Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk X

De C.P.N. en de illegaliteit


I. De jaren dertig: enkele aspecten

I.1. Landelijk: sterkte, politiek en positie van de C.P.N. (C.P.H.)

Kort na de Russische Revolutie, in 1918, werd de Communistische Partij Holland (C.P.H.) opgericht. De partij kwam voort uit de door D. Wijnkoop geleide Sociaal Democratische Partij (S.D.P.), een politieke groepering die in 1909 als gevolg van een scheuring binnen de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (S.D.A.P.) was ontstaan. In de jaren twintig viel de C.P.H. herhaaldelijk ten prooi aan interne ideologische tegenstellingen en openlijke conflicten. Van een krachtenbundeling was geen sprake, integendeel, in 1929 namen zelfs drie communistisch georiënteerde groeperingen aan de verkiezingen deel. Het electoraat beloonde deze verwarrende verdeeldheid uiteraard niet. De C.P.H. behaalde bij de verkiezingen niet meer dan twee à drie procent van de stemmen. De geringe aantrekkingskracht hing ook samen met het maatschappelijk en politiek isolement waarin de partij verkeerde. Er bestonden al in de jaren twintig en nog sterker in de jaren dertig vrij algemeen ernstige bezwaren tegen de C.P.N., die als revolutionair en anti-godsdienstig werd beschouwd. Door de Sovjetunie als voorbeeld en gidsland te nemen werd dat isolement nog versterkt. Stalin vestigde daar in de jaren dertig op wel zeer navrante wijze zijn alleenheerschappij door zijn (mogelijke) vijanden een voor een door show-processen te elimineren. De dictator decimeerde de plattelandsbevolking door een gedwongen collectivisering en verplichte voedselleveranties waardoor op grote schaal hongersnood ontstond. Nederland onderhield trouwens tot 1943 geen diplomatieke betrekkingen met de Sovjetunie. 1]
Ongekend hoge werkeloosheid, een veel te dure gulden en als gevolg daarvan een forse achteruitgang in koopkracht bezorgden de C.P.H. vanaf het begin van de jaren dertig enige electorale winst. De partij behaalde bijna vier procent van de stemmen. De C.P.H. had een voor menigeen plausibele verklaring voor de plotseling optredende economische crisis en presenteerde zich vooral als pleitbezorger voor degenen die het zwaarst getroffenen werden door de crisis, de slecht betaalden en de op steungeld aangewezen werklozen. In 1930 keerde Wijnkoop - in 1926 met een aantal aanhangers uit de partij getreden - in de gelederen van de C.P.H. terug en kwam een einde aan een vijf jaar durende interne partijstrijd. De ontwikkelingen in Duitsland leidden er tevens toe dat in de zomer van 1935 op initiatief van de Komintern, een door de C.P.S.U. (Communistische partij van de Sovjetunie) gedomineerd overleg tussen alle communistische partijen in de wereld, de inmiddels traditionele strijd tussen socialisten en communisten plaats moest maken voor samenwerking. Zo’n krachtenbundeling zou een solide dam tegen het om zich heen grijpende fascisme en nationaal-socialisme moeten opwerpen. Met het oog daarop achtte men het overigens van groot belang àlle democratische krachten te mobiliseren. 2]
De Nederlandse socialisten toonden weinig belangstelling voor de nieuwe communistische koers - de strijd met de communisten lag nog te vers in het geheugen - ofschoon op sommige terreinen enige tijd werd samengewerkt. Onder leiding van de stalinist P. de Groot, die C.J.P. Schalker na de nodige manipulaties in 1938 als politiek partijsecretaris was opgevolgd, hield de C.P.N. (tot 1935 C.P.H.) zich nauwgezet aan de Moskouse richtlijnen. Dat de voor internationaal gebruik bedoelde directieven uit Moskou bepaald niet hoefden te stroken met de nationale belangen, openbaarde zich op pijnlijke wijze toen Stalin op 23 augustus 1939 een niet-aanvalsverdrag met Hitler sloot. 3] Het kostte De Groot c.s. niet veel moeite deze radicale en als tactisch omschreven koerswijziging in eigen kring geaccepteerd te krijgen. Ruim een week later bleek wat de twee machthebbers in het geheim hadden bekokstoofd. Polen werd overrompeld, van de kaart geveegd en tussen Duitsland en de Sovjetunie verdeeld.
Door Stalins plotselinge koerswending onvoorwaardelijk te volgen, manoeuvreerden De Groot c.s. de C.P.N. aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in een buitengewoon oncomfortabele positie en een nog dieper isolement.

I.2. Limburg

In de katholieke provincie Limburg was het voor elke niet-katholieke politieke organisatie een zware opgave aanhang van enige omvang en betekenis te verwerven. Met uitzondering van de Mijnstreek, Maastricht en de regio Tegelen-Venlo slaagde de C.P.H./C.P.N. er gedurende de jaren twintig en dertig nauwelijks in kiezers te trekken. De communistische propaganda bereikte het platteland niet of ze werd er geweerd. Naar verhouding waren de communistische kiezers nog het sterkst vertegenwoordigd in de Mijnstreek. Van de 1.612 stemmen (0,95% van het totaal), die de C.P.H. in Limburg bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 in de wacht sleepte, waren er bijna 700 uit de Mijnstreek afkomstig. Bij de volgende verkiezingen vertoonden de resultaten een nogal grillig verloop. In 1929, bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten, wedijverden de communisten met maar liefst drie verschillende lijsten om de kiezersgunst. Samen kregen ze 2.065 stemmen (1%): de C.P.H. 727, de Revolutionair-Socialistische Partij (R.S.P.) van H.J.F.M. Sneevliet 963 en de Communistische Partij (C.P.) van Wijnkoop 375. 4] Andermaal waren de meeste stemmen afkomstig uit de Mijnstreek. Daar woonden en werkten -naast talrijke buitenlandse - veel, uit andere delen van het land afkomstige mijnwerkers. In tegenstelling tot de autochtone Limburgse mijnwerkers hadden zij geen banden met het Zuidlimburgse traditionele (agrarisch) milieu. De meesten waren uit nood naar de kolenbekkens gekomen, hadden de ellende van werkeloosheid veelal aan den lijve ondervonden en toonden zich doorgaans strijdbaarder. Hoewel de geloofsbeleving volgens vooraanstaande R.-K.-geestelijken als H.A. Poels onder de Limburgse arbeiders weinig diepgang had en meer werd bepaald door sleur en traditie dan door overtuiging, slaagde diezelfde geestelijkheid er wèl in hen ervan te overtuigen dat de weg die de socialisten en communisten bewandelden een heilloze was en dat de katholieke benadering der sociale vraagstukken, gebaseerd op een sociaal-economisch harmoniemodel (corporatisme), de enige juiste was. Bovendien bestond er een intensieve sociale controle en voerden de werkgevers in samenspraak met de geestelijkheid een politiek waarbij er nauwlettend op werd toegezien dat de sociale verhoudingen niet of nauwelijks veranderden. Een vruchtbare bodem voor de opkomst en groei van links-politieke stromingen ontbrak derhalve. 5]
De rampzalige gevolgen van de economische crisis gingen niet onopgemerkt aan de Mijnstreek voorbij. De bedrijfstak kampte sedert de jaren twintig al met structurele problemen. Er vielen talrijke ontslagen en de lonen daalden. Gedurende de jaren dertig werden maatregelen gericht op een verhoging van de arbeidsproductiviteit als “jaag- en drijfsystemen” en zogenaamde “eenmans akkoorden” bij uitstek gehate praktijken. 6] De mijndirecties namen een sterk afwerende houding aan in discussies over de wettelijke erkenning van silicose (stoflongen) als beroepsziekte van mijnwerkers. Zo konden de financiële gevolgen van invaliditeit als gevolg van deze longaandoening grotendeels op de mijnwerkers worden afgewenteld, hetgeen uiteraard een aanzienlijke (ziekte)kostenbesparing opleverde, omdat de loonsom immers gevrijwaard bleef van een forse premiedruk. Ondanks de erkenning van silicose als beroepsziekte van mijnwerkers in vrijwel alle mijnbouwlanden, slaagden de Nederlandse mijndirecties erin de opneming in de nationale ongevallenwetgeving tot 1938 tegen te houden. 7]
Vakbonden en politiek links georiënteerde groeperingen stelden dergelijke misstanden uiteraard aan de kaak wat zowel de S.D.A.P. als de C.P.H. enige stemmenwinst opleverde bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1933. De communisten kregen 2.705 (1,26%) stemmen waarvan ruim 1.750 uit het Zuidlimburgse kolenbekken. Vier jaar later, bij de laatste verkiezingen vóór de Tweede Wereldoorlog, sleepte de partij 3.082 stemmen (1,3%) in de wacht. Conform de traditie was de Mijnstreek ook nu de belangrijkste leverancier met 2.083 stemmen.8] Ondanks de afnemende economische crisis zette de langzame groei van de partij dus door. Dat was mogelijk mede een gevolg van de komst van talrijke vluchtelingen uit nazi-Duitsland. Naast joden vluchtten vele socialisten, communisten en katholieken naar Nederland. Zij brachten tot in detail verslag uit over hun eigen en andermans lotgevallen onder de Duitse dictatuur. De C.P.N. droeg trouwens in belangrijke mate bij aan een groeiende politieke bewustwording. Het partij-dagblad “De Tribune”, in 1934 omgedoopt tot “Het Volksdagblad”, waarschuwde herhaaldelijk tegen fascisme en nationaal-socialisme. Beide bladen mochten zich in Zuid-Limburg in een relatief groot lezerspubliek verheugen. 9] Toch hadden de communisten in Limburg het niet gemakkelijk. De overheid hield hen nauwgezet in de gaten en de Kerk waarschuwde onafgebroken tegen het rode gevaar. Communistische propagandisten werden doorgaans vijandig bejegend, zelfs weggejaagd, zoals een communistisch parlementslid op het station van Heerlen overkwam. 10] Zij, die openlijk voor hun communistische sympathie uitkwamen, liepen een reëele kans hun baan te verliezen. 11] De C.P.N. en haar aanhangers zagen zich genoodzaakt het grootste deel van hun werkzaamheden in het geheim verrichten. De leidinggevende functies binnen de partij berustten voornamelijk bij ontslagen arbeiders, vergaderingen moesten noodgedwongen klein van omvang zijn en werden in huiskamers of zelfs in bossen gehouden.12] Deze semi-legale status kan ook afgeleid worden uit de deelname van de communisten aan het vakbondswerk en de oprichting van een aantal camouflage- of mantelorganisaties. Vaak werd samengewerkt met (radicale) socialisten die het evenmin gemakkelijk hadden.
Maastricht kende een oude en lange sociaal-democratische traditie. Een aantal socialisten schoof gedurende de jaren dertig steeds verder naar links op en radicaliseerde. Ze maakten zich sterk voor de door de communisten gepropageerde “Volksfront”-gedachte - een samengaan van linkse politieke partijen - als krachtige tegenhanger van fascisme en nationaal-socialisme. De gematigde S.D.A.P.-vleugel was het daar niet mee eens en een scheuring dreigde. Ondanks een interventie van S.D.A.P.-voorman J.J. Vorrink liep het conflict zo hoog op dat de linkervleugel in 1937 uit de partij werd gezet. Een gedeelte van de geroyeerden vond onderdak bij de in 1935 door Sneevliet opgerichte Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (R.S.A.P.). 13] Ondanks de partijpolitieke perikelen werkten communisten en socialisten op verschillende terreinen samen. Zo werd de Maastrichtse Culturele Filmliga opgericht, waarin naast de radicale socialist J.H.R. Steyns de communist B.Th.A. Holty en propagandisten van de Vereniging van Vrienden van de Sovjetunie (V.V.S.U.) zoals G. Kroll en A. Sonneville, een rol speelden. 14] De Liga stelde zich ten doel de negatieve beeldvorming van de Sovjetunie te corrigeren door Russische (propaganda)films te vertonen en te waarschuwen tegen het fascisme. De rolprenten konden worden gehuurd via de V.V.S.U. in Amsterdam. Voorts werkten sociaal-democraten, radicale socialisten en communisten eendrachtig samen in het “Comité Hulp aan Spanje”, waarvoor in Maastricht de sociaal-democraat J. Lamberts, een leraar, als voorzitter en J. Steyns als penningmeester optraden. Het Comité legde zich vooral toe op het inzamelen van geld en goederen ten behoeve van de Republikeinse Partij in de Spaanse burgeroorlog (juli 1936-april 1939). 15] Tal van uit Nederland afkomstige socialisten en communisten, onder wie veel Duitse emigranten, streden aan republikeinse zijde mee tegen de falangisten, een door het fascisme geïnspireerde en door generaal Franco geleide politieke groepering die actieve steun ondervond van haar Duitse en Italiaanse geestverwanten.
In 1935 werd in Maastricht een afdeling van de Communistische Jeugd Bond opgericht onder leiding van een zekere Dreesen. De afdeling in de Mijnstreek van deze Bond manifesteerde zich openlijk en verspreidde het blad “De Jonge Arbeider” onder de enkele tientallen leden. Ter camouflage werd de organisatie in Maastricht als “wandelclub” gepresenteerd. De leden werden in hoofdzaak uit de rijen van de plaatselijke Burgerwacht (civiele gewapende reservepolitie) gerecruteerd, waarvan Dreesen deel uitmaakte. Tenslotte bestond in Maastricht een “Werklozen Strijd Comité” onder voorzitterschap van de communist F.J.H. Schweden. Het comité telde ongeveer tachtig leden en was nauw betrokken bij de hulpverlening aan uit Duitsland gevluchte joden en communisten. In 1936 verliet Schweden om onbekende redenen de communistische gelederen en bood de plaatselijke politie zijn diensten aan. Hij verschafte haar nauwkeurige informatie over de activiteiten van de communisten. Zo vernam de politie wie de makers en de distributeurs waren van de talrijke anti-kapitalistische en anti-militaristische pamfletten die op vrij grote schaal in Maastricht en de Mijnstreek opdoken. Dat gold eveneens voor de anti-nazi-propaganda die vanuit Zuid-Limburg haar weg naar Duitsland vond. Een groot deel van die geschriften bleek te worden gestencild door S. Jongen in Maastricht. Schweden zette de politie verder op het spoor van de Limburgse tak van de Internationale Rode Hulp (I.R.H.) en het “Kerkraads Belang”. De I.R.H., een door communisten geleide organisatie, legde zich in hoofdzaak toe op de hulpverlening aan vervolgde Duitse geestverwanten. Ook het “Kerkraads Belang”, een Zuidlimburgse tak van de Duitse Sportbond, was nauw betrokken bij de vluchtelingenhulp. Bovendien trachtte deze organisatie, die alleen al in Kerkrade enkele honderden leden geteld zou hebben, voorlichtingsgeschriften naar Duitsland te smokkelen. 16]
Sedert 1933 staken de communisten veel energie in de opvang van en hulpverlening aan vervolgde geestverwanten en joden uit Duitsland. De centrale leiding van die hulp lag bij de Nederlandse sectie van de in 1922 door de Komintern in het leven geroepen Internationale Rode Hulp. In de Mijnstreek werkten de I.R.H.-leden ook wel onder de dekmantel “Guerrilla”. Immers, noch de Nederlandse politie, noch de Duitse Sicherheitspolizei mocht er weet van hebben. Belangrijk was dat de I.R.H.-medewerkers dank zij deze werkzaamheden ervaring opdeden in het illegale werk, zowel in de alledaagse praktijk als in psychologisch opzicht. 17]
Vanaf de “Machtübernahme” door Hitler op 30 januari 1933 werd de Kommunistische Partei Deutschland (K.P.D.) fel opgejaagd. De nazi’s grepen de brand in het Rijksdaggebouw op 27 februari 1933 aan om de communisten op ongemeen felle en systematische wijze te vervolgen. Het partijkader moest hals over kop vluchten en week in hoofdzaak uit naar Praag en Parijs. Anderen zochten een veilig heenkomen door de meest nabijgelegen grens clandestien over te steken. Via Limburg kwamen veel communisten uit het zuidelijk Roergebied en de streek rond Aken Nederland binnen. De meesten trokken verder naar België of Amsterdam, waar het centrum van de Nederlandse afdeling van de I.R.H., Nederlandse Rode Hulp (N.R.H.), was gevestigd. Organisatorisch kon de Nederlandse zusterpartij deze plotselinge toestroom aanvankelijk nauwelijks aan. Met steun van de Duitse communisten in Amsterdam en Parijs – die als politieke vluchtelingen overigens geen politieke activiteiten mochten ontplooien op straffe van uitwijzing – werd de I.R.H. in Nederland weldra beter georganiseerd. De I.R.H. probeerde bovendien het publiek te mobiliseren en voor te lichten over de rampzalige ontwikkelingen in Duitsland. 18] Ook ging de Nederlandse afdeling over tot publikatie van een tweewekelijks periodiek, “Afweerfront”. Vanaf december 1937 verscheen daarnaast het informatieblad “Onze Gids”.
De I.R.H., in Nederland geleid door J. Postma en W. van Exter, trad op als organisator en instructeur. Als nevenorganisatie van de N.R.H. bestond de Landelijke Emigranten Commissie (L.E.C.). Daarin hadden vier landelijke emigranten-vertrouwensmannen zitting: A. Winterink, F. Baruch, J. Bierens en F.H. Petersen. Het L.E.C. beschikte over plaatselijke afdelingen en was belast met de sociale belangenbehartiging van de vluchtelingen. Ze onderhield nauwe contacten met andere emigranten-commissies en de “Zentrale Emigranten Kommission”. 19]
De C.P.N. stelde in elk van haar elf districten een verbindingsman aan met het oog op de hulpverlening aan de vluchtelingen. Zij moesten op hun beurt medewerkers aantrekken. Het zuidelijk grensbureau werd vanuit Heerlen geleid door de uit Winschoten afkomstige A. Potze, districtsleider voor Limburg. Er ontstond al spoedig een intensieve en soepel lopende samenwerking tussen de Limburgse communisten en de in Limburg werkzame en woonachtige Duitse communisten. Potze onderhield bovendien contact met het Duitse district Midden-Rijn en Wurm. Het communistische kader uit die regio kwam, voorzover niet uitgeweken, regelmatig in de Mijnstreek bijeen. 20]
Potze beschikte over een team van toegewijde en energieke medewerkers, van wie sommigen in Duitsland waren geboren en inmiddels de Nederlandse nationaliteit hadden gekregen. Het precieze aantal van de door hen geholpen vluchtelingen is slechts bij benadering aan te geven. Soms passeerden op één dag tussen de dertig en vijfendertig vluchtelingen clandestien de grens. Mogelijk overschreed het totaal aantal de duizend, het zijn er in ieder geval vele honderden geweest. Latere schattingen wezen uit dat circa 60% van de communistische vluchtelingen via de Zuidlimburgse posten Nederland waren binnengekomen. Overigens werden niet alleen communisten geholpen, maar ook socialisten, joden en katholieken. 21] Vooral het Drielandenpunt bij Vaals, maar ook Kerkrade met zijn merkwaardige straatgrens waren veel benutte overgangen. In Vaals maakte P. Bertrand, die in 1934 de wijk had genomen uit Aken, zich verdienstelijk voor zijn vervolgde landgenoten. Ook smokkelde hij het orgaan van de Komintern, “De Rundschau”, over de grens. In Heerlen en directe omgeving steunden J. Barelds, J. van Beers, H. Garritzen, E. Kasemier, A.J. Overeem, O. Schumacher, W. Warrink en M. en Th. Zanders het werk van Potze en in Schaesberg W.J. Konsten. Laatstgenoemde slaagde er zelfs in met medewerking van S.S.- en S.A.-leden vluchtelingen veilig over de grens te loodsen. In Brunssum werkten onder meer het echtpaar A. Kievit en G. Kievit-Poede en W. van Roest.22] In Maastricht tenslotte werden de “emigranten” in eerste instantie ten huize van de familie Habets opgevangen. Hier waren onder anderen het echtpaar Ph. en A. van Hoorn, L. Kraft, L. Verheyen, A. Franken, S. Jongen, F.J.H. Schweden, W. Hendrikx, W. Bartels en J. de Beun bij de hulpverlening betrokken. Regelmatig kwamen de plaatselijke medewerkers voor overleg bijeen. 23]
De smokkel van anti-nazi pamfletten en communistische propaganda geschiedde in georganiseerd verband door leden van de Internationale Transportarbeiders Federatie. Zij zagen kans de geschriften per trein of binnenvaartschip Duitsland binnen te brengen. Ook individuele Nederlandse communisten toonden zich actief. De Duitse bannelingen moesten zich immers op straffe van uitwijzing van elke politieke activiteiten afzijdig houden. 24]
Op 20 februari 1934 ontving de Commissaris van de Koningin in Limburg, mr. E.O.J.M. baron van Hövell van Wezeveld en Westerflier, een klaagschrift van de burgemeester van het Middenlimburgse Melick-Herkenbosch, S.D. Douven: “Op 18 dezer door de gemeentepolitie aangehouden een Nederlander en een Duitser, welke eerste een groot aantal in het Duits gestelde communistische propagandaschriften vervoerde in de richting van de Duitse grens.
Deze personen werden mij voorgeleid. Daar echter het eigenlijke vervoer plaats had door de Nederlander kon ik niets doen (...). Ik heb betreffende personen daarna laten volgen door de gemeentepolitie, die heeft vastgesteld dat de papieren werden afgeleverd bij een Nederlander wiens huis tegen de Duitse grens aanligt. In dit huis zijn de papieren waarschijnlijk door acht Duitse vrouwen in ontvangst genomen met de klaarblijkelijke bedoeling om ze in Duitsland te verspreiden. Onmiddellijk heb ik de Duitse politie laten waarschuwen die toen het onderzoek heeft voortgezet in Duitsland. Door enkele Duitse politie-autoriteiten wordt het betreurd dat de Nederlandse politie niet voldoende bevoegdheid heeft om te verhinderen dat de communistische propagandageschriften tegen de Duitse staat frauduleus over de grens worden gebracht. De communistische propaganda is uiteindelijk ook een gevaar voor ons vaderland”, aldus Douven. Op 5 maart liet de procureur-generaal in Den Bosch de Commissaris van de Koningin desgevraagd weten: “Als communistische lectuur wordt vervoerd door Nederlanders is daartegen weinig te doen. Zou zulks geschieden door een vreemdeling dan moet de burgemeester weten, dat zulks een aanleiding kan zijn tot verblijfsontzegging in Nederland en uiteraard inbeslagneming der stukken. Een scherpe vreemdelingencontrole is in Melick-Herkenbosch nodig”. 25]
Door infiltratie onder de vluchtelingen maar ook door inlichtingen uit (dissidente) communistische kring vernamen de Nederlandse en de Duitse politie wie de leidinggevende en meest actieve medewerkers in de georganiseerde hulpverlening en propagandasmokkel waren. Al in 1935 vonden huiszoekingen bij Maastrichtse communisten plaats en werden in het hele land tientallen geëmigreerde kaderleden gearresteerd. Na enige tijd kwamen ze onder druk van de publieke opinie vrij en werden ze naar België uitgewezen. 26]
Vanzelfsprekend trachtten de I.R.H.-medewerkers de Duitse emigranten op hun betrouwbaarheid te testen. Bij twijfel werden ze doorgezonden naar België. 27] De in Maastricht woonachtige Belg J.H. Nulens verrichtte koeriersdiensten tussen Limburg en België. Naast zijn werk voor de Rode Hulp hield hij zich bezig met het smokkelen van geheime berichten en rapporten en wapens. De geschriften werden vervolgens in opdracht van de K.P.D. clandestien verspreid.28] Op 21 februari 1936 werd Nulens met zijn gezin uitgewezen naar België vanwege zijn communistisch partijlidmaatschap en “dat hij hier ter stede en in Zuid-Limburg communistische agitatie voerde”. Het contact tussen de Maastrichtse communisten en Nulens bleef echter voortbestaan. 29]
Vooralsnog vonden geen arrestaties plaats onder de Limburgse communisten. Wel stonden de namen van vrijwel alle actieve en bekende partijleden in de plaatselijke politieregisters vermeld, ook waren ze bekend bij de Duitse Sicherheitspolizei.

II. De C.P.N. gedurende de eerste bezettingsjaren

II.1. Landelijk: enige aspecten

Niet alle C.P.N.-ers deelden het standpunt dat de partij onder leiding van P. de Groot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog innam. Nadat men ruim zes jaar het fascisme en nationaal-socialisme zoveel mogelijk had bestreden, klonk de verklaring dat de op 1 september 1939 uitgebroken vijandelijkheden louter imperialistisch van aard waren en de arbeidersklasse er geen enkel belang bij had en derhalve neutraal moest blijven menig communist onwerkelijk en onlogisch in de oren. De samenwerking met niet-communistische anti-fascisten kwam onder grote druk te staan. Dat leidde tot het uiteenvallen van het “Comité van Waakzaamheid”, een groep intellectuelen, die door middel van publikaties het gevaar en het ware gezicht van het nationaal-socialisme onder de aandacht van een breed publiek trachtte te brengen. 30] Sedert eind 1939 werden Frankrijk en Groot-Brittannië als oorlogszuchtiger dan Duitsland afgeschilderd. Het accent diende van anti-fascistische actie te worden verlegd naar meer traditionele communistische axioma’s zoals het opkomen voor en realiseren van de belangen van de arbeidersklasse en agitatie tegen de steunverleners aan de Franse en Britse oorlogsinspanningen. Onder die laatste categorie vielen de “bourgeoisie” en de sociaal-democraten. Een en ander betekende niet dat de C.P.N. nu ook de bestrijding van het fascisme losliet, maar wèl dat de vertrouwde koers op een cruciaal tijdstip een radicale wijziging onderging. Een van de gevolgen was dat in regeringskringen twijfels begonnen te rijzen over de houding van de communisten inzake de landsverdediging. In eigen kring bestond daarover trouwens ook verwarring. 31]
De Groot, sedert 1938 politiek leider van de C.P.N., was de meest fervente verdediger van de nieuwe koers. Hoewel sommigen de ommezwaai tot een louter tactische manoeuvre van Sovjet/Komintern-zijde reduceerden, leidde de nieuwe politieke koers ondanks de sterke partijdiscipline tot de nodige spanningen binnenskamers. 32] Weldra ontstonden binnen de partijleiding naast de lijn-De Groot twee andere stromingen. Volgens de partijtheoreticus mr. A.S. de Leeuw had men te maken met een bevrijdingsstrijd tegen het om zich heen grijpend fascisme. Hij toonde zich voorstander van een voortgaan op de eerder ingeslagen weg en pleitte voor een bundeling van alle anti-fascistische krachten in het land teneinde één gesloten front te vormen. De tweede, enigszins hiervan afwijkende visie trad na de Duitse inval op 10 mei 1940 op de voorgrond. Weliswaar was de oorlog een conflict tussen imperialistische krachten die beide bestreden moesten worden, maar volgens deze stroming moest prioriteit gegeven worden aan de bestrijding van de actuele agressor en onderdrukker, Duitsland. Deze “middenkoers” kwam naderhand, toen geheel West-Europa door de Duitsers onder de voet was gelopen, het dichtst in de buurt van het standpunt van de Komintern dat voordien min of meer parallel liep aan de lijn-De Groot. 33] De Groot en zijn politieke medestanders gingen nog een stap verder. Zij pleitten niet alleen voor een neutrale houding jegens de bezetter – het maakte immers niet uit of men onder heerschappij van de Duitsers of de “bourgeoisie” moest leven – maar trachtten bovendien de C.P.N. en haar informatie- en propaganda-apparaat legaal te laten voortbestaan. Dat lukte aanvankelijk wonderwel. Op 26 juni 1940, twee dagen na de opheffing van het verschijningsverbod van de nationaal-socialistische en communistische pers, verscheen “Het Volksdagblad” opnieuw evenals de juni-editie van het theoretisch maandblad “Politiek en Cultuur” en het maandblad van de Vereniging van Vrienden van de Sovjetunie (V.V.S.U.). 34] De neutrale koers werd nogmaals verdedigd en toegelicht en de felle aanvallen op de sociaal-democraten en Groot-Brittannië werden herhaald. Het wederom verschijnen van de communistische media en vooral de toon van een ronduit pro-Duits artikel in “Politiek en Cultuur” met als titel “Vijf historische dagen” wekten veel beroering in eigen kring. De verbindingsman van de Komintern, D. Goulooze, liet weten dat Moskou het niet eens was met dit artikel en weigerde medewerking. Sedertdien bekoelde de verhouding tussen Goulooze en de partijleiding. Omdat Goulooze rechtstreeks onder het gezag van de Komintern viel, kon de partijleiding geen stappen tegen hem ondernemen. Niet alleen Goulooze, ook communisten in de C.P.N.-districten weigerden de editie van 26 juni van “Het Volksdagblad” onder de aandacht van de eigen lezerskring te brengen. 35] Zij kregen steun uit een onverwachte hoek. Daags na het verschijnen van de bladen greep de bezetter in en verbood de communistische media definitief. Een kleine maand later, op 20 juli 1940, trof de C.P.N. hetzelfde lot.
Over het waarom van het verschijningsverbod is toen en naderhand veel gespeculeerd. Aangenomen wordt dat de bezetter aanstoot nam aan het feit dat de arbeidersklasse de Sovjetunie als lichtend voorbeeld werd voorgehouden. Bovendien riep géén van de bladen op tot een volstrekt loyale houding jegens de nieuwe machthebber, wèl tot neutraliteit. Dank zij de Duitse maatregel konden de rijen worden gesloten en ging de C.P.N. zich definitief toeleggen op een illegaal voortbestaan. 36]
Daartoe waren al vóór mei 1940 voorbereidingen getroffen. De gevluchte en in illegaal werk geschoolde Duitse communisten leverden een belangrijke bijdrage. De gebeurtenissen en ontwikkelingen in Duitsland indachtig was het niet realistisch ervan uit te gaan dat, bij een eventuele bezetting van Nederland door de oosterburen, de C.P.N. op legale wijze zou kunnen blijven voortbestaan. Ondanks het pact tussen Hitler en Stalin moet ook De Groot daaraan hebben getwijfeld. Al op 15 mei 1940 kwam de partijleiding in Amsterdam bijeen om na te gaan welke mogelijkheden de C.P.N. in de toekomst openstonden, zowel legaal als illegaal. Beide perspectieven werden even serieus in beschouwing genomen.37] Het resultaat van de besprekingen was dat de uit vijf personen bestaande leiding werd vervangen door een driemanschap. De Groot bleef politiek leider, L. Jansen fungeerde als contactman met het C.P.N.-district Amsterdam en J. Dieters als contactman met de overige tien C.P.N.-districten. Alle drie hadden voordien op het partijsecretariaat gewerkt. De hoofdrol was dus opnieuw weggelegd voor De Groot. Hij maakte gebruik van de kansen die de herstructurering van de partij hem bood.38] Met het oog op het ondergronds gaan werden de partijleden in drie categorieën opgesplitst. In de eerste categorie kwamen de voor illegale werkzaamheden minst geschikte partijleden. Deze groep kreeg een reservoirfunctie. Als in de andere groepen lacunes ontstonden, kon worden teruggevallen op deze reservisten. Vooralsnog werden in deze categorie de in het verleden sterk op de voorgrond getreden communisten ingedeeld, maar ook partijleden omtrent wier politieke betrouwbaarheid twijfels waren gerezen. Dat opende mogelijkheden. Officieel heetten zij allen “in reserve te zijn geplaatst”, maar in de praktijk kwam het erop neer dat De Groot langs deze weg uiting kon geven aan persoonlijk antagonisme. Zijn politieke tegenstanders konden aldus terzijde worden geschoven. Daarnaast speelde tot op zekere hoogte een anti-intellectualistisch sentiment mee bij de herschikking van de leidende C.P.N.-functies. Prominente partijleden als K. Beuzemaker, C. Schalker, L. de Visser en A.S. de Leeuw verdwenen in meerdere of mindere mate naar de achtergrond of zelfs helemaal uit het zicht. De positie van Goulooze was onaantastbaar. Veel meer betekenis kende de leiding toe aan de categorieën “nauwelijks of ten dele bekende leden” en de “onbekende leden”. Representatief voor de laatste groep waren de anonieme arbeider in de stad en het cel-lid in de bedrijven. Met de relatief onbekende communisten zouden zij het draagvlak van de illegale partijorganisatie moeten gaan vormen.39]
De nieuwe structuur rustte op drie pijlers: een organisatie van propagandisten, een organisatie rond het toekomstige illegale partijblad en een reserve-organisatie, bedoeld om lacunes in de eerste twee organisaties op te vullen. 40] Met de praktische uitvoering werden partijinstructeurs belast. Elk district reikte de partijleiding een adres aan waarmee een instructeur vervolgens contact opnam. Zijn taak bestond onder meer uit de vorming van vijfpersoonsgroepen, het organiseren van groepen van sympathisanten en het opzetten van stencilposten. Het was de bedoeling dat in de districten zoveel mogelijk zelfstandig werd gewerkt, hoewel de partijleiding toch steeds richtlijnen bleef uitvaardigen mede in verband met de vervanging van ervaren partijkaders door nieuwelingen. Aldus werden de maanden volgend op het verbod van de C.P.N. benut voor een ingrijpende herstructurering, het zoeken naar en opnemen van contact met potentiële communistische illegale werkers alsmede het innen van contributie. Dat laatste was nodig om voldoende financiële armslag te krijgen voor het krantenapparaat en eventuele steungelden uit te keren. 41] In politiek opzicht besloot de leiding de binnenlandse en buitenlandse ontwikkelingen af te wachten en de activiteiten vooralsnog te beperken tot de traditionele sociaal-economische strijd, vooral in de werkverschaffing. 42]
Van de circa 9.000 leden die de C.P.N. in mei 1940 telde, waren omstreeks de jaarwisseling van 1940-1941 ongeveer 2.000 leden bij het illegale werk ingeschakeld, van wie er circa 1.200 in Amsterdam woonden. 43] Iets eerder, in september 1940, had de Komintern via verbindingsman Goulooze geïnformeerd wat er zoal op het terrein van sabotage gebeurde, met name ten aanzien van communicatiemiddelen en verbindingen. Ook was gevraagd waar een illegale krant bleef. 44] Op de eerste vraag zal de partijleiding het antwoord goeddeels schuldig moeten zijn gebleven. Weliswaar kregen beperkte stakingsacties enige politieke betekenis vanwege het stakingsverbod, maar van georganiseerde sabotage was nog geen sprake. De Februaristaking van 1941 in Amsterdam en delen van Noord-Holland vormde in dit opzicht een hoogtepunt, hoewel de staking toch vooral een uiting was van een bij velen levende verontwaardiging over de razzia’s op joden in Amsterdam op 22 en 23 februari en de snel opeenvolgende discriminerende maatregelen tegen en de vervolging van dit bevolkingsdeel in Nederland. 45]
Met de opbouw van het “krantenapparaat” werd weldra begonnen. Via G. van den Bosch, koerier van de partijleiding, kreeg J.H. Janzen in oktober 1940 opdracht de leiding hiervan op zich te nemen en er nader gestalte aan te geven. Janzen kon tot op zekere hoogte voortbouwen op het uit de legale periode daterende apparaat. In diverse districten bevonden zich nog stencilmachines. Waar dat niet het geval was, hielpen de instructeurs. Janzen benoemde de in Amsterdam woonachtige C. Aarnouts tot leider van het “verspreidingsapparaat”. De technische leiding lag in handen van J. Verbrugge. Hij bracht de kopij van de in hoofdzaak door De Groot volgeschreven “kaderkrant”, die als basis voor de edities in het hele land gold, naar het echtpaar J. Posthuma en J. Posthuma-Celie te Zwanenburg in de Haarlemmermeer. Voor stencilmachine, typemachine, papier en inkt zorgde Verbrugge. Het echtpaar vermenigvuldigde de kaderkrant. De gemiddelde oplage bedroeg 150 exemplaren. Aarnouts fungeerde tevens als koerier tussen Janzen en zijn hoofdverspreider C. Schuurman, die op zijn beurt het contact onderhield met koeriers in dertien grote en middelgrote steden. Zij ontvingen van elke editie van de kaderkrant tussen de vijf en dertig exemplaren die vervolgens, meestal per trein, op de diverse stenciladressen in het land werden afgeleverd voor verdere vermenigvuldiging. 46]
De krant verscheen onder verschillende namen: “De Waarheid”, “Het Signaal” of, zoals in Limburg, “De Vonk”. Op 23 november 1940 verscheen de eerste, tweewekelijkse editie. Enkele weken daarvoor was een pamflet ter herdenking van de Russische Revolutie uitgekomen. Daarin werd opgeroepen tot verzet en politieke strijd tegen de N.S.B., het pro-Duitse deel van de sociaal-democraten en de leiding van de Nederlandsche Unie. Voorts hield de schrijver een pleidooi voor herstel van organisatie- en persvrijheid, hogere lonen, voedsel en werk in Nederland. Hij eindigde met “Strijdt voor de ware nationale onafhankelijkheid! Tot internationale verbroedering”. 47] De lijn-De Groot klonk er dus krachtig in door.
Aanvankelijk vulde De Groot in zijn eentje de kolommen van de krant, naderhand verschenen tevens bijdragen van L. Jansen. 48] Leden van Aarnouts’ verspreidingsapparaat brachten ook berichten uit de districten mee, waarover Jansen of Verbrugge dan korte stukjes schreven. Naast bijdragen van beschouwende aard bevatte de krant actuele informatie, afkomstig van kringen binnen de partij, de radiozenders in Moskou en Londen en het orgaan van de Komintern, “Die Welt”. Voorts konden kaderleden in de districten desgewenst berichten of artikelen aan de districtseditie van de kaderkrant toevoegen, maar dat kwam gedurende de eerste drie bezettingsjaren hooguit sporadisch voor. 49]
Als verbindingsman tussen de partijleiding en het krantenapparaat trad, zoals we zagen, G. van den Bosch op. Hij stond met andere woorden tussen de voormannen van de politieke/propagandagroep en de groep van technici en verspreiders, twee van de drie hoofdpijlers waarop de illegale C.P.N. op dat moment rustte. Van den Bosch gaf Janzen door op welke adressen de kaderkranten gereed lagen. Tot de zomer van 1941, toen hij vanwege zijn “bekendheid” werd overgeheveld naar de luwte, bekleedde hij die functie. M.A.F. van Beers nam toen zijn taak over. In juni 1942 moest Posthuma als gevolg van Duitse naspeuringen onderduiken in Soesterberg. Korte tijd later, in september 1942, viel ook Verbrugge weg. Van Beers moest op zoek naar een nieuw stenciladres. Dat werd de woning van F. Israël in Amsterdam. Ter bescherming zocht hij een afzonderlijk afhaaladres, zodat drukkerij en beginpunt van de verspreiding voortaan van elkaar waren gescheiden. 50] Het leek erop dat de top van het apparaat voldoende was beschermd. Tot begin 1943 kwam er inderdaad geen kink in de kabel.
Het politiek credo van de C.P.N. bleef tot de Duitse inval in de Sovjetunie op 22 juni 1941 onveranderlijk anti-imperialistisch. De arbeiders dreigden andermaal tussen hamer en aambeeld te worden verpletterd. Dus kon er slechts één parool gelden: streven naar een proletarische revolutie. Dat impliceerde géén samenwerking met groepen die in opdracht van Engeland en de Nederlandse regering in het binnenland actief waren. Dergelijke groepen zoals de sociaal-democraten liepen aan de leiband van het Nederlands imperialisme, aldus De Groot nadat de Februaristaking van 1941 met geweld de kop was ingedrukt. 51] Of hij daarmee de gevoelens en ideeën van de achterban vertolkte is moeilijk na te gaan. Vast staat wel dat de politieke leidsman met deze opvatting de communisten niet uit het isolement haalde. Aan het nut van die afzondering werd steeds openlijker getwijfeld.
Operatie Barbarossa, de Duitse codenaam voor de aanval op de Sovjetunie, maakte een abrupt einde aan het onrealistische politiek gemanoeuvreer. Het roer kon worden omgegooid en eindelijk kon klare wijn worden geschonken. Niet de proletarische revolutie maar de nationale bevrijdingsstrijd zou voortaan het voornaamste doel van de Nederlandse communisten worden en weldra ook van de Komintern. 52] In nummer 34 van “De Waarheid” (nummer 15 van “De Vonk” dat op 2 juli 1941 verscheen) werd de weg naar samenwerking met politiek andersdenkenden geopend. De politieke verschillen en geschillen tussen de Nederlandse anti-fascisten moesten, aldus de krant, wijken voor een gezamenlijk optreden zolang de vijand in Nederland verbleef. In feite werd daarmee de lijn van mr. A. de Leeuw het politieke uitgangspunt. 53] Hoe radicaal de ommezwaai was, bleek uit de oproep tot een pro-Oranje-demonstratie op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina. Eerder werd opgemerkt dat de illegale C.P.N. een antwoord op de vraag van de Komintern inzake sabotage schuldig bleef. Begin 1941 wees de partijleiding dergelijke acties nog steeds zonder meer van de hand. Op 5 februari schreef “De Waarheid”: “Wanneer de heren van Vrij Nederland (een van de eerste illegale kranten) tot sabotage oproepen dan hebben zij uitsluitend de belangen van de Engelse oorlogvoering op het oog en niets anders. Doch Engeland is even slecht als Duitsland. Engeland voert evenzeer een imperialistische oorlog als Duitsland”. 54] Ook dit standpunt ging kort na 22 juni op de helling. Ondanks het feit dat de Rijkscommissaris in Nederland, A. Seyss-Inquart, op 6 september 1941 elke communistische activiteit op straffe des doods verbood, werd de arbeiders gevraagd het werktempo te verlagen en over te gaan tot sabotage in de bedrijven. 55] Omdat de partijleiding spoedig een geallieerde invasie in West-Europa verwachtte, belastte zij J.H. van Gilse met de vorming van communistische sabotagegroepen. Van Gilse kreeg daarbij steun van M. Meier, J.W. Schouten en G. Wagenaar. De coördinatie en centrale leiding berustte bij de Militaire Commissie (M.C.). In tal van plaatsen ontstonden kleine kernen van saboteurs, M.C.-groepen. Het totaal aantal medewerkers, de meesten waren oud-Spanje-strijders, bedroeg ongeveer tweehonderd. Er werden verbindingen aangeknoopt met andere verzetsgroepen in Amsterdam en Rotterdam. Tussen het najaar van 1941 en het najaar van 1942 pleegden de M.C.-groepen op grote schaal sabotage en voerden ze enkele geruchtmakende liquidaties uit. De geallieerden staken hun waardering hiervoor naderhand niet onder stoelen of banken. 56] Tegen het einde van 1942 sloeg de bezetter echter grote bressen in de organisatie van de Militaire Commissie. Er vonden vele arrestaties plaats, óók in kringen van de partijleiding en het krantenapparaat.
De arrestaties van eind 1942 en begin 1943 waren niet de eerste. Al eerder waren de communisten door omvangrijke arrestatiegolven getroffen. Als gevolg van succesvolle infiltratie door medewerkers van de Sicherheitspolizei in sommige steden werden in de weken nà de Februaristaking bijna 500 communisten gearresteerd en ingesloten. Ter intimidatie werden na het uitbreken van de vijandelijkheden tussen Duitsland en de Sovjetunie nog eens bijna 600 communisten opgepakt. De laatste golf liet het illegaal partijapparaat relatief ongeschonden. De arrestaties troffen vooral voormalige partijfunctionarissen die niet of nauwelijks bij de ondergrondse partijopbouw betrokken waren geweest, de “reservisten”. Dat gold ook voor de arrestaties van eind 1942. Niettemin betekende de ongemeen felle vervolging een grote aanslag op de illegale organisatie. In de zomer van 1942 waren nog slechts 1.200 van de oorspronkelijke 2.000 illegaal werkzame communisten actief. Vooral het district Amsterdam moest zware klappen incasseren, in andere districten ontstonden eveneens grote problemen. 57]
Begin 1943 sloeg de Sipo opnieuw toe en bracht de illegale C.P.N. de tot dusver zwaarste klappen toe. In februari vielen J.H. Janzen en een aantal vooraanstaande medewerkers van het krantenapparaat in Duitse handen. Het driemanschap besloot terstond een ingrijpende reorganisatie door te voeren, temeer omdat Janzen veel wist. Er kwam een nieuw driemanschap, bestaande uit P. Vosveld, J. Brandenburg en G. van den Bosch. De oude leiding trok zich terug. Het nieuwe driemanschap kreeg volledige vrijheid van handelen. Via een koerier zou men in contact blijven met J. Dieters die op zijn beurt De Groot en Jansen op de hoogte zou houden. Veel kwam er niet van terecht. Al op 1 april 1943 werd Vosveld opgepakt. Hij was niet bestand tegen de fysieke mishandelingen en psychische terreur en sloeg door. Op 3 april nam de Sipo J. Dieters en op 6 april L. Jansen in hechtenis. Zij werden na een proces op 8 oktober 1943 geëxecuteerd. De Groot, wiens echtgenote en dochter al in oktober 1942 waren gearresteerd als ondergedoken joden en die in een Duits kamp om het leven kwamen, wist - opnieuw - aan arrestatie te ontkomen. Hij verloor alle vertrouwen in zijn omgeving en dook nu zò diep onder dat hij tot de bevrijding geen rol van betekenis meer speelde. 58]
Aldus slaagde de bezetter erin een van de best georganiseerde en meest actieve, politiek geïnspireerde verzetsorganisatie vleugellam te maken. Gesterkt door een onwankelbaar vertrouwen in de partij en de politieke ideologie, al in de jaren dertig enigermate getraind in conspiratieve arbeid en in organisatorisch opzicht geholpen door gevluchte Duitse geestverwanten, hadden enkele duizenden communisten een grote bijdrage geleverd aan de actieve oppositie tegen de Duitse bezetter. De sterke partijdiscipline, de onderlinge solidariteit, een opvallend geringe neiging na arrestatie door te slaan en een goede organisatiestructuur maakten het mogelijk de ondergrondse activiteiten ondanks de felle vervolging zo lang vol te houden.

992

II.2. Limburg: krant en partij: 1940-1943

II.2.1. Maastricht

Als gevolg van de in de jaren dertig gezamenlijk opgezette activiteiten in bijvoorbeeld het Comité voor Hulp aan Spanje bestond in de Limburgse hoofdstad een tamelijk harmonieuze samenwerking tussen de linkervleugel van de S.D.A.P., de communisten en andere actieve anti-fascisten. De gemeenschappelijke doelstelling, de strijd tegen fascisme en nationaal-socialisme, had de traditionele scheidslijnen enigermate doen vervagen. In deze situatie was aan de vooravond van de Duitse inval geen noemenswaardige verandering gekomen. De communisten hadden zich electoraal zelfs iets weten te versterken. 59] Het lag voor de hand dat de samenwerking zou worden voortgezet. In deze paragraaf zullen we nader ingaan op de communistische en radicaal socialistische verzetsactiviteiten en, waar nodig, de verschillen tussen de twee aangeven. Al in mei en juni 1940, nog voordat er sprake was van enige illegale activiteit, arresteerde de Duitse politie enkele Maastrichtse communisten en sympathisanten. Ze werden ervan verdacht gedurende de Eerste Wereldoorlog voor de Britse en Belgische inlichtingendiensten en naderhand voor de Franse Volksfrontregering te hebben gewerkt. 60] In de loop van 1940 en 1941 kwamen ze weer vrij, maar hun verdere doen en laten werd nauwlettend in de gaten gehouden. Een van hen, A. Sonneville, vertegenwoordiger in wijnen, liet zich hierdoor niet afschrikken en werkte sedert zijn vrijlating op 27 maart 1941 mee aan de verspreiding van “De Vonk”, de Limburgse editie van “De Waarheid”. 61]
In de zomer van 1940 arriveerde in Zuid-Limburg de eerste C.P.N.-instructeur, J. Reek, textielarbeider uit Krommenie, om de illegale partij op te bouwen. Omdat het partijkader van voor de oorlog op de achtergrond moest blijven, achtte de landelijke leiding het van groot belang dat minder bekende en onervaren partijleden, die nu een belangrijke rol moesten gaan spelen, nauw omschreven richtlijnen ontvingen. Veel kon Reek niet doen, want op 24 september 1940 viel hij in Duitse handen. 62] Misschien is hij er in die korte tijd tòch in geslaagd een basis te leggen. In Maastricht trad namelijk de kunstschilder G. Boosten op als leider van het plaatselijk propaganda-apparaat. Hij beschikte over een stencilapparaat en typemachine. 63] Dank zij de uiteenlopende activiteiten in de jaren dertig konden Boosten en zijn helpers terugvallen op de contacten met Amsterdam, onder meer met C. Dankaart, die nauw bij de Comité’s voor hulp aan Spanje betrokken was geweest. 64] De voorbereidingen voor de opbouw van een krantenorganisatie konden dus worden voortgezet. Elke week bezorgden hoofdkoerier C. Aarnouts of diens assistente, mejuffrouw Van den Broek, vijf kaderkranten bij het echtpaar J.A. Margaroli en J. Margaroli-Bleize. De treinmachinist Margaroli was via zijn in Amsterdam woonachtige broer, C.A. Margaroli, in verzetskringen verzeild geraakt. Hij gaf de kaderkrant door aan Boosten. Die typte de inhoud over op stencils waarna hij en G.J. van der Gronden ze circa vijfhonderd keer vermenigvuldigden op de stencilmachine in de garage van Van der Gronden aan de Heugemerweg. Laatstgenoemde, een chauffeur-monteur, was evenals F.P.P.M. Boosten (een broer van de kunstschilder die een gedeelte van de oplage naar de Mijnstreek bracht) lid van de Gemeentelijke Luchtbeschermingsdienst. 65] Nog vóór het eerste nummer van “De Vonk” uitkwam, verscheen omstreeks november 1940 het pamflet “Signalen der Vrijheid”, dat een redevoering van Stalin bevatte en aanspoorde Duitse maatregelen niet uit te voeren. Het vlugschrift probeerde de lezer op te beuren door erop te wijzen dat de tegenstanders van Duitsland kwalitatief de meerderen waren. 66] Vooral dat laatste week nogal af van de partijlijn van dat moment.
Kort na het verschijnen van de eerste editie van “De Vonk” werden in december 1940 in Maastricht vier communisten op last van de Sicherheitspolizei in Aken gearresteerd. Hun werd betrokkenheid bij de hulp aan Duitse vluchtelingen gedurende de jaren dertig ten laste gelegd. Ze kwamen korte tijd later weer op vrije voeten, hoewel sommigen op 28 februari 1941 andermaal achter slot en grendel verdwenen. Deze keer geschiedden de aanhoudingen op last van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des S.D. (B.d.S.), W. Harster in Den Haag. Ze waren een gevolg van de Februaristaking. Ook nu kwamen de meesten, waarschijnlijk op 28 maart 1941, vrij. 67] Bestond er tot het midden van 1941 nog enige terughoudendheid jegens de communisten als hun niets ten laste kon worden gelegd, nadat Duitsland en de Sovjetunie met elkaar in oorlog waren gekomen, was van die houding vrijwel niets meer over. Een felle en verbitterde jacht op communisten en hun medestanders werd geopend. Op 25 juni 1941 arresteerde de Sipo enkele haar bekende communisten voor de tweede of zelfs derde keer: A. Bos, B. Holty en het gemeenteraadslid L. Kraft. De drie kwamen aanvankelijk in het kamp Schoorl terecht, later in Duitse kampen. Holty verloor op 10 januari 1942 het leven in het concentratiekamp Neuengamme, Kraft op 22 juni 1942 in hetzelfde kamp. 68]
De arrestaties brachten de krantenorganisatie in Maastricht geen ernstige schade toe. Het grootste gevaar dreigde echter niet van buitenaf maar van binnenuit. Alvorens dat te bespreken, willen we kort stilstaan bij het fenomeen van de twee “De Vonken”. In het begin van 1941 verscheen ook een links-socialistisch verzetsblad met de naam “De Vonk”. De krant was het orgaan van de eind 1940 opgerichte Internationaal Socialistische Beweging (I.S.B.), een initiatief van vooraanstaande personen uit vooroorlogse anti-fascistische organisaties onder wie de dichteres H. Roland Holst-van der Schalk. Het blad met als ondertitel “Uit de Vonk zal de vlam oplaaien” droeg deze naam om de herinnering aan de krant van Lenin, “Iskra” (“Vonk”), levendig te houden. In krachtige bewoordingen werd de vervolging van de joden en de invoering op 1 mei 1942 van de verplicht en zichtbaar te dragen gele Davidster afgewezen. De Maastrichtse tekenaar-retoucheur, M.J.A.E. Schwiebert, een politiek geestverwant van Boosten, ontving de kopij van “De Vonk” van Roland Holst. Diens vriendin, mejuffrouw M. Penders, met wie hij in 1943 in het huwelijk trad, tikte de inhoud op stencils waarna Boosten deze met hulp van Schwiebert vermenigvuldigde.69] In Maastricht ontstond dus één actieve produktie- en verspreidingsgroep rond twee verzetsbladen met dezelfde naam waarin zowel communisten als radicale socialisten samenwerkten. 70]
In de Maastrichtse verspreidersgroep werkte de oud-Spanjestrijder A. Engwirda, een avontuurlijk personage. Hij was, evenals J. Margaroli, lid van de Esperantisten-vereniging. In de tamelijk besloten en relatief kleine politieke vrienden- en kennissenkring van socialisten en communisten in Maastricht kende bijna iedereen elkaar. Kraft bracht Engwirda in contact met Van der Gronden. Begin 1941 ontving de Sipo-Maastricht opdracht van de B.d.S., Harster, om in het kader van een landelijke actie alle oud-Spanje-strijders, die aan communistische (lees: republikeinse) zijde hadden meegevochten, te arresteren. Kort daarop liet het hoofd van de Sipo, A. Afflerbach, verschillende personen, onder wie Engwirda, aanhouden. Laatstgenoemde besloot na enige maanden detentie zijn diensten aan de Sipo aan te bieden. 71] In juli 1941 kwamen de arrestanten allemaal weer vrij. R.H.G. Nitsch, sedert april van dat jaar in dienst van de Maastrichtse Sipo en belast met “Politische Gegnerbekämpfung”, ging op het aanbod van Engwirda in. Als eerste opdracht moest hij de personen opsporen die achter de bij herhaling in Maastricht aangetroffen exemplaren van “De Vonk” zaten. Dat leverde vooralsnog niets op. Engwirda, werkzaam als kelner in de Maastrichtse sociëteit Momus, bracht openlijk de Hitler-groet en vertelde verscheidene oude bekenden dat hij nu voor de Sipo werkte. Hij voegde er echter aan toe dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. 72] Vanzelfsprekend deden ze dat wèl. In kleine kring werd druk overlegd wat met Engwirda moest gebeuren. Hij kon wel zeggen dat hij uit camouflageoverwegingen naar de Sipo was overgestapt, maar feit bleef dat dat zonder ruggespraak was gebeurd. Er ontstond een netelige situatie. Als hij uit de groep werd gezet, kon dat iedereen de kop kosten. Een liquidatie werd overwogen, maar nimmer uitgevoerd. 73] Omstreeks dezelfde tijd benaderde J.W. Schouten uit Wageningen Engwirda namens de leider van de Militaire Commissie (M.C.), J.H. van Gilse. Kennelijk wist de illegale partijleiding van Engwirda’s vooroorlogse staat van dienst. Toen men vernam dat hij voor de Sipo werkte, verbrak Van Gilse het contact met Engwirda in opdracht van L. Jansen. 74] Ofschoon Engwirda goed op de hoogte was van de plaatselijke organisatie, liet hij de Sipo nog steeds in het ongewisse. Op 13 januari 1942 werd hij in opdracht van de Sipo-Arnhem opnieuw gearresteerd. Hetzelfde overkwam Van der Gronden. De Arnhemse Sipo-beambte, W.G. Becker, onder meer belast met de opsporing van personen die illegale lectuur verspreidden, had in 1941 contact gekregen met een zekere Broers uit Tilburg. Evenals Engwirda was Broers een oud-Spanje-strijder en betrokken bij ondergrondse communistische activiteiten. Hij noemde Becker in verband met de verspreiding van “De Vonk” in Maastricht de namen van de toen al gearresteerde L. Kraft, Engwirda en Van der Gronden. (zie ook zijn broer A.C. van der Gronden in het Rayon Valkenburg) Beide werden opgepakt, maar Engwirda kwam op last van Nitsch meteen weer vrij. Van der Gronden bezweek op 5 december 1942 in het concentratiekamp Neuengamme. 75]
Nitsch wilde eindelijk wel eens resultaat zien. Hij draaide zijn V-man de duimschroeven aan. Op 24 januari 1942 waren vier verspreiders van “De Vonk” aangehouden, een van de hoofdverspreiders, M.H. Fransen, en drie scholieren van de gemeentelijke H.B.S.: W.G.J. Hack, G.L.R. Soesman en M.H. Hoppers. De ene arrestatie was het gevolg van de andere. Ook kwam Nitsch G. Boosten op het spoor, maar die kon tijdig gewaarschuwd worden. Hij dook onder bij het echtpaar Margaroli.
De arrestatie van Hack hing waarschijnlijk samen met het feit dat een van zijn medeleerlingen iets over Hacks activiteiten aan zijn vader, lid van de N.S.B., had verteld. 76] De gemeentelijke H.B.S. was namelijk al eerder in opspraak geraakt. Op 9 november 1940 had de Duitse stadscommandant een schrijven ontvangen, gericht aan de “Lumpen Ortskommandant von Maastricht”, waarin Hitler belachelijk werd gemaakt. Het briefkaartje was ondertekend met “Die Organisation Todt Hitler” en als afzender stond vermeld: de klassen 2a, 3a en 4a van de gemeentelijke H.B.S. Hoewel het onderzoek geen resultaat opleverde, werd de school acht dagen gesloten. 77] De gevolgen van de arrestaties in januari waren ernstiger. Hoppers kwam weliswaar spoedig vrij en Hack, dank zij bemoeienis van zijn vader, na ongeveer een jaar, maar Soesman, een joodse jongen, werd na een verblijf van 18 maanden in de Duitse politieke gevangenis te Maastricht naar Vught overgebracht en vervolgens naar Auschwitz-Birkenau, waar hij op 21 januari 1945 overleed. 78]
Door de aanhouding van de vier verspreiders en de wetenschap dat G. Boosten een belangrijke rol speelde, kreeg Nitsch enige greep op de communistische organisatie in Maastricht. Hij sommeerde Engwirda Boosten op te sporen. De V-man slaagde daar echter - al dan niet opzettelijk - niet in. Wel deelde hij mee dat diens broer, F. Boosten, “De Vonk” verspreidde en veel contacten onderhield. Hij noemde Nitsch een aantal namen.79] Bovendien zou bij een huiszoeking in het atelier van G. Boosten een namenlijst met “De Vonk”-verspreiders zijn aangetroffen. Weldra beschikte de Sipo over een lijst met circa 50 namen. 80] Op 25 juni 1942 sloeg de Sipo in samenwerking met de Ordnungspolizei toe en arresteerde tenminste 27 verspreiders van “De Vonk”. Het betrof niet alleen communisten, maar ook radicale socialisten. Sommigen kwamen na verhoor weer vrij, anderen verdwenen enige tijd achter slot en grendel in het Maastrichtse Huis van Bewaring. A. Sonneville en de kunstschilder J.W.H. Narinx werden via het doorgangskamp Amersfoort naar Duitse kampen gedeporteerd. Sonneville stierf op 13 februari 1945 in het kamp Dachau in Zuid-Duitsland. Narinx was al op 7 januari 1943 in het kamp Neuengamme bij Hamburg bezweken. 81] Bij F. Cobben, die al eerder was aangegeven, trof de Sipo exemplaren van “De Vonk” aan. Hij werd na een jarenlang verblijf in Duitse kampen op 30 april 1945 bevrijd. 82]
Op 15 september 1942 sloeg de Sipo nogmaals toe. Nu vielen negen communisten en radicale socialisten in Duitse handen. Voor drie van hen was dat al de tweede keer. De stratemaker J.H. Hendriks kwam in het kamp Vught terecht en stierf daar op 27 januari 1943. De stukadoor Ch. Heuts overleed er nog geen maand later, op 24 februari 1943. Sommigen kwamen na ruim een jaar weer vrij. Wat met de overige arrestanten gebeurde is niet bekend.83]
Hoewel Engwirda Nitsch bij zijn naspeuringen behulpzaam was, spaarde hij Margaroli, Boosten en de landelijke koerier Aarnouts. Na de arrestatie van Van der Gronden was het stencilapparaat overgebracht naar Schwiebert. Ten huize van Margaroli typte Boosten de kaderkrant, die hij vanaf april 1942 rechtstreeks van Aarnouts ontving, op stencils. Na de arrestatiegolf van juni 1942 werd Boosten de grond te heet onder de voeten. Hij hield het voor gezien en dook onder in Zutphen. 84] In juli 1942 werd Schwiebert gearresteerd, maar veel meer dan dat hij een goede bekende van Boosten was wist de Sipo niet. Na enkele dagen kwam hij weer vrij. Het stencilapparaat was toen al, na enige omzwervingen, letterlijk ondergronds gegaan. Van de oorspronkelijke kern rond “De Vonk” was niet veel meer over. Op 3 juni 1943 volgden de laatste aanhoudingen in Maastrichtse communistische kring. Ze waren een rechtstreeks gevolg van de arrestaties in de landelijke leiding en het centrale krantenapparaat, begin 1943. Vanuit Amsterdam was een diepgaand onderzoek ingesteld en de verhoren van vooraanstaande illegaal werkende communisten hadden nieuwe gegevens aan het licht gebracht. Omstreeks mei 1943 ontving de Sipo-Maastricht bericht dat ene Margaroli te Maastricht was betrokken bij de verspreiding van communistische pamfletten. Nitsch stuurde Engwirda erop af en vernam dat Schwiebert de 998 stencilmachine voor “De Vonk” in zijn bezit had (gehad). Begin juni volgde de aanhouding van het echtpaar Margaroli en het echtpaar Schwiebert. Als gevolg van de inlichtingen uit Amsterdam verdween Margaroli naar Duitse concentratiekampen, waar hij tot de bevrijding verbleef. De overige arrestanten kwamen op 7 juni 1943 vrij. Schwiebert dook bij de familie Hack onder. 85]

II.2.2. De Mijnstreek

De banden tussen de leidinggevende kaders van de C.P.N, inclusief haar nevenorganisaties, en de geestverwanten in de Mijnstreek waren, mede als gevolg van de activiteiten in de jaren dertig, intensiever dan in Maastricht. De bereidheid om iets tegen de bezetter te ondernemen bleek groot. Vooral de in Limburg woonachtige communisten van Duitse afkomst en sommige in de regio achtergebleven vluchtelingen legden een grote strijdvaardigheid aan de dag. Al op 12 of 13 mei 1940 kwam een groep communisten in Schaesberg bijeen. 86] Afgesproken werd kleine groepen te vormen die zich gereed zouden houden voor sabotage, vooral in de mijnen. Men kon bijvoorbeeld transportbanden laten vastlopen. Zoiets gebeurde wel vaker zonder opzet en veel risico’s waren er niet aan verbonden. Krantjes en pamfletten zouden grotere groepen mijnwerkers moeten aanzetten tot het plegen van dergelijke sabotage. De blaadjes moesten voorts de onjuistheid van de Duitse militaire berichtgeving aan de kaak stellen en attenderen op eventuele Duitse maatregelen die waar mogelijk moesten worden tegengewerkt. Er waren twee stencilmachines voorhanden, misschien wel meer. 87]
Een hoofdrol speelde de in Brunssum woonachtige W. van Roest. Hij gaf opdracht verzetsgroepjes te vormen en bezorgde kort na de Duitse inval een stencilapparaat, een typemachine en papier bij zijn plaatsgenoot D. Jagt. 88] Ook in een schuurtje bij een boerderij in het gehucht Meezenbroek bij Heerlen werd gestencild.89] Al in de vroege zomer van 1940 verschenen de eerste blaadjes en pamfletten. De oplage bedroeg hooguit enkele tientallen exemplaren, waarvan de meeste in de mijnen circuleerden. Verstopt in opgerolde vuile kleren of tussen een handdoek konden ze gemakkelijk de mijnen in worden gesmokkeld. 90] Ook elders in de Mijnstreek ontstonden kleine verzetskernen: in Kerkrade vormden F. Koehof, H.J. Hoofs en A. Vischer een groepje, in Vaals P. Bertrand, in Heerlen onder meer S. Rinzema, B. Clever, E. Kasemier, J. Barelds, A.H. van Beers, H. Keesman, O. Schumacher en J. Dijkstra en in de dorpen Nieuwenhagen, Ubach over Worms en Schaesberg W.J. Konsten en W. Gerards. 91]
Toen instructeur J. Reek in de zomer van 1940 in opdracht van de partijleiding in Brunssum arriveerde, had de illegale communistische organisatie in Zuid-Limburg al vage contouren. Reek kon erop voortbouwen. Terwijl de C.P.N. zich landelijk nog illegaal moest organiseren, gonsde het in de Mijnstreek al van activiteit. Nog steeds werden anti-nationaal-socialistische, in het Duits gestelde pamfletten, gedrukt. Onder anderen W.J. Konsten, die voor de oorlog een opleiding tot propagandist in Moskou had ontvangen, smokkelde ze naar Duitsland. 92] Met de komst van Reek kreeg men er twee taken bij. In de eerste plaats moest geld worden ingezameld voor hulp aan de eerste politieke onderduikers en hun achtergebleven gezinnen. Daartoe had de C.P.N. het zogenaamde Solidariteitsfonds, kortweg Sol-fonds in het leven geroepen. In Heerlen belastten zich onder meer J. Barelds, H. van der Ploeg, M. Dost en O. Schumacher met die taak. Voorts achtte de instructeur het nodig inlichtingen te verzamelen die voor de partij van belang konden zijn. 93]
Zo groeide in de Mijnstreek een verzetsorganisatie waarin het grootste deel van de “bekende” communisten een werkzaam aandeel had. Die bekendheid speelde de prille organisatie parten; de partijleiding had er voor gewaarschuwd. Dank zij intensief speurwerk en infiltratie binnen het apparaat van de Internationale Rode Hulp had de Sicherheitspolizei - het omvangrijke onderzoek naar personen in het buitenland die om welke reden dan ook onder de Duitse strafwetten vielen was geconcentreerd bij een aparte commissie van de Sipo in Recklinghausen - een lange namenlijst kunnen samenstellen. Op last van de Sipo-Aken sloeg de politie op 24 september 1940 toe en hield de eerste grootscheepse razzia onder communisten in de Mijnstreek. Tientallen communisten en sympathisanten werden opgepakt. Van hen was een aantal nauw betrokken geweest bij de opbouw van de illegale organisatie. Instructeur Reek en verscheidene andere vooraanstaande communisten zoals W. van Roest, O. Schumacher, P. Bertrand, A. Potze (na deelname aan de strijd in Spanje woonachtig in Amsterdam), het echtpaar A. Kievit en G. Kievit-Poede en H. Garritzen vielen in Duitse handen. In de periode tot februari 1941 trof de in Heerlen woonachtige W. Warrink, W.J. Konsten en A.J. Overeem alsmede F. Koehof en M. Habets uit Kerkrade hetzelfde lot. De meeste arrestanten kwamen na verhoor in Aken weer op vrije voeten, sommigen in de loop van 1941 en 1942. De overigen moesten voor een rechtbank in het Duitse Hamm verschijnen. Negen communisten, onder wie Reek, Potze, Schumacher, Bertrand en Van Roest, kregen lange tuchthuis- of gevangenisstraffen. 94] De eerste arrestatiegolf trof de jonge illegale organisatie zwaar. Niettemin beschikte zij over voldoende veerkracht om door te gaan. De meeste arrestanten kwamen trouwens spoedig weer vrij. Het interesseerde de Akener Sipo kennelijk niet wat er nà mei 1940 in Zuid-Limburg gebeurde.
In augustus 1941 stuurde de partijleiding opnieuw een verbindingsman naar de Mijnstreek, de Rotterdamse magazijnbediende J. Nas. Hij vestigde zich in de woning van het mijnwerkersgezin van L. Bos in Brunssum.95] Men ging zich nu vrijwel volledig toeleggen op de verspreiding van “De Vonk”. Nas haalde de kaderkrant persoonlijk op of ontving die van mejuffrouw Van den Broek. 96] De stencilmachine verhuisde telkens van het ene naar het andere adres. A. Elkerbout zorgde voor het papier dat hij in een loods van het expeditiebedrijf Van Gend en Loos ophaalde. 97] J. Hermens, eigenaar van drukkerij “De Nijverheid”, leverde naast papier ook inkt. 98] Onder leiding van Nas ontstonden overal in de Mijnstreek nieuwe, kleine verspreidersgroepen en nieuwe medewerkers sloten zich bij reeds bestaande groepen aan. Niet alleen communisten maakten er deel van uit, ook jongeren en een groeiende groep van sociaal-democraten, veelal afkomstig uit de Algemene Nederlandse Mijnwerkers Bond (A.N.M.B.). 99] Vooral in plaatsen met veel mijnwerkers en een naar verhouding groot aantal socialisten en communisten zoals Heerlen, Kerkrade, Hoensbroek, Brunssum, Nieuwenhagen, Schaesberg en Ubach over Worms werd “De Vonk” veel gelezen. In Venlo verspreidden de metselaar S.H. Vallen, een kennis van Bos, en enige op het daar in aanleg zijnde vliegveld tewerkgestelde arbeiders de krant; in Roermond belastte J. Bok zich enige tijd met de distributie. 100]
Klaarblijkelijk huldigde men in de Mijnstreek, net als in Maastricht, het standpunt dat samenwerking met niet-communistische anti-nationaal-socialisten een goede zaak was. De respons vanuit de bevolking was overwegend positief. Omdat er nog maar weinig op illegaal gebied gebeurde, werd alle lectuur gericht tegen de bezetter en zijn handlangers gretig gelezen. Over het laatste zal de partijleiding wel tevreden zijn geweest, maar over de goedlopende samenwerking met politiek andersdenkenden zeker niet. De zowel in de omgeving van P. de Groot als in nationaal-socialistische kring gebezigde term “Oranje-Bolsjewiek” vond in Zuid-Limburg geen ingang. Slechts weinigen volgden gedisciplineerd de partijlijn, als ze die al kenden. Door de afwezigheid van een partij-instructeur tussen september 1940 (en eigenlijk ook al daarvoor) en augustus 1941, maar vooral onder invloed van gevluchte Duitse communisten en in de Mijnstreek woonachtige communisten van Duitse afkomst volgden de Zuidlimburgse geestverwanten, misschien intuïtief, de politieke lijn zoals verwoord door mr. A.S. de Leeuw. Derhalve ontwikkelde het communistisch verzet zich in Zuid-Limburg in de eerste oorlogsjaren harmonieuzer en veel minder geïsoleerd dan elders. Tegen de tijd dat Nas arriveerde had de partijleiding haar politiek al drastisch herzien.
De arrestatie van ongeveer vijftien communistisch en socialistisch georiënteerde oud-Spanje-strijders, begin februari 1941, en de aanhouding van ongeveer even veel personen naar aanleiding van de Februaristaking tastten de organisatie niet noemenswaardig aan. De meeste arrestanten kwamen na ongeveer een maand weer vrij.101] Op 25 juni 1941, enkele dagen na de Duitse inval in de Sovjetunie, arresteerde de Sipo meer dan tien communisten. De actie was in de voorafgaande maanden voorbereid door Nitsch. Hij had A. Engwirda naar de oostelijke Mijnstreek gestuurd. De V-man moest in Heerlen en omgeving een onderzoek instellen naar de verspreiding van communistische lectuur en de gangen van een aantal oud-Spanjestrijders nagaan. Op grond van zijn inlichtingen sloeg de Sipo toe. H.S. Senster, een mijnwerker uit Vaals, kwam eind 1944 ten gevolge van een bombardement in Duitsland om het leven. De bouwvakarbeider A.H. van Beers uit Heerlen bezweek op 31 januari 1942 in het concentratiekamp Groß-Rosen en de bij de Heidemij te werk gestelde E.F. Busch uit Hoensbroek overleed op 25 mei 1944 in het kamp Neuengamme. Een aantal arrestanten kwam in het doorgangskamp bij Schoorl terecht; het lot van sommigen is onbekend. 102]
Naast de arrestaties die het gevolg waren van vooraf georganiseerde razzia’s vielen ook enkele “De Vonk”-verspreiders door verraad of bij toeval in Duitse handen. Dat overkwam H. Keesman en W. Gerards op 12 september en in december 1941. Gerards kwam wegens gebrek aan bewijs weer spoedig vrij. 103] Ondanks deze tegenslagen bleef “De Vonk” tot eind mei 1942 regelmatig verschijnen. Jagt, Bos en Nas droegen zorg voor de uitgifte van de krant. Zij wisten zich gesteund door minstens honderd verspreiders. In verband met de diefstal van een fiets hield de politie van Schaesberg op 29 mei 1942 “De Vonk”-verspreider F.E. Scheper uit de groep van W. Gerards aan. Scheper werkte met W. van den Beemd, eveneens uit Schaesberg, sedert juli 1940 in de mijn “Adolf” in het Duitse Merkstein. Via Van den Beemd had hij Gerards leren kennen. Gerards onderhield op zijn beurt contact met verspreiders in Heerlen. De kranten ontving hij van S. Rinzema. Vooralsnog liep Scheper weinig risico. Toen de politie echter het vermoeden kreeg dat hij bij smokkel was betrokken, werd het gevaarlijk. Er ontstond een netelige situatie, omdat er een huiszoeking dreigde. Scheper zag zich genoodzaakt de gemeenteveldwachter M. Driessen in vertrouwen te nemen. Driessen wist van het bestaan van “De Vonk”. Scheper verzocht hem zijn echtgenote te vragen de nog aanwezige exemplaren van het blad te verbranden. Hij had ze onder het konijnehok verstopt. 104] De gemeenteveldwachter bevond zich in een lastig parket en stelde burgemeester K. Brouwers, een N.S.B.-er, op de hoogte. Die lichtte de Duitse instanties in. Het bewijsmateriaal kwam boven water en Scheper legde een verklaring af met fatale gevolgen. Tientallen “De Vonk”-verspreiders uit Schaesberg, Nieuwenhagen, Heerlen en Ubach over Worms werden in de loop van zaterdag 30 mei 1942 opgepakt. De gehele organisatie stortte in elkaar. Verscheidene arrestanten ondergingen buitengewoon zware verhoren en werden door Nitsch en zijn chef M. Ströbel ernstig mishandeld. De twee Sipo-beambten begrepen dat ze bij toeval een grote vis aan de haak hadden geslagen en wilden het onderste uit de kan halen. Daartoe achtten zij alle middelen gerechtvaardigd. Vrijwel de hele familie Schillings uit Nieuwenhagen en de familie Gerards moesten in Maastricht voor de Sipo verschijnen. W. Gerards ontsnapte vooralsnog aan arrestatie evenals W. van den Beemd, wiens echtgenote prompt werd aangehouden. 105]
In de loop van juni 1942 volgden nog verscheidene arrestaties in de oostelijke Mijnstreek. Weinigen bleven buiten schot. Op 19 juni viel het doek voor E.J. Vinerius, J.H. Lubben, L. Bos, diens zoon en instructeur Nas. Laatstgenoemde wist tijdens het transport naar Maastricht te ontsnappen en keerde terug naar Zuid-Holland waar hij ruim één jaar later alsnog werd gearresteerd en geëxecuteerd. Op 17 augustus 1942 hield de Sipo W. Gerards aan in Heerlerheide. Toen hij probeerde te vluchten, werd de “De Vonk”-verspreider doodgeschoten. Als laatste viel W. van den Beemd op 9 september in Duitse handen.
Tenminste twintig arrestanten verloren het leven in Duitse kampen als Neuengamme, Buchenwald en Dachau. De meesten stierven al in de loop van 1942 en 1943. Slechts een enkeling overleefde de verschrikkingen en keerde in 1945 getraumatiseerd huiswaarts. Het lot van sommigen is niet bekend. Een paar arrestanten kwamen na enige tijd weer vrij. Zij hadden weinig of niets met “De Vonk” te maken gehad. 106]
Met tevredenheid stelde de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des S.D. in Den Haag, Harster, op 14 juli 1942 in een rapport aan zijn chef in Berlijn vast dat het in de Mijnstreek stil was geworden rond de C.P.N. sedert de arrestatiegolf van mei en juni. 107] De organisatie was inderdaad volkomen vleugellam gemaakt en de interne verbindingen waren verbroken.

III. De C.P.N. gedurende de laatste bezettingsjaren

III.1. Landelijk: enige aspecten

Na de dramatische gebeurtenissen van februari en april 1943 dobberde de C.P.N. enige tijd stuurloos rond en dreigde ze zelfs uiteen te vallen in losse, zelfstandig optredende groepen. Dank zij het radiografisch contact van Goulooze met de leiding van de Komintern in Moskou kon echter weldra worden begonnen met een reorganisatie. Vanuit Moskou kreeg hij het advies een bekwame en vertrouwde kameraad voor dit werk te zoeken. Goulooze twijfelde geen moment en benaderde zijn persoonlijke vriend J. Postma, die sedert enkele maanden de functie van districtsleider van de Amsterdamse C.P.N. bekleedde en in het verleden blijk had gegeven over uitstekende organisatorische kwaliteiten te beschikken.108]
Postma was niet van het type De Groot, hij straalde meer menselijke warmte uit en als politicus was hij minder star en vasthoudend. 109] Binnen de communistische wereld deden zich in de eerste helft van 1943 een aantal ontwikkelingen voor, waarbij die laatste eigenschap goed van pas kwam. De Sovjetunie had de Duitse militaire pressie weten te weerstaan en eind januari slaagde het Rode Leger erin het zesde Duitse leger bij Stalingrad een vernietigende nederlaag toe te brengen. Ook in ander opzicht keerde het tij. Reeds in mei 1943 sijpelden de eerste berichten door over een mogelijke opheffing van de Komintern. Op 9 juni werd de organisatie inderdaad ontbonden. Stalin liet de communistische partijen evenwel niet vrij; ze moesten overal een leidende rol gaan vervullen in nieuw te vormen “nationale fronten”. Deze nieuwe, tactische opstelling maakte de weg vrij voor samenwerking met andere anti-nationaal-socialisten en anti-fascisten. Voor Nederland hield dat in dat het maatschappelijk isolement van de communisten eindelijk kon worden doorbroken. 110]
De Nederlandse bevolking had tijdens de April-Meistaking van 1943 (zie hoofdstuk VI, paragraaf II.2.3.) tot grote verbazing van de bezetter op indrukwekkende wijze blijk gegeven van haar wil tot verzet tegen een aantal nieuwe Duitse beschikkingen. Vooral de jongeren dreigden als gevolg van die maatregelen (onder andere gedwongen tewerkstelling en terugvoering in krijgsgevangenschap van de Nederlandse militairen) massaal naar Duitsland te worden afgevoerd. In dit snel veranderende klimaat begon Postma aan zijn nieuwe taak. Met W. Puister en F. Reuter vormde hij een nieuw driemanschap. Hij onderhield bovendien nauw contact met ervaren oud-kaderleden als Goulooze, C. Schalker (oud-partijsecretaris) en K. Beuzemaker (oud-partijvoorzitter). De nieuwe leiding sprak zich bij monde van Postma uit voor een verzetsstrijd met een breder maatschappelijk draagvlak. Men zocht contact met potentiële of reeds actieve illegale werkers van niet-communistische huize. Een aantal jongeren, in meerderheid afkomstig uit de socialistische Arbeiders Jeugd Centrale (A.J.C.), kwam de uitgedunde gelederen versterken. Een van Gouloozes medewerkers kwam in verbinding met het hoofd van de Raad van Verzet (R.V.V.), J. Thijssen. Kort daarna nam G. Wagenaar, een van de leiders van de Militaire Commissie, namens de communisten zitting in de R.V.V. (zie hoofdstuk IX, paragraaf I).111] Het krantenapparaat werd eveneens gereorganiseerd. Daarvoor was W. Puister verantwoordelijk. In verscheidene districten verscheen al enige tijd geen krant meer of droeg het blad een andere naam. Voortaan zouden al de bladen, aldus “De Waarheid” van 23 juli 1943, dezelfde naam moeten voeren. In de loop van 1943 kwam de krant weer regelmatiger uit en bereikte méér districten. 112]
Postma legde de veranderde politiek van de C.P.N. nogmaals vast in de in het najaar van 1943 verschenen brochure “Om Neêrlands Toekomst”. Daarin zetten protestanten, katholieken, socialisten en communisten hun visie op de naoorlogse politiek uiteen. Hoewel Postma in zijn bijdrage de communistische uitgangspunten en de betekenis van de Sovjetunie voor de C.P.N. onderstreepte, wees hij er ook op dat - gelet op de specifieke Nederlandse verhoudingen en vraagstukken - het socialisme in Nederland via een andere weg dan in de Sovjetunie moest worden gerealiseerd. Dat doel kon volgens hem op twee manieren bereikt worden. In de eerste plaats pleitte hij voor een democratisch politiek bestel waarin de multinationale concerns het niet langer voor het zeggen hadden. Daarnaast moesten socialisten en communisten samengaan in “één arbeiderspartij die in staat is werkelijk leiding te geven aan de politieke strijd van de Nederlandse werkende bevolking”. Voorts hield hij een warm pleidooi voor de totstandkoming van een eenheidsvakbeweging (E.V.B.): een overkoepelende vakbond die de belangen van alle arbeiders behartigde en niet gebonden zou zijn aan een politieke of godsdienstige richting. Met dit streven naar krachtenbundeling zette Postma de politieke koers uit waaraan de C.P.N. tot de bevrijding zou blijven vasthouden.113]
Begin november 1943 viel K. Beuzemaker bij toeval in Duitse handen en op 11 november volgden de arrestaties van Goulooze, Postma en Schalker. De oud-kaderleden Beuzemaker en Schalker wisten weinig van de illegale partijorganisatie en waren van weinig nut voor de Sipo. Ze werden in de strafgevangenis te Scheveningen opgesloten en op 13 januari 1944 geëxecuteerd. Postma, die niets losliet, trof hetzelfde lot op 25 juli 1944. Alleen Goulooze, die naar Duitse kampen werd gedeporteerd, overleefde de oorlog. Opnieuw had de C.P.N. een belangrijk deel van haar leiding verloren. J. Brandenburg begon behoedzaam met de vorming van een nieuwe partijtop, die ditmaal meer dan drie personen telde, namelijk F. Reuter, W. Puister, G. Wagenaar, B. Gilliéron en F. Baruch. De oud “De Tribune”-redacteur A. Koejemans werd de nieuwe hoofdredacteur van “De Waarheid”. Onder zijn leiding maakte de krant een spectaculaire groei door. De oplage steeg van enkele duizenden in de zomer van 1943 tot ruim honderdduizend aan de vooravond van de bevrijding. 114]
De nieuwe C.P.N.-leiding bleef de politieke koers, zoals uitgestippeld door Postma, trouw. Zo schreef “De Waarheid” op 31 maart 1944: “De communistische partij heeft zich bereid verklaard haar partij op te heffen en op te gaan in een eenheidsarbeiderspartij met een duidelijk uitgesproken socialistisch karakter, niet echter in een algemene volkspartij”. 115] Op sociaal-economisch terrein bestond minder eenstemmigheid. Zowel Wagenaar als Reuter toonden zich vooralsnog géén voorstander van de eenheidsvakbond. Beide waren van mening dat de beoogde eenheid via het N.V.V. de meeste kans van slagen had. Brandenburg en zijn medestanders waren wel voor een eenheidsvakbond en beslisten de discussie in hun voordeel. 116] In Zuid-Limburg had partij-instructeur W. van Exter inmiddels bewezen dat een dergelijk streven een goede kans van slagen had. Een apart driemanschap werd met de voorbereiding belast. Bovendien haalde de partijleiding de succesvolle Van Exter in de vroege zomer van 1944 terug uit Zuid-Limburg om hem overal in het land als E.V.B.-propagandist in te zetten. Begin september keerde Van Exter terug naar de Mijnstreek... 117]

III.2. Zuid-Limburg

Door de catastrofe van mei 1942 raakte de organisatie volledig in het ongerede. Het contact met de landelijke leiding ging met het wegvallen van Nas verloren. Slechts enkele van de rechtstreeks betrokkenen ontsprongen de dans. Sommigen van hen bleven illegaal doorwerken en verspreidden verzetsbladen zoals “Het Parool”. Misschien stencilde D. Jagt in de zomer van 1942 nog enkele pamfletten, maar niet in een grote oplage. Bijna alle verspreiders waren gearresteerd. Niet alle communisten en sympathisanten waren echter opgepakt. Omstreeks november 1942 trachtte J. Dijkstra uit Heerlen het contact met de landelijke leiding te herstellen. Hij reisde naar Amsterdam en bezocht daar de echtgenote van de gevangen genomen A. Potze, mevrouw H.M.C. Potze-Zoet. Dijkstra vroeg haar mede op aandringen van W. Warrink uit Heerlen organisatorische en materiële bijstand om zowel partij als krant in Zuid-Limburg nieuw leven in te blazen. 118]
Mevrouw Potze, die sedert de detentie van haar echtgenoot steun ontving via het Sol(idariteits)-fonds van de C.P.N., bracht Dijkstra in verbinding met de Sol-medewerker W. van Exter. Deze 37-jarige metaalbewerker uit Amsterdam was al op jonge leeftijd politiek actief geworden, aanvankelijk in de syndicalistische, naderhand in de communistische beweging. 119] Hij was enige tijd als journalist verbonden aan “Het Volksdagblad” en maakte deel uit van de redactie van “Eendracht Maakt Macht”, een in Amsterdam verschijnend periodiek voor werklozen. Vanaf mei 1940 hield Van Exter na overleg met ir. A. Struik te Amsterdam zich bezig met het Sol-fonds. Kort na de Februaristaking dook hij onder toen bleek dat een apotheker die hem had geholpen na zijn arrestatie was “doorgeslagen”. Zijn werk voor het Sol-fonds zette hij echter voort. 120]
De Mijnstreek was voor Van Exter geen onbekend gebied. Al in de jaren dertig had hij er gewerkt als functionaris van de Roode Vakverenigingen Oppositie (R.V.O.) en was betrokken geraakt bij de uitgave van het R.V.O.-orgaan “De Mijnlamp”.121]
Via mevrouw Potze kwam Dijkstra dus in contact met een doorgewinterde politieke activist die er bovendien veel voor voelde zijn werkterrein - opnieuw - naar Zuid-Limburg te verleggen. Van Exter wenste vooraf echter enige zekerheid: de partijleiding moest er haar goedkeuring aan hechten en in Limburg zou eerst een basis moeten worden gelegd van waaruit hij een nieuwe organisatie kon opbouwen. Hij vroeg Dijkstra tenminste tien medewerkers te zoeken die met de eerdere illegale partijorganisatie niets te maken hadden gehad. De veiligheid moest na de rampzalige gebeurtenissen voorop staan. 122] De partijleiding adviseerde negatief. Men achtte het vanwege de talrijke arrestaties niet langer verantwoord nog enige activiteit in Zuid-Limburg te ontplooien. Bovendien wilde de leiding degenen die nog vrij rondliepen niet opnieuw in gevaar brengen. 123] Een paar maanden later bezocht Dijkstra Van Exter opnieuw en meldde dat het hem was gelukt de nieuwe medewerkers aan te werven. Na de voor- en nadelen te hebben overwogen besloot Van Exter tegen het advies van de leiding in tòch naar Zuid-Limburg te vertrekken en wel naar het vooraf doorgegeven aanloopadres van D. Jagt in Brunssum. Jagt introduceerde Van Exter bij de nieuwkomers. De ongeveer vijftien personen stonden niet als communist bekend. Sommigen waren lid geweest van de S.D.A.P., anderen hadden met de C.P.N. gesympathiseerd of waren er in het geheim lid van geweest. Onder de nieuwe medewerkers bevonden zich enkele enthousiaste jongeren.
Op één na werkten ze allemaal in de mijnen. Na enkele oriënterende gesprekken stelde Van Exter vast dat de verzetsgeest geenszins was gedoofd. Ook sprak hij met enkele vooraanstaande communisten in de Mijnstreek zoals H. van Brink, H. Groesz, A. Kievit, J. Dromers, H. van Oyen, Koekoek en N. Nijholt. Uit die besprekingen kwam naar voren dat men het wenselijk vond opnieuw een verzetsblad uit geven. Het blad zou zich in hoofdzaak moeten richten op de mijnwerkers en hun belangen. Als naam werd daarom gekozen voor de aloude mijnwerkersgroet “Glück Auf!”. Bovendien liepen vroegere medewerkers van “De Vonk” minder risico door deze naamswijziging. De nieuwe krant kreeg als ondertitel “Orgaan voor Vrijheidsstrijders in Zuid-Limburg”. 124] Gedurende de maanden februari en maart 1943 werd hard gewerkt aan de voorbereiding van het nieuwe blad. Papier kreeg men via het expeditiebedrijf van Van Gend en Loos. Verscheidene technische faciliteiten waren nog voorhanden. Nijholt beschikte over een schrijfmachine en typte de kopij uit. Jagt verzorgde de technische uitvoering. Eind maart 1943 was het zover en verscheen het eerste nummer van “Glück Auf!” in een oplage van ongeveer 350 stuks. Het was de bedoeling dat het blad voortaan één keer per drie weken zou uitkomen. De oplage steeg weldra tot 1.000 exemplaren per editie. 125]
De snel aan populariteit winnende krant riep de mijnwerkers op tot verzet en sabotage. Allerlei vormen waren mogelijk, zoals het laten verdwijnen van onderdelen van de zogeheten afbouwhamers waardoor de werkzaamheden in de pijlers stagneerden en het inkerven van transportbanden waardoor ze scheurden. Ook spoorde “Glück Auf!” aan de produktie te verlagen door “langzaamaan”-acties te houden en zich ziek te melden. Vanzelfsprekend nam de krant ook artikelen uit “De Waarheid” over. 126]
Bij zijn komst in Zuid-Limburg stelde Van Exter vast dat er een goede samenwerking bestond met politiek andersdenkenden. Tot zijn tevredenheid werd dat voortaan ook het credo van de eigen partij: zowel op politiek als op sociaal-economisch gebied. In toenemende mate verschenen in “Glück Auf!” naast artikelen waarin materiële eisen werden gesteld uitvoerige beschouwingen over de toekomst van de vakbeweging, in het bijzonder over de eenheid binnen de vakbeweging. Voorts besteedde het blad veel aandacht aan de brochure “Om Neêrlands Toekomst”. De eenheidsgedachte sloeg aan in de Mijnstreek. Van Exter wist contact te leggen met S.D.A.P.-ers en voormannen uit de voormalige vakbonden, onder anderen met M. Oosthoek, bestuurslid van de Protestants-Christelijke Mijnwerkers Bond. Veel steun ondervond hij daarbij van zijn in Nieuwenhagen ondergedoken geestverwant A. Nagtegaal. Via Zutphen, waar Nagtegaal vóór zijn onderduiken nauw betrokken was geweest bij de illegale partijopbouw, bereikte “De Waarheid” uit Deventer Zuid-Limburg. Het blad werd vooral in de oostelijke Mijnstreek verspreid. Kort tevoren had B. Gilliéron Van Exter er al op attent gemaakt dat Nagtegaal in zijn district was ondergedoken en het misschien nuttig zou zijn hem erbij te betrekken. Aldus geschiedde, ook al omdat Van Exter vaak elders in het land actief was en doorgaans slechts enkele dagen per maand in Zuid-Limburg verbleef. 127]
Van Exter onderhield ook contact met andere illegale organisaties. De dialoog met de O.D. in de Mijnstreek verliep moeizaam en stroef. De besprekingen gingen vooral over het voorkomen van eventuele plunderingen en vernietiging van de mijninstallaties bij een Duitse aftocht. Veel leverde dat overleg niet op. Aanzienlijk soepeler verliep het contact met de L.O. in Maastricht. Van deze organisatie maakte namelijk een aantal politiek-links georiënteerde personen deel uit. Vooral met de sociaal-democraten J. Lamberts, leraar aan de Gemeentelijke H.B.S., en N. van Haaren kon goed worden samengewerkt.128]
Via de woning van H. Groesz in Treebeek, waar Van Exter verbleef als hij in Limburg was en waar de kopij voor “Glück Auf!” af en toe werd getypt, bereikten de stencils Jagt in Brunssum. Nieuwe verspreiders meldden zich aan - tenslotte waren omstreeks 200 personen bij de verspreiding betrokken - waardoor het aantal lezers toenam. In de zomer van 1943 liet Postma via Schalker weten dat de namen van alle regionale edities veranderd moesten worden in “De Waarheid”. Postma kreeg het laconieke antwoord dat aan zijn verzoek gehoor zou worden gegeven zodra zich een geschikte gelegenheid voordeed. Een andere aangelegenheid wachtte ook nog steeds op een bevredigende oplossing. Van Exter had immers zonder toestemming van de partijleiding een nieuwe organisatie in Zuid-Limburg op poten gezet. Mede gelet op het succes van de instructeur kon Postma weinig anders doen dan diens inbreuk op de partijdiscipline alsnog billijken. 129]
De organisatie rond “Glück Auf!” kreeg met enige tegenslag te maken. Eind augustus/begin september 1943 vroeg Van Exter Jagt de stencilmachine uit veiligheidsoverwegingen op een ander adres onder te brengen. De woning van medewerker P. van Heesch leek wel geschikt. Verschillende keren stencilden Van Exter en Jagt er de krant, maar ze bemerkten dat het huwelijk van Van Heesch niet al te best was. Om onnodige risico’s te vermijden verplaatsten ze de stencilmachine naar de woning van H. van Brink in Brunssum. Op 20 oktober 1943 werd Van Heesch aangehouden, nadat zijn echtgenote hem na een echtelijke ruzie had aangegeven. Twee dagen later werd ook Jagt gearresteerd. Op 13 juni 1944 bezweek Van Heesch in een tuchthuis in Groß-Strelitz (Opper Silezië) aan totale uitputting ten gevolge van een ernstige nierontsteking. Ondanks zware mishandelingen door de Sipo-beambte Nitsch liet Jagt niets los. Hij werd via Utrecht naar Duitsland gedeporteerd, waar hij in verscheidene kampen verbleef. Op 21 januari 1945 slaagde Jagt erin te ontsnappen en een week later bereikte hij de Russische troepen. 130]
Het stencilapparaat belandde tenslotte in de boerderij van S. Beyer, Oostenrijker van origine, in het gehucht Wintraak tussen Munstergeleen en Doenrade. 131] Nog steeds heette de Zuidlimburgse editie “Glück Auf!”. De naam veranderde pas na de executie van Schalker en Beuzemaker op 13 januari 1944 in “De Waarheid - Editie voor de Mijnstreek”. De inhoud werd algemener van aard en richtte zich minder rechtstreeks tot de mijnwerkers. “De Waarheid” uit Zuid-Limburg werd ook in Maastricht - door M. Schwiebert - en Noord- en Midden-Limburg verspreid en dank zij A. Schoonbeek, die bij Nijholt was ondergedoken, in Eindhoven. Na een interne discussie werd besloten de rond “Glück Auf!” ontstane verspreidersgroepen in het landelijk C.P.N.-apparaat in te voegen. 132] Aan een lange periode van relatieve zelfstandigheid kwam nu definitief een einde.
“De Waarheid” besteedde gedurende de eerste helft van 1944 opvallend veel aandacht aan een toekomstige socialistische eenheidspartij. Het meeste succes oogsten Van Exter c.s. evenwel met hun propaganda voor een eenheidsvakbond. Nu dit streven enigszins op de achtergrond dreigde te raken, besloten de Zuidlimburgse communisten opnieuw - naast “De Waarheid” - een specifiek op de mijnwerkers gericht illegaal blad uit te gaan geven. De in brede kring gegroeide sympathie voor hun vakbondsideaal mocht niet verloren gaan. Omstreeks januari 1944 verscheen de eerste editie van kHet Propagandablad voor De Vakbond in het Mijnbedrijf” of kortweg “De Vakbond”. Het blad werd geredigeerd door Van Exter en alleen in de Mijnstreek verspreid. De nieuwe krant, populair bij mijnwerkers en oud-vakbondsbestuurders, zorgde voor heel wat gespreksstof, met name over de sociaal-economische herinrichting van het naoorlogse Nederland. Op 5 augustus 1944 verscheen in “De Vakbond” een artikel over de “Vakbond in nieuwe stijl”, die werd omschreven als “één vakbond voor de gehele mijnindustrie; een bond waarin voor alle werkers in het mijnbedrijf plaats zal zijn; één bond die door zijn optreden de belangen van alle mijnwerkers behartigen kan en behartigen zal”. 133]
Dank zij de door hun uitgegeven illegale bladen, hun van meet af aan principiële opstelling jegens de bezetter en de constructieve discussiebijdrage aan de toekomst van de vakorganisatie, wonnen de communisten in Zuid-Limburg aan prestige. Dat was mede te danken aan de kwaliteiten en het tactisch inzicht van partij-instructeur Van Exter. Hij voelde goed aan hoe de in brede kring levende gevoelens en opinies te vertolken. Zijn succes bleef niet onopgemerkt bij de partijleiding. Na overleg met Brandenburg werd Van Exter in de vroege zomer van 1944 belast met de landelijke propaganda voor de eenheidsvakbeweging. “De Waarheid” ondersteunde hem waar mogelijk en plaatste oproepen en beschouwende artikelen. Begin september 1944 keerde Van Exter in verband met de onzekere militaire situatie naar Zuid-Limburg terug en nam er de leiding van de C.P.N. op zich. 134]
Na de bevrijding kregen de communisten, na een ogenschijnlijk goede start, een opeenstapeling van teleurstellingen te verwerken. De socialisten, met wie gedurende de bezetting zo goed was samengewerkt, gaven er de voorkeur aan geen overhaaste beslissingen te nemen en de directieven van de leidsmannen in het nog bezette deel van Nederland af te wachten. Contacten met de sociaal-democratische voorman K. van Lienden in Eindhoven leverden geen tastbare resultaten op. 135] De komst van het Militair Gezag (M.G.) luidde voor Van Exter een situatie in die hij als keen nieuwe bezetting” omschreef. Hij stak die opvatting niet onder stoelen of banken, met als mogelijk gevolg dat het M.G. de papiertoewijzing aan de inmiddels legale “De Waarheid” daarom beperkte. Slechts ten koste van veel inspanning vond men uiteindelijk een Maastrichtse drukkerij, Leiter-Nypels, bereid de krant te drukken. 136]
Ondanks de tegenwerking die de communisten ondervonden, was de belangstelling voor de spreekbeurten van vooral Van Exter groot. Er bestond kennelijk veel behoefte aan klare taal en daarin was Van Exter een meester: hij gaf uiting aan de talrijke ongenoegens die er leefden. Menige misstand werd gehekeld, zoals het interneren van onschuldig Duits mijnpersoneel en het niet vervolgen van uitgesproken collaborateurs. 137] Door zijn agitatie maakte Van Exter veel vijanden, temeer omdat hij communist was. Uiteindelijk zou hem dat, bij het uitspelen van zijn belangrijkste troef, opbreken.
Op 30 september 1944, Zuid-Limburg was kort tevoren bevrijd, werd in Heerlen de Algemene Bond van Werkers in het Mijnbedrijf (A.B.W.M.) opgericht onder voorzitterschap van Van Exter. Bezwaren van katholieke zijde tegen zijn persoon - hij was nòch katholiek nòch mijnwerker - leidden ertoe dat hij het voorzitterschap, mede uit tactische overwegingen, spoedig overdroeg aan de katholiek W. Hamers. De leiding spande zich tot het uiterste in de A.B.W.M. onafhankelijk te houden ten opzichte van de politieke en confessionele stromingen. Het vakbondswerk - het behartigen van de belangen van het mijnpersoneel - stond voorop. Dat bezorgde de bond een toeloop van duizenden leden. Begin 1945 telde de A.B.W.M. er circa 7.500. In juli 1945 was dat aantal gestegen tot ruim 11.000. Daarmee was de A.B.W.M. groter dan de drie vooroorlogse, inmiddels heropgerichte bonden samen. Wat nauwelijks uit kon blijven, gebeurde. Steeds vaker raakte de jonge vakbond betrokken bij stakingsacties en uiteenlopende (arbeids)conflicten. Dat veroorzaakte een groeiende onrust bij het Militair Gezag en bij de op hun oude posities teruggekeerde bestuurders. Zij wensten in de eerste plaats rust en orde. Bleef het optreden tegen de “onruststokers” in de tweede helft van november 1944 nog beperkt tot een verschijningsverbod van twee weken voor “De Waarheid”, in maart 1945 greep het Militair Gezag in en brak een op de mijnen Laura en Wilhelmina uitgebroken staking. 138]
Zoals gezegd deden de oude vakbonden weldra opnieuw hun intrede: de R.K. Mijnwerkersbond werd op 13 november 1944 heropgericht. Hoewel de A.B.W.M. een belangrijke stem behield, dreigde het ideaal van Van Exter c.s. op een mislukking uit te lopen. De communisten werden na verloop van tijd uit de belangrijkste posities verdrongen. 139] Waarschijnlijk hadden ze hun eigen mogelijkheden overschat. Bovendien raakte Van Exter in de loop van 1945 in conflict met de op zijn oude post teruggekeerde P. de Groot. In de zomer besliste laatstgenoemde de interne strijd op het nippertje in zijn voordeel waarna de strijdbare oud-instructeur in een betrekkelijke anonimiteit verdween. 140]

IV. Nabeschouwing

Enigszins bedreven in ondergrondse activiteiten door de hulp aan Duitse vluchtelingen in de jaren dertig begonnen de Zuidlimburgse communisten meteen na de Duitse inval met de opbouw van een illegale partijorganisatie. Daarbij ondervonden ze steun van in Limburg ondergedoken Duitse geestverwanten die tevens richting gaven aan het karakter ervan. Terwijl de landelijke C.P.N. onder P. de Groot het eigen isolement slechts vergrootte door te kiezen voor een nogal neutrale opstelling jegens de bezetter, zochten de Zuidlimburgse communisten juist naar een doorbreking van dat isolement. Voor hen stond van meet af aan vast wie de ware agressor was. De door de partijleiding naar de Mijnstreek gezonden instructeurs konden deze afwijkende ontwikkeling geen halt toeroepen. Bovendien vielen ze na korte tijd in Duitse handen. Hierdoor liep de in Limburg gevolgde lijn in feite vooruit op de landelijke.
Zowel de landelijke als de provinciale partij- en krantenorganisatie liepen in 1942 en 1943 zware klappen op. Van de twee Limburgse kernen in Maastricht en de Mijnstreek bleef vrijwel niets over. Desondanks lukte het met steun van de ervaren W. van Exter in de loop van 1943 een nieuwe organisatie op poten te zetten. Dank zij J. Postma ging de landelijke C.P.N. een koers varen die goed aansloot bij de Limburgse. Het accent verschoof naar samenwerking met andersdenkenden; in Limburg onder invloed van Van Exter naar propaganda voor een eenheidsvakbeweging. Dat laatste werd een groot succes, zo groot zelfs dat de landelijke leiding Van Exter in 1944 terugriep om de idee van een eenheidsvakbond ook elders in het land te propageren.
De geslaagde doorbreking van het isolement, het streven naar samenwerking, de oprichting van een toekomstige eenheidsvakbond en een principiële houding ten opzichte van het nationaal-socialisme gekoppeld aan een verzetshouding die tot uitdrukking kwam in de vervaardiging en verspreiding van illegale bladen, hulp aan onderduikers en sabotage in de mijnen, bezorgden de Limburgse communisten een snel groeiende populariteit. Het grote offer aan mensenlevens voegde daar nog een extra dimensie aan toe. Het toegenomen prestige en de stijgende populariteit kwamen misschien het duidelijkst tot uiting in de grote toeloop van leden naar de direct na de bevrijding opgerichte A.B.W.M. Dit aanvankelijk succes werd echter gaandeweg teniet gedaan doordat de nieuwe bond de arbeidsrust ondermijnde en onder aanvoering van Van Exter de op hun post terugkerende bestuurders herhaaldelijk in de wielen reed. Terwijl het katholiek establishment matiging, orde en rust nastreefde, deden de communisten welhaast het tegengestelde. Zij werkten onverdroten door aan de realisering van hun ideaal: de vestiging van een socialistische maatschappij. Tegen de krachten die ze daarbij op hun weg vonden waren ze, niettegenstaande het toegenomen prestige, echter niet opgewassen.

Bijlage VIII. Arrestatie communisten en radicale socialisten 1940-1945

1940
DatumPlaatsPersoonRedenLot
12 meiMaastricht1. Sonneville, A.waarschijnlijk spionage (Franse Volksfrontregering)27-03-1941 vrijgelaten
begin juniMaastricht1. Kroll, A.idemwaarschijnlijk na enige tijd vrijgelaten
2. Kroll, G.C.idemidem
In totaal elf personen gearresteerd
20 septemberVaals1. Bertrand, P.op last van Sipo-Akenjuli 1943 vrijgelaten
24 septemberKerkrade1. Vos, Jop last van Sipo-Akenidem (wsch. Vluchtelingenhulp in jaren dertig)
2. Willems, J.H.idemidem
3. van der Weide, M.idemidem
4 Beukman, J.idemidem
5. Duister, J.H.idemidem
6. Offermans, K.J.idemidem
wellicht meer personen
Brunssum1. Reck, J.idem (bekendheid?)veroordeeld tot gevangenisstraf in Duitsland
2. Kievit, A.idem± 30-06-1941 vrijgelaten
3. Kievit-Poede, G.idem30-06-1941 vrijgelaten
4. Prohaszka, K.idem26-03-1942 vrijgelaten
wellicht meer personen
Heerlen1. van Roest, W.idem op last van Kommissar Hübner, Aken29-03-1945 vrij
2. Schumacher, O.idemna oorlog vrij
3. Zanders, Thidem20-10-1941 vrijgelaten
4. Zanders, M.idem29-11-1941 vrijgelaten
5. Potze, A.idemna oorlog vrij
jaren dertig: Heerlen; nadien Amsterdam
6. Garritzen, H.idemjuli 1941 vrijgelaten
herhaaldelijk gearresteerd en vrijgelaten: laatste keer gearresteerd op 19-08-1944
7. Keesman, H.idemwaarschijnlijk spoedig vrijgelaten
8. Schramidemidem
in totaal 24 personen gearresteerd
22 oktoberHeerlen1. Warrink, W.als communist bekendmaart 1942 vrijgelaten
12 decemberHeerlen1. Overeem A Jidem (als gevolg van september arrestaties)31-05-1941 vrijgelaten
SchaesbergKonsten, W.J.idemapril 1942 vrijgelaten
decemberMaastricht1. Heuts, Ch.op last van Sipo-Akendatum vrijlating onbekend
2. Hendriks, J.H.idemidem
3. van den Bosch, Aidemidem
8 decemberMaastricht1. Kraft, L.idem18-02-1941 vrijgelaten
2. Severijns, H.niet bekendniet bekend
1941
DatumPlaatsPersoonRedenLot
24 januariKerkrade1. Koehof, F.op last van Sipo-Aken (wsch. i.v.m. vluchtelingenhulp in jaren dertig)12-08-1941 vrijgelaten
2. Habets, M.H.idem12-08-1941 vrijgelaten
februariMaastricht1. Engwirda, A.op last van B.dS.-Den Haag: opdracht tot arrestatie Spanjestrijders. ingezet als V-manjuli 1941 vrijeIaten
4 februariHoensbroek1. Bakker, J.waarschijnlijk Spanjestrijder (SDAP)14-06-1941 vrijgelaten
2. Drost, Th.idem (aangifte door Z. van den Berg)14-06-1941 vrijgelaten
5 februariHoensbroek1. Busch, E.F.idem14-06-1941 vrijgelaten
9 februariHoensbroek1. Smid, mej H.waarschijnlijk i.v.m. verspreiding “De Vonk”spoedig vrijgelaten n.a.v. Constatering tuberculose; overleden 15-10-1944
10 februariHoensbroek1. Hesse-Beverwijk, mevrouw R.waarschijnlijk i.v.m. verspreiding “De Vonk” (SDAP)14-06-1941 vrijgelaten
12 februariHoensbroek1. Cörvers, J.H.waarschijnlijk Spanjestrijder (aangifte door Z. van den Berg)kort nadien vrijgctaten strijder (aangifte door
2. van Dalen, H.idem?kort nadien vrijgelaten
3. Smeets, H.Spanjestrijder (SDAP)kort nadien vrijgelatcn
4. Gyenes, V.idemkort nadien vrijgelaten
5. Bracic, L.idemkort nadien vrijgelaten (omstreeks augustus 1941)
Roermond1. Bok, J.onbekendonbekend
Heerlen1. Bouman, W.op last van Sipo-Maastrichteind september 1941 vrijgelaten
2. Engberts, C.idemonbekend
3. van Delft, J.idemonbekend
Kerkrade1. Stevens, W.onbekendonbekend
13 februariHeerlen1. Kasemier, E.A.R.op last van Sipo-Aken (hulp vluchtelingen jaren dertig)09-04-1941 vrijgelaten
28 februariMaastricht1. Bos, A.op last van BdS Den Haag n.a.v. Februaristakingonbekend
2. Kraft, L.idemwaarschijnlijk 28 maart 1941 vrijgelaten
3. Heuts, Ch.idemidem
4. Baartscheer, J.J.idemidem
5. Holty, B.Th.A.idemidem
Tegelen1. N.N.idemidem
2. N. N.idemidem
Heerlen1. van Beers, A.H.idemidem
2. Hardorf, N.idemidem
3. Clevis (of Clever). B.idemidem
4. Wils, J.F.idemidem
5. Vos, F.idemidem
6. Warrink, H. (zoon W. Warrink)idemidem
7. Rutgens, J.G.idemidem
1 maartHoensbroek1. Braam, L. (Wellicht is Bracic bedoeld)idemidem
2. Smeets, H.idemidem
3. Geenen, V. (Wellicht is Gyenes bedoeld)idemidem
1 maartNieuwenhagen1. Kuypers, J.idemidem
Heerlen1. Gerards, W.idemidem
Brunssum1. Faber, J.idemidem
2. N.N.idemidem
24 juniVenlo1. Vallen, S.H.Duitsland in oorlog met Sowjet-Unie sedert 22 juni: arrestaties onder communistenoverleden Neuengamme 02-05-1943
2. van Niekerken, A.H.idemonbekend
25 juniHeerlen1. Warrink, H.idem (mogelijk speelde Engwirda hierbij een rol)vast tot bevrijding
25 juniHeerlen1. Warrink, H.idem (mogelijk speelde Engwirda hierbij een rol)vast tot bevrijding
2. Clever, B.idemonbekend
3. Beers, A.H. vanidemoverleden Großrosen 31-01-1942
Eygelshoven1. Huisman, J.idemonbekend
Tegelen1. Sybers, P.J.idemonbekend
Hoensbroek1. Busch, E.F.idemoverleden Neuengamme 25-05-1944
Maastricht1. Bos, A.idemkamp Schoorl, lot onbekend
2. Holty, B.Th.A.idemidem
3. Kraft, L.idemoverleden Neuengamme 22-06-1942
Vaals1. Hermans, J.H.idemkamp Vught, tot onbekend
2. Senster, H.S.idemin Duits concentratiekamp; eind 1944 omgekomen bij bombardement
Kerkrade1. Göbbels, J.G.idemonbekend
2. Brouwer, Th.idemonbekend
Spekholzerheide1. Kleinpaste, C.idemonbekend
12 septemberHeerlen1. Keesman, U.onbekendonbekend
novemberMaastrichtpoging tot arrestatie van kunstschilder J.C. van Hontem mislukt i.v.m. bombardement van de wijk 'Blauwdorp"
einde jaarHeerlen1. Gerards, W.aangifte door echtgenotevrijgelaten wegens gebrek aan bewijs
1942
DatumPlaatsPersoonRedenLot
13 januariMaastricht1. Engwirda, A.op last van Sipo-Arnhem (rol V-man Broers)op last van Sipo-Maastricht spoedig vrijgelaten
2. van der Gronden, G.J.idemoverleden Neuengamme 05-12-1942
Heerlen1. Barelds, J.onbekendwaarschijnlijk vast tot bevrijding
2. Dost, M.idemspoedig vrijgelaten
24 januariMaastricht1. Hack, W.G.J.verspreiding “De Vonk”13-01-1943 vrijgelaten
2. Fransen, M.H.idemvast tot bevrijding
3. Hoppers, M.H.idemspoedig vrijgelaten
4. Soesman, G.L.R.idemoverleden Auschwitz 21-01-1945
poging arrestatie Boosten, G.P.A.M. mislukt
10 aprilMaastricht1. Cobben, F.idemonbekend
29 meiSchaesberg1. Scheper, F.E.idemonbekend
30 meiSchaesberg1. Tholen, H.idemoverleden Neuengamme 14-11-1942
2. van de Wetering, M.idemoverleden Neuengamme 14-11-1942
3. Koenders, A.idemoverleden Neuengamme 30-04-1943
4. Maertzdorf, G.idem09-06-1942 vrijgelaten
5. Balter, H.H.idemoverleden Gröditz 12-04-1945
6. van de Beemd-Hissinkidem04-06-1942 vrijgelaten
30 meiNieuwenhagen1. Rombouts, C.idemoverleden Buchenwald 2 of 9-12-1942
2. Tersteeg, J.A.idemoverleden Neuengamme 21-01-1943
3. Tromp, F.idem04-06-1942 vrijgelaten
4. Veldhoven, J.Th.idemoverleden Neuengamme 06-11-1942
5. Schillings, C.J. (zoon van J.P. Schillings)idemspoedig vrijgelaten, opnieuw gearresteerd 04-06-1942
6. Schillings, J.P.idem05-06-1942 vrijgelaten
7. Gotjé, B.Th.idemoverleden Neuengamme 05-11-1942
30 meiUbach over Worms1. Brinkman, J.idemoverleden Dachau 20-02-1945
2. Benedict, N.idemoverleden Natzweiler 11-07-1944
3. Snippe, D.idemoverleden Buchenwald 05-04-1943
Heerlen1. Kasernier, E.A.P.idemvast tot bevrijding
2. Vos, F.idem04-06-1942 vrijgelaten
3. Rinzema, S.idemoverleden na bevrijding t.g.v. verblijf in concentratiekampen
4. Heidstra, J.idemonbekend, waarschijnlijk spoedig vrijgelaten
5. Dost, M.idemoverleden Neuengamme 22-11-1942
begin juni (wsch. 6)Heerlen1. Gerards, J.L.zoon W. Gerards, voortvluchtigmedio juni 1942 vrijgelaten
2. Gerards, Jbroer W. Gerards, voortvluchtigidem
3. Gerards, H.idemin concentratiekamp Amersfoort tot 20-08-1942
4. Gerards, N.medio juni 1942 vrijgelaten
4 juni5. Mulders, J.J.verspreiding “De Vonk”onbekend
6. Koenders, J.B.idemidem
19 juni7. Garritzen, H.onbekend01-07-1942 vrijgelaten
4 juniNieuwenhagen1. Schillings, J.J.verspreiding “De Vonk”overleden Neuengamme 14-12-1942
2. Schillings, H.P.idemoverleden Neuengamme 07-11-1942
3. Schillings, C.J.idemonbekend
31 meiUbach over Worms1. Kroll, J.idemoverleden Neuengamme 31-12-1942
2. Jongen, H.idemoverleden Boisdorf/Bremen 25-03-1943
Nieuwenhagen3. Fröhlings, H.idemtot bevrijding in Duitse kampen
10 juniUbach over Worms1. Jansen, G.idemoverleden Neuengamme 19-03-1943
2. Mulder, E.idemin Duitse kampen tot bevrjding
19 juniHeerlen1. Vinerius, E.J.idemoverleden Neuengamme 37-11-1942
25 juni2. Lubben, J.H.idemoverleden Neuengamme januari 1945
19 juniBrunssum1. Bos, L. (vader)communistische gezindheidoverleden Buchenwald 06-04-1943
2. Bos, H. (zoon)idemspoedig vrijgelaten
26 juni3. Nas, J.ontsnapt aan zijn bewakers J. Gouman en J. Weekhoutlater alsnog gearresteerd, overleden 23-09-1943
25 juniMaastricht1. Frenkel, mej. E.1 jaar na begin operatie "Barbarossa" (Engwirda speelde bij haar arrestatie alsook bij die van de hierna te noemen personen een rol)onbekend / waarschijnlijk spoedig vrijgelaten
2. Ortmans, A.H.idemidem
3. Sonneville, A.idemoverleden Dachau 18-02-1945
4. Narinx, J.W.H.idemoverleden Neuengamme 07-01-1943
5. Hendriks, P.idemonbekend/waarschijnlijk spoedig vrijgelaten
6. Aussems, P.idemidem
7. Bok, J.A.idemidem
8. Plaisier, P.idemidem
9. Bol, S.idemidem
10. van Dam. Th.idemidem
11. Coomans, H.J.A.M.idemidem
12. Joha, J.M.idemidem
13. Molenaar, E.T.C.idemidem
14. Swinkels, A.J.H.idemidem
15. Olivier, J.M.idemidem
16. Jongen, J.idemidem
17. Langeweg, S.idemidem
18. Allema, F.idemidem
19. Visser, J.H.P.idemidem
20. van Dam, W.J.idemidem
21. Boosten, F.P.P.M.idemidem
22. Steyns, J.H.R.idemidem
23. Hofman, J.A.idemidem
24. Bergers, L.idemidem
25. Verheyden, L.Th.idemidem
26. van der Vliet, F.H.idemidem
27. Cobben, F.idemtot bevrijding in kamp
N.B. De arrestatiegolf werd mede mogelijk na de vondst van een namenlijst bij een huiszoeking bij G.P.A.M. Boosten
juli.Maastricht1. Schwiebert, M.“De Vonk”?spoedig vrijgelaten
17 augustusSchaesberg1. van den Beemd, W.verspreiding “De Vonk” in kamp tot bevrijding (mogelijk vervolg arrestaties mei 1942, later, op 09-09-1942, gearresteerd)
Heerlen1. Gerards, W.idemdoodgeschoten bij ontsnappingspoging 17-08-1942
15 septemberMaastricht1 Hendriks. J.H.vervolg juni-arrestaties (lijst Boosten/rol Engwirda)overleden Vught 27-01-1943
2. von Hoorn, A. 3, Baartscheer, J.J.idem18-11-1943 vrijgelaten
4. Boosten, F.P.P.M.idem18-11-1943 vrijgelaten
5. Engers, H.idem18-11-1943 vrijgelaten (bloeddonor Duitse soldaten)
6. Heuts, Ch.idemoverleden Vught 24-02-1943
7. Verheyden, L.Th.idemonbekend
8. Jongen, J.idemonbekend
9. Kroll, G.C.idemonbekend
1943
DatumPlaatsPersoonRedenLot
3 juniMaastricht1. Schwiebert, M.n.a.v. arrestaties te Amsterdam: C. Aarnouts / mej. van den Broek (óók rol Engwirda)07-06-1943 vrijgelaten
2. Schwiebert-Penders, A.M.idem07-06-1943 vrijgelaten
3. Margoli, J.A.idemin Duitse kampen tot 23-04-1945
4. mevr. Margoli-Bleize, J.idemonbekend (waarschijnlijk vrijgelaten 07-06-1943)
20 oktoberTreebeek1. van Heesch, P.J.verraad echtgenote (Van Heesch was stencilcontact Jagt)overleden Groß-Strelitz 28-06-1944
22 oktoberBrunssum1. Jagt, D.gevolg van arrestatie Van Heeschjanuari 1945 uit concentratiekamp ontsnapt
13 decemberMaastricht1. Boosten, F.P.P.M.had betrekking op communistische gezindheid broer GP,A.M. Boosten, alsmede zijn bekendheid bij Sipo-Maastrichtin concentratiekamp tot bevrijding
1944
DatumPlaatsPersoonRedenLot
19 augustusHeerlen1. Garritzen, H.razziavrij na bevrijding
7 septemberMunstergeleen1. Theunissen, J.W.H.verspreiding “Waarheid”doodgeschoten door Landwacht 08-09-1944
Sittard2. Crauwels. P.N.idemidem

Noten

  1. Harmsen, Nederlands kommunisme, pp. 185-186. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 898. Brief A.J. van der Leeuw, Amsterdam, 27-10-1988.
  2. Harmsen, Nederlands kommunisme, p. 186. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, p.136.
  3. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, p.136. Brief W. van Exter, Eemnes, 23-8-1988. Volgens Van Exter hing de naamswijziging van C.P.H. in C.P.N. samen met de erkenning van nationale tendenzen en onafhankelijkheid in de strijd tegen fascisme en oorlog.
  4. S.H.C. Doc. Collectie Verkiezingen.
  5. Kreukels, Mijnarbeid, pp. 321-325, 472-473. De uitspraak van Poels c.s. had niet alleen betrekking op de Limburgse arbeiders; de geloofsbeleving van de Limburgers in het algemeen had volgens hen weinig diepgang.
  6. Ibidem, pp. 413, 468.
  7. Van Royen, “De Nederlandse mijnondernemingen”, pp. 219-224.
  8. C.B.S.-Verkiezingsstatistieken 1933 en 1937.
  9. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985.
  10. Ibidem.
  11. Kreukels, Mijnarbeid, p. 416-417. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid- Nederland, p. 9.
  12. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 9.
  13. Ibidem, pp. 29-30.
  14. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1560 L. R.v.O. Coll. HSSPF, 158- Ba: Außenstelle Maastricht 20-8-1941 aan B.d.S. Den Haag; idem, 158-Fb: Communisti- sche gijzelaars te Maastricht.
  15. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. HSSPF, 158-Ba: Außenstelle Maastricht 20-8-1941 aan B.d.S. Den Haag. Vraaggesprek auteur met mevrouw M. Schwiebert-Pen- ders, Maastricht, 27-4-1988.
  16. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1518.
  17. De Jong, Het Koninkrijk, I, p. 550. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985.
  18. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, pp. 128-130. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 102-112. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 551-552.
  19. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.754.3: Inlichtingendienst, jaarbericht 1938.
  20. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, pp. 130-131.
  21. Ibidem, p. 131. Vraaggesprek auteur met O. Schumacher, Heerlen, 13-11-1985.
  22. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  23. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1518.
  24. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, p. 131.
  25. Archief Kabinet C.d.K.-Limburgg, inv.nr. 1.752: Vereniging en Vergadering, 1934.
  26. Dittrich en Würzner, Nederland en het Duitse Exil, p. 134. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1518.
  27. Vraaggesprek auteur met O. Schumacher, Heerlen, 13-11-1985. 1025
  28. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1518.
  29. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1642.
  30. Wiersma, “Het Comité van Waakzaamheid”, pp. 124-150, noot pp. 144-149. Gale- sloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 21.
  31. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 186. De Jong, Het Koninkrijk, II, p. 302. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 21-22.
  32. Wiersma, “Het Comité van Waakzaamheid”, p. 145.
  33. De Jong, Het Koninkrijk, II, p. 300. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 186-188. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 135-136.
  34. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 187. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p.
  35. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 188. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 137-139. Na de bevrijding werd de gewraakte oproep aan de Nederlandse bevolking, gedaan in het juni-nummer van “Politiek en Cultuur”, om een neutrale houding jegens de bezetter aan te nemen en te streven naar vrede en vriendschap met het Duitse volk, bij herhaling aan de orde gesteld. De anoniem gebleven auteur werd soms als “Zwarte Piet” ingezet tegen politieke tegenvoeters in de eigen kring teneinde hen in discrediet te brengen, dan weer werd het geschrift afgedaan als een tactische zet ter camouflage van de zich op de illegaliteit voorbereidende partij (Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 139). Kennelijk wist men meteen na de bevrijding nog steeds geen raad met de politieke koers die tijdens het begin van de bezetting was gevaren.
  36. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 902-903. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 38-42.
  37. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 139. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 25. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 899. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 10/43: verklaring J.J.
  38. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 25-30.
  39. De Jong, Het Koninkrijk, II, p. 301; VB, p. 818. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 25-30. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. en J.D.
  40. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 818.
  41. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring J.D. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 42. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 818.
  42. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 138.
  43. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 205.
  44. Ibidem, p. 141.
  45. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 188. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 912-913.
  46. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 57. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J.; idem, 3 S.G. 10/43: verklaring C.A.
  47. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 52. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J.
  48. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 58.
  49. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 58-59. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 10/43: verklaring J.J.
  50. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 10/43: verklaring J.J.
  51. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 155.
  52. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 189.
  53. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 189. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 156.
  54. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 155.
  55. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 818-823.
  56. Ibidem, pp. 823-825. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 190. Over de afkorting M.C. bestaat enige onduidelijkheid. L. de Jong spreekt van Militair Contact, G. Harmsen van Militaire Commissie terwijl Galesloot en Legène het over Mil-groepen hebben.
  57. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 825-827; VI, p. 176. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 189-190. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 99, 135. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. en J.D.
  58. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 178-181. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 190-191. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 205-210. Galesloot en Legêne, Parij in het verzet, pp. 135, 271-272.
  59. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 29. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985.
  60. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1561 K. R.v.O. Coll. Erelijst: A. Sonneville. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen.
  61. Ibidem. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring I. Sonneville, J.H. Lejeune en J. den Hoed.
  62. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 9. Archief Kabinet C.d.K.- Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen.
  63. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 10/43: verklaring C.A.
  64. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  65. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 10/43: verklaring C.A. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  66. R.v.O. Coll. HSSPF, 35-a: Meldungen aus den Niederlanden, 71 (25-11-1941).
  67. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. C.A.B.R. Dossier A. Engwirda, zitting 20-3-1950: verklaring E. Elsholz.
  68. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  69. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Schwiebert. “Vonk, De”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, p. 620. Na het neerslaan van de Decabristenopstand in 1825 verbande tsaar Nicolaas I ongeveer 100 bij de rebellie betrokken officieren en hoge edelen naar Siberië. A.S. Poesjkin schreef hen een enigszins somber gedicht. De decabristen zonden hem een brief terug die veel optimistischer van toon was. Zo schreven ze de dichter onder meer: “Uit de vonk zal de vlam oplaaien” (mededeling G. Harmsen).
  70. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  71. C.A.B.R. Dossier A. Engwirda, zitting 20-3-1950: verklaring E. Elsholz en R. Nitsch.
  72. Ibidem: verklaring R. Nitsch.
  73. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948): verklaring G.P.A.M. Boosten.
  74. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 26/43: verklaring L.J. 1027
  75. C.A.B.R. Dossier A. Engwirda, P.R.A.-’s-Hertogenbosch, nr. 595 (1948): verklaring W. Becker; idem, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 E (1948): verklaring A. van der Gronden-Walzak. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948): verklaring R. Nitsch.
  76. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 154 (1946) en nr. 108 (1948): verklaring R. Nitsch. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  77. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1473 C. Archief Kabinet C.d.K.- Limburg, dossier Zuivering, inv. nr. 2.07.531: schrijven burgemeester Maastricht aan Commissaris der Provincie, 20-11-1940.
  78. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 154 (1946). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  79. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948): verklaring R. Nitsch.
  80. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 904 (1946).
  81. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 108 (1948): verklaring R. Nitsch. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1561 K. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Erelijst: A. Sonneville.
  82. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 312 (1945), nr. 535 (1945), nr. 470 (1946).
  83. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv.nr. 1561 E.
  84. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.- Maastricht, nr. 108 (1948): verklaring J.A. Margaroli en M.J.A.E. Schwiebert.
  85. C.A.B.R. Dossier A. Engwirda, P.R.A.-Maastricht, proces verbaal nr. 108 F (1948): verklaringen van R. Nitsch, J.A. Margaroli en M.J.A.E. Schwiebert. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. Andreas Engwirda: Na zijn werkzaamheden voor de Sipo-Maastricht volgde Engwirda tussen augustus 1943 en maart 1944 een opleiding voor radio-telegrafist in ’s-Gravenhage. Vervolgens kwam hij in dienst van de Organisation Todt. Hij dook in de zomer van 1944 op in de Joegoslavische plaats Mostar. Hij deserteerde en sloot zich aan bij de partisanen van Tito waar hij zich in positieve zin onderscheidde (C.A.B.R. Dossier A. Engwirda: verklaring M. Witjens en L. van Hardeveld). In 1950 werd Engwirda bij verstek tot 8 jaar gevangenisstraf veroordeeld (C.A.B.R. Dossier A. Engwirda).
  86. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  87. Ibidem. Vraaggesprekken auteur met O. Schumacher, Heerlen, 13-11-1985 en met A. van Brink, Heerlen, 8-10-1985.
  88. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring D. Jagt. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  89. Vraaggesprek auteur met O. Schumacher, Heerlen, 13-11-1985.
  90. Vraaggesprekken auteur met O. Schumacher, Heerlen, 13-11-1985; A. van Brink, Heerlen, 8-10-1985 en G. Bensen, Heerlen, 2-10-1985 en 30-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Omtrent de naam of de namen van die vroeg verschijnende krantjes bestaat enige onduidelijkheid. Sommige zegslieden herinnerden zich uit de eerste periode “De Mijnlamp” of “De Vlam”. Anderen noemden “De Vonk”. Laatstgenoemd blad, de Zuidlimburgse pendant van de landelijke “Waarheid”, verscheen evenwel niet vóór eind 1940.
  91. Vaals: Stichting ’40-’45, Eindhoven. Kerkrade: Ibidem. Nieuwenhagen-Schaesberg- Ubach over Worms: Ibidem. Heerlen: Ibidem.
  92. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  93. Vraaggesprek auteur met A. van Brink, Heerlen, 8-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  94. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 83-04.
  95. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Erelijst: A.R. Nas. R.v.O. Coll. HSSPF, 156-c. A.R.A. B.O.O.M., inv. nr. 2.09.13, doos 151, map R.H.G. Nitsch: P.R.A.-Heerlen, nr. 1249 (1947).
  96. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 10/43: verklaring C.A.; idem, Coll. HSSPF, 156-c.
  97. Vraaggesprek auteur met A. van Brink, Heerlen, 8-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  98. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  99. Vraaggesprek auteur met O. Schumacher, Heerlen, 13-11-1985.
  100. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring W. Bouman.
  101. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv.nr. 1.87: arrestaties tijdens de oorlog 1940-1945 door de Duitse politie, 2 mappen. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 87, nr. 53. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring W.M. Busch-van der Elzen, J. Bakker, W. Bouman, R. Hesse-Beverwijk, H. Smeets en L. Bracic.
  102. C.A.B.R. Dossier A. Engwirda, P.R.A.-Maastricht, nr. 1086 (1948). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  103. C.A.B.R. Dossier F.E. Scheper: verklaring R.H.G. Nitsch.
  104. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring F.E. Scheper.
  105. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: diverse verklaringen; dossier F.E. Scheper: diverse verklaringen.
  106. Ibidem.
  107. R.v.O. Coll. HSSPF, 156-c.
  108. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 191. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, p. 211. Brief W. van Exter, Eemnes, 23-8-1988.
  109. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 143.
  110. Ibidem, pp. 138-139.
  111. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 192. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 211-215. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 121-122 en pp. 143-144.
  112. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 191-192. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 161.
  113. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 192-193. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 215-217. De Jong, Het Koninkrijk, X B, pp. 942-943.
  114. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 193. Harmsen, Rondom Daan Goulooze, pp. 217-219. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 974-977.
  115. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 172: citaat overgenomen uit “De Waarheid” van 31 maart 1944 (noot 37, p. 327).
  116. De Jong, Het Koninkrijk, X B, p. 945. 1029
  117. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 176-177.
  118. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  119. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 148.
  120. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  121. Klaassen, De Mijnwerkersbonden in bevrijd Zuid-Limburg, p. 21 (scriptie).
  122. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985.
  123. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 9.
  124. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 10. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. In een brief van 23 augustus 1988 voegde Van Exter hieraan toe dat “Glück Auf!” het eerste en enige Nederlandse verzetsblad was met een Duitse naam. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 148.
  125. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 10.
  126. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 148. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  127. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Volkomen in tegenspraak met een eerder afgelegde verklaring schreef W. van Exter op 23 augustus 1988: “Mijn contact met Nagtegaal is van na de bevrijding. Op de redaktie van de (Limburgse) Waarheid kreeg ik een uitvoerig artikel over “Corporatisme”. Het was goed en geschreven door A. Nagtegaal. Ik zocht hem op in zijn woning en sprak met hem. Het bleek een “oud gediende” te zijn. Ik verplichtte hem de mijn te verlaten en in de redaktie mee te werken. (...) Zo is het ook gebeurd en het heeft niets met Bob Gilliéron te maken gehad” (brief W. van Exter, Eemnes, 23-8-1988).
  128. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  129. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 148. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 11. Klaassen, De Mijnwerkersbonden in bevrijd Zuid-Limburg, p. 21. W. van Exter was een onafhankelijk denker en legde zich niet zonder meer klakkeloos neer bij alle partijrichtlijnen. Al eerder had hij er bijvoorbeeld op gewezen dat de verplichte uitzending van arbeidskrachten naar Duitsland ten eigen nutte kon worden aangewend. Moest het niet zo zijn, aldus Van Exter, dat de meest strijdbare arbeiders meereisden naar Duitsland om dáár met andere arbeiders in discussie te treden? Bij gebrek aan steun voor dit standpunt - de partijleiding keerde zich fel tegen deelname aan de zogenaamde “Arbeitseinsatz” - liet hij zijn zienswijze tenslotte los (Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 125).
    In een brief van 23 augustus 1988 schreef Van Exter: “Het is gewoonweg onjuist dat mijn standpunt inzake “Arbeitseinsatz” door Postma werd verworpen. In De Waarheid werd van mijn hand ter dien zake een artikel gepubliceerd. Daarbij was niets bijzonders”. Over de alinea die op de in deze voetnoot vermelde bronnen is gebaseerd schreef Van Exter: “Ik stel er prijs op dat de gehele alinea wordt geschrapt. Postma was een man van eerlijkheid en discipline. Postma - en dat weet ik heel zeker - hechtte meer waarde aan eerlijkheid, dan tegenover discipline. Het enige “bewijs” dat je tegen me hebt is een verklaring van Galesloot! (...) Enfin beste vriend, je ziet maar!” (brief W. van Exter, Eemnes, 23-8-1988).
  130. C.A.B.R. Dossiers M.H.W. Clement en R.H.G. Nitsch (inzake P. van Heesch). Op 7 september 1944 werden twee verspreiders van “De Waarheid”, J.W.H. Theunissen en 118 P.N. Crauwels, die kort tevoren een aantal exemplaren bij S. Beyer hadden opgehaald, door enkele landwachters aangehouden in Munstergeleen. De volgende dag werden de twee in Sittard vermoord (Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 166, 185). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  131. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  132. Ibidem. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 11.
  133. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 11. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 148. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  134. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 148-149.
  135. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Van Lierop, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 11.
  136. Vraaggesprek auteur met W. van Exter, Eemnes, 24-9-1985. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 224.
  137. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 150. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 226.
  138. Harmsen, Nederlands Kommunisme, pp. 151-154. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, p. 226. Voor algemene informatie over vakbonden in Zuid-Limburg na de bevrijding zie scriptie W. Klaassen.
  139. Harmsen, Nederlands Kommunisme, p. 152. Van Lierop en Legêne, Kommunisten in bevrijd Zuid-Nederland, p. 22.
  140. Galesloot en Legêne, Partij in het verzet, pp. 227-267. 1031
1