|
|
|
|
|
|
Rosel Cohen was met moeder Margaretha Cohen-Abraham (44) en broertje Fritz (17) uit Dinslaken, Duitsland gevlucht.
Na het novemberpogrom van 9/10 november 1938 verhuisde Margarete Cohen met haar twee kinderen van Dinslaken naar een schoonzus in Mönchengladbach, Humboldtstr. 27. Het lukte haar om Rosel en Fritz op 13 december 1938 vanuit Mönchengladbach met een kindertransport naar Nederland/Amsterdam te sturen. Zelf keerde ze eerst terug naar Dinslaken. Hier woonde ze enige tijd bij het echtpaar Liffmann in de Schlageterstr. 62. In augustus 1939 meldde ze zich vanuit Dinslaken aan in Utrecht. Margarete Cohen en haar kinderen Rosel en Fritz woonden vanaf 11 augustus 1939 in Valkenburg. [1]
Zij konden bij Rosels oudtante Emma Horn en haar man Servaas Soesman wonen. [2.2]
Zij werden gedeporteerd op 25 augustus 1942 met de eerste deportatie uit Limburg. [3]
Er liggen struikelstenen voor de vijf mensen die hier het laatst gewoond hebben: Berkelstraat 15 [2.2]
In Duitsland hebben Rosel en haar gezin een tweede voornaam gekregen. Dat was bedoeld als pesterij: wanneer de naam niet joods genoeg klonk, werd er overeenkomstig het geslacht Sara of Israel aan toegevoegd. Deze tweede voornaam wordt hier niet gebruikt. [4]
Rosel (17) & Fritz (12) Cohen [3]
Voetnoten