Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk IX

De Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden


I. Landelijk: ontstaan en ontwikkeling tot eind 1943

Initiatiefnemer tot de oprichting van en de stuwende kracht achter de Raad van Verzet (R.V.V.) was de P.T.T.-ambtenaar en radiotechnicus J. Thijssen uit Bussum. Al vóór de oorlog had hij ervaring opgedaan met het opsporen van clandestiene zenders. Door die kennis kon hij zendapparatuur in zekere mate beschermen tegen (snelle) uitpeiling. Dat kwam hem goed van pas bij zijn plan om een landelijk radiografisch netwerk op te bouwen, waarlangs een snelle uitwisseling van informatie kon plaatsvinden. Daarvan zouden zowel de illegaliteit als de geallieerden op korte termijn profijt kunnen hebben. Hoewel Thijssen al met de uitvoering van zijn plan bezig was, begreep hij dat landelijke contacten daarvoor onontbeerlijk waren. Slechts één organisatie beschikte in 1942 over een landelijke structuur, de door beroepsofficieren geleide en op militaire leest geschoeide Ordedienst (O.D.). Thijssen wist van het bestaan van deze organisatie. Hij ontvouwde zijn plan aan de chef-staf van de O.D., jhr. P.J. Six, die ermee instemde. Diens organisatie kampte als gevolg van enkele arrestaties met interne verbindingsproblemen. Dank zij Thijssens inzet kwam het landelijk verbindingsnet nog grotendeels in 1942 gereed. Veel steun ondervond hij daarbij van de bij de N.V. Philips in Eindhoven werkzame chemicus J. Hoekstra, die er met hulp van een familielid in slaagde de hand te leggen op voor het radionet belangrijke onderdelen uit de Philipsfabrieken. 1]
Teleurstelling en ergernis maakten zich van Thijssen meester toen hem duidelijk werd dat de O.D. zijn radionet uitsluitend wilde gebruiken voor eigen doeleinden. Volgens hem was de O.D. véél te passief. Hij wilde actief bezig zijn en dat strookte geenszins met de O.D.-richtlijn om voorlopig af te wachten en pas ten tijde van een ooit te verwachten bevrijding op te treden. Thijssen koesterde andere plannen met zijn radiodienst. Hem stond een nieuwe, overkoepelende organisatie voor ogen, die zich volledig op actieve verzetsdaden zoals sabotage zou moeten toeleggen; een organisatie ook, die nauw contact met de geallieerden onderhield met het oog op een optimale ondersteuning van de beoogde verzetsactiviteiten. Dat laatste leek te lukken toen omstreeks april 1943 vanuit het neutrale Zweden twee voor de O.D. bestemde zenders het land werden binnengesmokkeld. Als chef van de O.D.-radiodienst eigende Thijssen zich die terstond toe. De O.D. mocht er gebruik van maken, maar het beheer lag in handen van Thijssen, die inzag dat de realisering van zijn doel binnen handbereik lag.
Dank zij het landelijk radionet en met een verbinding met Engeland in het vooruitzicht, kon Thijssen zich nu gaan bezighouden met de vorming van een landelijke verzetsorganisatie. Met zes andere illegale werkers, onder wie de communist D. van der Meer uit Amersfoort, richtte Thijssen eind april 1943 de “Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden” (R.V.V.) op. 2]
Van der Meer werd al spoedig vervangen door zijn politieke geestverwant G. Wagenaar. De mogelijkheden voor communisten om met niet-communisten samen te werken waren aanzienlijk verruimd, nadat Stalin op 9 juni 1943 bekend had gemaakt dat de Komintern was opgeheven. Volgens Stalin waren de nationale communistische partijen inmiddels volwassen genoeg om naar eigen inzicht te handelen. Daarmee ontstond een politieke speelruimte die de C.P.N. met beide handen aangreep en de partij uit een langdurig isolement zou kunnen verlossen. Reeds in de loop van 1941 had de ondergrondse leiding van de C.P.N. een zogeheten “Militaire Commissie” (M.C.) in het leven geroepen. Overal in het land waren met het oog op een spoedig te verwachten geallieerde invasie in West-Europa op initiatief van deze Commissie M.C.-groepen gevormd, die door sabotage verwarring moesten stichten binnen de Duitse gelederen. Wagenaar, een van de landelijke M.C.-voormannen, kwam met zijn sabotagegroepen de gelederen van de R.V.V. versterken. 3] Het door de illegale C.P.N. uitgegeven verzetsblad “De Waarheid” ging zich steeds meer met de R.V.V. identificeren. Dat bezorgde de organisatie, overigens ten onrechte, een communistisch stigma. 4]
Hoewel de R.V.V. er niet in slaagde de bestaande actieve verzetsgroepen in de eigen organisatie op te nemen, konden in de zomer en het najaar van 1943 tòch enige krachten worden aangetrokken die een wezenlijke bijdrage zouden leveren aan de verdere uitbouw van de organisatie. Met de komst van G.J. van der Veen kreeg de R.V.V. toegang tot kringen van het kunstenaarsverzet en raakte de Raad nauw betrokken bij de door hem geleide persoonsbewijzen Centrale (P.B.C.). De P.B.C. had haar centrum in Amsterdam en legde zich in hoofdzaak toe op het vervalsen en gebruiksklaar maken van (buitgemaakte) identiteitsbewijzen. Tenslotte kreeg de R.V.V. door het aantrekken van P.G.S. Guermonprez, die op het secretariaat van de voormalige Nederlandsche Unie had gewerkt, een man binnen de gelederen die over contacten beschikte in kringen rond het verzetsblad “Je Maintiendrai” en samenwerkte met oud-Unieleden die inmiddels de overstap naar de illegaliteit hadden gemaakt. Die beide verzetskernen waren óók in Zuid-Nederland aanwezig. 5]

II. Limburg: ontstaan en ontwikkeling

Het was Wagenaar bekend dat in de mijnindustrie springstof werd gebruikt. Omdat zijn M.C.-groepen explosieven nodig hadden voor het plegen van sabotage, ging hij op zoek naar verbindingsmannen in de Mijnstreek. 6] In Limburg zelf waren - voor zover is na te gaan - géén M.C.-groepen actief. Voor het contact met de provincie was de R.V.V. aangewezen op de verzetsrelaties van Guermonprez. Distributie-ambtenaar en oudvoorzitter van de plaatselijke Unie-afdeling J.W. Creusen, die ook betrokken was bij de hulp aan onder meer joodse onderduikers, leidde in Kerkrade de verspreiding van het blad “Je Maintiendrai”. 7]

Omstreeks november/december 1943 verzocht Guermonprez Creusen de opbouw van de R.V.V. in Zuid-Limburg op zich te nemen. Was het mogelijk bestaande en zelfstandig opererende verzetsgroepen op te sporen en die vervolgens in R.V.V.-verband te laten opgaan òf moesten nieuwe groepen worden opgericht? Met andere woorden: moest de organisatie van bovenaf of vanuit de basis worden opgebouwd? Hoewel de R.V.V.-leiding de voorkeur gaf aan de eerste optie, werden beide mogelijkheden opengelaten.8] Creusen beschikte over veel contacten binnen de zich snel ontwikkelende illegaliteit. Vooral in de mijnen pleegden diverse groepjes en personen allerlei vormen van sabotage. Uit dat reservoir aan potentiële krachten kon wellicht worden geput. Creusen zelf moest voorzichtig opereren. Kort tevoren was de Sipo hem op het spoor gekomen. Desondanks verklaarde hij zich bereid op te treden als hoofdkoerier van de R.V.V. voor Zuid-Nederland en als contactman tussen de leiding en de regio. 9] Veel steun ondervond hij van A.L.H.M. Gubbels, leerling van de Middelbare Technische School in Heerlen en zoon van de burgemeester van Arcen en Velden. Gubbels verspreidde “Je Maintiendrai”, verrichtte koeriersdiensten en verzamelde inlichtingen. 10]
Het eerste contact met Limburg was gelegd, nu kon de verdere organisatorische opbouw ter hand worden genomen. Daarvoor werd de apothekersassistent H.W. Burgers, woonachtig te Geleen maar oorspronkelijk afkomstig uit Amsterdam, aangeworven. Hij onderhield via Creusen en Guermonprez doorlopend contact met de R.V.V.-leiding. Burgers, benoemd tot commandant R.V.V. in Zuid-Limburg, ging voortvarend te werk. Hij verdeelde de regio in vier districten (Maastricht-Valkenburg-Heerlen-Sittard) en met hulp van Creusen en Gubbels wierf hij de eerste districts- en groepscommandanten. Op de landelijke R.V.V.-bijeenkomsten in maart 1944 toonden de aanwezigen zich ingenomen met de ontwikkeling van de R.V.V. in Zuid-Limburg. 11] Op papier zag de organisatie er inderdaad goed uit. Gelet op de naderhand op touw gezette activiteiten had Burgers misschien kunnen volstaan met een indeling in oostelijke en westelijke Mijnstreek. Dáár bevonden zich de meest actieve districts- en groepscommandanten: in de oostelijke Mijnstreek de geologiestudent J.F.C. de Witt Puyt en de door Gubbels aangetrokken student baron O.R.M. van Hövell tot Westerflier en in de westelijke Mijnstreek J.G.W. van Otterloo en J. Ebben, tevens plaatsvervanger van Burgers. Zij hadden tot taak bestaande groepjes op te sporen dan wel nieuwe te organiseren. Eind augustus 1944 telde de R.V.V. in Zuid-Limburg ongeveer honderd medewerkers. 12]
In het district Maastricht lag de zaak gecompliceerder. Een actieve verzetsgroep, voortgekomen uit strijdbare sociaal-democraten, was dank zij contactpersonen in het westen van het land al eerder in aanraking gekomen met zowel de P.B.C. van Van der Veen als met Guermonprez. 13] Men zag er de noodzaak niet van in om voortaan in R.V.V.-verband op te treden, maar desgevraagd werd wel wederzijds hulp verleend. In de vroege zomer van 1944 reisde de R.V.V.-er W. Thomas uit Rotterdam in opdracht van Thijssen naar Maastricht. Hij moest een verbinding tot stand brengen met Belgische verzetsorganisaties en nagaan of er zendposten voor de R.V.V. konden worden ingericht. Voorts had Thijssen hem gevraagd tekeningen van de E.N.C.I. te Maastricht te vervaardigen, het bedrijf zou cement leveren voor de aanleg van Duitse verdedigingswerken. Een doelgericht bombardement zou het produktieproces lam moeten leggen. Van A.A.R. König, werkzaam op de staalfabriek “De Maas”, ontving Thomas in juli 1944 een gedetailleerd verslag over de bedrijfsvoering en het produktieproces alsmede een plattegrond van de E.N.C.I., vervaardigd door de student Th.M.B. van Marle. Het bombardement vond evenwel nimmer plaats. 14] Bij de uitvoering van de rest van zijn opdracht had Thomas waarschijnlijk geen succes.
Naderhand kwam in Maastricht toch nog een kleine R.V.V.-kern tot stand onder leiding van W. Hochstenbach. Verspreiders van het sociaal-democratisch georiënteerde verzetsblad “Het Parool” maakten er deel van uit. Veel stelde het niet voor. 15] Men onderhield contact met Burgers, maar het is onbekend of die ooit duidelijk omschreven opdrachten heeft verstrekt. Het is zelfs de vraag of deze groep ooit in actie is gekomen. Voor het district Valkenburg geldt hetzelfde. Wellicht hielden de R.V.V.-ers uit deze regio zich beschikbaar voor acties in de Mijnstreek. Dezelfde conclusie kan voor Noord- en Midden-Limburg worden getrokken. In Venray, Venlo en Roermond zouden kleine R.V.V.- kernen hebben bestaan, maar van enige activiteit of opdrachtgever(s) is nagenoeg niets bekend. De R.V.V. bleef in Limburg, afgezien van de Mijnstreek, vooral een organisatie op papier.
Heel anders lag dat in de Peel, het grensgebied tussen Noord-Brabant en Noord-Limburg. Op het kasteel van Deurne woonde de door Guermonprez als commandant Zuid-R.V.V. aangezochte baron Th. de Smeth van Deurne, die tevens als commandant R.V.V. voor het oostelijk deel van Noord-Brabant optrad. 16] In de dunbevolkte en moeilijk toegankelijke Peel hadden in de loop van 1942 en 1943 nogal wat jongeren een veilig onderduikadres gevonden. Sommigen van hen waren betrokken geraakt bij de hulpverlening aan bemanningsleden van neergeschoten geallieerde bommenwerpers (zie hoofdstuk IV, paragraaf VI). De Peel was onderdeel van de aanvliegroute naar het Roergebied en de Duitsers hadden er, evenals in de rest van de grensstreek, veel afweergeschut opgesteld. Bovendien werden veel geallieerde toestellen neergehaald door op de “Fliegerhorst” Venlo gestationeerde nachtjagers, de belangrijkste nachtjagerbasis van de Luftwaffe in West-Europa. Niet alleen “piloten”, ook andere vluchtelingen werden geholpen. Er was sprake van een uit de omstandigheden geboren, spontane verzetsactiviteit. Al spoedig ontstonden contacten met andere illegale groepen en groepjes, zodat de streek zich ontwikkelde tot een knooppunt in de zogenaamde “pilotenhulp”. Ook baron De Smeth van Deurne raakte erbij betrokken, maar erg op zijn gemak voelde hij zich daar niet bij. Hij was veel te bekend in de streek. Zijn doen en laten werd nauwlettend in de gaten gehouden, óók door de Duitsers. 17] Desondanks accepteerde de baron de hem aangeboden functie en gaf hij Thijssen toestemming een zender in het jachthuis te installeren. In juli 1944 ontmoetten de landelijke en Zuid-Nederlandse R.V.V.-voormannen elkaar op het kasteel van Deurne. Thijssen leidde de bijeenkomst en ontvouwde zijn plan om een door hem zelf te leiden Operatie Centrum op te richten. De bestaande R.V.V.-groepen dienden op korte termijn te worden omgesmeed tot kleine, op militaire leest geschoeide sabotagegroepen, die hoofdzakelijk moesten optreden tegen het Duitse leger. 18]
Veel jeugdige illegalen in de Peel voelden zich aangetrokken tot de doelstellingen van de R.V.V. De in februari 1944 voorgestelde vorming van “vrijkorpsen”, te vergelijken met guerrillagroepen, sprak hen aan. Onder leiding van C. Noordermeer uit Lochem kwam in het vroege voorjaar van 1944 zo'n vrijkorps tot stand. 19] Weldra bleek eens te meer dat Guermonprez een ongelukkige keuze had gemaakt door De Smeth voor de functie van commandant Zuid-R.V.V. te benaderen. Vanwege zijn passiviteit en de gebrekkige leiding stelde De Smeth hen in hun hooggespannen verwachtingen teleur. Menigeen keerde ontmoedigd de R.V.V. de rug toe. Een aantal leden van het vrijkorps vond naderhand onderdak bij de veel actievere knokploegen. Kritiek bleef niet uit en eind juli stelde de baron zijn functie als commandant R.V.V. voor oostelijk Noord-Brabant ter beschikking. C.S. Vermeulen volgde hem op. 20] Kennelijk liet de baron de R.V.V. geheel los, want Thijssens helper van het eerste uur, Hoekstra uit Eindhoven, nam het commando-Zuid van de R.V. V. op zich. Daarmee handelde Hoekstra geheel op eigen gezag en ongetwijfeld tegen de zin van Thijssen, die hem enkele weken daarvoor uit de R.V.V. en de radiodienst had gezet, omdat hij openlijk had geprotesteerd tegen Thijssens autoritaire optreden. Hoekstra verzuimde bovendien Burgers in Geleen op de hoogte te stellen. 21] Hij kon zich dat veroorloven, omdat de R.V.V.-groepen over een grote mate van zelfstandigheid beschikten. Nadat Thijssen hem uit de radiodienst had gezet, bemoeide Hoekstra zich er niet meer mee en onderhield zijn medewerker, P.T.T.-monteur Boersma in Eindhoven, namens de R.V.V.-leiding het radiocontact met Burgers in Geleen. 22] Twee medewerkers van Burgers, De Witt Puyt en P.W.A. Landman, reisden in verband met de uitbreiding van het radionet naar Hilversum om twee kleine zendontvangers op te halen. Via een gefingeerde order was een medewerker van Thijssen erin geslaagd dertig van dergelijke apparaten, geschikt voor binnenlands gebruik, uit de seintoestellenfabriek in Hilversum te smokkelen. Eén ervan werd voorlopig in Heerlen opgesteld, de andere in Geleen. 23]
De radioverbinding van Boersma in Eindhoven was het enige contact tussen de R.V.V.-leiding en Burgers. In het voorjaar en de zomer van 1944 waren de belangrijkste koeriers en contactpersonen in Duitse handen gevallen. Als eerste was Guermonprez op 4 april op het Centraal Station te Amsterdam gearresteerd. Een dag later werd Creusen met een koffer vol distributiebescheiden in de trein tussen Utrecht en Maarssen aangehouden. Gubbels slaagde erin het verbroken contact te herstellen, maar ook hij viel in Duitse handen. Op 4 augustus werden bij een treincontrole op het station van Den Bosch een vals identiteitsbewijs en een revolver op hem gevonden. Deze arrestaties brachten de organisatie in Limburg niet in moeilijkheden. Wellicht kon geen verband gelegd worden tussen de gearresteerde personen en de R.V.V. en zwegen ze alle drie tot het einde toe. Geen van drieën overleefde de oorlog. Guermonprez werd op 10 juni en Gubbels op 11 augustus 1944 in Vught doodgeschoten als represaille voor een aanslag op een collaborerende politieman uit Den Bosch. Creusen bezweek op 31 mei 1945 aan de gevolgen van de ontberingen in Duitse kampen. 24]

III. Status en positie van de R.V.V. binnen het landelijk krachtenveld der illegaliteit

In januari 1943, enkele maanden voor de oprichting van de R.V.V., was het Nationaal Comité van Verzet (N.C.) tot stand gekomen. Zowel het N.C. als de R.V.V. streefden een bundeling van de illegaliteit na en zagen voor zichzelf een leidinggevende rol weggelegd, maar de uitgangspunten en de achtergronden verschilden wezenlijk van elkaar. Het N.C. ontwikkelde zich in de loop van 1943 tot een organisatie die zich in hoofdzaak toelegde op de uitwisseling van voor het verzet nuttige informatie, vooral op administratief gebied. Ze knoopte daartoe contacten aan met hoge ambtenaren en kaderpersoneel in het bedrijfsleven. Voorts trachtte deze organisatie door middel van pamfletten de verzetsgeest te stimuleren. Gesprekken om tot samenwerking te komen liepen al in juli 1943 vast. Het N.C. zag helemaal niets in een samenwerking met communisten en Thijssen op zijn beurt bestempelde het N.C. als een “regentenkliek”. 25] Van coördinatie of bundeling kwam niets terecht. Daarvoor waren de interne structuren, activiteiten, doelstellingen en achtergronden veel te verschillend. Bovendien stonden persoonlijke tegenstellingen en de eigengereide karakters van de hoofdrolspelers een samenwerking in de weg. In plaats van te komen tot een bundeling van de verzetskrachten kreeg de illegaliteit er met de R.V.V. en het N.C. in het voorjaar van 1943 twee nieuwe, onderling krakelende vertegenwoordigers bij.
Toch slaagde de R.V.V. erin een vaste en vooraanstaande positie te verwerven. Vier factoren begunstigden deze ontwikkeling. In de eerste plaats kon de leiding verscheidene medewerkers aantrekken die waardevolle contacten onderhielden met andere verzetskringen. Zodoende kwamen nieuwe helpers beschikbaar. 26] Voorts presenteerde de Raad een voor menigeen aantrekkelijk “programma” waarin het accent lag op een actieve verzetsstrijd, zoals het plegen van sabotage, het beramen en uitvoeren van overvallen en het liquideren van verraders, infiltranten en ander “gespuis”.27] Van essentieel belang was ook dat de organisatie de beschikking kreeg over Thijssens radiodienst, waardoor snel en rechtstreeks onderling contact mogelijk werd. Tenslotte legde Thijssen, volkomen terecht, veel nadruk op een goede verbinding met Engeland. Dat laatste zou van onschatbare waarde blijken voor de status van de R.V.V. bij de Nederlandse instanties aldaar.
Wie zich in “Londen” bekend maakte en steun verwierf, stond in bezet Nederland sterk en kon invloed laten gelden. Gedurende de eerste oorlogsjaren had men de grootste moeite contact met de “overkant” te krijgen. Wat er aan zendverkeer bestond, werd grotendeels en geruime tijd ten gevolge van het Englandspiel door Duitse instanties gecontroleerd. Talrijke organisaties en verzetsmensen werden daar het slachtoffer van. Mogelijk liep óók de R.V.V. schade op als gevolg van de betrokkenheid van sommige groepen bij de hulp aan geallieerde vliegeniers en hun bemanningsleden. Het zendcontact dat Thijssen dank zij zijn medewerker A.W.M. Ausems onderhield was echter bonafide. Ausems en G.J. van Heuven Goedhart reisden respectievelijk in december 1943 en eind april 1944 naar Engeland. Beiden schetsten de Nederlandse instanties een gunstig beeld van de R.V.V. Het tegengestelde deden ze, om uiteenlopende redenen, met de in hun ogen passieve Ordedienst. Dat laatste kwam Thijssen, die Ausems een negatief rapport over de O.D. had meegegeven, goed uit. 28] Wat was er inmiddels gebeurd? Zijn eigengereid optreden en de toeëigening van twee voor de O.D. bestemde zenders leidden tot een openlijk en langdurig conflict tussen Thijssen en Six. De twee hadden kennelijk steeds op verschillende golflengten met elkaar gecommuniceerd. In december 1943 hakte Six de knoop door en maakte een einde aan de onhoudbare situatie. Hij ontsloeg de stijfkoppige Thijssen als hoofd-radiodienst van de O.D., omdat deze geen duimbreed had willen toegeven en Six' organisatie een “dood ding” had genoemd. 29] Dezelfde maand arriveerde Thijssens vriend Ausems in Engeland. Hij kreeg daar een opleiding tot geheim agent. Begin maart 1944 werd hij boven Nederland gedropt. Na enige tegenslag vonden Thijssen en Ausems elkaar en in april kwam een zendverbinding met het in Londen gevestigde Bureau Inlichtingen (B.I.) tot stand, de instantie die Ausems had uitgezonden. Thijssen, op dat moment druk bezig met de reorganisatie van de radiodienst, kon via het kanaal-Ausems talrijke waardevolle gegevens in handen van B.I. spelen. 30]
Net als in december had Thijssen ook in april het tij mee. Kort tevoren was het Englandspiel met al zijn catastrofale gevolgen aan het licht gekomen. Op grond van de getuigenissen van twee uit Haaren ontsnapte agenten, die na een tocht vol tegenslag Engeland hadden weten te bereiken, was definitief komen vast te staan dat het Brits-Nederlands samenwerkingsverband, dat voorbereidingen trof voor een wijdvertakte sabotage-organisatie in Nederland om de geallieerde bevrijdingsstrijd zo doelmatig mogelijk te ondersteunen, maar liefst twee jaar lang door Duitse inlichtingendiensten om de tuin was geleid. Op 1 april 1944 zegden de Duitsers in een cynisch telegram de “samenwerking” op. In Engeland werd een snelle reorganisatie doorgevoerd, wat aan Nederlandse zijde resulteerde in de oprichting van het Bureau Bijzondere Opdrachten (B.B.O.) op 15 maart 1944. Aan Britse zijde werd de leiding van het verantwoordelijke S.O.E.(Special Operations Executive)-Dutch vervangen. 31]
Gelet op het oorlogsverloop en de aanstaande opening van een geallieerd front in West-Europa moest er snel worden gehandeld. Maar wat wist men in Engeland eigenlijk van sabotagegroepen in Nederland? Ausems en Van Heuven Goedhart, die na een avontuurlijke reis op 17 juni in Londen was aangekomen, hadden nadere inlichtingen verstrekt over de R.V.V. Toch bestonden er enige twijfels. De soms wat onbezonnen lijkende activiteiten van en de aanwezigheid van communisten in de R.V.V. waren niet onopgemerkt gebleven. Bovendien vernam men in de zomer door de komst van pater L. Bleijs, aanvankelijk schriftelijk en later ook mondeling, voor het eerst uitgebreid en gedetailleerd over de werkzaamheden van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (L.O.) en haar bewapende nevenorganisatie, de Landelijke Knokploegen (K.P.). Klaarblijkelijk bestonden er dus toch andere organisaties in bezet gebied die wellicht in staat zouden zijn ten tijde van de komst der geallieerde strijdkrachten sabotage achter de Duitse linies te bedrijven.
Om te achterhalen welke groepen primair in aanmerking kwamen voor de toezending van wapens, munitie en explosieven, zond het B.B.O. in de nacht van 6 op 7 juli de agenten L.G. Mulholland en L.A. de Goede naar bezet Nederland. Een van hun opdrachten behelsde de lokalisatie van de R.V.V. Het toeval wilde dat de twee niet in R.V.V.-kringen maar via tussenpersonen bij de leiding van de K.P. terechtkwamen. Op aandringen van enkele voormannen besloten de twee met deze organisatie in zee te gaan. Zonder het B.B.O. hiervan op de hoogte te stellen arrangeerden de agenten in de nacht van 27 op 28 augustus 1944 een dropping van wapens, die bij Voorthuizen op de Veluwe door de knokploegen in ontvangst werden genomen. Toch werd de R.V.V. niet vergeten. Agent Mulholland zocht alsnog contact met Thijssen en regelde voor de R.V.V. eveneens een wapenzending. De wapens werden in de nacht van 31 augustus op 1 september 1944 in Zuid-Limburg op de Brunssummerheide bij Merkelbeek neergelaten. Er zouden meer wapenzendingen volgen. 32]
Van samenwerking tussen de twee organisaties die wapens hadden ontvangen was geen sprake. De versnippering van het georganiseerd verzet bezorgde zowel de illegaliteit in eigen land als de Nederlandse regering in Londen steeds meer hoofdbrekens. Herhaaldelijk werd vanuit Londen op samenwerking aangedrongen. Ook in Nederland raakte men meer en meer overtuigd van de noodzaak hiervan. De O.D. nam in de persoon van Six het voortouw. Dat mondde in mei 1944 uit in het zogeheten “donderdagmiddagoverleg”: een wekelijks terugkerend overleg tussen vertegenwoordigers van K.P., R.V.V. en O.D. Voor de K.P. nam J. Post en voor de R.V.V. J. van der Gaag enige tijd aan de bijeenkomsten deel. Zij gaven Six de indruk, dat de door hen vertegenwoordigde organisaties zich op het moment dat tot semi-militaire actie zou worden overgegaan onder het bevel van de gewestelijke commandanten van de O.D. zouden scharen. Zij deden die toezegging zonder ruggespraak met de eigen achterban. Bovendien werd Post na zijn arrestatie op 16 juli door een minder gezaghebbende vertegenwoordiger vervangen. Niettemin lichtte Six zijn gewestelijke commandanten op 4 september overeenkomstig de hem gedane toezeggingen in. Weldra bleek hoe slecht een dergelijke constructie in kringen van K.P. en R.V.V. viel (zie hoofdstuk VIII, paragraaf III). 33]
Thijssen beschikte inmiddels over een, door het geallieerd opperbevel opgesteld algemeen sabotageprogramma. Dat was hem eind augustus door agent Mulholland ter hand gesteld. Aan de uitvoering zou vanzelfsprekend vanuit zijn Operatie Centrum leiding worden gegeven. Op 3 september 1944 stelde hij zijn districtscommandanten op de hoogte. Daags tevoren had hij bericht ontvangen dat begonnen moest worden met het saboteren van het landelijk spoorwegnet, met uitzondering van West- en Noord-Nederland. Het bevel daartoe bereikte de districtscommandanten echter, wellicht vanwege verbindingsproblemen, pas enkele dagen later. De knokploegen reageerden alerter. Op 25 augustus was J.A. van Bijnen tot Landelijk Sabotage Commandant benoemd. Hij werd belast met de leiding over alle tot sabotageploegen om te vormen knokploegen. In de zomermaanden had hij de spoorwegsabotage terdege voorbereid. Dank zij de samenwerking met agent De Goede beschikte Van Bijnen over dezelfde informatie als Thijssen. Wellicht belangrijker was het feit dat Van Bijnen over uitstekende verbindingen beschikte en zijn sabotageploegen op tijd kon instrueren. 34] Het gevolg was dat begin september twee kapiteins op hetzelfde schip het bevel voerden, vooralsnog buiten medeweten van het geallieerd opperbevel. Problemen konden niet uitblijven.
Aan die verdeeldheid moest kost wat kost een einde worden gemaakt. Op 12 september gaf de kersverse bevelhebber van de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten (N.B.S.), prins Bernhard, opdracht aan de K.P., de R.V.V. en de O.D. voortaan overleg te voeren. Hij was hiertoe gerechtigd, omdat het gewapend verzet tot de N.B.S. werd gerekend. Bij herhaling hadden de twee sabotagecommandanten echter laten weten niets te voelen voor overleg, laat staan onderschikking - want zo zagen zij het - aan het bevel van de O.D. Beide hadden erop toegezien dat de O.D. niets van de wapenzendingen kreeg. Eenstemmig weigerden ze deel te nemen aan dit zogeheten driehoeks- of Delta-overleg. 35] Het Duitse leger stond met de rug tegen de muur en de bevrijding leek nabij. Zowel Thijssen als Van Bijnen waren mannen van actie en na vele maanden van voorbereiding kon nu eindelijk op grote schaal en met succes worden opgetreden. Tijd om te debatteren was er niet. Dat lieten ze graag aan anderen over. Het slepende en gecompliceerde conflict spitste zich meer en meer toe op de personen van Thijssen en Van Bijnen. Een definitieve oplossing kwam er pas, nadat Thijssen op 8 november en Van Bijnen op 28 november 1944 in Duitse handen waren gevallen. 36] Andere vertegenwoordigers van R.V.V. en K.P. maakten toen al bijna twee maanden deel uit van het Delta-overleg, niet onder leiding van maar mèt de O.D. De drie organisaties hadden hun zelfstandigheid behouden.

IV. De R.V.V. in Zuid-Limburg

Als zovelen had J.M. Devies uit Sittard na zijn ontslag uit de krijgsdienst een paar pistolen achtergehouden. Met politieman A. de Blauw uit Geleen richtte hij in 1942 een verzetsgroepje op, waarvan de meeste leden afkomstig waren uit Geleen. Ze legden zich toe op de hulp aan de eerste onderduikers en trachtten waar mogelijk de bezetter te dwarsbomen. Eind 1942 overvielen ze een Duitser die was belast met de uitzending van mijnpersoneel naar Duitsland en maakten hem twee Duitse militaire uniformen en twee pistolen afhandig. Voorts ontvreemdde de groep omstreeks augustus 1943 enkele vuurwapens bij een luchtdoelartilleriestelling op de Steenberg bij Geleen.
In de zomer van 1943 kwam de georganiseerde hulp aan onderduikers op gang. In de regio ontstond een nijpend tekort aan distributiebonnen. Kennelijk wist Devies dat, want in het najaar beraamde hij met zijn broer een overval op het postkantoor van Sittard. Die broer, J.J. Devies, had daar een tijdje gewerkt en kon gegevens verstrekken over de personeelsbezetting, de aankomst van distributiepakketten en de indeling van het gebouw. Op de avond van 21 december, omstreeks 21.30 uur, drongen Devies en drie helpers via de achterzijde het postkantoor binnen. Ze waren gewapend en de vijf aanwezige personeelsleden boden geen noemenswaardige tegenstand. Een geslaagde overval: de buit omvatte een postzak met circa 1.800 bonkaarten, enkele duizenden rantsoenkaarten en een geldbedrag van circa ƒ 1.300,-.
Veel profijt hadden de onderduikers niet van de buit. De Sipo-Maastricht was snel ter plaatse en stelde een onderzoek in. Aangezien de overval opvallend soepel was verlopen, zocht de Sipo de dader(s) onder het personeel. In dat verband viel onder meer de naam Devies. In de nacht van 5 op 6 januari werden de twee broers van hun bed gelicht. De geschrokken ouders verbrandden vervolgens een groot deel van de buit. Hoewel de Sipo geen bewijzen tegen het tweetal had, werd J.J. Devies naar een werkkamp in Duitsland gezonden, omdat hij onderduiker was. J.M. Devies werd op 25 juni 1944 uit de gevangenis van Roermond ontslagen en keerde naar Sittard terug. Hij zocht geen contact meer met zijn vroegere helpers, aangezien hij betwijfelde of het restant van de distributiebonnen inderdaad aan onderduikers ten goede was gekomen. Na een ontmoeting met H. Burgers en de voor de R.V.V. werkzame O.D.-er P.G. Meuwissen besloot Devies zich aan te sluiten bij de R.V.V. Sindsdien trad hij op als leider van een nieuw gevormde groep. 37] Door zijn contact met De Blauw was J.M. Schings uit Geleen in 1943 betrokken geraakt bij de hulpverlening aan onderduikers. Hij probeerde gastgezinnen te vinden en bezorgde bonkaarten bij onderduikers. Nadat Schings met Burgers in verbinding was gekomen, haakte hij bij de R.V.V. aan en werd plaatselijk groepsleider onder districtscommandant J.G.W. van Otterloo, een vriend van Burgers. 38]
De meeste leden van de Geleense groep woonden in het Gezellenhuis in de wijk Lindenheuvel, waar veel jonge, ongetrouwde mijnwerkers verbleven. Daar woonde ook de plaatselijke leider van de L.O., H. Smeets. De commandant van de O.D. in Geleen, onderwijzer J. van de Burgt, onderhield nauw contact met de illegale werkers in het Gezellenhuis. Men wist dus wie voor welke organisatie optrad en wat de activiteiten waren. Indien nodig werkte men samen. 39]
Net als in de westelijke Mijnstreek ontving de R.V.V. in de oostelijke Mijnstreek enige steun van O.D.-ers. De Witt Puyt werkte samen met de O.D.-commandant voor de Mijnstreek C.M.J.A.F. Nicolas te Heerlen. Met de districtscommandant R.V.V.-Heerlen, O.R.M. van Hövell tot Westerflier, organiseerde De Witt Puyt de R.V.V. in de oostelijke Mijnstreek. 40]
De activiteiten van de R.V.V. in het voorjaar en het begin van de zomer van 1944 stelden niet veel voor. Op last van de centrale- of districtsleiding beperkten de R.V.V.-ers zich tot kleinschalige sabotage, zoals het in brand steken van strovoorraden in Echt, Schinnen en Sittard. Telefoonverbindingen, elektriciteitsleidingen en treinmaterieel werden onklaar gemaakt. 41] In de materiële behoeften kon gedeeltelijk worden voorzien door zwarthandelaren van hun voorraden te beroven. 42]
Sommige acties verdienen méér aandacht. Verscheidene collaborateurs, S.S.-ers en andere voor het verzet gevaarlijke personen, werden door R.V.V.-ers geliquideerd. De meest in het oog lopende executie was die van S. Walvisch, een uit Amsterdam afkomstige joodse onderduiker, op 15 juli 1944 in Horst. Door zijn loslippigheid en openlijk geuite dreigementen aan het adres van illegale werkers in Horst ontstond beroering in de plaatselijke organisatie. Men probeerde hem onder te brengen in de psychiatrische inrichting te Venray, een vaker beproefde methode, maar dat mislukte. Liquidatie werd overwogen, maar vóór het zover kwam, kreeg de R.V.V. er bemoeienis mee. Een verzetsrelatie uit Heerlen, C. Paasen, bracht De Witt Puyt en Ebben op de hoogte. Na enig beraad werd besloten Walvisch te liquideren. Op 15 juli reisden De Witt Puyt en J.H. van der Loo naar Horst en lokten Walvisch onder valse voorwendselen buiten het dorp en schoten hem dood, buiten medeweten, maar met instemming achteraf van de plaatselijke L.O. Door het stoffelijk overschot te laten liggen brachten de twee de Horster organisatie wèl in verlegenheid. Men was zeer ontstemd over het optreden van de twee R.V.V.-ers. Een medewerker verklaarde naderhand: “Ze hebben Walvisch gewoon laten liggen zodat wij met de gebakken peren zaten”. 43]
Anderhalve maand later, op 28 augustus, bepaalde Burgers dat gevaarlijke personen als landwachters en verraders voorzover het geen Duitsers waren - zulks in verband met mogelijke represailles - op last van de districtscommandanten mochten worden geliquideerd. De terechtstellingen moesten zo geruisloos mogelijk geschieden en de stoffelijke resten in een vooraf gedolven graf worden begraven. “Gooi deze mensen, al of niet verzwaard, nooit in het water”, aldus Burgers. 44] Tot de bevrijding in september 1944 werden tòch een Duitse S.S.-er en verder een lid van de Germaansche S.S., een persoon uit Brunssum en twee N.S.B.-ers uit Hoensbroek door R.V.V.-ers geliquideerd. Tenminste één liquidatiepoging mislukte. Burgers gaf in een door hem bijgehouden dagboek als reden voor de terechtstellingen op dat de personen in kwestie gevaar opleverden voor de R.V.V. of dat zij vervolgden bij collaborerende of Duitse instanties aanbrachten. Nadat enkele R.V.V.-ers een S.S.-er uit Geleen hadden opgepakt en opgesloten in de kerktoren van Lindenheuvel, begingen zij een tragische vergissing. Pastoor J.H.A.L. Leesens, die 's avonds gewapend met een knijpkat op weg was naar de kerk, werd voor een Duitser aangezien en onder vuur genomen. De onfortuinlijke geestelijke werd in zijn hoofd en been getroffen. Hij overleefde weliswaar de “aanslag”, maar veel inwoners van Geleen rekenden de R.V.V.-ers de vergissing zwaar aan. Nog geen dag later slaagde de S.S.-er er tot overmaat van ramp te ontsnappen al bezweek hij kort daarna aan de verwondingen die hij daarbij had opgelopen. 45] Zulke gebeurtenissen bezorgden de R.V.V. een slechte reputatie.
Er bestond in het zuiden van de provincie dus contact tussen R.V.V. en O.D. en L.O. De relatie tussen de R.V.V. en de Zuidlimburgse knokploegen lag gecompliceerd, omdat beide organisaties zich op hetzelfde terrein bewogen. In september 1944 werkten ze als gevolg van individuele contacten sporadisch samen, maar tussen de R.V.V.- en K.P.-commandant bestonden, voorzover is na te gaan, geen nadere afspraken over samenwerking. Vóór september werd slechts één keer gezamenlijk opgetreden. In juli 1944 had Van Hövell tot Westerflier het ambitieuze plan opgevat het politiebureau in Brunssum binnen te dringen en wapens en de sleutels van het gemeentehuis en het distributiekantoor mee te nemen. De bedoeling was in het gemeentehuis het bevolkingsregister te vernietigen en de persoonsbewijzen mee te nemen, daarna zou het distributiekantoor aan de beurt komen. In een eerder stadium was tussen K.P. en R.V.V. een niet bindende afspraak gemaakt dat overvallen op distributie-objecten bij voorkeur aan de knokploegen zouden worden overgelaten. Het was Van Hövell tot Westerflier vooral om de wapens te doen. Om de K.P. niet voor het hoofd te stoten bezocht hij de Heerlense K.P.-er P.F. Driessen en ontvouwde hem zijn plan. Die aarzelde aanvankelijk, maar ging na ampel beraad alsnog akkoord en stelde zich met een aantal medewerkers beschikbaar. Datum, tijd en plaats van samenkomst werden vastgesteld. Zaterdagavond 5 augustus om negen uur vertrokken negen K.P.-ers uit Heerlen naar de plaats van samenkomst, de luchtschacht van Staatsmijn Hendrik in Brunssum. Even later arriveerde Van Hövell tot Westerflier in gezelschap van een medewerker. Hij beschikte over een plattegrond van het politiebureau. Voorts kon hij meedelen dat een relatie op het distributiekantoor medewerking had toegezegd. Diep in de nacht begaf de groep zich in twee auto's naar het politiebureau. Een van de K.P.-ers, J. Lemmens, bespeurde onrust onder de aanwezige politiemannen. Waren zij misschien telefonisch gewaarschuwd door wachtposten in de toren van het gemeentehuis, die de auto's ongetwijfeld hadden zien naderen? Verderop, in café “Oud Brunssum” naast het distributiekantoor, had Van Hövells rechterhand E. Heynen, verkleed als priester, inmiddels post gevat. Afgesproken was dat Heynen naar buiten zou gaan als de kust veilig was en zou doen alsof hij een gebedenboek las. Bij onraad moest hij met een rode lamp waarschuwen. Het liep allemaal anders. Wellicht was dat een gevolg van het grote aantal deelnemers en loslippigheid van de ingewijden. De Sipo-Maastricht had kort tevoren namelijk een tip over een mogelijke overval op het distributiekantoor ontvangen en was die avond ter plaatse. Ze stelde mitrailleurs op in het distributiekantoor en café “Oud Brunssum” deed dienst als uitkijkpost. Bij de komst van de Sipo was Heynen hals over kop naar de bovenverdieping gevlucht. Hij sloeg (waarschijnlijk) alarm, maar niet vanuit de afgesproken plaats; het schijnsel van de rode lamp was althans niet zichtbaar. Omstreeks vier uur in de morgen naderden twee auto's in slakkegang het distributiekantoor, nauwlettend gadegeslagen door circa tien zwaarbewapende Sipo-leden. Het oorspronkelijk plan lag toch al in duigen en toen Heynen zich niet liet zien reden de auto's door. Zonder het te beseffen kropen de K.P.-ers en R.V.V.-ers door het oog van de naald. De Sipo kwam niet in actie. Via Schimmert reden de twee auto's naar Heerlen terug. 46]
De tot dusver vermelde activiteiten werden doorgaans op eigen initiatief ondernomen. Weliswaar verstrekte de landelijke leiding globale richtlijnen, maar keuze van object en wijze van uitvoering werden aan de groepen zelf overgelaten. Na de oprichting van Thijssens Operatie Centrum veranderde dat. Hoewel de eigen activiteiten werden voortgezet, kregen de R.V.V.-commandanten nu ook duidelijk omschreven opdrachten. De eerste ontving Burgers op 14 augustus: de dorsmachines in de streek moesten in brand worden gestoken of met springstof worden opgeblazen. Het dorsen van graan zou grote achterstand oplopen, waardoor de graanoogst voor de eigen bevolking behouden zou blijven, meende Thijssen. De meest fanatieke boeren zouden bovendien de premie mislopen die de bezetter (vermoedelijk bedoelde Thijssen het Rijksbureau voor de voedselvoorziening in oorlogstijd, auteur) voor een snelle aflevering van gedorst graan in het vooruitzicht had gesteld. Burgers gaf het bevel aan zijn districtscommandanten door. Tussen 14 en 21 augustus gingen, met name in de westelijke Mijnstreek, tientallen dorsmachines in vlammen op. 47] De actie viel volstrekt verkeerd. In Hoensbroek riep de de K.P.-er P.F. Driessen de verantwoordelijke R.V.V.-groep tot de orde. Ook de O.D. reageerde bij monde van J. Frantzen verontwaardigd. 48] Kennelijk nam men de zaak hoog op, want op 12 september bereikte Radio Oranje vanuit Nederland een verzoek op te roepen dergelijke acties onmiddellijk te stoppen. Tot dan toe had de bezetter immers nog nooit beslag gelegd op de oogst. Op 16 september, bijna een week later, zond Radio Oranje het bericht inderdaad uit. 49] Burgers had het bevel overigens al op 20 augustus ingetrokken. 50]
Na een bespreking met zijn commandanten gaf Burgers op maandag 28 augustus opdracht de mijnspoorverbindingen en alles wat met het kolentransport samenhing 's nachts tussen half twee en vier uur te saboteren. Als mogelijk doelwit noemde hij telefoon- en telegraafverbindingen, spoorwissels en bedieningsinstallaties van seinposten. Het landelijk spoorwegnet liet hij vooralnog buiten de operatie. 51]
In de daarop volgende nachten gingen verscheidene R.V.V.-groepen op pad. Enkele seininstallaties, zoals die aan de spoorlijn van de Staatsmijn Emma naar Nuth en één in Geleen, werden vernield evenals een wisselhuisje op het emplacement van de cokesfabriek van de Staatsmijn Maurits. Voorts slaagden de R.V.V.-ers erin enig rijdend materieel onklaar te maken. De sabotage aan de spoorlijnen leidde niet tot het beoogde resultaat, de schade bleef tot een minimum beperkt. 52] De R.V.V.-ers beschikten namelijk niet over voldoende en geschikte sabotagemiddelen. Uit de voorraden van de Staatsmijnen had men kleine hoeveelheden trotyl kunnen ontvreemden en via relaties onder de dwangarbeiders op het vliegveld bij Venlo ontvingen de R.V.V.-ers enige explosieven. Hoekstra en M.G. van Bruggen vervaardigden in Eindhoven brandbommen, maar ook zij konden niet in de behoefte voorzien. 53] Daarom liet de districts- commandant van Maastricht het oog vallen op de E.N.C.I. en het Belgische zusterbedrijf C.B.R. aan de andere kant van de St.-Pietersberg. Men gebruikte er springstoffen bij het produktieproces. Tot een overval kwam het vooralsnog niet en van uitstel kwam afstel. 54]
Met de bewapening was het niet veel beter gesteld. Slechts enkele groepsleden beschikten over een wapen. Zo nu en dan slaagde men erin een gewapende N.S.B.-er of een politieman te ontwapenen. Sommige R.V.V.-ers ontvingen dank zij hun contacten met Belgische verzetsmensen wapens via Maasmechelen.55] Het vervoer en de financiering lieten eveneens te wensen over. Bij N.S.B.-ers en zwarthandelaren werden enkele fietsen ontvreemd. Het lukte zelfs een paar personenauto's buit te maken. De aanhoudende financiële nood kon enigermate worden gelenigd door overvallen op zwarthandelaren. Af en toe sprong de landelijke leiding bij. 56]
Volkomen onverwacht veranderde deze situatie toen Burgers van Boersma bericht kreeg dat tussen 23 augustus en 6 september 1944 rond het middernachtelijk uur wapens zouden worden gedropt op een daarvoor bestemd afwerpterrein “Kees” op de Brunssummerheide bij Merkelbeek. Een definitief bericht kon iedere avond worden verwacht tussen 20.30 uur en 20.45 uur. Als op dat tijdstip tijdens de Belgische uitzendingen van de B.B.C. “Het is alles of niets” werd omgeroepen, was het zover.
Op 31 augustus kwam dat codebericht inderdaad door. Diezelfde avond begaf de groep rond De Witt Puyt zich naar de Brunssummerheide en markeerde het terrein met drie lampen. Omstreeks tien uur was alles in gereedheid. Kort na middernacht verscheen een toestel van het type “Lancaster”. De R.V.V.-ers ontstaken de seinlampen. Met een witte lamp in het midden seinden ze de terreincode. Na drie cirkelvluchten wierp het toestel zeven containers af met onder meer 28 mitrailleurs, 56 patroonhouders, munitie, tijdpotloden, voorladingen en zo'n 200 kilo springstof. 57] Met paard en wagen werd alles naar boerderijen in de omgeving gebracht. Ook de boerderij van Mertens in Merkelbeek, waar de R.V.V. een zender-ontvanger had opgesteld, deed dienst als tijdelijke opslagplaats. De dagen daarna werd een deel van de wapenzending naar het Gezellenhuis in Geleen overgebracht. De rest verstopte men aanvankelijk in de ovens van een steenfabriek in Merkelbeek en later in het goederenmagazijn van J. Knibbeler in Hoensbroek, waar het R.V.V.-hoofdkwartier voor de oostelijke Mijnstreek was gevestigd. 58]
Op 3 september verstrekte Burgers zijn districtscommandanten een algemeen sabotageprogramma. Het geallieerd opperbevel had bij de opstelling van dit programma onderscheid gemaakt tussen een offensieve en een defensieve aanpak. Tot offensieve sabotage rekende men onder meer het verhinderen van vijandelijke troepentransporten naar de fronten door middel van grootschalige spoorwegsabotage, het onklaar maken van seininstallaties en communicatiemiddelen en het bemoeilijken van het wegtransport door het strooien van kraaiepoten, het kapot snijden van autobanden en het verwijderen of omzetten van wegwijzers. Sabotage van brandstof- en wapendepots, binnenschepen, vliegtuigen en vliegvelden en acties tegen hoge militairen vielen eveneens onder deze categorie. Bij de defensieve aanpak lag de nadruk op ondersteuning van de geallieerde krijgshandelingen door bijvoorbeeld te verhinderen dat de vijand vitale installaties als bruggen en andere waterstaatkundige bouwwerken vernielde. Het verzamelen en verbergen van reparatiemiddelen, nodig voor een snel herstel van communicatienetten, behoorde hier ook toe evenals een nauwkeurige registratie van door de vijand aangebrachte hindernissen als landmijnen en geschutopstellingen. 59]
Met de uitvoering van het sabotageprogramma kon vrijwel meteen worden begonnen. Op 2 september had het geallieerd opperbevel opdracht gegeven aan te vangen met de landelijke spoorwegsabotage. Men verwachtte na de succesvolle opmars door Noord- Frankrijk snel te kunnen doorstoten. De marconist van de B.B.O.- agenten Mulholland en De Goede gaf de opdracht door. De sabotagecommandant van de knokploegen, Van Bijnen, beval zijn ploegen in de nacht van 3 op 4 september in actie te komen.60] Thijssen bleef niet achter: de instructie was per slot van rekening aan de R.V.V. gericht. Hij gaf zijn R.V.V.-groepen opdracht in de nacht van 5 op 6 september tot actie over te gaan.61] Blijkens zijn dagboek gaf Burgers het bevel aan zijn commandanten overigens pas op 6 september door: “De spoorlijnen moeten volkomen lamgelegd worden. Dit moet U doen door de rails buiten de plaatsen op te blazen met springstoffen. Er mag in Zuid-Limburg geen spoorverkeer meer plaats hebben”. Burgers voegde er aan toe dat, voor het geval de verbindingen met hem mochten worden afgesneden, de sabotage bij de komst van de geallieerden terstond moest worden gestaakt. 62]
Niettegenstaande Burgers' dagboeknotitie van 6 september kwam de R.V.V. in de Mijnstreek al op 5 september in actie. In de voorafgaande weken had men enige ervaring opgedaan met sabotage, maar veel had het niet voorgesteld. De meeste groepen werden door tegenslag achtervolgd. In het ene geval was de springlading te gering om noemenswaardige schade aan te richten, dan weer explodeerde de lading te vroeg en moest men hals over kop vluchten. Ter hoogte van Sittard stuitte een groep op een Duitse patrouille waardoor men het plan om een viaduct op te blazen moest laten varen. Wel slaagden sommigen erin enige legervoertuigen en rijdend spoorwegmaterieel onklaar te maken. Wegwijzers konden hier en daar worden verwijderd of omgezet. Door bomen te vellen raakten enkele wegen korte tijd geblokkeerd en op sommige plaatsen werden kopspijkers op de wegen gestrooid. Vijfendertighonderd liter alcohol, die naar Duitsland dreigde te worden afgevoerd, gingen in vlammen op. Tenslotte werden enkele roeiboten in het Julianakanaal tot zinken gebracht. 63] Tot tegenmaatregelen of represailles van Duitse zijde kwam het niet, wellicht vanwege de alom heersende chaos en soms complete paniek in de dagen rond Dolle Dinsdag, 5 september 1944. Gaf het rendement van de sabotage er trouwens aanleiding toe?
Bij het naderen van de geallieerden schakelde de R.V.V. over op de defensieve opdracht. Het lag voor de hand dat voor de bescherming van de mijninstallaties werd gekozen. Tegen de Duitse overmacht waren de R.V.V.-ers echter niet opgewassen, zodat enkele “Sprengkommando's” aanzienlijke schade konden aanrichten aan een aantal vitale mijninstallaties, zoals elektriciteitsgeneratoren. Pas nadat de Duitsers zich hadden teruggetrokken, verschenen R.V.V.-ers op 15 september bij de Staatsmijn Maurits om het bedrijf tegen verdere plundering te beschermen. Op 17 september bezetten ze de Staatsmijn Emma, spoedig gevolg door de andere mijnen. 64] Begin oktober 1944 was de hele Mijnstreek bevrijd.
Hoe verliep de samenwerking tussen de R.V.V. en de andere verzetsorganisaties in de laatste fase van de oorlog? Hierop was immers van verschillende zijden bij herhaling aangedrongen. Wat landelijk onmogelijk was, kreeg in Eindhoven enige gestalte, wellicht mede omdat daar geen persoonlijk antagonisme bestond tussen de hoofdrolspelers. Voor de R.V.V. nam de met Thijssen gebrouilleerde Hoekstra aan het overleg deel, namens de O.D. ir. C.H. Thal Larsen en voor de K.P. de aan Van Bijnen ondergeschikte gewestelijke sabotagecommandant J.J.F. Borghouts. Laatstgenoemde achtte het Delta-overleg tot ongenoegen van zijn commandant nuttig en doelmatig.65] In Zuid-Limburg lag de zaak anders. Daar was de O.D. sterk vertegenwoordigd in de R.V.V. Burgers achtte zich kennelijk gebonden aan Six' instructie van 4 september aan zijn gewestelijke commandant, getuige zijn order van 6 september: “De verzetsgroepen van district 4 (Sittard) blijven onder commando staan van de O.D.-districtscommandant van Geleen. De groep no. 31 blijft ter beschikking van de O.D.-districtscommandant van district Treebeek”. Alle O.D.-ers in de R.V.V. werden verzocht na de bevrijding in de schoot van de O.D. terug te keren. De overige R.V.V.-ers moesten zich op het gemeentehuis van Heerlen melden, aldus Burgers op 6 september. 66] In Heerlen dreigde de samenwerking uit de hand te lopen. Medio september aanvaardde groepscommandant De Witt Puyt een opdracht van de O.D.-districtscommandant Nicolas om door de linies te gaan teneinde het kort tevoren verbroken (telefonisch) contact met de geallieerden in bevrijd Maastricht te herstellen. De achtergebleven R.V.V.-ers namen hem die stap bijzonder kwalijk en beschouwden het als een vorm van desertie (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.7.). 67] Met de K.P. kwam geen samenwerkingsverband tot stand. Van tijd tot tijd verleende men op individuele basis medewerking zoals bij de Zuidlimburgse spoorwegsabotage, maar van een gezamenlijk optreden onder eenhoofdige leiding was nimmer sprake. Burgers' plaatsvervanger Ebben verklaarde, in een bericht aan de zuidelijke K.P.-sabotagecommandant Borghouts op 14 september, zich te zullen houden aan de hem bekende orders van de R.V.V.-leiding. Eventuele directieven van Borghouts zou hij niet opvolgen. 68]
Aan deze verwarrende situatie kwam pas een einde toen de via L.O. en K.P. opgeklommen sportinstructeur B.J.C. van Kooten uit Klimmen in de tweede helft van september begon met de vorming van de Stoottroepen in bevrijd Zuid-Limburg. Zowel de K.P. en de R.V.V. als een gedeelte van de O.D. vonden er onderdak.

V. Nabeschouwing

Sommige leidinggevende R.V.V.-ers als Creusen, Burgers en De Witt Puyt waren niet uit de provincie afkomstig. Niettemin lukte het enkele R.V.V.-ers met relaties in andere verzetsgroepen nieuwe groepen te vormen. Aangezien de R.V.V. in Zuid-Limburg nauwelijks over contacten beschikte, moest bij de opbouw van de organisatie wel grotendeels worden teruggevallen op bestaande verzetsgroepen. Daardoor kreeg de R.V.V. een relatief sterke O.D.-vertegenwoordiging. Vier factoren beïnvloedden het beeld van de R.V.V. in negatieve zin:

  1. De getalsmatig veel kleinere Zuidlimburgse K.P. - kort voor de bevrijding telde deze K.P. tussen de vijfentwintig en dertig medewerkers terwijl de R.V.V.-Zuid-Limburg tenminste honderd medewerkers had - achtte van meet af aan géén bestaansgrond aanwezig voor de R.V.V. Ze beriep zich daarbij op haar grotere staat van dienst, een langere bestaansgeschiedenis en meer ervaring. Toen de R.V.V. in 1944 werd georganiseerd, bestond er in de Mijnstreek al een breed georiënteerde en spontaan tot ontwikkeling gekomen illegaliteit. Het karakter hiervan sloot nauw aan bij de bevolkingsmentaliteit. Er was sprake van een relatief sterke worteling in de eigen streek, zodat de verdere groei harmonieus en zonder schokken verliep. De R.V.V. daarentegen was een in de provincie geïmporteerde organisatie met een offensieve en agressieve doelstelling en een uitgesproken hiërarchische structuur, waardoor het een vreemde eend in de bijt bleef.
  2. Het agressief optreden, waarvan menigeen het nut niet inzag en dat volgens velen contraproductief werkte, plaatste de R.V.V. in een ongunstig daglicht, temeer omdat er enkele ernstige fouten werden gemaakt. Juist op het moment dat van geallieerde zijde tot actieve sabotage werd opgeroepen, trof de R.V.V. tegenslag na tegenslag. De afgeworpen sabotagemiddelen bleven goeddeels onbenut, tot ergernis van de K.P. die erom verlegen zat. Een betere communicatie en doelgerichte samenwerking hadden wellicht veel van het onbegrip kunnen wegnemen: een verschijnsel dat zich trouwens ook op landelijk niveau manifesteerde. Gedurende de laatste, chaotisch weken van de bezetting, waar voor Zuid-Limburg in september-oktober 1944 een einde aan kwam, was dat kennelijk niet mogelijk. In kringen van de K.P. werden de (voor)oordelen jegens de R.V.V. er slechts door versterkt. Sommige van die vooroordelen waren mogelijk terecht, andere zeker niet.
  3. Omdat de R.V.V. zijn verzetsactiviteiten in hoofdzaak in de maanden augustus en september 1944 ontplooide, kregen de medewerkers al gauw de naam helden van het laatste uur te zijn. Sommigen waren dat ook. In september bijvoorbeeld sloten zich nog nieuwe groepen aan. Aan de zuiverheid en het morele gehalte van de motieven van een aantal van die “vrijwilligers” - en dat gold niet alleen voor de R.V.V.-ers - mag met recht worden getwijfeld. Voor menig illegaal werker, die al geruime tijd grote risico's liep, was het optreden van dergelijke “verzetsmensen” een doorn in het oog, temeer omdat sommigen naderhand het hoogst van de toren bliezen en zich op hun (kortstondige) verzetsverleden lieten voorstaan. Er ontstonden grote onderlinge spanningen, die vaak deel gingen uitmaken van een psychisch pijnigingsproces dat zich niet zelden nog decennia lang voortsleepte.
  4. De ook in Zuid-Limburg op grote schaal verspreide communistische verzetskrant “De Waarheid” identificeerde zich telkens weer met de R.V.V. Dat was alleszins begrijpelijk, want met de intrede van een aantal communistische sabotage- groepen en de komst van Wagenaar had de R.V.V. een niet geringe communistische vertegenwoordiging binnen de rijen gekregen. Prompt kreeg de organisatie een communistisch stempel opgedrukt. De communisten zelf, alsmede de anti-communistische tegenstanders van de R.V.V., zullen dat met het oog op de duidelijkheid niet bezwaarlijk hebben gevonden. Sommige R.V.V.-ers zullen zich er nauwelijks om hebben bekommerd, maar een aanzienlijke groep begreep dat niet of moest veelal pas naderhand van derden vernemen dat ze deel hadden uitgemaakt van een als communistisch bestempelde verzetsorganisatie. Dat laatste was het geval in Limburg. In deze katholieke provincie oefende dat stigma, vooral bij het clericale en leken-establishment waar de angst voor een opdringend communisme toch al diep geworteld was, een negatieve invloed uit. Onbedoeld bewees “De Waarheid” de Limburgse R.V.V.-ers een slechte dienst.

Sommige van bovenstaande factoren verdienen nadere toelichting en nuancering. Verscheidene illegale werkers maakten de overstap naar de R.V.V. uit teleurstelling over of vanwege negatieve ervaringen met personen met wie ze voordien hadden samengewerkt of doordat ze als gevolg van arrestaties het contact met hen hadden verloren. Bovendien ging van de doelstellingen van de R.V.V. een zekere wervende kracht uit. Ook kan menigeen een ideëel motief niet worden ontzegd. Het is derhalve onjuist alle R.V.V.-ers als helden van het laatste uur af te schilderen.
Met het oog op de beveiliging van de eigen organisatie en die van anderen werden enkele potentiële verraders uit de weg geruimd. Nimmer was sprake van infiltratie of verraad in eigen kring. Dat lijkt op het eerste gezicht nogal uniek en pleit zowel voor de organisatiestructuur als voor de medewerkers. Daar moet evenwel aan worden toegevoegd dat de R.V.V. tamelijk geïsoleerd binnen de Limburgse samenleving opereerde en zich relatief laat toelegde op verzetsactiviteiten, waarbij bovendien doorgaans slechts een gering aantal personen was betrokken. Enkele koeriers kwamen om het leven, terwijl twee R.V.V.-ers bij toeval in Duitse handen vielen. Dat overkwam op 17 augustus 1944 de mijnwerker J.G. Houben, toen hij bij een wapentransport in Geleen werd aangehouden en geen identiteitsbewijs kon tonen. Hij kwam in Duitse gevangenschap om het leven. Op 12 september hield een “Schutztruppe” de mijnwerker K. Zaiczek aan bij een illegaal transport van levensmiddelen. Korte tijd later werd hij bij Hoensbroek of in de grensstreek bij Sittard vermoord.
Tot slot een opmerking over de vermeende communistische invloed. Naast communisten namen sociaal-democraten, katholieken en protestanten in R.V.V.-verband deel aan de verzetsstrijd. Zij allen keken over de traditionele scheidslijnen binnen de Nederlandse samenleving heen of stonden daar onverschillig tegenover. Men achtte zich veeleer verbonden door een gemeenschappelijk doel. In Limburg was het communistisch element in de R.V.V. te verwaarlozen. Onder de bezielende leiding van W. van Exter, die er als instructeur voor de illegale leiding van de C.P.N. werkte, richtten de communisten en radicale socialisten in Limburg hun aandacht hoofdzakelijk op de activiteiten rond “De Waarheid” en streefden ze naar een gemeenschappelijk front tegen het “nationaal-socialistisch beest”. Met de R.V.V. onderhielden zij, voorzover is na te gaan, géén contact. Het politiek element ontbrak in de Limburgse R.V.V. In dit licht gezien doet de opvallende gretigheid waarmee sommigen de R.V.V.-ers beschuldigden van communistische sympathie op zijn minst merkwaardig aan. Twee motieven voor dergelijke beschuldigingen zouden kunnen zijn: het bestaan van een Limburgse vertakking van een landelijke, als communistisch bestempelde organisatie en de angst voor een groeiende communistische aanhang. De vraag dringt zich op of men in Limburg eigenlijk wel iets van de R.V.V. wist. Speelden in dit stigmatiseringsproces mogelijk ook waardeoordelen een rol? Zoals de overweging dat de ene verzetsvorm waardevoller en humaner was dan de andere? Door te verwijzen naar de begane blunders en het feit dat de R.V.V. pas relatief laat in actie kwam, kon de weg worden vrijgemaakt om de rol en prestaties van de tamelijk onbekend en geïsoleerd gebleven R.V.V. af te doen als een bagatel. De organisatie was hier evenwel gedeeltelijk zelf schuld aan.

Noten

  1. Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 191-193.
  2. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 194-195; VII, pp. 977-978.
  3. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 190-192. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 121-122. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 824; VII, pp. 981-982.
  4. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 983.
  5. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 194. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 982.
  6. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 112.
  7. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., gewest 19-4-7. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 154. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 982. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII, p. 475.
  8. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-a: “De R.V.V. in het zuiden in 1944” door H.H., 12-12-1944. R.v.O. Scriptie 6: Marinus, B., De R.V.V. in het Koninkrijk der Nederlanden.
  9. R.v.O. Coll. B III, 185, map 7-a: verslagen over groepen, naoorlogs.
  10. R.v.O. Coll. Erelijst: A.L.H.M. Gubbels. C.A.B.R. Dossiers K.H.O. Klingbeil en E.F. Gottschalk. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, nr. 79, Doc. I.
  11. R.v.O. Coll. B III, 185, mappen 1-b, 1-c, 1-d en 1-e. R.v.O. Scriptie 6: Marinus, De R.V.V. G.A.R. Dossier Oorlogsdocumentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  12. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 180.
  13. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  14. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 94. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nrs. 83/2 en 985/2.
  15. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  16. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-a: “De R.V.V. in het zuiden in 1944” door H. Hendriks, 12-12-1944. R.v.O. Scriptie 6: Marinus, De R.V.V. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrach- ten, I, p. 87.
  17. R.v.O. Coll. Doc. II, 1202, nr. 28.
  18. R.v.O. Coll. B III, 185, map 7-a: verslagen over groepen, naoorlogs: rapport C. van der D. R.v.O. Scriptie 6: Marinus, De R.V.V. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 95.
  19. R.v.O. Scriptie 6: Marinus, De R.V.V. R.v.O. Coll. B III, 185, map 5-d: 1e vrijkorps zuid; idem, map 7-a: verslagen over groepen, naoorlogs.
  20. R.v.O. Coll. Doc. II, 1202, nr. 28. Het staat niet vast wie de R.V.V. in oostelijk Noord-Brabant na het vertrek van baron De Smeth van Deurne leidde. Naast Vermeulen komt de in het naburige Mill verblijvende G.M. van Loon in een rapport van 18 september 1944 naar voren als commandant R.V.V. in Noord-Brabant (R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-a: rapport “Bep” (G. van L., commandant R.V.V.-Noord-Brabant) 18-09-1944. Elders wordt “Charles Brinkgreve” als commandant Oost-Brabant R.V.V. genoemd. Wie achter deze schuilnaam stak, is onduidelijk (R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-a: “De R.V.V. in het zuiden in 1944” door H.H., 12-12-1944.
  21. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 95. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-a: “De R.V.V. in het zuiden in 1944” door H.H., 12-12-1944.
  22. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  23. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv.nr. 985/2. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 1001.
  24. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., organisatie illegale groepen op naam: “Witte Anjer” (P. Guermonprez). R.v.O. Coll. B III, 185, map 7-a: verslagen over groepen, naoorlogs (W.C.). 2 R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 80, map FB. R.v.O. Coll. Erelijst: A.L.H.M. Gubbels. Stichting '40-'45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossiers K.H.O. Klingbeil en E.F. Gottschalk.
  25. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 979-981. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 195.
  26. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 982, 985.
  27. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 192. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 194-195.
  28. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 995; X A, p. 166. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 196.
  29. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 990-995. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 195.
  30. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 996-1001.
  31. De Jong, Het koninkrijk, X A, p. 165.
  32. Ibidem, pp. 111-113, pp. 167-168.
  33. Ibidem, pp. 107-110, pp. 301-302.
  34. Dankers en Verheul, Bezet gebied, pp. 116-118. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 111, 283-288.
  35. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 302-304, 310-311.
  36. Ibidem, pp. 308-309. De Jong, Het Koninkrijk, X B, pp. 625-628, 661-664.
  37. Stichting '40-'45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.G. Meuwissen.
  38. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  39. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.H.G.H. van de Burgt. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  40. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., gewest 19-1A-8: uittreksel gegevens R.V.V. gewest 19.
  41. R.v.O. Coll. B III, 185, mappen 3-l en 3-m. Stichting '40-'45, Eindhoven. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 987; X A, pp. 95, 120.
  42. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  43. Collectie G.v.A. Roermond, P.R.A. Roermond, nr. 33/47, nr. 65/47, nr. 146/47. C.A.B.R. Dossier J.F.C. de Witt Puyt. Vraaggesprek auteur met J. Arts en F. Smulders, Horst, 20-11-1985.
  44. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg.
  45. Ibidem. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg. Stichting '40-'45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946: “Sabotage en andere verzetsdaden door district III-R.V.V.”.
  46. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, proces verbaal nr. 403 H (1946). G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. Stichting '40-'45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J.A.L. Lemmens, Klimmen, 27-11-1986 en 11-12-1986.
  47. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg.
  48. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv.nr. 1667.
  49. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 123.
  50. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg. B.R.I.O.P. Doc. B.S., organisatie illegale groepen op naam, P.T.T; idem, Dossier richtlijnen/instructies, doos 1, map 7 b: overvallen op P.T.T.-objecten.
  51. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg.
  52. Ibidem, mappen 3-l en 3-m. Stichting '40-'45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogs- documentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. Vraaggesprek auteur met J. van Domburg, Bunde, 11-10-1985.
  53. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, map 5: verklaring J.R.P. Crasborn. Stichting '40-'45, Eindhoven. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-a: “De R.V.V. in het zuiden in 1944” door H.H., 12-12-1944. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 986.
  54. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg.
  55. Bemelmans en Lommers, “Het verzet in de westelijke Mijnstreek”, pp. 209-213. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg (19-8-1944).
  56. Stichting '40-'45, Eindhoven. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg (19-8-19- 44 en 28-8-1944).
  57. Stichting '40-'45 Eindhoven. Vraaggesprek auteur met P. Hendriks,'s-Gravenhage, 3-11-1986. R.v.O. Coll. B III, 185, mappen 3-l en 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg.
  58. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  59. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg.
  60. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 119-120.
  61. Ibidem, pp. 119, 124.
  62. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg.
  63. R.v.O. Coll. B III, 185, mappen 3-l en 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  64. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, nr. 181: rapport E.J. Heynen, maart 1946. Stichting '40-'45, Eindhoven.
  65. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 295 en 304-305.
  66. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-m: dagboek B. Zuid-Limburg.
  67. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv.nr. 570/2 en 572/2. R.v.O. Coll. B III, 185, map 3-l: Zuid-Limburg. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, Gouverneur Algemeen, nr. 2.07.26: rapport ir. C.M.J.A.F. Nicolas, 28-12-1947. Collectie L. Jans, Eben Emael (B). Rapport ir. A. Paulen, december 1945.
  68. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv.nr. 1926: dagboek G.S.C. III (Gewestelijk Sabotage Commandant in gewest III) 14 en 18-9-1944.