Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk XII

Inlichtingen

  • IV. Nabeschouwing
  • Noten
  • Slotbeschouwing en conclusie

  • I. Inleiding

    Alvorens de belangrijkste, in Limburg actieve, landelijke inlichtingendiensten en de via deze provincie lopende inlichtingenkanalen te beschrijven, zullen we een globale omschrijving proberen te geven van de begrippen “spionage” en “inlichtingen”. We zijn ons ervan bewust dat een grens tussen beide vrijwel niet te trekken is, omdat die gekoppeld is aan subjectieve en kwalitatieve normen. Spionage, een term uit het oorlogsrecht, wordt meestal in verband gebracht met de krijgskunde of het militair apparaat. Het betreft dan het heimelijk of onder valse voorwendselen verzamelen van militaire en aanverwante gegevens bij een (potentieel) oorlogvoerende met de bedoeling deze gegevens door te geven aan de tegenpartij. Spionage omvat echter meer. Een spion kan los van de militaire context politieke, economische, technische of industriële gegevens verzamelen. Vrijwel altijd wordt daarbij uit geheime, gesloten bron geput. Rond spionage hangt een romantische zweem, maar tevens heeft het begrip een negatieve bijklank. De spion begunstigt immers een buitenlandse mogendheid of een concurrerende instelling. Een verzetsorganisatie in bezet Nederland die zich toelegde op het verzamelen van gegevens ten behoeve van de Nederlandse regering in Londen en/of de geallieerden werd door de Duitsers steevast als spionage-organisatie aangemerkt. Wellicht kozen de betroffenen mede daarom voor het minder beladen begrip inlichtingen. Hoewel de begrippen inlichtingen en spionage in de literatuur over de Tweede Wereldoorlog vaak door elkaar worden gebruikt, moet de term “inlichtingen” ruimer worden geïnterpreteerd. Het verzamelen van inlichtingen hoeft er niet op gericht te zijn de opponent te schaden. Het kan bijvoorbeeld uitsluitend de bedoeling zijn de eigen partij zo goed mogelijk op de hoogte te houden van de algemene (binnenlandse) situatie en ontwikkelingen. Op de tweede plaats put de verzamelaar van inlichtingen in mindere mate dan de spion uit gesloten bron. Gegevens over de infrastructuur, de terreingesteldheid, het weer en zelfs militaire activiteiten kunnen vrij eenvoudig worden verkregen. Hetzelfde geldt voor het vergaren van inlichtingen op politiek, economisch, bestuurlijk-ambtelijk, technisch en sociaal gebied voorzover die afkomstig zijn uit open bronnen zoals boeken, tijdschriften, algemeen toegankelijke informatie en waarnemingen.
    Dat met name in een situatie van oorlog en onderdrukking soms naar ongeoorloofde middelen als folteringen wordt gegrepen om de gewenste informatie te verkrijgen, hoeft geen betoog. Hiervan is, voor zover bekend, door de in Nederland actieve inlichtingenorganisaties niet of slechts sporadisch gebruik gemaakt. 1]
    In Nederland bestonden in de eerste bezettingsjaren nauwelijks gespecialiseerde inlichtingendiensten. Het inlichtingenwerk maakte, mede door een chronisch gebrek aan goede verbindingen, bijna altijd deel uit van ander verzetswerk. Van een scheiding tussen spionage en inlichtingen was al helemaal geen sprake. Bovendien zat er door een onprofessionele aanpak (het ontbrak aan ervaring, ook al omdat Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal was gebleven) naar verhouding veel onbetrouwbaar, ongecoördineerd, subjectief geïnterpreteerd en ondeskundig behandeld materiaal tussen, waar men in Engeland weinig mee kon doen. 2] Wat hiervan het gevolg was, kon men vrijwel dagelijks horen via Radio Oranje. Daar was sprake van een ontoereikende kennis over de toestand in bezet gebied. De boven Nederland gedropte geheime agenten dreigden er soms zelfs het slachtoffer van te worden. Hun persoonsbewijs deugde niet en het meegenomen vooroorlogs geld was inmiddels uit de roulatie genomen. Tot overmaat van ramp slaagden de Duitsers er tussen maart 1942 en begin 1944 met hun “Englandspiel” in de moeizaam tot stand gekomen verbinding ten eigen nutte aan te wenden en diverse verzetsgroepen uit te schakelen of vleugellam te maken. Pas in 1944, na grondige reorganisaties in Engeland en in Nederland, kwamen de illegale inlichtingendiensten tot bloei. In dit hoofdstuk zullen we uitsluitend spreken van inlichtingen(diensten) aangezien de verzamelde en aan de in Engeland gevestigde diensten aangeboden informatie altijd meer omvatte dan spionagegegevens.
    In een omvangrijke studie als de onderhavige, waarin diverse verzetsorganisaties los van elkaar of in onderlinge samenhang besproken worden, is het onvermijdelijk dat een deel van het inlichtingenwerk, voorzover deze organisaties het tot hun werkterrein rekenden, elders beschreven wordt. Aangezien in dit hoofdstuk nader wordt ingegaan op de exclusieve inlichtingendiensten en -kanalen, zullen we voor de volledigheid een korte opsomming geven van het elders behandelde inlichtingenwerk en van het inlichtingenwerk waarover ons weinig gegevens ter beschikking staan en waarvan het belang moeilijk is aan te geven.

    • Tot de groep-Erkens (hoofdstuk II, paragraaf I) behoorde een militaire inlichtingendienst met contacten in het midden en het westen van het land. Mogelijk werden de gegevens aanvankelijk naar Engeland gezonden via een of meer van de weinige zenders die in de beginjaren van de bezetting in Nederland operatief waren. De organisatie vond na enige tijd aansluiting bij de Belgische inlichtingendiensten “Luc-Marc” en “Clarence”.
    • De groep-Dresen (hoofdstuk II, paragraaf II) verzamelde militaire inlichtingen in de driehoek Maastricht-Aken-Luik. Voor het doorgeven van het verzamelde materiaal kan de organisatie gebruik hebben gemaakt van de volgende kanalen: een eigen zender op de boot van schipper J.M. Duynkerke in de haven van Maastricht; de gemeentesecretaris van het Belgische Lanaken, A. Reul; de kanalen van de inlichtingendiensten “Luc-Marc” en “Clarence” of, maar minder waarschijnlijk, de agenten H.M.G. Lauwers en Th. Taconis.
    • Leden van de groep-Smit in de oostelijke Mijnstreek (hoofdstuk II, paragraaf III) hielden zich bezig met het observeren en vastleggen van alle Duitse activiteiten in met name het oostelijk deel van Zuid-Limburg. De groep had verbinding met de groepen Erkens en Dresen. Waarschijnlijk werden de door Smit c.s. verzamelde inlichtingen via een van deze kanalen verzonden.
    • Van de groep-Bongaerts (hoofdstuk IV, paragraaf II.1. en hoofdstuk II, paragraaf I.4.) staat vast dat het verzamelen van inlichtingen tot de vaste werkzaamheden behoorde. Waarschijnlijk maakte Bongaerts bij de verzending gebruik van de diensten van een van de drie hiervoor genoemde organisaties. Toen deze drie organisaties waren opgerold, ging hij naarstig op zoek naar alternatieve kanalen. Daarbij liet hij onder andere het oog vallen op de internationale vluchtwegen voor gestrand geallieerd luchtmachtpersoneel. Het is niet bekend of hij erin slaagde nieuwe kanalen te vinden.
    • Inlichtingen aan het Vaticaan met betrekking tot de ontwikkelingen in de Nederlandse katholieke kerkprovincie en de houding van het Nederlands episcopaat. Aartsbisschop J. de Jong deed daartoe een beroep op dr. J.M. Drehmans. Deze verzond de gegevens via het Italiaans consulaat. Vermoedelijk werd tevens gebruik gemaakt van een route die door het Belgisch episcopaat was geopend (hoofdstuk VI, paragraaf I.1.).
    • Soms kon, meestal dank zij samenwerking met Belgische organisaties, gebruik worden gemaakt van internationale vluchtelingenroutes (hoofdstuk IV, paragraaf II: algemeen) voor het doorsturen van inlichtingen, omdat deze organisaties vaak gekoppeld waren aan inlichtingendiensten of over eigen zendapparatuur beschikten, waarmee ze de betrouwbaarheid en de aankomst in Engeland van een gestrande vliegenier konden controleren. Overigens vormden “piloten” en Engelandgangers na hun aankomst in neutraal gebied of in Engeland soms een waardevolle informatiebron.
    • De O.D. (hoofdstuk VIII, paragraaf III en paragraaf IV: algemeen) beschikte over een eigen inlichtingendienst (I.D.). Individuele O.D.-ers gaven gegevens door aan de gewestelijke staf die ze vervolgens ter hand stelde aan de I.D. Verscheidene O.D.-ers hielden bijvoorbeeld de activiteiten op en rond het vliegveld Venlo nauwgezet in de gaten. Tijdens de fronttijd in Limburg nam de intensiteit van het inlichtingenwerk toe, met name in de districten Gennep, Venlo, Roermond, Sittard en Heerlen. Direct na de bevrijding voerden O.D.-ers uit het district Sittard in opdracht van de Amerikanen verkenningstochten en spionageopdrachten uit achter de Duitse linies.
    • Sinds april 1944 stond de R.V.V. (hoofdstuk IX, paragraaf III) dank zij de zender van de geheime agent A.W.M. Ausems in verbinding met het in Londen gevestigde Bureau Inlichtingen. In Limburg werden nauwelijks inlichtingen verzameld door R.V.V.-ers. In juli 1944 bezocht een R.V.V.-er Maastricht om het een en ander over de E.N.C.I. aan de weet te komen. Men wilde het bedrijf door een bombardement platleggen. Waarschijnlijk achtten de geallieerden vanwege de voorspoedig verlopende opmars in de richting van België en Nederland een bombardement vanaf eind juli 1944 niet meer nodig. Er gebeurde althans niets.
    • Voor de L.O. en de K.P. (hoofdstuk VI, paragraaf IV.4. en IV.8.; hoofdstuk VII, paragraaf II.8.) genoot een goede (radiografische) verbinding niet de hoogste prioriteit. De aandacht van de twee samenwerkende organisaties richtte zich bijna uitsluitend op de binnenlandse omstandigheden. De eerste en voornaamste zorg betrof de opvang, verzorging en bescherming van onderduikers. Het laatste gold vanzelfsprekend ook voor de organisaties zelf. Daartoe richtte de L.O. de Centrale Inlichtingendienst (C.I.D.) op en de K.P. de Knokploeg Opsporing (K.P.O.).
      In juni 1944 organiseerde de L.O.-districtleider van Heerlen, Th.J.M. Goossen, een eigen inlichtingendienst (I.D.) ter bescherming van de illegaliteit in het algemeen. Daarnaast verzamelde Goossens I.D. militaire inlichtingen, die onder meer afkomstig waren van medewerkers of repatrianten van het Au enministerium (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.1. en hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.7.). Kort voor de bevrijding verschoof het accent, mede op verzoek van de O.D.-er C.M.J.A.F. Nicolas, naar militaire inlichtingen. Hierbij boekte Goossens I.D. opvallende resultaten. De Amerikanen boden Goossen na de bevrijding de gelegenheid zijn dienst uit te breiden tot geheel Limburg en een deel van Noord-Brabant.
      Deze I.D. voerde tevens opdrachten uit van het Militair Gezag, in de Mijnstreek geleid door Nicolas. 3] Sommige L.O.-ers en K.P.-ers, zoals H.J.H. Bouten en S.W.J.M.M. Berden, verzamelden in de bevrijdingsfase op eigen initiatief militaire inlichtingen en na de bevrijding in opdracht van plaatselijke geallieerde commandanten.

    Afsluitend volgt een kort overzicht van inlichtingengroepen waarvan ons weinig bekend is.

    • C.Th.J. Smit uit Den Haag raakte in 1942 betrokken bij de hulp aan geallieerde vliegeniers. Hierdoor kreeg hij verbinding met de Belgische vluchtelingenlijn “Komeet” die toen geleid werd door baron J. Greindl. Smit en zijn medewerkers gingen zich ook toeleggen op het verzamelen van militaire inlichtingen in het westen van het land. Vooralsnog beschikte de groep niet over contact met Engeland. Via baron Greindl lukte dat in de loop van 1942 wel. Greindl zond een medewerker, jhr. J. de Santis de Frymenon uit Luik, naar een contactadres in Roermond, de woning van mevrouw J. Roosendaal aan het Wilhelminaplein. Daar overhandigde een helper van Smit, W.P.A. Okhuysen, de op microfilm vastgelegde inlichtingen aan De Santis. Volgens medewerkers van Greindl was de door Smit c.s. verzamelde informatie van een hoog gehalte. Greindl ontving bijvoorbeeld een microfilm die een kaart van de hele Nederlandse kust bevatte waarop de Duitse stellingen en verdedigingswerken nauwkeurig stonden aangegeven. Voorts kreeg hij rapporten over proefnemingen met het V-2 wapen. Smits activiteiten waren dank zij Greindl bekend in Engeland. De in de nacht van 13 op 14 februari 1943 gedropte agente B.A.W.M. Terwindt kreeg onder meer opdracht zich tot de Hagenaar te wenden. Ze raakte echter meteen na haar aankomst verstrikt in het Englandspiel waardoor ook Smit en twee van zijn medewerkers in de val liepen. Alle drie kwamen ze om het leven. Het contactadres in Roermond verloor na de arrestaties zijn betekenis. 4]
    • De sinds maart 1943 in Maastricht ondergedoken voormalig militair P.G.B. Quist verzamelde in opdracht van de Dienst Wim (zie hoofdstuk IV, paragraaf III) inlichtingen in Limburg. Hij stond in verbinding met J.B. Vermeulen, coördinator van de organisatie. Als gevolg van het Englandspiel werd de Dienst Wim in de zomer van 1943 uiteengeslagen. Quist - omtrent de aard en omvang van zijn inlichtingen is ons niets bekend - ontsnapte aan arrestatie. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij nadien nog activiteiten in Limburg ontplooide, vermoedelijk vertrok hij uit Limburg. Na zijn aanhouding in Hoogeveen op 10 februari 1944 kwam hij in het beruchte “Arbeitserziehungslager” Lahde terecht, waar hij op 1 maart 1945 overleed. 5]
    • Via de sociaal-democraat P.J. Tiggers kwam de directeur van de staatsmijnen, dr. ir. Ch.Th. Groothoff, zijdelings in contact met het Nationaal Comité van J.J. Vorrink. Vanwege zijn positie zag Groothoff af van actieve deelname aan het verzet. Hij beperkte zijn bijdrage tot het verschaffen van inlichtingen ten behoeve van de illegaliteit. Tiggers daarentegen deed meer. Begin 1943 vervaardigde hij een schets van de sluizen in het Julianakanaal bij Maasbracht. Om het vervoer van vooral steenkool naar Duitsland te blokkeren, wilde Tiggers het complex laten bombarderen. Hij gaf de tekening door aan Vorrink die voor verzending naar Engeland zou zorgen. De gegevens vielen echter in handen van V-man A. van der Waals die Vorrinks organisatie had geïnfiltreerd. Dientengevolge werden Tiggers en Groothoff respectievelijk op 30 maart en 1 april 1943 gearresteerd. Op 1 november 1943 werd Groothoff uit het gijzelaarskamp te Haaren ontslagen. Tiggers verbleef tot 1 mei 1945 in Duitse hechtenis. 6]
    • De Maastrichtenaar J.M.P. de Bie verzamelde in het voorjaar van 1943 samen met de daar tewerkgestelde G. van Merwijk inlichtingen over het vliegveld Venlo. Aan de hand van Van Merwijks informatie vervaardigde hij een plattegrond van het complex. Het is niet bekend wie hem deze opdracht had verstrekt. De Bie beschikte over contacten in verschillende verzetskringen zowel binnen als buiten de provincie Limburg. 7]
    • Twee verspreiders van “Trouw” uit Geulle, K. Koers en E. Bakker, kregen door de hulpverlening aan geallieerde vluchtelingen in 1943 verbinding met J. Schoenmaeckers in het Belgische Rekem. Schoenmaeckers had al in de Eerste Wereldoorlog inlichtingen verzameld voor de geallieerden. Hij had de draad na de Duitse inval in mei 1940 weer opgepakt. Koers en Bakker steunden zijn werk. Zij zorgden ervoor dat de inlichtingen vanuit Nederland naar België en omgekeerd veilig de grens over kwamen. Voor welke organisatie(s) de inlichtingen bestemd waren en van wie ze afkomstig waren is niet bekend. Evenmin weten we iets omtrent de aard ervan. 8]

    II. Inlichtingendiensten in Limburg

    II.1. De Geheime Dienst Nederland (G.D.N.)

    II.1.1. Landelijk

    De Geheime Dienst Nederland, opgericht door J.M.W.C. Iansen uit Delden, was gespecialiseerd in het verzamelen van militaire, politieke en economische inlichtingen. De organisatie kwam voort uit de in juli 1943 uiteengeslagen Dienst Wim, maar was in feite ouder. In 1941 verzamelde Iansen al inlichtingen voor de in maart van dat jaar naar Engeland uitgeweken O.D.-er kapitein dr. J.M. Somer uit Breda. Somer gaf leiding aan een inlichtingendienst die vooral in het westelijk deel van Noord-Brabant opereerde en gekoppeld was aan de landelijke inlichtingenorganisatie van J. van Hattem (zie hoofdstuk II, paragraaf I.3.). Na het oprollen van Van Hattems organisatie, begin 1942, en het vertrek van Somer stelde Iansen zich ter beschikking van Somers opvolger J.B. Vermeulen uit Breda. Laatstgenoemde kreeg in augustus of september 1942 via W. Stenger (“Wim”), een in Brussel woonachtige Nederlander, verbinding met de Belgische inlichtingendienst “Zéro” van W. Ugeux. In Engeland maakte men zich namelijk zorgen over het gebrek aan contact met Nederland. De Nederlandse sectie van de Britse militaire inlichtingendienst M.I.-6 had daarom een beroep gedaan op Ugeux. Deze gaf een van zijn koeriers, G.A.J. Vandermeerssche, in augustus 1942 opdracht een inlichtingendienst in Nederland op te bouwen. Met steun van I.J. Cohen, Stenger en Iansen lukte het in het najaar van 1942 de nieuwe Dienst Wim in grote delen van het land te organiseren. Vermeulen, chef van de Dienst Wim, vroeg Iansen de organisatie en leiding van zijn dienst in de vier noordelijke provincies op zich te nemen. Begin 1943 beschikte Iansen reeds over circa dertig plaatselijke inlichtingenkernen, die elk vier of vijf medewerkers telden en geleid werden door zogeheten bureauhouders. Koeriersters onderhielden de verbinding tussen de bureauhouders en Iansen, die de gegevens doorgaf aan Vermeulen. Het hoofd van de Dienst Wim zond het materiaal vervolgens via de organisatie “Zéro” naar Engeland.
    Begin 1943 kon A. van der Waals door het Englandspiel de Dienst Wim penetreren. Handig leidde hij onder anderen Vermeulen om de tuin door gebruik te maken van het door de Duitsers gemanipuleerde zendverkeer met Engeland. Medio juli 1943 werd de organisatie voor een belangrijk deel opgerold. 9]
    Iansens sub-organisatie bleef evenwel buiten schot, maar verloor het contact met Engeland. Het toeval wilde dat Iansen kort na de arrestatiegolf in Eindhoven zijn vroegere H.B.S.-klasgenoot H. Deinum ontmoette. Deinum had kort daarvoor contact gekregen met de op 10 juni 1943 gedropte agent baron P.L. d'Aulnis de Bourouill, die was uitgezonden door het in Londen gevestigde Bureau Inlichtingen (B.I.) van Somer. Iansen vertelde Deinum over de recente gebeurtenissen en de consequenties ervan voor zijn dienst. Buiten medeweten van Iansen lichtte Deinum d'Aulnis de Bourouill hierover in, die op zijn beurt B.I. op de hoogte stelde. Somer reageerde nogal koel. In de periode dat hij leiding had gegeven aan de inlichtingendienst in westelijk Noord-Brabant had hij Iansen leren kennen als een tamelijk “wild” persoon. Zijn indruk was niet onverdeeld gunstig. Niettemin stemde hij ermee in dat d'Aulnis de Bourouill Iansen ging adviseren. Bovendien gaf hij de in oktober 1943 uitgezonden agent W.J. Schreinemachers opdracht na te gaan wat voor de G.D.N. gedaan kon worden.
    Schreinemachers was een assistent van ir. Th.Ph. Tromp uit Eindhoven, een hoge functionaris bij Philips die al in 1942 op zoek was gegaan naar wegen om inlichtingen naar Engeland te verzenden. Zijn inspanningen werden pas in mei 1943 beloond toen de autoriteiten hem toestemming verleenden Schreinemachers naar een Philips-vestiging in het neutrale Zweden uit te zenden. Schreinemachers zou een koeriersrol moeten gaan vervullen en op zijn tochten naar en vanuit Zweden inlichtingen en opdrachten meenemen. Daarvan kwam echter niet veel terecht. Somer, die bij aankomst van Schreinemachers toevallig in Zweden verbleef, haalde hem uiteindelijk over met hem mee te gaan naar Londen. Dat lekte uit, zodat er niets anders overbleef dan hem als geheime agent vanuit Engeland naar Nederland te laten terugkeren, want legaal teruggaan vanuit Zweden zou gelijk gestaan hebben aan uitlevering aan de Duitsers. Schreinemachers terugkeer naar Nederland liep uit op een fiasco. Bij aankomst verloor hij zijn complete uitrusting. Toch wist hij nog een verbinding tot stand te brengen tussen Tromp en de G.D.N. Iansen ervoer de nevenopdracht van Schreinemachers ten aanzien van zijn dienst als bijzonder teleurstellend.
    Waardeerde “Londen” het werk van de G.D.N. eigenlijk wel en werd het op de juiste waarde geschat, zo vroeg hij zich af. Wat had hij trouwens aan een agent zonder zendapparatuur? Tot overmaat van ramp vielen twee van zijn koeriersters bij een treincontrole in Duitse handen. Kennelijk was de maat vol. Iansen nam zich voor zelf naar Engeland te gaan. Tevens wilde hij van die gelegenheid gebruik maken om een berichtenlijn naar Spanje op te bouwen, omdat naar zijn mening aan die verbinding nog het een en ander mankeerde. Hij benoemde J.M. Pennings tot zijn opvolger. In januari 1944 vond hij een route die tot de Pyreneeën liep, maar het lukte hem niet Spanje binnen te komen. Iansen keerde terug naar Nederland en stationeerde zijn neef uit Eindhoven, F. van der Putt, als helper in het aan de voet van de Pyreneeën gelegen St. Girons. In Nederland benoemde hij de bureauhouder van Amsterdam, W. Schoemaker, tot zijn opvolger, omdat Pennings inmiddels was gearresteerd. Eind maart 1944 begaf Iansen zich vanuit Goes op weg naar St. Girons waar hij op 7 april arriveerde. De volgende dag werd hij samen met Van der Putt vlak over de Spaanse grens gearresteerd. Pas in december 1944, na ruim een half jaar in Spaanse gevangenschap te hebben doorgebracht, kwam hij in Engeland aan. Op dat tijdstip bevond Somer zich inmiddels met zijn staf in het bevrijde Eindhoven. 10] Omdat de twee gearresteerde koeriersters van Iansen veel wisten en het rendement van de G.D.N. naar zijn mening verbeterd kon worden, begon Schoemaker meteen met een reorganisatie van de dienst. Hij haalde de band met Tromp aan, die tevens als geldschieter voor de G.D.N. fungeerde. De dienst telde weldra ongeveer achtendertig hoofdmedewerkers en ruim elfhonderd helpers, voornamelijk studenten. Onder Schoemaker verschoof het accent naar militaire inlichtingen. In de loop van 1944 was circa 80% van alle G.D.N.-gegevens van die aard. Daarnaast ontving de dienst veel inlichtingen van het C.B.S. In een werkplaats in Den Haag werden alle gegevens op microfilm gezet. 11]
    Voor de verzending van het materiaal stond de G.D.N. aanvankelijk slechts één kanaal ter beschikking. Vermoedelijk gaven medewerkers van de Belasting Groep Maastricht die met Tromp samenwerkten de gegevens door aan een Belgische inlichtingendienst. Majoor Somer verklaarde naderhand dat zulks tot maart 1944 het geval was geweest.12] Daarna stonden de organisatie meer wegen open: de Zwitserse Weg B (zie paragraaf III.2.) en een weg via een collega van Tromp, mr. W.E.A. de Graaff, die van tijd tot tijd legaal naar Zwitserland mocht reizen. Hij stelde G.D.N.-gegevens ter hand van de Nederlandse militaire attaché in Bern, generaal-majoor A.G. van Tricht, tevens contactman van de Zwitsers Weg B. Bij urgente aangelegenheden kon de G.D.N. een beroep doen op agent d'Aulnis de Bourouill, die rechtstreeks zendcontact met B.I. onderhield.
    Vanaf juni 1944 kon de G.D.N. daarnaast gebruik maken van de zender van de in de nacht van 5 op 6 juni gearriveerde B.I.-agent-marconist I. Brandjes. Deze was met een zender ten behoeve van de organisatie van Tromp uitgezonden door B.I. De kwaliteit van de inlichtingen van de G.D.N. - de meest produktieve periode begon in april 1944 - was hoog. B.I. was er zeer tevreden over. Dat gold in mindere mate voor een aantal medewerkers. Somer had zijn bedenkingen tegen Iansen, die op zijn beurt vond dat Somer zich onvoldoende inzette voor zijn vrijlating uit Spaanse gevangenschap. Ten aanzien van Iansens opvolger, Schoemaker, liet Somer zich in nog negatievere termen uit. De dienst was onder diens leiding een nagel aan zijn doodkist geweest verklaarde Somer na de oorlog. Zij bestond uit “wildemannen” die het inlichtingenwerk moeilijk konden scheiden van drank, geld en vrouwen. Vanwege de torenhoge declaraties beschuldigde hij de dienst van geldverkwisting. Toch moest ook Somer toegeven dat de G.D.N. onder Schoemakers (en trouwens ook onder Iansens) leiding nauwelijks te lijden had gehad van arrestaties (afgezien van een arrestatiegolf in Rotterdam in de loop van 1944) en voortreffelijk werk had afgeleverd. 13]

    II.1.2. Limburg

    De vroegste aanwijzingen over het bestaan van de G.D.N. in Limburg dateren van september 1943. Er zouden toen twee bureauhouders zijn geweest: een in Maastricht en een in Venlo. Hoe de verbinding tot stand was gekomen staat niet vast. Het contact met L. Suhr, bureauhouder van Maastricht, dat westelijk Zuid-Limburg omvatte, is wellicht gelegd door J.M. Pennings. Hij was namelijk bevriend met Suhr en samen met G. van 't Eind uit Eindhoven, waar tot het vertrek van Iansen eind maart 1944 het hoofdbureau voor de drie zuidelijke provincies was gevestigd, bezocht hij de twee Limburgse bureauhouders. Ze kregen steun van twee koeriersters. In het rayon Venlo, dat Noord-Limburg omvatte met als zuidgrens de lijn Reuver-Meijel, trad C.M.W. Hoogwinkel op als bureauhouder. Limburg hoorde met Noord-Brabant en Zeeland tot de door F.J.J.M. van Zinnicq Bergmann uit Vught geleide zuidroute van de G.D.N. Vermoedelijk bemoeide hij zich nauwelijks met de Limburgse bureaus, aangezien de bij zijn grootmoeder in Helmond ondergedoken militair S.W.H. Trip in augustus door een collega-militair, M. van den Berg uit Rotterdam, benaderd was om voor de G.D.N. te gaan werken in oostelijk Noord-Brabant en Limburg. Hierdoor ontstond een tweedeling in de zuidroute. Van Zinnicq Bergmann, die weliswaar de supervisie behield, concentreerde zich op westelijk Noord-Brabant en Zeeland, terwijl Trip voortaan elke twee weken bezoek kreeg van Van den Berg die de gegevens ophaalde en nieuwe opdrachten verstrekte.
    De eerste gegevens uit Limburg dateren van november en december 1943. Het betrof informatie van economische, politieke en militaire aard, onder andere over de scheepvaart op het Julianakanaal, over “foute” politiemannen, collaborateurs, het vliegveld Venlo en over Duitse militaire concentraties. 14] In het voorjaar van 1944 vond in verband met de plannen van Schoemaker om nieuwe kanalen te vinden voor het verzenden van inlichtingen naar Engeland en vanwege de arrestatie in maart van Pennings en zijn koerierster mejuffrouw van Hoof een reorganisatie en uitbreiding van de G.D.N. in Zuid-Nederland plaats. 15] Eerder vermeldden we dat majoor Somer tot maart 1944 via een Belgische inlichtingendienst gegevens van de G.D.N. ontving. Dat was niet de organisatie “Zéro” van Ugeux, want die had de verbinding met de Dienst Wim en dus met de G.D.N. eind april 1943 verbroken, omdat men aan Belgische zijde naar aanleiding van het oprollen van de verzetsgroep rond J.J. Vorrink het vermoeden had gekregen dat de Nederlandse illegaliteit diep geïnfiltreerd was. Naar alle waarschijnlijkheid verliep de verzending van (een gedeelte van) het G.D.N.-materiaal sinds het najaar van 1943 over Tromp in Eindhoven. Deze stond in verbinding met S.W. Hovens, een medewerker van de Belasting Groep Maastricht (B.G.M.) en met de Maastrichtenaar E. Smits, die koerierde voor de pilotenhulporganisatie van J. Vrij en contact onderhield met diverse Belgische verzetsorganisaties. Met hulp van Hovens kon Tromp de op microfilm gezette gegevens doorgeven aan de Belgische inlichtingendienst “Leopold”. Over de aard van de gegevens is niets bekend. Wel staat vast dat Tromp in een latere fase inlichtingen over de V-wapens doorgaf via Hovens. Deze fungeerde niet uitsluitend als doorgeefluik. Met P. Sijmons verzamelde hij zelf ook inlichtingen over het vliegveld op Texel, over het recent in exploitatie genomen olieveld bij Schoonebeek en over het kamp Vught. 16]
    Over de rol van Smits is minder bekend. Zijn poging om begin 1944 Tromps medewerker Schreinemachers naar Engeland te laten terugkeren mislukte. Vanaf maart maakte de G.D.N. zoals gezegd gebruik van andere kanalen en deed Tromp nog slechts sporadisch een beroep op de diensten van de Maastrichtenaren. De aanhouding van Pennings en zijn koerierster had voor Hoogwinkel in Venlo geen nadelige gevolgen, voor Suhr in Maastricht wel. Zijn koerierster moest haar werkzaamheden staken, omdat een berichtje van haar aan Pennings in handen van de Sipo was gevallen. Suhr dook onder totdat bekend werd dat Pennings en zijn koerierster weer waren vrijgelaten. Toen bovendien bleek dat de Sipo de zoekactie naar Suhrs koerierster had opgegeven, hervatte hij het werk voor de G.D.N. Mogelijk zag Schoemaker in de arrestaties een aanleiding om de reorganisatie van de zuidroute versneld ter hand te nemen. Hij benoemde zijn broer Paul tot chef van de zuidroute. Deze vond met hulp van Trip drie of vier nieuwe bureauhouders: in Heerlen, Roermond, Sittard en wellicht in Gennep (over het laatstgenoemde bureau staan ons geen gegevens ter beschikking). Het contact met Heerlen dateerde al van januari 1944. Via wederzijdse vrienden had Trip in het begin van de oorlog kennis gemaakt met H.H.A. Hötte, zoon van een oogarts uit Heerlen. Hötte verklaarde zich begin 1944 bereid als bureauhouder van Heerlen, dat de oostelijke Mijnstreek en het gebied ten zuiden daarvan omvatte, op te treden. Hij trad echter pas eind mei 1944 in functie. 17] De verbinding met Roermond was tot stand gebracht door Trips koerierster en achternichtje, de 16-jarige L.F. van Hardenbroek uit Nuenen. Vanaf mei 1944 vervulde zij de rol van koerierster, maar zij wist al geruime tijd van het bestaan van de G.D.N. In de winter van 1942-1943 had zij in Deurne op het kasteel van baron Th. de Smeth van Deurne kennis gemaakt met mejuffrouw E.M. Wolff-Metternich uit Swalmen. Deze bracht haar in contact met A.E.A.M. Wong Lun Hing uit Roermond, die zich pas veel later op verzoek van Van Hardenbroek bereid verklaarde als bureauhouder van Roermond, dat Midden-Limburg omvatte, op te treden. Evenals Hötte trad Wong Lun Hing pas tegen de zomer van 1944 in functie.18] Bureauhouder van Sittard, dat de westelijke Mijnstreek omvatte met Susteren als noordgrens, was L. Snepvangers. Van zijn activiteiten is overigens niets bekend. In de zomer van 1944 was deze bureauhoudersplaats alweer vacant. Kort voor de bevrijding vond men pas een opvolger, maar die kon toen niets meer doen. 18] Onze aandacht richt zich derhalve uitsluitend op de bureaus in Maastricht, Heerlen, Venlo en Roermond. Trip en Van Hardenbroek bezochten de elk op een specifiek terrein gespecialiseerde Limburgse bureauhouders. Hoogwinkel concentreerde zich op het vliegveld van Venlo, de ontwikkelingen rond de stationering van V-wapens en de scheepvaart op de Maas. Wong Lun Hing hield zich in zijn rayon overwegend bezig met het vervoer per trein en munitie- en petroleumopslagplaatsen. Hötte richtte zijn aandacht op de mijnindustrie en Duitse troepenconcentraties en Suhr op militaire inlichtingen, economische collaboratie en de infrastructuur.
    Op grond van de ons ter beschikking staande gegevens moeten we concluderen dat het rendement van de werkzaamheden van de vier bureauhouders tegenviel. Mogelijk werd dat mede veroorzaakt door het optreden van Van Hardenbroek die - jong als zij was - de bureauhouders op eigen gezag instructies gaf, die naderhand weer teruggedraaid moesten worden. Of Trip hiervan wist en of hij er iets tegen ondernam is niet bekend. Medio augustus werd ze vervangen. Diezelfde maand kreeg Trip opdracht de geallieerden tegemoet te gaan. P. Schoemaker nam zijn functie tot de bevrijding waar. 19]
    Ter afsluiting volgt een kort overzicht van de werkzaamheden en ontwikkeling van de vier G.D.N.-bureaus:

    1. Maastricht. Het bureau van Suhr aan de Papenstraat 11 leverde voorzover bekend onregelmatig inlichtingen. In mei 1944 berichtte hij over de adressen van Duitse instanties in Maastricht, de in de stad en omgeving gelegerde Duitse militairen en over collaborerende instanties en bedrijven. Een maand later ontving de G.D.N.-leiding een plattegrond van de stad waarop vitale bedrijven stonden aangegeven en de plaats waar de Maas overgestoken zou kunnen worden. Voorts bevatten de rapporten gegevens over de voedselsituatie, de telefooncentrale en Duitse transporten. Uit de berichtgeving van augustus blijkt, dat alles erop wees dat de geallieerden in aantocht waren. Suhr liet weten dat onder de St. Servaasbrug dynamietladingen waren aangebracht en dat een begin was gemaakt met de aanleg van een noodvliegveld bij Wolder en een spoorlijn tussen het Belgische Kanne en Maastricht. Voorts berichtte hij over de doortocht van Duitse troepen, een Duitse luisterpost in Bemelen, de Philips-vestiging in de grotten van Valkenburg en het goederenvervoer per trein en per boot. Nadien werd niets meer van dit bureau vernomen.
    2. Heerlen. Aangezien in dit rayon weinig militaire objecten lagen en van Duitse militaire activiteit niet veel te bespeuren was, richtte Hötte zijn aandacht op de mijnindustrie. In mei 1944 berichtte hij over de houding van de mijndirecties. Voorts signaleerde hij de risico's verbonden aan sabotage in de mijnen. Een maand later gaf Hötte een aantal produktiecijfers van de mijnen door en ging hij nader in op geruchten als zou de enigszins onrustige stemming onder de mijnwerkers samenhangen met communistische agitatie. Dat was volgens hem onjuist. In de Mijnstreek was, aldus Hötte, slechts sprake van geringe communistische propaganda en die was stuntelig en slecht opgezet. Het rapport over de maand juli 1944 bevatte produktiecijfers van de Oranje Nassau-mijn III, informatie over Duitse troepenbewegingen en over het slechte moreel onder de Duitse militairen, die zich bezighielden met smokkel en ruilhandel. Omdat de inlichtingen van het bureau onder de maat bleven, ging Schoemaker op zoek naar een vervanger. Of Hötte nog verantwoordelijk was voor het enige en tevens laatste bericht in augustus is onzeker. Het betrof de mededeling dat het kaderpersoneel van het Stikstof Bindings Bedrijf in Geleen had geweigerd in te gaan op de Duitse eis over te schakelen op de produktie van salpeterzuur en daarna was ondergedoken. Dit bericht kan echter ook afkomstig zijn geweest van de Sittardse bureauhouder.
    3. Venlo. In juni 1944 begaven O.W.L. Wolters, een medewerker van bureauhouder Hoogwinkel, en H. Voskuil zich in opdracht van de G.D.N.-leiding op weg naar Zwitserland. Op 22 juni vielen ze echter in Brussel in Duitse handen. Op 5 september 1944 kwam Wolters in het kamp Vught om het leven. Van de werkzaamheden van Hoogwinkel weten we slechts dat hij sporadisch verslag uitbracht over zijn bevindingen. Begin juli verstrekte hij een plattegrond van Venlo waarop een aantal bedrijven en het station stonden aangegeven. Voorts signaleerde hij dat er opvallend veel activiteit rond het Venlose vliegveld was. Wat zich er precies afspeelde, wist hij niet. Dezelfde maand begaf Hoogwinkel zich met een pakket inlichtingen naar Eindhoven. Op zijn tocht raakte hij te water waardoor hij een longontsteking opliep. De bureauhouder moest worden opgenomen in een ziekenhuis, waar hij korte tijd later overleed. Zijn naaste medewerker G.W. Aarts volgde hem medio juli op. Deze richtte zijn aandacht voornamelijk op het vliegveld Venlo en de daar gestationeerde V-wapens. Hij berichtte er tot september over. Toen Noord-en Midden-Limburg geïsoleerd raakten, probeerde Aarts de Maas over te steken. Hij werd echter ontdekt en ter dood veroordeeld. Het vonnis werd niet voltrokken. Aarts overleefde de oorlog.
    4. Roermond. Bureauhouder Wong Lun Hing verzond zijn eerste berichten op 4 juli 1944. Het was zijn taak inlichtingen te verstrekken over Duitse troepenverplaatsingen en de opstelling en het transport van gevechtsmaterieel. Daartoe nam hij contact op met zijn plaatsgenoot, de spoorwegrechercheur W. Meuldijk. Mogelijk hield hij zelf het scheepvaartverkeer op de Maas in de gaten. In augustus berichtte hij hierover. Of hij erin slaagde munitie- en petroleumopslagplaatsen te lokaliseren is niet bekend. Uit zijn schaarse berichtgeving blijkt hiervan niets. 21
    5. II.2. De Groep-Albrecht

      II.2.1. Landelijk

      Op 11 maart 1943 zond het Bureau Inlichtingen de agent H.G. de Jonge (“Albrecht”) naar Nederland. Tot zijn opdracht behoorde onder meer het verzamelen van militaire inlichtingen. Bij aankomst raakte zijn zendapparaat echter beschadigd. Ondanks deze tegenslag begon hij voortvarend aan de opbouw van een militaire inlichtingendienst, waarvan de kern in het westen van het land lag. Aangezien De Jonge er niet in slaagde de gegevens radiografisch te verzenden, zat er niets anders op dan terug te keren naar Engeland. Nadat verschillende pogingen waren mislukt, kreeg De Jonge contact met de B.I.-agent P.R. Gerbrands die kort tevoren een koeriers- en ontsnappingslijn naar Spanje had opgebouwd. In oktober aanvaardde hij de lange reis naar het neutrale Spanje, maar op 8 november werd hij in de Pyreneeën gearresteerd. Hij was in het bezit van grote hoeveelheden inlichtingen. De B.I.-agent verdween naar de Sipo-gevangenis in Haaren en belandde uiteindelijk in het tuchthuis van Hameln. Het in juni 1944 tegen hem uitgesproken doodvonnis werd niet voltrokken. Hij overleefde de oorlog. Zijn opvolger, J.A. van Arkel, werd op 22 november 1943 opgepakt als gevolg van de infiltratie van mejuffrouw A. van Leeuwen in de organisatie Fiat Libertas. In januari 1944 namen de 24-jarige mr. C. Brouwer uit Dordrecht, die al in maart 1943 met De Jonge in contact was gekomen en sindsdien voor Albrecht werkte, en Th.J.A.M. van Lier de leiding van de dienst over. In april 1944 mislukte een poging van Van Lier om naar Engeland uit te wijken. Hij werd gearresteerd. Sindsdien berustte de leiding over Albrecht alleen bij Brouwer. Deze bouwde de organisatie op efficiënte wijze uit door intensief gebruik te maken van los van het P.T.T.-net functionerende telefoonnetten. De dienst bediende zich onder meer al vanaf februari 1944 van het netwerk van de Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits Maatschappij (P.N.E.M.) en in de loop van het voorjaar en de zomer ook van de netten van de Limburgse en Gelderse Electriciteitsmaatschappijen en de Zuidlimburgse mijnen. De organisatie van Brouwers telde weldra ongeveer achthonderd medewerkers, verdeeld over circa twintig, zelfstandig werkende groepen. De groep-Albrecht kende een sterk gedecentraliseerde structuur. Tot mei 1944 verzond de organisatie inlichtingen via de Zwitserse Weg B en via de Philips-topman mr. W.E.A. de Graaff. In mei en juni zond Bureau Inlichtingen de twee marconisten W. Visser en K.Ch. Mooiweer, elk met een zender, naar Nederland om de inlichtingen van Albrecht over te seinen. De twee zenders werden opgesteld in de moeilijk toegankelijke Biesbosch, dicht genoeg bij Rotterdam waar de centrale van Albrecht was gevestigd.
      Conform een van de oorspronkelijke opdrachten van De Jonge, namelijk om te zijner tijd deel te nemen aan de gewapende strijd tegen de bezetter, zocht de groep-Albrecht verbinding met de gewapende illegaliteit. Het contact met de O.D. leverde niet veel op. Dat met de K.P. daarentegen resulteerde in een nauwe samenwerking met de Landelijke Sabotage Commandant J.A. van Bijnen in Rotterdam en de Centrale Inlichtingen Dienst (C.I.D.) van de L.O. In september werden de zenders van Albrecht - het waren er inmiddels drie - van de Biesbosch overgebracht naar Rotterdam. In de eindfase van de bezetting beschikte de organisatie dus over uitstekende verbindingen. Het contact met B.I., dat inmiddels in het bevrijde Eindhoven zetelde, en de geallieerden werd onderhouden door middel van zendapparatuur, radiotelefoniezenders (walkie-talkies) waarmee via vliegtuigen contact kon worden onderhouden, clandestiene telefoonverbindingen en zogeheten line-crossers, koeriers die door de frontlinie gingen. In de winter van 1944-1945 concentreerde Albrecht zich vooral op het oosten van het land, omdat daar een geallieerd offensief werd verwacht. 22

      II.2.2. Limburg

      Kort na zijn aankomst in Nederland ontmoette de B.I.-agent H.G. de Jonge de ambtenaar W. van der Mast van het G.A.B. in Rotterdam. Deze verklaarde zich bereid militaire inlichtingen te verzamelen op de Zuidhollandse eilanden en in het westelijk deel van Noord-Brabant. Naar aanleiding van de terugvoering in krijgsgevangenschap van de Nederlandse militairen dook Van der Mast in juni 1943 onder in het vlakbij de Biesbosch en even ten noorden van Raamsdonksveer gelegen Hank. Daar sloot hij zich aan bij de snel groeiende L.O. In het najaar van 1943 kwam hij in aanraking met mr. C. Brouwer, die hem vertelde over de mislukte pogingen van De Jonge naar Engeland terug te keren. Van der Mast zegde toe voor Albrecht te blijven werken. Vermoedelijk begin 1944 werd hij door Brouwer aangesteld als hoofd van de organisatie in Zuid-Nederland, te weten de provincies Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en enkele gebieden rond de grote rivieren. De in de buurt van Hank ondergedoken D. Dral trad op als Van der Masts naaste medewerker. Wekelijks ontmoetten ze elkaar in Raamsdonksveer. Daar overhandigde Dral Van der Mast de rapporten waarin hij alle recent binnengekomen gegevens van Albrecht-Zuid-Nederland had verwerkt. Een gedeelte van de inlichtingen kwam binnen op het adres van mevrouw C. van Epen-Wanner in Vught. Zij bracht het materiaal per trein en vanaf september 1944 per fiets naar Raamsdonksveer. Van der Mast en enkele koeriers zorgden ervoor dat de rapporten de centrale in Rotterdam bereikten. 23 De groep-Albrecht beschikte in Limburg over twee centra, een in Heerlen en een in Roermond. Wellicht bestond eind 1943 en begin 1944 korte tijd contact met illegale werkers in Sittard, zoals H.L.M. van der Hoff, pater M.H. van Rooy O.F.M. en W. Krayenhof. Dit contact heeft zeker niet langer bestaan dan tot april 1944 toen Th.J.A.M. van Lier, een van de leiders van Albrecht, werd aangehouden. 24 De verbinding met Heerlen dateerde van het voorjaar van 1944 en was tot stand gebracht door sergeant M. Dijkers uit Breda. Deze introduceerde Van der Mast bij Th.R. Seldenrath, mijningenieur te Schaesberg, die onder Dijkers in het leger had gediend. Na enkele oriënterende gesprekken werd overeengekomen dat Seldenrath objecten die voor een bombardement in aanmerking kwamen in kaart zou brengen en aanvullende gegevens zou verschaffen. Voorts zou hij proberen inlichtingen los te krijgen van een kennis in Aken. De door Seldenrath bij Albrecht betrokken directeur van Limagas (Limburgsche Maatschappij voor Gasdistributie) in Heerlen, ir. J.J. Derksen uit Klimmen, ging zich toeleggen op het verzamelen van militaire en economische inlichtingen in de regio. Derksen genoot vanwege zijn beroep veel bewegingsvrijheid. Bovendien onderhield hij intensief contact met de directies van de staatsmijnen. 25
      Voor de clandestiene telefonische verbindingen deed Van der Mast een beroep op J. van Dam van Isselt uit Maastricht, bedrijfsingenieur b.d. van de P.L.E.M., bij wie hij wellicht door medewerkers in de Mijnstreek of contactpersonen in de L.O. was geïntroduceerd. Van Dam van Isselt beperkte zijn werkzaamheden voor Albrecht tot een minimum, maar bracht Van der Mast tegen de zomer van 1944 wel in contact met de in Maasniel woonachtige P.L.E.M.-medewerker ir. E.H.G. Moors. Moors ontpopte zich als de actiefste en vindingrijkste agent van Albrecht in Limburg. Hij zorgde er onder meer voor dat het P.L.E.M.-telefoonnet niet alleen aan het particuliere net van de Zuidlimburgse mijnen werd gekoppeld, maar ook aan dat van de Noordbrabantse P.N.E.M.26 Moors kreeg in Maasniel steun van onder anderen broer en zuster F. en E. Beek en J.M. van Laar (hij overleed op 8 augustus 1944 in de gevangenis van Maastricht, nadat hij bij een razzia op 29 juli 1944 was opgepakt) en in Roermond van de broers P.W. en Th.C. van Helvoort en J. Roosjen, hoofdopzichter van de Stroomverkoopmaatschappij. Ook kon hij rekenen op de steun van de koerierster W.A.J. Simmelink uit Nijmegen, van Ch.H.A.M. Haegens uit Horst en van een groep illegale werkers op het landgoed de Bedelaar bij Haelen, die inlichtingen verschafte over Duitse troepenbewegingen op de westelijke Maasoever in Midden-Limburg. 27 De eerste rapporten van J.J. Derksen en E.H.G. Moors, de twee hoofdagenten van Albrecht in Limburg, aan Dral en Van der Mast dateren van mei of juni 1944. Tot begin september berichtte Derksen onder meer over “foute” politiebeambten in Zuid-Limburg. Hij stelde vast dat de mijnpolitie overwegend betrouwbaar was. Hij vermeldde de activiteiten in de grotten van Valkenburg en de opstelling van luchtafweergeschut bij Sittard en Venlo en constateerde dat veel mijnprodukten en produktiemiddelen zoals dynamiet per spoor naar Duitsland werden afgevoerd. Toen de leiding van de Staatsmijn Maurits te Geleen bevel kreeg explosieven te gaan vervaardigen, sloeg de directie alarm. Men verzocht Derksen om naar een precisiebombardement te vragen van die delen van het Stikstof Bindings Bedrijf (S.B.B.) waar de explosieven vervaardigd zouden worden. Het bombardement zou na 18.00 uur plaats moeten vinden. Directie en kaderpersoneel doken onder. Derksen gaf het verzoek op 21 augustus aan de centrale door, maar trok het op 30 augustus weer in. Met hulp van het S.B.B.-personeel lukte het ingenieurs namelijk de produktie te dwarsbomen. Enkele Duitsers poogden op eigen houtje het produktieproces op gang te brengen, maar tevergeefs. In zijn vermoedelijk laatste bericht, gedateerd 8 september 1944, maakte Derksen melding van het opblazen van de bruggen over het Julianakanaal bij Roosteren, Echt en Stevensweert. 28]
      De in de Mijnstreek geboekte resultaten waren kennelijk aan de magere kant evenals de kwaliteit van de inlichtingen. Dral liet zich althans in weinig vleiende bewoordingen uit over de werkzaamheden van Derksen c.s.: “In elk geval heb ik nimmer het gevoel gehad dat deze uithoek over de leiding beschikte die zo dringend gewenst was. (...) Misschien heeft 't aan de nodige tijd ontbroken of was er een gemis aan goede hulpkrachten”. Als derde mogelijkheid opperde Dral een gebrek aan belangstelling. 29
      Rond de bevrijding werd handig gebruik gemaakt van de ondergrondse gangenstelsels en de mijntelefoon. Toen Amerikaanse eenheden op 17 september posities innamen tussen Schaesberg en Kerkrade, kwam de mijn Wilhelmina in bevrijd gebied te liggen, de nabijgelegen Oranje Nassaumijn II niet. De gangenstelsels van de twee mijnen waren echter met elkaar verbonden. Met hulp van enkele K.P.-ers en oud-militairen bracht G. Zijlstra uit Schaesberg de sterkte en opstelling van de Duitse verdediging in kaart. In gezelschap van ir. Seldenrath daalde hij op 17 september in de Oranje Nassaumijn II af. Ondergronds trokken ze naar bevrijd gebied. Daar lichtten ze de lokale Amerikaanse commandant in. Ze stelden hem voor Amerikaanse soldaten van het gangenstelsel gebruik te laten maken om de Duitse verdedigers achter de linies te verrassen. De bevelhebber zag ervan af, omdat hij het risico voor zijn manschappen te groot vond. Zijlstra besloot terug te keren. In bezet gebied constateerde hij dat de Duitsers versterkingen aanvoerden. Via de mijntelefoon - wellicht had Seldenrath hem op deze mogelijkheid geattendeerd - kon hij de Amerikanen nauwkeurig over de Duitse posities informeren. Prompt volgde een beschieting, waarna de verdedigers zich terugtrokken. Op 18 september werd het gebied rond de Oranje Nassaumijn II bevrijd. 30 Ingenieur Moors eerste rapport dateert van juni 1944. Daarin meldde hij dat er bij Venray een “luisterinstallatie” stond opgesteld waarmee geallieerde bommenwerpers opgespoord konden worden. In de buurt van Hunsel zou een stoor- en zendstation in gereedheid worden gebracht. Moors' berichten van eind juli 1944 bevatten onder meer informatie over de bedrijvigheid op de vliegvelden Venlo en Gilze-Rijen in verband met de bouw van lanceerinrichtingen voor de V-1 en V-2. Begin september liet hij weten dat veel bruggen in de provincie van dynamietladingen waren voorzien en dat het vliegveld Venlo onlangs was ontruimd en in brand gestoken. Bovendien hield hij de centrale in Rotterdam nauwkeurig op de hoogte van de aanvoer van versterkingen uit Duitsland via Vlodrop. S.S.-pantsertroepen werden via Midden-Limburg naar noordelijker gelegen gebieden gedirigeerd en in de omgeving van Roermond arriveerden parachutisteneenheden. De Organisation Todt zette grote aantallen dwangarbeiders in bij de aanleg van versterkingen op de oostelijke Maasoever. De lokale mannelijke bevolking werd gedwongen graafwerkzaamheden te verrichten. Moors' medewerker F. Beek, tekenaar bij de P.L.E.M. te Roermond, bracht de loopgraven, tankgrachten, prikkeldraadversperringen, bunkers en geschutopstellingen in kaart. Moors was er inmiddels met hulp van P.T.T.-technici in geslaagd de telefoongesprekken van de civiele autoriteiten in Roermond af te luisteren door afgesloten telefoonabonnees weer clandestien aan te sluiten op het net en via de centrale te verbinden met de toestellen van de autoriteiten. Onafgebroken werd door onderduikers zoals P.W. van Helvoort en H. van de Beek gepost bij een telefoontoestel. Ze werden geassisteerd door enkele verpleegsters die de gegevens bij de vier of vijf luisterposten afhaalden. Later, eind oktober en begin november, luisterden Moors' medewerkers ook het telefoonverkeer van de militaire autoriteiten af. Het was een tijdrovende bezigheid en leverde naar verhouding weinig op. De civiele autoriteiten waren niet bij militaire aangelegenheden betrokken en de militairen maakten hoofdzakelijk gebruik van andere communicatiemiddelen. Op 9 september berichtte Moors dat het mogelijk was de stuw in de Maas bij Linne onklaar te maken wat tot gevolg zou hebben dat het water tussen Borgharen en Linne wegstroomde en de rivier droogviel. Twee dagen later meldde de Albrecht-agent dat de commandant van Heeresgruppe B, veldmaarschalk W. Model, met negen generaals zijn intrek had genomen in het klooster St. Paul te Arcen. Het bericht bereikte de centrale te laat om nog iets te kunnen ondernemen. Model verliet Arcen na enkele dagen weer. 31]
      In hoofdstuk VII, paragraaf II.8. staat beschreven dat de provinciale sabotagecommandant J.R.P. Crasborn vanaf 7 september gebruik kon maken van het communicatienet van Moors. Tot 15 september hield Crasborn via dit kanaal de gewestelijke en landelijke sabotagecommandant onder meer op de hoogte van het verloop van de spoorwegsabotage in Limburg. Meteen na het begin van operatie Market-Garden op 17 september verloor Moors het contact met de Albrecht-centrale. Hij werkte zelfstandig door en slaagde erin via het P.L.E.M.-net verbindingen tot stand te brengen met de Amerikanen in Maastricht en Weert. Hij lichtte hen in over de ontwikkelingen in het geïsoleerde deel van Limburg en over nieuwe troepenconcentraties in de Duitse grensstreek bij Brüggen, Niederkrüchten en Elmpt. Op 22 september ging het contact met de geallieerden in Weert verloren. Duitse eenheden hadden een brug over het kanaal Wessem-Nederweert opgeblazen waaronder de telefoonkabel liep. Hetzelfde gebeurde ter hoogte van Susteren met de verbinding met Maastricht, maar die kon spoedig worden hersteld. 32]
      Het telefoneren met bevrijd gebied was niet van gevaar ontbloot. Op 27 oktober vernam Moors dat de op drift geraakte N.S.B.-er ir J.J.H. Vos uit Maastricht een onderzoek had ingesteld naar het particulier P.L.E.M.-telefoonnet. Moors zette het telefoonverkeer meteen stop. Vos vermoedde dat het P.L.E.M.- net werd benut voor contact met bevrijd Zuid-Limburg en oost Noord-Brabant. Eind oktober deelde hij dat aan de Sipo in Venlo mee. Vos overhandigde E.W.E. Elsholz, door Ströbel met het onderzoek belast, een dienstgids met alle telefoonverbindingen van het elektriciteitsbedrijf. Een bezoek aan het knooppunt in Blerick leverde niets op. Vos en Elsholz gaven echter niet op en begaven zich met enkele militairen naar het zuidelijker gelegen schakelstation in Herten. Ze vonden er aanwijzingen dat Vos' vermoedens juist waren. Ook stelden ze vast dat met bevrijd Zuid-Limburg getelefoneerd kon worden. Tijdens het onderzoek in Herten viel de naam van de hoofdopzichter van de Stroomverkoopmaatschappij J. Roosjen. Bij een huiszoeking vond men in de kelder een telefoon en een beschrijving van de electriciteitsverbindingsnetten. Roosjen was zelf niet thuis. De hoofdopzichter was enkele dagen tevoren, op 24 oktober, op last van de Ortsgruppenführer der N.S.D.A.P. te Roermond, H. Nieland - mogelijk op grond van zijn anti-Duitse houding - in het Huis van Bewaring ingesloten. Op 31 oktober droeg Nieland de arrestant aan Elsholz over. Roosjen werd meegenomen naar Venlo voor verder verhoor. Dat leverde niets noemenswaardigs op. Op 17 november om twee uur 's middags werd Roosjen in opdracht van Ströbel op het verlaten vliegveld Venlo door het Sipo-lid H. Conrad doodgeschoten. 33] Eind oktober staakte Moors enige tijd het telefonisch verkeer. Eind november ging de verbinding met Maastricht definitief verloren. Sindsdien was hij aangewezen op koeriers die bereid waren door het front te gaan. In februari 1945 lukte het via electriciteitshoogspanningslijnen opnieuw telefonisch contact met Weert tot stand te brengen.34] Van veel betekenis was dat niet meer. Begin maart werden Noord- en Midden-Limburg bevrijd. Over Moors was de Albrecht-leiding uitermate tevreden: “de beste en moedigste medewerker, subliem, van alle markten thuis”. 35]

      II.3. Pietab-OXO

      II.3.1. Landelijk

      Eind 1940 vroeg J.M. Somer kapitein P.C.A.M. de Kort hem behulpzaam te zijn bij de opbouw van een (militaire) inlichtingen - en verzetsorganisatie. De Kort kreeg het westelijk deel van Noord-Brabant toegewezen. Daar begon hij met steun van een politie-inspecteur uit Breda, luitenant F. Brejaart, aan de uitvoering van zijn taak. Brejaart hielp Somer in maart 1942 bij zijn vertrek via Zwitserland naar Engeland en nam tevens de leiding van Somers inlichtingendienst op zich. De Kort verlegde zijn werkterrein naar Oost-Nederland, terwijl Brejaart zijn aandacht op het westen van het land richtte. Nadat in augustus 1942 Somers opvolger was opgepakt, stond De Kort aan het hoofd van de inmiddels in grote delen van het land actieve inlichtingendienst. Zijn naaste medewerker A. Koorink, een tandarts uit Amersfoort, verzamelde militaire inlichtingen in de provincie Utrecht en legde alle binnengekomen gegevens vast op microfilm. Als groepsnaam werd gekozen voor Pietab (Piet de Kort en Ab Koorink). Voor de verzending van het materiaal maakte de organisatie afwisselend gebruik van de diensten van de O.D., een route die via Putte naar Zwitserland liep en van Belgische verzetsgroepen die met Engeland in contact stonden. Medio 1943 werd De Kort door de inlichtingendienst van de O.D., op grond van informatie van de O.D.-er luitenant C. Navis, gewaarschuwd dat Koorink een dubbelrol speelde en voor de Sipo werkte. Het kostte veel moeite De Kort te overtuigen, hij kon niet geloven dat zijn naaste medewerker een (dubbel)spion was. Vooralsnog werden geen maatregelen genomen. De Kort speelde Koorink een half jaar lang nietszeggende informatie toe en wachtte af. Daarmee speelde hij hoog spel. Het risico voor de hele organisatie werd met name in O.D.-kring onaanvaardbaar hoog geacht. Uiteindelijk zag ook het hoofd van Pietab dat in. In opdracht van de O.D. werd Koorink bij Hoevelaken door leden van een Utrechtse knokploeg geliquideerd. Na de uitschakeling van Koorink benoemde De Kort A. van der Heijden uit Driebergen tot zijn naaste medewerker. Deze nam een gedeelte van de taken van zijn voorganger over, maar hield zich daarnaast bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen in Limburg. De groepsnaam kon uiteraard niet gehandhaafd blijven en werd gewijzigd in OXO. De naam betekende verder niets. In het voorjaar van 1944 werd de organisatie getroffen door een arrestatiegolf. De Kort ontsprong de dans, maar viel bij toeval op 15 mei 1944 in Delft alsnog in Duitse handen. Hij wist zich vrij te pleiten en dook meteen daarna onder. In juli besloot hij de organisatie op te heffen in verband met de toegenomen risico's. 36]
      Over de kwaliteit van het door de groep-Pietab-OXO bijeengebrachte materiaal liepen de meningen uiteen. Het hoofd van de O.D., jhr. P.J. Six, vond het niveau enigszins tegenvallen. Sectie V van de O.D., die zich bezighield met aangelegenheden betreffende verkeer en waterstaat, maakte in een telegram van 26 juni 1944 zelfs bezwaar tegen het door OXO geleverde materiaal. Tekeningen zouden onjuist zijn en foto's onherkenbaar. De sectie vroeg zich af of het nog wel zin had gegevens van OXO te blijven verzenden en de organisatie financieel te steunen. Eerder al had de O.D. weinig malse kritiek geuit over het doen en laten van De Kort. Hij zou gevaarlijke contacten onderhouden (wellicht doelden de critici op Koorink), zich niet steeds aan gemaakte afspraken houden en nogal royaal met geld omspringen. 37] De Korts critici verzuimden hun grieven met feiten en bewijzen te onderbouwen. Tot een echt conflict tussen de O.D. en OXO kwam het echter niet. In juli 1944 hief De Kort OXO immers op.

      II.3.2. Limburg

      II.3.2.1. Regio Sittard

      In de tweede helft van 1942 begonnen A. Maintz uit Geleen, hoofdmachinist op de staatsmijn Maurits, C.L.J.J. Zwaans, binnenvaartschipper te Born en een zekere Kooymans hulp te verlenen aan (bevriende) joodse onderduikers. Als naam voor het groepje kozen ze Mazwako, een samenvoeging van de beginletters van hun achternamen. Toen twee door Mazwako geholpen joden werden opgepakt, liep het mis. Er ontstond onenigheid in het groepje. Het gevolg was dat Kooymans opstapte. Zijn plaats werd korte tijd later ingenomen door A.J.A. Hoekstra, een bij Zwaans ondergedoken O.D.-er uit Oosterhout. Hoekstra werkte onder de schuilnaam Koenraadt - die naam stond ook in zijn vals PB - zodat de naam van het groepje niet gewijzigd hoefde te worden. In de loop van 1943 of begin 1944 kreeg Mazwako verbinding met A. van der Heijden uit Driebergen, de naaste medewerker van De Kort. Van der Heijden kende een door het Limburgs groepje geholpen joodse familie. Op diens verzoek traden Maintz en Hoekstra tot Pietab-OXO toe en op aandrang van Maintz ook Zwaans. Van der Heijden verzocht de Limburgers de mogelijkheden te onderzoeken om inlichtingen van Pietab-OXO via deze provincie en België naar Engeland te verzenden. Maintz, die af en toe naar België reisde om er vermiste joden op te sporen, beschikte daar reeds over verschillende contactpunten. Met hulp van Zwaans vond hij een route over Hasselt. Vanaf die tijd ontving Mazwako inlichtingen op microfilm van Van der Heijden die vervolgens naar Hasselt werden gebracht. Dat de lijn bonafide was, bleek uit een codebericht uitgezonden door de B.B.C. De zendingen arriveerden op hun bestemming in Engeland. De leden van deze Limburgse OXO-tak verzamelden met steun van J. Hardenberg uit Born ook zelf inlichtingen. Het in de eerste helft van 1944 bijeengebrachte materiaal bevatte onder meer gegevens over de sluizen in en het goederenvervoer op het Julianakanaal, de stuw in de Maas bij Belfeld, (de produktie in) de mijnen, de electriciteitsvoorziening in Noord-Brabant en Limburg, de koppeling van het Nederlandse electriciteitsnet aan het Belgische, provocateurs en troepen- en wapentransporten.
      De Mazwako-medewerkers werkten niet alleen voor OXO. Maintz en Zwaans lieten ook twee geallieerde vliegeniers via de route over Hasselt naar onbezet gebied vertrekken. Kort daarna gebeurde iets merkwaardigs. Na de doorkomst van de twee vliegeniers vond een groot aantal arrestaties plaats in Hasselt. Enkele illegale werkers verloren daarbij het leven. Twee volgende vliegeniers konden ternauwernood ontkomen. De vlucht- en berichtenroute kon dus niet langer worden gebruikt. Aanvankelijk wist alleen Zwaans - hij fungeerde als koerier - van de gebeurtenissen. In plaats van alarm te slaan deed hij of er niets aan de hand was en accepteerde telkens weer het door OXO aangeboden materiaal. Uiteraard kon hij het niet lang verborgen houden, maar ook Hoekstra ondernam, toen hij er achter kwam, vooralsnog niets. Wellicht wist Zwaans hem ervan te overtuigen dat spoedig een nieuwe route in gebruik kon worden genomen. Kennelijk onderschatte hij de situatie. Het vinden van een nieuwe route leverde grote problemen op. Nu aarzelde Hoekstra niet langer en lichtte Maintz en Van der Heijden in. De drie kwamen voor een bespreking met De Kort in Driebergen bijeen. Hoekstra bracht uitkomst. Hij stelde voor contactpersonen in de O.D. te polsen. Wellicht bestond er een kans de inlichtingen via O.D.-kanalen te versturen. Na enkele weken vond hij in Breda het juiste contactpunt. Voortaan werden de gegevens van OXO door de O.D. verzonden. Op verzoek van De Kort bleef Mazwako voor OXO actief. Tegen Zwaans werden geen maatregelen genomen aangezien hij - ondanks de kapitale blunder - steeds te goeder trouw had gehandeld. 38]

      II.3.2.2. Maasniel

      In Maasniel werkte L.F.J. Janssens van der Sande voor Pietab-OXO. Hij was door zijn zwager P.C.A.M. de Kort bij de organisatie betrokken. Rond de zonderlinge Janssens van der Sande hing een ten dele door hem zelf gecreëerde waas van geheimzinnigheid. Niemand wist precies wat hij deed. Zeker is dat hij in de eindfase van de bezetting in verband met andere, onduidelijke (verzets) activiteiten diverse illegale werkers om zich heen verzamelde. Naar zijn eigen zeggen was zijn bijdrage aan het illegale werk van eminent belang geweest. Waaruit die bijdrage had bestaan kon hij niet aan de hand van feiten en bewijzen aantonen. Menigeen deed zijn (naoorlogse) verhalen daarom af als een zeepbel of verwees ze naar het rijk der fabelen. Het materiaal dat de leiding van OXO sedert januari 1944 uit Maasniel bereikte bevatte weinig belangwekkends. Bovendien kunnen deze inlichtingen net zo goed zijn verzameld door de in Maasniel ondergedoken advocaat mr. F. Kimmel, die in april 1944 werd opgepakt en in Duitsland belandde. De Middenlimburgse inlichtingen bevatten gegevens over het vliegveld Venlo, de gashouder bij het station in Venlo, de stuw bij Linne, de sluis bij Maasbracht, het spoorwegknooppunt bij Blerick en een filiaal van de firma Zeiss uit Jena te Venlo, waar onder meer periscopen werden vervaardigd. 39]

      II.4. De Groep-Packard

      II.4.1. Landelijk

      Eind 1941 namen twee studenten in Delft, H. Deinum (zie paragraaf II.1.1.) en M. Vader, het initiatief tot de oprichting van een organisatie die zich zou moeten richten op het verzamelen van politieke, economische en militaire inlichtingen. Ze begrepen dat hun plan alleen kans van slagen had als ze over een deugdelijke radiografische verbinding met Engeland beschikten. Dank zij een schipper uit Delfzijl konden ze de autoriteiten in Engeland van hun voornemens op de hoogte stellen. Dat resulteerde eind december 1942 in de komst van een zender (“Packard”), zendkristallen en een zendschema. De kustvaarder uit Delfzijl had de apparatuur uit Zweden meegebracht. Een kennis van Deinum, A.A. de Roode, testte het zendapparaat en stelde vast dat het toestel niet voldeed. Dezelfde De Roode - hij had als adjunct verkeersleider op Schiphol gewerkt en wist hoe belangrijk het was om over actuele informatie over de weersgesteldheid te beschikken - werkte een plan uit voor een meteorologische zendpost in Nederland. Daarvan zouden de geallieerde vliegtuigen profijt kunnen hebben. De Roodes plan en een verslag over de Packard-zender werden begin 1943 meegegeven aan een Engelandvaarder. Eind april 1943 bereikte dit materiaal de burelen van B.I. te Londen. Het resultaat was dat B.I. op 10 juni 1943 de agent baron P.L. d'Aulnis de Bourouill met een zender naar Nederland zond. Op 5 juli ontmoette deze Deinum en Vader. Op verzoek van d'Aulnis liet B.I. in september 1943 vier agenten met zenders afwerpen boven de Wieringermeer. Daarvan waren er twee bestemd voor de meteorologische inlichtingendienst Packard. Begin oktober vestigden de marconisten zich met hun zenders in Utrecht (“Irene”) en Groningen (“Beatrix”). In februari 1944 werd een derde zender opgesteld in Maastricht (“Margriet”) en in het vroege voorjaar nog een in Amsterdam, maar die werd hoofdzakelijk gebruikt voor het doorgeven van algemene inlichtingen.
      Rond elke zender organiseerde De Roode een groepje medewerkers: een marconist, een (professionele) weerkundige die gegevens verzamelde over luchtdruk, luchtvochtigheid, bewolking, neerslag, temperatuur en dergelijke en iemand die toezag op de veiligheid van de anderen. Voor de verzending van rapporten en langere berichten - het accent lag tot in de zomer van 1944 overigens op de meteorologische berichtgeving - maakte de groep gebruik van de diensten van Fiat Libertas. Toen de geallieerden naderden, ging Packard zich ook bezighouden met het verzamelen en doorgeven van militaire en civiele inlichtingen. De verbindingen met Engeland waren goed. De organisatie groeide snel, uiteindelijk telde Packard tussen de twee- en driehonderd medewerkers. De centrale was gevestigd in Den Haag, met Amsterdam als tweede centrum. In september 1944 viel door de bevrijding van Zuid-Limburg de zender in Maastricht weg. In oktober en november werden bovendien de zenders in Utrecht en Groningen uitgepeild. Twaalf Packard-medewerkers vielen hierdoor in Duitse handen. Door haar grote veerkracht en het groot aantal verbindingen kon de organisatie echter haar uiterst nuttige werk tot de bevrijding voortzetten. 40]

      II.4.2. Limburg

      De eerste verbinding met Limburg kwam tot stand dank zij agent d'Aulnis de Bourouill. Hij legde contact met jhr. dr. ir. W.J.J. de Muralt, arbeidsinspecteur te Maastricht. Deze introduceerde hem op zijn beurt bij zijn plaatsgenoot E. van der Noordaa. Na enig speurwerk vond Van der Noordaa een plek voor de zender van Packard. Kapelaan J.G.W. Joosten was bereid het toestel te laten installeren in de Onze Lieve Vrouwekerk in het hartje van de stad. Toen dit plan vanwege de aanhouding van Van der Noordaa op 22 februari 1944 op het allerlaatste moment niet doorging, nam A.A. de Roode contact op met de arts F.R. van der Ley. Deze verklaarde zich bereid de zender (“Margriet”) in zijn woning te laten installeren en de marconist “Bloemkolk” of “Blok” te huisvesten. De marconist vond naderhand onderdak bij dr. A.H.M.C. Kessen. Medewerkers van de Belasting Groep Maastricht verleenden eveneens medewerking. Om het risico van uitpeiling zo klein mogelijk te houden verhuisde de zender telkens van plaats. Het apparaat stond onder meer in de woning van mevrouw Nijst en in de woning van O.D.-er en B.G.M.-medewerker J. Eleveld, die het toestel ook af en toe in de St.-Pietersberg verstopte. Eleveld was namelijk belast met de bewaking van een deel van 's rijks kunstschatten die uit veiligheidsoverwegingen in de berg waren ondergebracht. B.G.M.-leden en medewerkers van de groep-Wetzels/Lamberti (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.6.) voorzagen de marconist van allerlei informatie en sommigen vroegen hem zelfs voor een wapendropping op de St.- Pietersberg te zorgen. Dat gebeurde niet. De Limburgse Packard-groep, die overwegend bestond uit O.D.-ers en B.G.M.-leden, had weliswaar niet te lijden van arrestaties of andere tegenslagen, maar het doen en laten van Van der Ley baarde de Packard-leiding ernstige zorgen. Deinum beschouwde de arts als een “ongelofelijke wildeman”, wat niet wegneemt dat Van der Ley zich een onverschrokken illegale werker toonde. Bij de nadering van de geallieerden trok hij er op de fiets op uit en verkende de omgeving. Zijn bevindingen rapporteerde hij aan de Packard-marconist. 41]

      III. Inlichtingenroutes via Limburg

      III.1. De Zwitserse Weg A

      Om twee redenen schenken we kort aandacht aan de Zwitserse Weg A. In de eerste plaats liep de route via Limburg en de tweede reden is dat in katholieke kring enige commotie ontstond omtrent het functioneren van die route. De belangrijkste bijdrage tot het ontstaan van deze berichten- en inlichtingenweg leverde de “Vrij Nederland”-medewerkster H. Ch. Kohlbrugge. In juni 1942 reisde zij via het Noordbrabantse Putte naar Zwitserland. Ze had onder meer documenten van de O.D. bij zich, die ze van haar V.N.-collega H.M. van Randwijk had ontvangen. Van Randwijk onderhield toen nog nauwe betrekkingen met deze verzetsorganisatie. De stukken overhandigde ze in Zwitserland aan dr. W.A. Visser 't Hooft, secretaris van de Wereldraad van Kerken in Genève. Haar komst kwam hem zeer gelegen.
      Kort tevoren was hij namelijk door de Nederlandse regering in Londen gevraagd de contacten tussen “Londen” en Nederland waar mogelijk te bevorderen. Kohlbrugge verklaarde zich bereid twee relaties van Visser 't Hooft, mr. G.H. Slotemaker de Bruine en N. Stufkens, te vragen in de toekomst algemene rapporten samen te stellen over de situatie in bezet gebied. Kohlbrugge zag erop toe dat de rapporten op microfilm werden gezet en vervolgens werden verstopt in de kaften van wetenschappelijke boeken die van tijd tot tijd via het internationale ruilverkeer Zwitserland bereikten. Vanaf de zomer van 1943 nam het berichten- en inlichtingenverkeer van en naar Zwitserland toe door de inschakeling van J. Bartels. Hij was in 1940 in een Zwitsers sanatorium verpleegd en inmiddels hersteld. In opdracht van Visser 't Hooft reisde hij enkele keren naar Nederland. Belangrijker nog was dat men aansluiting kreeg bij de internationale vluchtelingenroute “Dutch-Paris” van de in Frankrijk woonachtige Nederlander J.H. Weidner. 42] Al vroeg in de oorlog verleende Weidner hulp aan (Nederlandse en joodse) vluchtelingen. Zijn werkzaamheden raakten al spoedig bekend in illegale kringen. In oktober 1942 kreeg hij bezoek van de in België wonende Nederlandse hulpverleners aan joden B.M. Nijkerk en E.S. Chait. Zij riepen zijn hulp in bij het opbouwen van nieuwe vluchtwegen naar Spanje en Zwitserland.
      Dank zij Weidners inspanningen konden begin 1943 een route naar Zwitserland en een naar Spanje in gebruik worden genomen. Visser 't Hooft, die Weidners vluchtelingenhulp financieel ondersteunde, kreeg in mei 1943 bezoek van Nijkerk. Bij deze gelegenheid vroeg hij Nijkerk of het mogelijk was “DutchParis” in te schakelen bij het onderhouden van de verbinding tussen hem en zijn Nederlandse rapporteurs. Nijkerk legde het verzoek voor aan Weidner die ermee instemde. Uit veiligheids-overwegingen construeerde Weidner echter een nieuwe, afzonderlijke route, die in oktober 1943 in gebruik werd genomen. Hij zelf en zijn medewerkers Chait, P.Th. Veerman en P. Rens fungeerden als koeriers in België en Frankrijk en J.G. Le Jeune op het traject Nederland-België-Frankrijk. 43]
      De Nederlander Le Jeune had tot 1942 criminologie gestudeerd in Leuven. Dat jaar werd de Leuvense universiteit gesloten en keerde hij naar Nederland terug. Hij vestigde zich in Bilthoven, waar een O.D.-er hem introduceerde bij Slotemaker de Bruïne. Aangezien Le Jeune in het verleden vaker de grens clandestien was gepasseerd, vond Slotemaker de Bruïne hem bij uitstek geschikt om te gaan koerieren op de Zwitserse Weg. Le Jeune vond een route via de Zuidlimburgse grensplaats Eijsden. Vanaf de grens begaf hij zich te voet naar Visé, waar hij de trein naar Leuven en Brussel nam. In de Belgische hoofdstad overhandigde hij de rapporten van Slotemaker de Bruïne en Stufkens aan Weidner of een van zijn koeriers. Af en toe reisde hij tot Parijs. De grensoversteek naar Frankrijk leverde weinig problemen op. J. Bartels had op zijn eerste tocht naar Nederland een locatie gevonden waar de grens veilig kon worden gepasseerd. 44]
      Vanaf oktober 1943 was er sprake van een intensief verkeer tussen Nederland en Zwitserland. Gemiddeld twee à drie keer per maand ontving Visser 't Hooft in Genève de microfilms met de rapporten. Ze bevatten gegevens over de illegaliteit, over politieke en economische aangelegenheden, over de houding van de bevolking en bepaalde beroepscategorieën, militaire inlichtingen en afdrukken van illegale bladen. Voor de verwerking van de militaire inlichtingen schakelde Visser 't Hooft de Nederlandse militair attaché in Bern, generaal A.G. van Tricht, in. De verzending naar Londen geschiedde op meerdere manieren. Nu eens verstopte hij de microfilms in voorwerpen die hij aan Engelandvaarders meegaf of deed hij een beroep op de Franse illegaliteit dan weer verborg hij ze in kaften van boeken die vervolgens via Zweden of Portugal werden verstuurd. 45]
      Door de arrestatie van een koerierster van Weidner in februari 1944 in Parijs - zij had een zakboekje met talrijke adressen bij zich - wisten de Duitsers diepe bressen te slaan in Dutch-Paris (zie hoofdstuk IV, paragraaf X). Dank zij de strikte scheiding tussen de vluchtelingenroutes en de koerierslijn van en naar Zwitserland bleef de Zwitserse Weg intact. Weidner en andere leidende figuren van Dutch-Paris ontsnapten aan arrestatie en zetten hun werkzaamheden voort. 46] Toch werd het gedeelte van de route tot Frankrijk gereorganiseerd. Le Jeune vond een nieuwe grensovergang ter hoogte van het dorpje Kleine Meers bij Stein, waar de Maas de grens met België vormt. Hoofdonderwijzer H.H.A. Meijers zorgde ervoor dat Le Jeune veilig de Maas kon oversteken. Wellicht verrichtte Meijers ook zelf af en toe koeriersdiensten op de nieuwe route naar Brussel, die van Kleine Meers naar Belgisch Eisden liep. Vandaar sloot een mijnwerkerstrein aan op het traject naar Brussel. In het voorjaar van 1944 viel deze verbinding weg. Sindsdien reisde Le Jeune met auto's van een groot kruideniersbedrijf uit Eisden naar Brussel, waar hij zich in april op verzoek van Weidner c.s. had gevestigd. Ondanks enkele tegenslagen bleef de Zwitserse Weg A tot kort voor de bevrijding van Brussel, op 3 september 1944, in gebruik. In het voorjaar en de zomer vielen achtereenvolgens B. Nijkerk, P. Veerman en J. Le Jeune in Duitse handen. Veerman en Le Jeune werden op 22 juni 1944 tijdens een razzia in Brussel opgepakt. Nijkerk kwam in Neuengamme om het leven. Le Jeune werd vrijgelaten, Veerman belandde in Duitsland waar hij tot de bevrijding dwangarbeid moest verrichten. 47] Onderwijzer Meijers ontsnapte ternauwernood aan arrestatie. Op 4 juli 1944 liet de N.S.B.-burgemeester van Beek, A.M.J.A. Regout, zijn partijgenoot, commissaris van de koningin in Limburg M.V.E.H.J.M. de Marchant et d'Ansembourg, weten dat het schoolhoofd uit Kleine Meers zich inliet met de illegaliteit. Hij voegde eraan toe de Sipo hierover tot dusver niets te hebben meegedeeld. Een telefonist op het provinciehuis in Maastricht, J.A. Knoop, had het gesprek afgeluisterd. Hij liet Meijers meteen waarschuwen. Deze nam het zekere voor het onzekere en dook - tijdelijk - onder. Dat was maar goed ook, want enkele dagen later verscheen de Sipo in het Maasdorpje. 48]
      In tegenstelling tot andere inlichtingenorganisaties en -wegen speelde in de berichtgeving via de Zwitserse Weg A partijpolitieke, ideologische en confessionele componenten een belangrijke rol: reden om er op deze plaats bij stil te staan. Het beleid dat de Politieke Commissie en Visser 't Hooft voerden en de invloed die ze trachtten uit te oefenen gaven tijdens en na de oorlog aanleiding tot verhitte discussies en onverkwikkelijke taferelen. Twee kwesties stonden daarbij op de voorgrond. In de eerste plaats het conflict tussen de O.D. en mejuffrouw Kohlbrugge enerzijds en Van Randwijk en Visser 't Hooft anderzijds dat er uiteindelijk toe leidde dat de O.D. zich heimelijk inzage verwierf in de stukken die via de Zwitserse Weg werden verzonden. Het geschil ontstond in de zomer van 1943 toen Slotemaker de Bruïne en Stufkens besloten hun kleine team uit te breiden met H.M. van Randwijk en met A.H. van Namen en mr. J. Cramer, twee medewerkers van “Vrij Nederland”, met wie ze al langer nauwe contacten onderhielden. In het nieuwe comité, de zogeheten Politieke Commissie, was geen plaats voor Kohlbrugge. Zij voelde zich hierdoor diep gegriefd. Slotemaker de Bruïne en Stufkens hadden haar voordien regelmatig bij hun werk betrokken. Zonder directe aanleiding - die was er overigens wel: Van Randwijk verdacht Van Kohlbrugge ervan zowel “Vrij Nederland” als de O.D. te dienen op een moment dat er opnieuw een conflict tussen hem en de O.D. dreigde naar aanleiding van de instelling van een militair interimbewind - zag zij zich plotseling “gedegradeerd” tot een technische hulpkracht, verantwoordelijk voor de microfilms en de verzending. Ze protesteerde, maar men ging niet op haar verweer in. Volgens Van Randwijk was in de Politieke Commissie slechts plaats voor personen met politiek en staatkundig inzicht. Kohlbrugge was weliswaar een nuttig en zeer gewaardeerd illegaal werkster, maar aan het door Van Randwijk gehanteerde criterium voldeed zij niet. Ze gaf zich echter niet zomaar gewonnen. Zowel de Politieke Commissie als Visser 't Hooft voorzagen de rapporten en informatie van commentaar. Zo hoopten ze enige invloed te kunnen uitoefenen op de besluitvorming van de regering in Londen. Kohlbrugge wist daarvan en lichtte het hoofd van de O.D., jhr. P.J. Six, in. De Zwitserse Weg kon volgens haar niet langer neutraal genoemd worden, de regering zou eenzijdige voorlichting ontvangen. Six, die al eerder met Van Randwijk in aanvaring was gekomen over de doelstellingen van de O.D., deelde de mening van Kohlbrugge. Ten onrechte werd zelfs gesproken over censuur door de Politieke Commissie. Teneinde haar beschuldigingen met feiten te kunnen onderbouwen en de regering te zijner tijd van haar gelijk te overtuigen, besloot Kohlbrugge de zendingen van de Politieke Commissie aan Six ter inzage te geven. Daarmee begaf zij zich op een hellend vlak. Deze laakbare handelswijze van de O.D. ten aanzien van de Zwitserse Weg duurde tot februari 1944, maar bracht niets aan het licht. Zelf had Kohlbrugge overigens al in september 1943 met de Politieke Commissie en “Vrij Nederland” gebroken. 49]
      Het tweede conflict kwam voort uit de beschuldiging van katholieke zijde - wellicht het scherpst geformuleerd door pater L.A. Bleijs - dat de medewerkers van de Zwitserse Weg A geen aandacht zouden schenken aan de bijdrage van de Nederlandse katholieken aan de georganiseerde illegaliteit. De Politieke Commissie en Visser 't Hooft werden opnieuw partijdigheid verweten. Dat was tot op zekere hoogte inderdaad het geval, maar hierin school niet de kern van het probleem. Herhaaldelijk was vastgesteld dat het in Londen aan wezenlijke informatie ontbrak, zo leek het althans. Hierdoor kon men, met alle nadelige consequenties vandien, de realiteit in bezet Nederland niet op de juiste wijze en binnen correcte verhoudingen beoordelen. Vooral in Limburg had de georganiseerde illegaliteit zich geruime tijd tamelijk onafhankelijk en los van landelijke verbanden ontwikkeld. Het is derhalve niet verwonderlijk - en het kan hun ook niet aangerekend worden - dat sommige Engelandvaarders, aan wier inlichtingen, visie en oordeel over de situatie in bezet gebied veel waarde werd toegekend, volstrekt niet op de hoogte waren van hetgeen in met name Zuid-Nederland op illegaal gebied gebeurde en welke structuren daaromheen waren gegroeid. Als een of meer vooraanstaande sociaal-democraten uit het westen van het land verklaarden niets te weten van het verzet der katholieken, hoefde zo'n uitspraak uiteraard niet te betekenen dat het katholieke volksdeel in dit opzicht in gebreke bleef. Vanzelfsprekend raakten de katholieke gemoederen verhit toen langzaam maar zeker doorsijpelde dat dergelijke mededelingen, of die nu afkomstig waren van personen die er belang bij hadden of gewoonweg voortkwamen uit onwetendheid, gemakkelijk geïnterpreteerd konden worden als zou het katholieke verzet nauwelijks iets voorstellen. Zij die deze mening waren toegedaan wezen gewoonlijk op de belangstelling in katholieke kring in de jaren twintig en dertig voor het corporatisme, op het in februari 1929 gesloten concordaat tussen het Vaticaan en Mussolini en de relatief succesvolle campagne van de N.S.B. in de overwegend katholieke provincies. Eens te meer bleek een eenmaal bestaand (onjuist) beeld buitengewoon moeilijk te corrigeren. Tot op zekere hoogte had men dat aan zichzelf te wijten. De katholieken hadden zich namelijk als volksdeel - in tegenstelling tot diverse andere, kleinere (verzets) groepen waaraan verhoudingsgewijs te veel gewicht werd toegekend - nauwelijks beijverd om de regering in Londen over het “katholiek” verzetswerk te informeren. Dat had bijvoorbeeld gekund door gebruik te maken van de Zwitserse Weg. Eind 1943 vroeg Slotemaker de Bruïne pater dr. J.G. Stokman of aan katholieke zijde geen behoefte bestond om inlichtingen via de Zwitserse Weg te verzenden. Stokman bracht het aartsbisdom van het aanbod op de hoogte. Men zag er de noodzaak niet van in. Waarschijnlijk heerste in katholieke verzetskringen - waarmee het episcopaat verbindingen onderhield - eenzelfde mening. Men had immers bewezen geheel zelfstandig en zonder bemoeienis en steun van de regering in Londen een uitstekend functionerende en wijdvertakte verzetsstructuur te kunnen opbouwen, die moeiteloos op eigen benen kon staan. Waarom zou “Londen” hiervan op de hoogte gesteld moeten worden? Slechts één keer, in juli 1944, nota bene op verzoek van de regering, maakte het aartsbisdom van de door Slotemaker de Bruïne geboden gelegenheid gebruik. 50]
      Het is begrijpelijk dat menigeen geschokt was over de in Londen gegroeide misvatting over de katholieke bijdrage aan het verzet. De leden van de Politieke Commissie kan evenwel nauwelijks een verwijt gemaakt worden. Veeleer, zo lijkt het, heeft een onderwaardering in katholieke verzetskring van goede verbindingen met Londen deze foutieve beeldvorming in de hand gewerkt, omdat een gedegen voorlichting over de ontwikkeling van het in belangrijke mate door de Kerk geïnspireerde verzet achterwege bleef. Pater Bleijs deed naderhand alle moeite om dit beeld te corrigeren, maar moest tevens vaststellen hoe hardnekkig dit bij velen bleef voortleven of welbewust in stand werd gehouden.

      III.2. De Zwitserse Weg B

      Eind 1943 begonnen generaal A.G. van Tricht en zijn naaste medewerker J.G. van Niftrik met de opbouw van een tweede inlichtingenroute van Nederland naar hun standplaats Bern, de zogeheten Zwitserse Weg B. De B werd eraan toegevoegd om een onderscheid te maken tussen deze route en de oudere Weg A, die over Visser 't Hooft in Genève liep. Volgens Van Tricht kon een tweede weg nuttig zijn in het geval een van de routes onverhoopt zou wegvallen. Andere redenen speelden echter een belangrijkere rol. De militair attaché stoorde er zich aan dat Visser 't Hooft zich identificeerde met de opvattingen van de Politieke Commissie in Nederland. Bovendien beschouwde hij de medewerking van de secretaris van de Wereldraad van Kerken op het gebied van militaire inlichtingen als onvoldoende. Visser 't Hooft achtte een tweede weg overbodig. Het betekende slechts een toename van de risico's voor zijn Weg A. Maar bovenal was hij beducht voor eventuele beïnvloeding van de regering door de O.D. via Weg B. De teneur van de rapporten van de O.D. zouden wel eens tegengesteld kunnen zijn aan die van de via Weg A verzonden rapporten en bijgevoegde commentaren. Omdat de via Weg B te verzenden gegevens bij het Bureau Inlichtingen terecht zouden komen, achtte Visser 't Hooft het niet denkbeeldig dat de balans in het voordeel van de O.D. zou doorslaan. Op het Bureau Inlichtingen werkten immers veel officieren. Generaal Van Tricht en Van Niftrik raakten niet onder de indruk van dergelijke argumenten. Zij gingen onverdroten voort met de uitvoering van hun plan. Eind 1943 kregen ze verbinding met mejuffrouw H.J. Roosenburg, een medewerkster van de kort tevoren door de infiltratie van mejuffrouw A. van Leeuwen zwaar getroffen inlichtingen- en vluchtelingenhulporganisatie Fiat Libertas (zie hoofdstuk IV, paragraaf IV). De groep moest grotendeels opnieuw worden opgebouwd. Onder leiding van mr. J.M. Kielstra en J.J. Henny verschoof het accent naar het verzamelen en doorgeven van voornamelijk militaire inlichtingen. Zowel voor Roosenburg, die naarstig op zoek was naar een nieuwe berichtenroute, als voor Van Tricht kwam het contact op een uitermate gunstig tijdstip tot stand, temeer omdat bij sommige medewerkers van Fiat Libertas de indruk was ontstaan dat eerdere zendingen van de groep via Weg A niet volledig op de eindbestemming in Engeland waren gearriveerd.
      De nieuwe Weg B werd in januari 1944 in gebruik genomen en volgde het oude tracé van Luctor et Emergo/Fiat Libertas over Weert en Bree naar Brussel. Roosenburg nam dit deel van de route voor haar rekening. In Brussel - soms reisde Roosenburg ook tot Parijs - namen twee Franse medewerkers van Van Tricht de microfilms in ontvangst. Zij zorgden ervoor dat de zendingen uiteindelijk in Bern terechtkwamen. De gegevens bestonden hoofdzakelijk uit militaire inlichtingen afkomstig van sectie V van de O.D. (Six organisatie maakte overigens nauwelijks gebruik van Weg B), de groep-Albrecht, de groep-Packard, de Geheime Dienst Nederland en de groep-“Harry” van de Eindhovenaar ir. Th.P. Tromp.
      Toen de twee Franse koeriers de fout begingen zich in te laten met een Belgische infiltrant, een zakenman genaamd Bastin, dreigde het mis te lopen. Eind februari 1944 werden ze opgepakt, mejuffrouw Roosenburg begin maart. Mr. Kielstra greep terstond in en nam de verantwoordelijkheid voor de berichtenroute op zich. In april arrangeerde hij een ontmoeting met Van Niftrik, die resulteerde in een grondige reorganisatie van Weg B. Voortaan werd met zo weinig mogelijk tussenschakels gewerkt. Koeriers ontvingen vervalste papieren van de Sipo-Hamburg. Hiermee konden ze in een “Urlaubszug” naar het Noordfranse Rijssel reizen. Daar overnachtten ze bij boeren. Met andere valse papieren vervolgden ze de treinreis van Rijssel via Parijs naar de Zwitserse grens. Zo duurde de tocht van Nederland naar Zwitserland slechts tweeëneenhalve dag. Sinds maart 1944 ontving Van Tricht twee keer per maand een zending microfilms. Weg B functioneerde zonder haperingen tot diep in de zomer van 1944. 51] Wellicht ontstonden in augustus toch nog problemen op de route. Die maand ontving de douanier P.W.A. Landman in Eijsden namelijk een zending microfilms bestemd voor Van Tricht. Ondanks de nodige tegenslag lukte het Landman de gegevens in Brussel te bezorgen. Vermoedelijk bereikte deze (laatste?) zending met onder meer informatie over de installatie van de V-1 op Nederlands grondgebied en Duitse verdedigingsstellingen in Zuid-Nederland toch nog Bern. 52]

      IV. Nabeschouwing

      We hebben gepoogd een enigszins nauwkeurige omschrijving te geven van de begrippen spionage en inlichtingen, maar toch blijft een afbakening van beide begrippen tamelijk arbitrair. Hoewel in de bronnen veelal sprake is van spionage, is consequent gekozen voor de term inlichtingen, omdat veel van het verzamelde materiaal weinig met spionage te maken had. Zonder duidelijke richtlijnen of instructies, maar vooral door gebrek aan ervaring verzamelde men aanvankelijk alles waarvan ook maar enigszins mocht worden verondersteld van belang te zijn. De verscheidenheid en de tegenstrijdigheid van de informatie die Londen in de eerste oorlogsjaren bereikte, plaatsten de in Engeland gevestigde autoriteiten en instanties, los van de vraag wat wel en niet betrouwbaar was, voor talrijke problemen. Veel groepen en organisaties deden via allerlei kanalen verwoede pogingen Londen met de meest uiteenlopende gegevens te bestoken, zodat men er daar nauwelijks mee uit de voeten kon. Het was een tijdrovende en gecompliceerde klus om uit te zoeken welke organisatie wat deed en welke personen er achter zaten. Er bestond kortom een snel groeiende behoefte aan meer duidelijkheid en betere structuren. Ook vanuit Engeland werden pogingen ondernomen in Nederland inlichtingennetwerken op te bouwen of contact te zoeken met bestaande. Dat lukte slechts zeer ten dele vanwege een chaotische en haperende communicatie. Bovendien slaagden de Duitsers door naijver en ondeskundigheid aan Engels-Nederlandse zijde erin bijna het hele zendverkeer tussen Nederland en Engeland te penetreren en geruime tijd te manipuleren (Englandspiel). Daarvan werden aanzienlijke delen van de georganiseerde illegaliteit het slachtoffer. Limburg vormde een afspiegeling van wat hierboven is geschetst. De vroege militaire verzetsformaties rond Erkens, Dresen, Smit en Bongaerts, die allemaal zijdelings met elkaar in contact stonden, beijverden zich zonder uitzondering (militaire) inlichtingen naar Engeland te verzenden. Wat die informatie precies inhield en wat de omvang ervan was, staat niet vast. Wel weten we dat deze en andere militairen, dank zij hun niet aflatende ijver informatie te verzamelen, een belangrijke impuls gaven tot het ontstaan van de eerste illegale bladen zoals “Het Vrije Volk” (groep-Bongaerts), “De Oranje Koerier” (groep-Dresen), “Oranje Post” (J.J.M.H. Schreurs in Haelen) en “Oranje Hagel” (H.H. Pollaert en andere O.D.-ers in Venlo). Wat de vroege militaire verzetsformaties betreft, bleef het bij een veelbelovende start. Al deze groepen werden in een vroeg stadium opgerold. De groep-Bongaerts hield het vanwege de losse organisatiestructuur nog het langst vol, maar de organisatie raakte in 1943 verstrikt in het Englandspiel. Het laatste geldt eveneens voor de Dienst-Wim, maar deze inlichtingendienst beschikte in Limburg, voorzover bekend, slechts over één agent. Eind 1943 en begin 1944 kreeg het inlichtingenwerk met de komst van organisaties als de G.D.N., Albrecht, Pietab-OXO en Packard een nieuwe stimulans. Zowel over de kwaliteit als de kwantiteit van het door de G.D.N. en Pietab-OXO verzamelde materiaal liepen de meningen uiteen. Bij de groep-Albrecht lag dat anders. Met name over de in Noord- en Midden-Limburg behaalde resultaten (waar de groep-Albrecht steeds meer geïntegreerd raakte in bestaande verzetsstructuren) en de daarvoor verantwoordelijke agent stak de Albrecht-leiding de loftrompet. De Packard-zender in Maastricht was slechts enkele maanden operationeel wat niet wegneemt dat de kleine organisatie rond de zender aan de verwachtingen beantwoordde. Om een afgewogen oordeel te kunnen vormen over het rendement en de doelmatigheid van de in Limburg werkzame inlichtingenorganisaties zou men de betekenis en de invloed van het bijeengebrachte materiaal moeten onderzoeken. Los van het feit dat de Limburgse gegevens grote lacunes vertonen en versnipperd zijn, bieden de bronnen nauwelijks bruikbare aanknopingspunten om hierover een gefundeerd oordeel te geven. De indruk bestaat dat de Limburgse bijdrage aan het totaal van de verzamelde inlichtingen van bescheiden omvang is geweest. Heel anders was dat met inlichtingen die samenhingen met de bescherming van de georganiseerde illegaliteit in de provincie. Op dat terrein lieten de L.O., de K.P., de vluchtelingenorganisaties en de O.D. zien zeer doelmatig te kunnen werken. Eens te meer bleek dat de organisch gegroeide verzetsactiviteiten beter en effectiever functioneerden dan de uit andere delen van het land in Limburg geïmplanteerde. Zo kon de inlichtingendienst van de L.O. in de Mijnstreek in de zomer van 1944 moeiteloos worden getransformeerd in een militaire inlichtingendienst, die na de bevrijding weldra grote delen van Limburg bestreek en de Amerikanen talrijke diensten bewees.

      Noten

      1. Deze inleiding is gebaseerd op: “Inlichtingendienst, militaire”, Summa Encyclopedie en Woordenboek in kleur, dl. 10, Utrecht 1976, p. 84; “Spionage”, dl. 18, Utrecht, 1978, pp. 272-273. “Onderdrukking en verzet”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, dl. 2, p. 560; “Spionage”, dl. 4, p. 7. Bolhuis et al., Onderdrukking en verzet, IV, p. 7.
      2. Klumper, Sociale verdediging, p. 269. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 702-703.
      3. B.R.I.O.P. Dossier S.T.-Limburg, doos 1, map 4, S.T.-Limburg: Inl. Dienst, organisatie. Vraaggesprek auteur met C.M.J.A.F. Nicolas, Reuver, 30-9-1985.
      4. C.A.B.R. Dossier A. van der Waals (affaire C.Th.J. Smit). Rep, Het Englandspiel, pp. 243-244. De Jong, Het Koninkrijk, IX, pp. 1025-1026.
      5. Stichting '40-'45, Eindhoven.
      6. C.A.B.R. Dossier A. van der Waals (affaire J. Vorrink).
      7. B.R.I.O.P. B.S.-dossier M.C.M.H. Bartels. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 774 (1945): G. van Merwijk. Stichting '40-'45, Eindhoven.
      8. Collectie K. Koers, Winschoten: rapport K. Koers.
      9. Zie hoofdstuk IV (pilotenhulp). R.v.O. Coll. Doc. II, G.D.N.: rapport J.S., 10-4-1947; idem, Privé Collectie J. Zwaan: documentatie J.I. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 907. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV A, hoofdstuk X, p. 394.
      10. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 908, 914-915; XIII, p. 124. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, pp. 1634-1638: Th.Ph. Tromp; IV A, hoofdstuk X, pp. 393-394 en 399-401. R.v.O. Coll. Doc. II, G.D.N.: rapport J.S., 10-4-1947; idem, Privé Collectie J. Zwaan: documentatie J.I.
      11. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 908-909; XIII, p. 124. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, pp. 1392-1395: W. Schoemaker.
      12. R.v.O. Coll. Doc. II, G.D.N.: rapport J.S., 10-4-1947.
      13. Ibidem. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 909; XIII, pp. 124-125. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, p. 1217: H. Deinum; idem, pp. 1392-1395: W. Schoemaker; idem, pp. 1634-1638: Th.Ph. Tromp; IV A, hoofdstuk X, pp. 399-405.
      14. Visser, De Geheime Dienst Nederland, pp. 125-128. Stichting '40-'45, Eindhoven. R.v.O. Privé Collectie J. Zwaan: documentatie J.I.; idem, Coll. 191, doos 7, map 14-d.
      15. Visser, De Geheime Dienst Nederland, pp. 125-126.
      16. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 985/2. B.R.I.O.P., Doc. Gewest 19-1A-3: verklaring P. Sijmons, 13-10-1950. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport B.G.M.-Maastricht. R.v.O. Coll. 243 G, doos 2, map C: verklaring Th.T., 10-10-1944.
      17. Stichting '40-'45, Eindhoven. Visser, De Geheime Dienst Nederland, pp. 126-127. R.v.O. Privé Collectie J. Zwaan: documentatie J.I.
      18. Stichting '40-'45, Eindhoven. Visser, De Geheime Dienst Nederland, p. 126.
      19. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Groepen op naam, G.D.N.: brief mej. L.F. van Hardenbroek, 10-3-1947. R.v.O. Coll. 243 G, doos 4, map C.
      20. Stichting '40-'45, Eindhoven. Visser, De Geheime Dienst Nederland, pp. 125-126. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Groepen op naam, G.D.N.: brief mej. L.F. van Hardenbroek, 10-3- 1947. R.v.O. Coll. 243 G, doos 4, map C.
      21. Visser, De Geheime Dienst Nederland, pp. 126-128. Stichting '40-'45, Eindhoven. R.v.O. Coll. 191, doos 2, map 4-d; doos 6, map 12-d; doos 7, map 13-d, 14-d; doos 8 , map 16-c; doos 9, map 18-b en doos 10, map 19-b; idem, coll. L.O./L.K.P., map FI.
      22. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 896-903. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV A, hoofdstuk X, pp. 422-424; IV C II, pp. 1306-1310. Somer, Zij sprongen in de nacht, pp. 93-104.
      23. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 902. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, I A en I C; idem, coll. L.O./L.K.P., map DK-1: spionagegroep-Albrecht in Zuid-Nederland door D.D., 16-7-1945.
      24. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Gewest 19-1-1: H.L.M. van der Hoff.
      25. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, I A. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Groepen op naam, Albrecht-Limburg.
      26. Ibidem.
      27. Stichting '40-'45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met Th.C. van Helvoort, Nijmegen, 26-9-1985. Collectie E.H. van Wegberg, Horst: verslag E. van Wegberg. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, I A.
      28. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, I A en XV F.
      29. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-1: spionagegroep-Albrecht in Zuid-Nederland door D.D., 16-7-1945.
      30. B.R.I.O.P. Doc. B.S., inv. nr. 1285/2; idem, Doc. B.S., Groepen op naam, Albrecht- Limburg. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, I A.
      31. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, XIII, XV en XV H; idem, coll. L.O./L.K.P., map DK-1: spionagegroep-Albrecht in Zuid-Nederland door D.D., 16-7-1945. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Groepen op naam, Albrecht-Limburg. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier XI: rapport telefoonspionage te Roermond; idem, dossier IV: rapport L.O.-Roermond. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: De L.O. en Groep-Richard te Roermond; idem, inv. nr. 183: rapport telefooncentrale Roermond. Stichting '40-'45, Eindhoven.
      32. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, XVI C. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Groepen op naam, Albrecht-Limburg. Collectie G.v.A. Roermond: rapport G. Leenders, Blerick. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, p. 1309: verklaring C. Brouwer; IV A, hoofdstuk X, p. 424. Stichting '40-'45, Eindhoven.
      33. Collectie G.v.A. Roermond: rapport G. Leenders, Blerick; idem, Parketgroep-Roermond, nr. 12/48; idem, P.R.A.-Roermond, nr. 845 (z.j.); idem, P.R.A.-Roermond: handgeschreven verklaring van E. Elsholz. C.A.B.R. Dossier E.C.H. Souren.
      34. Stichting '40-'45, Eindhoven.
      35. R.v.O. Coll. 190 A, groep-Albrecht, I A.
      36. R.v.O. Coll. Doc. II, groep-Pietab-OXO. B.R.I.O.P. Doc. B.S., inv. nr. 1308/2: verklaring P.C.A.M. de Kort, Amsterdam, 2-10-1950. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV A, pp. 380-381; IV C I, pp. 860-861: verklaring jhr. P.J. Six.
      37. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., inv. nr. A-203 II, D.C. 556, doos 81: telegram O.D. aan B.I., 26-6-1944; idem, Doc. O.D., inv. nr. A-84, groep-Pietab-OXO, doos 32. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C I, pp. 860-861: verklaring jhr. P.J. Six.
      38. R.v.O. Coll. Doc. II, groep-Pietab-OXO: rapport A.H. en rapport A.M., 3-4-1948. Stichting '40-'45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., inv. nr. A-84, groep-Pietab-OXO, doos 32.
      39. Vraaggesprek auteur met mevrouw W.E.M. Kötter-van de Voort, Maastricht, 3-10-1985. Stichting '40-'45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., inv. nr. A-84, groep-Pietab-OXO, doos 32. 1150
      40. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 881-882, 904, 906-907, 939. R.v.O. Coll. Doc. II, groep-Packard. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, pp. 1212-1213: verklaring H. Deinum; IV A, hoofdstuk X, pp. 418-422.
      41. Vraaggesprekken auteur met mevrouw M.H.Th. Blindemann-Stossberg, Utrecht, 14-10- 1985; A.H.J.J.M. Speleers, Kanne (B), 13-6-1986 en met P. Satijn, Maastricht, 29-11-1985. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers F.R. van der Ley, A.H.M.C. Kessen en P.J. Sijmons; idem, Doc. B.S., Gewest 19-1-1: P. Philipse; idem, Doc. B.S., Groepen op naam, Packard. M.v.D.- C.A.D. Doc. O.D., inv. nr. A 176/XIX, doos 73: rapport W.E.H. Janssen, 3-11-1951; idem, Doc. B.S., Collectie Koot, doos 7: verklaring H. Tummers, Echt, 3-9-1951. Stichting '40- '45, Eindhoven. Brief E. van der Noordaa aan auteur, 22-11-1987. De Calepin van Oud Sint Pieter. Maastricht, 1982, pp. 103-104: artikel J. Klarenbeek. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 42 (1947).
      42. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 924-927. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV A, hoofdstuk X, pp. 197-199; IV C I, pp. 685-691: verklaring H. Kohlbrugge.
      43. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 928-932; idem, IX, p. 588. Verslag Enquêtecom- missie 1940-1945, IV C II, pp. 1503-1505: verklaring J.H. Weidner.
      44. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, pp. 1483-1485: verklaring J.G. Le Jeune; IV A, hoofdstuk VII, p. 208. R.v.O. Coll. Doc. II, Zwitserse Weg: rapport G.S. de B., 15-11-1945.
      45. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C I, p. 588: verklaring G.H. Slotemaker de Bruïne; idem, p. 615: verklaring W.A. Visser 't Hooft; IV A, hoofdstuk X. pp. 197-199. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 933-934. R.v.O. Coll. Doc. II, Zwitserse Weg: rapport G.S. de B., 15-11-1945.
      46. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 931-932 en IX, p. 588.
      47. De Jong, het Koninkrijk, VII, p. 932. R.v.O. Coll. Doc. I: rapport P.V.; idem, Coll. Doc. II, Zwitserse Weg: rapport G.S. de B. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, pp. 1483-1485: verklaring J.G. Le Jeune; IV A, hoofdstuk VII, p. 208. Stichting '40'-'45, Eindhoven.
      48. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 902 W (1945): M. de Marchant et d'Ansembourg.
      49. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 935-937. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV A, hoofdstuk VII, p. 225 en hoofdstuk X, pp. 201-203, 237-240; IV C I, pp. 685-691: verklaring H. Kohlbrugge. Mulder en Koedijk, H.M. van Randwijk, pp. 303-324, 347-354.
      50. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C I, pp. 888-889: pater dr. J.G. Stokman; idem. pp. 574-575: G.H. Slotemaker de Bruïne.
      51. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 938-940. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV A, hoofdstuk VII, pp. 242-243 en pp. 174, 192; IV C I, pp. 588, 594: verklaring J.G. van Niftrik en A.G. van Tricht; idem, pp. 695-699: verklaring mr. J.M. Kielstra; idem, pp. 700- 702: verklaring mej. H.J. Roosenburg.
      52. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 985/2: rapport illegaal werk P.W.A. Landman.

      Slotbeschouwing en conclusie

      Voorafgaand aan de bespreking van de georganiseerde illegaliteit in Limburg is getracht een antwoord te geven op de vraag of in de jaren dertig ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die kunnen bijdragen aan de verklaring van het karakter, de omvang en het maatschappelijk draagvlak van die illegaliteit. Tussen 1933 en 1938 was onder invloed van de economische crisis en de opkomst en groei van het fascisme en nationaal-socialisme sprake van een gematigd politiek-maatschappelijk polarisatieproces. Vertegenwoordigers van genoemde stromingen lieten geen kans onbenut dit proces te stimuleren, maar zij ondervonden daarbij tegenkrachten waar ze niet tegen opgewassen waren. Het al vroeg in gang gezette tegenoffensief stond in Limburg niet, zoals verwacht mocht worden, onder leiding van de politieke, bestuurlijke en intellectuele (leken)elite, maar van de katholieke Kerk.
      Deze constatering lijkt op het eerste gezicht merkwaardig. Gebruikten de fascisten en nationaal-socialisten het door de katholieke Kerk bepleite sociaal-economische corporatisme immers niet als een soort paard van Troje door het over te nemen? Niettegenstaande de radicale en uiterst autoritaire interpretatie die zij eraan gaven, waardoor het oorspronkelijk gedachtengoed ernstig gecompromitteerd raakte, werden velen in katholieke kring, ook binnen de Kerk, serieus aan het twijfelen gebracht. Deze verwarring, deze uitdaging vereiste de formulering van nieuwe, heldere antwoorden, juist van de zijde van diezelfde Kerk. In de ideologische bestrijding leverde dat zeker aanvankelijk weinig meer op dan tamelijk gekunstelde constructies als een pleidooi voor een gematigde democratisch-corporatieve staatsvorm. Hierin school vermoedelijk niet de intrinsieke kracht van het tegenoffensief. Het in stelling brengen van katholieke dogma’s en ethisch-moralistische normen en waarden tegen allerlei gevolgen van het Duits nationaal-socialisme (waar de strijd zich op toespitste) bleek veel doelmatiger. De bevolking raakte beter geïnformeerd over veel aspecten van de alledaagse praktijk van het nazisme en de redenen van afwijzing. Wie zich desondanks toch (openlijk) aan de zijde van de N.S.B. of een van de aanverwante partijen schaarde, liep een reële kans op een sociale boycot. Het katholiek-maatschappelijk tegenoffensief neutraliseerde het polarisatieproces niet. Enerzijds werden fascisme en nationaal-socialisme in omvang teruggedrongen en anderzijds, doelbewust, op grond van vooral door de katholieke Kerk geformuleerde criteria, beter zichtbaar en herkenbaar gemaakt. De goed-fout tegenstelling ontleende er naderhand een deel van haar vitaliteit aan. Hoe definitief de toen gemaakte keuzes waren en welke consequenties men eraan zou verbinden, bleek tijdens de bezettingsjaren vooral op het terrein van de door de katholieke Kerk geïnspireerde humanitaire verzetsvormen.
      Onder leiding van aartsbisschop J. de Jong liet de Nederlandse kerkprovincie er na mei 1940 geen twijfel over bestaan welke positie zij jegens de bezettende overheid en collaborerende instanties innam. De voor de oorlog ingenomen negatieve standpunten over bijvoorbeeld de N.S.B. bleven onverkort gehandhaafd - ze werden zelfs aangescherpt - en binnen de gewijzigde omstandigheden werd ernaar gestreefd het omvangrijke katholieke organisatieleven in stand te houden en te vrijwaren van nationaal-socialistische beïnvloeding of inmenging. Telkens weer verhieven de bisschoppen, al dan niet met succes, hun stem zodra een ontoelaatbare aantasting van het katholiek organisatieleven op welk terrein dan ook dreigde. Naarmate de bezetter de druk op de bevolking opvoerde, dienden de defensieve protesten niet langer uitsluitend de katholieke zaak, maar kregen ze een algemener karakter. Aldus ontwikkelde de katholieke Kerk in Nederland zich evenals sommige andere kerkgemeenschappen tot een van de weinige, met tegenzin toegestane oppositiecentra. Een essentieel gevolg was dat de Kerk hierdoor een inspiratiebron werd voor de ontluikende illegaliteit, zeker in Limburg, waar de katholieke en kerkelijke organisaties en een opvallend grote groep van overwegend jonge geestelijken het verzet onschatbare diensten gingen bewijzen.
      Veel Limburgse geestelijken beseften dat ze er vanwege de zich telkens wijzigende omstandigheden nieuwe verantwoordelijkheden of zelfs plichten bijkregen. Niet dat ze hun kerntaken gingen verwaarlozen, maar met steun van de secretaris van de Roermondse bisschop begonnen ze zich actief te bemoeien met de opbouw van wat we het katholiek-humanitair verzet zullen noemen. Deze toegevoegde verantwoordelijkheid was niet alleen een consequentie van het in de jaren dertig gevoerde offensief en de positiebepaling na mei 1940, maar had eveneens te maken met de opstelling van een groeiend aantal leken. Mede dank zij de geografische ligging van Limburg kwam deze ontwikkeling al in 1940-1941 op gang door de komst van de eerste, uit Duitsland ontvluchte Franstalige krijgsgevangenen. Het waren bijna allemaal geloofsgenoten die geholpen moesten worden. Zowel geestelijken als leken kregen met hen te maken. Om de hulpverlening te stroomlijnen had men elkaar nodig. Dit culmineerde in een proces dat in grote delen van de provincie volgens dezelfde patronen verliep. Men zocht en vond elkaar; de maatschappelijke polarisatie had het in de tweede helft van de jaren dertig al aan het licht gebracht. Het wederzijds vertrouwen was zo groot dat men elkaar bij de hulpverlening betrok. Hoe waardevol de inbreng van de geestelijken was, bleek al spoedig. Zij beheersten niet alleen de Franse taal, ook genoten ze relatief veel vrijheid en woonden ze zelfstandig. Bovendien lagen hun verantwoordelijkheden op een ander terrein dan bijvoorbeeld die van een gezinshoofd en begrepen ze doorgaans goed wat er onder de bevolking leefde. Ze kenden talrijke jongeren uit het verenigingsleven en konden tot op zekere hoogte gebruik maken van de katholieke organisaties en verbindingen. In overleg met leken waren ze derhalve in de gelegenheid een fundament van netwerken in de hele provincie tot stand te brengen waarop naderhand kon worden voortgebouwd.
      De losse, informele netwerken werden in een volgende fase tevens benut voor de hulp aan nieuwe categorieën vluchtelingen zoals Engelandgangers, joden en geallieerde vliegeniers. Deze ontwikkeling sloot aan op het humanitair karakter van het verzet in Limburg. Voorop stond de hulp aan allen die om welke reden dan ook werden vervolgd of als gevolg van oorlog en bezetting in moeilijkheden waren gekomen. Hoewel er steeds meer personen bij betrokken raakten, bleef het aantal hulpverleners vooralsnog beperkt. Limburg fungeerde namelijk vooral als transitogebied. Vluchtelingen bleven geen dag langer dan nodig was, zodat een logistieke ondersteuningsorganisatie achterwege kon blijven. Vermoedelijk zou de opbouw van zo’n organisatie ook problemen hebben opgeroepen vanwege de lage organisatiegraad van de hulpverlening.
      In 1943 veranderde deze situatie ingrijpend. De toenemende druk op de Nederlandse jongeren vereiste nieuwe antwoorden. Andermaal bleek de vitaliteit en de dynamiek van het eerder gesignaleerde mechanisme, want ook nu namen geestelijken en leken eendrachtig het initiatief. In nog geen vijf maanden slaagden ze erin een provinciale duikorganisatie op te bouwen. Het feit dat menigeen tevens betrokken was bij de vluchtelingenhulp en dus over de zo noodzakelijke ervaring en over diverse verbindingen beschikte, droeg ongetwijfeld bij aan het snelle tempo waarin de Limburgse L.O. tot stand kwam. Afgezien van een paar kleinere, onafhankelijke hulpverleningsorganisaties en verzorgingsgroepen omvatte de L.O. met name in het noorden en midden van de provincie nagenoeg het hele katholiek-humanitaire verzetsspectrum. Slechts de knokploegen vormden hierop een uitzondering, maar de leden hielden zich doorgaans tevens met uiteenlopende vormen van hulpverlening bezig.
      De combinatie van werkzaamheden door een relatief grote groep was nadelig. Alles liep door elkaar heen, wat de risico’s uiteraard vergrootte. Steeds meer stemmen gingen op om tot een taakverdeling te komen, maar het beëindigen van een activiteit impliceerde zich terugtrekken uit een netwerk waar kennis en ervaring node gemist konden worden. In het noorden en midden van de provincie, waar de integratie van de werkzaamheden het verst was voortgeschreden, kwam het in de winter van 1943-1944 tot een gedeeltelijke en moeizaam tot stand gekomen scheiding tussen de zorg voor onderduikers en de hulpverlening aan de diverse categorieën vluchtelingen. Ook binnen die categorieën werd toen een scheiding aangebracht.
      De geïsoleerde, zelfstandige ontwikkeling van het katholiek-humanitair verzet week enigszins af van wat er in den lande gebeurde. Dat hing vanzelfsprekend samen met de vroeg op gang gekomen vluchtelingenstroom, die een aanzienlijk deel van het Limburgs verzetspotentieel mobiliseerde en er richting aan gaf. Pas in de zomer van 1943, toen de Limburgse duikorganisatie verbinding kreeg met de L.O., volgde een snelle integratie. Het langdurig “Limburgs isolement” had echter een nadelige consequentie, waarvan vrijwel niemand zich vooraf rekenschap had gegeven. Vertegenwoordigers van het katholiek verzet hadden namelijk verzuimd contact te zoeken met Londen. Hierdoor ontbrak het de Nederlandse regering aan essentiële informatie. Wat Limburg betreft kan deze nalatigheid tot op zekere hoogte worden verklaard uit het feit dat men er zonder hulp van buitenaf in was geslaagd een doelmatige en omvangrijke verzetsstructuur in het leven te roepen. Bovendien kende het katholiek-humanitair verzet tot de zomer van 1943 geen leider of leiding. Mogelijk speelden daarnaast oudere Limburgse sentimenten een rol. Een gevoel van anders of apart zijn was de Limburgers niet vreemd. Herhaaldelijk had men zich door de landelijke bestuurlijke elite in de steek gelaten gevoeld; in een situatie van oorlog en bezetting misschien nog meer. Een regelmatige verbinding met de regeringsinstanties in Londen werd niet nodig geacht; de illegaliteit kon op eigen benen staan. Aan deze situatie veranderde vooralsnog niets, omdat de L.O. eveneens geruime tijd verzuimde een verbinding met Londen te leggen. Wat niet kon uitblijven gebeurde. Onbekendheid met de verzetsbijdrage van het katholieke bevolkingsdeel leidde ertoe, dat sommige Engelandvaarders aan wier opinie veel waarde werd gehecht te kennen gaven niets van het verzet in die kring te weten. Los van de vraag of dergelijke mededelingen stoelden op onwetendheid of een bepaald belang dienden, kan men zich ook afvragen of de katholieken deze beeldvorming niet zelf tot op zekere hoogte in de hand hadden gewerkt door een goed contact met de regering in Londen niet op de juiste waarde te schatten. Het eenmaal gevestigde foutieve beeld liet zich, ondanks de inspanningen van bijvoorbeeld pater Bleijs, niet gemakkelijk corrigeren. Het zou nog herhaaldelijk worden aangehaald om de houding van het katholiek volksdeel in de oorlog te bagatelliseren of zelfs in diskrediet te brengen. Hierop komen we nog terug.
      Hoewel het katholiek-humanitair verzet het grootste deel van de georganiseerde illegaliteit in Limburg omvatte, traden nog een aantal andere verzetsformaties voor het voetlicht waarvan sommige goed, andere minder of zelfs niet aansloten op dit organisme. In de eerste bezettingsjaren ontstonden diverse militair-civiele groepjes die er zonder uitzondering ambitieuze doelstellingen op nahielden. Bindende factoren waren het feit dat men zich niet kon verzoenen met de nederlaag van mei 1940, men zon op activiteiten waarmee de bevolking kon worden wakker geschud en men zocht naar wegen om de bezetter en zijn handlangers waar mogelijk de voet dwars te zetten, zelfs met de wapens te bestrijden. In hoeverre ze in de eerste doelstelling slaagden - alle groepjes hielden zich met de vervaardiging en/of verspreiding van illegale blaadjes bezig - is niet te meten, maar het lukte wel tientallen medewerkers aan te trekken en belangrijke verbindingen tot stand te brengen. Vanwege gebrek aan ervaring, die zich op alle denkbare terreinen wreekte, een onderschatting van de vijand, een overschatting van het eigen potentieel en een soms ongelimiteerde dadendrang was geen van deze groepjes een lang leven beschoren. Hun bijdrage aan de illegaliteit bleef daarom beperkt. Dat gold echter niet voor hun betekenis. Zij combineerden aspecten van het humanitair verzet met offensieve doelstellingen en bestreken welhaast het hele spectrum aan verzetsactiviteiten. De waarde van deze groepjes ligt vooral in hun voortrekkersrol en hun voorbeeldfunctie. Latere verzetsformaties trokken er lering uit. Vooral in het zuiden van de provincie kon worden voortgebouwd op de fundamenten die deze groepen hadden gelegd.
      Evenals bij de vroege militair-civiele verzetsformaties stonden militairen aan de basis van de Ordedienst, maar daar houdt de vergelijking eigenlijk al op. Koesterde de O.D. aanvankelijk nog offensieve doelstellingen, die liet men na de eerste arrestatiegolven varen. De organisatie richtte zich voornamelijk op zichzelf, wat wil zeggen dat de O.D.-leiding het zwaartepunt legde bij de voorbereiding van een zichzelf toebedachte taak - handhaving van orde en rust - in de periode rond de bevrijding en het ontplooien van activiteiten die daarmee samenhingen zoals het verzamelen van inlichtingen en het opbouwen van een verbindingsdienst. De geschiedenis van de O.D. in Limburg week hier in zoverre van af dat de organisatie zeker aanvankelijk aansloot bij het katholiek-humanitair verzet en in het noorden en midden van de provincie betrokken raakte bij de hulp aan (militaire) onderduikers en de opbouw van de L.O. Aan die ontwikkeling kwam al spoedig een einde, wat voor veel O.D.-ers betekende dat ze moesten kiezen tussen afwachten in betrekkelijke passiviteit of de doelstellingen van de O.D. afdoen als camouflage en zelfstandig of in ander verzetsverband een substantiëlere bijdrage leveren aan de illegaliteit. Voor de categorie die het laatste koos impliceerde verzets-deelname werkzaamheid. De beeldvorming over de O.D. werd er naderhand door gecompliceerd, omdat er altijd wel argumenten te vinden waren om elke willekeurige visie op de O.D. te onderbouwen. Als onderscheid wordt gemaakt tussen activiteiten van individuele O.D.-ers en wat de O.D. als organisatie deed, kan het beeld wellicht worden verduidelijkt. Dan blijkt namelijk dat de O.D. de eigen doelstellingen steeds trouw bleef, zich derhalve niet met ander verzetswerk inliet en pas aan de vooravond van de bevrijding in actie kwam. In verscheidene districten bereikte de organisatie toen opvallende resultaten; elders, zoals in Maastricht, liep het optreden op een fiasco uit. Dat had uiteraard te maken met de geschiktheid en de individuele kwaliteiten van het leidinggevend kader, wat de conclusie rechtvaardigt dat de verschillen tussen de O.D.-districten significant zijn voor de geschiedenis van deze organisatie in Limburg.
      In tegenstelling tot de O.D. sloot de hulpverlening aan joden beter aan bij het katholiek-humanitair verzet. De hulp aan joden geschiedde in toenemende mate met steun van de L.O., maar dateerde uit een periode dat er nog geen L.O. bestond. Voornamelijk Limburgse gereformeerden namen in 1941 en 1942 het voortouw. Zij brachten de noodzakelijke verbindingen tot stand om joden uit andere delen van het land te laten overkomen. Waarom het katholieke bevolkingsdeel in dit opzicht aanvankelijk achterbleef, kan vermoedelijk worden verklaard uit de tamelijk geïsoleerde ontwikkeling van de Limburgse illegaliteit. Hoewel in katholieke kring - en niet alleen daar - een latent, gematigd anti-semitisme bestond, moet hieraan niet teveel gewicht worden toegekend. Toen de verzetsstructuren, gericht op het laten onderduiken van vervolgden en slachtoffers van het nazi-regime, eenmaal waren uitgekristalliseerd en er talrijke landelijke verbindingen waren gelegd, gold de hulpverlening immers ook joden. Uit niets bleek dat de Limburgse L.O. deze hulpverlening uit de weg ging. Wel kwam het voor dat onderdakverleners vanwege het verhoogde risico of op grond van subjectieve argumenten huiverig stonden tegenover het in huis nemen van joden. Als het joodse kinderen betrof vervielen zulke bezwaren doorgaans, dan golden andere maatstaven. Het was met andere woorden niet zozeer de onwil om te helpen, als wel dat op het tijdstip dat massaal hulp geboden had moeten worden de essentiële structuren en verbindingen (nog) ontbraken om er een doelmatige invulling aan te geven. Deze constatering doet overigens niets af aan het feit dat in 1942 geen georganiseerde hulpverlening ten behoeve van de Limburgse joden van de grond kwam.
      De vervaardiging en vooral de verspreiding van illegale bladen had als verzetsactiviteit niet veel te maken met de humanitaire illegaliteit, maar maakte er als gevolg van een samengaan van werkzaamheden in zekere zin toch deel van uit. Ondanks een toename in 1942 en 1943 bleef de Limburgse illegale pers zowel in oplage als in aantal beperkt. Kennelijk voorzag de landelijke ondergrondse pers in de behoefte aan informatie en nam men er met instemming kennis van. Pas in 1944 trad een zichtbare kentering op toen de verbindingen door de zich snel wijzigende omstandigheden gaandeweg in het ongerede raakten en de landelijke illegale pers Limburg niet meer of in steeds kleinere oplagen bereikte. De gebeurtenissen in de regio volgden elkaar in een hoog tempo op en vereisten een snelle, actuele berichtgeving. Allerlei lokale handgeschreven of gestencilde blaadjes circuleerden in deze fase. Hoewel de illegale pers zich bij uitstek leende als instrument voor een politieke stellingname of het bedrijven van politiek in het algemeen, ontbrak dit element, afgezien van de communistische verzetspers, nagenoeg volledig in de Limburgse ondergrondse pers. Oorlog en bezetting brachten geen verschuiving in het politieke krachtenveld teweeg of leidden niet tot een politieke heroriëntatie; uit de illegale pers in Limburg bleek daarvan althans niets. Het zou trouwens moeilijk te rijmen zijn geweest met het a-politieke karakter van het katholiek-humanitair verzet. Dat was gericht op eendracht en harmonie en stoelde niet op bijvoorbeeld de politieke denkbeelden van de R.K.S.P. Men zou het kunnen kenschetsen als overlevingsverzet met een sterke defensieve, behoudende component waarin het organisch karakter de boventoon voerde.
      Terwijl alle hiervoor genoemde groepen en activiteiten tot op zekere hoogte raakten aan het katholiek-humanitair verzet, gold dat niet of veel minder voor de communisten, de Raad van Verzet en de inlichtingendiensten. Binnen de Limburgse illegaliteit waren het buitenbeentjes. De Limburgse communisten voeren, mede onder invloed van gevluchte geestverwanten uit Duitsland, een koers die aanvankelijk afweek van of eigenlijk vooruitliep op de landelijke. Voor hen stond van meet af aan vast dat de agressor bestreden moest worden. Samenwerking met niet-communisten werd niet afgewezen. De landelijke C.P.N.-instructeurs zouden deze ontwikkeling een halt hebben kunnen toeroepen, maar zij vielen in Duitse handen. Onder leiding van de in 1943 overgekomen instructeur Van Exter, die in tegenstelling tot zijn voorgangers samenwerking met andersdenkenden zocht, beijverden de Limburgse communisten zich voor de oprichting van een toekomstige eenheidsvakbond. Die gedachte sloeg vooral aan in de Mijnstreek. Het communistisch verzet was daar numeriek het best vertegenwoordigd. Vanwege hun taaie en veel slachtoffers vergende verzet hadden ze er aanzienlijk aan prestige gewonnen. Toch bleef het communistische verzet ondanks de inspanningen van Van Exter en de deelname van individuele communisten aan sabotage (in de mijnen) en hulpverlening aan (joodse) onderduikers tamelijk geïsoleerd. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. Omdat de communisten in de jaren dertig net zo fel bestreden waren als de N.S.B.-ers, bevonden ze zich in een maatschappelijk isolement. Het toegenomen prestige matigde wellicht de vijandige houding van hun overwegend katholieke omgeving, maar hief die niet op. Men bleef de communisten met argwaan beschouwen. De tweede oorzaak hangt samen met het hiervoor gesignaleerde karakter van de Limburgse illegaliteit. Het communistisch verzet was in tegenstelling tot het katholieke politiek-ideologisch geïnspireerd. De strijd tegen de nazi’s werd gekoppeld aan eigen politieke aspiraties en spitste zich voornamelijk toe op de uitgave en verspreiding van illegale bladen en vlugschriften.
      De R.V.V. en de inlichtingendiensten weken om andere redenen af van het algemeen Limburgs beeld. Het waren in de provincie geïmplanteerde organisaties die vrijwel allemaal los stonden van de oudere, spontaan gegroeide groepen en activiteiten. Als ze geen steun of aansluiting zochten bij bestaande groepen, waren ze voorbestemd om een uiterst marginale rol te spelen. De R.V.V. zocht die aansluiting wel, zodat naar verhouding veel O.D.-ers in de organisatie in het zuiden van de provincie werden opgenomen.
      Dat hing samen met de wijze van werven en met de attractiviteit van de R.V.V.-doelstellingen. De organisatie stond voor een actieve strijd tegen de bezetter en zijn handlangers, een uitgangspunt dat overigens op gespannen voet stond met het karakter van het katholiek-humanitair verzet. Offensieve verzetsdaden zouden immers onrust veroorzaken, aandacht trekken waar die niet gewenst was en de risico’s voor zowel burgers als de illegaliteit vergroten. Het is niet vreemd dat sommige R.V.V.-acties, vooral vernielingen en liquidaties, in kringen van het katholiek-humanitair verzet tot afwijzing en protesten leidden. Een goede overlegstructuur had dat misschien kunnen voorkomen, maar vanwege de geïsoleerde positie en de landelijk-hiërarchische structuur van de R.V.V. bestond die niet. Bovendien werden (taxatie)fouten gemaakt en kampte de R.V.V. met allerlei tegenslag, wat uiteraard koren op de molen van de tegenstanders was. Laatstgenoemden verweten de R.V.V., overigens ten onrechte, onder communistische invloed te staan en pas in het zicht van de bevrijding te zijn opgetreden. Steun van en contact met bestaande verzetsformaties was eveneens onontbeerlijk voor de inlichtingendiensten. Groepen die dat verzuimden, zoals de Geheime Dienst Nederland en Pietab-OXO, speelden geen rol van betekenis, terwijl bijvoorbeeld de groep-Albrecht, die in Midden- en Noord-Limburg samenwerkte met het regionale verzet, opvallende resultaten bereikte. Het laatste geldt ook voor de inlichtingendiensten die uit de bestaande verzetsorganisaties voortkwamen. Zowel de inlichtingendienst van de O.D. als die van de L.O. in de oostelijke Mijnstreek functioneerden doelmatig. Beide diensten leverden de illegaliteit en de geallieerden waardevolle informatie.
      Meer dan eens is vastgesteld dat de beschikbare kwantitatieve gegevens niet erg betrouwbaar zijn. In de oorlog werd weinig genoteerd en na de bevrijding bestond een neiging tot overdrijving. Om een enigszins afgerond beeld te krijgen is het desondanks van belang enkele globale cijfers te noemen. Hoeveel personen namen deel aan het verzet in Limburg? Als maatstaf voor verzetsdeelname geldt dat iemand minimaal enkele maanden een substantiële bijdrage moet hebben geleverd aan een bepaalde organisatie of activiteit. Het begrip “substantieel” is weliswaar arbitrair en voor meer interpretaties vatbaar, maar het houdt in elk geval een aan de doelstelling van de organisatie gerelateerde activiteit in waarmee risico’s waren gemoeid. Dit betekent dat alle vormen van incidentele hulp alsook het verlenen van onderdak aan een onderduiker buiten beschouwing zijn gelaten. Vanwege een combinatie van verzetsactiviteiten door één persoon kunnen gemakkelijk dubbeltellingen ontstaan. Daarom is de hulp aan onderduikers, (geallieerde) vluchtelingen en de vervaardiging en verspreiding van niet-communistische illegale bladen samengevoegd. Het aantal deelnemers aan deze activiteiten lag het hoogst en bedroeg tussen de 800 en 1200. Voor de communisten, inclusief de radicaal-socialisten, ligt het aantal tussen de 350 en 400; de groep-Erkens circa dertig, de groep-Dresen circa vijfendertig; de groep-Smit circa dertig; de groep-Bongaerts circa vijfendertig; de R.V.V. circa 115; de O.D. (vóór september 1944) circa 150; de inlichtingendiensten maximaal 55; de hulpverleners aan joden (exclusief de L.O.) circa 80 en de knokploegen (inclusief de “wilde” K.P.’s) maximaal 75. Op grond van deze cijfers komen we op een totaal van maximaal 2200 verzetsdeelnemers. Zij vormden de kern van de Limburgse illegaliteit, maar ze wisten zich door een veelvoud aan helpers gesteund. Van de 2200 verzetsdeelnemers kwamen er tussen de 250 en 300 om het leven, dus tussen de elf en veertien procent van het totaal. De meesten, tussen de 150 en 175 personen, werden opgepakt op grond van deelname aan het katholiek-humanitair verzet, inclusief de hulpverlening aan joden en de vervaardiging of verspreiding van niet-communistische illegale bladen. In communistisch verzetsverband vielen tenminste 36 slachtoffers; in K.P.-verband tien; in de groep-Erkens acht; in de groep-Dresen negen; in de groep-Smit elf en in R.V.V.-verband vier. Er resteert een groep van ongeveer 25 verzetsslachtoffers die niet in de hierboven genoemde categorieën past zoals de slachtoffers van de April-Meistaking en degenen die werden gearresteerd of doodgeschoten om redenen die niet direct verband hielden met het eigenlijke verzetswerk. In totaal werden in Limburg ongeveer 20.000 personen geholpen, verdeeld over 14.000 onderduikers, 3.000 joden, 2.000 krijgsgevangenen en 350 geallieerde vliegeniers.
      In het verlengde van de vraag naar het aantal verzetsdeelnemers ligt de vraag naar het maatschappelijk draagvlak, een vraag die gekoppeld moet worden aan een andere kwestie, namelijk de mate van waardering van het verzet door de niet of zijdelings betrokkenen. Bij de beantwoording dienen de volgende vijf factoren te worden belicht:

      1. De overwegend homogene, organische en informele structuur van de Limburgse samenleving die het mogelijk maakte een naar verhouding groot aantal personen zijdelings in te schakelen.
      2. Een wervende kracht die het gevolg was van een harmonisch samengaan van een gemotiveerde groep van voornamelijk jongeren en jonge geestelijken waarbij de positie, houding en rol van de katholieke Kerk in Nederland en Limburg in het bijzonder van doorslaggevende betekenis was.
      3. Geografische omstandigheden: hierdoor maakte Limburg meer dan andere provincies al vroeg kennis met vluchtelingen. Dat vereiste niet alleen specifieke antwoorden, het gaf eveneens richting aan de evolutie van het verzet. Hulp aan vluchtelingen werd door een meerderheid positief gewaardeerd, mede getuige het feit dat velen er zijdelings mee te maken kregen en nòg meer personen ervan wisten, maar verraad vanuit de eigen bevolking slechts sporadisch voorkwam.
      4. De tijdsfactor: het maatschappelijk draagvlak werd breder naarmate de pressie van de bezetter op de bevolking toenam. Toen de gevolgen van oorlog en bezetting direct voelbaar werden in vrijwel 1161 elk gezin, nam de bereidheid het verzet te steunen aanzienlijk toe. Deze positieve gezindheid werkte bijvoorbeeld de voorspoedige ontwikkeling van de L.O. in de hand.
      5. De verzetsactiviteit: hulp aan vluchtelingen, vervolgden en onderduikers kon op meer steun en waardering vanuit de bevolking rekenen dan enige andere verzetsvorm. Het betrof immers hulp aan onschuldigen, schuldig gemaakt of schuldig bevonden door een regime dat steeds meer onheil stichtte. Daartegenover paste een onbaatzuchtige, defensieve overlevingsstrategie.

      De waardering voor andere vormen van verzet was, afgezien van de illegale pers, geringer. Men wist er niet alleen minder van, ook was er sprake van kritiek. Zo trof de Ordedienst het verwijt langdurig passief te zijn gebleven, terwijl de organisatie zich op allerlei terreinen nuttig had kunnen maken. Deze aantijging klonk niet zozeer in brede lagen van de bevolking als wel in kringen van het verzet. De K.P. en de R.V.V. waren evenals de O.D. minder afhankelijk van een maatschappelijk draagvlak en de waardering van de bevolking. Ze sloten bovendien minder aan bij het karakter van het humanitair verzet en de Limburgse mentaliteit in het algemeen. Offensieve, agressieve acties konden weliswaar van tijd tot tijd onvermijdelijk zijn, maar als die onverwachte, onaangename gevolgen hadden of konden hebben, wilde men er liever niets van weten. Herhaaldelijk werden K.P. en R.V.V. ervan beticht onbezonnen en ondoordacht op te treden, kritiek die eveneens buiten verzetskringen kon worden beluisterd. Ondanks verschillende offensieve en geruchtmakende acties bood het Limburgs verzet een weinig spectaculair beeld. Om de doelstellingen van het humanitair verzet te realiseren waren rust en orde vereist. Over wat organisaties die daar min of meer los van stonden ondernamen werd, voorzover men dat nodig achtte, per actie geoordeeld. Zo’n opstelling was in zekere zin tevens illustratief voor zowel de maatschappelijke betrokkenheid als de worteling in de samenleving van dit omvangrijk verzetsorganisme.
      Nergens in Nederland was de verstrengeling tussen de lokale Kerk en de illegaliteit zo sterk als in Limburg. Het humanitaire verzet sloot goed aan bij de mentaliteit in deze homogene katholieke samenleving, een essentiële voorwaarde voor de illegaliteit om tot brede ontplooiïng te komen. Steun geven aan mensen in nood schonk niet alleen morele voldoening, het was eveneens in overeenstemming met kerkelijke opvattingen en leerstellingen. Het gaf de hulpverleners bovendien het gevoel iets tastbaars, zij het bescheiden in omvang en rendement, tegen de bezetter en diens handlangers te ondernemen. Dit laaggestructureerde verzet bereikte een kwalitatief hoog peil, wat des te opmerkelijker is als men bedenkt dat de hulpverlening, afgezien van de duikorganisatie, zonder noemenswaardige leiding geschiedde. De praktijk wees uit dat de afwezigheid van leidinggevend kader de veiligheid en de veerkracht van de diverse netwerken ten goede kwam. Kleinschaligheid en de steun van een relatief breed maatschappelijk draagvlak schermden de risico’s beter af dan een centraal geleide organisatie. Een strakke leiding zou de slagvaardigheid en het improvisatievermogen van de netwerken hebben verminderd en zou ongetwijfeld weerstand hebben opgeroepen. Als zich problemen voordeden, beperkten degenen met enige kennis van en inzicht in een of meer netwerken zich tot het inwinnen van advies bij stuwende krachten achter de schermen. Dat konden zowel geestelijken als leken zijn. De organische, spontaan gegroeide en door de Kerk gestimuleerde hulpverlening vormde de kernactiviteit van het Limburgs verzet, een verzet waarvan de grondslagen waren gelegd in het midden van de jaren dertig en dat goed paste bij de Limburgse mentaliteit en maatschappijstructuur.
      Hoe moet het Limburgs verzet, in het bijzonder de hierboven beschreven hoofdcomponent, worden gewaardeerd in landelijk perspectief? Alvorens deze vraag te beantwoorden, willen we de aandacht vestigen op een daarmee samenhangende kwestie. Kan men het aantal verzetsslachtoffers of het aantal door de Stichting ’40-’45 gehonoreerde aanvragen voor een verzetspensioen als maatstaf hanteren bij de vaststelling van het aantal verzetsdeelnemers of de omvang van het illegale werk per provincie? Hoewel deze methode in het verleden door een paar onderzoekers is toegepast of omarmd, kleven er serieuze bezwaren aan. In het geval van Limburg laat zo’n benadering buiten beschouwing dat de provincie tussen september 1944 en maart 1945 werd bevrijd. Juist in die periode vielen in de nog bezette delen van het land de meeste verzetsslachtoffers en sloten velen zich om uiteenlopende, vaak opportunistische redenen bij de illegaliteit aan. In Limburg hield de georganiseerde illegaliteit tussen september en december 1944 vrijwel op te betaan. De illegalen die zich nadien in het nog bezette Noord- en Midden-Limburg ten oosten van de Maas ophielden, trachtten of bevrijd gebied te bereiken of zij zetten hun illegaal werk noodgedwongen op een laag pitje vanwege de alom heersende chaos, het oorlogsgeweld, de evacuaties en het feit dat ze zich opgesloten wisten in het frontgebied. De humanitaire hulpverlening leverde doorgaans weinig spectaculair verzet op en week daardoor af van meer tot de verbeelding sprekende verzetsdaden als sabotage, overvallen, liquidaties en bevrijdingsacties.
      Zulke activiteiten bereikten elders in de eindfase van de bezetting een hoogtepunt en eisten een hoge tol aan mensenlevens. Afsluitend moet erop gewezen worden dat deze werkwijze, toegepast door L. Lamers in 1957-1958, voorbijgaat aan de vraag in hoeverre voormalige illegale werkers (destijds) van het bestaan en de mogelijkheden van de Stichting ’40-’45 op de hoogte waren of er gebruik van konden of wensten te maken.
      Limburg wordt in vergelijking met de meeste andere provincies karig bedeeld als men het aantal tot het midden van de jaren vijftig toegekende verzetspensioenen als uitgangspunt neemt bij een bepaling van de omvang van de verzetsdeelname. De uitkomst paste echter voortreffelijk bij en onderbouwde zelfs de onjuiste hypothese dat de bijdrage van het katholieke volksdeel aan het verzet minder zou zijn geweest dan die van andere bevolkingsgroepen. In deze studie menen wij te hebben aangetoond dat de Limburgse illegaliteit geenszins achterbleef bij de landelijke. Deze hardnekkige misvatting kan enkel het resultaat zijn geweest van onwetendheid, veronderstellingen, onvolledige gegevens, ongelukkige interpretaties en op grond daarvan ten onrechte getrokken conclusies. Limburg gaf weliswaar geruime tijd een grotendeels zelfstandige ontwikkeling te zien, maar heeft wel degelijk een bijdrage geleverd aan de landelijke illegaliteit. Veel hulpverleningsorganisaties in den lande waren voor de afvoer van hun vluchtelingen gedeeltelijk of geheel aangewezen op de Limburgse netwerken, netwerken met een internationaal karakter die vanuit deze provincie waren opgebouwd of aansloten op andere in België, Frankrijk en zelfs Duitsland en eindigden in Zwitserland of Spanje. Individuele vluchtelingen, Engelandgangers, verschillende inlichtingendiensten en andere landelijke verzetsorganisaties maakten er eveneens gebruik van. De provincie fungeerde niet alleen als transitogebied voor vluchtelingen, ze konden er ook terecht. Talrijke (joodse) onderduikers uit alle delen van het land vonden hier onderdak, zowel in verstedelijkte regio’s als de Mijnstreek als op het platteland. De provincie bood ruimte en diverse verzorgingsgroepen maakten er in toenemende mate gebruik van. Confessie speelde bij dit alles geen doorslaggevende rol. Het laatste kan misschien het best worden geïllustreerd aan de hand van de opstelling van de provinciale duikorganisatie die, bij monde van haar voorman J. Hendrikx, in de zomer van 1943 koos voor aansluiting bij de toen nog overwegend protestants-christelijke L.O. De oprichting van een afzonderlijke landelijke katholieke duikorganisatie, waarop sommigen hun zinnen hadden gezet, achtte hij niet nodig.
      Dat was een principiële, op humanitaire gronden genomen beslissing, waardoor een mogelijke scheuring in de L.O. en een onwenselijke versnippering van de hulpverlening aan onderduikers werden voorkomen. Bij gebrek aan steun van het katholieke Limburg lieten de initiatiefnemers hun plan varen. De rol en invloed van Limburg op landelijk niveau was kortom vooral merkbaar op het terrein waar de provinciale ontwikkeling het verst was voortgeschreden, het geweldloos humanitair verzet en de daarbij passende werkwijzen en verbindingen. Daar lagen zowel de intrinsieke kracht als de specifieke waarde van de Limburgse illegaliteit.