Verzet van Pierre Schunck en de zijnen
MenuVerzet van Pierre Schunck en de zijnen text, no JavaScript Log in  Deze pagina in het NederlandsDiese Seite auf DeutschThis page in EnglishCette page en Français

Historie is niet alleen het weergeven van de as,
maar ook het doorgeven van het vuur.
Thomas More


 Pierre Schunck 1935

Verzet van Pierre Schunck en de zijnen

  tijdens de Tweede Wereldoorlog.
  Originele teksten, verzameld door Arnold Schunck

Creative Commons License Deze website staat onder een Creative Commons licentie:
• Geen commercieel gebruik
• Geen bewerking
Kortom: u mag de inhoud van deze website doorgeven, ook gedeeltelijk, maar niet voor commerciële doeleinden.
De citaten moeten onveranderd blijven en natuurlijk moet de auteur en de bron worden aangegeven en op de licentievoorwaarden moet worden gewezen.


Legitimatiebewijzen Verzet 1940-45

Uitgegeven door „Voormalig Verzet Limburg“, registratienummer (KvK) V 187800
Een van de vaste gelegenheden, waar de leden van het Voormalig Verzet Limburg elkaar ontmoetten was/is de jaarlijkse dodenherdenking op de Cauberg.


Deze tekst is een mozaïek van aanhalingen uit de verschillende bronnen die ik hierover heb, want ze vertellen verschillende delen van deze geschiedenis, soms het zelfde verhaal, maar ze zijn dan complementair. Hier en daar met een verbindend commentaar uit eigen koker. Een belangrijke plaats wordt ingenomen door gescande teksten die Pierre Schunck na de oorlog zelf heeft geschreven. Complete bladzijdes uit zijn memoires zien uit als geschreven met de schrijfmachine. Want dat was het in die gevallen ook. De bijbehorende scans vind je direct ernaast, als miniatuur. Klik erop voor een vergroting.
Bovendien heb ik opgeschreven waaraan wij, zijn kinderen, ons uit zijn verhalen nog kunnen herinneren.
Aan de kleur van de kantlijn voor de citaten ziet u in een oogopslag waar ze vandaan komen. Wanneer u met de muis over een citaat gaat, verschijnt de bron als „tiptekst“. (Werkt niet op mobiele apparaten.) Letterlijke citaatblokken uit interviews hebben een donkerder achtergrond (niet in de printversie) en hebben een bredere linker marge. Onderaan vindt u een overzicht van de gebruikte bronnen

 Memoiren Pierre Schunck
 Interview Nederlands Auschwitz Comité
 Interview NIOD
 De Geschiedenis van Valkenburg
 proefschrift A.P.M. Cammaert
 Afscheidsrede Theo Goossen (Harry)

Voor een uitvoerigere toelichting zie onderaan bij bronnen.

  • In de hieronder volgende tekst vindt u meer dan eens het woord „onderduiker“. Misschien moet dat aan jongere lezers worden uitgelegd. Het werd tijdens de oorlog gebruikt voor alle personen, die door de Duitsers werden gezocht en voor wie het dus beter was, zich te verstoppen. Voor hun werd de organisatie L.O. (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) opgericht. Het ging hierbij om Joden, om geallieerde piloten, die boven Nederland neergestort waren en om jonge mannen, die niet in Duitsland wilden gaan werken om de Duitse soldaten te vervangen.
  • De woorden „rayon“ en „district“ komen vaak voor. Het Nederlandse verzet heeft de provincies verdeeld om praktische redenen. Dit kwam niet overeen met een officiële indeling, maar was uitsluitend gericht op het verzetswerk. Het rayon Valkenburg, waarvan mijn vader rayonchef was, bestond uit Valkenburg zelf en enkele dorpen. Het behoorde tot het district Heerlen.
  • Om zichzelf en anderen te beschermen, gebruikte men schuilnamen, die dezelfde initialen hadden als de eigen naam. Want het was toen nog algemeen gebruikelijk, dat iemands initialen in zijn wasgoed waren geborduurd. Een beroemd voorbeeld: de organisator van de Franse résistance Jean Moulin had o.a. de schuilnamen Joseph Mercier en Jacques Martel. De verzetsmensen kenden alleen elkaars schuilnaam. De echte naam werd pas na de oorlog bekend, maar op reünies en andere vieringen sprak men elkaar meestal nog steeds met die verzetsnaam aan. Voor Pierre Schunck was deze schuilnaam Paul Simons.

Inleidingnaar boventerug

Het verzet tegen de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog begon al op de eerste dag. Spontaan, ongeorganiseerd. Als vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid. Langzaamaan werd vooral de hulp aan onderduikers georganiseerd. Een grote militaire bijdrage aan de overwinning van de geallieerden heeft dat niet betekend. Het verstoppen van jonge mannen, die naar Duitsland werden opgeroepen om daar te werken, heeft de Duitse oorlogsindustrie zeker enige schade berokkend. Maar er werden vooral vele levens gered. U vindt hier het verhaal van Pierre Schunck en de zijnen, dat voor dit verzet typisch was.
In sommige opzichten verschilt het verzet in de Nederlandse provincie Limburg en van Valkenburg van dat in de rest van het land. De belangrijkste punten zijn:

  • Voor Valkenburg moeten we het bijzonder hoge aandeel van aanhangers van de NSB in aanmerking nemen (Statenverkiezingen 1935 in Valkenburg: 23,4%, landelijk gemiddelde: 7,94%, heel Limburg 11,7 %, mijnstreek gemiddeld 17%). Dat maakte verzet in deze gemeente bijzonder gevaarlijk, ook al ging die sympathie later overal weer achteruit.
  • Al lang voor de Duitse bezetting verklaarde aartsbisschop De Jong het lidmaatschap van nationaalsocialistische organisaties onverenigbaar met het christendom. Andere kerken uitten zich in dezelfde geest. In die jaren was Limburg nog zeer katholiek, dus namen grote delen van de katholieke geestelijkheid snel een belangrijke rol in het verzet in. In de Limburgse mijnstreek (=L.O.-district Heerlen) verliep de samenwerking met vakbondsmensen, socialisten en communisten vrij goed, ondanks de ideologische verschillen.
  • Limburg was, net als de andere grensprovincies, een belangrijk gebied voor het opnemen van mensen uit het dichtbevolkte westen, die moest onderduiken. In het toeristenstadje Valkenburg werden zij niet alleen bij boeren gehuisvest, maar ook in hotels. Zie ook het resumee van Cammaert op de voorlaatste pagina.
  • De geografische positie in de zuidoostelijke hoek van Nederland maakte deze regio geschikt als doorgangsgebied voor vele vluchtelingen en geallieerde piloten, bijvoorbeeld naar Zwitserland of Gibraltar. Dat was een belangrijke activiteit vooral in veel grensplaatsen. Voor Valkenburg zelf speelde dit een ondergeschikte rol.

Vóór de oorlognaar boventerug

Pierre Schunck (*24-03-1906, Heerlen †02-02-1993, Kerkrade) was de oudste zoon van de Heerlense zakenman Peter J. Schunck en Christine Cloot.
 Settela Steinbach,
op 19 mei 1944

In zijn schooltijd gaf hij al blijk van sociale bewogenheid (of was het ook zijn verlangen naar een interessant leven?): hij hielp in het Heerlens woonwagenkamp aan de Heksenberg bij de alfabetisering van de kinderen. Mijn vader deed dit bij de Sintifamilie Steinbach. Dit viel bij „Mutter Steinbach“ zo in de smaak, dat zij hem een van haar dochters ten huwelijk beloofde (Het is er nooit van gekomen). Er waren achtereenvolgens verschillende vrouwen, die de titel Mutter Steinbach droegen. Het was in dit geval waarschijnlijk de latere „alte“ Mutter Steinbach Johanna Bamberger (1893-1935).
Het kamp werd geopend op 27 oktober 1923. Pierre Schunck was toen 17 jaar oud. De franciscaan Justus Merks van het woonwagenliefdewerk was er de zielzorger en de drijvende kracht achter dingen als de alfabetisering van de kinderen. Misschien is Pierre door hem geïnspireerd, franciscaan te willen worden.
Zoals te verwachten, vermoordden later de nazi’s de meeste Sinti in Limburg, dus ook de familie Steinbach. Wie kent niet het gezicht van Settela Steinbach, die op 19 mei 1944 in Westerbork uit de veewagen kijkt, waarmee ze naar Auschwitz zal worden vervoerd? Ze werd geboren in de buurt van Sittard en behoorde tot dezelfde familie Steinbach. Alleen haar vader overleefde de oorlog en stierf in 1946 in Maastricht.



Alte Mutter Steinbach

Johanna Bamberger (1893-1935) werd de „alte Mutter Steinbach“ genoemd. Ze stond aan het hoofd van de familie, waar Pierre Schunck in de jaren twintig bijles gaf.
Over de Sinti aan de Heksenberg is een rijk geïllustreerd boek verschenen, dat inmiddels zijn tweede druk beleeft: Settela en Willy en het geheim van de Heksenberg, ISBN 978-90-822416-3-1, verkrijgbaar o.a. in het Thermenmuseum, Coriovallumstraat 9, Heerlen of op http://www.landvanherle.nl/bestellen
YouTube:
Video 1
Video 2
De foto is ontleend aan video 2




Gerda Cremers 1935

Volgens de in die tijd heersende traditie werd aan Pierre al vroeg duidelijk gemaakt: „Je komt in de zaak werken, behalve wanneer je priester wordt.“
Pierre voelde om verschillende redenen meer voor een priesteropleiding, die hij volgde in Megen bij Nijmegen en Hoogcrutz aan de zuidrand van Zuid-Limburg. Hij verliet die opleiding echter weer vóór de priesterwijding.
Na de kloostertijd leidde hij vanaf de jaren dertig in opdracht van de Fa. Schunck (= zijn vader) een wasserij in Valkenburg. Het contact met de Franciscanen bleef bestaan. Ook met een schoolvriend uit Megen, die eveneens uit het klooster was teruggekomen en nu weer bij zijn ouders in Hotel Cremers, ook in Valkenburg, woonde. Daar leerde hij zijn vrouw Gerda kennen.
De Tweede Wereldoorlog heeft een grote invloed op hun verdere leven gehad. Vanuit hun morele en nationale overtuiging konden zij niet anders, dan verzet tegen de Duitse overheersing te plegen.



(Eerste) Hollandsche Stoomwasscherij

De Hollandsche Stoomwasscherij werd opgericht in 1904 aan de Plenkertstraat in Houthem (later Valkenburg) door Pierre Cloot te Heerlen, de vader van Christine Cloot, schoonvader van Peter J. Schunck. Deze werd in 1909 eigenaar, terwijl Leo Cloot als directeur fungeerde. Het Rijckheyt archief verwisselt in dit geval Pierre Schunck (die toen 3 jaar oud was) met zijn vader Peter Schunck.
Pierre werd directeur (niet eigenaar) in de jaren dertig. De wasserij werd verkocht in 1947 aan E. Hennekens.
Zie ook de inventarislijst van het archief van Leo (L.H.M.) Schunck in bovengenoemd Rijckheyt: A.12 Hollandsche Stoomwasscherij P. Schunck te Valkenburg, 1904 - 1947

Ongeorganiseerd verzetnaar boventerug

De eerste onderduikersnaar boventerug



10 mei 1940

Hoe kwam men ertoe om
zich in een zo een gevaarlijk
verzetsavonttur te begeven?

Je koos niet voor het verzet, gebeurtenissen, soms kleine inci-
denten brachten je ertoe om bij te springen, en het gevolg
was dat je iets gedaan had, om anderen te helpen bijv. dat door
de bezetter verboden was. Een escalatie bracht je dan van het
een tot het ander. Ik zal pogen om het aan
mijn eigen ervaringen te illustreren.

10 mei 1940 de vrijdag vóór Pinksteren. Stralend weer.
Duitse vliegtuigen in lage vlucht over ons huis. In Valken-
burg zelf trekken de vijandelijke tanks de Cauberg op.
We zijn bezet gebied.
                    Nederlandse soldaten, die een oud kanon
boven op de Cauberg bedienden, hebben het gevaarte midden op
de weg omgekiept om de opmars te hinderen en zijn zelf langs de
Heidgracht er van door gegaan. Zij zitten langs de
helling van het Polverbos en weten niet goed waarheen.
Ik zie ze. Zou je die jongens laten vallen in de handen van de
vijand? We haalden ze in huis en Gerda mijn vrouw was meteen
in de weer om ze een stevig ontbijt te verschaffen. 12 soldaten
moesten vervolgens omgekleed worden in burgers. Met kunst en
vliegwerk hebben wij het klaargespeeld. Het personeel was inmiddels
aan het dagelijks werk begonnen. Overleg met de mannen van het
personeel leverde wat kledingstukken op en de soldaten waren
omgewerkt tot ietwat verfomfaaide burgerjongens.

Meteen hadden wij de eerste onderduikers, want vervoer naar hun
thuisadres was maar voor een paar Z.Limburgse jongens mogelijk.
In de week na Pinksteren werd voor de in Valkenburg gestrande
vacantiegangers een terugreis accommodatie verzorgd en onze jongens
reisden mee naar het noorden. Een paar hebben de geleende burger-
kleding netjes geretourneerd.
                             Maar nu de wapens en de uniformen die zij
achterlieten. Johan de Wijs, onze machinist, wist er raad mee.
De uniformen in de stoomketel met een lekker vuurtje verbranden,
maar... vond Johan, die geweren kunnen wij te zijner tijd wel
eens hard nodig hebben om die moffen te verjagen. Hij wist er
weg mee, een onderdeel (het slot?) demonteerde hij. Het
wapen zelf werd dik in het consistentvet gezet met lappen omwikkeld
en een voor een in de tuin begraven. De onderdelen die hij apart
had gehouden werden in een kistje verpakt, na ook ingevet te zijn
en afzonderlijk verstopt. Hij deed zulks dat als NSBers of Duitsers
de geweren vonden, zij er niets mee konden doen.

Lees verder op kelken en misgewaden

Openbaar verzetnaar boventerug

uit: De geschiedenis von Valkenburg-Houthem:

Op 29 Juni 1940, de verjaardag van Prins Bernhard, vertoonden talrijke mensen zich op straat met een witte anjer in het knoopsgat. Het was het eerste openlijke verzet tegen de Duitse bezetting.
Vermoedelijk nooit heeft het Nederlandse volk de woorden uit het Wilhelmus

"de tyrannie verdrijven
die mij mijn hert doorwondt"

beter begrepen dan in de bittere bezettingsjaren. Het aantal verzetsstrijders groeide geleidelijk als gevolg van het hardnekkige opleggen van de Duitse ideologie, de toenemende rechteloosheid, de uitroeiingspolitiek tegenover de Joden, de vele deportaties naar de concentratiekampen, het fusilleren van gijzelaars, de verplichte arbeidsdienst in de Duitse oorlogsindustrie, de loyaliteitsverklaring die iedere student moest ondertekenen, en het afvoeren van het voormalig Nederlandse leger in krijgsgevangenschap.
Deze en nog veel zaken voedden de haard van het verzet. Haat tegen Nazi’s en N.S.B.-ers nam toe. Openlijk verzet tegen de meedogenloze onderdrukking en de inbreuk op de fundamentele menselijke rechten kwam steeds meer voor.

Dit verzet bestond aanvankelijk vooral uit burgerlijke ongehoorzaamheid, maar allengs begon men ook te saboteren. De hulp aan onderduikers volgde ook dit stramien: wat begon als spontane, individuele hulp, werd allengs georganiseerder op steeds hoger niveau. Het ging hier in de eerste plaats om humanitaire hulp, maar het had ook een militaire betekenis: jonge mannen, die niet naar Duitsland wilden om daar de frontsoldaten in de (oorlogs)industrie en voedselproduktie te vervangen, werden verstopt. Neergestorte geallieerde piloten werden op de „pilotenlijn“ naar Gibraltar gezet. Het verhaal van Pierre Schunck is hiervoor heel typisch. Hij is dat nooit „van plan“ geweest, het is hem bijna overkomen.

Er waren ook andere voorbeelden van burgerlijke ongehoorzaamheid, waaraan de meeste mensen meededen. Zo hield iedereen die daartoe de gelegenheid had, wel een paar kippen, een geit of een varken, om buiten de rantsoenen nog een extraatje te hebben. Deze dieren moesten bij het distributiekantoor aangemeld worden, en men kreeg dan minder bonnen. Om dat te omzeilen werden vaak minder dieren opgegeven dan men werkelijk had. Ook de familie Schunck had achter de wasserij een toom kippen, waarvan maar een paar waren opgegeven. Als er dan controle kwam, ging een seintje naar achteren, en de kippen werden door iemand van het personeel de naburige boomgaard in gejaagd. Dit was een volkssport, die de kiem van rebellie al in zich droeg.

Kelken en misgewadennaar boventerug

Een jaar lang gebeurde er niets. De Duitsers speelden mooi weer, onze krijgsgevangen soldaten mochten terugkomen en we vroegen ons af: waarom hebben wij ons zo in gevaar gebracht met hulp aan die jongens? Ze zijn nu allemaal en netjes officieel thuis. Totdat Valkenburg opgeschrikt werd door het gerucht dat de SS de Jezuïeten over de Duitse grens gezet had en het klooster gevorderd was. Dat gerucht was grotendeels waar, doch niet alle paters waren waren naar hun Vaterland vertrokken. De overste en nog een paar paters waren gaan onderduiken bij rector Eck, een heeroom van mijn vrouw.



Bibliotheek Jezuïeten Valkenburg

In het land van Valkenburg zijn ten tijde van de Kulturkampf van Bismarck enige Duitse kloosters gesticht. Daar hoorde sinds 1894 ook het zog. Jezuïetenklooster bij. Eigenlijk was het hun hogeschool, het Collegium Maximum, die naar Valkenburg werd verplaatst und hier Ignatiuscollege heette. Het werd door de Nazi’s in beslag genomen, om er een Reichsschule der SS in te richten.
In het artikel „Niet zeuren maar werken – Twee generaties Eck vanaf 1873“, Het Land van Herle, jaargang 65 (2015), nr.3, p.98-126 schrijft Christine W.M. Schunck in de bijdrage over Rector Eck: Het werd al snel een centrum van wetenschap en herberg­de onder meer een bibliotheek met 180.000 boeken, een sterrenwacht en bovendien de beroemde entomologische verzameling van de bioloog Erich Weissmann s.j. De jezuïeten van Valkenburg werden in april 1942 door de SS gedwongen onmiddellijk naar hun vaderland terug te keren met achter­lating van hun bezittingen. Over de waardevolle voorwerpen, die in de handen van de SS dreigden te vallen, schrijft ze: 38 gouden kelken, di­verse reliekhouders met inhoud, een prachtig met gouddraad doorweven driestel met koorkap en een monstrans met briljanten bezet (een geschenk van keizer Wilhelm II aan een Hohenzollern jezuïet) en verder kostbare mis­gewaden en altaardoeken.
Een driestel is de liturgische kleding die in de oude liturgie (tot ca. 1962) werd gebruikt voor de zog. drieherenmis. Een driestel bevat een kazuifel voor de priester en twee dalmatieken (herkenbaar aan de mouwen) voor de diaken en de subdiaken.

In oktober 1942 vond de ontruiming van het Jezuïetenklooster in Valkenburg plaats, waar zich een unieke boekencollectie en een planetarium bevonden. Een hoge S.S.-delegatie reisde er speciaal voor naar Valkenburg. Binnen enkele weken was de kloosterkerk tot de laatste steen afgebroken.

De geestelijken waren letterlijk op straat gegooid. Sindsdien stond de inrichting ter beschikking van de Hitlerjugend.

Her NIOD schrijft over die school:Op de Reichsschule werden Nederlandse en Duitse kinderen opgeleid volgens het nationaal-socialistische gedachtegoed. De uit SS’ers bestaande schoolleiding gaf hoog op van de grote voordelen die het internaatsleven onder leiding van ‘kameraad-opvoeders’ bood. De Reichsschule besteedde veel tijd aan lichamelijke opvoeding. Het werken aan het intelligentiepeil van de leerlingen kwam op de tweede plaats. Na acht jaar zouden de jongens overal in de nazi-maatschappij in vooraanstaande posities welkom zijn. Maar eerst dienden zij in het belang van de 'Germaansche Gemeenschap' het uniform van de Waffen SS te dragen.

W. Eck was rector op het franciscanessenklooster St. Joseph op Sint Pieter in Valkenburg. Ook dit klooster met Duitse religieuzen was ontstaan tijdens de „Kulturkampf“ onder Bismarck. Hij was aan de D-NL grens opgegroeid, had een Duitse vader en was daardoor als zielzorger voor Duitse nonnen geschikt.

Wij lezen verder in de originele tekst van Pierre Schunck: „Doch niet alle paters



Jezuïetenklooster

waren naar hun Vaterland vertrokken. De overste en nog een paar paters waren gaan onderduiken bij de Rector van het klooster St.Pieter, Rector Eck, een heeroom van mijn vrouw. Deze belde mij op met het verzoek om eens dringend bij hem te komen. Ik dacht niet anders dan dat nu de zusters van St Pieter aan de beurt waren om naar Duitsland geëvacueerd te worden, zij waren immers ook van duitse oorsprong. Echter op de rectorskamer zaten de duitse paters. Zij hadden één grote zorg. En wel de heilige vaten en de kostbare misgewaden waaraan zij een sacrale waarde hechtten, dat die niet in handen zouden vallen van de heidense SSers. Hun verdrijving uit het klooster was al een paar dagen oud, en verschillende families uit Valkenburg (met name Caselli en Wijsbek-Caselli) hadden al schilderijen en andere bereikbare dingen in bewaring genomen. Zij hadden dit makkelijk kunnen doen omdat enige dagen het klooster verlaten was geweest. Doch nu was een aannemer met arbeiders bezig om de komst der aanstaande "Reichsschule" voor te bereiden. De paters vroegen mij als voorzitter der K.A. of ik iemand wist die het zou aandurven om hun kostbaar bezit aan kelken, monstransen, misgewaden en reliquien weg te halen. Een en ander was in een kluis, onder de sacristie van hun kerk. Ik zou dan eens uitzien wat er te doen viel en kreeg de sleutels van klooster sacristie en kluis mee. Het blote toeval werkte weer in de hand. Een uitvoerder van het werk in het klooster belde op of wij niet de vuile was die de jesuiten hadden achtergelaten konden ophalen reinigen en weer terugbezorgen. Dat was de grote kans om midden op de dag het "kelkenkarwei" te gaan opknappen. De bestellers waren met de wagens op stap, doch het paard en de paardenkar waren thuis. Met de buurman Kaspar Donners ging ikzelf erop af. Met een stel wasmanden mee. Na de manden zowat gevuld te hebben, ging ik ook eens in de sacristie zien, of aldaar ook niet "vuile misgewaden" waren. De monstransen kelken en misgewaden verdeelden wij over de wasmanden onder het vuile wasgoed, de arbeiders van daar hielpen ons om de zware manden in de kar te hijsen, en Kaspar en ik kwamen heelhuids thuis. Heeroom Eck kon de paters geruststellen dat alles naar wens verlopen was. Maar wij zaten opgezadeld met een grote waarde aan vijandelijk vermogen. Doch daarbij bleef het niet. De Reichsjugendführer Rosenberg was uit Litouen afkomstig. Het nieuwe bestuur (van de Reichsschule)wilde hem een bibliotheek schenken uit Litouwen afkomstig en zoiets was in de Jesuiten-biblio- theek. Maar men kon zich niet terecht vinden omdat de kaarten- bak door elkaar lag. Dus werd de pater bibliothekaris uit duitsland terug gehaald en diende deze boekenreeks samen te stellen. Welnu de pater verzocht mij om de wasch ook voor de Reichsschule te blijven verzorgen. Hij zou wel kans zien om als de chauffeur kwam, enige boeken onder de was te stoppen. Verder sleepte hij kleinere exemplaren zelf eruit onder zijn lange priesterkleding verborgen. En alzo kwam elke week, zolang die pater daar werkte, een kostbaar boek naar ons toe. Op onze slaapkamer in de klerenkast hingen kostbare handgebor- duurde misgewaden, achter de kleren stonden verborgen de kelken. En in de archiefruimte achter het kantoor stonden de oude boeken. Al spoedig werd mij hardhandig duidelijk gemaakt dat deze opberg- methode levensgevaarlijk was.

Aardappels en wapensnaar boventerug

Voorjaar 1942

Het lukt hun ook met de dames van de katholieke aktie en boeren uit de omtrek een kinderkeuken in te richten in plaats van de (nazi-) Winterhulp. De keukeninrichting werd uit de Reichsschule georganiseerd en opgezet op de zolder van Pauls wasserij:




De kinderkeuken

Doch eerst nog de keukeninventaris van het
jesuitenklooster

Met de burgemeesters-familie Hens stonden wij op goede voet.
En in 1941 zetelde Hens nog op het raadhuis.
Op een dag kwam ik daar voor een of ander akkefietje en
zag de NSBer Gaaietaan uit de spreekkamer van de burgemeester
komen. Toen ik binnen kwam vroeg ik aan de burgemeester:
"Wat moest die snoeshaan hier?" Hens was ietwat gespannen en
zei: "Hij wil dat wij alle hulp verlenen bij het inrichten van
een gaarkeuken voor de schoolkinderen." Dit nu was vóór
de oorlog steeds een onderdeel van de St.Elisabethvereniging werkzaam-
heden geweest, waarvan zijn echtgenote bestuurslid was.
Ik antwoordde: "Nu, dan moet de Katholieke Actie hun voor zijn
en morgen beginnen." Dat was aangekaart maar weer te gauw
door mij naar voren gebracht.
                               Ik ging met mevr. Meeuwissen
die steeds gekookt had voor de schoolkinderen, in overleg.
 Hoe kom je aan levensmiddelen? En de Elisabeth Vereniging heeft geen
gerei meer voor keuken en kantine. Hoe kom je daaraan?
en waar doe je zo iets ? en jagen de duitsers je niet weg en
neemt het winterhulpswerk dan het werk over?
Zowel zij als Juffrouw Ubags wilden graag meewerken als ik
een oplossing zou vinden. Mannen van de K.A. gingen bij de
boeren in de omtrek hamsteren voor de kinderkeuken, met een
opmerkelijk enthousiasme om voor andere kinderen iets te doen
konden de chauffeurs van de wasserij zakken vol met aardappelen
meebrengen. (herfst 1941)
In Maastricht had zich een stichting "Fabrieksvoeding" gevestigd.
Ik sloot mij met het bedrijf daarbij aan en t.o.v. de bezetter
werd onze kinderkeuken een fabriekskeuken, waardoor de winter-
hulp erbij uitgeschakeld werd.   Voor keukengerei ging ik op
informatie bij de uitvoerder van de aannemer der Reichsschule.
Deze deed een oogje dicht en wij haalden het komplete keuken-
gerei incl. een stoom-kookketel voor 200 liter eten weg.
Het geheel werd op een zolder der wasserij opgesteld en tijdens
de winter 1941 konden de dames der voormalige St. Elisabethvereniging
weer koken voor de schoolkinderen van Valkenburg.

naar boven De razzia

Op een ochtend in de vroege lente 1942 werd plotseling het
gehele gebouw omsingeld door een groep rijkspolitie, onder
aanvoering van wachtmeester Van Renesse (een fel NSBer en
dienstklopper). Toen de wachtmeester onaangemeld bij mij binnen
kwam, zei hij: "U staat onder arrest wegens verdenking van verboden
wapenbezit." Hij wilde mij verplichten dat ik zou aan-
wijzen waar die wapens zich bevonden. Toen ik mij voor de domme
hield, haalde hij een briefje voor de dag waarop ik het hand-
schrift van een nieuw personeelslid meende te herkennen. Erbij
een schets met aanwijzing: wapens begraven in tuin, revolver
op binnenplaats vergraven, munitie in vaten met zeep.
Inmiddels staan wij op de binnenplaats en is een marechaussee aan
het graven op zoek naar de revolver. Kapelaan Horsmans komt door
de oprijpoort en Renesse gaat hem tegemoet. De marechaussee
wenkt mij met zijn hoofd, ik kijk toe, en hij heeft de revolver in
het gat bloot liggen. Hij gooit hem op de hoop uitgegraven
aarde en doet er meteen een schep aarde overheen. Hij graaft
ijverig door op zoek naar de revolver.
Mijn vrouw was binnen moeten blijven onder toezicht van een
marechaussee. De telefoon werkte niet. Alle machines in het

Mijn zoon is geen boefnaar boventerug



bedrijf stonden stil en de meisjes als vastgenageld op hun
plaatsen. Verschillenden huilden en snikten luidkeels.
De mannen waren naar buiten gelopen en liepen de zoekende politie-
mannen zoveel mogelijk in de weg.   Tot mijn geluk had de gaardenier,
Leo Dahmen, de wapens op een andere plaats diep ingegraven en
eroverheen een hoop aardappelen gebermd, zoals gebruikelijk
voor winterberging. Op de plaats waar aangegeven was in de
schets waarmee de zoekende mannen rondliepen, lag ook een
aardappelhoop. Toen de politiemannen begonnen, deze hoop uit
elkaar te halen, ging er een luidkeels protest op onder ons
mannelijk personeel, die er allemaal omheen stonden. Zoiets van:
dat zijn onze aardappelen, daarvan moeten jullie
afblijven, die hoop is niet van de baas, die heeft daarmee niets
te maken etc.       De aardappelhoop werd toch omver gebermd
en men vond niets.  Vanaf dat moment mocht ik naar binnen, bij
mijn vrouw komen. Inmiddels zaten daar ook mijn ouders, die met
een taxi uit Heerlen gekomen waren, en kapelaan Horsmans.
Renesse komt ook en deelt mede: "Wij hebben koper
gevonden en u dient zich hiervoor te verantwoorden bij de
Duitse autoriteiten. U zult dus wel naar Vught gezonden
worden." En mijn vrouw kreeg van hem opdracht om nachtgoed en
toiletartikelen voor mij gereed te leggen. Mijn vrouw kwam
toen heftig in opstand, zij verklaarde in verwachting te zijn en
met mij mee te gaan naar Vught.
Ik wilde de kapelaan nog spreken en vroeg dit in de vorm van: "Ik wil
voor ik wegga nog biechten." Dat stond Renesse toe. De kapelaan
vroeg ik om contact op te nemen met Johan de machinist over de
wapens en met de Jezuïeten in Maastricht over hun bezittingen,
zodat Gerda, mijn vrouw, niet verder risico zou lopen tijdens mijn
gevangenschap. Hij zou voor alles zorgen.    Vlak na deze biecht
beval Renesse een marechaussee om mij op te brengen. Ik werd
met een handboei aan zijn pols gekoppeld en zo zouden wij door
Valkenburg lopen. Toen kwam mijn vader in actie. Hij plaatste
zich voor Renesse en zei: "Mijn zoon is geen boef! Zelfs als hij
wapens verborgen zou hebben, dan zou ik zelfs trots op hem zijn.
Hij mag niet geboeid over de straat lopen. Buiten staat de taxi
en ik eis van u "Herr Offizier", dat hij per taxi weggebracht wordt.
Zo niet, dan zal ik mijn schoonzoon en de zwager van Pierre, mededelen
hoe u zijn naaste familie vernedert en die schoonzoon is de
Ortsgruppenführer der NSDAP (de Duitse nazi-partij) in Heerlen." Renesse gaf toe en ik
ging per taxi naar de kazerne op de Emmaberg. De opperwachtmeester
zat daar. De politieman wilde mij in de cel sluiten, doch de opper
wenkte, dat ik op kantoor moest komen. Hij stuurde de jongeman weg
en vroeg mij zeer verwonderd wat er aan de hand was. Ik antwoordde:
"Renesse heeft koper bij mij thuis gevonden." Het is inmiddels
middag geworden. De opper roept zijn vrouw om mij iets te eten
te brengen. Er kwam een grote kop bouillon met een ei erin geklopt.
Na de middag is de opper ijverig aan het zoeken in diverse op
de plank staande boeken. Eindelijk heeft hij het gezochte en zegt:
"Als Renesse komt, beroep je op een verordening van onze eigen
Haagse secretaris-generaal omtrent het leveren van koper. Die
verordening hebben die lui aldaar zogenaamd gemaakt tot hulp aan
de "Nederlandse" industrie. Dit is dus een zaak van de officier van
justitie in Maastricht, niet voor de SD."

(SD = Sicherheitsdienst des Reichsführers-SS, geheime dienst van de SS)

Renesse komt binnen, negeert mij en loopt naar de telefoon.
De opper, die naast het toestel zit, legt zijn hand erop en zegt:
"Is dit een kopergeval?" "Inderdaad, en ik dien de SD ervan te
verwittigen."

Stoomcursusnaar boventerug



De opper waarschuwt hem, dat hij zich bij de officier van justitie vies in
de nesten gaat steken, als hij deze, wegens die Nederl. verordening
passeren gaat. Hij verwijst Renesse naar het boek dat weer op de
plank staat. Renesse gaat enige tijd zitten studeren in dat boek.
Hij kreeg een dispuut met de opper, waarom ik niet in de cel zat.
De opper: "Schunck is mijn vriend en die sluit ik niet in de cel op.“
Renesse neemt de hoorn op en ik kon het gesprek volgen.
Het was met de Officier van Justitie in Maastricht. (Ik vernam
later dat Mr.J.Cremers, mijn zwager, de off.v.just. reeds had
ingelicht) Renesse werd geïnstrueerd, dat hij niets
anders te doen had dan inbeslagname van het koper en proces-verbaal.
 Dus geen bevel tot arrestatie. Daarna Renesse met een
zuur gezicht tegen mij: "Wat dat koper betreft heb ik in Maastricht
voor u gepleit om het deze eerste keer nog maar bij inbeslagname
en proces-verbaal te laten. Zodra mijn mannen mij melden,
dat ze geen wapens hebben gevonden, bent u vrij om te gaan."
Tegen de avond komen de mannen terug en hebben niets gevonden.
Renesse belt mijn vrouw op en zegt met zijn vriendelijkste
stem dat hij zijn best heeft gedaan bij de justitiële
autoriteiten om mij te mogen laten gaan.
                                     Tegen de avond was ik weer vrij
en vernam, thuis gekomen, dat onze vriend Toon Lampe
in de Plenkert (onze straat) wandelde, net toen de omsingeling van het erf
begon. Hij is toen doorgestapt naar Kapelaan Horsmans die 
toen mijn ouders waarschuwde. Dezen hebben op hun beurt weer
Mr.Cremers gevraagd, om zo nodig mij juridiese bijstand te
verlenen. Deze informeerde toen bij de Off. van Justitie om welke 
reden huiszoeking in zo grote opmaak geschiedde. Er was geen 
opdracht aan de wachtmeester Renesse gegeven.

Kapelaan Horsmans had woord gehouden. Na invallen der duisternis
hebben (zonder dat ik dit wist) diezelfde avond een paar vertrouwde
mannen de wapens naar elders overgebracht, bij de bevrijding zag ik
O.D.jongens met geweren lopen waaraan de grendels ontbraken
(de onze?)     Op een avond kwamen twee politiemannen mij het
koper terugbrengen en waarschuwden mij om die vaten zeep
elders onder te brengen.
Kort hierna kwam een broeder der_Jesuiten met een met zink gevoerde
kist waarin wij de kelken etc. plaatsten. Deze kist hebben wij
in de garage, zonder getuigen (je leert door schade en schande)
onder de tegelvloer geborgen. De misgewaden heb ik in een 
bedrijfskast opgehangen met eraan gehechte kaarten als 
gebruikelijk bij stoomgoed, en de adressen van diverse Zuidlimburgse 
kloosters. 
          De oude boeken hebben mijn vader en ik opgeborgen 
in een gang die liep rond de kluis van de zaak in Heerlen.
(de vroegere kluis van de voormalige Twentsche Bank)

(In 1939 had Peter Schunck het gebouw van de Twentsche Bank in Heerlen gekocht, om er een passage te kunnen bouwen, en wel de verbinding tussen het Emmaplein en de Markt.)

Mijn wapengeval was als een lopend vuurtje, met de nodige over-
drijving, door Valkenburg gegaan. Mensen, waarmee ik nauwelijks 
relatie had, kwamen mij hierna op straat uitvoerig feliciteren, 
zelfs zei er één (Cobben Wehryweg) als ik
een plaatsje zocht voor mijn wapens dan wist hij er wel een. 
Ik echter had een harde les geleerd. Ik wist nu, dat men voorzichtig 
te werk moest gaan. Als het ware had ik een stoomcursus in het verzet 
gehad.

Hieruit kunnen wij opmaken, dat er bij velen ondertussen behoefte bestond, verzet te plegen.

Jan Langeveldnaar boventerug



Stoffels & Berix


„Jan Langeveld“ 1992

Deze huiszoeking had eveneens tengevolge dat personen die 
in die tijd al met verzetsaktiviteit bezig waren, op mij 
opmerkzaam werden. 

Vlak voor de oorlog was mij door de wasserij­organisatie 
aanbevolen een accountant die zich op dit gebied specia-
liseerde. De heer Stoffels uit Bussum. Deze had zich 
steeds gereserveerd jegens mij opgesteld. Vanaf deze huis-
zoeking werd zijn houding plotseling opener en sprak hij over 
oorlog en de vijand met mij. 

In 1941 kreeg de firma A.Schunck in Heerlen kwestie met sectie 
Confectie over haar productie van mijnkleding. Haar vergun-
ning kwam in gevaar als niet een afzonderlijk productieapparaat 
werd gecreëerd. Ik werd aangezocht om deze organisatie 
op mij te nemen (mijn feitelijk vak). Met Stoffels pleegde 
ik overleg omtrent de inrichting der administratie  en de wijze 
waarop de bedrijfsleiding tot stand kon komen.
Stoffels wist een persoon in Amsterdam die uit de textiel stamde 
en zou deze eens polsen of hij er iets voor voelde om naar Limburg 
te komen. 

Een paar dagen later was hij weer terug en nu met de mededeling: 
Inderdaad de jongeman, ongehuwd, wil wel komen. Hij is een 
Jood en komt onder valse vlag. Liefst zou hij in het bedrijf 
zelf een woongelegenheid hebben zodat hij niet op straat hoeft 
te komen. In 1942 is de voorbereiding rond. Ik had al maar 
meteen door de timmerman een ruimte achter het magazijn 
laten afschermen, waar de komende onderduiker kon wonen. 
Zijn eigenlijke naam kende ik niet en wenste ik niet te kennen. 
Voor mij was hij Jan Langeveld zoals op zijn persoonsbewijs 
stond, dat een gebrekkige indruk maakte, met stuf bewerkt 
waardoor de ondergrond beschadigd Was. Iets on meteen bij de
eerste controle door de mand te vallen. 

             Nadat Jan Langeveld reeds geïnstalleerd was in ons 
bedrijf en toen niemand van het personeel, dat met machines etc. van 
het glaspaleis was overgekomen naar de Geleenstraat, ook maar 
enige verwondering uitte over de nieuwe bedrijfsleider, immers 
een nieuw bedrijf heeft ook andere mensen, waren zowel mijn 
onderduiker als ikzelf enigszins opgelucht. 

             Doordat een kapelaan in Heerlen tobde met kleding-
problemen voor zijn onderduikende medemensen kregen wij 
contact met hem. Wij konden hem helpen met zijn kledingprobleem 
en hij beloofde mij om iets te doen aan de papieren van onze onder-
duiker. Die kapelaan was Giel Berix. 
Het duikwerk van deze kapelaan had nog geen landelijk contact. Men 
poogde te helpen waar nodig, eerst in 1943 werd een en ander 
op een georganiseerde voet gebracht in landelijk verband met 
medewerking van twee kapelaans uit Venlo en vooral een onderwijzer 
Ambrosius alias Jan Hendrikx. En eerst als de man voor de 
kleren van de onderduikers en later als rayonleider zat ik 
als het ware van het ene incident tot het andere in het 
verzet. Als hen het mij plotseling zou gevraagd hebben, 
"kom doe mee", dan zou ik mij misschien niet ertoe geleend 
hebben, na nuchter overleg en de gevaren, voor een getrouwde man 
met kinderen en een bedrijf met mensen die tevens in gevaar 
zouden zijn, van hun werk te kunnen verliezen. Nu Was ik ertoe 
gedreven. Ik aanvaardde en wist dat het zó moest zijn.

Het gezin Schuncknaar boventerug

Voor Pierre Schunck was het logisch, ook voor de Wehrmacht de was te doen. Dat was te vergelijken met de camouflage van de gemeentelijke ambtenaar Freysen, die met zijn bruine hemden en dito praatjes op het distributiekantoor van Valkenburg voor de LO werkte. Het standpunt van onze ouders bleef de tijdens de oorlog al levende kinderen natuurlijk niet verborgen. En dus namen zij dat standpunt over, zonder enig besef over de mogelijke gevolgen daarvan.
De Duitse soldaten, die in de bezette gebieden dienst deden, waren vaak de minder validen en de ouderen, die aan het front niet goed inzetbaar waren. Tegen het einde van de oorlog werd dat heel anders: er waren zoveel soldaten gevallen, dat ook Hitlerjongens naar het front werden gestuurd.
Op een dag speelden de twee oudste kinderen buiten. Het was mooi weer en de ramen stonden open. Een wat oudere soldaat kwam de was van zijn eenheid brengen en zag de spelende kinderen. Hij vroeg aan Jantje: „Na kleiner, hoe heet jij denn?“ „Jantje!“ „Und gibst du dem Onkel denn ook een handjen?“ Nou, dat kon zijn „grote“ zusje onmogelijk toelaten. „Geef die rotmof geen handje!“
Mijn moeder, die alles door het open raam had gehoord, dacht dat ze door de grond zakte. Nu zou alles uitkomen! Maar de aldus gebrandmerkte heeft daar geen punt van gemaakt. Het was waarschijnlijk gewoon een aardige man, die aan zijn eigen kinderen of misschien wel kleinkinderen heeft gedacht.

Op zekere dag kreeg mijn vader (dus Pierre Schunck) het bevel, dat hij naar Maastricht moest komen en zich op de kazerne bij de één of andere officier moest melden. Hij had geen idee, waar het over ging. Hij waste wel voor het leger, maar daarvoor hoefde hij nooit naar de kazerne te komen. Ging het misschien over zijn openhartige dochtertje? Dan zou hij misschien gewoon een uitbrander krijgen, dat hij zijn kinderen beter moest opvoeden. Of, wat natuurlijk nog veel erger was, had misschien iemand hem aangegeven? Of ging het toch gewoon over werk voor de wasserij? Zou hij niet beter kunnen onderduiken? Nee, want wanneer het toch iets onschuldigs was en hij kwam niet, dan zou hij waarschijnlijk juist slapende honden wakker maken. En bovendien zou dan het personeel zonder werk komen te zitten en ook zijn eigen gezin zou daardoor in armoe vervallen.
Vol twijfels ging hij er heen.
„So, Sie sind also Herr Schunck. Sagen Sie mal, Ihr Name klingt so Deutsch. Woher stammt der eigentlich?“
„Aus Kettenis bei Eupen. Da spricht man Deutsch.“
Mijn vader had een tijd lang in Aken gestudeerd en sprak vloeiend Duits. Dat, en zijn afkomst uit een duitstalig gebied, dat Duitsland inmiddels geannexeerd had, deed de officier besluiten:
„Dann sind Sie ja ein Volksdeutscher!“ Zo werden door de Duitsers alle Duitstaligen genoemd, die niet binnen de grenzen van het Duitse Rijk woonden. In tegenstelling tot de Rijksduitsers. „Dann frage ich mich, warum Sie sich nicht schon längst freiwillig für die Ostfront gemeldet haben!“
Dat was het dus. Mijn vader viel een pak van zijn hart. Deze opluchting maakte hem welbespraakt. Hij verklaarde, dat hij best graag zou willen, maar dat hij hier een minder heldhaftige, maar toch niet minder belangrijke rol had had te vervullen. Hij moest immers de was doen voor het Duitse leger? En bovendien hingen van zijn bedrijf de inkomens van heel wat gezinnen af.

Georganiseerd verzetnaar boventerug

in Limburg en Valkenburg - en de rol van Pierre Schunck daarin

Tijdens de uitvaart van zijn strijdmakker „Paul“ hield Theo „Harry“ Goossen een afscheidstoespraak, waarin hij diens activiteiten, maar ook van de hele L.O. als volgt beschreef:

Zijn activiteiten waren hoofdzakelijk gericht op hulp verlenen aan mensen in nood:

  • Aan in nood verkerende gezinnen, waarvan de man-en-vader had moeten vluchten, ondergedoken was, of in een gevangenis opgesloten ofwel in een der gruwelijke kampen verbleef
  • Onderdak en duikadressen organiseren voor vluchtelingen, voor Joden, voor vliegeniers, voor gezochte verzetsmensen, enz.
    Al die mensen dienden verzorgd te worden, op het gebied van voeding, kleding, bonkaarten, persoonsbewijzen, stamkaarten, noodzakelijke „ausweise“, zegeltjes, enz. ,enz..
  • Het verwezenlijken van die hulpverlening vereiste organiseren, onderling overleg, intens samenwerken, onopvallend, geheim!

De eigen zakelijke bezigheden van „Paul“ worden bij herhaling onderbroken DOOR DE NOOD VAN ANDEREN. Ook die situatie vereist: uitkijken, voorzichtig zijn en onopvallend handelen. ALTIJD met de hoop, het gevaar (wel verborgen, maar altijd aanwezig) te kunnen ontwijken, zo mogelijk te kunnen ontvluchten. In DIE sfeer moet men de meer dan 2 jaren durende georganiseerde verzetsdaden van „Paul“ bezien en beoordelen.
Daarbij zij nog in overweging te nemen: het werkelijke gevaar heeft enkele malen voor zijn deur gestaan. Zelf zegt hij:

„Ik begrijp het niet. Ik kan het niet verklaren. Ik heb heel veel geluk gehad! Maar ik heb heel veel gebeden!“. Hij gaat verder en zegt: „Ik heb dit alles niet ALLEEN gedaan. En zonder de hulp van mijn vrouw was het een en ander totaal misgegaan.“

De noodzaak om hulp te verlenen aan de vele onderduikers, Joden, neergehaalde piloten, ontvluchte krijgsgevangenen en voormalige Nederlandse militairen deed de behoefte gevoelen aan één groot georganiseerd geheel. Kleinere verzetsgroepen gingen in groter verband werken, namelijk in de L.O. (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers). Deze verdeelde Limburg in 10 districten. Naast deze organisatie vormde zich de knokploeg, kortweg K.P. genoemd. Vaak met geweld verschafte deze zich legitimatiebewijzen en distributiekaarten. Vanaf eind 1944 stond de gehele K.P. in Limburg onder leiding van Jacques Crasborn uit Heerlen.
Na enige tijd ontstond ook in Valkenburg een K.P. Ze bestond aanvankelijk uit twee man, de leraren Jeng Meijs en Jo Lambriks, van wie de eerste enige jaren vroeger Jacques Crasborn als leerling in de klas had gehad. Later werd Georges Corbey het derde lid van de Valkenburgse knokploeg. De naam knokploeg doet denken aan een gewelddadige groepering, maar meestal waren de K.P.’s niet zo vechtlustig, ofschoon ze soms uiteraard een krachtdadig optreden niet uit de weg gingen, als dat noodzakelijk was. De taak van een K.P. was echter geen andere dan te zorgen voor het levensonderhoud van ondergedoken personen. (De L.O zorgde voor de distributie). Men verzamelde materialen, illegale lektuur, distributiebonnen en soms zelfs Duitse uniformen om tijdens een overval te gebruiken. De meeste aktiviteiten hadden tijdens de nachtelijke uren plaats.
Hoofd van de Valkenburgse L.O. was Pierre Schunck, leden onder meer Harry van Ogtrop en Gerrit van der Gronden. Natuurlijk waren er meer mensen, die van tijd tot tijd in het diepste geheim bij een of andere aktiviteit hun medewerking verleenden, tot gemeenteambtenaren toe. Zo waren het de gemeenteambtenaren Hein Cremers en vooral Guus Laeven, die er op het einde van de oorlog voor zorgden, dat het gehele register van de burgerlijke stand van Valkenburg „verloren“ raakte, toen de Duitse bezetter op het idee kwam om alle manneljike bewoners tussen 16 en 60 jaar in te zetten bij het graven van loopgraven.
In Limburg begon het georganiseerde verzet in februari 1943 in Venlo.

Hier wordt het op provinciaal niveau georganiseerde verzet bedoeld. Op lokaal niveau werden er al vanaf het begin van de oorlog incidentele verzetsdaden gepleegd, zoals o.a. uit het voorgaande blijkt. Dit verzet bereikte een steeds hogere graad van organisatie, wat tenslotte uitmondde in de Limburgse tak van de L.O.

De Venlose onderwijzer Jan Hendricx (pseudoniem Ambrosius) werd hoofd van het gewest Limburg van de L.O., bijgestaan door Pater Bleijs (pseudoniem Lodewijk) en kapelaan Naus. De ziel van het Limburgse verzet werd drs. L. Moonen (pseudoniem Ome Leo), de secretaris van het bisdom. Met zijn medewerking legde men in korte tijd in heel het bisdom de nodige kontakten, zodat Limburg eind 1943 een vrij hechte verzetsorganisatie bezat.

De historica Christine Schunck, dochter van Pierre Schunck, schrijft: „Lou de Jong wilde reeds eind 1944 bij verzetsmensen in Limburg informatie lospeuteren, toen het front nog heel dichtbij was (denk aan Ardennenoffensief) en de leiding van het Zuid-Limburgse verzet geen namen en daden wilde prijsgeven. De Jong is na de oorlog nooit meer teruggeweest om alsnog info te krijgen, maar schreef doodleuk dat het verzet in Limburg niet veel voorstelde. Gelukkig heeft Cammaert een zeer gedegen onderzoek gedaan met een lichte nadruk op midden-Limburg waar immers zijn roots liggen.“
Omdat De Jong, niet ten onrechte, als DE autoriteit op het gebied van de tweede wereldoorlog wordt beschouwd, hebben velen van hem overgeschreven, dus dat er ook …


Persoonsbewijs

…in en rond Valkenburg in dit opzicht niets noemenswaardigs gebeurd zou zijn. Het privearchiefje van Pierre Schunck (pseudoniem Paul Simons) bewijst het tegendeel. Niet alleen zijn persoonlijke rapportage met aantekeningen en foto’s laat dit zien, maar ook een aantal echte en vervalste Ausweise, die hij nog steeds bezit, distributiekaarten en persoonsbewijzen, met briefjes van onderduikers, met „kattebelletjes“ van Z18 aan R8, illegale drukwerken en stencils, lijsten van officiële steun aan oorlogsslachtoffers tijdens de bezetting; een dossier over Joodse slachtoffers.
Hier liggen de stille getuigen van de georganiseerde onderduikershulp in de regio Valkenburg tijdens de jaren van de Duitse bezetting, de verlening van hulp aan neergeschoten geallieerde piloten, de overval op het bevolkingsregister, waardoor de inzet van mannen in deze kontreien in het Duitse arbeidsproces grotendeels onmogelijk werd gemaakt; het geknoei op grote schaal met distributiebescheiden, waardoor het tenslotte noodzakelijk werd om het distributiekantoor in Valkenburg te overvallen en leeg te roven, omdat de falsifikaties niet aan het licht mochten komen; het leeghalen van een opslagplaats van radiotoestellen in Klimmen, het veilig laten verdwijnen van het kostbare kerkelijke vaatwerk en paramenten uit het Jezuitenklooster in Valkenburg; incidentele bravourstukjes als het leegroven van een spoorwegwagon vol eieren en van een ton boter uit de zuivelfabrieken van Reymerstok.

Die werkte voor de Wehrmacht. Bij deze akties deden de Duitse uniformen en het hieronder vermelde legervoertuig goede diensten.

Herdistributienaar boventerug

Kleding voor onderduikers

Ik ben in contact gekomen met kapelaan Berix door het confectie-bedrijf. Doordat Berix hier pogingen deed om kleren te krijgen voor piloten en onderduikers. Hij kwam daarbij om overalls vragen. Ik zeg: „Waarvoor?“ „Ik kan het niet zeggen, voor arme mensen,“ zei hij.
Hij vroeg nogal een grote hoeveelheid, dus ik zeg: „Als het voor arme mensen is, moet ik het eens bespreken met Distex“ maar dat vond hij een beetje gevaarlijk.

Het betrof zijn gebrek aan overalls voor onderduikende studenten, die bij boeren werden ondergebracht (1942). Als tegenprestatie voor mijn kledinghulp bood Giel aan om voor identiteitspapieren en bonkaarten te zorgen voor de Joodse onderduiker in het bedrijf „De Molen“ te Heerlen.

Ik had hier een Jood als bedrijfsleider, die is hier ondergedoken onder de naam Langeveld, en die leefde hier als Ariër. [Want] als districtsleider LO moet je toch je onderduikers kennen. (Pierre Schunck was rayonleider, niet districtsleider. Wie is hier bedoeld? Berix?)

Wij kwamen tot een akkoord: de kostprijs der overalls, wat betreft stofverbruik en betaald loon, zou door Berix uit een fonds van het bisdom betaald worden (Fonds voor bijzondere noden.)
De benodigde stoffen, welke Distex leverde in ruime hoeveelheden, bleken te stammen uit aan Distex ter her-distributie gegeven textiel van in beslag genomen Joodse bedrijven. Distex zond geen factuur en bijgevolg werd ook de illegaliteit niet voor deze leveringen belast. Daar de heer Hogenstein van het centraal magazijn van Distex te Arnhem de her-distributie letterlijk opvatte, namelijk van Joden voor Joden, legde hij er mondeling de nadruk op dat de Joodse onderduikers voorrang bij uitgifte van kleding moesten hebben.

Toen vroeg Berix mij, of ik wel eens wat aan illegaliteit gedaan had. Ik zei: „Ja, wel wat.“
Hij had waarschijnlijk al op het oog om het rayon Valkenburg te organiseren. Daarop heb ik geantwoord, dat ik inderdaad in Valkenburg een stel paramenten en gouden kelken en boeken, samen [enkele] autovrachten vol, heb doen onderduiken uit het klooster van de Duitse paters Jezuïeten, die verjaagd werden door de Reichsschule.
Dat vond Berix heel interessant en aardig, en daarop deed hij mij het voorstel om in Valkenburg wat meer onderduikers aan te trekken omdat die [?] waren en hij meende dat het in Valkenburg en omgeving een geweldige gelegenheid [was], om mensen te laten onderduiken. (Ik woon in Valkenburg.)

Kaplaan Giel Berix van de Nobelstraat in Heerlen, een vriend van „Paul“ en medeoprichter van de L.O. in Heerlen, werd na het aftreden van Rektor Prompers om gemotiveerde redenen en op eigen verzoek, de Districtsleider van Z18. Het district Heerlen was verdeeld in 9 rayons.
De aanwezige heer „Paul“ werd de leider van het rayon Valkenburg, waarvan de verzetsactiviteiten zich uitbreidden tot aan en in Gulpen, tot aan en in Maastricht, terwijl toentertijd ook Klimmen en omstreken bij het rayon Valkenburg waren ingedeeld.

Bij diverse geheime bijeenkomsten en via de noodzakelijke onderlinge samenwerking leerde men elkaar beter kennen en werden behalve achternamen ook gezinsaangelegenheden -enigszins- bekend.
„Paul“ heette met zijn achternaam Schunck, hij woonde in Valkenburg, had daar een wasserij, alwaar ook echtgenote Gerda haar leiderschap vervulde. Op bepaalde tijden was „Paul“ bereikbaar te Heerlen op de Kruisstraat-hoek-Geleenstraat, alwaar textielbenodigheden werden gefabriceerd.

Het zo ontstane contact tussen het rayon Valkenburg en het district Heerlen was eenvoudiger door het confectiebedrijf, want ik was dagelijks in Heerlen.

Vervolgens kwamen wij overeen dat er geen onderduikende personen zouden verwezen worden naar het bedrijf, doch dat de kledingbehoeften voor deze via koeriers overgebracht zouden worden.
Meer gecompliceerde kledingbehoefte werd met mij geregeld door de directeur van het gemeentelijk armenbestuur, de heer Cornips. Deze was uit hoofde van zijn functie hiervoor zeer competent. Het betrof vooral costuums, japonnen, mantels etc. voor in hun geheel onderduikende gezinnen (vooral Joden) en costuums en overjassen voor krijgsgevangenen (vooral Fransen) en piloten.
Bijna niet oplosbare problemen diende ik zelf te behandelen, bijv. een zeer dikke Franciscaan, pater Beatus, en eveneens een zeer lange Franciscaan, pater Amond. Dit diende maatkleding te worden.

De duikherberg in de grotten van Meerssenerbroeknaar boventerug


Open Street Map Klik op de overzichtskaart voor een vergroting (Open Street Map).

Mijn vader had sinds de jaren dertig een kalkbranderij geëxploiteerd. (Bij de Meersenerbroek tussen Geulhem en Meerssen) De kalk werd gemalen en als meststof aan de boeren verkocht. Als directeur in dit bedrijf fungeerde Heinrich S., een „rijksduitser“ en mijningenieur. Diens hoofdbedrijvigheid was echter gericht op een kalk- en gevelsteenbedrijf te Kunrade, eveneens eigendom van mijn vader.
Tot mei 1940 had deze zwager bij ons steeds de indruk gewekt ten zeerste vijandig te staan tegenover het Hitler-regime. Het verwonderde ons dan ook zeer, toen wij ervoeren dat hij door de partij benoemd was tot Ortsgruppenführer en dat hij een controlerende functie verkreeg bij de gezamenlijke mijnen in Limburg, als secretaris van de Duitse Verwalter van de mijnen.
In 1942 ervoer ik via kapelaan Berix dat een kapelaan uit Meerssen in de aan mijn vader toebehorende grot twee jongens verborgen hield, die door de Duitsers gezocht werden. Informatie bevestigde dit en ik mocht deze jongens bezoeken. De Meerssense kapelaan bezwoer mij, dat het personeel van het kalkbedrijf één voor een aan hem bekend en volkomen betrouwbaar was. Hij wist echter niet, dat de topman een Duitse partijfunctionaris was.

Dat is feitelijk de oprichting van het rayon Valkenburg geweest en dat waren mijn eerste onderduikers. Dat is gebeurd in overleg met kapelaan Geelen.

Hier laat Pierre Schunck de Nederlandse militairen buiten beschouwing, die hij in de begindagen van de bezetting op weg naar huis heeft geholpen, nadat zij een tijd lang in Valkenburg op het toeristenseizoen hadden gewacht. Zie hierboven.

Het toeval speelde ons in de kaart. Mijn vader was in bespreking met Heinrich S. omtrent de top-bezetting van het bedrijf, gezien zijn belasting met werk op de mijn en in de partij. Ik kende een pas afgestudeerd Leuvens student, die landbouw-ingenieur was. Hij was een broer van onze kapelaan in Valkenburg, nl. ene ir. Horsmans. Deze polste ik of hij er niets voor voelde om tijdelijk (zolang de oorlog duurde) het werk van mijn zwager in de Meerssenerbroek te doen. Mijn vader en ir. Horsmans kwamen tot een akkoord.
Inmiddels waren Berix en ik op een idee gekomen omtrent deze grot.

Allereerst hebben de jongens van kapl. Geelen erin gezeten. Maar je kunt nu eenmaal niet langer dan drie maanden onder de grond zitten, dan moet je de buitenlucht weer eens zien. Ik heb toen gemeend dat het het beste was, er maar een duikherberg van te maken. Die jongens van kapl. Geelen hebben wij in Schin op Geul geplaatst (wij hebben die helemaal overgenomen) bij een boer.
En die grot werd een duikherberg, waar als ik toevallig geen plaats had en ik kreeg toch aanbod, dan zei ik: „Laat maar komen“, dan stopte ik ze in de grot en waren zij voorlopig veilig.

Opbouw van de duikherbergnaar boventerug

Onze prille organisatie was geheel op eigen kracht aangewezen om duikplaatsen te verschaffen aan door de vijand vervolgden. De aansluiting bij een landelijke organisatie (de L.O.) was er nog niet en die was ons ook niet bekend (pas in 1943). Gezien de gespannen situatie op de universiteiten en de Jodenrazzia’s in het noorden vreesde Berix dat wij plotseling grote groepen mensen moesten „wegwerken“. Als tijdelijke opvang zou zo een grot dan zeer gelegen komen. Uit nadere informatie bij het personeel naar de activiteit van S. te Meerssen resulteerde: „S. zien wij slechts zo nu en dan bij een bliksembezoek aan het kantoor, de kalkoven en de open groeve. Binnen, in de onderaardse grotten komt hij nooit en hij weet er ook niet de weg.“
Dat een Duitse partijfunctionaris, die in de grot de weg niet wist, directeur was, vond kapelaan Berix een pluspunt. De Duitse autoriteiten zouden jegens deze plaats nooit argwaan krijgen.
Er waren twee geheel van elkaar onafhankelijke grotten. De eerste grot, vanuit Valkenburg gezien, lag achter de kalkoven en was zeer regelmatig aangelegd in vierkante vakken en in deze eeuw gevormd als blokbrekersgroeve. De enige ingang lag voor iedereen open en bloot zichtbaar. De tweede grot lag onder de fruitweide van mijn vader en was niet bestemd voor mergelwinning. Zijn ingang lag vrijwel verscholen in het groen, slechts via een steile helling bereikbaar. Voor de ingang lag het huisje van Sjir Jansen, een zeer eenvoudig man, maar een vent van goud, betrouwbaar tot en met. In het verleden was deze grot in gebruik bij de paters Montfortanen uit Meerssen en op vrije dagen kwamen de studenten daar muurschilderingen maken en hadden zij zich ook vermaakt om een kapel na te bootsen, zoals deze zich uit de franse tijd noch bevinden in de Valkenburgse en Geulhemse grotten. Deze grot werd door ons als „duikherberg“ gekozen.
De bedoeling was niet om hier voor onderduikers een permanente woonplaats te vestigen. Toch moest er enige accomadatie zijn. Ten eerste was het er nogal vochtig. De temperatuur is er zomer en winter permanent 10° tot 12° C., net te kil om prettig aan te voelen. Hiervoor wist Berix raad. Via een relatie op de Oranje-Nassau-mijn kwam er een lange electrische kabel naar de schuilplaats. Via een andere Berix-relatie zorgde een technicus van de PLEM voor een veilige aanleg van electrische verwarming, licht en kookplaat. Lichtelementen, kacheltjes en een kookplaat vond ik in het Jezuïetenklooster, evenals serviesgoed en keukengerei. De kabel werd direct aan het net aangesloten zonder meter, in de schakelkast van het kalkbedrijf.
Vervolgens diende er een vluchtmogelijkheid te zijn, als de ingang werd geblokkeerd door de vijand. Dit geschiedde door het leegkrabben van een kleipijp die uitgang bood op de Bergerhei en die goed diende gecamoufleerd te blijven door het struikgewas.
Warm eten dienden wij ook te verzorgen voor de onderduikers. Bonnen waren in de L.O.-tijd geen bezwaar, maar in de planning-periode konden wij daarmee nog geen rekening houden. Van de levensmiddelen, in feite bestemd voor de kinderkeuken in de wasserij, nam mijn vrouw een nodig deel weg en bereidde daarmee een maaltijd voor de grot. De bestelwagen van het kalkbedrijf haalde op werkdagen dit eten bij ons op en in de weekends diende ik zulks per fiets te doen.

Jan heeft [erin*] gezeten.
Een tijdlang hebben de districts-hoofden erin gezeten, en mensen van andere districten, die heb ik goed verzorgd met behoorlijk eten, zelfs wijn en kaarten en mijn radio stond daar. Er was electrisch licht, dat was O.K.
Die kabel hebben Berix en ik gekraakt op het Gemeente Bedrijf.

Pierre Schunck gebruikt hier een inbrekersterm, maar hij was blijkbaar niet van dat vak. Kraken is immers inbreken. Hij had beter de term „georganiseerd“ kunnen gebruiken. In het interview met het Auschwitz-comité heeft hij het over kabel van de Oranje-Nassau-mijn. Mogelijk hebben ze aan één kabel niet genoeg gehad, omdat de afstand naar de schakelkast te groot was.

De matrassen hebben wij gekraakt bij de zusters van het ziekenhuis. Dat ging heel gemakkelijk! Op een goede avond kreeg mijn vrouw de opdracht, voor wat dekens te zorgen en dan ben ik op matrassen uitgegaan. Wij gingen naar Heerlen, waar wij bij de firma (Fa A.Schunck) wat dekens weg konden slepen. Maar matrassen hadden ze niet. Ik sprak Berix daar over aan en vroeg hem: „Zouden wij daar niet een vergunning voor kunnen krijgen? (in het ziekenhuis)“. Toen zei Berix [*****], ik ben dezer dagen hier op bezoek geweest en als je daar eens gaat kijken, [*****] heeft een gang en daar staat de ene matras naast de andere.
Ik ging er prompt met Berix naar toe. De huishoudster vroeg: „Wat moet je hebben?“ „Ja, matrassen“, zeiden wij. Zij zei: „Pak ze maar als de kaplaan het goed vindt. Daar staan ze!“
En wij zijn daarmee gaan sjouwen.
Maar om een uur of 10 kwamen de zusters terug en wilden gaan slapen. Zij hadden de gewoonte, de matrassen daar in de gang te luchten, en deze matrassen hadden wij nu meegenomen!
Maar in elk geval hadden de jongens in de grot nu matrassen om op te slapen.

Daar hadden wij een 20 britsen. Die hadden wij oorspronkelijk ingericht voor piloten want we zaten met piloten in de knoop, die moesten gespreid worden en [iemand?] kwam met het idee: je moet maar zien, ze in een grot weg te werken. Daar hebben wij dat zaakje dan ingericht. Wij hebben de beroemde familie F[*te*****] met 9 getrouwde mannen uit één gezin ondergedoken gehad. Dat waren Polen, en die hebben [en bloc] geweigerd in het Duitse leger dienst te nemen. Daar heb ik er (zelf) 7 van gehad, en die heb ik een grot die nog niet bekend was, laten uitgraven met nooduitgangen, electrische verlichting, radio, bad, een aanrecht, een petroleum-vergasser om op te koken enz.
Dat was de piloten-grot. En die is alleen gebruikt door de arbeiders die ze maakten. Wij hebben metingen gedaan om het meest gunstige punt uit te zoeken en de meest gunstige uitgangen in het [bos]. We hebben daar nog een oude vrouw verschrikt die eikels liep te zoeken, opeens kwam iemand uit een gat naar boven! (Toen waren we de geheime uitgangen aan het proberen).
Het ging hier om een uitgegraven zogeheten orgelpijp, een karstverschijnsel in de vorm van een trechter.

Tot de zomer van 1944 bleef de duikherberg in gebruik. In juli van dat jaar verplaatsten de Duitsers enkele produktieonderdelen van Philips, zoals de fabricage van radio-ontvangstapparatuur, van Eindhoven naar de bombestendige mergelgrotten van Zuid-Limburg. Een van de nieuwe vestigingsplaatsen lag in de onmiddellijke nabijheid van de duikherberg.

Coen Grotaersnaar boventerug



1932, Bronsdalgroeve

De mergelgroeven Bronsdalgroeve en de Vlaberg aan de Geulweg, 25 maart 1932, Meerssen-Geulhem. In dit ondergrondse deel van de kalksteenontginning was in de oorlog de „duikherberg“ ondergebracht.
De jongste zus (Carla) van Pierre Schunck vertelde ooit, dat hun vader Peter, de eigenaar van de groeve, eens een groep Duitsers door het bedrijf moest rondleiden. Hij had van de duikherberg gehoord. Toen de Duitsers ook de grot wilden bezichtigen, stootte hij met een stok een paar losse brokken kalk van het plafond en zei: „We kunnen hier niet verder, want er is instortingsgevaar!“
De Duitsers wilden snel weer naar buiten en zijn nooit meer terug gekomen.
Bron van de foto: Historisch Centrum Limburg (HCL)


Dit verhaal heeft enige toelichting nodig.

  • Het is me uit Australië toegestuurd door een zoon van de Coen Grotaers, over wie het hier gaat.
  • In Geulhem lagen destijds twee mergelgroeves langs de Geul aan de Meerssenerbroek. Eén daarvan was eigendom van Peter Schunck, de vader van Pierre Schunck. Een deel daarvan was een wijd vertakt grottensysteem. Daarin was de duikherberg ingericht. De andere groeve was eigendom van de hieronder genoemde Wim Curfs.
  • Vermoedelijk ging het in het onderstaande verhaal om „Ausweise“, die bij de overval op het distributiekantoor in Valkenburg waren buitgemaakt. We mogen hopen, dat er na dat ongeluk iemand met nieuwe Ausweise naar Kaldenkirchen is gegaan.
  • Het methaangas, waarover het hier gaat, was géén houtgas. Alleen de Wehrmacht beschikte over benzine, daarom hadden veel mensen houtgasgeneratoren achter op de auto. Die waren niet ongevaarlijk. Er was een klein fabriekje achterop of op het dak, waarin het hout werd verhit. Daarbij kwam houtgas en teer vrij. Je ging dus niet tanken, je deed er nieuw hout in. Normaal was de installatie dan koud, maar tijdens een lange rit, als het fabriekje dus ook heet was (anders deed hij het niet) kon de vlam in de pan slaan. Maar dat is hier volgens de zoon van Coen Grotaers niet gebeurd. Zijn vader reed een vrachtwagen, die door methaangas uit de fabriek werd aangedreven. Vermoedelijk dus een product van de cokesoven op de mijn.
  • Uit deze mail kunnen we opmaken, dat er wel degelijk ook contacten met Duitse verzetsgroepen bestonden.

Open Street Map Klik op de overzichtskaart voor een vergroting (Open Street Map).

Hi, to whom it may concern.
My name is Victor Grotaers and I live in Wesburn Australia, about 70 Km north-east of Melbourne.

Mijn vader (Coen Grotaers) maakte deel uit van de (verzets-)groep in de Dölkesberrig (=Kauwtjesberg) (Duikherberg) in Geulhem en werkte ook voor Peter Schunck in de mergelgroeve, waar hij van ongeveer 1943 tot ongeveer 1946 de door stoom aangedreven drag-line bediende, die daartoe diende om de mergel af te graven en op vrachtwagens te laden. (Deze dragline had een bak van 2 kubieke meter. Ik weet dat hij door stoom werd aangedreven, omdat ik soms met hem meeging. Dan zat ik op een van die groten baksteenvormige geperste kolen, die het vuur in gingen!)

Ik heb een aantal berichten over de verzetsbeweging op het internet gezien en vele namen herkend uit de verslagen van onze ouders over wat ze tijdens hun activiteit in de beweging had gedaan.
Mijn ouders zaten allebei in het verzet. Mijn moeder kookte ook maaltijden voor de „onderduikers“ (dit woord schrijft hij in het Nederlands) en ze verborg ze onder een valse bodem in mijn kinderwagen. Ikzelf en mijn jongere broer Peter waren de camouflage! (Ik ben geboren in 1942) We leefden in het eerste huis boben aan de Bronsdalweg in Berg en Terbijt.
Op een dag reed mijn vader een vrachtwagen (ik weet niet, of die van Schunck of Wim Curfs was). Hij moest naar Kaldenkirchen in Duitsland met 172 valse „Ausweise“, om mensen uit het concentratiekamp aldaar te halen. De vrachtwagen liep op methaangas. Na het bijvullen van de vrachtwagen in Sittard ging iets mis en de vrachtwagen vloog heftig in brand, Pa werd zwaar verbrand, maar hij overleefde. Dat gebeurde op 15 maart 1944, de dag voor mijn broer Peter geboren werd.
Mijn vader is hier in Australië in 1979 gestorven.
Ik zou graag weten, of er documenten en foto's in de archieven liggen, die de deelname van onze ouders aan de verzetsbeweging bevestigen.

Many Thanks, Victor Grotaers


Wie informatie over het echtpaar Grotaers heeft, meld zich a.u.b. bij mij, ik stuur het dan door.

De duikhoofdennaar boventerug

Wij hebben in elke parochie een duikhoofd gehad. Onze zaak was feitelijk parochieel georganiseerd.

De duikhoofden konden zich zoveel helpers nemen als zij maar wilden, maar ik moest weten wie het waren, en dan won ik daar informatie over in. Dat is misschien verkeerd geweest, maar ik meende dat de sterkste keten gebroken kan worden door een zwakke schakel, en wilde daardoor geen risico lopen, alvorens er iemand aangenomen werd, moest ik er dan van weten. Het beveiligde ons feitelijk a priori.

De volgende personen zocht hij aan als duikhoofd: kapelaan W.B.J. Horsmans en koster H. van Ogtrop, geassisteerd door J. Peusens en J. van de Aa, in Valkenburg; J. Hendriks in Berg en Terblijt; F. Schoenmakers in Sibbe; J. van de Laar in Margraten; A.H. Laeven in Schin op Geul; L. Horsmans in Houthem-St.Gerlach en A. Caldenborg in Houthem. W. Cremers en de gezusters Peusens traden op als koerier. Vooralsnog bleef het rayon Valkenburg zelfstandig. J. Starmans onderhield de verbindingen met andere districten.

Het districts-hoofd had in de eerste plaats contact met de parochie-geestelijkheid, en die kreeg ook de tips voor het evt. onderduiken van jongens uit Valkenburg van de parochie-geestelijkheid.
Hij (het duikhoofd) gaf mij dan naar boven de adressen van de jongens die wensten te duiken. Meestal kende ik die lui wel en wist hun redenen, dat waren meestal behoorlijke nationale redenen. Die adressen gaf ik door aan Jan Cornips en deze maakte daar een duikplaats voor klaar.
Dan maakte ik Turkse pasjes klaar [met ???? ???] het kapelletje van Klimmen, dan zorgden zij daar wel voor de rest. Daar zorgde meestal [Bessems] voor, die bracht meestal de jongens weg. Dan waren wij ze kwijt.
Maar tegen één die wij eruit stuurden, kwamen er 10 bij ons terug, omdat het hier een landelijke gemeente was.

Districtsleider Berixnaar boventerug

Dank zij het contact tussen Berix en Schunck konden weldra de eerste onderduikers van Heerlen naar Valkenburg komen:

Het contact met de districts-leiders was Berix. Wij waren al gauw dikke vrienden, er ging geen dag voorbij of ik was bij hem, en als ik niet bij hem was dan was hij hier. Zodoende was het contact heel normaal: ik bracht dan ook de bonkaarten mee eens per periode die wij over hadden. Klimmen werd rechtstreeks door ons voorzien, dat was dan Bep van Kooten (De toekomstige commandant van alle KP groepen in Limburg) . En de rest van de bonkaarten kreeg Berix ter verspreiding onder het district in plaatsen die geen distributie-kantoor hadden [???].
Toen Berix ging onderduiken, kwam hij bij mij in huis, dus werd het contact nog enger. Toen zat de districtsleider dus bij mij in huis. Hij heette toen mijnheer De Groot en droeg een trouwring en reed op een herenfiets. Als kapelaan was hij niet gewend om een herenfiets te rijden, en hij sloeg steeds met zijn benen tegen de stang aan!
Mijn personeel dacht, dat hij en vroegere studiemakker van mij was die voor zijn gezondheid hier moest verblijven voor een paar maanden, en die niet centen genoeg had om in een hotel te gaan zitten. Hij ging door voor getrouwd en als hij bij mij binnenkwam dan was het: „Giel, hoe gaat het met de vrouw, en hoe is het met de kinderen?“, wat voor een kapelaan natuurlijk een beetje gek was!
Aan de telefoon vroeg ik ook altijd eerst: „Giel, hoe gaat het met de vrouw?“ en dan deed hij prompt een verhaal dat de vrouw net klaar was met de was, omdat zij er niet toe kon besluiten het goed naar de wasserij te sturen.
Het was een opgewekt persoon, altijd vol goede zin.

Hij is bij ons weggegaan uit angst voor mijn zoon. Die was toen 5 jaar oud, en dat manneke zei op een gegeven moment tegen hem, nadat hij zich dat heerschap goed bekeken had: „Jij bent een pater!“ Dat ventje had een brevier van hem gevonden, en hij had gezien dat Berix altijd heel eerbiedig, in tegenstelling tot papa, voor en na tafel bad, terwijl papa het meer afdeed. Verder maakte hij altijd een kruisje over het eten, en dat had mijn jongen ook van andere geestelijken gezien (die ook i.v.m. illegaal werk veel bij mij [???]). Dat had hij onthouden.
Berix zei daarop tegen mijn vrouw: „Hoor eens, een kinderoog en een kinderoor zijn scherp, het is beter dat ik maar wegga, anders krijgen jullie maar narigheid.“ Ik heb dat erg jammer gevonden. Hij is echter vlak bij gebleven en zodoende hadden wij ook weer dagelijks contact.



Monument Berix

Meer informatie over dit monument op Meers, monument voor kapelaan J.W. Berix van Het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Meer informatie over Giel Berix op onze site.

Giel Berix heeft de oorlog niet overleefd. Hij nam, gekleed als niet-geestelijke en met een vervalst persoonsbewijs, toch op 21.06.1944 aan een vergadering van de provinciale top van de L.O. in Weert deel. Deze vergadering werd door ene Vos verraden. Berix en 8 lotgenoten werden gearresteerd en naar het concentratiekamp Bergen-Belsen gebracht, wat ze niet hebben overleefd. Berix is aan typhus gestorven.
Meer over Jan Willem „Giel“ Berix op deze site.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Willem_Berix

Het L.O.-district Heerlennaar boventerug

Hier mag ik niet vergeten den secretaris van onzen districts-leider te noemen, dat was Jan Cornips, die in feite de zaken van de districtsleiding deed, die de vergaderingen bezocht enz., die de onderduikers verdeelde.

Cornips, student aan de Economische Hogeschool in Tilburg, had geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen en was in mei 1943 naar Duitsland vertrokken om zijn ouders niet in gevaar te brengen. In september keerde hij naar Heerlen terug. Zijn vader introduceerde hem bij Berix.

Het contact met Jan had ik steeds bij zijn vader [???].

Vergaderingennaar boventerug

1943 was het organisatorisch raamwerk klaar. In verband met de risico’s zag men al spoedig af van het beleggen van districtsvergaderingen in het ziekenhuis van Heerlen. Als een rayonleider dat nodig achtte, werden kleinere bijeenkomsten belegd ten huize van Berix, in het patronaatsgebouw of naderhand in de spreekkamer van het klooster van de Kleine Zusters van de H. Joseph en de woning van de familie Seelen. Cornips fungeerde als verbindingsman tussen het district en de rayons. Hij bracht wekelijks verslag uit aan de districtsraad, waarvan hij zelf, Berix, kapelaan J.J. Keulen, Quint en De Koning deel uitmaakten. Doorgaans vond de districtsraadsvergadering daags na de gewestelijke vergadering plaats. Afwisselend bezochten Cornips en Berix die vergadering.

Wij hadden van de LO uit geregeld districts-vergaderingen, die waren altijd in aansluiting op de gewestelijke vergaderingen. Als vertegenwoordiger van het district gingen daarheen óf Berix óf Jan, en later toen hij in de gaten begon te lopen was het [?]. Die gingen naar de gewestelijke vergaderingen en dan kwamen zij terug met gegevens voor de rayon-leiders, en die werden in aansluiting daaraan dan besproken.
Ad: Was daar een vaste dag voor?
Schunck: Nee. Het was ongeveer om de 14 dagen, maar geen vaste dag.
Coenjaerts: Die vergaderingen werden per koerier aangekondigd.

Cammaert schrijft: „G.H.H. Coenjaarts, die op het kantoor van de Staatsmijnen werkte, ontvreemdde ruim duizend bedrijfspassen voor onderduikers. Hij drukte illegale blaadjes en zelfs boeken op de Staatsmijnen. In de zomer van 1944 dreigde dat aan het licht te komen. De voltallige rayonleiding dook onder. Gedurende de laatste maanden van de bezetting fungeerde Coenjaarts als hoofdmedewerker van Goossens inlichtingendienst in het rayon.“ Gaat het hier om dezelfde persoon?

Schunck: Naderhand werden die vergaderingen wat te gevaarlijk geacht. Toen kwam Coenjaerts [???] vertegenwoordigen, en wij zijn bij elkaar geweest bij Jaspers waar Bep zat, en hebben wij feitelijk die rayon-vergaderingen gestaakt. Wij hebben gezegd: „Dat doen wij niet meer, dat wordt te gevaarlijk“. Ströbel (Chef van de SD=Sicherheitsdienst van de SS in Maastricht) zat ons toen erg achter de vodden.
Wij zijn toen vrouwelijke koeriers in gaan voeren. Dat was vrij () tegen het einde. Dat hebben wij in heel klein verband medegedeeld aan de duikhoofden. Dat was te Weert, alles ging toen via koeriersters.

Vrouwelijke koeriers zijn veiligernaar boventerug

W. Cremers en de gezusters Peusens traden op als koerier.

Toen heb ik Mej. Cremers (Wielke Cremers, schoonzus van Pierre Schunck) aangesteld als koerierster. Die is altijd naar de gekste adressen gegaan, en van haar kreeg ik briefjes door. Maar dat vond ik geen bevredigende oplossing, want die briefjes waren nog gevaarlijker dan het contact (zelf)!

Sedert de arrestatie van Berix was ons district van de LO ook een beetje het stuur kwijt, en heeft de ene districts-leider den anderen opgevolgd, zodat ik feitelijk in mijn rayon zelfstandig gewerkt heb, en alleen geen gegevens meer doorkreeg noch onderduikers.
Ik heb een tijdlang van Maastricht uit van M[emmisman] wat onderduikers geplaatst, die niet in de LO georganiseerd was, maar die tenslotte niet meer wist waar de mensen naar toe te brengen. [Er kwamen ook bij van in de plaatsen]. En jongens van de Arbeitsdienst die voor de O.T. (Organisation Todt) moesten werken maar die hem drosten, en vanzelf in de naaste omgeving bij boeren terecht kwamen, en die boeren wisten wel wie er duikhoofd was.
Dus de open plaatsen bij ons kwamen vanzelf vol.

De mensen die tussen Juli ’44 en eind Aug. ’44 districts-leider geweest zijn, kende ik feitelijk niet meer, omdat het contact via de koeriersters ging, en dat was wel goed ook. Maar dat er briefjes doorgingen, vond ik verkeerd, er werd teveel geschreven.

[?] wij keerden maandelijks ƒ1600,-- uit aan ondersteuningen. Dat was niet veel, omdat wij een landbouw gemeente hadden en de onderduikers die bij ons geplaatst werden konden allemaal tewerkgesteld worden bij de boeren of in hotels. Dus die verdienden vanzelf hun eigen kost. Ik stond erop, als een jongen voor een boer werkte en hij deed zijn werk goed, dan moest hij daar ook een behoorlijke zakcent voor krijgen, en als het een getrouwde man was, namen wij maatregelen via het district, en daar voor waren die ƒ1600,--.
Wij kregen in het rayon wel eens giften, maar vooral tegen het eind kwamen er veel zwarte heren (=zwarthandelaren) die strikt het stempel „illegaliteit“ wensten, en [dat] geld heb ik dan ook geweigerd. Er was zelfs een veekoopman die eens een hele ton wou geven. Het duikhoofd kwam opgetogen bij mij: „Ik heb een ton!“
Maar ik zei: „Toch nemen wij hem niet“.
Als ik niet wist van wie het kwam zei ik altijd: „Nee, wij maken ons niet vuil aan die rotzooi“.
Wij hebben nooit schulden gehad.
De gelden van het district waren feitelijk [MOF]-gelden. Dat waren families waarvan de man ondergedoken was en die wij op die manier moesten steunen, daarvoor beschikten wij over [MOF]-geld.

Begin 1944 telde het district dus negen rayons: Hoensbroek (geleid door kapelaan W.H. Hermans), Brunssum (pater W.E.H. van der Geest), Geleen-Beek (H. Smeets), Kerkrade (Th.J.M. Goossen), Ubach over Worms (pater Ch. Fréhen), Klimmen (B.J.C. van Kooten), Heerlen (tot januari 1944 J.H.A.E. Cornips en kapelaan J.J. Keulen, daarna alleen Keulen en vanaf maart respectievelijk J. (Joep?) Seelen en A.J. Derks), Valkenburg (P.J.A. Schunck) en Sittard (M.P.J.M. Corbeij). Na een vergadering ten huize van B. van Kooten werd Klimmen als laatste rayon aan het district toegevoegd. Erg soepel verliep de samensmelting overigens niet. Het rayon Geleen-Beek sloot zich pas definitief aan toen onomstotelijk vaststond dat men er veel profijt van zou hebben. Sittard bleef hardnekkig een onafhankelijke koers varen tot ergernis van de districten Roermond en Heerlen. ... Met het district Gulpen boterde het evenmin. Wellicht werden de strubbelingen gedeeltelijk veroorzaakt door het feit dat Berix c.s. veel medewerkers hadden geworven in kringen van personen die al enige tijd deelnamen aan het verzet en deel uitmaakten van bestaande illegale “organisaties” die hun zelfstandigheid ongaarne prijsgaven.
Hoewel de L.O. en de K.P. gescheiden van elkaar opereerden - er bestond overigens wel contact tussen de twee organisaties: H. Putters trad als verbindingsman op - fungeerde de K.P. als sterke arm van de L.O.

Pas in januari 1944 werd het rayon Valkenburg, na moeilijkheden met Maastricht, aan het district Heerlen toegevoegd.

De stroom onderduikers komt op gangnaar boventerug

Wij hebben ook wel moeilijkheden gehad, vooral met een convooi uit het Gooi. Wij hebben korte tijd het convooistelsel gehad, dat zij opeens met een 20, 25 onderduikers, Valkenburg binnenvielen, wat ik een stomme beweging vond. Dan stond je met duikhoofden aan het station om die mannen op te vangen en te verdelen.
Er is eens spionage geweest achter zo een convooi, en toen heb ik een opzichter van de [??????] O.T. (Organisation Todt) laten verklaren, dat het allemaal OT-arbeiders waren die meekwamen. Dat heb ik dien man indirect, via relaties en kennissen, laten zeggen. En die man was gelukkig niet zo on-nationaal, dat hij dit niet wilde verklaren. Dat waren mannen uit de Betuwe. Ik geloof dat daar iets aan de hand was dat daar ineens alle onderduikers weg moesten. Daar heb ik ook een stel van gehad en die hebben wij voor OT-arbeiders moeten laten doorgaan.

Wij hebben toen ook vanuit Heerlen regelmatig aanvoer van onderduikers gekregen. Bij ons zijn 143 namen bekend, die wij doorgekregen hebben. Onbekend zijn het er meer, van jongens die daar al rondzwierven en die wij toen officieel bij boeren te werk gesteld hebben en in bedrijven in Valkenburg, in hotels vooral. Ik had een [???]-officier als kok in Hotel Continental ondergebracht. Hij zei: „Bij ons op de boot kunnen wij alles. Ik kan ook koken.“ „Vooruit,“ zei ik toen, „dan maar kok in een hotel, dan hoef je tenminste niet buiten te komen.“ Maar er kwam iets verschrikkelijks van terecht. Ik geloof dat de mensen daar zowat vergiftigd werden!

Op het plaatselijk distributiekantoor maakten W.A.P. Freysen en V. Willems maandelijks tussen de vijfhonderd en achthonderd bonkaarten vrij. Er ontstond zelfs een overschot, dat aan andere rayons ten goede kwam. Veel onderduikers ontvingen van een medewerker van de C.C.D. (Crisis Controle Dienst) en het plaatselijk hoofd van het voedselbureau, L. Brands, een landbouwvrijstelling, zodat ze in hun eigen levensonderhoud konden voorzien en de rayonleiding slechts mondjesmaat met geldelijke middelen hoefde bij te springen. Maandelijks werd gemiddeld ƒ 1.600,- aan steungelden uitgekeerd, ontvangen van de districtsleiding in Heerlen. Het rayon telde ongeveer honderdvijftig onderduikers. Bij hun aankomst op het station in Valkenburg vond controle plaats aan de hand van een wachtwoord en een Turks pasje. In 1944 arriveerden als gevolg van problemen in het district Maas en Waal op één dag maar liefst honderd onderduikers op het station. Schunck c.s. wisten de meesten met steun van L. Brands bij boeren te plaatsen zonder dat het echt opviel in de door toeristen druk bezochte gemeente.

De mensen, die op het station aangekomen waren, kregen de opdracht, naar de kerk te gaan, zogenaamd om te biechten. Hun werd gezegd, voor welke biechtstoel ze in de kerk plaats moesten nemen. Daar zouden ze aanwijzingen krijgen, hoe het nu verder zou gaan. Deze mensen waren afkomstig uit een katholieke streek, zij wisten dus, dat ze in de kerkbanken moesten wachten, tot ze aan de beurt waren. In de biechtstoel zat niet een geestelijke, maar koster Harry van Ogtrop. Hij vroeg degene die aan de beurt was, wie hij was en zei hem, naar welk onderduikadres hij moest gaan. De kerk was de enige plek, waar een dergelijke actie volkomen onopvallend plaats kon vinden, omdat alleen daar veel mensen tegelijk aanwezig mochten zijn. Harry van Ogtrop is later nagenoeg zijn hele vermogen kwijtgeraakt. De oud-verzetsman Jan van Betuw beschrijft hieronder de voor ons naoorlogse Nederland beschamende omstandigheden. Omdat de koster door een ongeval ook nog zwaar gehandicapt werd, viel hij toen terug op een schamel kosterspensioentje. Hij was als voetganger op het trottoir door een auto angereden en kwam in een rolstoel terecht.
„Paul“ heeft nog wel pogingen gedaan, deze beslissing van het beheers-instituut ongedaan te maken, evenals die in de eveneens hieronder door Jan van Betuw beschreven zaak Soesmann, maar dat mislukte. Jan van Betuw: „Men moet deze zaken ook bezien in de mentaliteit van die dagen: de gehoorzame en gezags-getrouwe burger. Wetwinkels en rechtsbijstand waren onbekend, dan wel nog lang niet zo een gemeengoed als heden ten dage.“

De Joden in Valkenburgnaar boventerug



Gedenksteen Joodse slachtoffers uit Valkenburg

42 Joodse Valkenburgers opgepakt en vermoord
42 Joodse Valkenburgers opgepakt en vermoord

Op 11 september 1955 werd een gedenksteen geplaatst op de Joodse begraafplaats aan de Cauberg ter herinnering aan de gedeporteerde en omgekomen Joodse inwoners van Valkenburg. Jan Diederen schrijft in het boek „42 Joodse Valkenburgers opgepakt en vermoord“: Niet alle vermeldingen zijn correct. Zo is Erna Benedik niet uit Valkenburg gedeporteerd maar samen met haar man Theo Sachman uit Amsterdam. De weduwe Henriëtte Hertog-Berlin heeft de oorlog overleefd en is een natuurlijke dood gestorven. De naam Jacq. Hannef is niet alleen foutief gespeld — het moet Jacob Hanft zijn — maar hij woonde ook niet in Valkenburg maar in Dolberg bij Klimmen. Verwarrend is verder dat alle getrouwde vrouwen zijn vermeld met de achternaam van hun man en niet ook met hun meisjesnaam. Op de gedenksteen zijn de uit Valkenburg gedeporteerde slachtoffers Eva Cok de Wilde en Alice Gebhart-Rosenwald niet vermeld.
In boven vermeld boek (ISBN 978-90-805499-3-7) zijn de juiste en uitvoerigere gegevens te vinden in de tabellen ‘Valkenburg’ en ‘Benedik’. Het is voor € 10,- te koop bij auteur Jan Diederen, jahdiederen@hotmail.com of Henk Vossen, Prinses Christinalaan 33, Valkenburg, tel. 043-4511312.

De in Valkenburg woonachtige L.O.-medewerker P.J.A. Schunck constateerde dat de plaatselijke, overigens kleine joodse gemeenschap de dreigende gevaren niet onder ogen wenste te zien en de aangeboden hulp van de hand wees. Hun houding stond model voor die van zoveel joden en anderen. Men kon niet bevatten, zelfs niet geloven hoe erg het kwaad kon zijn. Zo was een bejaard joods echtpaar er vast van overtuigd dat ze hun woning moesten ontruimen ten behoeve van een groot gezin. In ruil voor hun vertrek was de twee bejaarden namelijk onderdak in een rusthuis toegezegd. Andere joodse inwoners van Valkenburg hechtten geen geloof aan de alarmerende berichten die binnensijpelden en meenden oprecht dat er hooguit sprake was van (dwang)arbeid in Poolse werkkampen. Met deze voorstelling van zaken draaiden ze zich een rad voor ogen om vrede te vinden met hun situatie. In een ander opzicht stond Valkenburg eveneens model voor een veel voorkomend verschijnsel. De „kleine“, onbemiddelde joden werden vrijwel allemaal gedeporteerd, terwijl de rijkere in veel gevallen tijdig wisten onder te duiken, soms met hulp van particulieren soms met hulp van de L.O. of een andere verzetsgroep. Dank zij de L.O. vonden tientallen joden onderdak in het rayon Valkenburg.

Jan van Betuw
Jan van Betuw

De nu volgende tekst kreeg ik per mail van de oud-verzetsman Jan van Betuw na een gesprek met hem op de begrafenis van mijn moeder, Gerda Schunck-Cremers.

Jan (Jules) van Betuw was koerier van het verzet in Heerlen. In deze hoedanigheid ontsnapte hij op een dag begin 1944 ter nauwernood aan zijn arrestatie op de Valkenburgerweg in Heerlen.
Zijn bus werd gestopt, terwijl hij illegale bonkaarten vervoerde.


Meer over Jules op http://users.cuci.nl/

Geachte Heer Schunck
Bijgaand het artikel over hetgeen uw moeder mij vertelde over de Joden in Valkenburg en de koster, alsmede het standpunt van de Nederlandse regering
vr. gr.
Jan van Betuw

Aasgieren na de tweede wereldoorlog
Waarin een klein land nog kleiner kan zijn.

Sinds WOl woonde in Valkenburg het echtpaar Soesmann-Horn. Als schoolmeisje kende mevrouw Schunck-Cremers dit Joodse echtpaar dat naast haar woonde, hij van Nederlandse, zij van Duitse komaf.
In Valkenburg waren het alom gerespecteerde mensen. Op latere leeftijd vervulde de heer Soesmann een vooraanstaande positie in de Joodse gemeenschap, hij fungeerde als plaatsvervangend rabbi. Op de sabbath maakte mevrouw Schunck-Cremers o.a. bij de buren de kachel aan.
In WO II woonden de echtparen Schunck en Soesmann nog in Valkenburg. De heer Schunck („Paul“) had een leidende rol in het verzet en hij wist dat het plan bestond, op korte termijn Valkenburg „Judenfrei“ te maken. Voortvarend regelde hij alvast voor zijn kennissen een onderduikplaats in het Heerlense ziekenhuis (de heer Soesmann, al ouder, was ziekelijk). Omdat mevrouw Schunck het Joodse echtpaar al zo lang kende en er op meer vertrouwelijke voet mee stond, polste zij de beide mensen of ze op de hoogte waren van de consequenties van dat „Judenfrei“ maken. Dat waren ze, voor die tijd, wel degelijk, al hadden ze, zoals iedereen, geen notie van vernietigingskampen en een Auschwitz.
Tijdens dat gesprek zei mevrouw Soesmann dat ze al veel van haar kostbaarheden bij vertrouwde kennissen had onder gebracht. Nu was ze bezig de rest in kluwetjes wol te rollen. Die kon ze dan ongemerkt meenemen en zodoende iets hebben als dat nodig mocht zijn. Op de vraag of ze ook bewijsjes van het in bewaring geven had, toonde ze een stel briefjes. Maar aan het eigen huis of een testament was nog niet gedacht. Paul regelde ook dat. Een al geruime tijd naar Amerika geëmigreerde broer van mevrouw Soesmann werd universeel erfgenaam. De documenten kreeg mevrouw Schunck in bewaring.
Aan onderduiken dacht het Joodse echtpaar echter niet „Neen, als God ons volk in de verbanning leidt, moeten wij als ouderen voorgaan. En wij willen niemand in gevaar brengen voor de korte tijd die we nog hebben te leven“.

Niet lang daarna werden ze door de Duitsers opgehaald en naar Maastricht gebracht. Alles wat ze bij zich hadden werd afgenomen! Van Maastricht ging het naar Aken, waar de heer Soesmann als oud en ziek (en dus niets „waard“) werd afgezonderd en „beseitigt“ (!). Mevrouw Soesmann ging alleen op transport. Een medegevangene, die overleefde, was op de hoogte van de tragedie en lichtte na de oorlog Paul in.

Na de oorlog spoorde „Paul“ (Pierre Schunck) de broer Horn in New York op en lichtte deze in over het testament. Deze broer, ook al ouder en van beroep kelner, verkeerde in behoeftige omstandigheden en was, ondanks het verdriet over het lot van zijn zus en zwager, de koning te rijk.

Paul regelde een zakenreis naar relaties op Bonaire en knoopte daar twee dagen aan vast voor de reis naar de nederlandse consul in New York. Hij maakte een afspraak met de broer en zou met deze en het testament de zaak rond maken bij de consul. De consul ontving hen, luisterde naar het verhaal, bekeek het testament en leek geneigd te reageren zoals Paul verwachtte.
„Maar dan zal Horn zich wel moeten legitimeren als de aangewezen erfgenaam.“ Horn legde de consul zijn oude Duitse paspoort, met de grote „J“ erin, voor. De consul reageerde als door een wesp gestoken. „Dat is vijandelijk vermogen, dat moet worden geconfisqueerd! Want Horn is immers Duitser!“
Goede woorden en omstandig uitleggen hoe de vork aan de steel stak, hielpen geen zier. Horn kreeg niets en de consul legde beslag op het testament.

Toen Paul, diep ontgoocheld, weer in Valkenburg terug keerde, lag er al een brief van een advocaat op hem te wachten, waarin hij werd gesommeerd, alle bezittingen (roerende en onroerende) van wijlen het echtpaar Soesmann-Horn bij het beheersinstituut te melden, hetgeen Paul deed. Toen het beheersinstituut bij de diverse personen de kostbaarheden van Soesmann opvorderde hebben de desbetreffenden ontkend de spullen in bewaring te hebben gekregen. Het huis van de (nederlandse) Soesmann werd openbaar verkocht. De enige bieder was een ex-NSB-er, die er bleef wonen.

Zo eigende de Nederlandse staat zich de eigendommen van vermoorde Joden toe.

Een ander voorval, evenzo schrijnend, betrof de verzetsman van Ogtrop (de koster van Valkenburg). Hij raakte nagenoeg zijn hele vermogen kwijt. Hij was, ruim voor de oorlog, in gemeenschap van goederen getrouwd met de dochter van een Duitse busondernemer die in Koningsbosch (gem. Echt) woonde en er zijn bedrijf had (o a mijnwerkersvervoer). Deze mensen waren allesbehalve Hitler-aanhangers. Haar / zijn aandeel in de onderneming werd zonder meer geconfisqueerd. Omdat de koster door een ongeval ook nog zwaar gehandicapt werd, viel hij toen terug op een schamel kosterspensioentje.

Paul heeft nog wel pogingen gedaan, de beslissingen van het beheers-instituut ongedaan te maken, maar dat mislukte. Men moet deze zaken ook bezien in de mentaliteit van die dagen: de gehoorzame en gezags-getrouwe burger. Wetwinkels en rechtsbijstand waren onbekend, dan wel nog lang niet zo een gemeengoed als heden ten dage.

12/8/99 Jan van Betuw.

Verradernaar boventerug

Eenmaal meende ik er een verrader bij te hebben. Dat was een man, die wou maar steeds naar een andere duikplaats toe. Daar heb ik mij heel erg over beraden, hoe dien man kwijt te raken. Hij maakte overal moeilijkheden en zei maar elke keer, dat hij een andere duikplaats wilde hebben. Ik heb hem afgevoerd naar Bep van Kooten, tegen wien ik zei: „Je kunt een fraai exemplaar van mij krijgen.“ Hij zei: „Laat maar komen, ik heb genoeg gedroste [*****!]“ En hij heeft dat geval ook opgelost.

Pierre Schunck formuleert het hier kort en bijna luchthartig. In huiselijke kring heeft hij hier heel anders over gesproken. Ze zaten met deze man erg in hun maag. Juist de L.O.-ers waren voor het grootste deel overtuigde en principiële christenen, die het 5e gebod serieus opvatten. Maar aan de andere kant was hier sprake van oorlog, deze man was hoogstwaarschijnlijk een vijand. Dus gold hier oorlogsrecht en het principe van noodweer. En de KP, als „gewapende arm“, moest het oplossen. Dit was natuurlijk iets anders dan de bijltjesdag-acties, die na de bevrijding plaatsvonden en waarvan de L.O. zich heeft gedistantieerd.

Ad: Wat omvatte het Rayon Valkenburg?
Schunck: De gemeente Valkenburg-Houthem; het dorp Walem, dat hoorde bei de gemeente Klimmen; [Geulhem] Gem. Berg und Terblijt; een uitgestrekte [???] Margraten, en het gehucht [Schoonbron] van de gemeente Wylré.

Gerommel met kaartennaar boventerug

Met uitzondering van de landbouw zou van elk bedrijf nauwkeurig bijgehouden moeten worden hoeveel mannelijke personen in de leeftijd van 18 tot 45 jaar er werkten. Een speciale inspectiedienst moest bepalen wie voor uitzending naar Duitsland in aanmerking kwam en wie niet. De gegevens werden vastgelegd op een Z (Zurückstellungsverfahren) -kaart. De ingewikkeldheid ervan bood nieuwe mogelijkheden tot sabotage. Diverse bedrijven en gewestelijke arbeidsbureaus werkten de maatregel op alle mogelijke manieren tegen. De L.O. kreeg de beschikking over een groot aantal blanco Z-kaarten, bracht valse in omloop en zond gefingeerde naar de G.A.B.’s. Door slordigheid, het verstrekken van valse gegevens en vertraging in de afwerking, waaraan ambtenaren van alle betrokken instellingen en instanties meewerkten, liep de procedure volledig in het honderd.

Ook in Valkenburg deden daar gemeenteambtenaren aan mee, op het gemeentehuis en het distributiekantoor.

Ad: Zijn er nog speciale acties geweest met Zet-kaarten of TD’s? (= Tweede Distributiestamkaart)
Schunck: Die z-kaarten zijn bij ons niet zo nodig geweest, maar wij hebben toch een agent gehad. Dat was een ventje van de belastingen, die veel bij de zakenlui kwam, en die daar dan zg. de boeken ging onderzoeken. Dan zei hij tegen zo een zakenman: „Heb je de z-kaarten van je personeel al ingestuurd?“ En als zij dat niet hadden gedaan zei hij: „Kom maar hier, dan maak ik het wel even in orde.“ Dan deed hij dat en bracht ze bij mij. Dan meenden die zakenlui, dat ze hun z-kaarten in orde hadden. Die vent van de belastingen voorzag me van stempels en ik bracht ze dan weer bij hem dat was heel eenvoudig.

Wat mijn eigen zaken betreft, heb ik mij van de Z-kaarten niets aangetrokken.
Dit bedrijf (Pierre Schunck heeft dit interview in de „Molen“ in Heerlen gegeven, waar hij directeur was.) is gesloten geweest door de Duitsers en in die tijd hebben wij voortdurend voor de onderduikers gewerkt, zg. als mijnkleding-reparatie bedrijf. Wij konden hier nogal vrij werken, omdat mijn assistent was ondergedoken (als niet van Arischen bloede zijnde).
Juni ’43 werd ons bedrijf gesloten, door de Duitsers in beslag genomen. Ik weet niet waar[om?]. Daar kwam het Centraal Magazijn van Distex (Rijksbureau voor de Distributie van Textielproducten door de Handel) in Arnhem achter, en één van de heren meende daaruit een pro-Nederlandse mentaliteit van ons te kunnen concluderen, die komt op een gegeven moment naar mij toe en begint mij te polsen, of wij nog wel konden doorwerken (wij waren nog aan het doorwerken) en of wij niet wat voor hem konden maken. Ik zeg: „Wat dan?“
Hij zegt: „De Landwacht (paramilitaire hulpdienst van de Duitse bezetter, voornamelijk bestaande uit NSB’ers, opgericht in november 1943) neemt nogal wat stof links en rechts in beslag, die wordt bij ons opgeslagen, en daar hadden wij graag confectie van gemaakt. Die wilden wij geven aan de arbeiders van een paar Nederlandse industrieën, die niet bij de Duitsers in de gratie zijn.“ Hij moest dus werkmans-kleding hebben.
Enfin, het ene woord geeft het andere, en omdat je het al zo een beetje aanvoelde, kwam hij eindelijk voor de dag ermee, dat hij wel wat voor onderduikers deed en dat ze waar hadden, die geconfectioneerd moest worden. Ik zeg: „Dat is goed, maar dan moet ik er ook van profiteren, dan moet ik er ook wat van voor andere onderduikers hebben. Ik zal wel zien contact te krijgen (1). Ik wil ook wat voor Limburg doen.“ „Goed,“ zegt hij, „we zullen u toewijzingen geven.“
Toen hebben wij 30.000 M stof verwerkt voor onderduikers, die weer terug gingen naar Distex en gedeeltelijk onder het district hier verdeeld werden. Dat waren K[?????stof broeken, hemden] en zo.

De overval op het distributiekantoor in Valkenburgnaar boventerug

Door het toenemend aantal onderduikers kon aan hun behoeften alleen worden voldaan, als men ook over voldoende distributiekaarten en -bonnen beschikte. Daarvoor zorgden meestal gemeenteambtenaren, zo ook in Valkenburg. De weg daarheen was er een van vallen en opstaan:


Stamkaart

Enkele inwoners van Valkenburg en omgeving begonnen al in 1941 met de hulpverlening aan eerste onderduikers. A.C. van der Gronden, een broer van de op 13 januari 1942 gearresteerde G.J. van der Gronden, hielp joden en communisten aan onderdak in samenwerking met rector G.A. Wolf uit Sibbe. Eind 1943 sloten zij zich aan bij de L.O. Onvoorzichtigheid en loslippigheid van de onderduiker A.S. Bron leidden op 17 februari 1944 tot de aanhouding van Wolf, Bron en de onderduiker Th.M. van Santpoort. Bij gebrek aan bewijs kwam Wolf na tien dagen vrij en Van Santpoort na enkele maanden. Bron werd gedeporteerd en overleefde de Duitse kampen.
Slechts voor PB’s (persoonsbewijzen) was het rayon goeddeels afhankelijk van hulp van buiten. Schunck deed een beroep op de onderduikers geen nieuwe PB’s aan te vragen als het niet hoogst noodzakelijk was. In juni 1944 dreigde door de invoering van een nieuw inlegvel een abrupt einde te komen aan de relatieve autarkie.

Jonge mannen, die voor een Arbeitseinsatz naar Duitsland moesten, dienden hun distributiebescheiden in te leveren. Zij ontvingen een verklaring, in ruil waarvoor ze in Duitsland hun voedselkaarten kregen. Wanneer zij onderdoken, zouden ze dus verhongeren, veronderstelden de Duitsers. Het was de L.O., die hun verzorgde en vaak voorzag van een nieuwe stamkaart.

Enkele ambtenaren van het distributiekantoor van Valkenburg (w.o. Willem Freysen) waren geruime tijd via allerlei slinkse wegen in staat geweest om iedere periode van vier weken klandestien tussen de 500 en 1000 volledige vellen distributiebonnen voor de onderduikers in te leveren. Maar men kon zien aankomen, dat dit niet lang meer onontdekt zou blijven. Eerst werd getracht nieuwe vervalste kaarten te laten drukken in een Amsterdamse drukkerij, maar daar werd een inval gepleegd en de vervalsing ging niet door.



In Valkenburg had ik reeds in ’43 een distributiecontact, dat bracht dan aanvankelijk een [2]00 bonkaarten per periode op, en later 400. Dat was feitelijk te veel voor de distributiekring Valkenburg, maar door behoorlijk teamwork van de uitreikers konden wij dat toch zonder moeilijkheden tot stand brengen.
Maar toen vervielen de oude inlegvellen en kwamen er nummertjes op de nieuwe: Valkenburg was N° [272]. Toen maakte ik mij zorg, dat wij niet tijdig van de drukkerij de inlegvellen voor Valkenburg konden krijgen.

De directeur van het distributiekantoor, Th. van Hinsberg, had de voor de L.O. werkzame ambtenaren steeds hun gang laten gaan, maar toen hij begin 1944 moest onderduiken ging de leiding over op twee N.S.B.-ers. Freysen en Willems vreesden dat met de introductie van het nieuwe inlegvel de omvangrijke manipulaties aan het licht zouden komen. Ze bespraken hun problemen met de rayonleiding en ze stelden voor een knok- of overvalploeg een enorme chaos op het distributiekantoor te laten aanrichten. Alleen zo kon de fraude onopgemerkt blijven.

Ik besprak dat met ons LO-contact [naar] de KP: Bep van Kooten (sabotagespecialist van de KP, later commandant van de Stoottroepen in Limburg, zie het hoofdstuk Valkenburg is vrij hieronder), die mij toen in contact bracht met Jaques Crasborn (KP van district Heerlen, waartoe Valkenburg inmiddels behoorde. De KP was de „gewapende arm“ van het verzet.) Wij hebben in Valkenburg een bespreking gehouden en Jaques beloofde mij om zo spoedig mogelijk uit het distributiekantoor te Valkenburg de voor mij nodige bescheiden weg te halen.

J. Crasborn werkte een plan uit en verklaarde zich bereid de leiding op zich te nemen. Freysen zou op zijn beurt alle gewenste inlichtingen verstrekken, een plattegrond vervaardigen en voor de sleutels zorgen. Dat laatste was niet gemakkelijk.

Men begon met een gedurfd plan. Het was gebruikelijk, dat iedere avond de sleutels van de kluis en dergelijke van het distributiekantoor in een envelop, voorzien van vijf lakzegels en de handtekening van de direkteur aan de politie ter bewaking werden overgedragen. Suksessievelijk viste men dagelijks een paar lakzegels uit de prullenmand, de handtekening werd na veel proberen op een soortgelijke envelop nagemaakt en ongeveer dezelfde sleutels werden gekocht. Men maakte een namaakenvelop met inhoud gereed, de valse handtekening en de reeds gebruikte lakzegels werden erop aangebracht en nu was het wachten op het juiste moment, dat men deze envelop aan de politie kon overdragen. Dat moment kwam, en de kans werd benut.

Naderhand op een middag is hij (Crasborn) bij mij gekomen en zei: „Morgen gebeurt het, maar wij weten niet, hoe wij aan de sleutel van de safe moeten komen“. Toen heeft mijn distributiekantoor-contact nog diezelfde middag een enveloppe klaargemaakt met imitatie-sleutels, die ongeveer even groot waren als die van de safe, hij heeft dat gereed gehouden en ongemerkt de enveloppen verwisseld. Hij had dat heel goed en geraffineerd klaargemaakt: hij had uit de prullenmand de lakstempels verzameld, daar het papier onderuit afgeweekt en heeft toen de lakstempels netjes weer op de enveloppe ge[p]lakt. Verder had hij de handtekening nagemaakt van het DK, [???], een halve NSB-er, en eroverheen gezet, dus dat was [klasse].

Elke avond werden de belangrijkste sleutels in een verzegelde en door de directeur gesigneerde enveloppe in de kazerne van de rijkspolitie in een kluis opgeborgen. Freysen omzeilde dit obstakel door een volkomen identieke enveloppe met nagemaakte lakzegels en handtekening te overhandigen aan de bij het complot ingeschakelde nachtwaker, de politieman J.H. op de Ven.

De enveloppe is afgegeven zonder dat degene die hem afgaf, er vanaf wist, op het politiekantoor. En de echte is gebracht bij den Valkenburgsen KP-agent, [???], die er verder voor zorgde dat die enveloppe kwam bij de KP die daar op hun taak wachtte.

Voordien had de K.P. in een garage in Sittard een Duitse Wehrmachtsauto gestolen, samen met enkele vaten benzine. De auto was naar Valkenburg overgebracht, daar in een garage volledig hersteld en daarna in een grot achter het klooster aan de Cauberg gebracht. Die nacht pleegde men, terwijl de valse envelop zich onder politiebewaking bevond, de overval met gebruikmaking van de echte sleutels.

Toen een nietsvermoedende medewerker op de avond van 22 juni de echte enveloppe op de politiekazerne bezorgde, nam Op de Ven die in ontvangst en gaf de valse enveloppe aan een collega, die ze in de kluis opborg. Vervolgens begaf Op de Ven zich naar het distributiekantoor, waar hij die nacht met een N.S.B.-er de wacht moest houden.
’s Avonds laat arriveerden twee auto’s met een vijf of zes man sterke K.P.-ploeg in Valkenburg. Een auto was “geleend” van de Staatsmijnen. De andere had de K.P.-Sittard beschikbaar gesteld. Omdat alles tot in de details was geregeld, verliep de overval vlekkeloos. De N.S.B.-er kreeg een klap op zijn hoofd en werd bedwelmd. De K.P.-ers wisten niet dat daags tevoren een zending distributiebescheiden voor twee maanden was gearriveerd. De buit was gigantisch: ruim 210.000 bonkaarten, ruim 82.000 rantsoenbonnen, ruim 2500 rantsoenkaarten, 5000 T.D.-stamkaarten, ruim zestienhonderd toeslagkaarten, talloze inlegvellen en een schrijfmachine. Er waren maar liefst twaalf juten zakken nodig om alles in te stoppen. De zakken werden naar een boerderij in de buurt van Kunrade bij Voerendaal gebracht. Bij het sorteren in de woning van mevrouw J. Jaspers-Koten in Klimmen bleek een gedeelte onbruikbaar en werd vernietigd. Een ander deel van de buit kwam uiteindelijk weer in Valkenburg terecht en werd verborgen in de oude parochiekerk. De Sipo tastte in het duister. Op de Ven was na de overval ondergedoken en had daarmee de verdenking op zich geladen. Freysen en zijn collega’s gingen vrijuit en konden hun praktijken ongestoord voortzetten. De argeloze bezorger van de sleutels werd stevig aan de tand gevoeld, omdat de enveloppe in de politiekluis valse sleutels bevatte. Hij wist nergens van en kwam na een dag weer vrij.

De komplete distributie-bescheiden verdwenen in een wagen richting Oud-Valkenburg en via Ransdaal naar een boerderij in Kunrade. Later werden ze, in een auto onder stro verborgen, weer naar Valkenburg teruggebracht, omdat de Duitsers alle boerderijen in de buurt onderzochten.

Dit transport werd door Pierre Schunck gedaan. Het stro was voor onze dieren. Bovenop dat stro zaten weer een paar van mijn oudere broers en zusjes.

En de andere dag ’s morgens hoorde ik meteen al van het publiek, dat de overval geslaagd was, en kreeg ik ook van Bep het bericht: „Kom je rotzooi halen“.
Met een bestelwagen ben ik naar Klimmen gegaan, en samen met Bep zijn wij naar een boerderij langs de spoorweg gegaan, en hebben wij de hele boel in die bestelwagen van een wasserij in Valkenburg gepakt. Het was in meelzakken verpakt, daar hebben wij stroo op gelegd en daar zijn wij mee gegaan naar Klimmen, naar Jaspers. Daar zat [????] met een stel van de KP te wachten, daar werden de bonkaarten meegenomen en kreeg ik de stamkaarten en inlegvellen met het nummer, zodat ik geholpen was.

[???] hebben wij een 400 bonkaarten klaar kunnen stomen; 200 via de uitreikers en inlegvellen die [???] opgeplakt waren, en nog eens 100 via stamkaarten die ik bij de duikersgezinnen verdeelde en waar die pleegouders van de duikers bonkaarten voor hun gezinnen op konden halen.
Dat is altijd prachtig gelopen, daar hebben wij nooit last mee gehad.

Op http://users.cuci.nl/ lezen we over deze actie uit een interview met mijn moeder, Gerda Schunck-Cremers:

Dit alles lukte en de NSB-er die er als nachtwaker was aangesteld werd knock-out geslagen en op de w.c. opgesloten. De bonnen werden voor één nacht door mevrouw Jaspers bewaard in een huis in Klimmen. Zij zat niet in het verzet, maar hielp het verzet wel af en toe. De volgende morgen ging meneer Schunck de bonnen ophalen om ze naar een afgelegen boerderij op de weg van Voerendaal naar Heerlen te brengen, vanwaar ze verder zouden worden verspreid. Samen met drie kinderen van meneer Schunck ging hij met een bestelwagen de bonnen halen. Onder het mom van: „We gaan hooi halen voor ons paardje“, kwamen ze vrij makkelijk langs de wachtposten en werden de bonnen veilig afgeleverd.

De overval op het distributiekantoor in Heerlennaar boventerug

Ter vergelijking volgt hier het verhaal van de overval op het distributiekantoor in Heerlen. Wat daarbij opvalt: die actie was niet gepland in samenwerking met de L.O., zij was gewelddadiger en leverde niets op. Bovendien staat het niet vast of Nitsch door de overval van 9 maart kapelaan Berix op het spoor kwam.

Begin maart 1944 vatte de Heerlense K.P. in samenwerking met de K.P.-Nijmegen het ambitieuze plan op om met één gecoördineerde actie achtereenvolgens het politiebureau, het distributiekantoor en het gemeentehuis in Heerlen te overvallen. Het idee was gelanceerd door G.H. Bensen en de Nijmeegse K.P.-er L.A. van Druenen. Nadat ze enkele dagen de objecten geobserveerd hadden, kwamen ze tot de slotsom dat het plan uitvoerbaar was. De K.P.-Nijmegen zou in twee groepen worden gesplitst. Vijf K.P.-ers onder leiding van Van Druenen zouden het politiebureau voor hun rekening nemen. De tweede groep, geleid door Th. Dobbe, zou het distributiekantoor overvallen. Daarna zouden de twee groepen samen met de K.P.-Heerlen het gemeentehuis binnendringen.
In de nacht van 9 op 10 maart om 0.30 uur klopten de K.P.-ers bij het politiebureau aan. Ze vertelden treinreizigers te zijn die na aankomst geen onderdak meer hadden kunnen vinden. De dienstdoende agent koesterde geen argwaan en liet hen binnen. De K.P.-ers overmeesterden de vijf nachtwakers, die een sigaar en een deken ontvingen en in een cel werden opgesloten. Een agent moest zijn uniform afstaan. Het zou van pas kunnen komen bij de volgende fase van de operatie. De overvallers namen vierentwintig pistolen mee, waarvan er zestien geladen waren, twee leren motorjacks en andere uitrusting en vier paar handboeien. Nadat ze het alarm en de telefoon onklaar hadden gemaakt begaven ze zich naar het distributiekantoor, waar Dobbe en zijn groep wachtten. Bij aankomst bleek dat Van Druenen in de haast de sleutels van het distributiekantoor, die op het politiebureau werden bewaard, had vergeten mee te nemen. Dobbe liet zich door deze tegenvaller niet uit het veld slaan. Bensen c.s wachtten immers bij het gemeentehuis om toe te slaan. De geüniformeerde K.P.-er moest aanbellen, waarna de overige K.P.-ers naar binnen zouden gaan om de bewakers buiten gevecht te stellen. Het liep anders. Een van de bewakers sloeg alarm. Er ontstond een vuurgevecht, waarbij een bewaker gewond raakte. De K.P.-ers bliezen de aftocht en vertrokken naar Valkenburg. De K.P.-Heerlen hoefde niet meer in actie te komen. De volgende dag keerden Dobbe en zijn ploeg naar Nijmegen terug.437] Een onderzoek door de Sipo leverde niets op. Het staat niet vast of Nitsch door de overval van 9 maart kapelaan Berix op het spoor kwam. Toen Berix vernam dat in Geleen arrestaties hadden plaatsgevonden, dook hij op 24 maart 1944 onder. De districtsleider vestigde zich in de woning van mevrouw J. Jaspers-Koten in Klimmmen, waar hij zijn werkzaamheden voortzette. 438]
Vanzelfsprekend had de L.O. baat gehad bij een geslaagde overval op het distributiekantoor en het gemeentehuis, maar of de organisatie bij de plannen was betrokken staat niet vast.
Monument voor kapelaan J.W.Berix

Boter en eierennaar boventerug

Stationschef Vroemen belde op 25 maart 1944 Pierre Schunck met de mededeling, dat een wagon vol eieren de komende nacht op het station van Wylré stond te wachten om op transport naar Duitsland te gaan en stelde voor, van deze gelegenheid gebruik te maken.
Op de wagon waren leuzen aangebracht in de stijl van: „Een geschenk van het Nederlandse volk aan het Duitse, voor de Duitse Winterhulp!“ Maar het was natuurlijk gewoon bij de boeren geroofd. Pierre Schunck gaf deze informatie door aan de KP in Heerlen.


Vroemen, de stations-chef van Valkenburg

L.O.Contacten

Vroemen   de stations-chef van Valkenburg
Als er controle was van de landwacht of de duitsers
werd ik steeds door de stationschef gewaarschuwd met een
code-mededeling "u kunt uw wagon niet lossen."

Met onze komende gasten.onderduikers spraken wij af dat zij
zich bij de stationschef moesten melden met een van tevoren
overeengekomen vraag.
                     Toen Maas en Waal „ausgekämmt" werd en
plotseling meer dan 100 jongens moesten verdwijnen, kreeg
ons rayon deze toegewezen.   Vroemen heeft ze allemaal weten
op te vissen.
             Deze meer dan 100 jongens zijn in één dag met
             behulp van het bureau van Lambert Brands bij
             de boeren in de omgeving geplaatst. Dit
             kantoor zat tegenover het station in (thans)
             hotel Tummers.(C.C.D. Crisis Controle Dienst)

Toen het Jesuitenklooster in 1942 gevorderd was en de duit-
sers geregeld grote kisten ten vervoer naar duitsland
aanboden, legde Vroemen een lijst aan van alle adressen
waarheen de kisten gingen.    Na de bevrijding kon zoedoende
o.a. een kostbare mieren-verzameling van Pater Mückermann
naar Nederland terugkeren.

Op een goede dag belt hij mij op  of ik eens wilde komen
wegens  aangekomen materialen voor  het bedrijf.  Ik dacht
onderduikers te vinden, doch kreeg het volgende verhaal:
   " Wij hebben in Wylre op zijspoor moeten rangeren, een
volle wagon met eieren. Deze wagon moet morgenvroeg met een
opschrift versierd worden, zoiets als Geshenk des Niederländischen
Volkes an die bombengeschädigte Städte deutschlands"
Verder  :   Wij hebben de wagon niet op de lucht-rem staan. Tegen het wiel
zit een remschoen, die je kunt wegtrekken. Bij de overweg
ligt een twede remschoen gereed. Als je de remschoen weg
trekt sukkelt de wagon langzaam en geruisloos in richting
overweg.
	Thuis gekomen deed ik als volgt:  (Giel Berix) Z18 bellen.
Ik herinner me niet precies wie gebeld werd. Meest veilig was Armenraad in de Geleenstr.,
J Cornips
met het verzoek om mij terug te bellen. (Hij) had nl een
niet afluisterbaar geheim nummer der PTT, via de dienst-lijn.
Ik vertelde hem de situatie, toen hij mij terugbelde.
(Giel) heeft toen de KP verwittigd waar dit niet aan dovemans-
oren verteld werd. Als ik voor opslag zorgde, zou het
karwei direct geklaard worden.
In de late avond kwamen de vrachtwagens volgeladen met
C.R.E. eierkisten. ’s Anderendaags hebben de bestelwagens
van ons in gewone manden deze eieren verdeeld over Z.Limburg
met het ziekenhuis in Heerlen als hoofdafnemer.

Duitsers en N.S.B. ers gingen deze zaak in Wylre uitzoeken.
Een van de vrachtwagen-chauffeurs, een K.P.er, zorgde ervoor, erbij te
zijn, om te vernemen of men iets ontdekken zou. (Laeven)

Zonder de Gulpener L.O. vooraf te informeren, kwam de K.P.-Heerlen op grond van inlichtingen uit het rayon Valkenburg in 1944 twee keer in actie in het district. De Heerlense K.P. maakte tussen de zes- en zevenduizend eieren buit.


St. Josefziekenhuis Heerlen

Waarom de KP de Gulpener LO niet informeerde, schrijft Cammaert niet. Maar we kunnen gevoeglijk aannemen, dat men wilde vermijden, dat teveel mensen ervan wisten. Bovendien boterde het niet erg tussen de verzetsgroepen van Heerlen en Gulpen en moest snel gehandeld worden. De eieren werden naar Pierre en Gerda Schunck gebracht om ze te sorteren. Het waren er veel te veel, ook nadat de rotte eieren eruit waren gehaald. Een groot deel ervan heeft het ziekenhuis in Heerlen gekregen. Daar was een hele verdieping zo onvindbaar gemaakt, dat die gebruikt kon worden om er onderduikers en geallieerde piloten te behandelen. Dat was mogelijk, omdat de rector N.M.H. Prompers, de oprichter van het L.O.-district Heerlen, samen met de nonnen, die een groot deel van het werk deden, ervoor zorgden dat het hele personeel anti-duits was. Als men bovendien de historische luchtfoto van het ziekenhuis bekijkt, dan wordt meteen duidelijk, dat dit gebouw meewerkte.
Er was nog een ander belangrijk hulpmiddel voor het verzet, dat volledig buiten het gezichtsveld van de bezetter opereerde, omdat zij het bestaan ervan niet vermoedden: het eigen telefoonnet van de Provinciale Limburgse Electriciteits Maatschappij, de P.L.E.M.
De kaderleden van het verzet hadden toegang via speciale nummers. Zo hadden zij de beschikking over een telefoonnet, waarover zij ongehinderd konden spreken.

Ik heb er schik aan gehad hoe de boeren hun eieren geleverd hebben. Die eierkisten zijn bij ons gebracht en mijn vrouw en ik hebben ze verdeeld voor de diverse rayons en districten. Van ons uit werden ze met de bestelwagen van de wasserij verder gebracht.
Toen wij die kisten openmaakten, stonken ze van de rottigheid! Wij hebben die eieren heel minutieus en zorgvuldig moeten uitzoeken dat onze eigen mensen geen rotte eieren zouden krijgen.
Als de Duitsers dan zorgvuldig waren gaan zoeken, hadden ze bij ons op de stank af kunnen gaan om de eieren te vinden!

Hetzelfde gold voor een boterkraak in Reymerstok op 14 juni (Ook die vond plaats zonder medeweten van de L.O. Gulpen). Bij deze kraak ontvreemdden de K.P.-ers, gekleed in Duits militair uniform, bijna duizend kilo boter, bestemd voor Duitse militairen. Een gedeelte kwam ten goede aan de gevangenen in het Huis van Bewaring te Maastricht.


Vroemen 2

Deze jongen ziet hoe de chef Vroemen, die er als  "verant-
wortlich" bij moest zijn, uitgescholden wordt door een N.S.B.
er, die beheerder was van de boterfabriek in Reymerstok.

  Hij hoort die N.S.B. verwalter van de boterfabriek als
volgt uitvaren:  "   Uilskuikens zijn jullie allemaal.
Mij zou zoiets niet overkomen.  Ik heb 1000 kilo Wehrmachts-
boter in mijn koelcel, maar daar komt geen zogenaamde
witte brigade aan. "

                   Onze K.P.er is snel besloten.
Hij zoekt een paar kameraden, die een wehrmachtsuniform
hebben en de beschikking over een wehrmachtsauto (gegapt
uit de garage Vencken in Sittard)  en meteen op naar
Reymerstok,   zolang de boter-verwalter nog druk naar
de eieren is aan ’t zoeken.
                          De N.S.B.verwalterdame is alleen
thuis en de boterfabriek ligt stil.
"Schnell schnell unsere Butter, wir haben wenig Zeit!" De
duitse soldaten in het duitse wehrmachtsvoertuig zagen er
voor deze dame zeer vertrouwd uit en onze jongens kregen de
hele smak boter in hun wagen.

Onze K.P.ers wehrmachts-soldaten wisten niet beter dan deze
niet vooraf geplande boter maar naar het eieren adres te
brengen zodat ik na nauwelijks de eieren verwerkt te hebben,
nu met een boterberg opgezadeld werd.. Deze natuurboter
werd de andere dag via K.P. kanalen ten dele verdeeld
terwijl het grootste gedeelte in het ziekenhuis van Heerlen
in een kuil van een stilgelegde lift werd opgeborgen.

Toen de N.S.B. Verwalter weer thuis in Reymerstok zat kreeg
hij naast zijn eier-raadsel ook nog een boterbriefje in te
vullen.

===============
geregistreerd door rayonleider der L.O.  R 8 van district
                                         Z 18.

Toen er een Engels vliegtuig tussen Meerssen en Berg brandend neerstortte, werd de gewonde piloot, onder voorwendsel een gewonde brandweerman te zijn, per ambulance naar het ziekenhuis in Heerlen overgebracht. In dit ziekenhuis was een hele verdieping „verstopt“ voor de bezetters, om er onderduikers en piloten te kunnen verzorgen!

Dit was een gedurfd staaltje van saamhorigheid, dat alleen kon werken omdat iedereen die hiervan op de hoogte was, zijn mond hield. En dat moeten er heel wat geweest zijn, vooral natuurlijk de nonnen, die het ziekenhuis bestierden. Auteurs die vinden, dat het Limburgs verzet weinig om het lijf had, omdat ze niet beter wisten / weten of omdat ze humanitaire hulp onder oorlogsomstandigheden alleen maar als burgerlijke ongehoorzaamheid zien, beseffen blijkbaar niet, hoe deze mensen hun leven en vaak ook dat van hun gezinnen op het spel hebben gezet.

Einde van duikherberg 1naar boventerug

Zomer ’44 werd de veiligste grot oefenplaats voor de toekomstige stoottroepers.

Want dat ding was zo langzamerhand in het district uitgelekt en op een gegeven ogenblik komt Bep van Kooten bij mij met Jantje [Lemmens] en zegt: „Je bent je duikherberg kwijt, aan de KP“. Dat vond ik natuurlijk minder plezierig.
Ik heb er alle actie tegen gevoerd, ik heb gezegd: „Voor mij is dat ding noodzakelijk. Maar wat gaan jullie er mee doen? Misschien wapens in opbergen, en dat kun je net zo goed ergens anders doen.“

Van Kooten was op zoek naar een geschikte opslagplaats voor wapens en een schietbaan voor de Zuidlimburgse knokploegen. Ook deze grot moest derhalve ontruimd worden. Voor de opslag van wapens bleek ze niet geschikt, het was er te vochtig. Schietoefeningen konden er wel gehouden worden. Gedurende de zomer van 1944 deed de grot tevens dienst als onderkomen van de K.P., als gevangenis en als verhoorruimte van arrestanten en mogelijke verraders.

Maar in feite heeft de KP het ding toen gebruikt als gevangenis. Voor verdere bijzonderheden moet u bij de KP zijn. (Daar is het nodige over binnen).

Voor het normale duikherbergwerk gingen wij de grot achter het kalkwerk inrichten. En toen wij net klaar waren, kwam er vlak naast een fabriek van de OT. Die grot is dan ook nooit gebruikt, hij staat er nog. Er is een film van gemaakt door de Amerikanen, die moet nog bij de Amerikaanse leger-documentatie zijn.

Wij hebben daar (in de grot) nog een incident gehad. Een KM of 5 verder was er een Truppenübungsplatz (vroeger het schietterrein van de kazerne te Maastricht). En daar kwamen de Schutztruppen schietoefeningen houden. Daar hadden wij geen last van.
Maar toen gingen zij ook Feldübungen houden, en daar wist ik natuurlijk niets van. Daarbij werd het hele terrein omsingeld, waarbinnen onze ingang lag. Een arbeider van een kalkoven, die daar een beetje portier was, belt mij op en zegt: „Ze hebben de hele grot omsingeld!“
Ik rij er onmiddellijk met een bestelwagen naar toe. Ik laat hem op een kleine afstand staan en loop het laatste stukje. En daar zie ik een mof staan met het geweer in de aanslag. Ik loop een eindje verder en zie nog een mof staan, ook met het geweer in de aanslag. Zij waren daar oefeningen aan het houden en stonden allemaal op de uitkijk met het geweer in de aanslag. Ik liep het terrein rond, maar rondom was het helemaal omsingeld.
Ik meteen naar huis en bel [*****lman] op. Ik zeg: „Als je nog wat doen wilt voor die lui, kom dan onmiddellijk met een gewapende macht van jullie en sla die kerels de hersens in“. En daar kwamen zij met een Vliegende Brigade aan. Ik weet nicht hoeveel auto’s zij wel gerequireerd hadden, maar toen ze kwamen waren alle Duitsers met de stille trom vertrokken! Toen konden ze weer nach huis toe.
Ik had natuurlijk ook nicht aan die moffen kunnen vragen: „Zoeken jullie de mensen die daarbinnen zitten?“
Bep van Kooten was groen giftig.

Eigen inlichtingendienstnaar boventerug

Steun van en contact met bestaande verzetsnetwerken of groepen was onontbeerlijk voor de inlichtingendiensten.
(...) Eveneens goede resultaten bereikten de inlichtingendiensten die uit de bestaande verzetsorganisaties voortkwamen. Zowel de inlichtingendienst van de O.D. als de L.O. leverden de illegaliteit en de geallieerden waardevolle informatie.

In juni 1944 organiseerde de L.O.-districtleider van Heerlen, Th.J.M. Goossen, een eigen inlichtingendienst (I.D., Informatie Dienst. Goossen was daarvoor rayonhoofd in Kerkrade.) ter bescherming van de illegaliteit in het algemeen. Daarnaast verzamelde Goossens I.D. militaire inlichtingen, die onder meer afkomstig waren van medewerkers of repatrianten van het Außenministerium (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.1. en hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.7.). (Citaat: Het Außenministerium, een in studentenkringen ontstane organisatie, was zowel in Duitsland als Nederland actief en stelde zich ten doel studenten uit Duitsland naar Nederland terug te halen. Omdat verscheidene L.O.-ers er bij betrokken waren, raakten beide organisaties, vooral in Limburg, met elkaar verweven.) Kort voor de bevrijding verschoof het accent, mede op verzoek van de O.D.-er C.M.J.A.F. Nicolas, naar militaire inlichtingen. Hierbij boekte Goossens I.D. opvallende resultaten. De Amerikanen boden Goossen na de bevrijding de gelegenheid zijn dienst uit te breiden tot geheel Limburg en een deel van Noord-Brabant. Deze I.D. voerde tevens opdrachten uit van het Militair Gezag.

Schunck: Wij zijn de eerste Inlichtingendienst geweest, die in de frontlinie gewerkt heeft.
Ad: Wie heeft dat bij U georganiseerd?
Schunck: In ons rayon heb ik dat gedaan. Theo Goossen was daar de man van op district niveau.

Goossen zegt zelf tijdens de uitvaart van Pierre Schunck:

„Paul“ is ook medewerker van de inlichtingengroep ID18.
  • 6 sept. 1944 laat hij weten dat Sjeng Coenen en Joep Francotte 5 sept. op de Cauberg gefusilleerd zijn en daar nog liggen. Wat nu?? Deze fusillering is voor „Paul“ een blijvend drama gebleken.
  • 15 september deelt hij mede: „De Duitsers hebben de bruggen over de Geul opgeblazen, de wegen afgezet, kanonnen opgesteld en weren zich tegen de oprukkende Amerikanen. Diverse gebouwen zijn zwaar beschadigd en diverse huizen staan in brand. Een groot deel van bevolking heeft zich in de grotten veilig verborgen.“
  • Via berichten van „Paul“ wordt de op 16 september te Heerlen gearriveerde Bep van Kooten geadviseerd, zijn tocht naar Maastricht en Brussel niet via Valkenburg te maken. Levensgevaarlijk. (Van Kooten wil kontakt met het hoofdkwartier leggen. Meer daarover in het hoofdstuk Valkenburg is vrij )

In de nacht van 16 op 17 september 1944: de Duitsers verlaten Valkenburg. „Paul“ neemt contact met de bevrijders op, zoals via het verzet opgedragen. Hij zal hen op alle mogelijke wijze behulpzaam zijn.

Zo was het Pierre Schunck, die als eerste Valkenburger contact met de arriverende Amerikanen legde en ze het Geuldal in loodste. Zie hieronder het verhaal van de bevrijding van Valkenburg

De gevallenennaar boventerug

Frits: Zijn er nog medewerkers van U gearresteerd of gesneuveld?
Schunck: Twee onderduikers (geen medewerkers) zijn gearresteerd, die zaten in de grot. Eén ervan was van de LO in Simpelveld, de ander van de KP in Vaals.
Diezelfde nacht, dat ze die jongens hebben doodgeschoten, heeft men mij gewaarschuwd; van te voren wist ik er niets van. De waarnemende burgemeester had [???], en toen is een Rode Kruis Zuster er naar toe gestapt en heeft die jongens verzorgd. Zij zijn naar het lijkenhuis gebracht.

Wanneer Pierre Schunck zegt: „die zaten in de grot“, dann bedoelt hij daarmee hun basis. Zij zaten in de grot in Geulhem, maar ook in het hoofdkwartier van de KP Zuid-Limburg in een boerderij in Ulestraten.
Cammaert schrijft over J.H. (Sjeng) Coenen uit Simpelveld en W.J. (Joep) Francotte uit Vaals:

Aan de betrekkelijke rust in Ulestraten kwam begin september abrupt een einde. Op dinsdag 5 september bezochten J. Coenen en W. Francotte Koers in Geulle om er twee auto’s op te halen die nodig waren voor de overval op het kamp Vught. Ze reden de auto’s naar de boerderij van J.F.A. Horsmans in Ulestraten, waar tevens wapens waren verborgen. ’s Middags kreeg Horsmans bericht dat Duitse militairen bij hem zouden worden ingekwartierd. Omstreeks zes uur lichtte hij H. Quicken in de K.P.-centrale hierover in. Deze gaf Coenen, Francotte en Meulenkamp opdracht de auto’s en wapens onmiddellijk uit de boerderij van Horsmans te verwijderen. Ze verstopten die in een bos. Tegen negen uur keerden ze terug naar de boerderij, waar inmiddels tientallen Duitse militairen rondliepen. Het drietal gedroeg zich in de ogen van de militairen nogal zonderling. Ze moesten hun legitimatiebewijs laten zien. Coenen maakte er zo’n theater van dat Meulenkamp kans zag te vluchten. Hij verdwaalde in de bossen, maar bereikte uiteindelijk Meerssen. Pas na drie dagen keerde hij terug naar Ulestraten. Coenen werd gefouilleerd. Toen hij in het bezit van een pistool bleek, ontstond grote opschudding onder de militairen. Men had blijkbaar met twee “terroristen” te maken. Er volgde een kort beraad. Omstreeks half tien brachten vier militairen Coenen en Francotte naar een hotel in Valkenburg. De in het hotel ingekwartierde soldaten, die opgewonden en nerveus waren, onderwierpen hen aan een kort verhoor dat met schelden en dreigementen gepaard ging. Een dronken S.S.-officier wilde hen executeren, maar de militairen konden het onderling niet eens worden. Daarop brachten de vier bewakers Coenen en Francotte omstreeks tien uur naar een ander hotel, waar achttien militairen waren ingekwartierd. Die besloten over het lot van de twee te stemmen.
 www.joep.francotte.nl/verhaal.htm

Een meerderheid was voor de doodstraf. Tegen half elf brachten zes militairen de twee K.P.-ers naar het hotel van de Ortskommandant. Onderweg werden de twee ernstig mishandeld. Ruim een uur later begaven de soldaten zich naar de Cauberg. Daar werden Coenen en Francotte op bevel van majoor Bernardt doodgeschoten. De volgende dag ontdekte een passant de lijken langs de weg. Coenen en Francotte waren met hun polsen aan elkaar gebonden, hun schedel was ingeslagen en ze hadden ernstige verwondingen aan hun gezicht. Een nekschot had een einde aan hun leven gemaakt. Bij de stoffelijke resten lag een bordje met het opschrift “terroristen”.


De plek op de Cauberg, waar de verzetsstrijders Sjeng Coenen
en Joep Francotte door de Duitsers zijn gefusilleerd. Ze zijn er een tijdlang ook begraven geweest.
Hier is later het Provinciaal Verzetsmonument Valkenburg gebouwd.
Bron: Beeldbank NIMH

Het einde van de oorlognaar boventerug

De bevrijders naderen!naar boventerug

Nadat de Geallieerden op 6 Juni 1944 in Normandië geland waren en begonnen aan de bevrijding van Europa, heerste er een angstige spanning in Zuid-Limburg. Men begreep, dat een onvermijdelijk gevolg van deze geweldige offensieve stoot der Gealliëerden zou zijn, dat onze provincie weer een zware tijd van oorlogshandelingen tegemoet zou gaan. De Duitsers poogden de indruk te wekken, dat ze zich onbedreigd voelden en begonnen net nu vele Limburgse groeven in te richten als bomvrije werkplaatsen voor hun oorlogsindustrie. Hieraan werkten ze door tot de eerste granaten van de oprukkende Amerikanen hen in hun werk stoorden.

Op 31 augustus om 13.00 uur verscheen de K.P. van Heerlen opnieuw in Valkenburg. Deze keer was het gemeentehuis het doelwit. Men wilde verhinderen dat de bevolking zou worden gedwongen verdedigingswerken aan te leggen. Bij de kraak kregen ze hulp van ambtenaar H.P.A. Laeven, die na de overval bewusteloosheid veinsde. De Sipo nam genoegen met zijn uitleg van het gebeuren. De K.P.-ers hadden alle persoonskaarten, vijftig PB’s, vijftig controlezegels en vijftig legeszegels meegenomen. Het bevolkingsregister verbrandden ze op het K.P.-hoofdkwartier in Ulestraten.
 

 14 sept. 1944. De eerste Amerikaanse infanteristen trekken vanaf de Daelhemerweg Valkenburg binnen.
Foto: Frans Hoffman

Enkele weken later werd Valkenburg bevrijd.

De dag na D-Day, op 7 juni 1944 waren de mannen van het 19e Korps van het Amerikaanse leger op Europese bodem geland. Een kleine eenheid van dat korps arriveert drie maanden en zeven dagen later, op 14 september, in Valkenburg.
Zij treffen er een tamelijk uitgestorven stadje aan, waarvan de inwoners grotendeels hun schuilplaats hebben gevonden in de grotten. Door beschietingen die enige dagen duurden en ook als gevolg van het opblazen van de Geulbruggen door de terugtrekkende Duitse troepen, is het centrum van Valkenburg deerlijk gehavend.
Het 120ste regiment van de 30ste infanteriedivisie (Old Hickory) van het 19de Corps van het Eerste USAmerikaanse Leger werd op 14 juni ingezet, namelijk bij het overnemen van de centrale sector van het Amerikaanse front op het schiereiland van Cherbourg. Behalve uit zijn eigen artillerie, tanks, geniesoldaten, verkenningstroepen en dergelijke, bestond het 19e korps toen nog uit de 29e en 30e infanteriedivisie. Precies 101 dagen zou dit korps onafgebroken aan de strijd deelnemen, tot 15 oktober namelijk, toen men bij Aken kontakt maakte met een andere Divisie. In die 101 dagen waren ze, soms zeer zware verliezen lijdend, van hun landingsplaats Vierville-sur-Mer aan de Franse westkust opgerukt tot in Duitsland, waarbij ze op 14 september ook Valkenburg van Duitsers hadden gezuiverd.
Zoals gezegd waren de maanden tussen begin juni en half september 1944 er van veel spanning. Toen de Engelsen en Amerikanen zich aanvankelijk de tijd gunden om een goede aanvalsbasis op het Europese vasteland in te richten, vreesden velen, dat deze toestand nog erg lang zou kunnen aanhouden. Het geallieerde offensief gaat voor de Limburger natuurlijk te langzaam, maar in feite, wanneer het eenmaal op gang is gekomen, waanzinnig snel. Op 6 juni landden meer dan 132.000 soldaten op Franse bodem, de slag om Bretagne is lang en kost duizenden doden, op 26 augustus valt Parijs, diezelfde dag is het 19e korps al via Lille dichtbij de Belgische grens genaderd, op 3 september wordt Brussel bevrijd, een dag later Antwerpen. De rechterflank van de geallieerde strijdmacht, die naar Duitsland oprukte, waaronder het reeds genoemde 19e Amerikaanse legerkorps, bereikte reeds op 2 september de Belgische stad Tournai, maar moest toen gedwongen een paar dagen wachten, totdat de aanvoerlijnen weer waren hersteld. Op 8 september bereikte een kavallerieverkenningseenheid, die heel Zuid-België had doorkruist, het Albertkanaal. Het befaamde fort Eben-Emael viel op 10 september zonder slag of stoot in handen van de Amerikanen. Alle bruggen over de Maas en Albertkanaal waren echter opgeblazen. Om vertraging van de opmars te voorkomen sloegen de geallieerden zelf een brug over de Maas bij Luik en ook in het terrein van het 19e Amerikaanse korps werd een brug over de Maas gebouwd, die prompt door de infanterie werd benut. Op 12 september zetten de Amerikanen de eerste voet op Nederlands grondgebied en verdreven de Duitsers uit Noorbeek en Mheer. Op 13 september dringen gedeelten van de dertigste infanteriedivisie, de zogenoemde Old Hickory Division, Eysden, Gronsveld en de voorstad van Maastricht, Wijk, binnen. Op 14 september volgt Maastricht-West. Dat is ook de dag, een historische in de geschiedenis van het stadje aan de Geul, dat Valkenburg de eerste Amerikanen begroet.

De bevrijding van Valkenburgnaar boventerug


14 Sept 44
Herinneringen v. Pierre Schunck 2

September 1944. Zuid-Limburg bevrijd.
Mij is verzocht om iets over onze bevrijding te schrijven.
Derhalve deze schets:
                     Van al die bevrijdings—geruchten hield een
onderduiker in Valkenburg het niet meer. Hij verdween en kwam
‘s avonds terug met een verhaal.   In Margraten was hij bij 
Amerikanen geweest. Die wilden alles over de Geulbruggen weten.
Hij verwees hen naar zijn baas "de rayonleader of the resistance"
die wist er alles van. De onderduiker werd naar mij terug gezonden,
met het verzoek, om in alle vroegte op de Daelhemerweg bij Sibbe
te wachten op een Amerikaanse officier. Het wachtwoord was „Steeplechase“.
       Wel,dat deed ik, met mijn onderduiker. De Amerikaan was er. 
Op zijn vraag zei ik    Aan de Caubergkant van de Geul, geen duitsere
alle bruggen, op één na vernield, aan de andere kant wel nog duitsers
de enige brug is ondermijnd en bewaakt. 
De officier begon in een walkie—talkie te praten waarna een rij jeeps
met soldaten verscheen. Zij zonden een poging wegen, die brug in
handen te krijgen.
                    Wij gingen in twee groepen. Beneden op het
Grendelplein,waarschuwde ik de paar mannen, die er waren, niet
luidruchtig te zijn, alles diende in stilte te gebeuren. (De bevolking
schuilde in de grotten).        Een groep ging achter de huizen om
richting school, om daar de duitse brugbewakers onder schot te
krijgen.   De ander groep ging richting kerktoren, vanwaar men,
over de muur van kasteel Den Halder, de brug kon zien.
Echter... in de nacht hadden duitsers in het Pavillon kwartier
gekozen, die onze Amerikanen zagen en.... de brug ging in de lucht!
Alleen de Cauberg—kant van de Geul was nu bevrijd. De andere kant
van Valkenburg moest nog wachten, terwijl de mijnstreek door deze mislukte
„brugverovering“ ook een paar dagen later bevrijd werd.
sDit was dan de "front—ervaring" van Paul rayonleider der LO R8218.

In de morgen van de 14e september 1944 is het erg stil in Valkenburg. De naderende troepen doen de weinigen, die niet in de grotten een veilig heenkomen hebben gezocht, binnenshuis blijven.
Al dagen doen allerlei geruchten de ronde. De Duitse troepen zijn grotendeels teruggetrokken. Slechts een handvol Duitsers verblijft in Hotel Oda, om de enige nog niet opgeblazen brug nabij het Kasteel Den Halder te bewaken. In de vroege ochtend stappen twee mannen in burgerkleding de Daelhemerweg op. De dag ervoor hebben ze kontakt gezocht met de Amerikanen, die tot bij De Planck aan de Belgische grens zijn doorgedrongen. Een hunner heeft de Amerikanen informatie gegeven over de stand van zaken in Valkenburg. Vandaag zal een Amerikaanse patrouille naar Valkenburg komen. Bij de bank, even hoger dan de Model-Steenkolenmijn, zal men kontakt maken. Het afgesproken wachtwoord is „Steeplechase“.
Van op een afstand spieden hun blikken de weg omhoog. Op de afgesproken plaats zit inderdaad een Amerikaan. „You want a cigarette?“, vraagt hij.
„I like steeplechase“, antwoordt Pierre Schunck (38) uit Valkenburg, in het verzet alleen bekend als „Paul Simons“.
„I am Captain Sixberry“ zegt de man op de bank. Hij wil duidelijk weten, met hoeveel man de Duitsers in het stadje zijn en waar ze zich bevinden. Op zijn knieën ligt een stafkaart. Schunck wijst aan: „Aan deze kant van de Geul is er geen een meer. Deze brug is de enige, die nog intakt is, maar ze is ondermijnd en wordt vanuit Hotel Oda bewaakt, daar. Mogelijk zitten er ook nog Duitsers in het Casino, hier zo. Verder heeft er nog steeds Duits vervoer plaats van Meerssen over Houthem naar Valkenburg en dan via Heerlen naar Duitsland.“
De Amerikaan is vergezeld van een paar soldaten. Ze zijn beschermd door de berm-begroeiing en hun aantal zal wel groter zijn, dan de Valkenburger nu vermoedt. Ze beschikken over een walkie-talkie, de eerste, die Pierre Schunck in zijn leven ziet. De ingewonnen informatie wordt doorgegeven. Daarop volgt van de andere kant de instruktie: tracht die Geulbrug onbeschadigd in handen te krijgen. Dat zou bij verrassing moeten gebeuren door middel van een tang-beweging.
Schunck wenkt zijn begeleider, de bij hem ondergedoken Haagse jongeman l’Istelle (23), naderbij. Men overlegt even. Dan trekken de Amerikanen zich even terug. Dan nadert geruisloos een rij open jeeps, de mitrailleurs erop gemonteerd. De motoren zijn uitgeschakeld, men maakt gebruik van de helling van de Daelhemerweg om volkomen geruisloos te naderen.



Afspraak op de Daelhemerweg

Het weekblad „Land van Valkenburg“ schreef op 13-09-1974:
„De heer Pierre Schunck na dertig jaren bij de bank op de Daelhemerweg, waar hij een afspraak had met de amerikaans patrouille die Valkenburg moest innemen.“

Toen in september 1944 eindelijk de bevrijding aanbrak en de eerste Amerikaanse soldaten van het 119de infanterie-regiment - onderdeel. van de 30ste „Old Hickory“ divisie - op 14 september de Daelhemerweg afdaalden om Valkenburg te bevrijden, stond hij gereed om hen veilig door de straten te loodsen. Dat was wel nodig aangezien het er nog wemelde van Duitse soldaten. De Amerikanen maakten dankbaar gebruik van zijn diensten, maar voor alle zekerheid lieten ze Pierre Schunck plaats nemen voor op de motorkap van de jeep die de kolonne aanvoerde. Mocht hij toch een „foute“ gids blijken te zijn dan diende hij als schild voor eventuele vijandelijke kogels.



Notities van Pierre Schunck omtrent de bevrijding van Valkenburg

14 September 1944
Informatie van Bob Hilleque
30e Divisie (Old Hickory)
119e regiment
1e bataljon
company A
Captain Simmons
In 1e jeep vanaf Sibbe zat
Bob Hilleque
Arny Fegeson (Jew Abraham)
Sammy Seroy
Bill Parker

Als gids nam ik plaats op de motorkap v.d. jeep. Alle jeeps bleven achter op het Grendelplein (ingang van de stad). Te voet door de stadspoort. Captain Simmons naast mij de Muntstraat in tot Hotel Smeets-Huynen. Hierdoorheen, tot schrik van de Familie Smeets, naar de kerk. Scherpschutters met koster Van Ogtrop de toren in om Duitsers aan overkant Geul onder schot te krijgen.

De soldaten hadden op dit vroege uur nog niet ontbeten. De familie Van Ogtrop kookte preisoep uit de tuin van de pastoor. In emmers naar buiten.

Captain Simmons en ik zaten tegen de Geulmuur, toen de brug explodeerde.

Toen gingen we door de huizen (bij oversteek Grote Straat beschoten maar niet geraakt) tot meisjesschool. Verder zijn we niet gekomen wegens beschieting bij het Walramplein. Doel: de erken om (de aftakking ?) de Geul door sluis te sluiten, waardoor de soldaten aan de overkant konden komen. Later werden door een tank soldaten achter hotel Limburgia gebracht, die de sluis sloten.
16 Sept. Door geniesoldaten werd puin van Hotel Jennekens in de Geul geschoven, waardoor ook tanks naar de overkant konden.

Open Street Map Klik voor een grotere kaart (bij Open Street Map) op het overzichtskaartje. De bossen aan de zuidrand van Valkenburg vallen samen met de helling van het Geuldal. De rode pijl is halverwege deze helling op de Daelhemer Weg. De Geul is een paar dagen frontlijn geweest. Zie tekst.

In de voorste zit alleen een chauffeur. De kapitein en de verbindingssoldaten wringen zich erin, Pierre Schunck zetten ze voorop. Omdat men hem nog steeds niet vertrouwt? Zoiets vraagt men zich later af. Op dit moment gaat het, de zenuwen tot het uiterste gespannen, langzaam Valkenburg-waarts...
Er zullen twee groepen worden gevormd: één met Schunck, de andere met l’Istelle als gids. Op het Grendelplein stuurt Pierre Schunck een paar daar aanwezige Valkenburgers de huizen langs met het dringende verzoek om absolute stilte te bewaren en vooral niet te gaan juichen. Daar houdt iedereen zich aan.
De twee pelotons gaan hun gang. Schunck en „zijn“ soldaten gaan onder de Grendelpoort door. In de Muntstraat stappen zij Hotel Smeets-Huynen (thans „Edelweiss“) binnen en verlaten het lakoniek door de achterdeur, de familie Smeets verbouwereerd achterlatend. Enkele soldaten beklimmen de kerktoren, om vandaar de brug met hun mitrailleurs te kunnen bestrijken. Pierre Schunck begeleidt de officier, die met een periskoop is uitgerust. Vanuit de brouwerij Theunissen, later afgebroken, heeft men evenwel onvoldoende overzicht vanwege de - later overigens ook afgebroken - vrij hoge muur van Kasteel Den Halder. Langs die muur sluipt men tot bij het Geulmuurtje. Met behulp van de hoekkijker ziet de Amerikaan een Duitse soldaat op de brug op en neer wandelen. Pierre Schunck mag ook even kijken...
Intussen zijn een paar jeeps met zware mitrailleurs erop, met afgezette motor letterlijk naar voren geschoven tot tussen de hotels Neerlandia en Bleesers. Een groepje daar aanwezige soldaten begeeft zich met l’Istelle achter de huizen om tot bij de Protestantse kerk, door de tuin van Hotel Cremers (l’Ambassadeur) en het huis Eulenberg (later „Texas-Bar“, naar Hotel Prins Hendrik. Een andere groep probeert via de speelplaats van de school aan de Plenkertstraat bij de Geul te komen.
Als deze beide groepen hun bestemming zullen hebben bereikt, zullen scherpschutters trachten de Duitsers te overrompelen, zodat deze het mechanisme om de brug op te blazen niet in werking zullen stellen.

Het was de bedoeling om voorzichtig naderbij sluipend de enige Geulbrug die nog intact was, in handen te krijgen, voordat de Duitsers ook deze de lucht in lieten vliegen. Het was de brug in de Wilhelminalaan. De Duitsers lieten deze zo lang mogelijk intact om de eigen troepen de mogelijkheid te geven om te vluchten. Deze poging mislukte door verraad van een met de Duitsers heulende Valkenburger. Die waarschuwde de Duitsers toen de Amerikanen van boom tot boom kruipend de brug al bijna bereikt hadden.
Op bet laatste nippertje werd de springlading die onder brug was aangebracht nog tot ontploffing gebracht. Door dit voorval werd de opmars van de Amerikaanse troepen drie dagen vertraagd.



Moordend artillerieduel in Valkenburg

In D-DAY IN ZUID-LIMBURG, De bevrijding van uur tot uur, van plaats tot plaats. door Jan Hendriks en Hans Koenen lezen we:

De Amerikanen gebruikten aanvankelijk de Wilhelminatoren op de Heunsberg als waarnemingspost, maar nadat een Duitse voltreffer daar een reusachtig gat in had geslagen, was die onbruikbaar geworden. Hoewel de Amerikanen dankz? de informaties van de Valkenburgse ondergrondse goed op de hoogte waren van de v?andel?ke stellingen, konden ze er op den duur niet veel tegen doen omdat hun artillerie krap in de munitie kwam te zitten. Op steun van de luchtmacht konden ze ook niet rekenen vanwege het slechte weer.
Het 119e regiment verloor die dag 24 man; 7 waren gesneuveld, 17 werden gewond, voornamelijk door het granaatvuur in Valkenburg. Er werden 73 krijgsgevangenen gemaakt.


Het strategisch belang van de Geul in 1944

Geullinie


Het plan (de brug ongeschonden in handen te krijgen) lukt niet. De Duitsers bemerken hun vijanden in Hotel Prins Hendrik. Wellicht zijn zij ook wel gewaarschuwd vanuit het Pavillon, waar zich eveneens wachtposten bevonden. Met een verschrikkelijk lawaai veegt de laatste Geulbrug de lucht in. De brokstukken vliegen Schunck en de Amerikaanse officier achter het muurtje om de oren. Het plan is op het laatste moment mislukt. Nu wordt de Geul tijdelijk frontlijn.
De in de loop van de dag arriverende staf van het bataljon, dat Valkenburg ten zuiden van de Geul heeft ingenomen, betrekt de kelder van de winkel Bours op de hoek van Wilhelminalaan en Plenkertstraat als kommandopost onder leiding van Kolonel Beelar. Hun opdracht luidde om vanuit De Planck en Noorbeek over de rijksweg Maastricht-Aken heen naar Margraten, Sibbe en Valkenburg te trekken. Daar zouden zij de weg moeten afsnijden voor het Duitse transport en verder wachten tot Maastricht in geallieerde handen zou zijn gevallen.

De moord op de landwachternaar boventerug



Amerikaanse legervoertuigen

op de Cauberg in Valkenburg, direct na de bevrijding. De eerste foto toont het onderste einde van de Cauberg. Achteraan zien we het monument, waar de Landwachter Savelberg het slachtoffer van Lynchjustitie is geworden.

Met de Amerikanen kwam ook een gewezen onderduiker mee, die later terecht zou staan vanwege diefstal van geallieerde legergoederen. In het rapport van de Opsporingsdienst van het Militair Gezag in Valkenburg van 2 februari 1945 wordt hij Johnny Kruyt of Kruyf genoemd. In september was daar nog niets van bekend. In Valkenburg aangekomen, begon hij een klopjacht te organiseren naar echte en vermeende NSBers en beweerde, in opdracht van de Amerikanen te handelen. Ondertussen had zich aan het Grendelplein een menigte verzameld. Een landwachter werd aangevoerd om te boeten voor alles, wat de nazi’s hadden gedaan. (De Landwacht was een hulppolitie, die bestond uit NSB-ers. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandse_Landwacht) Deze landwachter werd aan de Amerikanen voorgeleid, die hem weer aan voornoemde Nederlander doorgaven, die in hun midden was gearriveerd, met de woorden „Kill him“. Het ging immers om een Nederlander. Zo namen de aanwezige Valkenburgers aan, dat dit alles in opdracht van de Amerikanen gebeurde, en dat die landwachter vast wel erge dingen had gedaan. Maar ook Willem Freysen, de hierboven genoemde medewerker van het verzet, die op het distributiekantoor onder het masker van nazigezindheid de boel behoorlijk heeft bedonderd, werd door deze lieden opgepakt. Dit is een duidelijk bewijs, dat ze geen enkele verbinding met het Valkenburgs verzet hadden. Pierre Schunck, die er met spoed bij gehaald werd, kon deze groep van Freysens onschuld overtuigen. De landwachter Savelberg had minder geluk, hij was immers inderdaad een collaborateur geweest.
Ondertussen arriveerde ook Pater Ferdinand van het klooster van de „paters op de Cauberg“ op het toneel. Ook hij onderhandelde met dit groepje, eveneens zonder resultaat. Hij had met Pierre Schunck tijdens de oorlog in het verzet samengewerkt, en zo is het logisch, dat ze nu samen probeerden, Savelberg te redden of althans tenminste een eervolle begrafenis voor hem te verkrijgen.

Hieronder volgen enige citaten, waaruit deze toedracht blijkt. Het verhaal van de redding van Willem Freysen is ons kinderen Schunck door onze vader verteld. Uit het rapport van 2 februari 1945 van de Opsporingsdienst van het Militair Gezag door rechercheur A. C. van der Gronden:

Direct na de bevrijding voorzag hij (Harings) zich van wapens en kende niemand meer van degenen, die hem geholpen hadden. Hij promoveerde zichzelf tot leider, dat leidde tot het feit, dat Alphons Hendrikus Savelberg, geb. 6 november 1917 te Valkenburg, Landwachter, werd gefusilleerd. Johnny Kruyt of Kruyf, die thans gevangen zit, omdat hij waarschijnlijk diefstal heeft gepleegd van Geallieerde legergoederen was onderduiker en zou met de Amerikanen meegekomen zijn uit België. Deze gaf opdracht, om Savelberg te fusilleren, waarvoor Harings zich vrijwillig aanbood. Hij ging staan op 10 à 12 meter afstand en schoot met een repeteerpistool drie salvo’s, naar schatting 12 à 15 schoten, waarna Savelberg op den grond viel, nog leefde, en toen nog een paar schoten in het hoofd kreeg. Deze Harings kende de werking van het wapen niet, want ongeveer een uur tevoren had hij een gewezen sergeant om inlichtingen en daaromtrent gevraagd. Dit drama speelde zich af aan het Grendelplein omringd door menschen en kinderen op 14 september 1944. Het was een ware marteldood van den landwachter.

Sommige oudere Valkenburgers kennen Pater Ferdinand nog wel, die overste van de Cauberg, met zijn karakteristieke stem en gezicht. Hij was met mijn ouders, het echtpaar Schunck, bevriend. Tijdens de oorlog is de grot van de paters, achter het klooster, door het verzet o.a. als schuilplaats voor een gestolen Duits legervoertuig gebruikt. Uit zijn herinneringen:

Ik sprak daarop de personen aan die naar ik meende de leiding hadden, o.a. een Hollands sprekende jonge man die zich zoiets als een commandant opstelde. „Das“ heette hij, naar ik later hoorde. Een man die ik me ook nog herinner van de rechtszaak naderhand in 1945 te Maastricht. Ik wees hem erop, dat zoiets toch niet kon zonder een degelijke en geldelijke rechtspraak, waarop men mij vertelde dat de betrokkene, Alphons Savelberg voor een door de Amerikanen gevormde rechtbank te velde was veroordeeld, doch dat het vonnis door Nederlandse verzetsstrijders moest worden uitgevoerd.

Ik begaf me dan naar Alphons Savelberg vlak bij het monument en na een inleidend gesprek nam ik hem de biecht af. Daarna drong ik er bij hem op aan in het openbaar afstand te nemen van het nationaalsocialisme en zijn collaboratie met de vijand, zodat hij tenminste eervol begraven zou kunnen worden. Daarin stemde hij toe en ik riep de heren Pierre Schunck en Ben Koster erbij, waarop hij alsdan ten overstaan van ons drieën zijn spijt betuigde.



OD mensen en onderduiker bij ingang Heidegroeve

Heidegroeve (Plenkertstraat), sept. 1944
Was dit de groep, die jacht op foute Nederlanders maakte? In ieder geval staat Jan Harings ertussen, met het nummer 1 boven zijn hoofd
Van links naar rechts: Sjef Smeets, Walramplein; Jos Mentelers, onderduiker uit Amby; Jos Quaedvlieg (de dikke), Walramplein/Hovetstraat; Harrie Fraiture, St. Pieterstraat; Henk Salverda; Jan Harings; Sjef Coenen, Wehryweg; Jean Kessler; Pierre Philippens, Plenkertstraat
Foto: Frans Hoffman

Zo hebben deze drie verzetsmensen zich samen, zij het met weinig resultaat, voor Savelberg ingezet. Dat het Valkenburgs verzet met deze lynchpartij niets van doen had, blijkt niet alleen uit de op het nippertje voorkomen executie van Freysen. Ook het feit, dat de schutter Harings niet eens wist, hoe hij een geweer moest vasthouden, en dat hij dat van de Amerikanen heeft gekregen, spreekt boekdelen. Het gewapend deel van het verzet, de K.P. o.l.v. Bep van Kooten, zat trouwens in Ulestraten, dat op dat moment nog in Duitse handen was. Uit de woorden van Pater Ferdinand blijkt, dat men er op dat moment niet aan twijfelde, dat dit alles op bevel van de Amerikanen gebeurde. Toch was het later waarschijnlijk voor het verzet en met name voor de L.O. een pijnlijke herinnering, omdat men deze zinloze moord niet heeft kunnen voorkomen. Want de doelstelling van de L.O. was het verlenen van humanitaire hulp als enige mogelijkheid, actief aan de strijd tegen het fascisme deel te nemen. Men was zich van de eigen militaire zwakte en morele kracht terdege bewust. In het bovenstaande relaas over het verzet van Pierre Schunck en dus de Valkenburgse L.O. heb ik daarom, naast de overval op het distributiekantoor van Valkenburg, ook de poging tot hetzelfde in Heerlen opgenomen. De actie in Valkenburg was een samenwerking van de L.O. met de K.P., hij was geweldloos en uiterst succesvol. In Heerlen deed de K.P. het met die van Nijmegen, zonder L.O., het ging met veel geweld gepaard en was een volkomen mislukking. Toeval? Ik wil niet zeggen, dat de jongens van de K.P. allemaal heethoofden waren, maar ze waren in ieder geval meestal jonger. Bijvoorbeeld onderduikers, die zich aan de arbeidsdienst hadden onttrokken en eigenlijk popelden om de Duisters er van langs te geven. Velen zijn later als Stoottroepen nog naar Duitsland getrokken om dit te doen en daar is nog menigeen van die jongens voor onze vrijheid gestorven. Zie hieronder over de oprichting van de Stoottroepen
De zogenaamde Ordedienst, die zich pas NA de bevrijding in Valkenburg heeft geformeerd, is van een heel andere allure en verdient niet de naam van verzet. Daarom heeft, voor zover ik weet, het Valkenburgs verzet zich van deze moord nooit gedistantieerd. Men had er gewoon niets mee te maken. En dat wist iedereen. Behalve een historicus, wiens naam ik hier niet ga noemen, en die vindt, dat hij mensen kan zwartmaken met insinuaties, die op niets gegrond zijn dan zijn onwetendheid.

Evacuatienaar boventerug

Valkenburg is dus niet op één dag bevrijd, omdat de opmars van de Amerikanen aan de Geul even tot stilstand kwam. Daardoor verliep het front tussen 14 en 17 september 1944 dwars door Valkenburg langs de Geul. Tijdens die bevrijdingsdagen was heel Valkenburg geëvacueerd. Waarvoor op andere plaatsen de mensen een bunker of de kelder opzochten, werden in Valkenburg natuurlijk de grotten gebruikt, de gangensystemen in het zachte kalkgesteente, die in de loop van de eeuwen bij de winning van bouwstenen waren ontstaan. Deze grotten lagen in het bevrijde, zuidelijke gedeelte van Valkenburg.
De oudste dochter van Pierre Schunck herinnert zich:

„Wij, de bewoners van de Plenkertstraat, zaten natuurlijk in de Heidegroeve, oftewel de championskwekerij tegenover de brouwerij. Tegen het einde van de oorlog was de Organisation Todt ermee begonnen, die grot als bomvrije fabriek in te richten. Daar hadden ze kamertjes voor het personeel ingericht, die nu goed van pas kwamen. Ieder gezin kreeg een eigen kamer toegewezen.“

Tijdens de bevrijdingsdagen, dagen van harde gevechten in Valkenburg, hadden de meeste inwoners hun heil gezocht in de grotten aan de Cauberg en aan de Plenkert. In zijn boekje „Limburg in den Wereldbrand“ wijdt M. Kemp de volgende regels aan de moeilijke en angstige dagen, die de Valkenburgers toen hebben doorgemaakt: „Wel zijn de Amerikanen op 14 september tot Valkenburg doorgedrongen, doch de bewoners van dit gedeelte van het Geuldal hebben nog ettelijke hachelijke dagen doorleefd. De ellende begon met het laten springen van enkele bruggen over de Geul, met zo overmatige ladingen dynamiet, dat verschillende huizen en hotels erdoor vernield werden (Zie foto hieronder). Vele bewoners van het stadje hadden een schuilplaats in de nabij gelegen mergelbergen gezocht, doch al spoedig raakten de levensmiddelen op, kwam men zonder licht te zitten en begonnen, vanwege de overbevolking, onhoudbare toestanden op het gebied van hygiène te heersen. In de grotten zijn in die dagen, terwijl het artillerie-duel in de omringende bossen met volle geweld daverde en tal van granaten in de verlaten huizen sloegen, een drietal kinderen geboren en is een oude man een overigens natuurlijke dood gestorven. Niets te vroeg kwam hier het uur van de bevrijding!“

Maar door de Duitse beschietingen vanaf het plateau bij Schimmert kunnen de Valkenburgers de grotten nog steeds niet verlaten en er dreigt honger.


Levensmiddelen voor de grottennaar boventerug



Deel van Zuid-Limburg

De Geul, die tijdens de bevrijding van Valkenburg gedurende een paar dagen de frontlijn was, stroomt door de dorpen (van oost naar west) Stokhem, Etenaken, Schin op Geul, Valkenburg, Houthem, Meerssen en Itteren. De rode lijnen zijn snelwegen. Zij waren toen nog niet gebouwd.




16 Sept 44, Herinneringen v. Pierre Schunck 1

16 Sept 44
The bearer Peter Joseph Arnold is known to us as a friendly ally and is on business known to us. He will will depart for Maastricht and return by 2400 this date.
[Signature]
Capt. ...
(Crop)

16 Sept kregen de Am troepen in Valkenburg bericht, dat Maastricht in handen van het Am. leger was.
Rechtstreeks contact via Berg en Terblijt of Meerssen was er niet.
De Valkenburgse groep Amerikanen was vanuit De Planck en Noorbeek over de rijksweg Maastricht - Aken naar Margraten en Sibbe gekomen. Dit was hun opdracht, tenminste alzo werd mij duidelijk gemaakt. Eerst de weg Maastricht - Aken afsnijden voor Duits transport en dan afwachten tot de stad Maastricht gevallen was.
Zij staken nu de Geul over en verschaften zich een toegang tot de provinciale weg naar Meerssen. Valkenburg werd dus nu helemaal bevrijd. Vervolgens kreeg ik het verzoek om via de weg Berg en Terblijt naar Maastricht te gaan, waartoe mij een soldaat met jeep ter beschikking werd gesteld.
Ik had om een contact met Maastricht verzocht, met name met de voedselcommissaris Niesten. Hiertoe had ik nu gelegenheid. Van Jean Hendriks had ik vernomen dat de Duitsers zich via de Geulhemer Berg hadden teruggetrokken tot aan de noordkant van de Geul, achter de molen. Zij hadden onderwijl nog een bezoek gebracht aan de grot, waarin de



16 Sept 44
Herinneringen v. Pierre Schunck 2

bevolking van Berg zat. Dit had tot enige consternatie aanleiding gegeven, omdat de bevolking meende, reeds bevrijd te zijn.
De reis naar Maastricht over de verlaten prov. weg liep dan ook zonder incidenten, alhoewel nog regelmatig vanuit de hoogte bij Schimmert door de Duitsers op de overkant van de Geul geschoten werd, en ik zag boven de Ravensbosch steeds wolkjes van ontploffende granaten.
In Maastricht kwam ik bij Militair Gezag terecht op het Vrijthof, om te weten te komen waar de voedselcommissaris bereikbaar was. Binnenkomend werd ik staande gehouden door een soldaat in Engels uniform. Deze verwees mij naar een stampvolle wachtruimte. Ik ging maar weer naar buiten en vroeg mijn jeep-chauffeur, een zwaarbewapende Amerikaanse soldaat, om mij te vergezellen. Deze vroeg aan de wachthebbende soldaat in het Am. Engels: „Waar zetelt je commander?“ Prompt werden wij ernaar toe geleid, langs alle wachtenden heen. Ik droeg de armband met salamander (teken van het verzet).
De Militaire Commandant stond op, zond mensen weg, en was duidelijk nerveus. Ik legitimeerde mij, wijzend op de armband, als rayonleider der L0 in Valkenburg, deelde mee dat de bevolking in de grotten verbleef, zonder voeding en zonder medische verzorging en medicijnen. Ik vroeg levensmiddelen en vervoer ervan. Voor vervoer wist hij te kunnen zorgen. Verder wist hij, dat Duitse legervoorraden in een keramische fabriek waren gevonden en dat de voedselcommissaris aldaar bezig was, deze te inventariseren.

De rest van het verhaal heeft Pierre Schunck later geschreven. Daar vervolgt hij:

De voedselcommissaris vond ik bij de Sphinx. Deze hielp uitstekend.
In de gaarkeuken bij de Sphinx werden een hoeveelkeid tonnen ,
(gereinigde vuilnisemmers) met warm voedsel gevuld.
Het vervoer bleek een grote vrachtwagen der ENCI te zijn. Brood kwam
van de Maastr.Broodfabriek, in een bestelwagen van een plaatselijke
drogist. De voeding was dus klaar. Na een paar dagen kwamen van het
Rode Kruis een arts, een verpleger, een paar officieren en ettelijke
journalisten.
Deze voedselvoorziening is doorgegaan tot en met de verzorging der
evacué’s uit Kerkrade, die ten dele naar Valkenburg kwamen.
Toen de Amerikanen konden doorstoten naar de mijnstreek, hield de
duitse beschieting op, en kon de bevolking de grotten verlaten.

Lees meer over de evacuering van Kerkrade, en met name ook van het ziekenhuis, bij Dr. Gerd Kreijen, die daar arts was. Na de evacuatie kwam een deel van deze mensen alsmede Dr.Kreijen naar Valkenburg. (Vanwege de vele hotels. In Hotel Franssen werd een tijdelijk ziekenhuis ingericht.) Hij was een neef van mijn moeder en woonde in die tijd bij ons.




Inspectiegroep v.h. Militair Gezag

Na de interventie bij het Militair Gezag door Pierre Schunck (geheel rechts) werd rond 16 september deze inspectiegroep gestuurd.
Pierre Schunck schrijft:

Inspectie van Militair Gezag ± 16 (half sept. 1944) in de grotten van Valkenburg omtrent voeding, gezondheidstoestand etc.
Leiding had ’n Kap. ter Zee Drost.
Een Maastrichtse arts was bij de groep. De groep werd rondgeleid door de gemeente-opzichter Drissen. Ik moest informatie geven.

De opname is ontstaan aan de ingang van de Heidegroeve (Plenkertstraat), waar ook mensen schuilden voor de artilleriebeschietingen.
Opzichter Drissen is de 2e van links, met carbidlamp.
Foto: Frans Hoffman


Valkenburg is vrijnaar boventerug



Militair Gezag

Poging van M.G.
om de voormalige illegale werkers in georganiseerd verband tot medewerking te brengen met militair gezag van generaal Kruls

Zij zouden Contact Officier worden tussen M.G. en de bevolking.

Tussen 1944 en 1946 was „Militair Gezag“ het voorlopig bestuursorgaan. Het Limburgse M.G. zetelde aan het Vrijthof in Maastricht. Bovenstaande aantekening uit het achief van Pierre Schunck geeft aan, hoe het M.G. probeerde, vat op zijn moeilijke taak te krijgen

Een studie naar de werkzaamheden van het Nederlandse Militair gezag in de overgangstijd na de geallieerde bevrijding van Nederland.
Het ‘Circus Kruls’, Militair Gezag in Nederland, 1944-1946, door Dr. Dick Schoonoord (Amsterdam 2011). Met link digitaal boek, pdf

De bevrijding van Valkenburg in september 1944 is nog niet het einde van de oorlog, die in Europa nog tot mei zou duren. Een deel van de verzetsmensen, vooral natuurlijk van de KP, traden toe tot het leger, werden geformeerd tot de Stoottroepen en namen zo nog in militair verband deel aan het verslaan van de nazi’s.

Lou de Jong schrijft: „Er waren in Maastricht onder de illegale werkers velen wier hartewens het was aan de Geallieerde militaire operaties te kunnen deelnemen. Die wens leefde vooral bij de leden van de Knokploegen. Hoe konden zij ingeschakeld worden? Ter bespreking van die vraag begaf de districts-sabotage-commandant van de KP, B.J.C. (’Bep’) van Kooten, zich op 17 of 18 september naar het hoofdkwartier van prins Bernhard.“


 Prins Bernhard en Bep Van Kooten

...
„Op 19 september was deze in Maastricht terug waar hij onmiddellijk met het recruteren begon, trots op het feit dat hij, een KP’er, en niet een OD’er of RVV’er de zo belangrijke commandantsfunctie in de wacht had kunnen slepen.“
http://de.scribd.com/doc/75776692/Het-Koninkrijk-der-Nederlanden-in-de-Tweede-Wereldoorlog-Deel-10a-2e-helft, blz. 30 (556)

Op 20 september verschijnt Bep van Kooten bij zijn verzetscollega „Paul“ en deelt mede, dat de verzetsmensen zich verzamelen in de Koninklijke Stoottroepen en verzoekt „Paul“ daartoe zijn medewerking te verlenen. „Paul“ maakt er trots reclame voor bij de L.O.-leden.

Bep van Kooten, die tijdens zijn reis naar Brussel door de opperbevelhebber van het nieuwe Nederlandse leger, Prins Bernhard, tot commandant van de Limburgse Stoottroepen is benoemd, stelt „Paul“ aan tot officier voor personeelszaken. Zo neemt „Paul“ niet alleen de reclame op zich, hij is nu ook voor de aanwerving van nieuwe soldaten verantwoordelijk. Als man van het bedrijfsleven kent hij het klappen van de zweep.


Officiersaanstelling Pierre Schunck Stoottroepen

Nederl. Binnenl.Strijdkrachten
Stoottroepen
Commandant Limburg
--------------------

Te Velde, 17 November 1944

Tot officier voor personeelszaken wordt door mij benoemd:
P.J.A. Schun[c]k, Identiteitsbewijs no1918.
Degenen van wie hij de medewerking vraagt in zaken welke
onder hem ressorteeren, te weten alle persoonlijke aangelegenheden
van de manschappen der Stoottroepen, met uitzondering van bewapening
verzorging en soldij, worden verzocht hem deze te verleenen.
Zijn werkterrein omvat alle in Limburg opgestelde troepen.

De Commandant Limburg
[was getekend: B. van Kooten]

En zo geschiedt.
Aanmeldingen komen binnen, lijsten worden opgesteld, controles uitgevoerd, noodzakelijke inlichtingen verstrekt, geschikte verblijf- en werkruimten gezocht, een garage voor vervoer en onderhoud aanbevolen! Resultaten zijn o.a. Huize Philips en Oranjehof. Het contact met de bevrijders is O.K. en bestaat tot heden! (Een levenslange vriendschap verbond hem met Bob Hilleque uit Chicago, lid van de „Old Hickory“ divisie, die Valkenburg bevrijdde.)

Rechts: Posities van de Stoottroepen langs het front, midden januari 1945


Veteranennaar boventerug



Bob Hilleque & Pierre Schunck

In September 1984 bezocht een aantal voormalige leden van de Old Hickory divisie Europa en kwamen ook naar Valkenburg. Bericht van het Limburgs Dagblad van 21-09-1984:
Vanmorgen zijn ze vertrokken. Richting Schiphol en vervolgens de States. Terug naar huis. Zeventien dagen nadat zij in „America” begonnen waren aan een – wat toen nog heette – een bezoek aan veertig jaren bevrijd Maastricht en Zuid Limburg. Een „visit” dat echter uitgroeide tot een op vele momenten indrukwekkende, ontroerende en soms naar de keel grijpende pelgrimage. Of, zoals EDWARD ClUCEVICH uit Savannah in Georgia het uitdrukte: „Een tocht die oude wonden opentrok, bestaande vriendschappen versterkte en nieuwe smeedde. Onvergetelijk! Ik ben dankbaar dat ik er bij ben geweest…”. Er bij. In Nederland, in Frankrijk, in België. In West-Duitsland óók. Maar bovenal in Limburg. Vanmorgen zijn ze vertrokken.
Vermoeid, boordevol indrukken. Een tikkeltje verdrietig én een beetje blij. De een, BUSTER SIMMONS uit Burlington in North Carolina, met een frivolité in zijn bagage. Geschenk van MARIA „IEKE“ SONNENSCHEIN uit Heerlen voor Bessie-May, Busters vrouw. De ander, EDWARD MELNAR uit Ventura in Californië, met bij Bon Goût in Maastricht gekochte peperkoeken met gember. Om maar iets te noemen… Vóór ze vertrokken namen ze (opnieuw) afscheid van vele Limburgers. Zoals EARL DEARBORN uit Plymouth, van THEO DOLS uit Heerlen. De Yank en de Limburger hebben destijds samen gevochten. Zijn vrienden gebleven. Evenals hun echtgenotes, MARlON en GEERTJE, dat thans zijn. Zoals ROBERT HILLEQUE uit Franklin Park in Illinois van PIERRE SCHUNCK uit Schaesberg. Veertig jaren geleden, op 14 september’44, leidde Pierre Schunck een Old Hickory—stoottroepje (in een stuk of wat open jeeps met machinegeweren) vanaf de Daelhemmerweg bij Sibbe naar het Grendelplein, onder de Grendelpoort, naar de Muntstraat en verder Valkenburg in. Gids Schunck zat op de motorkap van de eerste jeep. Achter hem enkele Yanks. Eén van hen: Robert Hilleque. Pierre Schunck zag hem enkele dagen geleden in Hotel Voncken in Valkenburg terug. Op de Kerkraadse markt voor d’r Joep heeft fotograaf Theo Gijzen ze later vereeuwigd. Herinneringen, (her-)ontmoetingen, emoties, verhalen...

Bob Hilleque
Bob Hilleque
Paintings celebrating the Old Hickory
Paintings celebrating the Old Hickory
Letter from Bob & Marie Hilleqe
Letter from Bob & Marie Hilleqe
Happy Birthday from Marie & Bob
Happy Birthday from Marie & Bob

Het „Voormalig Verzet“

Ook voor de oud-verzetsmensen bleef de oorlog voor de rest van hun leven in alle opzichten een unieke herinnering. Velen hebben die tijd overleefd, maar hielden er een posttraumatische stressstoornis of erger aan over. De meesten, ook degenen die hem beter hadden kunnen verwerken, hadden nadien behoefte aan blijvend contact. Men ontmoette elkaar tenminste een keer per jaar bij herdenkingsbijeenkomsten bij het Provinciaal Verzetsmonument aan de Cauberg. Hier voelt men zich zich ook verenigd met de gesneuvelde verzetsmensen, waarvan de namen in brons aan de muren zijn aangebracht.


 Interieur Verzetskapel Cauberg 1958


Valkenburgse Gevallenen

F. A. (Frans) Cobbenhaegen, geboren 18-10-1921, ambtenaar PTT, ongehuwd, gearresteerd (datum onbekend) in Keulen wegens het smokkelen van brieven naar Nederland, overleden 20-12-1944 in het koncentratiekamp Buchenwald.
G. J. (Gerrit) van der Gronden, geboren 13-12-1895, chauffeur-monteur, gehuwd, verzorgde joodse onderduikers, gearresteerd 13-1-1942, overleden 2-1-1943 in koncentratiekamp Gross-Beeren.
Ch. J, (Charles) Nijst, geboren 5-3-1916, student, weigerde loyaliteitsverklaring te ondertekenen en dook onder, gearresteerd (datum onbekend) wegens het verspreiden van illegale lektuur, overleden 18-1-1944 in kamp Gross-Beeren.
J. J. (Jozef) Roks, geboren 21-5-1883, hotelhouder, ongehuwd, gearresteerd (datum onbekend) wegens het verspreiden van illegale lektuur, overleden 3-3-1944 in het koncentratiekamp Natzweiler.
Uit Hulsberg: F. G. (Frank) Smits, geboren 29-8-1919, juridisch student, weigerde loyaliteitsverklaring te ondertekenen en ging in verzetbeweging (bracht aktiviteiten van de Duitsers op nederlandse vliegvelden op kaart en gaf deze door aan de geallieerden), gearresteerd 12-8-1943 verdacht van samenzwering, na verblijf in diverse gevangenissen uiteindelijk door een speciale krijgsraad ter dood veroordeeld wegens verboden wapenbezit, gefusilleerd 4-4-1944 te Utrecht.

Limburgs Dagblad, Dinsdag 24 januari 1956
ROERMOND, 23 jan. (Limb. pers)
Een kleine tweehonderd Limburgse verzetsstrijders hebben in het Harmoniepaviljoen te Roermond een afdeling Limburg van de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet in Nederland opgericht. Tot voorzitter van deze afdeling werd bij acclamatie de heer Jac. Crasborn uit Heerlen, die de vergadering ook presideerde, benoemd. De afdeling zal bestaan uit drie secties; noord, midden en zuid.
In de sectiebesturen werden gekozen voor noord de heren Harrie Hanssen, Venray; Sef Mulders, Venlo en Leo Jans Venlo. Midden: de heren Gérard van Appeven, Roermond; Jan Hobus, Roermond en Sjef de Groot, Heerlen. Zuid: de heren Giel Bensen, Heerlen; Pierre Schunck, Heerlen (moet zijn: Valkenburg) en Theo Goossens, Kerkrade. De leden van de sectiebesturen vormen samen het afdelingsbestuur. De heren Sjef de Groot en Harrie Hanssen hebben als lid van het nationale hoofdbestuur zitting in de sectiebesturen. In dezelfde kwaliteit zal de heer Crasborn aan het sectiebestuur van de sectie zuid worden toegevoegd. Aan de vergadering in het Harmoniepaviljoen, welke ook werd bijgewoond door het Tweede Kamer-lid, Jan Peters uit Roosteren, was een kranslegging bij het verzetsmonument op het Zwartbroekplein voorafgegaan.
Tijdens zijn toespraak in het paviljoen zeide de heer Crasborn, dat er ook in de huidige tijd nog diverse taken voor de ex-verzetsstrijders open liggen. Hij noemde o.a. het herdenken van de gevallenen, het verlenen van morele steun aan de nabestaande betrekkingen en de regering wijzen op toestanden, die ’n gevaar kunnen opleveren voor de vrede zoals neo fascistische stromingen, concentratiekampsystemen en communisme. „Bijzonder ten aanzien van de hedendaagse jeugd is een zeer aparte taak voor ons weggelegd“ zeide de heer Crasborn. „De jeugd van vandaag moet de vrijheid leren waarderen en positief durven te zijn en niet negatief“. De heer Crasborn wees er nog op, dat bij de nieuwe krachtsbundeling in 't voormalig verzet andere beweegredenen golden dan te willen teren op oude glorie.
De afdeling Limburg had na de toespraak van de heer Crasborn een zeer voorspoedige geboorte. De vergadering werd bijgewoond door enkele hoofdbestuursleden van de Nationale Federatie en door afvaardigingen van Expogé (http://www.historien.nl/de-geest-van-het-verzet/) en het verzet in Nijmegen en Rotterdam. De Nijmeegse delegatie trad na afloop van de bespreking met het sectiebestuur van noord in contact teneinde een voorlopige aansluiting van de Nijmeegse groep bij Limburg noord te bewerkstelligen.


Stichting 40-45

Complete naam „Stichting Herdenking der gevallenen van het verzet in Limburg 194O-1945“
De afdeling Limburg werd opgericht op 8 juli 1953.
Hier vindt u de eerste pagina van een update van de statuten.

De Volkskrant schreef op 27 april 2010 over de landelijke organisatie:

Voormalig verzet heft zichzelf op

AMSTERDAM De Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland (NFR/VVN), in 1947 opgericht, heft zichzelf eind juni op. De organisatie heeft nog maar 300 leden, met een gemiddelde leeftijd van 89 jaar…

De NFR/VVN is een federatie van lokale verenigingen van oud-verzetsstrijders. De raad zet zich in voor de belangen van oud-verzetsdeelnemers en hun nabestaanden, alsmede voor ‘een blijvende en waardige herdenking van de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog’. Ooit had de organisatie meer dan tweeduizend leden. De belangrijkste doelstelling van de NFR/VVN is het levend houden en uitdragen van de vrijheidsidealen die de verzetsmensen in de Tweede Wereldoorlog bezielden.

                                                 eerste blad

Heden, de achttiende juli  ---------------------------------
negentienhonderd negen en zeventig, verschenen voor mij, ---
Maria Joseph Gulielmus Henricus Stassen, notaris ter stand-
plaats Valkenburg, gemeente Valkenburg-Houthem: ------------
1. de Heer Jacobus Renier Peter Crasborn, zonder beroep, ---
   wonende te Heerlen; en ----------------------------------
2. de Heer Maria Joseph Arthur Sluijsmans, secretaris van de
   Gemeente Valkenburg-Houthem, wonende te Valkenburg-Houthem,
ten deze volgens hun verklaring handelende respectievelijk -
als voorzitter en secretaris van het Algemeen- en Dagelijks
Bestuur van de stichting; genaamd: Stichting Herdenking der
gevallenen van het verzet in Limburg 194O-1945, gevestigd te
Valkenburg-Houthem, ----------------------------------------
welke stichting werd opgericht bij akte op acht juli negen-
tienhonderd drie en vijftig voor de destijds te Valkenburg
gevestigde notaris P.H.F. Roebroeck verleden, en wier statu-
ten gedeeltelijk werden gewijzigd bij akte op twee oktober
negentienhonderd zes en vijftig voor de destijds te Valken-
burg gevestigde notaris G.P.J.H. Smeets verleden. ----------
De komparanten verklaarden:
- dat in een speciaal daartoe belegde vergadering van het --
  Bestuur van genoemde stichting, gehouden te Valkenburg-
  Houthem op tien september negentienhonderd acht en zeventig,
  overeenkomstig artikel 16 der statuten met de aldaar ver-
  eiste meerderheid van stemmen van de ter vergadering aan-
  wezige bestuursleden is besloten de bestaande statuten te
  wijzigen; -------------------------
- dat, overeenkomstig artikel 11 der statuten, de voorzitter
  belast is met de uitvoering van de besluiten van het Alge-
  meen Bestuur en samen met de secretaris namens het Bestuur
  alle akten en verbintenissen ten name der stichting tekent.
De komparanten, handelend als gemeld, verklaarden thans ter
uitvoering van het voormeld bestuursbesluit de statuten van
de voormelde stichting geheel te wijzigen, zodat deze thans
komen te luiden als volgt: ---------------------------------
- - - - - - - - - - - S T A T U T E N: - - - - - - - - - - -
- - - - - - - - - - NAAM, ZETEL en DUUR: - - - - - - - - - -
------------------------ Artikel 1. ------------------------
De stichting draagt de naam: "Stichting Herdenking der geval-
lenen van het verzet in Limburg 1940-1945". ----------------
Zij is gevestigd te Valkenburg-Houthem. ---------
De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd. ------------
- - - - - - - - - - - - - - DOEL: - - - - - - - - - - - - - -
------------------------ Artikel 2. ------------------------
De stichting heeft ten doel: het mogelijk maken en doen hou-
den van een jaarlijkse herdenking van de gevallenen van het
verzet negentienhonderd veertig-negentienhonderd vijf en ---
veertig in Limburg bij het monument der gevallen verzetslie-
den aan de Cauberg te Valkenburg-Houthem, gelegen op een ---
gedeelte van het perceel, kadastraal bekend Gemeente Valken-
burg, sectie B, nummer 2545 en wel bij voorkeur in de maand
september. -------------------------------------------------
Zij tracht dit doel te bereiken door het inzamelen der nodi-
ge gelden bij de gemeentebesturen in wier gemeenten de geval-
len verzetslieden woonachtig waren en zo nodig ook bij andere
zedelijke lichamen  en natuurlijke personen. ----------------
- - - - - - - - - - - - - VERMOGEN: - - - - - - - - - - - - -

De dood van een oud-verzetsmannaar boventerug

Uit de afscheidstoespraak van Theo „Harry“ Goossen bij de uitvaartplechtigheid van „Paul“:

Mevrouw Schunck, kinderen, uw gezin, kleinkinderen, familie. De Verzetsmensen en Stoottroepers hier aanwezig, wensen ook namens hen, die om gemotiveerde redenen niet aanwezig kunnen zijn, hun dankbaarheid tot uiting te brengen, jegens „Paul“ Pierre Schunck:
  • voor zijn daadwerkelijke inzet voor de herwinning van de vrijheid.
  • voor zijn grote betrokkenheid en oprechte zorgzaamheid
  • voor zijn bijzondere kameraadschappelijke houding
  • en dit alles met ZIJN inzet voor God, Koningin en Vaderland!!.

Mevrouw Schunck, kinderen en kleinkinderen, afscheid nemen doet pijn.
... de HEEL VELE goede herinneringen zullen u sterken!!
Verzetscollega’s en stoottroepers, wij nemen afscheid van een goede kameraad.
„Paul“ : rust dan - in verdiende vrede!

Op eervolle wijze nemen wij afscheid en zingen het Wilhelmus:
1. Wilhelmus van Nassouwe
6. Mijn schildt en mijn betrouwen

„Harry“, Theo Goossen


Verzetsherdenkingskruis

Limburgs Dagblad, dinsdag 9 februari 1993 Pagina 13
Afgelopen zaterdag werd Pierre Schunck op het kerkhof aan de Cauberg in Valkenburg begraven. Op bijna 87-jarige leeftijd is hij in het ziekenhuis van Kerkrade overleden. Zijn levensavond bracht hij door in Schaesberg. Maar zijn hart was zijn leven lang in Valkenburg. Hij was er niet alleen mede-oprichter, oud-voorzitter en erebestuurslid van de plaatselijke openbare bibliotheek, oud-voorzitter en ere-voorzitter van Harmonie Kurkapel Falcobergia, maar ook jarenlang Commissaris van Valkenburg Omhoog. Zijn naam zal echter vooral bekend blijven als lid van de verzetsbeweging in de oorlogsjaren. In zijn wasserij, een beetje excentrisch gelegen in de Plenkert, werden heel wat illegale „transacties“ afgesloten en werden vele onderduikers aan een veilige plek geholpen.
...

Om zijn heldhaftige rol als verzetsstrijder werd aan Pierre Schunck het Verzetsherdenkingskruis toegekend. Dat hij op het kerkhof aan de Cauberg is begraven heeft een symbolische betekenis. In de grotten die onder en naast het kerkhof liggen hield Schunck zich zelf geruime tijd schuil. Daar hadden ook andere verzetsstrijders een veilig onderkomen. (Er zaten onderduikers en ook verzetsmensen in een grot in Geulhem, en die behoorde toe aan Pauls vader. Maar zelf is hij nooit ondergedoken geweest.)
Een van de Amerikaanse soldaten die als eerste Valkenburg bevrijdde en meereed in de jeep waarop Pierre Schunck destijds zat (zie boven), was speciaal vanuit Chicago overgekomen om de begrafenis bij te wonen. De thans (9 februari 1993) 66-jarige Bob Hilleque is de enige van de A-compagnie, 1e bataljon, 119de regiment, 30e Divisie (Old Hickory), die de oorlog heeft overleefd. (Inmiddels is ook Bob gestorven)
Hij behoorde tot de 30th US Infantry Division Old Hickory



In zo een tijd te leven …

Een muzikale ode aan het verzet. Dat is het thema van het nieuwste werk van kunstenaar, componist en muzikant Tom America (Heerlen 1949). Centraal staat het verhaal van Pierre Schunck (1906-1993) en een groep gelijkgestemden die tijdens de Tweede Wereldoorlog een succesvolle verzetsgroep vormden. Maar de boodschap is universeel
Bron: provinciale uitgave van De Limburger van woensdag 10-09-2014
Première van „In zo een tijd te leven“ op 16 september 2014, de vooravond van de dag waarop Valkenburg 70 jaar geleden bevrijd werd, in Valkenburg.

Resumee van Cammaertnaar boventerug

Hoe moet het Limburgs verzet, in het bijzonder de katholiek-humanitaire hoofdcomponent ervan, worden beschouwd in landelijk perspectief? Niettegenstaande de grotendeels zelfstandige ontwikkeling die Limburg te zien gaf, waren veel hulpverleningsorganisaties in den lande voor de afvoer van hun vluchtelingen aangewezen op de Limburgse netwerken, netwerken met een internationaal karakter die vanuit deze provincie waren opgebouwd of aansloten op andere in België, Frankrijk en zelfs Duitsland en eindigden in Zwitserland of Spanje. Individuele vluchtelingen, Engelandgangers, diverse inlichtingendiensten en andere landelijke verzetsorganisaties maakten er eveneens gebruik van. De provincie fungeerde niet alleen als transitogebied voor vluchtelingen, ze konden er ook terecht. Limburg bood ruimte en verschillende verzorgingsgroepen maakten er steeds vaker gebruik van. Confessie speelde bij dit alles geen doorslaggevende rol. De betekenis en invloed van Limburg op landelijk niveau was met andere woorden vooral merkbaar op het terrein waar de provinciale ontwikkeling het verst was voortgeschreden, het geweldloos humanitair verzet en de daarbij passende werkwijzen en verbindingen. Daar lagen zowel de intrinsieke kracht als de specifieke waarde van de Limburgse illegaliteit.

Bronnennaar boventerug

Deze tekst is een mozaïek van aanhalingen uit de verschillende bronnen die ik hierover heb, want ze vertellen verschillende delen van deze geschiedenis, soms het zelfde verhaal, maar ze zijn dan complementair. Hier en daar met een verbindend commentaar uit eigen koker. Een belangrijke plaats wordt ingenomen door gescande teksten die Pierre Schunck na de oorlog zelf heeft geschreven. Complete bladzijdes uit zijn memoires zien uit als geschreven met de schrijfmachine. Want dat was het in die gevallen ook. De bijbehorende scans vind je direct ernaast, als miniatuur. Klik erop voor een vergroting.
Bovendien heb ik opgeschreven waaraan wij, zijn kinderen, ons uit zijn verhalen nog kunnen herinneren.
Aan de kleur van de kantlijn voor de citaten ziet u in een oogopslag waar ze vandaan komen. Wanneer u met de muis over een citaat gaat, verschijnt de bron als „tiptekst“. (Werkt niet op mobiele apparaten.) Letterlijke citaatblokken uit interviews hebben een donkerder achtergrond (niet in de printversie) en hebben een bredere linker marge. Hier volgt een opsomming van deze bronnen, met links, zodat u desgewenst de originelen kunt lezen.

  • Teksten, die Pierre Schunck zelf heeft geschreven en uit zijn privéarchief komen, zien er meestal uit als geschreven met een oude schrijfmachine. En zo was dat dan ook. Maar ook als ze met de hand geschreven zijn, herken je ze aan de oranje lijn in de marge.
  • Vooral de begintijd van de oorlog staat in het interview uit het Auschwitz Bulletin, 1980, nr. 01 Januari van het Nederlands Auschwitz Comité, getiteld „Je koos niet voor het verzet“. Inderdaad, hij kon niet anders.
    Het artikel is gebaseerd op teksten die Pierre Schunck na de oorlog heeft geschreven, maar een journalist heeft ze hier en daar bijwerkt en details zoals namen weggelaten. Daarom heb meestal ik de originelen gebruikt, maar ook omdat ze zo zijn geschreven als hij sprak.
  • Bij het NIOD (Nederlands Instutuut voor Oorlogs-Documentatie) ligt een interview, dat ik in een slecht gescande vorm toegezonden heb gekregen. Het bestrijkt vooral de geschiedenis van de L.O. in Valkenburg. Ik heb het uitgetypt en het resultaat vindt u ook op deze site.
  • De geschiedenis von Valkenburg-Houthem: Lang na de oorlog hebben onze ouders ieder van de kinderen een boek cadeau gedaan, aan de totstandkoming waarvan mijn vader, de verzetsman „Paul Simons“, heeft meegewerkt voor wat betreft verzet en bevrijding in Valkenburg. Omdat dit boek is uitverkocht en de uitgeverij niet meer bestaat, weet ik niet wie ik om toestemming moet vragen voor de afdruk van dit hoofdstuk.
    Titel:             Geschiedenis van Valkenburg-Houthem
    Auteurs:           H.J.H. Schurgers - J.G.M. Notten
                       L.G.W.N. Pluymaekers
    Uitgever:          Het land van Valkenburg
    Jaar van uitgave:  1979
    ISBN:              90-6190-017-4
  • Ook het proefschrift „Het verborgen front / Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog“ door A.P.M. Cammaert is een belangrijke bron. Een engels uittreksel met daaronder links naar de hoofdstukken van het origineel.
    Zie ook het hoofdstuk VIII.5.8. Valkenburg
    Het verborgen front, Citaten uit dit boek.
  • Jan (Jules) van Betuw, een medestrijder van mijn ouders sprak me op de begrafenis van mijn moeder aan. Hij had een onthutsend gesprek met mijn moeder opgeschreven. Het gaat over de belevenissen van het oude Joodse echtpaar Soesmann, en hoe zich de Nederlandse staat en individuele burgers aan hun erfenis hebben vergrepen. Dit verhaal is verder boven in deze tekst in zijn geheel geciteerd.
  • Vanuit Australië kreeg ik een reactie, die u hier in het Nederlands kunt lezen. Over Coen Grotaers - één van de velen
  • „Harry“, verzetsnaam van Theo Goossen, heeft tijdens de uitvaart van zijn medestrijder „Paul“ een afscheidsrede gehouden, waarin hij vooral over het einde van de oorlog vertelt. Th.J.M. Goossen was rayonhoofd van Kerkrade en bekommerde zich vooral om de externe betrekkingen van het district. Zijn verbindingen en ervaringen brachten Goossen er medio juni 1944 toe een inlichtingendienst (I.D., Informatie Dienst) op te zetten, die ten dienste stond van alle verzetsorganisaties in de regio. De eerste en voornaamste taak van de I.D. was de bescherming van de illegale werkers. Daarnaast verzamelde de dienst militaire inlichtingen. Sinds de geallieerde landing op de Normandische kust begin juni was het belang van zulke inlichtingen nog meer toegenomen.
  • Biografische details van Pierre J.A. Schunck Pierre Joseph Arnold Schunck

naar boven