatie- en integratieproces. Geestelijke leidsmannen als secretaris Moonen uitten aan het einde van de eerste en gedurende een groot deel van de tweede fase ongezouten kritiek op het functioneren van de knokploegen.
Afhankelijk van de invalshoek van waaruit men de ontwikkelingen beschouwt was deze kritiek geheel of slechts ten dele juist. We vermeldden reeds de door de K.P.’s zo gekoesterde zelfstandigheid die beide processen bemoeilijkte. Dit vrijheidsstreven, want dat was het eigenlijk, hing waarschijnlijk samen met het karakter van de knokploegen, dat onlosmakelijk was verbonden met de werkzaamheden en de persoonlijkheid van de medewerkers. Zonder een psychologische profielschets van de K.P.-er te willen geven en los van de vraag wat zijn motieven waren om zich bij de K.P. aan te sluiten, wist de individuele K.P.-er doorgaans heel goed wat hij wilde. Met gelijkgezinden moest de vijand bestreden en gehinderd worden zijn doelstellingen te realiseren op een wijze, die ogenschijnlijk extra risico’s met zich meebracht en vaak een conspiratief karakter had. Tengevolge hiervan ontwikkelde de K.P.-er een sterke neiging zich door niemand de wet te laten voorschrijven. Zowel de Heldense als de Heerlense knokploeg kenden een sterke interne cohesie; ze waren ontstaan uit een informele bundeling van personen die elkaar hadden leren kennen in de georganiseerde illegaliteit of die al langer met elkaar bevriend waren. Dat schiep niet alleen een hechte vertrouwensband, maar versterkte tevens het groepsbesef waarin gelijkheid centraal stond en waarin zowel positieve als negatieve karaktereigenschappen vaak alle ruimte kregen te gedijen. Dat diverse voorzichtige en behoedzame illegale werkers de knokploegen als ongedisciplineerd, zelfs als vrijgevochten kwalificeerden en sommige acties ronduit onbezonnen noemden, wordt begrijpelijk als men zulke opmerkingen beschouwt vanuit het perspectief van de vredelievende hulpverleningsorganisaties en de overwegende houding van de bij de illegaliteit betrokken geestelijkheid. Niettemin liet de praktijk zien dat diezelfde hulpverleningsorganisaties niet buiten de knokploegen konden. Bij herhaling bewezen ze hun bestaansrecht.
De derde fase, de periode van juli tot de opname van de meeste K.P.-ers in de Stoottroepen, eindigde wat Zuid-Limburg betreft in de loop van september 1944. In het midden en noorden van de provincie duurde die tot eind november. Voor de Zuidlimburgse K.P. veranderde er, de reorganisatie buiten beschouwing gelaten, niet veel. De activiteiten sloten in grote lijnen aan op de gebruikelijke bezigheden. Tot een transformatie in sabotageploegen kwam het niet meer wegens tijdgebrek en vermoedelijk ook vanwege de afwezigheid van de provinciale sabotagecommandant. Toch pleegde de Zuidlimburgse K.P. begin september, soms in samenwerking met R.V.V.-ers en anderen, nog spoorwegsabotage van beperkte omvang. Daar bleef het bij.
De ontwikkelingen in Midden- en Noord-Limburg gaven een heel ander beeld te zien. In tal van plaatsen werden nieuwe knokploegen opgericht die allemaal beantwoordden aan de hiervoor gegeven karakterisering van de Heldense en Heerlense knokploegen. Vermoedelijk kwalificeerden sommigen deze ploegen daarom als “wild”, anderen om aan te geven dat ze moeilijk inpasbaar waren in een traditie van slechts twee knokploegen. Van een centrale leiding was nauwelijks sprake als die al mogelijk was. De organisatiegraad was laag en de onderlinge informatieuitwisseling had weinig om het lijf. Bovendien is het de vraag of de kersverse knokploegen meteen getransformeerd hadden kunnen worden tot sabotageploegen. Waarom verzocht Crasborn anders zijn landelijke sabotagecommandant vanuit Swalmen begin september om versterkingen? De regio herbergde immers zelf vier ploegen op de westelijke Maasoever en vijf op de oostelijke. De algemene chaos die vanaf 5 september om zich heen greep had kennelijk extra consequenties voor de toch al matig georganiseerde K.P.-Noord-Limburg. Dat kan misschien het best geïllustreerd worden aan de hand van de merkwaardige en toevallige samenstelling van de groep die in de herfst haar toevlucht zocht in de bosrijke omgeving van Baarlo en Helden. Daarvan maakten onderduikers, vrijwilligers, O.D.-ers, K.P.-ers uit Schijndel en het L.O.-district Maas en Waal en medewerkers van de Noordlimburgse K.P. deel uit. Alles wijst erop dat deze ongestructureerde ploeg, die geen herkenbare leider had, volop improviseerde en, afgezien van de opdracht om wapens buit te maken, naar eigen goeddunken optrad. Vooral in kringen van medewerkers van de hulpverleningsorganisaties klonken geluiden die de activiteiten van deze “bospartizanen” klip en klaar omschreven als lichtvaardig, onbezonnen, levensgevaarlijk en onverantwoord. Het liep allemaal goed af. Na de oorlog werden hele boeken volgeschreven over het spannende en van tijd tot tijd dramatische avontuur in de bossen van Baarlo.
De vierde en laatste fase stond in het teken van de opname van de meeste K.P.-ers in de Stoottroepen en hun rol in deze militaire formatie. Een naar verhouding gering aantal oud-K.P.-ers gaf er de voorkeur aan de draad van het burgerbestaan weer op te nemen. Een meerderheid greep de kans aan om vooralsnog de strijd tegen de Duitsers in militair verband voort te zetten. Optreden in militair verband vereiste echter scholing en discipline, iets waaraan binnen de K.P.’s geen noemenswaardige aandacht was geschonken. De transformatie van K.P.-er in Stoottroeper verliep niet alleen daarom buitengewoon moeizaam, maar ook omdat veel kaderfuncties door oud-K.P.-ers werden bezet en er in de voorafgaande jaren een mentaliteit was gegroeid die niet van de ene op de andere dag kon worden veranderd. Bovendien waren de K.P.-ers zich er terdege van bewust tot de echte overwinnaars te behoren. Zij hadden de goede strijd gestreden en meenden op grond van deze verdienste niet alleen aanspraak te kunnen maken op maatschappelijke waardering, maar ook het recht te hebben verworven hun stem te laten meeklinken in kwesties als het arrestatiebeleid en de toekomstige inrichting van de maatschappij. Zulke met woord en daad beleden ambities stuitten vanzelfsprekend op verzet en leidden niet alleen binnen de Stoottroepen, maar ook daarbuiten tot lastige complicaties. Het kostte veel tijd en energie hieraan het hoofd te bieden. Dat het stapsgewijs tenslotte tòch lukte deze ambities enigermate te neutraliseren hing niet alleen samen met het ontbreken van een eigen K.P.-belangenorganisatie of een uitgewerkt politiek programma. Een dergelijke discussie was namelijk nooit serieus gevoerd en zou ongetwijfeld grote verschillen in opvattingen te zien hebben gegeven. Het had eveneens te maken met de zich snel wijzigende omstandigheden na de capitulatie van Duitsland, waardoor de grondslag voor het bestaan van een K.P. en de strijd tegen de bezetter kwamen te vervallen. Door het vervagen van de oorspronkelijke organisatiestructuren en de beëindiging van de oorlog in Europa raakte hun specifieke rol uitgespeeld en moesten de K.P.-ers zich heroriënteren en elk opnieuw zijn eigen weg zoeken.

Noten

  1. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 111-116; VII, pp. 738-745. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EA-1: F.M., 16-4-1947; idem, map BG-1: verslag F.M. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII A, pp. 257-258: verklaring L. Scheepstra. Het Grote Gebod, I, p. 348.
  2. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 748 en X A, pp. 86-87. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1292/2: verklaring L. Scheepstra, 27-4-1950.
  3. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag L.F. over K.P.-Limburg. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 58. Het Grote Gebod, I, p. 589. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 101-102. Vraaggesprek auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985.
  4. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag L.F. over K.P.-Limburg. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 101-102. Het Grote Gebod, I, p. 590.
  5. Vraaggesprek auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag L.F. over K.P.-Limburg. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 106. Het Grote Gebod, I, p. 590. Maas en Roerbode, 29-3-1951.
  6. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: verslag H. Bouten, Roermond, 16-9-1946.
  7. Vraaggesprek auteur met J.R.P. Crasborn en G.H. Bensen, Heerlen, 2/30-10-1985. B.R.I.O.P. B.S.-dossier G.H. Bensen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 103.
  8. M.v.D.-C.A.D. Archief Bureau Bijzondere Opdrachten (B.B.O.), R.V.V.-B.B.O., map 2: J.R.P. Crasborn. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier G.H. Bensen. Vraaggesprekken auteur met J.R.P. Crasborn en G.H. Bensen, Heerlen, 2/30-10-1985 en met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986. C.A.B.R. Dossier J. Martens: verklaring P. Driessen en M. Erasmus. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: K.P.-Heerlen.
  9. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met J.R.P. Crasborn en G.H. Bensen, Heerlen, 2/30-10-1985 en met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986. B.R.I.O.P. B.S.-dossier G.H. Bensen.
  10. Zie voor de meeste van deze acties en de bevrijding van Th. Crijns paragraaf VIII.5. van hoofdstuk VI (L.O.). R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: geschiedenis K.P.-Limburg; idem, map DK-4: rapport K.P.-Zuid-Limburg; idem, Coll. HSSPF, map 52-b: diverse Meldungen aus den Niederlanden, 9-8-1944. C.A.B.R. Dossier H. Puts: bijzonderheden uit het dagboek van de Limburgse Landwacht, juni-augustus 1944. Limburgs Dagblad, 4-5-1955, pp. 3 en 7. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986 en met F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986.
  11. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: verslag sabotage te Simpelveld en verslag sabotage te Nuth. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531 (dossier ter inzage gegeven door kabinetschef Huynen). R.v.O. Coll. HSSPF, map 199-e: dagrapporten Nederlandse politie, 17-4-1944 en 18-4-1944 en niet gedateerde actie bij Hoensbroek. C.A.B.R. Dossier H. Puts: bijzonderheden uit het dagboek van de Limburgse Landwacht, juni-augustus 1944. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986. Limburgs Dagblad, 4-5-1955, pp. 3 en 7.
  12. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986.
  13. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  14. Ibidem. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CF-4: betreft arrestatie A.B.-O. en W.R. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986. A.R.A. B.O.O.M., inv. nr. 2.09.13, doos 151, map Nitsch: P.R.A.-Heerlen, nr. 126 (1947).
  15. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag K.P.-Limburg; idem, map EC-3: verslag gesprek met J.H., 30-6-1947; idem, map DL-1: verslag bijeenkomst op kasteel in Well; idem, map DK-4: rapport F. van V. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag A. Goede over K.P.-Limburg. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1252/2: “De Zwerver”, juli 1948. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 746.
  16. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport F. van V.; idem, map EC-4: verslag K.P.-Limburg; idem, map BH-1: verslag L.S., 29-7-1946; idem, map EC-4: verslag L.S., 25-6-1946; idem, map BI-4: verslag J. de G., april 1947; idem, map EC-2: rapport L. van D., algemeen overzicht ontwikkeling K.P.-Brabant. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 746. Het Grote Gebod, I, pp. 383 en 593. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1252/2: “De Zwerver”, juli 1948; idem, inv. nr. 184/2. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 103. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag bijeenkomst te Roermond op 17-10-1946.
  17. Het Grote Gebod, I, p. 595. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  18. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-3: betreft F.M.; idem, map BG-1: betreft F.M.; idem, map EC-4: verslag K.P.-Limburg. B.R.I.O.P. Archief B.B.O., R.V.V.-B.B.O., map 2: J.R.P. Crasborn. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag bijeenkomst te Roermond op 17-10-1946. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 106-107.
  19. R.V.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag K.P.-Limburg. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag bijeenkomst te Roermond op 17-10-1946. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1667: J. Frantzen, 2-7-1946. B.R.I.O.P. Archief B.B.O., R.V.V.-B.B.O., map 2: J.R.P. Crasborn. Het Grote Gebod, I, pp. 383-384.
  20. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 105 en 107.
  21. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers H.J.H. Bouten en J.H. Goossens. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: H. Bouten, 16-9-1946. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag K.P.-Limburg. Vraaggesprekken auteur met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1985; mevr. W.E.M. Kötter-Van de Voort, Maastricht, 3-10-1985; G. Janssen, Reuver, 19-11-1985 en met F.P.J. Smulders, J.G. Arts en C. Claassens, Horst-America, 20-11-1985.
  22. Vraaggesprek auteur met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1985.
  23. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4: verslag K.P.-Limburg. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986.
  24. Collectie K. Koers, Winschoten-Doorwerth. Verslag Koers over K.P.-Zuid-Limburg.
  25. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1560: “De Zwerver”, 14-6-1947. Stichting ’40-’45 Eindhoven.
  26. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.A. Knoop. Vraaggesprekken auteur met A.H. Gielens, Maastricht, 17-10-1985; J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986 en met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985.
  27. Vraaggesprekken auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986; C.J.H. Janssen, Ulestraten, 11-6-1986 en met mevr. J.G. Scholten, Hilversum, 7-11-1985.
  28. R.v.O. Coll. Doc. II, 857-d. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  29. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport K.P.-Zuid-Limburg.
  30. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N 516, dossier V: rapport onderzoek naar doodsoorzaak Coenen en Francotte door J.H. Beaumont. Collectie K. Koers, Winschoten-Doorwerth. Verslag Koers over K.P.-Zuid-Limburg.
  31. Het Grote Gebod, I, pp. 392, 414 en 595. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 114-119, 294. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BI-4: J. de G., april 1947; idem, map EC-2: verslag L. van D. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1292/2: verslag L. Scheepstra, 27-4-1950. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII A, pp. 258-260: verklaring L. Scheepstra.
  32. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11-1985 en 31-10-1988 en met L. Jans, Eben Emael (B), 26-2-1988. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: verslag K.P.-Limburg; idem, map EC-4: verslag K.P.-Limburg. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., map berichten K.P.-O.D.-R.V.V.-L.O., brief 9-9-1944 in mededelingen nr. 1. Het Grote Gebod, I, p. 596. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p.
  33. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: dagboek G.S.C. III (bijgehouden door J.C. Gerritsen), 4-9-1944 en 10/18-9-1944. B.R.I.O.P. Archief B.B.O., R.V.V.-B.B.O., map 2: J.R.P. Crasborn. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: rapport J.C. over K.P., zomer 1944. R.v.O. Coll. 190 A, XVI C. De Nieuwe Limburger, 17-9-1969: artikel J. Kockelkoren.
  34. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: dagboek G.S.C. III, 8-9-1944 en 10-9-1944. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 298. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met J.F.H. Mulders, Venlo, 16-6-1986; mevr. M. van Mansum, Maastricht, 16-10-1985; G. Janssen, Reuver, 19-11-1985; F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986; W.F.Th. van Boekhold, Velden, 7-10-1985; J. Schade, Venlo, 21-10-1985; mevr. J.G. Scholten, Hilversum, 7-11-1985; Th. Gijssen, Spaubeek, 28-5-1986; C.J.H. Janssen, Ulestraten, 11-6-1986; J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986; mevr. J.S. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985; H. Hanssen, Venray, 13-11-1986; J.R.P. Crasborn en G.H. Bensen, Heerlen, 2/30-10-1985; J. Fober, Schinnen, 15-5-1986 en met F. Rocks, Riemst (B), 15-12-1986.
  35. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII A, pp. 343-347: verklaring P.W. Hordijk. Hordijk leverde de voor Limburg bestemde explosieven af ten huize van de arts H.H.J. Crasborn in Swalmen. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 119-121. B.R.I.O.P. Archief B.B.O., R.V.V.-B.B.O., map 2: J.R.P. Crasborn.
  36. Vraaggesprek auteur met G. Janssen, Reuver, 19-11-1985. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport K.P.-Noord-Limburg en rapport L.O.-L.K.P. in rayon Klimmen; idem, dossier VI: sabotage baanvak Schin op Geul-Wylré; idem, dossier XI: rapport telefoonspionage Roermond. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-2: K.P.-Limburg, september 1944. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: oorlogsdagboek G.S.C. III, 4-9-1944. Het Grote Gebod, II, p. 463.
  37. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: dagboek G.S.C. III, 7-9-1944. R.v.O. Coll. 190 A, XVI C. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 293.
  38. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 291, 293.
  39. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: sabotageacties te Elsloo. 40 M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: dagboek G.S.C. III, 12-9-1944.
  40. R.v.O. Coll. 190 A, XVI C.
  41. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag bijeenkomst op kasteel Well. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: dagboek G.S.C. III, 7-9-1944. B.R.I.O.P. B.S.-dossier A. Gödden. Vraaggesprekken auteur met H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985 en met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Hofwijk, Verzet, p. 57.
  42. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985 en met G. Janssen, Reuver, 19-11-1985. Hofwijk, Verzet, p. 62. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nrs 570-572/2: brief Crasborn en Van Kooten, 9-9-1944.
  43. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 295. Het Grote Gebod, I, p. 401. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: rapport J.C. over K.P., zomer 1944.
  44. Hetgeen over de activiteiten van de K.P. in de bossen van Baarlo beschreven staat, is in belangrijke mate gebaseerd op het boek van Hofwijk, J.W., Verzet. De 66 dagen van Baarlo. Baarn, 1982 (met name pp. 66-207). Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 324-326. Het Grote Gebod, I, pp. 596-598. Collectie J. Crasborn, Heerlen. Dagrapporten K.P.-Baarlo, 2 oktober-9 november 1944. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 109-127. Paape, Donkere jaren, pp. 123-129. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-3: rapport J.C. over K.P., zomer 1944. Vraaggesprekken auteur met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1987; H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985; G. Janssen, Reuver, 19-11-1985 en met J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2/30-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Archief B.B.O., R.V.V.-B.B.O., map 2: J.R.P. Crasborn.
  45. Het Grote Gebod, II, pp. 580, 583-585, 588. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 556. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 177, 247. Vraaggesprek auteur met J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2/30-10-1985. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 840/2: geschiedenis van de S.T. door Tonnie Gerritsen; idem, inv. nr. 1539.
  46. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 176-177. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 559, 562. Het Grote Gebod, II, pp. 580-582. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 2A: S.N.B.S.-organisatie; idem, Doc. B.S., inv. nr. 449/2: verslag J. de Groot en J. Borghouts; idem, inv. nr. 904/2. N.B. Bij ministeriële beschikking van 4 september 1947 werd als oprichtingsdatum van de Stoottroepen 21 september 1944 vastgesteld (Het Grote Gebod, II, voetnoot p. 581).
  47. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 177-178.
  48. S.H.C. Archief J.G. de Groot: verslag bespreking 13-1-1945. Vraaggesprekken auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986 en met J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2/30-10-1985.
  49. Het Grote Gebod, II, p. 582. Vraaggesprekken auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11-12-1986; J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2/30-10-1985 en met F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 247-248. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 556. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 2A: S.N.B.S.-organisatie; idem, Doc. B.S., inv. nr. 464/2: instructie B.J.C. van Kooten, 29-9-1944; idem, inv. nr. 904/2.
  50. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 2A: S.N.B.S.-organisatie; idem, Doc. B.S., inv. nr. 387/2: rapport R.M.E.F. Sevenstern; idem, inv. nr. 1122/2: rapport J.J.G. Beelaerts van Blokland; idem, inv. nr. 1595. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 249.
  51. "> ⇑ "> ⇑ Bemelmans en Lommers, “Stoottroepers in Westelijke Mijnstreek”, pp. 219-232. Het Grote Gebod, II, p. 588. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 300. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 2A: S.N.B.S.-organisatie; idem, Doc. B.S., inv. nrs. 449/2, 463/2, 1539 en 1595; idem, inv. nr. 122/2: rapport J.J.G. Beelaerts van Blokland.
  52. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 3: S.N.B.S.-taken; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1122/2: rapport J.J.G. Beelaerts van Blokland. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 764-768. Bemelmans en Lommers, “Stoottroepers in Westelijke Mijnstreek”, pp. 219-232. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 199-201, 300.
  53. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 564-566, 757. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 387/2: rapport R.M.E.F. Sevenstern, 29-9-1944.
  54. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 761-762. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 449/2.
  55. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nrs. 256/2, 1223/2 en 1458, rapport 24-12-1944. Bronzwaer, Maastricht bevrijd!, II, pp. 190-192.
  56. Het Grote Gebod, II, p. 588. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 3: S.N.B.S.-taken; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1122/2: rapport J.J.G. Beelaerts van Blokland en rapport B.J.C. van Kooten, 5-12-1944.
  57. Het Grote Gebod, II, p. 582. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., correspondentie sectie VIII, nrs. 640-750: samenstelling Staf Commando-Zuid. Vraaggesprekken auteur met J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2/30-10-1985 en met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1987.
  58. Het Grote Gebod, I, pp. 303-304, 407 en II, p. 585. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 2A: S.N.B.S.-organisatie; idem, Doc. B.S., inv. nrs. 1033/2 en 1620. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 760.
  59. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 1, nr. 1.
  60. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 762-764.
  61. Ibidem, p. 764.
  62. M.v.D.-C.A.D. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 3: S.N.B.S.-taken; idem, Doc. B.S., inv. nrs. 704/2, 904/2, 1439, 1539; idem, inv. nr. 1122/2: rapport majoor B. Buma, nr. 19 d.d. 22-12-1944. Het Grote Gebod, II, pp. 585, 589. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 327, 654.
  63. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 760. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1122/2: rapport J.J.G. Beelaerts van Blokland.
  64. S.H.C. Archief J.G. de Groot: rapport 14-12-1944, bespreking 28 en 29-11-1944, bespreking eind januari of begin februari 1945, bespreking 17-2-1945. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 760. Vraaggesprek auteur met H.J.H. Bouten, Sittard, 20-10-1987.
  65. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1122/2: rapport majoor B. Buma, 16-1-1945; idem, inv. nr. 1088/2. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 327.
  66. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nrs. 449/2, 904/2, 1088/2, 1522, 1539. Het Grote Gebod, II, pp. 589-590.
  67. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1088/2.
  68. Het Grote Gebod, II, p. 585.
  69. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 760-761.
  70. Het Grote Gebod, II, pp. 582-583. B.R.I.O.P. Dossier Verb. Off. t/m Zuivering, map B.N.S.-B.S.: vergadering Verb. Off. Verslag van de bespreking aangaande de Stoottroepen, 14-8-1945.
  71. S.H.C. Archief J.G. de Groot: memorandum van S.T.-ers aan het Nederlandse volk (brochure) en verslag besprekeing 14-8-1945. B.R.I.O.P. Dossier Verb. Off. t/m Zuivering, map B.N.S.-B.S.: vergadering Verb. Off. Verslag van de bespreking aangaande de Stoottroepen, 14-8-1945.
  72. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 840/2: geschiedenis S.T. door Tonnie Gerritsen. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 760.
  73. B.R.I.O.P. Dossier Verb. Off. t/m Zuivering, map B.N.S.-B.S.: vergadering Verb. Off. Verslag van de bespreking aangaande de Stoottroepen, 14-8-1945. 75 S.H.C. Archief J.G. de Groot: rapport J. de Groot, 12-11-1946.
  74. B.R.I.O.P. Dossier Verb. Off. t/m Zuivering, map B.N.S.-B.S.: vergadering Verb. Off. Verslag van de bespreking aangaande de Stoottroepen, 14-8-1945.
  75. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 761-762. Vraaggesprek auteur met A.H. Gielens, Maastricht, 17-10-1985.
  76. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 904/2.
  77. Ibidem, inv. nrs. 449/2, 904/2, 1539. Het Grote Gebod, II, p. 590.
  78. B.R.I.O.P. Dossier Verb. Off. t/m Zuivering, map B.N.S.-B.S.: vergadering Verb. Off. Verslag van de bespreking aangaande de Stoottroepen, 14-8-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nrs. 904/2 en 1539; idem, inv. nr. 449/2: rapport B. van Kooten, 17-7-1946. 826