Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk VIa

De landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers


I. Voorgeschiedenis

I.1. De houding en rol van de r.-k.-Kerk in Nederland 1940-1943

Ondanks de ferme en standvastige houding van de katholieke Kerk in Nederland ten opzichte van het nationaal-socialisme in de jaren dertig, ontstond in de maanden na de Duitse inval in leidende kringen van de Kerk enige verwarring. Op grond van geruststellende verklaringen van rijkscommissaris Seyss-Inquart en het uitzicht op een mogelijke invoering van het Portugees corporatief model, gekoppeld aan het gedachtengoed zoals vervat in de encycliek Quadragesimo Anno, kwamen sommige kerkelijke prelaten en adviseurs van het episcopaat tot de slotsom, dat het katholieke volksdeel een tegemoetkomende houding jegens de bezetter paste. Diezelfde gedachte leefde overigens ook bij een deel van de katholieke werkgevers en werknemers. Er bestond een neiging tot inschikkelijkheid. 1] De hoogbejaarde bisschoppen van ’s-Hertogenbosch en Breda, A.F. Diepen en P. Hopmans, gingen nog een stapje verder en spraken hun twijfel uit over de mandementen van 1934 en 1936. 2] Noch op de houding, noch op het gedrag van de bezetter viel aanvankelijk iets aan te merken; het was overwegend correct.
De meer radicale vleugel, onder aanvoering van aartsbisschop J. de Jong, voelde niets voor een tegemoetkomende, naar collaboratie riekende houding. “Ik wil geen tweede Innitzer zijn”, verklaarde een geïrriteerde aartsbisschop kort na de Duitse inval, doelend op de hartelijke verwelkoming van Hitler door de Weense kardinaal Th. Innitzer na de Anschluß van Oostenrijk in maart 1938. 3] Vooralsnog gaf De Jong er de voorkeur aan niet voor te gaan in de strijd tegen de bezetter. Wellicht werd hij in die positie gedrongen, omdat er geen eensgezindheid bestond in het episcopaat en het college van adviseurs.
In de lente en zomer van 1940 trachtte het episcopaat de gelovigen een hart onder de riem te steken door in enkele herderlijke brieven op de diep gewortelde christelijke en morele waarden in te gaan en daarmee het nationaal bewustzijn te benadrukken. Aldus werd een handreiking naar de bezetter vermeden. 4] De bisschoppen pleitten voor eendracht en nationale saamhorigheid. Dat mocht echter niet ten koste gaan van het moeizaam tot stand gebrachte katholieke organisatie-apparaat. De in de zomer van 1940 opgerichte Nederlandsche Unie, die vooral beschouwd werd als een tegenhanger van de N.S.B., spon er garen bij: de beweging verwierf onder het katholieke bevolkingsdeel, vooral in Noord-Brabant en Limburg, een overweldigende aanhang. 5]
In een resolutie van 22 november 1940 stelden zes katholieke standsorganisaties een gezamenlijke richtlijn vast: het was de leden verboden het lidmaatschap van de N.S.B. te combineren met dat van een van deze zes organisaties. Daarmee namen de zes een radicaler standpunt in dan de bisschoppen in 1936. Het gewone lidmaatschap van de N.S.B. werd nu op grond van de huidige omstandigheden, in tegenstelling tot 1936, als belangrijke steun aan de N.S.B. beschouwd en derhalve verboden. Voorts stond in de resolutie dat het in de gegeven omstandigheden beter was de strijd met vaderlandse argumenten te voeren en de Kerk er niet in te betrekken. 6] Aartsbisschop De Jong beschouwde dat laatste als een misvatting. Nog dezelfde maand stelde hij de kwestie rond het N.S.B.-lidmaatschap opnieuw aan de orde en in december legde hij het probleem voor aan twaalf moraaltheologen. Ofschoon de twaalf het niet eens konden worden over een aanscherping van het mandement van 1936, zette De Jong door en stelde hij een herderlijke brief en een priesterinstructie op. Een gezamenlijke conferentie van de moraaltheologen en de bisschoppen op 16 december 1940 aanvaardde De Jongs nieuwe richtlijnen.7] Op 13 januari 1941 volgde de publikatie van de brief en de instructie. Naast een veroordeling van socialisme en communisme schonk het mandement veel aandacht aan het nationaal-socialisme. Het lidmaatschap van de N.S.B. heette voortaan in hoge mate ongeoorloofd en aan N.S.B.-ers, leden van de W.A. en de Nederlandsche S.S. zouden voortaan de sacramenten worden geweigerd. Slechts als er sprake was van dwang, mocht iemand lid van de beweging zijn, maar dat moest eerst diepgaand onderzocht worden. Voorts was het verboden propaganda te maken voor de N.S.B., de beweging moreel of financieel te ondersteunen, N.S.B.-geschriften te lezen of N.S.B.-vergaderingen bij te wonen. In de priesterinstructie werden de bepalingen tot in detail uitgewerkt. 8] De N.S.B. en de bezettende autoriteiten reageerden woedend. N.S.B.-ers in de Nederlands-Duitse grensstreek omzeilden de sancties door zich in een Duits bisdom de sacramenten te laten toedienen. De bisschop van Münster, Graf C.A. von Galen, liet op 15 maart 1941 weten hier tegen te zijn. 9] In de “Meldungen aus den Niederlanden”, een wekelijks bericht aan het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn, stond dat de herderlijke brief “eine offene Kampfansage an den Nationalsozialismus” inhield. 10] De bezettingsautoriteiten namen tegenmaatregelen. Verscheidene katholieke bladen die de herderlijke brief hadden gepubliceerd werden beboet. Twee bladen kregen een verschijningsverbod. In Roermond vorderde de Wehrmacht het gebouw van het groot-seminarie. Katholieke geestelijke leerkrachten werden aanzienlijk gekort op hun salaris en konden niet langer aangesteld worden in leidinggevende onderwijsfuncties. 11] Protesten mochten niet baten. Herhaaldelijk kwam het tot nieuwe botsingen tussen het episcopaat en de (collaborerende) autoriteiten. Het betrof vooral terreinen waar een aantasting van de katholieke organisaties, zoals het katholiek bijzonder onderwijs, dreigde. Door hun onbuigzame opstelling tegen nazificatiepogingen en door het gebruik van de scholen voor propaganda-doeleinden zonder meer van de hand te wijzen - de bisschoppen dreigden met een herleving van de schoolstrijd en zelfs met sluiting van de scholen - kreeg de collaborerende overheid nauwelijks greep op het katholiek onderwijs. 12]
De maatschappelijke machtspositie van de katholieke Kerk was de bezetter een doorn in het oog. Haar sociale, culturele en alle overige niet-commerciële organisaties kwamen vanaf 1941 onder vuur te liggen. Hierdoor zag de leiding van de r.-k.-Kerk zich genoodzaakt een defensieve en zelfbeschermende houding aan te nemen, die stoelde op ideologische en theologische argumenten alsook op de feitelijke ontwikkelingen. Deze verzetsattitude miste haar uitwerking op de gelovigen niet, vooral niet op de eerste illegale werkers uit geestelijke en lekenkring. 13] De benoeming van de N.S.B.-er H.J. Woudenberg tot leider van het R.-K. Werkliedenverbond (R.K.W.V.), eind juli 1941, liep uit op een fiasco. Het episcopaat had vooraf de stemming onder de arbeiders laten peilen en reageerde prompt door in een herderlijke brief van 25 juli te verklaren dat het R.K.W.V. voortaan als een mantelorganisatie van de N.S.B. moest worden beschouwd en het lidmaatschap verboden was op straffe van weigering van de sacramenten.
Bovendien greep aartsbisschop De Jong deze gelegenheid aan om te wijzen op “het velerlei onrecht dat ons als katholieken de laatste maanden is aangedaan”. Daarmee doelde hij op het muilkorven van de katholieke media, de opheffing van talrijke katholieke organisaties en verenigingen en de sancties tegen geestelijken in het onderwijs. Voorts stond in de brief: “Het is duidelijk, dat een katholieke vereeniging niet kan staan onder het bestuur van menschen, wier geesteshouding lijnrecht in strijd is met de katholieke levensopvatting en wier toeleg het is deze geesteshouding ook in de onder hen staande organisaties te propageeren. Zij houdt daardoor op een katholieke vereeniging te zijn. Doch dit niet alleen. Het Werkliedenverbond wordt in dienst gesteld van de Nationaal-Socialistische Beweging, het wordt feitelijk een van haar organisaties. Katholieken mogen er dus geen lid meer van blijven. Tot nu toe was het lidmaatschap van de z.g. mantelorganisaties der Nationaal-Socialistische Beweging wel verboden, maar werden de sacramenten nog niet zonder meer geweigerd. De toestand heeft zich echter in dien zin ontwikkeld, dat het lidmaatschap van die mantelorganisaties even ongeoorloofd moet worden geacht als het lidmaatschap van de Nationaal-Socialistische Beweging. Daarom moet aan degenen, die lid zouden blijven van een der organisaties, aangesloten bij het Werkliedenverbond in zijn nieuwe gedaante, evenals aan de leden van alle andere mantelorganisaties der Nationaal-Socialistische Beweging, zooals bv. het Medisch Front, het Rechtsfront, het Agrarisch Front, de Cultuurkring, de H.H. Sacramenten worden geweigerd”. De bezetter trachtte de publikatie van de brief te verhinderen. Het mocht niet baten. Op 3 augustus werd de brief in de kerken voorgelezen. Het gevolg was dat medio september 1941 96% van de R.K.W.V.-leden voor het lidmaatschap had bedankt. Woudenberg zag zich genoodzaakt het R.K.W.V. op te heffen. De uitgave van de Volkskrant, een aan het R.K.W.V. gelieerd blad, werd begin oktober 1941 gestaakt. Opgeheven werden eveneens het Katholiek Onderwijzersverbond in september 1941 en de boerenen tuindersorganisaties die in oktober 1941 onder leiding van de N.S.B.-er O.F.J. Damave waren gesteld. 14] Andere katholieke sociale verenigingen en organisaties volgden.
Op cultureel vlak spitste de strijd zich toe rond de K.R.O. en de katholieke pers. De bisschoppen hadden op 22 maart 1941 protest aangetekend tegen de ontbinding van de bestaande omroepen, tien dagen eerder. Als enige zendgemachtigde bestond sindsdien de Nederlandsche Rijksradio Omroep (N.R.O.), een genazificeerde omroep. Op 9 juni verbood het episcopaat geestelijken voor de N.R.O. te spreken. Katholieke leken werd het afgeraden. 15] Met betrekking tot de katholieke pers huldigden de bisschoppen een vergelijkbaar standpunt: de katholieke instellingen moesten vrij blijven van nationaal-socialistische invloeden. Desnoods werden ze opgeheven, met dien verstande dat de existentie en het leven van individuele katholieken zo min mogelijk in gevaar gebracht mochten worden. In 1940 en 1941 waren al maatregelen getroffen waardoor de journalistieke bewegingsruimte en de persvrijheid weinig of niets meer voorstelden. De Jong constateerde begin augustus 1941 dan ook dat er nauwelijks nog van katholieke kranten gesproken kon worden. Sommige directies van katholieke dagbladen bleken bereid tot vergaande concessies; anderen, zoals de leiding van “De Tijd”, overwogen de uitgave te staken. Onder het mom van papierschaarste werden met ingang van 18 augustus 1941 ruim vijftig katholieke tijdschriften opgeheven. Het werkelijke motief was dat de nazificatie van de onder kerkelijke hoede verschijnende periodieken was mislukt. Met ingang van 1 november 1942 werden de resterende parochiebladen opgeheven. 16]
De katholieke dagbladpers ontsnapte evenmin aan de drang tot nazificatie of “Gleichschaltung”. Tot begin december 1941 bestonden er weinig fricties tussen de katholieke pers en de N.S.B. met haar nevenorganisaties. Dat veranderde toen “De Tijd” en “De Gelderlander” een advertentie van het Opvoedersgilde van de N.S.B. weigerden op te nemen. Op 18 december gaf het departement van Volksvoorlichting en Kunsten te verstaan dat het afgelopen moest zijn met het weigeren van ingezonden mededelingen van N.S.B.-zijde door de katholieke pers. 17] De hoofdredacteur van de “Nieuwe Koerier” te Roermond, J. Thomassen, wendde zich tot bisschop Lemmens, die de zaak naar De Jong doorspeelde, omdat hij de voorkeur gaf aan een gemeenschappelijk standpunt. De aartsbisschop ontbood de adviseur van het R.-K. Journalisten Verbond, de 60-jarige karmeliet Titus Brandsma uit Nijmegen, op 27 december 1941 naar Utrecht om de aangelegenheid te bespreken. Brandsma, de animator van het verzet van de katholieke pers, zou de belangrijkste directies en hoofdredacteuren in den lande polsen en van de afwijzende houding van de bisschoppen met betrekking tot het opnemen van N.S.B.-mededelingen/advertenties op de hoogte brengen. De episcopale stellingname vervatte Brandsma in een brief van 31 december 1941. Op zijn tocht ondervond de strijdbare karmeliet naast bijval ook twijfel. Was het niet beter als de bisschoppen een herderlijke brief aan deze kwestie zouden wijden? Bisschop Lemmens toonde zich daar een voorstander van. Inmiddels hadden de autoriteiten van Brandsma’s rondreis en brief vernomen. Op 19 januari 1942 werd de karmeliet in Nijmegen gearresteerd. Hij kwam op 26 juli 1942 in het kamp Dachau om het leven.
Ofschoon het Rijkscommissariaat de zaak niet verder wilde laten escaleren, heerste er irritatie. Vooral bisschop Lemmens moest het ontgelden, maar arresteren durfde men hem kennelijk niet. In een van de “Meldungen aus den Niederlanden” van januari 1942 stond: “Een van de eerste leidende geestelijken die zich tegen de N.S.B.-annonces in de R.-K.-pers verzetten was bisschop Lemmens van Roermond. Zoals reeds herhaaldelijk benadrukt werd in de “Meldungen”, is Lemmens momenteel de actiefste en meest strijdbare kerkvorst in Nederland op wiens instigatie vele door de aartsbisschop onderschreven maatregelen tegen het nationaalsocialisme en de N.S.B. ontstaan zijn”.18]
Zoals gezegd kwam het niet tot een openlijk conflict. Aan Duitse zijde was al op 10 januari 1942 besloten vooralsnog geen N.S.B.-annonces aan te bieden en De Jong had een dag na de afkondiging van het verbod op 14 januari de affaire afgezwakt door erop te wijzen dat “bij het opnemen van berichten en verslagen van nationaal-socialistische zijde, waarvan de opname verplicht wordt gesteld, de bron moet worden aangegeven”. 19]
Onder leiding van de N.S.B.-er H.W. Müller-Lehning begon de ontbinding van honderden niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Nadat op 20 september 1940 was bepaald dat zulke organisaties geregistreerd moesten worden, ontving Müller-Lehning op 28 februari 1941 de bevoegdheid alle maatregelen van persoonlijke, financiële en organisatorische aard te treffen die voor een nieuwe ordening van het verenigings- en stichtingsleven noodzakelijk werden geacht. Op grond hiervan werden vanaf april 1941 bijna achthonderd katholieke organisaties ontbonden, waartoe vele jeugdverenigingen zoals de Verkennerij, de Jonge Wacht en de Jonge Werkman behoorden. Processies en allerlei andere activiteiten die zich buiten de muren van de kerk afspeelden werden verboden. Nogal willekeurig werden seminaries en kloosters in beslag genomen. Hoewel de Kerk aanvankelijk geen kwaad had bespeurd in een registratie, drong nu het besef door dat dit wel eens het einde van een breed scala aan activiteiten kon betekenen. Het vrije verenigingsleven dreigde op onaanvaardbare wijze te worden aangetast. De bisschoppen lieten weten dat de katholieke Kerk en haar zelfstandige instituties niet onder de verordening van 28 februari vielen: het waren formele onderdelen van de Kerk. Müller-Lehning bleek bereid deze zienswijze te accepteren, zodat talrijke in hun bestaan bedreigde verenigingen en stichtingen de geboden gelegenheid aangrepen om nòg steviger onder de vleugels van de Kerk te vluchten. Zo konden talrijke jeugdorganisaties en een belangrijk deel van het kader van het R.K.W.V. de activiteiten en werkzaamheden onder de dekmantel van de Katholieke Actie, het lekenapostolaat, voortzetten. 20]
In het verlengde van de strijd tegen de aantasting van de rooms-katholieke zuil lag het verzet tegen de nationaal-socialistische instellingen en organisaties. Nadat op 22 oktober 1940 de Winterhulp in het leven was geroepen - een organisatie naar Duits model voor materiële hulp aan en ondersteuning van behoeftigen - liet aartsbisschop De Jong zich ontvallen de nieuwe organisatie voor geen half procent te vertrouwen. 21] Naar aanleiding van het diezelfde maand ingestelde verbod op het houden van kerkcollectes gaf De Jong het hoofd van de Winterhulp, C. Piek, te verstaan dat de Kerk nooit enige medewerking zou verlenen als het haar door het verbod op openbare collectes onmogelijk werd gemaakt de eigen charitatieve, sociale en culturele werken in stand te houden. 22]
Op 30 december 1940 verzonden de bisschoppen een protestbrief waarna de maatregel werd opgeschort teneinde overleg mogelijk te maken. De dialoog leidde ertoe, dat met ingang van 28 juli 1941 collectes in kerken weer waren toegestaan.23] Dezelfde maand werd de Nederlandsche Volksdienst (N.V.D.) opgericht, een organisatie die nauw ging samenwerken met de Winterhulp. Meteen hadden de bisschoppen hun antwoord klaar: individuele katholieken en katholieke organisaties mochten noch met de Winterhulp, noch met de N.V.D. samenwerken. Om het monopolie van de N.V.D. te breken riepen de bisschoppen alternatieve organisaties in het leven. 24]
Een andere instelling die aanleiding gaf tot conflicten was de Nederlandsche Arbeidsdienst (N.A.D.). Hoewel aanvankelijk werd volstaan met het werven van vrijwilligers, volgde op 1 april 1942 de afkondiging van het arbeidsdienstplichtbesluit. Voortaan moest iedereen die een openbare betrekking ambieerde, zich als student wilde laten inschrijven of een examen wenste af te leggen, zijn arbeidsdienstplicht van een half jaar hebben vervuld. Verder liep iedereen tussen achttien en vierentwintig jaar, die niet of slechts voor een deel van de tijd in een zelfstandig beroep of bedrijf werkzaam was, de kans voor de arbeidsdienst te worden opgeroepen. Aangezien Seyss-Inquart al in juli 1941 had verklaard dat een arbeidsdienst slechts nationaal-socialistisch kon zijn, verhieven de bisschoppen op 10 april 1942 hun stem tegen de N.A.D. De organisatie was in hun ogen nationaal-socialistisch, zodat ze de katholieken met klem adviseerden er niet aan deel te nemen. Omdat met name de studenten het in de zomer van 1942 massaal lieten afweten, werd het arbeidsdienstplichtbesluit eind september van dat jaar uitgebreid tot een algemene arbeidsdienstplicht voor alle 18-jarigen. Het conflict escaleerde niet verder, omdat het hoofd van de N.A.D., luitenant-kolonel L.A.C. de Bock, de katholieken in zijn organisatie ruimte bood godsdienstige activiteiten te ontplooien. Herhaalde pogingen van Duitse zijde om de katholieke invloed in de N.A.D. in te dammen hadden een averechts effect: in de loop van 1944 verliet een aanzienlijk deel van het kader de dienst. Bij de gewone leden, maar ook bij het kader, was van een nationaal-socialistische beïnvloeding overigens weinig te merken geweest. 25]
Ten aanzien van de Landstand, een in oktober 1941 opgerichte nationaal-socialistische organisatie ter behartiging van de belangen van alle agrariërs, bepaalde het episcopaat, dat er geen actieve medewerking aan verleend mocht worden. Meer konden de bisschoppen niet doen, want elke boer was er automatisch lid van. 26]
De organisatie die de belangen van de culturele beroepsbeoefenaren behartigde, de in november 1941 opgerichte Kultuurkamer, vond evenmin genade in de ogen van het episcopaat. Het lidmaatschap werd de katholieken niet toegestaan, behalve als de broodwinning ermee in het geding kwam, maar dan moest het lidmaatschap zuiver passief blijven. 27]
Ten aanzien van de in december 1941 ingestelde Artsenkamer volgde het episcopaat eenzelfde lijn. De meeste artsen hadden trouwens weinig op met de Artsenkamer, vooral omdat de leider, de N.S.B.-er C.C.A. Croïn, de nationaal-socialistische rassen- en erfelijkheidsleer aanprees en de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt aangetast dreigde te worden door nationaal-socialistische bemoeienis. Op 15 september 1942 verplichtte Croïn alle artsen zich te melden bij de secretaris van de Artsenkamer. De bisschoppen verboden het. Veel artsen hadden zich inmiddels georganiseerd in het “Medisch Contact”, een beroepsgericht verzetsorgaan. Croïns plannen mislukten volkomen. In maart 1943 beboette Croïn een willekeurig aantal artsen voor hun halsstarrigheid waarop een ruime meerderheid van de Nederlandse artsen reageerde door afstand te doen van hun bevoegdheid tot uitoefening van het artsenberoep. Croïn haalde bakzeil en trok de boetes in. Niet veel later, in mei 1943, werd het de artsen verboden hun beroep neer te leggen of afstand te doen van hun titel. Ongeveer de helft van de Nederlandse medici antwoordde met de mededeling niets van doen te willen hebben met nationaal-socialistische maatregelen op medisch gebied. Teneinde het gezichtsverlies te beperken werden enkele honderden artsen korte tijd in Amersfoort geïnterneerd. Uiteindelijk kon het conflict in der minne worden geschikt. De Artsenkamer bleef wat het vanaf het begin was geweest: een doodgeboren kind. 28]
Door haar strijdbare houding slaagde de Kerk er in de eerste jaren van de bezetting in het katholieke volksdeel en het katholieke organisatie- en verenigingsleven te vrijwaren van nationaal-socialistische beïnvloeding. Die strijdbaarheid kwam voort uit een principiële afwijzing van het nationaal-socialisme op grond van godsdienstige motieven, waarbij kerkelijke belangen niet uit het oog werden verloren. De bisschoppen waren zelfs bereid de verdwijning van wezenlijke onderdelen van het katholieke organisatieleven en daarmee een deel van hun maatschappelijke invloed voor lief te nemen. Dit consequente beleid kon op de overwegende steun en instemming van het katholiek volksdeel rekenen.
Na de opheffing van talrijke katholieke organisaties en instellingen vond er in de loop van 1942 een geleidelijke verschuiving plaats in de stellingname van het episcopaat. Een meer algemeen-humanitaire en zedelijke benadering verving kerkelijke belangen en godsdienstige argumenten. 29] Dat hing samen met het beleid van de bezetter jegens de Nederlandse bevolking als geheel, waarvan zowel katholieken als andersdenkenden het slachtoffer dreigden te worden. Deze gewijzigde opstelling kwam onder meer tot uitdrukking in de houding van het episcopaat ten aanzien van de jodenvervolging, de verplichte tewerkstelling van arbeiders in Duitsland, maatregelen tegen de studenten en de terugvoering van militairen in krijgsgevangenschap.
Het waren de protestantse Kerken die als eersten openlijk protesteerden tegen de vroegste maatregelen tegen de joden. In november 1940 informeerden ze of het episcopaat zich bij het protest wilde aansluiten. Aartsbisschop De Jong was er weliswaar voorstander van, maar kon als primus inter pares niet namens het episcopaat spreken. Hij kon slechts zijn vier collegae raadplegen en hen trachten te overtuigen. Pas als er overeenstemming was bereikt kon De Jong iets doen. De bisschoppen van Haarlem en Roermond sloten zich bij het protest aan. Mgr. Lemmens schreef op 22 november 1940 aan De Jong: “Dat door de Protestantse Kerkgenootschappen zulk een stap gezet is, is ook zelfs in deze niet gemengde streken bekend en het wekte verwondering dat de Katholieke Kerk niet opkwam tegen het onrecht. Ik ben voor het zenden van een adres en wanneer enkele Hoogwaardige Excellenties tegen bekendmaking op de kansel bezwaren blijven hebben, dan moet het op andere wijze toch ter kennis van het volk komen dat ook de katholieke Bisschoppen onrecht onrecht durfden te noemen en er tegen op zijn gekomen. Als het feit aan de priesters (dekenen) overal bekend gemaakt wordt, komt de bevolking er ook van op de hoogte”. Met “andere Hoogwaardige Excellenties” doelde Lemmens op de bisschoppen van Breda en Den Bosch die bezwaar maakten tegen een openlijk protest, zodat een episcopaal protest vooralsnog uitbleef. 30]
Teneinde katholieke joden, die door het verlies van hun baan geen inkomsten meer hadden, tegemoet te komen werd op zondag 29 juni 1941 voor hen een afzonderlijke kerkcollecte gehouden. Kort daarna, in juli, volgden de maatregelen tegen het R.K.W.V., waarop het episcopaat besloot de nieuwe collecte te institutionaliseren en de naam “Fonds voor Bijzondere Nooden van het Episcopaat” te geven. 31] In een richtlijn van 8 augustus 1941 werd de instelling van het Fonds nader toegelicht: “De collecte is bestemd voor alle slachtoffers, die ten gevolge van de omstandigheden door een principieele katholieke houding in financieele moeilijkheden zijn gekomen. Op de preekstoel wordt over dit doel niet gesproken. De collecte kan niet anders geschieden dan in de kerk. Wat betreft het levendig houden der belangstelling voor deze collecte het volgende: de georganiseerden worden bewerkt door de eigen menschen, de overigen door de geestelijkheid. B.v. de eigen menschen vragen aan hun georganiseerden het bedrag, dat vroeger de contributie bedroeg, op de collecteschaal te doen. De geestelijkheid kan bijvoorbeeld de beter gesitueerden aansporen, de collecte heel bijzonder te gedenken. De R.-K. Werkgevers trachten gelden in te zamelen bij de niet-katholieke werkgevers (....). De distributie van de gelden geschiedt door een Commissie: de 5 Diocesane Adviseurs en enkele leeken (geheim ook voor de geestelijkheid). De uitkering geschiedt aan alle slachtoffers in het algemeen volgens deze maatstaf: aan gehuwden, tevens kostwinner, 70% van het salaris, plus één gulden per kind per week; aan de zelfstandiglevende ongehuwden 50%; aan in een gezin levende ongehuwden 40%”. 32] Met de instelling van het Fonds voor Bijzondere Nooden verschafte de katholieke Kerk zich een financieel zeer krachtig steunfonds. Vanaf januari 1942 gold als regel dat iedereen, die op grond van zijn of haar overtuiging schade leed, voor hulp van het Fonds in aanmerking kwam. Naderhand werden ook onderduikers en achtergebleven gezinnen door het Fonds financieel ondersteund. Tussen september 1941 en november 1944 brachten de collectes voor het steunfonds naar schatting vijftien miljoen gulden op. 33]
Eind augustus 1941 vaardigde het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming een decreet uit, waarin werd bepaald dat alle joden voortaan naar aparte scholen moesten. Aan het decreet was een verplichte opgave van joodse leerlingen gekoppeld. Op 11 september liet De Jong weten, dat hij niet van plan was uitvoering te geven aan de verordening en twee dagen later zond hij alle r.-k. scholen een instructie dat alles bij het oude moest blijven. 34]
Pogingen inzake het op elkaar afstemmen van de aan te nemen houding van de Nederlandse Kerken jegens de bezetter hadden eind 1940 nog schipbreuk geleden. Desondanks raakte de katholieke Kerk vanaf de tweede helft van 1941 nauwer betrokken bij het Interkerkelijk Overleg (I.K.O.). Op 31 oktober 1941 bracht de voorzitter van het I.K.O., prof. dr. P. Scholten, een bezoek aan de aartsbisschop. Bij die gelegenheid verklaarde De Jong zich bereid deel te nemen aan een gezamenlijke audiëntie van vertegenwoordigers van de belangrijkste Nederlandse kerkgenootschappen om bij de Duitse overheid te protesteren tegen de jodenvervolging. Hij had het protest liever ruimer en algemener gezien, maar de recente gebeurtenissen rond en maatregelen tegen de joden vereisten dat hieraan voorrang werd gegeven. De audiëntie vond plaats op 17 februari 1942. Wat de vertegenwoordigers van de Kerken ook naar voren brachten, Seyss-Inquart c.s. bleven onvermurwbaar: geen barmhartigheid, ook niet jegens de individuele jood; het “jodenvraagstuk” moest in zijn geheel worden opgelost. 35]
Kort daarop begon de systematische vervolging van de joden in Nederland. Op 11 juli 1942 verstuurden de gezamenlijke Kerken een telegram aan de bezettingsautoriteiten waarin ze fel protesteerden tegen de voorgenomen deportaties: “De hieronder vermelde Nederlandsche Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de Joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe maatregelen, waardoor mannen, vrouwen, kinderen en heele gezinnen zullen worden weggevoerd naar het Duitsche Rijksgebied en onderhoorigheden. Het leed, dat hiermede over tienduizenden gebracht wordt, de wetenschap, dat deze maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandsche volk strijden, en bovenal het indruischen dezer maatregelen tegen hetgeen van Godswege als eisch van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot U de dringende bede te richten aan deze maatregelen geen uitvoering te geven. Voor de Christenen onder de Joden wordt ons deze dringende bede tot U bovendien nog ingegeven door de overweging, dat hen door deze maatregelen het deelnemen aan het kerkelijk leven wordt afgesneden”. 36] Hoewel de Duitse autoriteiten erop aandrongen het telegram niet in de kerken voor te lezen vanwege het “vertrouwelijk” karakter, gebeurde dat toch. Op 2 augustus werden bijna tweehonderdvijftig katholieke joden opgepakt, van wie de meesten werden gedeporteerd, omdat volgens de Duitse autoriteiten de katholieke Kerk het meest had volhard in haar afwijzende houding. Aartsbisschop De Jong reageerde verontwaardigd. De bezettingsautoriteiten deden het ten onrechte voorkomen als zou van katholieke zijde de toezegging gedaan zijn af te zien van het voorlezen van het telegram. Trouwens, wat was er vertrouwelijk aan iets waarvan de bevolking al lang wist? Ondanks pogingen het noodlot van de gedeporteerden af te wenden, bleef Seyss-Inquart bij zijn eerder ingenomen standpunt. 37] De opstelling van het Nederlandse episcopaat was inmiddels ook in Duitsland doorgedrongen. De “Essener National Zeitung” schreef in september 1942 dat de Nederlandse bisschoppen de grootste vijand waren van de nieuwe nazistische orde in Europa. Tezelfdertijd schreef het N.S.B.-blad “Volk en Vaderland” dat “deze menschen simpelweg vragen om vervolging”. 38]
In een gezamenlijk schrijven van de Nederlandse Kerken aan Seyss-Inquart van 17 februari 1943 werd nogmaals geprotesteerd tegen de vervolgingen, deportaties en talrijke andere maatregelen van de bezetter. Het episcopaat voegde er een herderlijke brief aan toe: “Bij alle onrecht dat geschiedt en het leed, dat wordt geleden, gaat Onze deelneming zeer in het bijzonder uit naar de jeugdige personen, die met geweld uit het ouderlijk huis zijn weggevoerd, alsook naar de Joden, en naar Onze katholieke geloofsgenooten die uit het Joodsche Volk zijn voortgekomen, die aan zulk groot lijden zijn blootgesteld. Bovendien echter voelen Wij Ons diep gegriefd door het feit, dat voor de uitvoering van de tegen deze twee groepen van personen genomen maatregelen de medewerking wordt geëischt van onze eigen landgenooten zooals van autoriteiten, van ambtenaren, van bestuurders van inrichtingen. Beminde Geloovigen, het is Ons bekend, in welk een gewetensnood daardoor de betrokken personen geraakt zijn. Welnu: om allen twijfel en onzekerheid omtrent dit punt bij U weg te nemen, verklaren Wij met allen nadruk, dat medewerking in dezen in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers van U vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en de menschen Uw plicht doet”.39] Van dat laatste kwam, afgezien van Utrecht en Enschede voor wat het ophalen van joden betreft, in de praktijk niet veel terecht.
Tegen het inschakelen van Nederlandse arbeiders in de Duitse oorlogsindustrie protesteerde het episcopaat eveneens fel. Aanvankelijk was er sprake van zachte dwang: werklozen die niet vrijwillig in Duitsland gingen werken verloren hun uitkering. In februari 1942 werkten ruim tweehonderddertigduizend Nederlandse arbeiders in Duitsland, van wie ruim zeventigduizend als grensganger. De bezettingsautoriteiten vonden dit cijfer te laag en op 20 februari 1942 werd besloten dat alle ongehuwden in de leeftijd van 18 tot 40 jaar, die niet in staat waren in hun eigen levensonderhoud te voorzien, zich als werkzoekende moesten laten inschrijven bij een van de zevenendertig gewestelijke arbeidsbureaus. Ruim een maand later, op 23 maart 1942, werd gedecreteerd dat de arbeidsbureaus werkzoekenden konden verplichten in het buitenland - dat wil zeggen in de Duitse oorlogsindustrie - te gaan werken. Voorts zou het Nederlandse bedrijfsleven alle “overtollige” arbeidskrachten voor dit doel moeten afstaan. De Jong adviseerde de directeuren van de arbeidsbureaus in april 1942 niet mee te werken en ontslag te nemen. Daarop liet het Rijkscommissariaat weten de verantwoordelijkheid zelf te zullen dragen, waardoor eventuele gewetensbezwaren vervielen. Tussen mei en december 1942 werden bijna honderdduizend Nederlandse arbeiders naar Duitsland gezonden. In de winter van 1942-1943 leden de legers van Hitler-Duitsland aan verschillende fronten zware nederlagen. Er heerste een groot gebrek aan mankracht, zowel aan de fronten als thuis in de oorlogsindustrie. De produktie moest kost wat kost omhoog. Begin 1943 volgden nieuwe maatregelen elkaar in hoog tempo op. Ze hadden ten doel het arbeidspotentieel voor de oorlogsindustrie op te schroeven. Op 7 mei werd gedecreteerd dat alle mannen tussen 18 en 35 jaar zich voor de “arbeidsinzet” moesten melden bij de arbeidsbureaus. Het was de bedoeling hele jaarklassen, te beginnen met de negentien- tot en met drieëntwintigjarigen, naar Duitsland te sturen. Uiteraard veroorzaakten deze voornemens veel opschudding. 40] Het episcopaat reageerde op 12 mei 1943 in een van de felste herderlijke brieven uit de bezettingsjaren: “(...) thans is een hoogtepunt bereikt: alle bruikbare mannen zullen worden weggehaald, die slechts eenigermate kunnen worden gemist. Het is een deportatie op groote schaal, zooals de wereld in Christentijden niet gekend heeft (...). En niet alleen is deze deportatie een ramp, zij is ook een gruwelijk onrecht in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten. (...) een groot deel der bevolking wordt feitelijk gedwongen weggevoerd. En die mannen moeten werken voor hun vijand. Aanvankelijk heette het, dat de Nederlanders in het buitenland moesten werken, omdat hier geen arbeid en brood voor hen was. Doch nu moeten zij werken voor Duitschland, zooals uitdrukkelijk gezegd wordt, om Duitschland de overwinning te verzekeren. En hier komt voor ons het gewetensconflict. Volgens het vierde gebod moeten wij ons vaderland eeren en liefhebben en er offers voor brengen, als het in gevaar verkeert. Nu mogen wij niet alleen niets voor ons vaderland doen, wij worden zelfs gedwongen onder zware straffen onzen vijand te helpen. Hierin ligt vooral het onrecht, dat ons wordt aangedaan en waartegen Wij Onze stem verheffen”. 41]
Het waren deze protestbrief en die van 17 februari 1943 die de verzetsgeest onder het katholieke volksdeel aanzienlijk aanwakkerden. Opvallend veel geestelijken in het bisdom Roermond begrepen dat de tijd gekomen was om de daad bij het woord te voegen. Zij begonnen in samenspraak met jongeren uit hun kennissenkring of het katholiek organisatieleven aan de opbouw van wat weldra zou uitgroeien tot een provinciale Limburgse organisatie voor hulp aan onderduikers.
In de eerste maanden van 1943 spitste zich het conflict tussen de Duitse autoriteiten en de studenten toe. Medio december 1942 was aangekondigd dat er op korte termijn ongeveer zesduizend studenten in Duitsland moesten gaan werken. Dat leidde tot grote onrust en pas nadat de gewraakte aankondiging was ingetrokken keerden de studenten eind januari 1943 naar de collegebanken terug. Lang duurde de rust niet. Kort na een aanslag op een collaborerende luitenant-generaal b.d., die voor hij de geest gaf verklaarde dat twee studenten op hem hadden geschoten, volgden begin februari enkele razzia’s op studenten, waardoor het hoger onderwijs opnieuw stil kwam te liggen. Kennelijk werden de verantwoordelijken in studentenkringen gezocht. Teneinde de illegale activiteiten en de verzetsgeest onder studenten in de kiem te smoren, werd op 13 maart 1943 de invoering van een loyaliteitsverklaring afgekondigd.
De studenten moesten een verklaring ondertekenen waarin stond dat ze de Duitse maatregelen zouden opvolgen en dat ze zouden afzien van handelingen gericht tegen de bezettende en Nederlandse autoriteiten. Weigeraars zouden van de universiteiten en hogescholen verwijderd en in Duitsland tewerkgesteld worden. Aartsbisschop De Jong was weliswaar geen voorstander van ondertekening, maar de gevolgen van de eerdere officiële uitspraak over de katholieke joden indachtig, stelde hij zich nu voorzichtiger op. Als de senaten van de niet-katholieke universiteiten en hogescholen zouden adviseren de verklaring niet te tekenen, dan mocht men een scherpere uitspraak tegemoet zien. Dat bleek het geval en op 13 april 1943 liet De Jong de secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming weten, dat, aangezien de eis tot ondertekening van de loyaliteitsverklaring gehandhaafd was, “het bestuur van de St. Radboudstichting (K.U. Nijmegen) heeft besloten om principieele gronden aan de uitvoering van art. 2 van het besluit van 10 maart niet zijn medewerking te kunnen verleenen”. Een dag eerder hadden de universiteit te Nijmegen en de Economische Hogeschool te Tilburg hun poorten gesloten. De bezetter reageerde met de mededeling dat alle studenten die niet getekend hadden - voor Nijmegen lag het percentage op 99,7%; de loyaliteitsverklaringen waren niet eens verzonden - naar Duitsland moesten. Hoewel hun ouders mede aansprakelijk werden gesteld, doken talrijke studenten onder. De Nijmeegse studenten hadden het voordeel dat ze vrij gemakkelijk in de massa konden verdwijnen, omdat het de Sicherheitspolizei (Sipo) niet was gelukt de studentenadministratie in handen te krijgen. 42]
Van de maatregelen uit de eerste maanden van 1943 veroorzaakte de aankondiging op 29 april 1943 dat alle voormalige leden van het Nederlands leger in krijgsgevangenschap zouden worden teruggevoerd veruit de meeste deining. Overal in het land braken spontaan stakingen uit, die als “April-Meistaking” de geschiedenis zouden ingaan. In mei 1942 waren al ruim tweeduizend (aankomende) beroepsofficieren onder valse voorwendselen naar de kazernes gelokt en geïnterneerd. De nieuwe maatregel trof circa driehonderdduizend mannen. Zij werden als een potentieel gevaar beschouwd bij kerende oorlogskansen, ook als slechts een deel van de militairen ondergronds was georganiseerd. 43] Hoewel de bisschoppen er geen afzonderlijke brief aan wijdden, kwamen ze in een instructie aan de geestelijkheid van 12 mei 1943 op de affaire terug. Daarin wezen ze de medewerking van politiebeambten bij de opsporing, arrestatie en voorgeleiding van studenten, arbeiders en militairen, die zich niet hadden gemeld of niet waren komen opdagen, resoluut van de hand. Slechts als de betreffende beambten met fusillering of opsluiting in een concentratiekamp werden bedreigd, mochten zij aan de opdracht gehoor geven, “zwichtend voor de overmacht”. 44]
Het wekt enige verbazing dat de bezetter het niet aandurfde het episcopaat ter verantwoording te roepen voor de niets verhullende en felle protesten. Klaarblijkelijk vreesde Seyss-Inquart een kerkstrijd en achtte het regime in Berlijn de tijd nog niet rijp de katholieke Kerk hard aan te pakken, ofschoon dat wel tot de voornemens behoorde. Tegenover veel andere kerkprovincies, die onder het nazi-juk gebukt gingen, stak de Nederlandse gunstig af. Er werden slechts weinig concessies gedaan; desnoods werden aanzienlijke delen van het katholiek organisatieleven opgeheven of - als de gelegenheid zich voordeed - rechtstreeks onder de vleugels van de Kerk gebracht. Het was duidelijk, dat de bisschoppen het katholiek volksdeel voor wilden gaan in het verzet tegen de bezet ter en diens handlangers. In tientallen herderlijke brieven werden de gelovigen uitvoerig voorgelicht over de houding die men geacht werd aan te nemen. Voor vrijwel elke beroepscategorie was voor de werkgever en werknemer gedetailleerd vastgelegd wat wel en niet was geoorloofd. De bisschoppen waren terughoudend bij de vaststelling van de grenzen van het toelaatbare waar het een ingreep in de persoonlijke levenssfeer van de gelovigen betrof, maar men was streng en principieel wanneer die werden overschreden. Ze waren zich ervan bewust, dat ze niet het uiterste van de gelovigen konden vergen. Daarmee zouden ze hun gezag mogelijk op het spel hebben gezet. Met tact, omzichtigheid en veel gevoel voor de realiteit trachtten ze de talrijke klippen te omzeilen. Door zoveel mogelijk voeling te houden met de bevolking slaagden De Jong en zijn mede-bisschoppen erin een beleid van verzet en aanpassing te voeren waarbij ze er steeds voor waakten niet af te glijden naar collaboratie.
Wat wist het Vaticaan van de houding van het Nederlands episcopaat? De pauselijke internuntius in Nederland, mgr. P. Giobbe, was al in juli 1940 door de Duitsers uitgewezen. Sindsdien verliep het officiële contact tussen Nederland en het Vaticaan via de pauselijke nuntius in Berlijn, mgr. C. Orsenigo, maar van hem was in hoge kerkelijke kringen bekend dat hij de Duitse zijde had gekozen. Men kon de nuntius uiteraard niet negeren en dus bereikten veel kerkelijke documenten via de Duitse nuntiatuur Rome. Om er zeker van te zijn dat de belangrijkste stukken ook werkelijk op hun bestemming arriveerden deed De Jong kort na het vertrek van Giobbe een beroep op zijn in Amsterdam woonachtige studievriend dr. J.M. Drehmans. Laatstgenoemde was bevriend met de Italiaanse consul in Amsterdam. Alle kerkelijke brieven en instructies werden door Drehmans in het Italiaans vertaald waarna de consul ervoor zorgde dat de documenten bij de lopende correspondentie werden gevoegd en het Departement van Buitenlandse Zaken in Rome bereikten. Daar werkte een broer van mgr. Giobbe die erop toezag dat de stukken van het Nederlandse episcopaat bij het Vaticaan terechtkwamen. De openlijke anti-Duitse houding van de Italiaanse consul kostte hem echter zijn baan. Niettemin regelde hij nog voor zijn vertrek dat zijn opvolger de geheime correspondentie voortzette. Tot in de herfst van 1943 bleef deze weg intact. Of Rome via hetzelfde kanaal antwoordde staat niet vast. 45]
Toch vernam De Jong bij verschillende gelegenheden de reactie van het Vaticaan op de houding van het Nederlands episcopaat. Zo had Paus Pius XII een reiziger naar Nederland eind 1941 gezegd dat het hem ten zeerste beviel dat de Nederlandse bisschoppen zeer energiek en krachtig waren. 46] Begin 1942 reisde de hoofdredacteur van “De Tijd”, prof. mr. L.G. Schlichting, naar Rome. Daar sprak hij met een naaste medewerker van de Paus, mgr. G.B. Montini, die hem vertelde dat hij De Jong bewonderde: “eindelijk iemand die de puntjes op de i zet”. Pius XII voegde hem later toe: “Zeg tegen Uw bisschoppen, dat ik hen bemin en dat ik hun houding goedkeur”. 47] De krachtigste steunbetuiging ontving De Jong in augustus 1943 uit de mond van drie Jezuïeten, die kort voor hun vertrek naar Nederland door de Paus in audiëntie waren ontvangen. Hij vroeg hun de Nederlandse bisschoppen zijn diepe waardering over te brengen voor hun moedige houding. “In geen ander land van Europa geven de bisschoppen zo eensgezind, zo openlijk en zo moedig hun gelovigen leiding in de strijd tegen de dwalingen van het nationaal-socialisme”. 48]
Waarschijnlijk werd incidenteel ook gebruik gemaakt van een weg die door het Belgisch episcopaat, onder leiding van kardinaal J.E. van Roey, via de staatssecretaris van de paus, kardinaal A. Maglione, was geopend. Evenals in Nederland had de pauselijke nuntius in België, mgr. C. Micara, in juli 1940 moeten vertrekken. Van Roey stuurde de herderlijke brief van 17 februari 1943 in mei van dat jaar naar Rome. Teneinde de relatie tussen Van Roey, Lemmens en De Jong in het bijzonder en tussen de Belgische en Nederlandse katholieken in het algemeen te vertroebelen, verspreidde de bezetter op 22 februari 1943 een vals bericht, waarin de Belgische kardinaal afstand nam van het standpunt van het Nederlands episcopaat en bovendien opriep de haat tegen het Duitse volk te laten varen. Vlaamse strijders zouden zich aan het oostfront verdienstelijk kunnen maken in de strijd tegen het communisme, zo zou Van Roey hebben verklaard. Bisschop Lemmens zond meteen na het bekend worden van het bericht de in Neeritter woonachtige kruisheer pater J. van Gestel met een brief naar Mechelen, waarin hij om opheldering verzocht. Van Roey ontzenuwde het bericht en vroeg Van Gestel zijn antwoord mondeling aan Lemmens over te brengen. Op 27 februari reageerde de Belgische kardinaal nogmaals en publiceerde een boze brief waarin hij met nadruk afstand nam van de hem in de mond gelegde woorden. 49]

I.2. De houding en rol van de katholieke Kerk in Limburg

Vanzelfsprekend werd de houding van het bisdom Roermond in hoge mate bepaald door de standpunten van het episcopaat, zelfs in die mate dat het Limburgs bisdom het niet nodig achtte er richtlijnen of maatregelen aan vast te knopen. Sommige geestelijken maakten uit de herderlijke brieven op dat een actieve deelname aan de georganiseerde illegaliteit niet alleen geoorloofd, maar dat het er een logische consequentie van was. Zij ondervonden steun van de secretaris van bisschop Lemmens, drs. J.L. Moonen. Anderen respecteerden en steunden de episcopale protesten weliswaar, maar waren van oordeel dat de eerste en voornaamste taak van de kerkdienaren op het terrein van de zielzorg lag en de geestelijken zich verre dienden te houden van ongeoorloofde handelingen tegen de bezetter. Hun standpunt werd gedeeld door de vicaris-generaal van het bisdom, dr. F.J. Féron, die overigens begrip kon opbrengen voor de lijn-Moonen. Lemmens nam een tussenpositie in. Zo ontstond in Limburg een situatie waarin elke individuele geestelijke geheel volgens eigen inzicht zijn positie kon bepalen en zich tot op het hoogste niveau van steun verzekerd wist, mits hij niet openlijk de zijde van de Duitsers koos.
Na de opheffing van talrijke katholieke (jongeren)organisaties en verenigingen in de loop van 1941, vonden veel kaderleden en gewone leden onderdak bij de Katholieke Actie (K.A.). De K.A., een formeel onderdeel van de Kerk, streefde de instandhouding, uitbreiding en verdieping van het rijk van Christus na. Als zodanig viel ze niet onder de Duitse maatregel. Het hoofd van de K.A. in Limburg, P.J.M. Jenneskens uit Meerssen, zette in 1941 vanuit zijn woonplaats het nieuwe organisatorisch raamwerk op. De provincie werd in districten verdeeld, die weer uit een aantal parochies bestonden. Overal werden geestelijken en leken-leiders aangesteld, in hoofdzaak jonge kapelaans en jongeren uit het verenigingsleven. Regelmatig vonden er vergaderingen, bijeenkomsten en vormingscursussen plaats waardoor een hechte onderlinge band werd gesmeed. Uiteraard kwamen tijdens de ontmoetingen politieke thema’s ter sprake. Hoewel de K.A. geen verzetsaspiraties koesterde, koerste de organisatie in diverse regio’s stellig in die richting. In verscheidene plaatsen werden acties op touw gezet die de bezetter alarmeerden. De K.A. zou daarom het best omschreven kunnen worden als een organisatie die de geesten in menige plaats bundelde en aanscherpte en voor menigeen als voorportaal diende tot de illegaliteit. Dank zij de vroeg in de oorlog of al eerder ontstane vertrouwensbanden kon naderhand volop geput worden uit het K.A.-reservoir. 50]
De eerste K.A.-actie waartegen de bezetter in het geweer kwam betrof de verspreiding van de herderlijke brief van 25 juli 1941 inzake de nazificering van het R.K.W.V. Geestelijken uit Venlo, Blerick en Tegelen vermenigvuldigden de brief en lieten die door K.A.-ers verspreiden. Bisschop Lemmens zou de actie hebben goedgekeurd. Een Venlose politieman kreeg er lucht van en bracht de Sipo-Maastricht op de hoogte die, nadat er uit Den Haag bevel toe was gegeven, medio augustus vijf geestelijken en achttien leken arresteerde. Allen werden gestraft met een half jaar opsluiting in het kamp Dachau. Voor sommigen pakte het heel anders uit: kapelaan E.J.M. Lemmens uit Tegelen bijvoorbeeld werd pas in april 1945 door de Amerikanen in Dachau bevrijd. 51] Op verzoek van het episcopaat werden nadien geen herderlijke brieven meer vermenigvuldigd en onder leken verspreid. 52] In dezelfde periode werden ook enkele preken van de bisschop van Münster, Graf C.A. von Galen, op grote schaal in de provincie en daarbuiten verspreid. Von Galen trok hierin fel van leer tegen euthanasie op ongeneeslijke geesteszieken. In een preek van 20 juli 1941 voer hij uit tegen de Gestapo. Het nazi-regime omschreef hij als de hamer die neerbeukte op het aambeeld, waarmee hij doelde op het volk. Mettertijd zou de hamer het echter moeten afleggen tegen het aambeeld, zo vervolgde Von Galen zijn beeldspraak. Daarmee trachtte hij zijn toehoorders duidelijk te maken dat hun geweten zuiver en onafhankelijk moest blijven: “Werdet fest, bleibet standhaft wie der Amboß unter den Hammerschlägen (...). Es kann sein, daß der Gehorsam gegen Gott die Treue gegen das Gewissen mir oder euch das Leben, die Freiheit, die Heimat, kostet. Aber lieber sterben als sündigen”. 53] Bij de verspreiding van deze en andere preken was de K.A. eveneens nauw betrokken.
Een andere K.A.-actie die de Duitsers in het verkeerde keelgat schoot betrof de keuring van Duitse bioscoopfilms op hun morele gehalte. K.A.-leiders hadden daar na een vergadering te Meerssen in april 1942 toe besloten. In enkele grotere plaatsen in de provincie werden keuringsraden gevormd, waarin vooraanstaande ingezetenen zitting namen. Daags voor het weekend bezochten de leden van de raad de bioscopen en brachten hun schriftelijk oordeel ter kennis van de plaatselijke K.A.-leider. Het advies werd de gelovigen op een affiche in de kerk kenbaar gemaakt. Enkele maanden verliep de actie vlekkeloos, maar in de regio Venlo liep het mis toen enkele bioscoopexploitanten, vanwege de terugloop van het aantal bezoekers, hun beklag deden bij de Ortsgruppenführer van de N.S.D.A.P.-Venlo, W. Vogt. Op 24 juli 1942 moest de pastoor-deken van Venlo, J.L.A. van Oppen, in Maastricht verantwoording afleggen over de actie waaraan hij zijn goedkeuring had gegeven.
Van Oppen verklaarde, dat het volgens hem om een legitieme K.A.-actie ging en noemde de namen van de organisatoren in de regio Venlo. Zij moesten zich op 2 september bij de Sipo-Maastricht melden en een verklaring tekenen waarin zij beloofden zich van elke staatsvijandige handeling te onthouden en van verdere filmkeuringen af te zien. Daarna konden ze huiswaarts keren. Met Van Oppen liep het veel slechter af. In opdracht van de Sipo-Den Haag moest hij zich op 1 september 1942 opnieuw melden. Via Amersfoort kwam de Venlose deken in Vught terecht waar hij op 16 februari 1943, waarschijnlijk aan een besmettelijke ziekte, bezweek. 54]
Ook in Vaals liep het fout met de filmkeuringsactie. Pastoor E.P.H. Prickaerts moest zich op 24 juli in Maastricht melden, omdat bioscoopexploitanten zich ook hier hadden beklaagd over de teruggang van het aantal bezoekers en de pastoor openlijk voor een bezoek aan sommige films had gewaarschuwd. Prickaerts werd op 1 september gearresteerd wegens het voeren van anti-Duitse propaganda. Ruim een jaar later, op 7 oktober 1943, kwam de pastoor weer vrij. 55]
Veel geestelijken maakten geen geheim van hun anti-nationaalsocialistische gezindheid. Op de preekstoel spraken ze er openlijk over. Meestal liep het goed af, maar soms zaten er verklikkers onder de toehoorders. Dat overkwam onder anderen de Maastrichtse kapelaan H.J.C. Nijsten die in de zomer van 1941 een maand gevangenisstraf kreeg, kapelaan A.H.L. Meertens in Gronsveld die van juli 1941 tot juli 1942 vastzat en kapelaan J.R. Rothkrans uit Vaals die van november 1941 tot zijn bevrijding in mei 1945 in het Huis van Bewaring te Maastricht en het kamp Dachau verbleef. 56] Anderen kwamen in de problemen, omdat ze met de N.S.B. in conflict raakten of Duitse maatregelen aan hun laars lapten. Zo verbleef de Heerlense kapelaan L.J.H.M. Petit acht maanden in Duitse gevangenschap, omdat hij demonstratief een bordje met “voor joden verboden”, aangebracht op het plaatselijk patronaatsgebouw, vernielde en in de prullenbak gooide. 57] In andere plaatsen ontstonden conflicten tussen de geestelijkheid en de N.S.B. naar aanleiding van collectes voor de Winterhulp of de weigering overleden N.S.B.-ers op katholieke kerkhoven te begraven.

II. Achtergrond en ontstaan van de duikorganisatie in Limburg

II.1. Inleiding

Een combinatie van een door de Kerk en daarmee verwante organisaties geïnitieerd en gestimuleerd rijpingsproces en de in de vorige paragraaf genoemde maatregelen, die grote groepen in de samenleving troffen en die uiteindelijk resulteerden in de April-Meistaking van 1943, lag ten grondslag aan het ontstaan van de duikorganisatie in Limburg. Door dit rijpingsproces ontstond een klimaat waarin zich een humanitaire, door de Kerk geïnspireerde illegaliteit kon ontwikkelen. Alvorens de ontwikkeling van de duikorganisatie in Limburg te belichten, is het van belang er op te wijzen dat de aard en het draagvlak van deze illegaliteit niet overal identiek en even groot waren. Het had er weliswaar de schijn van dat de basisvoorwaarden voor een brede, georganiseerde illegaliteit in het voorjaar van 481 1943 overal aanwezig waren, maar die konden van plaats tot plaats verschillen en leidden zeker niet overal tot het ontstaan van illegale structuren. Er waren initiatieven nodig: persoonlijkheden die de noodzaak inzagen handelend op te treden en die bereid waren deze zware verantwoordelijkheid op zich te nemen. In plaatsen waar al eerder verzetsstructuren waren ontstaan als gevolg van de spontaan gegroeide hulp aan vluchtelingen, verliep de ontwikkeling doorgaans sneller en gemakkelijker dan in plaatsen waar nog weinig noemenswaardigs was geschied. Afgezien van enkele individuele aanzetten kwamen de meeste en doorslaggevende initiatieven uit kringen van overwegend jonge geestelijken, die veelal nauw waren betrokken bij voormalige katholieke jeugdorganisaties (nu Katholieke Actie, soms met een andere naam), van jongeren uit die organisaties en uit kringen van de Nederlandsche Unie.

II.2. Factoren die het ontstaan en de ontwikkeling van de duikorganisatie begunstigden

II.2.1.De r.-k. geestelijkheid en de jeugdorganisaties

II.2. Factoren die het ontstaan en de ontwikkeling van de duikorganisatie begunstigden II.2.1.De r.-k. geestelijkheid en de jeugdorganisaties Al in een vroeg stadium werd de geestelijkheid geconfronteerd met allerlei, in brede kring levende vragen en problemen, die samenhingen met de gevolgen van oorlog en bezetting. Iemand die bereid was de episcopale richtlijnen op te volgen en daardoor zijn baan riskeerde, wilde vanzelfsprekend van zijn pastoor of kapelaan weten wat zijn vooruitzichten waren. Veel grensgangers die niet langer voor de vijand wilden werken, wendden zich eveneens voor hulp en advies tot de geestelijkheid. Toen in 1941 de stroom van ontvluchte krijgsgevangenen langzaam op gang begon te komen, klopte menige hulpverlener bij de plaatselijke pastoor of kapelaan aan, al was het alleen maar omdat hij iemand nodig had die Frans sprak.
De geestelijken hadden van oudsher een verreikend gezag over de gelovigen, ze oefenden veel invloed uit en genoten het vertrouwen van velen. Bovendien waren de kapelaans doorgaans als aalmoezenier of geestelijk adviseur verbonden aan jeugdorganisaties als Jonge Wacht, Jonge Werkman of Verkennerij. Vanwege de intensieve band met de bevolking was de geestelijkheid doorgaans uitstekend op de hoogte van de heersende stemming en de meest uiteenlopende actuele kwesties. Uiteraard was het niet zo dat elke pastoor of kapelaan geschikt was voor illegaal werk. Sommige geestelijken, evenals leken, zagen in dat er hulp moest worden geboden, óók als dat onder de heersende omstandigheden tal van risico’s met zich mee bracht. Hun aantal was aanvankelijk niet groot. Menigeen wist niet goed raad met al die lastige vragen en netelige kwesties en wendde zich voor advies tot het bisdom, waar weldra twee personen op de voorgrond traden: secretaris drs. J.L. Moonen en de president van het groot-seminarie, dr. F.J. Féron, die eind 1942 tot vicaris-generaal werd benoemd. De rol van Moonen kan misschien het best omschreven worden als adviseur en leidsman van een groot deel van de georganiseerde illegaliteit. Féron gaf ook wel adviezen, maar hield zich meer op de achtergrond. Hij was vooral een steunpilaar voor de geestelijken - met name de doorgaans wat oudere pastoors - die zich niet met de illegaliteit wilden inlaten en de zielzorg als hun belangrijkste taak zagen. Deze langzaam gegroeide taakverdeling tussen de twee - de indruk bestaat dat Moonen gaandeweg meer tijd kreeg om zich met de illegaliteit te bemoeien - functioneerde naar tevredenheid, ofschoon de twee een enkele keer met elkaar in botsing kwamen. Dat gebeurde bijvoorbeeld naar aanleiding van het debat of een geestelijke de liquidatie van (potentiële) verraders mocht sanctioneren. De door de praktijk gelouterde Moonen kon er begrip voor opbrengen en keurde het in geval van uiterste nood goed. Féron was er een verklaard tegenstander van.
Tot begin 1943 concentreerde het illegale werk zich voornamelijk op de hulp aan vluchtelingen en waren de plaatselijke verzetskernen klein. Niettemin ondervonden deze werkers van het eerste uur dat velen bereid waren zijdelingse hulp te verlenen of stilzwijgend begrip opbrachten voor hun werk. Bovendien beseften zij, dat in de onder kerkelijke dekmantel opererende jeugdorganisaties een rijk reservoir aan potentiële medewerkers aanwezig was. Dit gegeven, gekoppeld aan het feit dat de kapelaans in Limburg over eigen woonruimte beschikten en de pastoors desgewenst buiten het verzetswerk konden blijven, bespoedigde de ontwikkeling van de duikorganisatie. 58]

II.2.2. De Nederlandsche Unie

Het initiatief tot de oprichting van de Nederlandsche Unie kwam van J. Linthorst Homan, L. Einthoven, J.E. de Quay en H.J. Reinink. De vier maakten deel uit van een stroming uit de jaren dertig die uiting gaf aan de onvrede over het functioneren van de parlementaire democratie en de kapitalistische produktiewijze. Zij wilden de macht van het parlement beperken en ze prefereerden een op het corporatisme geënte sociaal-economische ordening alsook een krachtig en besluitvaardig gezag. Korte tijd na de Duitse inval kwamen zij tot de slotsom dat men er verstandig aan deed de nederlaag tegen Duitsland te aanvaarden. Op grond van de gewijzigde verhoudingen moest in samenwerking met de bezetter een maatschappij worden opgebouwd, gegrondvest op een brede nationale samenwerking, een harmonische economische structuur en sociale rechtvaardigheid. Nederland moest zich voegen naar de nieuwe omstandigheden; dat wil zeggen aanpassen aan Duitsland. Aanvankelijk spraken ze in hun Manifest voor een Nederlandsche Unie van een wedergeboorte van Nederland in vrijheid en onafhankelijkheid en in trouw aan het Huis van Oranje, maar dat ging de Duitse autoriteiten te ver. Ofschoon de vier er de goodwill van de meeste politieke partijen mee verspeelden, schrapten ze de voor de bezetter onaanvaardbare zinsneden. Op 24 juli 1940 verscheen in de kranten de oproep om zich bij de Nederlandsche Unie aan te sluiten. Vooral in het zuiden van het land en in de provincie Groningen stroomden de leden toe. De nieuwe, legale beweging dankte deze massale toeloop aan het feit dat ze zich nadrukkelijk van de N.S.B. distantieerde: het publiek zag de Unie in de eerste plaats als een anti-N.S.B.-organisatie. Bovendien adviseerde het bestuur van de R.K.S.P. haar leden zich bij de Unie aan te sluiten. Het episcopaat zweeg, maar aangenomen mag worden dat de bisschoppen achter het advies van de R.K.S.P. stonden. 59]
Al spoedig na de oprichting bleken binnen de Unie twee, welhaast tegengestelde krachten werkzaam. Er gaapte een kloof tussen hetgeen de leiding voor ogen stond en wat aan de basis leefde. De leiding streefde aanpassing aan de gewijzigde omstandigheden en samenwerking met de bezetter na, terwijl duizenden anti-nationaal-socialistisch gezinde Nederlanders Unie-vergaderingen bezochten om er te demonstreren tegen Hitler, Mussert en Seyss-Inquart.
Zonder het na te streven verschaften de oprichters van de Unie de eigen aanhang een organisatorisch kader waarbinnen uiting kon worden gegeven aan de alom heersende onlustgevoelens jegens de N.S.B. en de bezetter. De leden zetten de toon en niet de leiding, waarbinnen zich trouwens eveneens een scherpe tegenstelling openbaarde. J. Linthorst Homan neigde naar collaboratie en knoopte gesprekken aan met het Nationaal Front en de N.S.B. L. Einthoven trachtte de beweging daarentegen voor een afglijden in die richting te behoeden. In januari 1941 kwam het tot een diepe crisis en slechts met veel moeite kon de breuk worden gelijmd. De sfeer aan de basis leed daar overigens niet noemenswaardig onder. Het felle optreden van met name de Weerafdeling (W.A.) van de N.S.B. tegen Unie-colporteurs leidde ertoe, dat de beweging uitgroeide tot een hechte politieke strijdorganisatie. Toen op 22 maart 1941 in het blad “De Unie” een artikel verscheen waarin de houding van de aan geallieerde zijde strijdende Nederlanders werd verdedigd, nam de bezetter maatregelen. Ze sorteerden een averechts effect: de verzetsgeest en de strijdbaarheid werden erdoor versterkt. Seyss-Inquart, die aanvankelijk meende de Unie voor Duitse doeleinden te kunnen gebruiken, begreep dat de beweging aan de basis in een tegengestelde richting koerste. Toen bovendien zelfs de leiding in “De Unie” van 6 juli 1941 de Duitse inval in Rusland in voorzichtige bewoordingen afkeurde, kreeg het blad een verschijningsverbod van zes weken opgelegd. Toch bleef diezelfde leiding een ambivalente houding ten toon spreiden. Allerlei maatregelen van bezetterszijde werden zonder meer geslikt en op 1 november 1941 kregen de joodse Unieleden zelfs het advies op te stappen. De bezetter sneed uiteindelijk zelf de fragiele band tussen leiding en aanhang door: op 13 december 1941 werd de Unie verboden. 60]
Van de achthonderdduizend Unie-leden waren er ruim honderdtienduizend afkomstig uit Limburg, vooral uit de Mijnstreek. 61] Het gevoel gezamenlijk een vuist tegen de N.S.B. en de bezetter te kunnen maken, bracht menigeen ertoe het lidmaatschap aan te vragen. Velen kenden het programma niet; centraal stonden saamhorigheid en solidariteit. Er groeiden nieuwe contacten. Voor heel wat leden was de Unie een voorportaal tot de illegaliteit. 62] Leidende provinciale functionarissen als F.C.M. Wijffels, C.M.J.A.F. Nicolas, W.J. Dewez en J.H.A. Sorée en talrijke andere leden speelden naderhand een rol in het verzet. 63] Zoals gezegd kwam het herhaaldelijk tot botsingen tussen Unie-colporteurs en W.A.-leden, maar de schermutselingen liepen in Limburg slechts één keer ernstig uit de hand. Toen op 21 maart 1941 W.A.-ers en Unieleden in Nieuwenhagen slaags raakten, greep de marechaussee in. Een van de W.A.-ers maakte een marechaussee zijn wapen afhandig en begon in het wilde weg te schieten. Andere marechaussees beantwoordden het vuur. Naast enkele gewonden vielen er twee doden: een W.A.-er en een lid van de marechaussee. 64]

II.2.3. Duitse maatregelen en de April-Meistaking

De bezetter trachtte de kerende oorlogskansen rond de jaarwisseling van 1942-1943 tegen te gaan en op te vangen door een serie maatregelen af te kondigen waarmee de Nederlandse bevolking begin 1943 onder druk werd gezet. Studenten werden verplicht na voltooiing van hun studie een jaar in Duitsland te gaan werken. Medio januari eiste de Generalbevollmächtigte für den Arbeitseinsatz, F. Sauckel, maar liefst honderdduizend Nederlandse arbeiders op voor de Duitse oorlogsindustrie. Dit aantal moest voor 10 maart gehaald zijn. Begin februari vonden overal in het land razzia’s plaats. De maatregelen tegen de joden, de executie van gijzelaars, de bescherming die de N.S.B. genoot, de daling van de levensstandaard en de toenemende repressie droegen ertoe bij dat in het voorjaar alom een anti-Duitse stemming heerste, die elk moment tot uitbarsting kon komen. 65]
Met de terugvoering van de voormalige leden van het Nederlands leger in krijgsgevangenschap staken de Duitsers de lont in het kruitvat. Zij dachten er twee vliegen in een klap mee te slaan. De driehonderdduizend voormalige militairen vormden een belangrijk en waardevol arbeidspotentieel voor de oorlogsindustrie. Bovendien zou de afwezigheid van deze manschappen goed uitkomen als er in de toekomst een geallieerde landing op de Nederlandse kust zou plaatsvinden. Nadat Hitler en de legertop hun fiat hadden gegeven aan dit plan, ontving de militaire bevelhebber in Nederland, generaal F.C. Christiansen, op 23 maart 1943 bevel “die Angehörigen der ehemaligen niederländischen Wehrmacht erfassen, festnehmen und abschieben zu lassen”. Ruim een maand later, op donderdag 29 april, kondigde Christiansen de verordening af. In de proclamatie werd onderstreept dat de maatregel een gevolg was van illegale activiteiten in kringen van oud-militairen. Dat deze activiteiten plaatsvonden was ten dele juist, maar ze stonden feitelijk helemaal los van de werkelijke reden.
Nu gebeurde iets waarmee aan Duitse zijde geen rekening was gehouden. Overal in het land laaiden de emoties zo hoog op - honderdduizenden werden immers direct of indirect door de maatregel getroffen - dat er spontaan stakingen uitbraken, het eerst in Twente, in de avond van 29 april gevolgd door de Mijnstreek. Vooral in de landelijke provincies breidden de stakingen zich snel uit. H.A. Rauter, verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid, kreeg toestemming het politiestandrecht af te kondigen voor alle provincies waar gestaakt werd. Daarmee waren alle vormen van verzet, inclusief staken, strafbaar gesteld “in principe met de dood”. Op 30 april kondigde hij het standrecht af in de provincies waar de stakingen het snelst om zich heen grepen: Overijssel, Gelderland, Noord-Holland en Limburg. Later op de dag volgde de rest van het land. Met militair machtsvertoon, massa-arrestaties en door het vellen van doodvonnissen trachtte Rauter de bevolking te intimideren. Zo hoopte hij de half miljoen stakers te dwingen het werk te hervatten. Zijn opzet slaagde: de terreur en de voltrekking van een aantal doodvonnissen werkten dermate afschrikwekkend dat de staking op 3 mei gebroken was. Slechts in enkele geïsoleerde delen van het land werd nog enkele dagen doorgestaakt. De staking kostte honderdvijfenzeventig Nederlanders het leven, er vielen vierhonderd zwaar gewonden en duizenden werden gearresteerd. Op 9 mei feliciteerde de Reichsführer S.S., Himmler, Rauter met zijn optreden. Tevens liet hij zijn ondergeschikte weten dat dit een gunstig moment was om met de invordering van alle radiotoestellen te beginnen. 66]
Het tij leek gekeerd in het voordeel van de Duitsers: de staking was gebroken en de voorgenomen maatregelen werden in hoog tempo uitgevoerd. Maar de schijn bedroog. Drie jaar Duitse overheersing had onomstotelijk aangetoond dat de Nederlandse weerstand geenszins was gebroken, dat de bevolking haar vermogen tot zelfstandig oordelen niet had verloren en dat de nazificatiepolitiek - de pogingen om de bevolking geleidelijk en met zachte hand voor het nationaal-socialisme te winnen - als mislukt moest worden beschouwd. De spontane uitbarsting bespoedigde bovendien de groei van een nog breder georganiseerde illegaliteit. Grote groepen in de samenleving hadden laten zien dat ze de Duitse maatregelen en pressie niet zonder meer voor lief namen en er metterdaad iets tegen wilden ondernemen. 67]
Rauters beslissing om terstond het politiestandrecht in Limburg af te kondigen lag voor de hand. Sinds de avond van 29 april breidden de stakingen zich als een olievlek uit in de voor de binnenlandse, maar ook voor de Duitse energievoorziening zo belangrijke kolenbekkens van Zuid-Limburg. De bezetter had er steeds naar gestreefd de steenkoolproduktie op te schroeven of in ieder geval op peil te houden. Daartoe waren, sinds het najaar van 1940, diverse maatregelen genomen. In november was de werktijd op zaterdag met twee uur verlengd tot acht uur. De ontevredenheid nam toe, toen bekend werd dat met ingang van 29 juni 1941 eens per maand op zondag gewerkt moest worden. Met lokkertjes als extra loon en toewijzing van schaarse goederen verwachtte men dat de mijnwerkers massaal zouden verschijnen. Het bleek een misrekening. In de staatsmijn Wilhelmina schreef iemand op een kolenwagen: “Jongens laat zien dat je Nederlanders bent en laat die vuilbakken van Duitschers zelf maar werken”. Wat dieper in de mijn stond op een wagen gekalkt: “Kameraden, weest eensgezind en blijf zondag thuis”. Het arbeidsresultaat op de eerste werkzondag bleef ver beneden verwachting: de produktie bedroeg maar 20% van die van een normale werkdag.68] Met ingang van zondag 12 april 1942 werd, omdat de situatie niet verbeterde, de maandelijkse werkzondag verplicht gesteld. Mocht er geen gehoor aan worden gegeven dan zouden driehonderd mijnwerkers naar Duitsland worden gedeporteerd. Op 12 april steeg het opkomstpercentage, dat op zondag 22 maart nog 30% bedroeg, naar 49%, waarbij de mijnen onderling grote verschillen te zien gaven. In de mijn Wilhelmina kwam slechts 17% op, terwijl in de Oranje Nassau IV 88% van de mijnwerkers op het werk verscheen. Aangezien de opkomst rond 50% lag, werden honderdvijftig kompels naar Duitsland gedeporteerd. Daarmee was het verzet gebroken. Vanaf 27 september 1942 moest op twee zondagen per maand worden gewerkt. Aangelokt door de diverse extra’s en de garantie dat men niet naar Duitsland hoefde, verschenen steeds meer mijnwerkers op de verplichte zondagen op het werk, zelfs meer dan er nodig waren. Door de week lieten ze het echter steeds vaker afweten. Het aantal ziekmeldingen nam fors toe - menigeen bracht zichzelf letsel toe - en het “Bummelschichten”, een dagje wegblijven van het werk, werd zeer populair. Hoewel het aantal mijnwerkers gedurende de bezetting steeg van tweeëndertigduizend naar tweeënveertigduizend, liep de produktie gestaag terug. Daar kon een uitbreiding van de werktijd van 8 uur naar 8 3/4 uur met ingang van november-december 1942 evenmin verandering in brengen. Die teruggang was niet alleen een resultaat van het lijdelijke en moeilijk te bestrijden verzet dat weldra gemeengoed werd onder de mijnwerkers - de produktie per man was in 1943 met bijna 40% gedaald in vergelijking met 1939 - maar ook van het beleid van de mijndirecties en van bedrijfssabotage. 69]
De directies van de Staatsmijnen hadden het geluk dat ze te maken kregen met de inschikkelijke Duitse mijnbeheerder H.W. Bruch. Aan de hand van gedeeltelijk gefantaseerde rapporten lukte het Bruch telkens weer de teruglopende produktie aannemelijk te maken. Zo ontbrak het volgens Bruch aan efficiëntie en heerste er een nijpend tekort aan produktiemiddelen. Hoewel hij zelf op het tegendeel aandrong, bood de Duitse mijnbeheerder - weliswaar met enige tegenzin - de directies alle ruimte om steenkoollagen met een laag nettorendement in exploitatie te nemen. Hierdoor waren de directies in de gelegenheid een beleid te voeren, waardoor de levensduur van een mijn verlengd werd. In de jaren dertig waren uitsluitend de beste kolenlagen geëxploiteerd teneinde de economische crisis te overleven. Nu was het de beurt aan minder rendabele lagen. 70]
Sommige mijnwerkers droegen bij aan de produktiedaling door bedrijfssabotage te plegen. Dat gebeurde meestal individueel of, zoals bijvoorbeeld Poolse mijnwerkers plachten te doen, in kleine groepjes. In sommige mijnen hing een openlijk vijandige sfeer. De vrijwel algemeen heersende anti-Duitse stemming verstevigde de toch al sterke band onder de mijnwerkers. Dat leidde tot sabotage die de verzetsgeest nog verder kon aanwakkeren. Omdat de onderlinge solidariteit voortkwam uit het besef dat men gezamenlijk verantwoordelijkheid droeg voor elkaars veiligheid en in een werksituatie van wederzijdse afhankelijkheid en vertrouwen geen waaghalzerij paste, werd er naar verhouding weinig gesaboteerd. Ondoordachte acties konden immers rampen veroorzaken. Daarom werden relatief ongevaarlijke acties ondernomen die de produktie tijdelijk lamlegden of hinderden, zoals het onklaar maken van machines, motoren, transportbanden, vervoermiddelen, elektrische schakelkasten en het laten verdwijnen van materialen. In een enkel geval gingen georganiseerde illegale werkers ertoe over een kolenwagen in een schacht te gooien. 71]
De verordening van 29 april 1943 dat de Nederlandse militairen opnieuw in krijgsgevangenschap zouden worden weggevoerd, bracht een ware schok teweeg in de Mijnstreek. Er werkten immers veel jongemannen in de mijnindustrie en de laatste tijd waren er talrijke nieuwe arbeidskrachten uit alle delen van het land bijgekomen. Als eerste reageerde het kantoorpersoneel van de Oranje Nassau-mijn I. De beambten verlieten het werk een half uurtje eerder. Toen het hoofd van de Sipo-Maastricht, M.R. Ströbel, dit hoorde, vertrok hij onmiddellijk naar Heerlen, waar hij verklaarde dat het als een daad van sabotage zou worden beschouwd als het personeel de volgende dag niet op het werk verscheen. 72] Overal vormden zich intussen kleine en grotere groepen, waarin de jongste maatregel druk werd besproken. Gold die ook voor de mijnwerkers? Het gerucht ging dat de arbeiders in de mijnindustrie er niet door getroffen zouden worden, maar dat bleek vooralsnog onjuist. 73]
Een kleine, illegale kern van voornamelijk reserve-officieren kwam diezelfde avond bijeen in het R.-K. Volkshuis in Heerlen. Ook J.H. Maenen, de gewezen voorzitter van de Limburgse R.-K. Werkliedenbond, was aanwezig. De volgende dag verscheen voor het eerst sinds de arrestatie van een aantal medewerkers in het najaar van 1942 weer een editie van het illegale blad “Het Vrije Volk”. 74]
Daarin werden de mijnwerkers aangespoord bedachtzaam te blijven en niet aan het werk te gaan voordat generaal Christiansen de verordening zou hebben ingetrokken. De nachtploeg van de Staatsmijn Maurits, ongeveer vijftienhonderd man, pleegde op weg naar de mijn overleg. Ruim elfhonderd mijnwerkers besloten niet af te dalen en hun collega’s van de ochtendploeg op te wachten en over te halen hetzelfde te doen. De nachtploegen van de Oranje Nassaumijnen I en II lieten het eveneens grotendeels afweten. Zes mijnwerkers van de Oranje Nassau II werden gearresteerd. Ströbel berichtte zijn superieuren in Den Haag dat een uitbreiding van de staking te verwachten was en hij verzocht om een beslissing of het politiestandrecht voor de Mijnstreek moest worden afgekondigd. Zijn vermoeden werd bewaarheid. Vooral in de Staatsmijnen greep de staking om zich heen. Terwijl het opkomstpercentage voor de gezamenlijke nachtploegen nog op 60% lag, kwam ruim de helft van de arbeiders van de ochtendploegen van 30 april niet opdagen.
Van de middagploeg verscheen nog maar 15% op het werk. De produktie daalde die dag met ruim 80%. Overal bevonden zich groepen mensen op straat en er heerste een gespannen, onrustige sfeer. Het busvervoer van en naar de mijnen liep in het honderd. Tal van bedrijven die van de mijnen en hun gasleveranties afhankelijk waren moesten worden stilgelegd. Vervoermiddelen op gas reden niet meer. Bovendien legden de kolenschippers in de overslaghavens aan het Julianakanaal het werk neer, zodat de energievoorziening buiten Limburg gevaar liep. Reden genoeg voor Rauter om ’s middags voor Limburg het politiestandrecht af te kondigen. De toepassing ervan werd toevertrouwd aan de Duitse kapitein Bernickel. Als president van het standrecht trad een rechter uit Düsseldorf, de S.S.-er Hansen, op. In de loop van de middag arriveerde een bataljon van de Ordnungspolizei in Maastricht. Vijfendertig mijnwerkers van de Staatsmijn Hendrik werden gearresteerd en naar Maastricht overgebracht.75] Mijnbeheerder Bruch vroeg de waarnemend algemeen directeur van de Staatsmijnen, ir. D.P. Ross van Lennep, een lijst van alle stakers. Deze weigerde, evenals de andere directies. In de nacht van vrijdag op zaterdag en in de loop van de dag nam de Ordnungspolizei nog eens honderdvijfendertig personen in hechtenis om de druk op de stakers en de directies op te voeren. De mijndirecties bleven onvermurwbaar: de lijsten werden niet aan de Duitse autoriteiten overhandigd. Wel probeerden ze de mijnwerkers te overreden het werk te hervatten, aangezien Bruch had laten doorschemeren dat er wel eens doden konden vallen. 76] Het opkomstpercentage schommelde de hele zaterdag tussen 5 en 10%, maar de geruchten omtrent doodvonnissen en de talrijke arrestaties leidden ertoe dat bijna 85% van de nachtploegen weer op het werk verscheen. In de Oranje Nassau-mijnen I en II lag het percentage zelfs boven de 100%, omdat mijnwerkers uit andere ploegen kwamen opdagen teneinde verder onheil te voorkomen. 77]
Ondanks de hoge opkomst lichtten de Ordnungspolizei en de Sipo in de nacht van zaterdag op zondag nog eens twintig mijnwerkers van hun bed. Op het bureau van de Sipo-Maastricht zaten inmiddels circa tweehonderd arrestanten uit alle delen van de provincie. Enkelen moesten na verhoor voor het politiestandrecht verschijnen, dat die zaterdagnacht voor het eerst bijeen kwam. Ströbel trad op als aanklager van de mijnwerkers en zijn collega R.H.G. Nitsch van de overige arrestanten. Rauter had het aantal doodvonnissen voor Limburg bepaald op tien, maar vooralsnog kwam men niet verder dan zeven. Onder de terdoodveroordeelden waren drie mijnwerkers: S. Toussaint uit Amstenrade en M. Tempelaars en R. Savelsberg uit Heerlen. Nadat Rauter het oordeel van het politie-standrecht had bekrachtigd, werden de zeven - tot de vier anderen hoorden drie C.C.D.-medewerkers en een chemicus uit Roermond - op 2 mei in de Hamert, een heidegebied ten noorden van Venlo, doodgeschoten. 78]
Zondag 2 mei bleef het rustig in de Mijnstreek, maar er hing een nerveuze, gespannen sfeer. In tal van plaatsen verschenen vlugschriften met de oproep door te gaan met de staking. De mijndirecties kwamen voor overleg bijeen. Ze gingen er ten onrechte van uit dat de staking op maandag zou aflopen. Bijna 40% van het personeel van de ochtendploegen kwam niet opdagen. Daarop arresteerden Sipo en Ordnungspolizei nog eens honderdveertig mijnwerkers en andere stakers. Vrouwen en kinderen wierpen zich voor de wagens waarin de arrestanten werden afgevoerd. Vermoedelijk wilde men de druk nog verder opvoeren, want in de vroege ochtend van 4 mei hoorden tien stakers het doodvonnis tegen zich uitspreken. Met de voltrekking werd nog even gewacht. 79] Er was trouwens al een slachtoffer gevallen. Bij de overbrenging van de gevangenis naar de rechtszaal probeerde H. Horstmann uit Kerkrade te ontsnappen, maar hij werd door een kogel in de arm getroffen. Op commando van de bevelvoerende officier werd hij meteen daarna op straat doodgeschoten. Door de executies op zondag en de nieuwe arrestatiegolf verliep de staking. Van het personeel van de middagploegen verscheen 75% op het werk. Bij de nachtploegen lag het percentage nagenoeg op honderd en in sommige mijnen zelfs ruim daarboven. 80]
Het conflict tussen de Sipo en de mijndirecties over het afgeven van stakerslijsten bereikte in de ochtend van maandag 3 mei een hoogtepunt. Elf hoge mijnfunctionarissen werden in hechtenis genomen. Ströbel voerde de pressie verder op door met massaexecuties te dreigen. Desondanks hielden de directies onder leiding van Ross van Lennep nog enige tijd voet bij stuk. Pas toen duidelijk werd dat het voor de Sipo slechts een prestigekwestie was, besloten ze water bij de wijn te doen. Er werden absentielijsten opgesteld van mijnwerkers die vanwege ziekte, verlof, een ongeval of een misverstand weggebleven waren. De Sipo-Maastricht sputterde aanvankelijk tegen, maar nam er tenslotte genoegen mee. Bruch had namelijk de hulp ingeroepen van zijn Duitse superieur, die van oordeel was dat, gelet op de gunstige produktiecijfers, de Nederlandse mijnwerkers met rust gelaten moesten worden. De secretaris van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, H.M. Hirschfeld, was dezelfde mening toegedaan. Hij bood Rauter krachtig tegenspel en stelde hem voor de keuze: “Was wollen Sie, Leichen oder Kohle?”. 81]
Dinsdag 4 mei was de staking voorbij. Alle ploegen verschenen weer voltallig, of zelfs overcompleet, op het werk. De vorige dag waren de meeste arrestanten al vrijgelaten. Het doodvonnis tegen de tien stakers werd opgeschort en op 26 mei omgezet in een tuchthuisstraf van 15 jaar. Een van hen keerde niet uit Duitse gevangenschap terug. Het gederfde loon werd uitbetaald. Op 13 juli 1943 konden de directeuren en bedrijfsleiders uit het gijzelaarskamp St. Michielsgestel huiswaarts keren. Vier van hen verloren hun baan. 82]
Niet alleen in de Mijnstreek, ook elders in de provincie was op vrijdag en zaterdag massaal gestaakt. Talrijke ambtenaren bleven korte of langere tijd van hun werk weg. Honderden grenswerkers bleven thuis. Boeren en melkrijders legden de melkproduktie en verwerking lam. Velen hoopten dat landelijke bedrijven als de P.T.T. en de Nederlandsche Spoorwegen zich bij de staking zouden aansluiten. Het succes zou dan compleet zijn. In Susteren, Maastricht, Blerick en Venlo leek dat korte tijd inderdaad te gaan gebeuren, maar door Duitse pressie en het uitblijven van landelijke directieven kwam het er uiteindelijk niet van. 83] Een teleurgestelde inwoner van Horn noteerde al op 1 mei in zijn dagboek: “Nog altijd werken de Spoorwegen en de P.T.T. De mensen zijn hierdoor volkomen ontmoedigd. De meeste (stakers) hebben al een dreigbrief van de Sipo gekregen, dat overmorgen, maandag, het werk hervat moet worden. Tot overmaat van ramp komen berichten binnen uit Amsterdam en Den Haag dat daar van staken geen sprake is. Men is volkomen verslagen. We kennen vandaag maar één gevoel, dat van grenzeloze verbittering over het mislukken van ons verzet”. 84]
Niet iedereen liet zich door zulke tegenslagen ontmoedigen. Menigeen raakte door de spontane uitbarsting geïnspireerd en riep op te volharden in het verzet. Op het spoorbaanvak Heerlen-Maastricht werden pamfletten aangetroffen met de tekst: “Nederlanders, ga door met het verzet, de eindstrijd nadert, de moffen weten dat ze hun “oorlog” verloren hebben. Daarom willen ze onze mannen en jongens uit ons geliefd vaderland wegvoeren. Geen enkele ware Nederlander mag naar Duitschland gesleept worden. Arbeiders, ambachtslui, spoorwegpersoneel en boeren ken Uw plicht. De moffen weten dat de Nederlanders niets voor hun “nieuwe orde” voelen. De moffen en de “leider van het Nederlandsche volk” weten onderhand dat het Nederlandsche volk niet achter hen staat. Nederlandsche politiemenschen werkt niet mee ons volk in slavernij te leiden. Er bestaat slechts één bevel; het bevel: verzet... voor koningin, geloof en vaderland”. 85] In Heythuysen spijkerde iemand de volgende tekst tegen een boom: “Voor allen, door allen. Werkende bevolking van Nederland. Laat U niet door de vijand met zijn dreigementen overbluffen. Blijf staken totdat wij onze mannen weer in ons vaderland kunnen behouden. Laat U niet afschrikken door bruut geweld. Soldaten... meldt U niet: nu zijn wij in de meerderheid. Blijft staken... leve het leger...staak...staak ...staak...verspreiden...verspreiden”. 86] M.A.M. Bouman, hoofdcontroleur van de C.C.D. in Roermond, liet op de eerste stakingsdag een stakingsoproep stencilen, die hij door collega’s en O.D.-ers in de regio liet verspreiden. 87] In Weert deed de O.D.-er J.H.H. Erkens hetzelfde. 88] Elders verschenen vergelijkbare oproepen. Overal in de provincie wakkerde de staking de verzetsgeest aan. De spontane uitbarsting had in zekere zin een louterend effect. Men werd zich meer en meer bewust van het belang van een goede organisatie. Het welslagen van elke actie of activiteit hield er verband mee. Bovendien kwam men er achter welke politiemannen betrekkelijk ongevaarlijk waren, wie sympathiek ten opzichte van de staking stonden en voor wie moest worden opgepast. Hetzelfde gold voor N.S.B.-ers. Het werd een stuk duidelijker wie wel en wie niet te vertrouwen was, van wie men eventueel steun kon verwachten en van wie niet. 89]
Zijn er verschillen in omvang en aard van de staking tussen het noorden, midden en zuiden van de provincie? Bij de beantwoording van deze vraag spelen de houding van de geestelijkheid en verschillen tussen stad en platteland, mogelijk zelfs een subjectief criterium als bevolkingsmentaliteit, een rol. Op het Noordlimburgse platteland viel de staking in de zuivelfabrieken en van de melkrijders het meest op. In Ottersum lieten laatstgenoemden de melk in de Niers wegstromen. Het busvervoer kwam op vrijdag 30 april vrijwel overal tot stilstand en het werk in sommige industrieën als houtzagerijen en meubelmakerijen werd stilgelegd. Rond Venray toerde die dag een wagen van de C.C.D. waaruit een bundel bonenstaken stak: de staken spraken voor zich. In Tegelen was de staking vrijwel algemeen: zowel in het agrarisch bedrijf als in de industrie werd tot maandagmiddag niet gewerkt. Ambtenaren in Venlo legden na intensief overleg in de loop van vrijdag het werk neer. De industriearbeiders reageerden spontaner. Door de verspreiding van pamfletten breidde de staking zich op zaterdag verder uit, maar omdat de P.T.T. en de Spoorwegen het lieten afweten verliep de staking op maandag. 90]
Vooral in Noord- en Midden-Limburg speelde de geestelijkheid een rol op de achtergrond. Menigeen won bij pastoors en kapelaans advies in. De geestelijken beperkten zich voornamelijk tot het aansporen tot staken. Anderzijds drongen zij aan op bedachtzaamheid. Die bedachtzaamheid namen zij zelf ook in acht. De Sipo vermoedde namelijk, dat de Kerk de staking stimuleerde en zag erop toe dat zich op zondag 2 mei in de kerken overal in de provincie luistervinken bevonden. Hoewel sommige pastoors en kapelaans zinspeelden op de jongste ontwikkelingen, gingen ze nergens openlijk op de actuele situatie in. 91] Evenals in Noord-Limburg kwam het in het midden van de provincie tot een melkstaking. In de ene plaats nam een boer of melkrijder het initiatief, in een andere de zuivelfabriek. Overigens was de staking op het Middenlimburgse platteland niet algemeen. 92] In Weert, een industriegemeente met een sterk op België georiënteerde bevolking, brak op vrijdagmorgen een staking uit onder ambtenaren, boeren, landarbeiders, industriearbeiders en middenstanders. Pas na Duits militair machtsvertoon gingen de meesten op dinsdag 4 mei weer aan het werk, zij het traag en waar mogelijk saboterend. 93] In de binnenscheepvaarthaven van Maasbracht ging het sluispersoneel in staking. De N.S.B.-burgemeester riep de hulp van de Duitsers in en na dreiging met executies werd het werk hervat. 94] In Roermond nam het overheidspersoneel het voortouw, waarna de meeste particuliere bedrijven volgden. Reeds op zaterdag hervatte een deel van de ambtenaren het werk; in de industriesector werd nog doorgestaakt tot maandag en dinsdag. 95]
De Roermondse C.C.D.-er M. Bouman speelde een belangrijke rol in de April-Meistaking. Hij vervaardigde, zoals gezegd, stakingsoproepen en liet onder het C.C.D.-personeel een solidariteitsverklaring ter ondertekening circuleren. Aangenomen mag worden dat de Sipo hem hierdoor op het spoor kwam. Hij moest met twee collega’s, L.Th. Brouwer uit Maastricht en P.L. Ruyters uit Heer, op zondagmiddag 2 mei voor het politiestandrecht verschijnen. Aanklager Nitsch beschuldigde Bouman ervan na de afkondiging van het standrecht een stakingsoproep te hebben vervaardigd. Zijn twee collega’s zouden de oproep hebben verspreid. Hij eiste de doodstraf, een eis die door het standrecht werd overgenomen. 96] Tot de zeven slachtoffers van het standrecht hoorde ook de chemicus J.L. Boogerd uit Roermond, een medewerker van het bedrijf E.C.I. (Electro Chemische Industrie). Het voltallige personeel van de E.C.I. had het werk neergelegd, waarna alle tweeëntwintig medewerkers gearresteerd en naar Maastricht waren overgebracht. Ter intimidatie van de overigen pikte men er een willekeurig personeelslid uit. Met de drie eerder genoemde mijnwerkers en de drie C.C.D.-ers werd Boogerd tegen de avond van 2 mei in de Hamert geëxecuteerd door een vijftien man tellend vuurpeloton van de Ordnungspolizei. 97]
De April-Meistaking ging vrijwel ongemerkt voorbij aan het Zuidlimburgse platteland. Slechts de melkleveranties stagneerden. 98] De Zuidlimburgse steden en verstedelijkte gebieden gaven daarentegen een heel ander beeld te zien. Stimuleerde de C.C.D. onder leiding van Bouman c.s. de staking in Midden-Limburg, in Maastricht was die rol weggelegd voor de belastingdienst. M. Bartels, een van de chefs van het belastingkantoor, belde donderdagmiddag enkele overheidsinstellingen en grote bedrijven. Hij vertelde in bedekte termen wat men van plan was. Op donderdagavond werd het stakingsparool gegeven en vrijdagmorgen legde het overheidspersoneel in Maastricht het werk neer. De industriearbeiders volgden het voorbeeld in de loop van de ochtend en tegen de middag was de staking vrijwel algemeen. Van een gespannen sfeer was geen sprake tot de Sipo ingreep. Op zaterdag hervatte het overheidspersoneel het werk en op maandag was de opvallend gedisciplineerd verlopen staking voorbij. Evenals elders legde het feit dat de Spoorwegen niet hadden meegestaakt veel gewicht in de schaal. 99]
Het overheidspersoneel in grote delen van de Mijnstreek legde op 30 april het werk neer. Middenstanders sloten zich aan evenals talrijke bedrijven en het personeel van de Limburgsche Tramweg Maatschappij, zodat de verbindingen werden verbroken. In de loop van zaterdag en maandag werd het werk hervat. 100] Alleen in Vaals staakte de distributiedienst op zaterdag door. De Sipo nam drie medewerkers van de dienst in hechtenis. 101] De gebeurtenissen in Sittard volgden min of meer het patroon van Maastricht. Het enthousiasme was even groot, maar de staking verliep er minder gedisciplineerd. Tot zaterdag heerste in Sittard een opgewonden, zelfs uitgelaten sfeer. Mijnwerkers namen het voortouw, in de loop van vrijdag volgden het overheidspersoneel en het personeel van enkele particuliere bedrijven. Toen duidelijk werd dat de staking niet het gewenste resultaat opleverde, sloeg de stemming in de loop van zaterdag om in neerslachtigheid.102] Samenvattend kan worden gezegd dat de staking in de steden en geïndustrialiseerde gebieden een algemeen karakter had. De toestand in de Mijnstreek baarde de Duitsers veruit de meeste zorgen.
Middelen als militair machtsvertoon, intimidatie en het uitspreken van doodvonnissen werden er op ruime schaal toegepast. In de overwegend agrarische delen van de provincie was dat minder nodig; de staking was er zeker niet algemeen en het openbare leven dreigde er geen moment ontwricht te raken.

II.3. Ontstaan en ontwikkeling van de duikorganisatie in Limburg

In de voorgaande paragrafen is nagegaan welke omstandigheden en ontwikkelingen van belang waren bij de totstandkoming en groei van de duikorganisatie. Een sterk ontwikkeld gemeenschapsleven, de doorgaans krachtige geestelijke leiding en de toename van de Duitse pressie gaven daarbij de doorslag. Op 17 februari 1943 publiceerden de bisschoppen en de protestantse Kerken een protestbrief tegen de jodendeportaties en de jacht op studenten die aan duidelijkheid niets te wensen overliet: “Gij zult Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen. Dit woord geldt als richtsnoer bij alle gewetensconflicten, ook bij die, welke door de genomen maatregelen zijn opgeroepen. Om der wille van het recht Gods mag door niemand eenige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor mede schuldig maakt aan dat onrecht”. 103] Deze passage betekende voor menig gelovige niet alleen de zoveelste aanklacht aan het adres van de bezetter, maar tevens een legitimatie om zich tegen de onrechtvaardige maatregelen te weer te stellen, ze te ontduiken en te saboteren. In hun herderlijke brief van 12 mei 1943 gaven de bisschoppen nogmaals aan wat ze als onrechtvaardig beschouwden. Ofschoon ze verklaarden dat hen geen machtsmiddelen ter beschikking stonden, was het voor de goede verstaander duidelijk dat voor hen met de voorgenomen arbeidersdeportatie de maat vol was. 104]
Secretaris J.L. Moonen interpreteerde de protestbrieven van februari en mei vrij vertaald als volgt: “Wanneer de bisschoppen verzet aantekenen tegen de Duitse maatregelen, dan houdt dat voor ons een bevel in om ons ook tegen de maatregelen te weer te stellen, of om ons eraan te onttrekken. Maar dan moeten we ook de consequenties ervan aandurven, dan moeten we onderduikers en joden ook helpen, dan moeten we ook zorgen dat ze gevoed worden en gekleed, dan moeten we ook hun gezinnen, die achterblijven, bijstaan, dan moeten we zorgen dat de materiële middelen daartoe aanwezig zijn. Want het gaat niet aan dat we de bisschoppen maar laten spreken, dan moeten we zelf ook actief zijn. Dan moeten met de leken ook de priesters samenwerken, zij mogen zich niet afzijdig houden bij de oplossing van het gewetensconflict, dat hiermee voor velen geboren is”.105] Deze redenering gaf volstrekte duidelijkheid over de vorm waarin de hulpverlening gegoten zou moeten worden.
Moonens zienswijze had zich in de voorafgaande jaren kunnen ontwikkelen door zijn kennis van de humanitaire hulp aan krijgsgevangenen, joden en anderen die om uiteenlopende redenen hadden moeten onderduiken. Met name in Noord- en Midden-Limburg bestonden al talrijke verzetskernen waarin leken en geestelijken harmonieus samenwerkten. Een combinatie van hun ervaringen en de relatief gunstige geografische omstandigheden bevorderde het ontstaan van de provinciale duikorganisatie in dit deel van Limburg. 106]
Aan het hierboven geschetste beeld van verzet beantwoordde de Venlose kapelaan J.J. Naus. Hij had al enige ervaring opgedaan bij het onderbrengen van onderduikers in de regio, vooral in zijn geboortestreek ten westen van de Maas. Door de in de lente en de zomer van 1943 te verwachten toeloop van grote groepen jonge onderduikers zag de kapelaan zich genoodzaakt op zoek te gaan naar hulpkrachten en structuur aan te brengen in de opvang en alles wat daarmee samenhing. Aangenomen mag worden dat hij dat in overleg met secretaris Moonen deed. Naus beschikte al over verbindingen in Venlo en in sommige dorpen op de westelijke Maasoever. In zijn woonplaats werkte hij onder meer samen met kapelaan P.G. van Enckevort en onderwijzer J.J. Hendrikx. Nu was het tijdstip aangebroken om de krachten te bundelen. Omdat het zowel Moonen als Naus raadzaam leek de geestelijkheid niet nadrukkelijk op de voorgrond te laten treden, werd Hendrikx gevraagd of hij bereid was mee te werken aan de opbouw van een regionale organisatie en te zijner tijd de leiding op zich te nemen. De 26-jarige onderwijzer stemde met het voorstel in.
Wie was deze Hendrikx, die zich weldra “Ambrosius” zou gaan noemen? Na de lagere en middelbare school had hij een opleiding aan de kweekschool gevolgd, maar het duurde tot het eind van de jaren dertig voordat hij als vrijwilliger tijdelijk aan de slag kon aan de openbare lagere school te Venlo. Na zijn vertrek besloot hij pedagogiek te gaan studeren in Nijmegen. Die studie kon hij niet afmaken, omdat de universiteit haar poorten sloot naar aanleiding van de loyaliteitsverklaring. Begin 1943 kreeg Hendrikx een tijdelijke betrekking aan de openbare school voor uitgebreid lager onderwijs in Venlo. Door de moeizame start van zijn carrière was hij gedeprimeerd geraakt en aan het twijfelen gebracht. De wat dromerige jongeman vond echter nieuwe inspiratie bij Gandhi, wiens pacifisme en geweldloos verzet hem aanspraken. Door het geven van humanitaire hulp hoopte hij iets van Gandhi’s denkbeelden in praktijk te kunnen brengen. 107]
Kapelaan Naus bood hem die kans. Al in mei ontwierp een enthousiaste Hendrikx een gedetailleerd schema voor een onderduikorganisatie in de regio Venlo. Met de O.D. van generaal Jans werd overlegd in hoeverre de twee organisaties met elkaar konden samenwerken en hoe de hulp aan onderduikers op provinciaal niveau het beste kon worden georganiseerd. Met medewerking van de O.D. en door andere verzetsrelaties erbij te betrekken lukte het nog in mei de districtsorganisatie voor Venlo rond te krijgen. Aangezien in de regio Roermond in dezelfde periode op initiatief van de redemptorist L.A. Bleijs en H.L. van Hooydonk vergelijkbare ontwikkelingen plaatsvonden, besloot Moonen de initiatiefnemers bij elkaar te brengen. In juni 1943 vonden verscheidene, naar de omstandigheden gemeten, druk bezochte vergaderingen in Venlo en Roermond plaats. Ervaringen werden uitgewisseld en men ging na hoe de opbouw en de structuur van de snel groeiende organisatie het best konden worden uitgewerkt. 108]
Vooralsnog lag het initiatief bij de geestelijkheid. Dat bleek eens te meer uit het plan van de vier belangrijkste medewerkers, Naus, Van Enckevort, Hendrikx en Bleijs, om geestelijken uit alle delen van de provincie in Roermond bijeen te roepen met het doel om in gebieden waar nog niets gebeurde, maar de problemen zich snel opstapelden, een duikorganisatie in het leven te roepen. Vermoedelijk vond deze provinciale oprichtingsvergadering in juli plaats.
Naast de vier initiatiefnemers waren aanwezig: kapelaan A.A.R.H. Corbeij uit Bergen en zijn assistent G.A. Smals student medicijnen uit Vierlingsbeek, kapelaan Th.M.C.H. Pol uit Weert, kapelaan J.G.W. Joosten uit Maastricht, kapelaan N.M.H. Prompers uit Heerlen en kapelaan L.M.H. Penders uit Gulpen. Hoewel sommigen twijfelden, verklaarden de meesten zich bereid in hun regio de organisatie voor hulp aan onderduikers ter hand te nemen. Naus, Van Enckevort, Hendrikx en Bleijs zouden de provincie afreizen om nieuwe verbindingen te leggen. Deze werkzaamheden konden worden geïntensiveerd toen de twee Venlose kapelaans op 14 augustus moesten onderduiken. De Sipo-Maastricht was hen op het spoor gekomen na de ontruiming van het onderduikerskamp in de bossen bij Helden op 17 juli 1943 (zie hoofdstuk VIII, paragraaf IV.4.2.). Nadat een gearresteerde onderduiker en diens gastgever iets hadden losgelaten over een onderwijzer uit Venlo, dook Hendrikx in september onder en kwam ook hij geheel ter beschikking van de organisatie.
De inzet van de Venlonaren en de geestelijken in andere delen van de provincie wierp weldra vruchten af. Overal ontstonden groepen die zich op de hulp aan onderduikers gingen toeleggen. Bovendien kwam men in aanraking met dominees als H.R. de Jong (Venlo) en H.Ch.J. Hoogendijk (Roermond) en andere protestanten die voor nieuwe contacten zorgden in protestants-christelijke kring. Kaart 40. Gewest Limburg: indeling in districten
Het eerste district dat zich bij Venlo en Roermond aansloot was Vierlingsbeek. De inspanningen van Corbeij en Smals en een bezielende speech van Hendrikx voor een klein gehoor leidden ertoe dat de organisatie er in augustus rond was. Een maand later volgden Nijmegen, Weert, Heerlen en Maastricht. Op 1 oktober 1943 vond in Roermond de eerste gewestelijke vergadering plaats. Dezelfde maand kon het district Venray aan het gewest worden toegevoegd. Met de aansluiting van het district Maas en Waal en de afsplitsing van Gulpen van het district Heerlen was de Limburgse organisatie in januari 1944 voltooid. 109] Hoe zag de organisatie eruit? Elke plaats of parochie vormde een afzonderlijke eenheid, geleid door een wijk- of duikhoofd. Het was de taak van het duikhoofd en zijn medewerkers op zoek te gaan naar gastgezinnen die bereid waren een of meer onderduikers op te nemen. Eventuele bijkomende problemen moesten worden opgelost en er werd nauwkeurig bijgehouden wie moest onderduiken, welke gastgezinnen voor materiële of financiële ondersteuning in aanmerking kwamen en hoeveel bonkaarten, persoonsbewijzen of andere bescheiden nodig waren. De rayonleider, die aan het hoofd stond van vier of vijf dorpen of een grotere plaats, ontving deze gegevens. Hij bekleedde een coördinerende functie en onderhield doorgaans het contact met de districtsleider. Elk district tenslotte vaardigde een vertegenwoordiger af naar de gewestelijke vergadering.
Sedert de zomer van 1943 werden gemiddeld twee van de drie onderduikers door de organisatie aan een adres geholpen. Aanvankelijk richtte men op de westelijke Maasoever van Midden- en Noord-Limburg enkele kampen in, omdat verwacht werd dat de geallieerde invasie niet lang meer zou uitblijven en de bevrijding slechts een kwestie van enkele maanden was. Na de gebeurtenissen rond het kamp in Helden liet men deze werkwijze varen. Er waren trouwens in de steden en op het platteland al veel adressen voor onderduikers beschikbaar gekomen. De introductie van de onderduiker bij zijn gastgezin geschiedde aan de hand van een “Turkse pas”. Dat was een in tweeën gescheurd papiertje, waarvan de onderduiker en het duikhoofd of diens vertegenwoordiger ieder een helft ontvingen via de rayon- of districtsleiding. De organisatoren trachtten onderduikers uit het district, indien mogelijk, in de vertrouwde omgeving te plaatsen en passende arbeid te verschaffen. ’s Zomers leverde dat nauwelijks problemen op: bij de boeren was genoeg werk. Niettemin was het onderwerp “arbeidsmarkt” meestal een van de hoofdthema’s op de rayonvergaderingen. Als iemand moeilijk bemiddeld kon worden, kwam het probleem op de districtsvergadering opnieuw aan de orde. Het hoefde geen kwestie te zijn van persoonlijke tegenstellingen tussen duiker en gastgezin of onkundigheid van de helpers; het kon eveneens te maken hebben met het feit dat de persoon ook als onderduiker gevaar liep, dat hij zijn omgeving of de organisatie door bijvoorbeeld loslippigheid in gevaar bracht of omdat hij vanwege illegaal werk uit de regio en uit het zicht van de bezetter moest verdwijnen.
Het uitgangspunt om onderduikers zoveel mogelijk in het eigen district te laten onderduiken had onmiskenbare voordelen: de controlemogelijkheid van de organisatie was naar verhouding groot en het vertrouwde milieu hoefde niet te worden losgelaten, zodat de kans op spanningen verminderde en de aanpassing meestal soepel verliep. Bij een eventuele razzia had de onderduiker bovendien meer kans de dans te ontspringen, omdat hij bekend was met de omgeving. 110] Niettemin vonden vanwege de geografische omstandigheden naar verhouding de meeste onderduikers onderdak op het platteland met zijn vele boerengezinnen ten westen van de Maas in Noord- en Midden-Limburg, in de Mijnstreek en naderhand ook wel in het district Gulpen. 111] In deze districten bereikte de organisatie de hoogste graad van perfectie. Niet alleen geografische factoren waren van belang. Bevolkingsmentaliteit en bevolkingsdichtheid, ervaring, het al dan niet moeten onderduiken van organisatoren en medewerkers, zodat zij nog meer tijd konden besteden aan het duikwerk, en arrestaties van illegale werkers wierpen eveneens gewicht in de schaal. 112]
De districten, kern van de duikorganisatie, bezaten een grote mate van autonomie. Aan het hoofd van de meeste districten stond een districtsleider, maar veel verantwoordelijkheid berustte bij de districtsraad. Naast de plaatsing van onderduikers was deze raad belast met het toezicht op de materiële en financiële verzorging van de onderduikers alsook van achtergebleven gezinnen van gedetineerden en gefusilleerden, het verzamelen en distribueren van levensmiddelen voor gezinnen met meer onderduikers, een speciale postdienst voor onderduikers, waarvoor een adres werd gezocht waar de brieven van familieleden konden worden afgegeven, het onderhouden van contacten met instanties als politie, distributiekantoor, gewestelijk arbeidsbureau, gemeentediensten en crisis-controledienst, de verspreiding van illegale bladen en de beveiliging van de organisatie door het instellen van alarmsystemen en het bedrijven van contraspionage met het oog op eventuele verraders en provocateurs. 113] De districtsraad vormde de schakel tussen het gewest en de rayons. Meestal kwam de raad daags voor of daags na een gewestelijke vergadering bijeen. De lopende zaken werden besproken en de papieren bescheiden zoals bonnen en legitimatiebewijzen, waarom tevoren gevraagd was, alsook illegale bladen werden verdeeld en doorgegeven aan de rayonhoofden. De distributie geschiedde door medewerkers of koeriers. Hun functie won gaandeweg aan belang, ook in verband met het onderhouden van het groeiend aantal contacten. 114]
De gewestelijke vergadering vormde de schakel tussen de landelijke leiding (zie paragraaf III.1.) en de districten. Doorgaans zag de agenda er min of meer hetzelfde uit: uitwisselen van ervaringen, mededelingen over belangrijke gebeurtenissen in den lande of in de provincie, beveiliging van de organisatie, aantal onderduikers dat geplaatst kon worden, mogelijke adressen voor joodse onderduikers, aantal benodigde bonkaarten en eventuele andere papieren bescheiden, financiële aangelegenheden, mededelingen van de landelijke L.O.-leiding, uitdeling van bonnen, andere bescheiden en gelden, uitwisseling van papieren, vaststellen van wachtwoorden en schuilnamen en de bespreking van specifieke problemen zoals de overplaatsing van lastige onderduikers. 115]
Sedert oktober 1943 werd op woensdag vergaderd; aanvankelijk onregelmatig, maar na enige tijd elke twee weken en tenslotte wekelijks. Voordien hadden enkele kleinere, incidentele bijeenkomsten plaatsgevonden. Roermond was de vaste plaats van samenkomst. Afwisselend vonden de vergaderingen plaats in hotel “Het Gouden Kruis” aan de Kapellerlaan, een zaaltje in het klooster van de paters Redemptoristen, in het klooster van de zusters Ursulinen, in café “De Beurs” van de familie Bronckhorst aan de Markt en in de woning van de bakkersfamilie Loven-Everts aan de Marktstraat. Naast de districtsafgevaardigden waren Naus, Hendrikx, Van Enckevort en Bleijs aanwezig. Sommigen bekleedden aanvankelijk twee functies: zij vertegenwoordigden een district èn maakten deel uit van de gewestelijke leiding.
Door de toename van het werk op provinciaal en landelijk niveau ontstond langzamerhand een apart groepje dat in januari 1944 als gewestelijke duikraad werd geïnstitutionaliseerd. Daarvan maakten naast de vier boven genoemde personen J.H.A.E. Cornips uit Heerlen en G.A. Smals uit Vierlingsbeek deel uit en naderhand ook G.J. Kuiper uit Maastricht. De duikraad kwam kort voor de gewestelijke vergadering in Roermond op de eerder genoemde adressen bijeen. Het was een soort voorvergadering waarin kwesties van financiële aard, verdeling van bonnen e.d. alvast werden doorgenomen, zodat de eigenlijke vergadering niet nodeloos lang hoefde te duren, wat vóór die tijd regelmatig voorkwam. De duikraad nam beslissingen over voorstellen van de landelijke L.O.-leiding en van Naus en Hendrikx, medewerkers met de meeste contacten in en buiten de provincie. De leiding had J. Hendrikx, J. Naus beheerde de financiën en Van Enckevort hield zich bezig met organisatorische aangelegenheden. Het algemeen beleid en de beslissingsbevoegdheid op provinciaal niveau verschoven dus gedeeltelijk van de gewestelijke vergadering naar de gewestelijke duikraad. Na de arrestatie van de districtsleider van Roermond, J.A.H. Delsing, op 27 april 1944 vonden de gewestelijke en duikraadvergaderingen niet meer in Roermond plaats. Voortaan kwam men afwisselend in Heerlen, Maastricht, Blerick, Wittem en Weert bijeen. Kort tevoren, omstreeks januari 1944, had J. Hendrikx zijn “secretariaat” verplaatst van Venlo naar Nijmegen. Zijn beslissing viel
niet bij iedereen in goede aarde. Sommigen dachten dat Limburg te ver van de eigen centrale kwam te liggen en aan importantie zou verliezen, maar Hendrikx had er goede redenen voor. Aan Duitse zijde heerste een sterk vermoeden dat Venlo het organisatorisch centrum van de duikorganisatie was. Verhoogde activiteit van de Sipo in Venlo en de arrestatie van onder anderen Hendrikx’ koerier F.G.M.J. Coehorst hadden deze veronderstelling bevestigd. Bovendien lag Nijmegen gunstig met het oog op de landelijke verbindingen. De secretaris van Hendrikx, de student M.M.L.G.M. Custers, leidde het centraal secretariaat dat gevestigd werd aan de St. Annastraat. Hier kwamen de aanvragen voor bonkaarten en valse papieren en de gegevens over onderduikers binnen. Custers speelde ze via Hendrikx door naar de landelijke L.O.-leiding waarna de benodigde bescheiden via Nijmegen door koeriers naar Limburg werden gebracht. De koeriers onderhielden tevens het contact tussen de districten en de Nijmeegse centrale. Het centraal secretariaat - naderhand omgedoopt in L.O.-Stafkwartier Zuid - bereidde tevens de vergaderagenda voor. Weldra nam de vraag naar valse papieren een dusdanige omvang aan dat in Nijmegen een aparte falsificatiecentrale werd opgezet. Daarnaast werd een recherche-apparaat in het leven geroepen dat zich bezighield met het schaduwen van verdachte personen en nieuwe medewerkers van wie men niet geheel zeker was of ze betrouwbaar waren en met alle zaken die met de beveiliging van de organisatie samenhingen. Het tot in de puntjes georganiseerde secretariaat functioneerde tot ieders tevredenheid.
Naast de genoemde secties bestonden er nog speciale afdelingen voor koeriers, repatriëring van arbeiders en studenten uit Duitsland, voorzieningen in natura voor onderduikers, gastgezinnen en gezinnen waarvan de kostwinner was weggevallen. Hendrikx, die steeds vaker in Nijmegen vertoefde, coördineerde een en ander. 116]
Hoewel de Limburgse duikorganisatie een gedegen indruk wekte, ontstonden in 1943 en 1944 enkele interne en externe conflicten. Het betrof de afbakening van de districten en de bemoeienis van het gewest Limburg met aangrenzende regio’s. Meestal kwamen die territoriale ruzies voort uit jaloezie en expansiedrift, maar ze ontstonden ook wel doordat illegale werkers uit een bepaalde streek contacten onderhielden met andere gewesten of districten waardoor botsingen ontstonden omdat hetzelfde gebied geclaimd werd. Vooral rond het district Heerlen ontstonden aanvankelijk problemen. Ofschoon er in Gulpen al een duikorganisatie bestond, beweerde een districtsafgevaardigde uit Heerlen eind 1943 op de gewestelijke vergadering dat er in Gulpen vrijwel niets gebeurde. Daarop werd tot groot ongenoegen van de werkers in Gulpen besloten een nieuwe organisatie op te richten. De ruzie liep zo hoog op dat Gulpen uiteindelijk in januari 1944 de status van district kreeg. Niettemin bleef de animositeit tussen beide districten tot de bevrijding voortbestaan (zie paragraaf VIII.7.). Sittard, dat eveneens formeel tot het district Heerlen behoorde, beschikte al vroeg over een voortreffelijk illegaal apparaat met vele verbindingen binnen en buiten de provincie. Men werkte er tamelijk zelfstandig, zodat nauwelijks bekend was wat in Sittard gebeurde.
Bemoeienis van zowel Roermond als Heerlen werd niet op prijs gesteld en Sittard behield gedurende de bezetting zijn zelfstandigheid (zie paragraaf VIII.6.). Tussen de districten Roermond en Weert rezen moeilijkheden over de dorpen Neeritter, Ittervoort en Kelpen die tot Weert behoorden. Persoonlijke contacten tussen illegale werkers uit de regio en Roermond in verband met de hulp aan vluchtelingen lagen ten grondslag aan de onenigheid die overigens in der minne werd geschikt. 117]
Delen van de Achterhoek en de Betuwe werden zowel vanuit Limburg als Gelderland bewerkt, wat weinig problemen opleverde. Die ontstonden wèl met Noord-Brabant. De Limburgse organisatie kwam eerder van de grond dan de Brabantse en diverse illegale werkers in oostelijk Noord-Brabant onderhielden nauwe banden met Limburg en zochten aansluiting. Drie “Limburgse” districten, Venray (zie paragraaf VIII.9.), Vierlingsbeek (zie paragraaf VII-I.10.) en Maas en Waal (zie paragraaf VIII.11.), “annexeerden” delen van Noord-Brabant. Tussen Venray en Vierlingsbeek ontstond zelfs een conflict over de Brabantse gemeente Veghel. Limburg en Brabant claimden beide het rayon Ravenstein-Oss. Over Helmond en Schijndel ontstonden eveneens moeilijkheden. Pas in de loop van 1944 oriënteerde oostelijk Noord-Brabant zich in toenemende mate op de eigen provincie. Tot een definitieve afbakening van de grenzen kwam het echter niet. Zelfs na de oorlog ruzieden voormalige L.O.-ers nog enige tijd door over deze kwestie. 118]

III. De landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers en de opname van de Limburgse duikorganisatie in het landelijk verband

III.1. De landelijke organisatie (L.O.)

De geschiedenis van de L.O. nam een aanvang toen de gereformeerde dominee F. Slomp uit Heemse bij Hardenberg in juli 1942 moest onderduiken vanwege zijn anti-nationaal-socialistische gezindheid en zijn weigering om koper in te leveren. Na enige omzwervingen kwam hij in de herfst van dat jaar in aanraking met mevrouw H.Th. Kuipers-Rietberg uit Winterswijk. Ze overlegden hoe de uitvoering van Duitse maatregelen jegens bepaalde bevolkingsgroepen belemmerd konden worden. Joden werden opgepakt, bijeengedreven en weggevoerd, talrijke jongeren moesten tegen hun zin in de Duitse oorlogsindustrie gaan werken en sinds eind september gold voor alle 18-jarigen de verplichting een half jaar deel te nemen aan de arbeidsdienst. Menigeen slaagde er weliswaar in zelf een onderduikadres te vinden, maar voor velen gold dat niet. Mevrouw Kuipers en dominee Slomp besloten zich voor de laatsten in te zetten door op zoek te gaan naar gastgezinnen en (potentiële) onderduikers in de gelegenheid te stellen te verdwijnen. Met dit doel voor ogen reisde Slomp stad en land af - al spoedig kreeg hij de bijnaam Frits de Zwerver - teneinde in zoveel mogelijk plaatsen kernen te formeren. In het Utrechtse Driebergen ging op 25 november 1942 als eerste een afdeling van start. Reeds de volgende dag was het de beurt aan Zeist, spoedig gevolgd door een groot aantal plaatsen in Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland, Gelderland, Overijssel, Drente en Groningen. Met de aansluiting van Friesland in februari 1943 was de landelijke organisatie, afgezien van grote delen van het zuiden van het land, voltooid. Maar ook daar vonden, zoals we zagen, spoedig ontwikkelingen plaats die het landelijk beeld compleet maakten. 119]
De snelle groei van de L.O. was te danken aan het feit dat de ene afdeling als het ware de andere in het leven riep: onderduikers en onderduikadressen moesten opgespoord, gezocht en uitgewisseld worden, waardoor een situatie ontstond waarin vraag en aanbod de dienst uitmaakten. Spoedig werd dan ook het begrip “beurs” geïntroduceerd. In december 1942 riep Slomp voor het eerst zijn belangrijkste verbindingspersonen bijeen in Zwolle. Op deze eerste landelijke vergadering werden duikadressen uitgewisseld. Personen die moeilijk te plaatsen waren bleken zo eenvoudiger te bemiddelen. Sindsdien troffen de L.O.-voormannen elkaar regelmatig op de zogeheten landelijke beurs, die weldra gekoppeld werd aan beurzen in sommige provincies. 120]
Door de maatregelen van begin 1943 kreeg de L.O. een nieuwe krachtige impuls. De deugdelijke opzet, de onmiskenbare behoefte aan zo’n organisatie en het feit dat de diverse activiteiten op elkaar aansloten begunstigden de groei. De praktijk wees het uit. 121] Zo speelde de L.O. een wezenlijke rol bij het mislukken van de in mei 1943 gestarte jaarklassenactie. De bezetter ging er van uit dat zich binnen vijf maanden honderdzeventigduizend arbeidskrachten in de leeftijd van 18 tot 35 jaar zouden melden. Mijnwerkers en iedereen die werkte in de landbouw, de levensmiddelenbranche en industrietakken van belang voor de Duitse oorlogsinspanning ontvingen een stempel op hun distributiestamkaart en een wit of blauw vrijstellingsbewijs. Alle overigen kwamen in principe voor de arbeidsinzet in aanmerking. Desondanks waren medio juni 1943 nog geen zesduizend arbeidskrachten naar Duitsland vertrokken. Van die kleine zesduizend hadden velen de trein bovendien nog voor de Duitse grens alweer verlaten. De overgrote meerderheid bleef in Nederland. Velen doken onder en kwamen onder de hoede van de L.O. Anderen slaagden erin een stempel op hun distributiestamkaart te krijgen en het fel begeerde vrijstellingsbewijs te bemachtigen. Sommige arbeidsbureaus pasten de criteria voor vrijstelling soepel toe. Met enig creatief denken was het niet moeilijk aan te tonen dat iemand in de landbouw of de levensmiddelensector werkte, ook al was dat niet zo. Er kon gemanipuleerd worden met geboortedata. Hetzelfde was het geval met de verplichte medische keuring. Een reactie van Duitse zijde kon niet uitblijven. Er moest een betere controle komen: wie geen stempel op zijn distributie-stamkaart had, ontving geen distributiebonnen meer. Hoewel de bereidheid bij de uitvoerende lagere overheid om zulke maatregelen nauwgezet uit te voeren juist in de zomer van 1943 afnam, zag de L.O. zich niettemin genoodzaakt van tijd tot tijd distributiekantoren te overvallen. De voorbereiding en uitvoering ervan werden overgelaten aan een speciale tak van de organisatie: de knokploegen of K.P. Ook het aantal vrijstellingen moest drastisch omlaag. De witte en blauwe bewijzen vervielen. Er kwam een bruin vrijstellingsbewijs voor in de plaats, maar de criteria om het te krijgen waren zo ruim - men ontving er al een op grond van tijdelijk uitstel of een medische indicatie - dat van het beoogde resultaat niets terecht kwam. Van de honderdvierentachtigduizend opgeroepen mannen waren er medio september 1943 negenenveertigduizend zogenaamd naar Duitsland vertrokken. In werkelijkheid lag het cijfer lager. 122]
Al in juli 1943 kwam Seyss-Inquart tot de conclusie dat de jaarklassenactie gedoemd was te mislukken. De bevolking werkte niet mee en duizenden doken onder. Eind juli besloot de rijkscommissaris dat de 22 tot 26 jarigen voorlopig niet hoefden te vertrekken. Medio augustus berichtte de Generalbevollmächtigte für den Arbeitseinsatz, F. Sauckel, hem dat er honderdvijftigduizend nieuwe arbeidskrachten nodig waren. Seyss-Inquart wilde daar voor zorgen op voorwaarde dat hij er tien maanden de tijd voor kreeg. Door een verscherpte controle in de bedrijven verwachtte hij dat het zou lukken. Met uitzondering van de landbouw zou van elk bedrijf nauwkeurig bijgehouden moeten worden hoeveel mannelijke personen in de leeftijd van 18 tot 45 jaar er werkten. Een speciale inspectiedienst moest bepalen wie voor uitzending naar Duitsland in aanmerking kwam en wie niet. De gegevens werden vastgelegd op een Z(Zurückstellungsverfahren)-kaart. De ingewikkeldheid ervan bood nieuwe mogelijkheden tot sabotage. Diverse bedrijven en gewestelijke arbeidsbureaus werkten de maatregel op alle mogelijke manieren tegen. De L.O. kreeg de beschikking over een groot aantal blanco Z-kaarten, bracht valse in omloop en zond gefingeerde naar de G.A.B.’s. Door slordigheid, het verstrekken van valse gegevens en vertraging in de afwerking, waaraan ambtenaren van alle betrokken instellingen en instanties meewerkten, liep de procedure volledig in het honderd. Het resultaat was een enorme administratieve chaos. Tussen september 1943 en augustus 1944 “vertrokken” ruim zesentwintigduizend arbeiders van de beoogde honderdvijftigduizend naar Duitsland. 123]
Het controleren van de Nederlandse bevolking bezorgde de bezetter veel hoofdbrekens. Via het bedrijfsleven en de arbeidsbureaus wilde het niet lukken. Zelfs het ingenieuze persoonsbewijs, waarvan men geruime tijd geloofde dat het niet te vervalsen was, bleek toch te kunnen worden nagemaakt. Hetzelfde gold voor stempels en alle mogelijke papieren bescheiden. Organisaties van specialisten besteedden er veel energie aan en bereikten indrukwekkende resultaten. Desondanks bleef het Duits bewind ernaar streven de controle via administratieve weg te laten lopen. Eind juli 1943 kreeg de Höhere S.S.- und Polizeiführer H.A. Rauter van Seyss-Inquart de bevoegdheid controle te gaan uitoefenen met gebruikmaking van het distributieapparaat. Daarvan was immers vrijwel iedereen afhankelijk. Tegen het einde van 1943 legde Rauter zijn plan op tafel. Distributiestamkaart en persoonsbewijs werden aan elkaar gekoppeld en twee keer per jaar zouden alle gegevens worden gecontroleerd. Als alles in orde was werd uit de stamkaart een hoekje geknipt en ontving de eigenaar een controlezegel op het persoonsbewijs en de distributiestamkaart. Zo hoopte Rauter de onderduikers de duimschroeven aan te draaien. Om vervalsingen bij voorbaat uit te sluiten liet Rauter de controlezegels in Wenen drukken.
Op 4 december werd de nieuwe maatregel, de Tweede Distributie-stamkaart-beschikking, bekendgemaakt. Iedereen ontving een oproepkaart die ingevuld moest worden. Velen kregen er echter geen (joden) of de kaart kwam niet op het adres aan waar men verbleef (b.v. onderduikers). Met medewerking van de controlerende ambtenaren kon weliswaar veel onheil worden voorkomen, maar de L.O. en (diverse) andere verzorgingsgroepen zagen zich voor ernstige problemen geplaatst. Naarstig werd naar oplossingen gezocht. De bescheiden moesten door vervalsing, met hulp van ambtenaren of met gebruik van geweld worden bemachtigd. Naast de L.O. hielden het Nationaal Comité van verzet en een jodenhulporganisatie, die zich naderhand de T.D. (Tweede Distributiestamkaart)-groep noemde, zich bezig met het tegenwerken van de Duitse maatregel. De T.D.-groep mikte op een samenwerking met ambtenaren van de betrokken instanties, zoals de gemeentelijke bevolkingsadministraties en de distributiediensten. Voor de L.O. gold hetzelfde, maar zonodig werd gebruik gemaakt van de diensten van de knokploegen. Toch kwam het in tal van plaatsen tot een harmonieuze samenwerking tussen de T.D.-groep en de L.O. In heel wat gemeenten ging het inwoneraantal kunstmatig omhoog, bijvoorbeeld door overleden ingezetenen opnieuw in het bevolkingsregister op te nemen. Aldus kwam er ruimte voor onderduikers vrij. Oproepingskaarten werden vervalst en falsificatiegroepen zorgden voor stempels en andere bescheiden. Het probleem van de controlezegels verviel grotendeels toen de K.P. bij een overval, eind januari 1944, in Tilburg honderdenvijfduizend stuks wist te bemachtigen.
De uitreiking van de tweede distributiestamkaart moest overal, met uitzondering van de grootste gemeenten, op 31 januari 1944 zijn voltooid. Die datum werd vanwege de administratieve chaos, de tegenwerking van de ambtenarij en acties van illegale zijde bij lange na niet gehaald. Pas tegen de zomer van 1944 was de uitreiking zover gevorderd dat de nieuwe distributiestamkaart geldig kon worden verklaard. Hoewel Rauter zich tevreden toonde, was de administratieve chaos groter dan ooit en van de oorspronkelijke bedoeling, dat de onderduikers uit hun schuilplaatsen zouden komen, was helemaal niets terecht gekomen. 124]
Alle Duitse maatregelen ten spijt liep het aantal onderduikers in 1943 op tot circa honderdduizend. Volgens schattingen bedroeg het aantal in 1944 circa driehonderdduizend. Rauters reactie bestond niet alleen uit de invoering van de nieuwe stamkaart. Sedert de zomer van 1943 liet hij de S.S. en Ordnungspolizei jacht maken op onderduikers. In maart 1944 richtte hij de Arbeitskontrolldienst (A.K.D.) op, een zusterorganisatie van de Sipo, belast met de opsporing van arbeiders die niet in Duitsland waren gaan werken of niet van verlof waren teruggekeerd. De A.K.D., die ongeveer vijfhonderd leden telde onder wie ook Nederlanders, werd gevreesd en gehaat vanwege het drieste optreden. In de maanden na juni 1944 was er sprake van toenemende willekeur en terreur. Op 25 juli decreteerde Hitler dat alles en iedereen volledig ten dienste moest staan van de oorloginspanning en tegen september verscheen H. Liese in Nederland, die weldra berucht zou worden vanwege de naar hem vernoemde Liese-actie. Alle mannen tussen 17 en 40 jaar moesten zich bij de arbeidsbureaus melden voor de arbeidsinzet. Straatcontroles en razzia’s waren aan de orde van de dag. Daaraan nam sedert de afkondiging van de uitzonderingstoestand, begin september 1944, ook het leger deel.125]
Uiteraard maakte de bezetter feller jacht op de medewerkers van de duikorganisaties. De L.O. telde er medio 1943 al enkele duizenden en in de zomer van 1944 tussen de twaalf en veertienduizend, verdeeld over circa honderd districten. Van tijd tot tijd bracht de Sipo de L.O. zware klappen toe, maar telkens namen nieuwe krachten de opengevallen plaatsen in.
De druk bezochte landelijke en provinciale beurzen hadden weliswaar voordelen, maar er kleefden ook nadelen aan. Op 19 oktober 1943 werd de beurs in Hoorn overvallen. Van de negentien arrestanten bezochten vier regelmatig de landelijke beurs. De volgende dag viel een gedeelte van de Utrechtse L.O.-leiding in Duitse handen. Daarmee kwam een einde aan de grote landelijke bijeenkomsten. Voortaan lag het accent bij de provinciale beurzen, die overigens beperkt werden. Dominee F. Slomp, die teveel bekendheid genoot, moest zich uit de leiding terugtrekken. In plaats van de landelijke beurs kwam een veel kleinere L.O.-Top waarin H. Dienske, ds. B.A. van Lummel, G. Pruys, T. van Vliet en I. van der Horst zitting namen. J. Hendrikx verving Van Lummel na enige tijd. Direct onder de Top stond de zogeheten kleine Top: twee interprovinciale beurzen. Er kwam één interprovinciale beurs voor Noord, Oost en West-Nederland en één voor Utrecht, Zuid-Holland en de drie zuidelijke provincies. Uit veiligheidsoverwegingen werd de L.O. gedecentraliseerd. Niettemin bestonden naast de L.O.-Top, die vooral een algemeen leidinggevende en coördinerende taak had, enkele centrale organen zoals het Centraal Distributie Kantoor (C.D.K.), een instantie die zorg droeg voor het vervoer van bonkaarten, distributiebonnen en allerlei bescheiden. Tussen eind 1943 en begin 1944 kreeg de Top drie nevenorganisaties: de persoonsbewijzensectie (P.B.S.), de Falsificatiecentrale (F.C.) en de Centrale Inlichtingendienst (C.I.D.), belast met de opsporing van verraders en het verzamelen van inlichtingen in het algemeen. Als gevolg van arrestaties vielen in de loop van het voorjaar van 1944 verscheidene Top-leden weg. Uiteindelijk bleven alleen Pruys en Van Vliet over, maar nieuwe krachten waren snel gevonden. In juli 1944 werd in verband met de kort tevoren gevormde Contact Commissie (zie hoofdstuk VIII, paragraaf III), die de georganiseerde illegaliteit trachtte te bundelen, een dagelijks bestuur uit de Top samengesteld, het Centraal Bureau (C.B.). Drie vooraanstaande L.O.-ers namen er zitting in. In de Contact Commissie, in politiek opzicht verdeeld in een linker-, midden- en rechtersectie, koos de L.O., zij het niet van harte, voor de behoudende vleugel. 126] De ontwikkelingen in de laatste oorlogsfase noopte de leiding, hoewel een politieke discussie binnen de L.O. niet of nauwelijks was gevoerd, in deze aangelegenheid een snelle beslissing te nemen.

III.2. De opname van de Limburgse duikorganisatie in het landelijk verband

III.2. De opname van de Limburgse duikorganisatie in het landelijk verband Nog voor er sprake was van een Limburgse duikorganisatie bestonden al contacten vanuit Venlo, Roermond, Vierlingsbeek en Maastricht met L.O.-ers in Gelderland, Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant. Voor de opname in het landelijk verband waren vooral de Zuidhollandse en Gelderse relaties van belang.
In het gewest Zuid-Holland, dat tevens het Gooi omvatte, kwam al vroeg een tegenstelling tussen katholieken en protestanten aan het licht. De dominicaner pater N.G. Apeldoorn slaagde er in augustus 1943 in een bundeling van de vijfentwintig Rotterdamse parochies tot stand te brengen. Jongeren uit het katholiek organisatieleven waren hem daarbij behulpzaam. Ook elders in Zuid-Holland lukte het hem via de parochiestructuur de hulp aan onderduikers te activeren. Apeldoorn stond in verbinding met een voormalige ambtenaar van het departement van Onderwijs, de katholiek A.P.P. Schweigmann, die het land afreisde om ambtenaren op de distributiekantoren over te halen behulpzaam te zijn bij het clandestien vrijmaken van distributiebonnen. Voorts onderhield hij contact met kapelaan J. Naus in Venlo en J.J. de Weert in Den Haag, zoon van een arts uit Zundert, die tot begin 1943 in Nijmegen had gestudeerd en zich had gespecialiseerd in het vervalsen van alle mogelijke documenten ten behoeve van de illegaliteit.127] H. Nelissen uit Bilthoven gaf deze katholieke connectie een nieuwe impuls. In het voorjaar van 1943 constateerde Nelissen, toen hij op zoek was naar een geschikte duikplaats voor zijn zoon, dat de plaatselijke duikorganisatie er vooral voor de protestanten was en niet over katholieke duikadressen beschikte. Er moest een organisatie komen waarin de katholieken vertegenwoordigd waren. Enigszins gefrustreerd door de afwachtende houding van zijn geloofsgenoten bracht Nelissen op 17 juli 1943 een bezoek aan aartsbisschop De Jong. Ofschoon deze al het een en ander van de deelname van de geestelijkheid aan het verzetswerk wist, juichte hij een intensievere participatie van het katholiek volksdeel in de illegaliteit toe en zegde Nelissen (financiële) hulp toe, maar dat mocht niet uitlekken vanwege de hoog opgelopen spanning tussen het episcopaat en de Duitse autoriteiten. Niettemin overhandigde hij Nelissen een brief ter introductie in katholieke kringen. Veel respons kreeg de Bilthovenaar niet. Bij pater Apeldoorn en Schweigmann vond hij wel gehoor voor zijn plan een katholieke organisatie op te richten die gebaseerd was op de hiërarchische kerkorganisatie. 128]
Naast de inspanningen van katholieke zijde was er het initiatief van de gereformeerde predikant Slomp. T. van Vliet en G.J. van der Waal, respectievelijk leider van de L.O.-Zuid-Holland en provinciaal koerier, naderhand districtsleider van Rotterdam, kenden weliswaar de organisatie van pater Apeldoorn, maar de samenwerking verliep stroef. Om daar verandering in te brengen kwamen Van Vliet, Van der Waal, Nelissen, Schweigmann en enkele anderen op 21 juli 1943 in Veenendaal bijeen ten huize van A. van Schuppen. Daar bleek dat sommige deelnemers aan het gesprek al over verbindingen met Brabant en Limburg beschikten: Schweigmann had contact met personen in Maastricht; Van Schuppen werkte samen met Brummans in Weert; Van Vliet wist van een kennis al het een en ander over de vluchtelingenhulp in het district Roermond en Nelissen had onlangs via Wageningen nieuwe contactpersonen in Nijmegen gevonden. De meningsverschillen, voornamelijk voortkomend uit het contrast tussen de confessionele zuilen, konden echter niet overbrugd worden, de standpunten van de aanwezigen lagen te ver uiteen. Nelissen hoopte met hulp van zijn Gelderse contactmensen in de regio Nijmegen een katholieke organisatie op te bouwen, maar voor dat plan voelden de meeste anderen niets. 129]
Terwijl deze kwestie nog op een oplossing wachtte en Nelissen op eigen houtje aan de slag ging, kwam in augustus/september 1943 via J. de Weert in Den Haag een verbinding tot stand tussen Van der Waal en Hendrikx in Venlo. Zowel Van Vliet als Van der Waal waren hiermee ingenomen, omdat Limburg gunstige perspectieven bood als afzetgebied voor onderduikers uit het overvolle westen. Hendrikx werd uitgenodigd de beurs in Delft bij te wonen, waarna verscheidene bijeenkomsten volgden om elkaar over de werkwijze te informeren en medewerkers te introduceren. Tot grote opluchting van de Zuidhollandse L.O.-ers koos Hendrikx, die inmiddels van Nelissens plan had vernomen, voor samenwerking met de Zuidhollandse L.O. en voor een integratie van de Limburgse duikorganisatie in het landelijk verband. “Als wij de mensen van boven kunnen helpen, dan moeten wij helpen”, verklaarde hij. Zo kwam er een einde aan een dreigende scheiding der geesten. Hendrikx vertegenwoordigde immers een door het bisdom Roermond gesteunde organisatie die vrijwel rond was, terwijl Nelissen nog maar kort tevoren op kleine schaal begonnen was en veel weerstand op zijn weg ontmoette. 130]
De tweede weg waarlangs in ongeveer dezelfde periode aansluiting met de L.O. tot stand kwam liep via Arnhem, Wageningen en Nijmegen. G. Pruys uit Arnhem, een naaste medewerker van dominee Slomp, bracht in augustus 1943 vier los van elkaar werkende groepen uit Nijmegen in L.O.-verband bijeen. Het contact tussen Nijmegen en Arnhem was gelegd door de Nijmeegse pater J.G. van Doormalen, die aan de Landbouwhogeschool van Wageningen studeerde. Door infiltratie en verraad viel de Nijmeegse organisatie eind september 1943 uiteen. Pater M.A.Ch.M.G. van Hövell tot Westerflier bracht de overgebleven Nijmegenaren in contact met G.A. Smals uit Vierlingsbeek. Deze herstructureerde de organisatie naar Limburgs model en introduceerde Hendrikx (zie paragraaf VIII.11.). Ofschoon het district Nijmegen op Limburg georiënteerd raakte, bleven de banden met Wageningen en Arnhem gehandhaafd. Pogingen van Nelissen om in Nijmegen een katholieke organisatie naar kerkelijk-organisatorisch model op te richten liepen op niets uit. Het tegendeel geschiedde. In opdracht van kapelaan Naus reisde Hendrikx naar Arnhem voor overleg met Pruys, terwijl pater Van Doormalen, die in verbinding stond met A. Schweigmann en de vertegenwoordiger van de L.O. voor Zuid-Nederland, dominee B.A. van Lummel, aanstuurde op een samenkomst van katholieken en protestanten om tot samenwerking te komen. Dit vooroverleg resulteerde in een bijeenkomst op de beursvergadering van 7 augustus 1943 in Den Bosch. Nelissen was eveneens van de partij en ontvouwde er zijn plannen voor een katholieke duikorganisatie. Net als op de bijeenkomst in Veenendaal bleek een meerderheid voorstander van samenwerking op nationale grondslag.
Hendrikx maakte nog geen definitieve keuze, maar hij kon Nelissen alvast meedelen dat de Limburgse organisatie inmiddels uitstekend draaide. Het geloof speelde geen rol van betekenis: iedereen werd in principe geholpen. Desondanks spraken de katholieke vertegenwoordigers (Nelissen, Hendrikx, pater Apeldoorn, Schweigmann en H.A. Douqué uit Amsterdam) af elkaar regelmatig buiten de overige L.O.-ers om te zullen blijven ontmoeten. Deze afspraak stond overigens los van het feit dat de samenwerking tussen noord en zuid, tussen katholieken en protestanten tijdens de Bossche bijeenkomst werd geformaliseerd. 131]
Toch school er nog een addertje onder het gras. Een dominee vertegenwoordigde Zuid-Nederland op de landelijke beursvergadering. Na een ontmoeting met Slomp was Van Lummel vanuit Sprang bij Waalwijk in samenwerking met H. Menninga uit Assen, die in Waalwijk onderdak had gevonden, begonnen met de opbouw van de L.O. in Noord-Brabant. Soepel ging dat niet. In Tilburg, Eindhoven, Oss en de Peelstreek bestonden al katholieke groepen die verbindingen onderhielden met Limburg en de Zuidhollandse organisatie van pater Apeldoorn. Weldra ontstonden problemen van praktische en confessionele aard. Menninga, verantwoordelijk voor de organisatie van de L.O. in oostelijk Noord-Brabant, toonde er begrip voor. Hij achtte het wenselijk samen te werken met de katholieke groepen en hun organisatie in de L.O. te integreren. Van Lummel meende echter dat er geen vuiltje aan de lucht was. Begin 1944 werd dit probleem opgelost door Noord-Brabant in een oostelijk en westelijk gewest te splitsen. Oostelijk Noord-Brabant werd voortaan door de katholiek H.B.S. Holla uit Vught vertegenwoordigd. 132]
Als vertegenwoordiger van de zuidelijke provincies trachtte Van Lummel in Limburg een L.O. op poten te zetten. Daartoe nam hij contact op met dominee H.R. de Jong uit Venlo, een medewerker van het illegale blad “Trouw”. De Jong werkte samen met protestantse verzetsgroepjes in de westelijke Mijnstreek en Maastricht. Van Lummel polste De Jong of hij iemand in Limburg kende die bereid en in staat was de L.O. in deze provincie te organiseren, waarop de dominee contact opnam met A.H. van Mansum in Maastricht. Laatstgenoemde stemde ermee in, omdat hij wist dat in zijn woonplaats al het een en ander gaande was. Een afspraak met Van Lummel vond geen doorgang, omdat Van Mansum in oktober 1943 werd aangehouden. 133] Klaarblijkelijk bestond in deze fase nog geen of onvoldoende verbinding tussen protestantse en katholieke onderduikhelpers. Van Lummel ondernam geen nieuwe pogingen, omdat hij inmiddels van het ontstaan van de Limburgse duikorganisatie had vernomen.
Evenals in Noord-Brabant was men in Limburg niet ingenomen met een protestantse representant voor het katholieke zuiden. Na de arrestaties van medio oktober 1943 te Hoorn en Utrecht nam Van Lummel de functie van Slomp over, maar hij bleef tevens vertegenwoordiger van Zuid-Nederland. Dit feit, gekoppeld aan de afschaffing van de beurs en de inkrimping van de leiding, schoot Hendrikx en andere provinciale vertegenwoordigers in het verkeerde keelgat. Men voelde zich belemmerd in het functioneren. Bovendien was men van mening dat veel belangrijke kwesties zonder inspraak van de provinciale vertegenwoordigers werden bedisseld. Sommigen richtten hun grieven op de persoon van Van Lummel, die als pedant en eerzuchtig, maar ook als nerveus en angstig werd afgeschilderd. De Zuidnederlandse L.O.-vertegenwoordigers wilden hem kwijt. Begin december 1943 kwamen de provinciale L.O.-leiders, die niet in de Top vertegenwoordigd waren, in Utrecht bijeen. Men wilde de Top overhalen een andere wijze van vergaderen, namelijk via een rouleersysteem, door te voeren. Korte tijd dreigde een scheuring, want de opstandige provinciale vertegenwoordigers namen zich voor desnoods los van de Top bijeen te blijven komen. Zover kwam het niet. Omstreeks de jaarwisseling van 1943-1944 dook Van Lummel onder en liet niets meer van zich horen. Hendrikx nam de vertegenwoordiging van de zuidelijke provincies op zich en Pruys nam Van Lummels plaats in als voorzitter van de Top, die voortaan ook door Hendrikx werd bezocht. Daarmee kwam een eind aan een conflict dat zich sinds augustus 1943 had voortgesleept. 134]
Het werk in de Top was een kolfje naar de hand van Hendrikx. Hij deed zich kennen als een prima organisator en introduceerde een systeem waardoor automatisch door het hele land kon worden getelefoneerd. Het systeem was hem aan de hand gedaan door de Venlose O.D.-ers J. Rommelse en J.T. Talens. Hij zorgde voor de integratie van het falsificatiebureau van J. de Weert in de L.O. en het lukte hem vier scheepsladingen graan en aanzienlijke hoeveelheden brood vanuit Limburg naar het westen van het land te verschepen. 135] Herhaaldelijk inviteerde hij de Top naar Limburg, waar de leden eens onthaald werden op erwtensoep met worst en kluif, gevolgd door een stapel spekpannekoeken.136] De laatste Top die Hendrikx bijwoonde vond op 19 juni 1944 plaats in Amsterdam. Twee dagen later viel hij met een aantal provinciale medewerkers tijdens een gewestelijke vergadering in Weert in handen van de Sipo. H.B.S. Holla uit Vught volgde hem in de Top op.137]
Deze verklaarde naderhand: “Door de zuiverheid van zijn ideaal en de gedegenheid van zijn oordeel heeft Ambrosius (Hendrikx) een enorm gezag bij de Topleden van gereformeerde huize weten te vestigen (...). Het was een heel timide, bescheiden jongeman, die absoluut geen eisen aan het leven stelde, die even goed de naam “De Zwerver” (hij reisde en trok als niemand) had kunnen dragen als Frits. Hij verwaarloosde zichzelf meer dan verschrikkelijk. Hij was een rasidealist, die de mensen eenvoudig dwong om zijn gezag te aanvaarden (...); een figuur waardoor je zonder meer onder de indruk kwam, alleen al door zijn charmante persoonlijkheid”. 138]

IV. Medewerking aan en aanverwante organisaties/activiteiten van de L.O.-Limburg

IV.1. Medewerking

Ondanks regionale nuanceverschillen heerste in Limburg een geestelijk klimaat dat de duikorganisatie overwegend welgezind was. Verscheidene overheidsdienaren werkten samen met de L.O. om aan tal van Duitse maatregelen en daarmee samenhangende acties het hoofd te bieden. In de loop van 1942 vond een overlegindeling plaats van burgemeesters die niets van het nazi-regime moesten hebben. Zij splitsten zich in drie groepen: een voor Noord-, een voor Midden- en een voor Zuid-Limburg. Tijdens deze clandestiene bijeenkomsten werd nagegaan hoe de uitvoering van sommige maatregelen getraineerd en gesaboteerd kon worden.139]
Niettegenstaande de voortschrijdende nazificering van de overheid en de benoeming van een groeiend aantal N.S.B-ers op sleutelposities, stelden sommige leden van marechaussee en politie, medewerkers van gemeentelijke instellingen, voedselbureaus, arbeidsbureaus en distributiekantoren hun diensten ter beschikking van de duikorganisatie. 140]
Medewerkers van de Centrale Controle Dienst en de voedselbureaus schatten de bodemopbrengst en het gewicht van het slachtvee met opzet laag, als ze wisten dat het surplus was bestemd voor onderduikers. Hierdoor bleven aanzienlijke hoeveelheden voedsel buiten de distributie zodat de afhankelijkheid van voedselbonnen afnam en de noodzaak om distributiekantoren te overvallen verminderde. 141]
Op de hulp en medewerking van twee instanties, de gewestelijke arbeidsbureaus (G.A.B.’s) en de distributiediensten, was de L.O. in het bijzonder aangewezen. De G.A.B.’s speelden als arbeidsbemiddelende instantie een cruciale rol bij de vaststelling van het aantal personen dat moest onderduiken, al konden zij geen ijzer met handen breken. Door op bescheiden schaal te vervalsen en door de uitvoering van de maatregelen te traineren lukte het veel bureaus de schade voor de jongeren en de beroepsbevolking enigermate te beperken. Naarmate de tijd verstreek werden de hulpvaardige ambtenaren steeds handiger. Min of meer legale wegen werden bewandeld door iemand als onmisbaar in familie of bedrijf te kwalificeren. Menigeen vond (tijdelijk) emplooi bij een boer in de Duitse grensstreek en ontving een “Grenzübertrittschein”. Het bezit van zo’n bewijs vrijwaarde iemand voor uitzending naar Duitsland. Anderen meldden zich bij de Heidemaatschappij: ook dan hoefde men niet naar Duitsland. Op het bijkantoor in Echt bedacht J.H.M.H. Schreurs een ander foefje, dat begon met het “in rijksopdracht” naar Duitsland sturen van een arbeider. De betrokkene reisde naar Roermond, waar hij een treinkaartje met de vermelding “Venlo-grens” ontving. Vervolgens werd zijn naam genoteerd op een lijst van naar Duitsland vertrokken arbeiders. Daarna keerde hij huiswaarts. Doorgaans gebeurde daarna niets meer. J.H. Thönissen, verbonden aan het G.A.B.-Roermond, slaagde erin aan de hand van een serie vervalsingen de Z-kaartenactie (zie paragraaf III.1.) met zo veel succes te saboteren dat zijn methode naderhand elders navolging vond. In Zuid-Limburg bedienden medewerkers van de G.A.B.’s zich van vergelijkbare methodes. Het G.A.B.-Heerlen behoedde bovendien bijna duizend personen voor de Arbeitseinsatz door valse mijnbedrijfspassen te verstrekken. Dank zij de inventiviteit van de ambtenaren en de administratieve chaos leverden herhaalde controles bij de G.A.B.’s en de bijkantoren weinig of geen resultaat op. 142]
Een andere, veel beproefde weg waarlangs uitstel dan wel afstel kon worden verkregen was de medische keuring. Dat kon uiteraard op waarheidsgetrouwe gronden gebeuren, maar ook door het vervalsen van medische attesten en het simuleren of opwekken van een ziektebeeld. Overal waren wel artsen te vinden die, indien nodig, wilden helpen. Dokter A. Govaert uit Stein bijvoorbeeld beschikte over een middel waarmee hij eczeem kon opwekken. Het hoofd van het consultatiebureau voor Tuberculose in de oostelijke Mijnstreek, de arts A. Appelman, schreef ongeveer honderd valse TBC-verklaringen uit. TBC was vanwege het besmettingsgevaar erg gevreesd. De artsen F.H.F.M. Bak uit Maastricht, H. ten Berge uit Sittard, A.A. Bots uit Roermond en G. van Maarsseveen uit Venlo deden hetzelfde. Verpleegkundigen en administratieve medewerkers van de medische diensten van de G.A.B.’s, zoals mejuffrouw M.A.C. Förster van het G.A.B.-Heerlen, mejuffrouw A. Smeets in Venlo en mejuffrouw Mulders in Roermond, leverden op hun beurt een bijdrage door medische attesten te vervalsen.143]
De student medicijnen G.A. Smals leerde van een Belgische arts verschillende foefjes, waarmee bepaalde ziektebeelden konden worden opgeroepen. Dat kon van pas komen als een keuringsarts niet mee wilde werken. Alvorens aannemelijk te kunnen maken dat men door een val van een trap een hersenschudding had opgelopen en aan geheugenverlies leed, moest er eerst een kleine wond op het hoofd worden aangebracht, die met jodium werd behandeld.
Vervolgens kreeg het “slachtoffer” een injectie met apomorfine toegediend en moest hij een tablet physostigmine onder de oogleden drukken. Dat leidde tot braken, een verwijding van de pupillen en de gewenste diagnose. Een andere methode, waarvoor eveneens professionele hulp was vereist, was het simuleren van een maagzweer. Daartoe moest de maag worden leeggepompt waarna zoutzuur aan het braaksel werd toegevoegd, zodat een tè hoge zuurgraad ontstond. Men achtte het dan raadzaam een röntgenfoto van de maag te maken. Door vooraf bariumpap te eten en een propje zilverpapier in te slikken leverde de foto het beeld op van een maagzweer. Het simuleren van multiple sclerose was misschien wel het gemakkelijkst. Bij het testen van de kniereflex mocht het been niet opwippen, maar moest het gaan trillen. Door de buikreflex op te houden kon hetzelfde resultaat worden bereikt. Sommigen waren daar zeer bedreven in. 144] Hoeveel artsen er in trapten en op welke schaal dergelijke methodes werden toegepast, staat niet vast. De L.O. kwam eraan te pas als pogingen op administratief en medisch gebied hadden gefaald. Omtrent het aantal door de Limburgse G.A.B.’s naar Duitsland uitgezonden arbeidskrachten zijn, los van de vraag in hoeverre ze betrouwbaar zijn, onvoldoende cijfers beschikbaar. Het staat vast dat velen in de Duitse grensstreek gingen werken om daarna contractbreuk te plegen.
Zoals gezegd was de L.O. in hoge mate afhankelijk van de distributiediensten. Op het platteland leverde de voedselvoorziening doorgaans weinig problemen op. Door te frauderen met opbrengstcijfers konden aanzienlijke voorraden worden achtergehouden. In de verstedelijkte gebieden lag dat anders. Naast voedselbonnen bestond behoefte aan bonnen voor textiel, schoeisel en brandstof. In plaatsen waar geen N.S.B.-ers aan het distributiekantoor waren verbonden, lukte het meestal via frauduleuze weg aan de benodigde bonnen te komen. In Sittard intimideerden distributieambtenaren twee N.S.B.-collega’s dermate, dat die zelfs meewerkten aan het vrijmaken van bonnen. Als er felle nazi’s rondliepen, was het voor de hulpvaardige ambtenaren aanzienlijk moeilijker en gevaarlijker aan de vraag van de L.O. te voldoen. Door gebruik te maken van via de L.O. verkregen valse bescheiden en dito gegevens slaagden medewerkers van de meeste distributiediensten er desondanks in voldoende bonnen vrij te maken. Zij verfijnden hun methodes steeds meer, zodat het vrijwel onmogelijk werd de fraude op te sporen. Dank zij de overwegend goede samenwerking tussen L.O. en distributiediensten hoefde de K.P. slechts bij uitzondering in actie te komen. 145] Het lastigste probleem waarvoor L.O. en hulpverleners van de distributiediensten kwamen te staan, betrof de invoering van de Tweede Distributiestamkaart. Om de administratieve manipulaties waterdicht te maken moesten distributieambtenaren en personeel van de bevolkingsregisters samenwerken. In Geleen lukte dat. Overleden kinderen werden opnieuw in het gemeentelijke bevolkingsregister opgenomen waarna hun identiteit kon overgaan op een onderduiker. 146] In Kerkrade trachtte men de hele procedure in het honderd te laten lopen door grote aantallen valse oproepen te versturen en in Nieuwenhagen verschafte de gemeenteambtenaar P.J. Silvertand alle onderduikers een nieuwe distributiestamkaart, inclusief de controlezegeltjes. 147] Ook elders probeerde men het hoofd te bieden aan de dreigende gevolgen van deze maatregel. De Limburgse L.O.-leiding kreeg in het voorjaar van 1944 enkele keren bezoek van medewerkers van de T.D.-groep die kwamen uitleggen hoe de effecten van de maatregel het best teniet konden worden gedaan.

IV.2. Het Außenministerium

Het Außenministerium, een in studentenkringen ontstane organisatie, was zowel in Duitsland als Nederland actief en stelde zich ten doel studenten uit Duitsland naar Nederland terug te halen. Omdat verscheidene L.O.-ers er bij betrokken waren, raakten beide organisaties, vooral in Limburg, met elkaar verweven. De eerste pogingen om studenten uit Duitsland te laten terugkeren waren al in het voorjaar van 1943 ondernomen door de Utrechtse student I.A.M. Schmutzer. Met valse papieren en zogeheten “Schutzpässe”, die hij van het Zweeds gezantschap in Berlijn ontving, lukte het Schmutzer studenten naar de Nederlandse grens te laten reizen, waar passeurs klaar stonden om ze over de grens te helpen. In augustus 1943 vertrok Schmutzer naar Spanje. 148] Zijn initiatief kreeg navolging. W. Zeeman, een student uit Delft, die in de zomer van 1943 uit Duitsland was teruggekeerd, verzamelde een groep studenten om zich heen, met wie hij de mogelijkheid besprak grotere aantallen studenten te laten repatriëren. Medio november 1943 reisde hij opnieuw naar Duitsland, maar nu om er contacten te leggen en allerlei papieren in handen te krijgen die van belang waren voor het welslagen van de onderneming. Die liet hij in Nederland dupliceren door P. van Pesch, een medewerker van de L.O.-Falsificatiecentrale in Nijmegen, en door J.G. de Groot, een in Delft ondergedoken illegale werker uit Heerlen. Voor de stempels zorgde J. de Weert. In de Gelderse-Limburgse grensstreek werden medewerkers gezocht die voor de grenspassage en de eerste opvang moesten zorgen. Begin februari 1944 reisde Zeeman in gezelschap van professor J. Oranje wederom naar Duitsland. De professor bezocht studenten in de regio Berlijn-Hannover, waar de meesten werkten. Zeeman werkte intussen aan de uitbreiding van zijn contacten in de belangrijkste bedrijven en vestigde een centrale ten huize van mejuffrouw I.M. Schröder in Berlijn, een medewerkster van het arbeidsbureau in Berlijn-Teltow. Daar woonden twee contactpersonen van Zeeman, D. Latzko uit Amsterdam en A. Schouten uit Utrecht. Zij ontvingen van Zeeman een koffer vol valse papieren om aan de clandestiene repatriëring de schijn van legaliteit te geven.149]
Ongeveer de helft van de ruim tweehonderd door het Außenministerium geholpen studenten reisde met valse papieren huiswaarts, de overigen verstopten zich in gereedschapsbakken onder de wagons van D-treinen (internationale treinen) of onder de zitbanken in de coupés. Tot het voorjaar van 1944 verliep de repatriëring vlekkeloos. Als gevolg van een inval op tweede Paasdag 1944, 10 april, in de woning van de familie Moormann te Nijmegen, waar de Außenministerium-centrale was gevestigd, werd de centrale overgeplaatst naar Amsterdam. In juli keerden Schouten en Latzko terug naar Nederland. Ruim een maand later verloor men het contact met de grensposten in het oosten en zuiden van het land. Daarmee kwam een einde aan de activiteiten van het Außenministerium. 150]

Noord-Limburg

De Nijmeegse medewerkers van het Außenministerium, onder wie F.R. Moormann, stonden in contact met garagehouder P.J. Weijs uit Siebengewald. Deze beschikte over relaties met diverse Duitse instanties in de grensstreek die hij ten voordele van het Außenministerium aanwendde. Zo bemachtigde hij dank zij zijn verbindingen met de Kriminalpolizei in Goch, het arbeidsbureau in Kleef en een douanier papieren en stempels die hij aan Moormann c.s. ter beschikking stelde. Doordat hij moeiteloos de grens kon passeren, fungeerde hij bovendien als koerier tussen de Nederlandse en Duitse tak van het Außenministerium en als grenspasseur. De repatrianten moesten zich in Goch melden bij de exploitant van het stamcafé van de plaatselijke N.S.D.A.P., die Weijs inlichtte. De garagehouder begaf zich naar Goch, verborg de studenten of andere vluchtelingen in de kofferruimte van zijn auto en reed vervolgens terug naar Siebengewald, een van de belangrijkste grensovergangen voor het Außenministerium. W. Remmen uit Siebengewald en F. van de Boogaard uit Vierlingsbeek verzorgden de eerste opvang waarna de studenten werden toevertrouwd aan de zorg van de L.O. in het district Vierlingsbeek. 151]
Tot maart 1944, toen hij de leiding van het district Venray op zich nam, was F.J.K. Russel, geassisteerd door de Venlose kruidenier J. Tabbes, de verbindingsman van het Außenministerium in Venlo. G. Peeters nam daarna zijn plaats in. De grensovergang bij Venlo was minder belangrijk dan die in Siebengewald. 152]

Midden-Limburg

Toen de Weerter student A. Hermans in de zomer van 1943 voor een kort verlof naar huis mocht, besloot hij niet meer naar Duitsland terug te gaan. Hij kwam in aanraking met de L.O. en nam zich voor andere studenten uit Duitsland terug te halen. De terugkeer van A. Meewis, wiens moeder ziek was geworden, deed hem een licht opgaan. Als Meewis’ stempel in de pas en het document dat hij bij zich had vervalst konden worden, zou het met hulp van een arts een koud kunstje zijn de Duitse autoriteiten een rad voor ogen te draaien. Hermans slaagde erin de districtsraad voor zijn plan te winnen en eind mei 1944 waren de voorbereidingen afgerond. Te laat om nog op grote schaal studenten te laten repatriëren. Slechts drie konden ervan profiteren. Hoewel de Weertse L.O. geen verbindingen met het Außenministerium onderhield, was de werkwijze nagenoeg dezelfde. 153]

Heerlen-Kerkrade

Vanwege ziekte van zijn vader lukte het de student J.H.A.E. Cornips uit Heerlen met hulp van H.J.H. Vreuls, verbonden aan het Heerlense arbeidsbureau, in de zomer van 1943 vanuit Duitsland huiswaarts te keren. Met Vreuls onderzocht hij de mogelijkheden meer studenten te laten repatriëren. Evenals Zeeman c.s. kwamen zij tot de conclusie dat met valse papieren veel te bereiken viel bij de Duitse instanties. Het verlofbewijs van Cornips en andere voor dit doel nuttige papieren werden met hulp van de Heerlense L.O. en een Amsterdamse groep vervalst. Op 22 december 1943 reisde Vreuls als vertegenwoordiger van het arbeidsbureau naar Duitsland om te testen of de papieren deugdelijk waren en het beoogde resultaat opleverden. Waarschijnlijk gaf de eerste reis hem zoveel vertrouwen, dat Vreuls eind januari 1944 een rondreis door Duitsland ondernam. Zijn tocht voerde hem tot in de Harz, waar hij drie studenten kon overtuigen mee terug te gaan. In een militaire trein spoorden ze clandestien naar Aken en vandaar per tram naar het grensplaatsje Pannesheide bij Kerkrade. Daar werd het drietal naar de woning van een in Duitsland woonachtige Nederlander, P. Kraut, gestuurd, wiens tuin op de grens lag en met prikkeldraad was afgezet. Met de ladder slaagden ze er in de grens over te steken.154]
Kort na zijn geslaagde missie moest Vreuls vanwege een ernstig conflict met de Heerlense districtsleiding zijn activiteiten staken. J. Cornips nam contact op met zijn plaatsgenoot L.J.H. Speth en vroeg of hij iemand kende die goed Duits sprak en de tact en handigheid bezat zich uit netelige situaties te redden. Speth achtte zichzelf geschikt. Hij werd door Vreuls ingewerkt en vertrok naar Berlijn, waar hij verbinding kreeg met Schouten en Latzko. Aanvankelijk begeleidde hij de studenten zelf naar de Nederlandse grens, maar weldra gaf hij er de voorkeur aan dieper in Duitsland te blijven en de jongelui te verwijzen naar contactpersonen van de L.O. in de Duits-Nederlandse grensstreek. Eens per maand reisde Speth naar Amsterdam om de Nederlandse leiding van het Außenministerium te informeren en gegevens en bescheiden uit te wisselen. De rest van de tijd bezocht hij werkkampen in Duitsland waar hij de jongeren instrueerde en van valse papieren voorzag. Zijn tochten brachten hem tot in de Baltische staten en Oostenrijk. Aangezien de werkzaamheden te veelomvattend waren voor één persoon stelde Speth in de door hem bezochte kampen vertrouwenspersonen aan die, met inachtneming van de “spelregels” van het Außenministerium, naar eigen goeddunken konden optreden.155]
Een vaste verbindingsman aan de Nederlandse grens was de leider van de L.O. in Kerkrade, Th.J.M. Goossen. Hij werkte samen met de broers J. en W. Grooten uit Bocholtz, die de repatrianten met hulp van hun in het Duitse Haaren woonachtige neef Hub. Tummers in Aken opvingen en zonodig aan een tijdelijke verblijfplaats hielpen bij Tummers of H.J. Beckers. De Duitse politie kreeg echter lucht van de zaak en begon de repatrianten en hun begeleiders te schaduwen. Op 10 mei 1944 werden W. Grooten, H.J. Beckers en Hub. Tummers op het hoofdstation in Aken gearresteerd. De aanhoudingen waren het gevolg van het doorslaan van een kort tevoren gearresteerde repatriant. W. Grooten, die als leider van de groep werd beschouwd, moest bij de Sipo-Maastricht toelichting geven op een van de Akense staatspolitie ontvangen rapport over de activiteiten van het Außenministerium in de regio. Daarin stonden de namen van tenminste vijf andere helpers. Grooten ontkende alles, maar nam alle verantwoordelijkheid op zich. Op 5 september werd hij in Vught doodgeschoten. Beckers en Tummers waren op 12 augustus vrijgelaten. 156]
Goossen vertrok naar Heerlen. Ook L. Speth bleef buiten schot. Zijn talrijke contactpersonen verschaften hem inlichtingen, die hij doorgaf aan het hoofd van de Ordedienst in de Mijnstreek, ir. C. Nicolas. Zo overhandigde hij de O.D.-er een luchtfoto van een fabriek in de buurt van Basel waar zwaar water uit Noorwegen, van belang bij de produktie van kernwapens, werd verwerkt. Nicolas speelde de gegevens in handen van een vriend in Wassenaar die hem verzekerde dat de informatie op de juiste bestemming zou arriveren. Het bedrijf werd naderhand inderdaad gebombardeerd. 157] Tot medio september 1944 zette Speth zijn werkzaamheden in Duitsland voort, daarna keerde hij naar Nederland terug.158]

IV.3. Het kamp Vught, het Huis van Bewaring en de Duitse gevangenis van Maastricht

Het behoeft nauwelijks betoog dat de L.O. en andere verzetsgroepen veel waarde hechtten aan goede contacten met de gevangenissen. Door voedselpakketten en briefjes naar binnen te smokkelen kon men de leefomstandigheden enigszins verbeteren en het moreel van de gedetineerde illegale werkers oppeppen. Belangrijker was wellicht de communicatie met de arrestanten. Uit verhoren door de Sipo kon men opmaken wat de Duitsers wisten of in welke richting werd gezocht. Vanzelfsprekend trachtte men te achterhalen of de Duitsers over infiltranten beschikten, of er verraad was gepleegd en zo ja door wie en of er arrestanten waren doorgeslagen. Tijdige berichtgeving over personen die gevaar liepen of documenten die in Duitse handen dreigden te vallen na een arrestatie, waren van wezenlijk belang. De verzetsbewegingen konden dan de vereiste voorzorgsmaatregelen treffen. Doorgaans combineerde men de informatieuitwisseling met een al dan niet clandestiene voedselleverantie. De pakketten leenden zich uitstekend voor het meesmokkelen van briefjes.
Naarmate de bezetting voortduurde, de illegaliteit steeds meer in het geweer kwam tegen de bezetter en het aantal gedetineerde illegale werkers opliep, nam het belang van goede verbindingen met de gevangenissen uiteraard toe. De Limburgse L.O. beschikte over losse contacten met gevangenissen in Noord-Brabant en het kamp Amersfoort, maar die met het kamp Vught en de twee gevangenissen in Maastricht, met name het Huis van Bewaring, waren het intensiefst. Dáár zaten immers de meeste illegale werkers uit Limburg opgesloten voorzover ze niet naar kampen in Duitsland waren gedeporteerd.
Sedert begin 1943 had een vertegenwoordigster van het Internationaal Rode Kruis, mevrouw C.L. de Bussy uit Amsterdam, toestemming het kamp Vught te bezoeken. Zij effende het pad voor enkele andere vrouwen, onder wie E. Timmenga-Hiemstra uit Vught, die pakketten tot maximaal drie kilo het kamp mochten binnenbrengen. Gezamenlijk brachten zij een bredere communicatiestroom tussen de gedetineerden en de buitenwereld op gang. Mevrouw Timmenga begon haar activiteiten in februari 1943 door gedetineerden bij aankomst op het station van Vught naar hun personalia te vragen. Die noteerde ze, waarna ze de familie inlichtte, zodat die pakketten naar Vught kon sturen. Timmenga en haar collega’s brachten de zendingen, die voor Rode Kruis-pakketten doorgingen, het kamp binnen. Sommige gevangenen grepen die gelegenheid aan om mededelingen te verstrekken over de groep waarvan zij deel hadden uitgemaakt en over wat ze tijdens de verhoren wel en niet hadden losgelaten. De bezorgsters gaven die inlichtingen door aan de verschillende illegale organisaties, die op hun beurt via de dames contact zochten met de gevangenen. 159]
Namens de L.O.-Limburg onderhield G.J.M.J. Heines uit Baarlo het contact met mevrouw Timmenga. Hij stelde voedselpakketten samen en slaagde erin via haar met sommige gedetineerden te corresponderen. De contacten werden geïntensiveerd, toen men verbinding kreeg met twee onderhoudsmonteurs die regelmatig het kamp bezochten. Zij smokkelden eveneens allerlei briefjes in en uit. Vanaf mei 1944 kreeg Heines hulp van mejuffrouw E.M.T. Boutet uit Sevenum die kort tevoren had moeten onderduiken. In de zomer van 1944, toen een aantal Limburgse L.O.-leiders in Vught zat opgesloten, werd de communicatiemogelijkheid optimaal benut. 160] Buiten het gewestelijk L.O.-contact bestond er nog een verbinding met Vught die vanuit het district Heerlen tot stand was gebracht. 161]
Maastricht kende naast het Huis van Bewaring de zogeheten “Polizei Gefängnis” of Duitse gevangenis, gevestigd in het Franciscaner klooster aan de Patersbaan. Hier liet de Sipo de zwaarste gevallen opsluiten. Met deze gevangenen, die onder Duitse bewaking stonden, was geen contact mogelijk tot de arrestatie van het hoofd van de Maastrichtse Luchtbeschermingsdienst P. Dolmans op 17 februari 1944. Zijn collega, G.J. Medenbach, slaagde erin verbinding te krijgen met een bewaker, E. Brender. Deze stond Medenbach toe briefjes naar binnen en naar buiten te smokkelen. Ook mocht hij voedselpakketjes en de H. Communie voor de gevangenen meebrengen. De afdeling Maastricht van het Rode Kruis had weliswaar toestemming voedselpakketten uit te delen, maar dat leverde geen clandestien communicatiekanaal op. De illegaliteit bleef aangewezen op Brender en Medenbach. Een poging om Brender tegen betaling zover te krijgen dat hij gevangenen zou laten ontsnappen en daarna zelf zou onderduiken had een averechts effect. Het leidde tot een voortijdige beëindiging van het contact met de Duitse gevangenis. 162]
Het Huis van Bewaring (H.v.B.) in Maastricht stond onder Nederlandse leiding. Directeur J. Dilling was, bijgestaan door enkele tientallen bewaarders, verzorgers en administratief personeel, verantwoordelijk voor de gedetineerden. In de loop van 1943 werden de leefomstandigheden in deze gevangenis steeds beroerder: zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het voedsel namen af en de cellen raakten overvol. Vooral op de zolders heerste ’s zomers een ondraaglijke hitte. L.O. en knokploegen stelden eendrachtig alles in het werk om iets aan het voedseltekort te doen. In de nacht van 15 juni 1944 ontvreemdde een knokploeg duizend kilo boter uit de zuivelfabriek “Limburgia” in Reymerstok. Een deel was bestemd voor het H.v.B. in Maastricht. Om voedsel en dergelijke naar binnen te smokkelen was hulp nodig van het personeel. Al vroeg in de oorlog, in 1941, kreeg de Maastrichtse illegaliteit op initiatief van onder anderen kapelaan H.J.C. Nijsten verbinding met de gevangenisklerk M.J.H. Rademakers, de bibliothecaris H.J.L. Wijnen en ziekenverzorger H.J. Jamin. Verschillende bewaarders werkten eveneens mee. De berichten uit het H.v.B. werden doorgegeven aan plaatselijke illegale werkers en in de illegaliteit actieve geestelijken die erop toezagen dat ze op de bestemming arriveerden. Ofschoon Rademakers en Jamin door arrestatie in respectievelijk de zomer van 1943 en mei 1944 wegvielen, bleef het contact met het H.v.B. bestaan en werd zelfs geïntensiveerd. Wijnen, J.H. Dirix, J. Gijsen, die hiervoor in augustus 1944 werd gearresteerd, P. Frijns, gevangenisarts J.L.H.A. Hollman en anderen zorgden ervoor dat zelfs complete verslagen van verhoren buiten de gevangenismuren werden gesmokkeld. Dreigende arrestaties konden aldus voorkomen worden. 163] In 1944 ontwikkelde zich hieruit een inlichtingendienst met landelijke vertakkingen waarin P. Frijns, de Maastrichtse kapelaan H.J.C. Nijsten, J.L. Moonen, J.W.H. Frantzen en de K.P.-er F. Meulenkamp een rol speelden. 164]
Herhaaldelijk werden plannen beraamd om het H.v.B. in Maastricht te overvallen. Het vroegste dateerde van eind 1943 toen een aantal illegale werkers uit alle delen van de provincie door de infiltratie van H. Vastenhout c.s. waren opgepakt. L.O.-medewerkers uit de districten Venlo en Vierlingsbeek, bijgestaan door een knokploeg van W.L. Houwen uit Helden, zouden de overval uitvoeren. Eén dag voordat de actie zou plaatsvinden werden de arrestanten echter overgebracht naar Amersfoort. 165] Naar aanleiding van arrestatiegolven, begin 1944 in Venlo en Maastricht, werden nieuwe plannen gesmeed. Het eerste, een Maastrichts initiatief, mislukte door gebrek aan coördinatie. Op 8 april, paaszaterdag, wilde men het opnieuw proberen. J. Hendrikx had de knokploeg uit Nijmegen erbij betrokken. De K.P.-ers zouden zich voordoen als bewakers die de gevangenen kwamen ophalen voor verhoor op het bureau van de Sipo. Met een vrachtauto zouden de bevrijde illegalen naar Stein worden gebracht, waar een sleepboot gereed lag om ze naar Vierlingsbeek te brengen. Andermaal liep het mis. Daags tevoren waren de gevangenen op transport gesteld naar Amersfoort. 166]
Men liet zich door deze tegenslagen niet uit het veld slaan. In juni 1944 werd voor het eerst gepoogd de gedetineerden met hulp van binnenuit te bevrijden. Dat mislukte vooralsnog, omdat directeur Dilling het niet aandurfde.167] Op maandagavond 4 september bezocht de leider van de knokploeg uit Zuid-Limburg, P.F. Driessen, in gezelschap van de inspecteur van politie M. Krol, Dilling.
Met J.H.A. Sorée, leider van de Maastrichtse L.O., was afgesproken dat Driessen de vrijlating van alle nog aanwezige politieke gevangenen zou eisen. Dilling deelde hen mee dat de belangrijkste politieke gevangenen inmiddels waren weggevoerd. Hij vroeg zich af of het niet te gevaarlijk was de achtergebleven politieke gevangenen vrij te laten en de overigen vast te houden. Een van Dillings ondergeschikten, die in de nacht van 4 op 5 september bewakingsdienst had, was het met Driessen eens. Overeengekomen werd dat Dilling die ochtend om 5 uur naar de gevangenis zou komen.
Driessen zou op datzelfde tijdstip met zijn knokploeg en enkele Maastrichtse L.O.-ers aanwezig zijn. Na de bevrijdingsactie zou Dilling met zijn gezin onderduiken. Afgezien van Driessen, die ter hoogte van Klimmen werd opgehouden, was die ochtend iedereen present. Sorée en Dilling gingen als eersten naar binnen waarna een groep van circa twaalf personen tachtig gevangenen uit het Huis van Bewaring bevrijdde. Ongeveer de helft kende de stad en zocht zijn eigen weg. Circa tien personen werden overgebracht naar een particuliere woning. Rond de resterende dertig ontstonden onvoorziene problemen. Zij werden ondergebracht in een schoolgebouw waar daklozen verbleven. Laatstgenoemden waren bang voor ontdekking en represailles van Duitse zijde en eisten het vertrek van de bevrijde gevangenen. Daarop vertrok men naar een patronaatsgebouw in de buurt vanwaar ze over een aantal onderduikadressen werden verdeeld. 168] Meteen na de bevrijding ontstond een heftig debat rond de persoon van J. Dilling en het door hem gevoerde beleid. “Goede” bewaarders zouden tegengewerkt en zelfs ontslagen zijn, terwijl degenen die zich niet met de illegaliteit hadden ingelaten de hand boven het hoofd zou zijn gehouden. Er klonken verwijten over en weer. Uiteindelijk werd de zaak gesust; Dilling behield ook na de oorlog zijn post als gevangenisdirecteur.

IV.4. Falsificaties en inlichtingen

Wie over deugdelijke valse papieren beschikte kon zich vrij bewegen en ondervond weinig of geen hinder van allerlei beperkende maatregelen. De illegaliteit had deze papieren nodig om sneller en doelmatiger te kunnen werken. Daarnaast boden ze een zekere mate van bescherming aan degenen die aan vervolging blootstonden en sedert 1943 aan mannen in de leeftijd van 18 tot 35 jaar die voortdurend de kans liepen te worden opgepakt. Al vroeg in de oorlog ontstonden groepjes die zich toelegden op het vervalsen van documenten. De L.O. zocht steun bij of kreeg hulp van sommige van dergelijke groepjes. Zo had J. Hendrikx begin 1943 een vervalsingsgroep in Venlo opgezet. F. Halewijn en enkele medewerkers vervaardigden stempels, certificaten en allerlei andere documenten. In Nijmegen werkte, zoals gezegd, een groep onder leiding van de rechtenstudent J.J. de Weert en in Den Haag P. van Pesch en J.G. de Groot die er ruim een jaar na zijn vertrek uit Heerlen een falsificatiebureau had opgezet. Vooral De Groots bureau bewees de illegaliteit in grote delen van Oost- en Zuid-Nederland onschatbare diensten. Door hun contacten met de L.O. kwamen deze groepen in de loop van 1943 met elkaar in aanraking. Bij de bundeling van de verschillende falsificatiebureautjes speelde J. Hendrikx een hoofdrol. De groep van De Weert verkeerde in financiële problemen en Hendrikx bood steun aan op voorwaarde dat De Weert voortaan voor de L.O. zou werken. Begin 1944 liet Hendrikx het Venloos bureau naar Nijmegen overplaatsen en na de komst van Van Pesch naar Nijmegen kon het plan om de verschillende groepjes samen te voegen worden gerealiseerd. Op 30 maart 1944 zou een vergadering plaatsvinden, waar Hendrikx, De Weert en zijn naaste medewerker M.M. Oosenbrug en knokploegleider Th. Dobbe werden verwacht. De Weert kwam echter niet opdagen. Daags tevoren was hij met zijn koerierster in Amsterdam gearresteerd. Op 5 september werd hij in Vught doodgeschoten. Oosenbrug volgde hem op en werd leider van de Falsificatiecentrale van de L.O. (F.C.-L.O.). Het “hoofdkantoor” bleef tot in de zomer van 1944 gevestigd in Nijmegen met filialen of distributiepunten in Zwolle, Eindhoven en Den Haag. Eind juli of begin augustus werd de F.C.-L.O. verplaatst naar Malden bij Nijmegen, waar tot de bevrijding van Nijmegen op 20 september werd doorgewerkt. Nadien namen andere bureaus in de nog niet bevrijde delen van het land het werk van de F.C.-L.O. over. 169]
Om professioneel te kunnen werken waren de falsificatiebureaus naast papier aangewezen op technici als stempel- en clichémakers, graveurs en drukkers. Hetzelfde gold voor groepen die persoonsbewijzen (PB’s) vervalsten. Zij zagen zich voor een buitengewoon lastige opgave gesteld. Nergens in Europa was in de oorlog een zo moeilijk te vervalsen identiteitsbewijs in omloop. Overigens was het PB, zonder noemenswaardig protest, pas in 1941 aan elke Nederlander ouder dan 14 jaar uitgereikt. De vervalsers konden slechts streven naar een zo perfect mogelijke kopie. Dat lukte maar weinigen. E. Veterman uit Amsterdam vervaardigde tussen eind 1941 en het najaar van 1943 bijna tweeduizend kwalitatief goede PB’s, die vooral ten goede kwamen aan joden en de organisatie Luctor et Emergo. De persoonsbewijzen Centrale (PBC), in de zomer van 1942 opgericht door G. van der Veen, maakte PB’s op veel grotere schaal na. Tot de bevrijding bracht de PBC circa zeventigduizend valse PB’s in omloop.170] Samen met de F.C.-L.O. bestreek de PBC - beide organisaties werkten met elkaar samen - het gehele terrein van vervalsingen.
De PB-vervalsers konden onmogelijk voldoen aan de grote vraag. Men moest de persoonsbewijzen ook op andere manieren zien te bemachtigen. Knokploegen overvielen gemeentehuizen en maakten blanco PB’s buit. Een andere mogelijkheid was officiële PB’s vrij te maken via administratieve weg met hulp van ambtenaren. Overal in het land gebeurde dat, maar doorgaans ongeorganiseerd en ongecoördineerd. In het Zuidlimburgse Ulestraten was bij de uitreiking van het PB de ene na de andere fout gemaakt. Pogingen om die fouten recht te zetten werkten averechts, zodat de inwoners in 1943 PB’s in hun bezit hadden die van elkaar verschilden. De chaos was zo groot dat de illegaliteit zonder problemen van geldige PB’s kon worden voorzien. 171] Voor het L.O.-district Heerlen verzorgde A.Th.J. van de Akker, een ondergedoken gemeenteambtenaar uit Heerlen, de PB’s. Hij verdeelde ze in drie categorieën. De eerste categorie bestond uit PB’s die door behulpzame ambtenaren waren vrijgemaakt. Van de Akker instrueerde hen hoe ze te werk moesten gaan. De PB’s waren ingevuld en administratief volkomen in orde, maar ze hadden geen eigenaar, omdat ze meestal afkomstig waren van overleden personen. Zulke gelegaliseerde PB’s waren schaars en bestemd voor gezochte illegale werkers. De tweede categorie betrof gestolen, blanco PB’s die nieuwe nummers kregen.
Deze kwamen voornamelijk ten goede aan personen die niet illegaal werkten, weinig reisden en een geringe kans liepen op een grondige controle. De derde soort bestond uit een allegaartje van gevonden, bekraste en veranderde PB’s. Met zo’n PB was de pakkans bij controle groot, tenzij die oppervlakkig was. 172]
Teneinde het PB-vervalsingswerk te coördineren en niet afhankelijk te zijn van anderen besloot de L.O.-Top op 22 november 1943 tot de oprichting van de persoonsbewijzen Sectie (P.B.S.). De medewerkers van die Sectie hielden zich bezig met het invullen en gebruiksklaar maken van blanco PB’s en het wijzigen van bestaande. Het centraal distributiepunt werd gevestigd in Amsterdam. Hier haalden en brachten koeriers de PB’s. In meerdere plaatsen werden ambtenaren ingeschakeld ten behoeve van de PBS. Zo ook Van de Akker die gedurende de zomer van 1944 veel nuttig werk voor de PBS verrichtte. Als gevolg van het doorslaan van een illegale werker werd de Amsterdamse centrale op 14 juni 1944 opgerold. Onder leiding van A. Omta konden de werkzaamheden echter worden voortgezet. 173]
De veiligheid van illegale werkers en vervolgden kon tot op zekere hoogte worden gewaarborgd door het gebruik van deugdelijke valse papieren. Zekerheid had men echter nooit. De activiteiten van Sipo, verraders en infiltranten leidden van tijd tot tijd tot calamiteiten. Niet alleen individuele illegalen werden daar het slachtoffer van, hele illegale netwerken gingen eraan te gronde of liepen gevoelige klappen op. Bij incidentele gevallen van verraad speelden doorgaans motieven als jaloezie, hebzucht en wraak een rol. Bovendien bleef de verrader (of verraadster) vaak anoniem. Sipo, politie en allerlei andere autoriteiten ontvingen veelvuldig anonieme brieven. Ook waren er personen die systematisch verraad pleegden, maar dat hoefde niet per definitie fatale gevolgen te hebben. Rapporteurs die berichten samenstelden over de stemming en de gebeurtenissen in de werk- en leefsfeer rapporteerden doorgaans over een collectief en niet over individuen. Dat betekende niet dat ze ongevaarlijk waren. Hun verraad kon grote schade aanrichten. Veruit de gevaarlijkste categorie verraders bestond uit infiltranten of V-mannen. Tenslotte was er een kleine groep illegale werkers die na arrestatie onder zware pressie of om uiteenlopende (persoonlijke) motieven besloot voor de Duitsers te gaan werken. 174] Bij deze laatste, weliswaar kleine groep was veelal sprake van dramatische en tragische persoonlijke omstandigheden en diepe geestelijke en morele nood, waarvoor in illegale kring veelal weinig of geen begrip bestond. De aangerichte schade en het berokkende leed wogen zwaarder dan het besef dat aan het verraad exceptionele omstandigheden ten grondslag lagen.
Welke middelen stonden de verzetsbewegingen ter beschikking om verraad en de gevolgen ervan te neutraliseren? De verrader (of verraadster) kon geliquideerd worden, maar deze optie vond zeker in Limburg weinig weerklank. Als bekend was wie verraad had gepleegd, werd in vrijwel alle gevallen vooraf een geestelijke geraadpleegd. Pas als deze ermee instemde, werd de (potentiële) verrader van het leven beroofd. Criteria voor het al dan niet liquideren van verraders waren moeilijk te geven, maar sommige geestelijken huldigden het standpunt dat, indien anderen het slachtoffer dreigden te worden van de verrader, liquidatie geoorloofd was. Duidelijke richtlijnen bestonden niet en secretaris J.L. Moonen, die in deze kwestie herhaaldelijk werd geconsulteerd, zag erop toe dat het aantal liquidaties tot een minimum beperkt bleef. Derhalve bleef ook het aantal Silbertanne-moorden - de liquidatie door de bezetter, sedert september 1943, van willekeurige anti-Duits gezinden in antwoord op de uitschakeling van verraders en gevaarlijke pro-Duitse personen door de illegaliteit - in Limburg beperkt tot één persoon, namelijk H.H. Geenen uit Roggel, die op 23 december 1943 werd doodgeschoten als represaille voor de liquidatie, een week eerder, van bakker M. Stemkens uit dezelfde plaats. Deze werd ervan verdacht in contact te staan met de Sipo-Maastricht. 175]
Sommige aan de L.O. gelieerde personen en groepen specialiseerden zich in het opsporen van verraders en infiltranten en zorgden ervoor dat ze alom bekend werden. Zo publiceerde de falsificatiegroep van J. de Weert in het zogeheten Contra Signaal van november 1943 de namen en in de meeste gevallen ook de foto van zevenentwintig verdachte personen. J. de Groot zette in 1944 de jacht in op de infiltrant W. Marcus en Th. Dobbe transformeerde zijn knokploeg gaandeweg in een opsporingsdienst die tevens de liquidatie van verraders voor zijn rekening nam. Een andere methode om dreigend gevaar af te wenden was zelf infiltreren; pogingen om informatie los te krijgen van de Sipo door de inschakeling van medewerkers van die dienst of door gebruik te maken van de diensten van tussenpersonen. Men probeerde Sipo-beambten om te kopen, gevangenen vrij te kopen of het met sommige Sipo-leden op een akkoordje te gooien teneinde nodeloos bloedvergieten aan beide zijden te voorkomen. Hieraan waren grote risico’s verbonden en het resultaat was meestal uiterst mager. Zo lukte het een keer enkele arrestanten tegen een hoge som vrij te kopen, maar bij een volgende gelegenheid liep het volkomen mis en kon de Sipo een grote slag slaan (zie paragraaf VIII.4.). De contacten met de gevangenissen wierpen veel meer vruchten af.
Nog een mogelijkheid om inlichtingen te vergaren bestond uit het afluisteren van telefoongesprekken. In de zomer van 1944 slaagden medewerkers van de inlichtingengroep-Albrecht in Midden-Limburg erin door te dringen in enkele, door Duitse instanties benutte verbindingen, waarvan tevens de O.D., L.O. en L.K.P. profiteerden. In de herfst van 1944 bestond er enige tijd telefonisch contact met het bevrijde deel van Limburg.
De telefoon was een uitstekend middel om snel te waarschuwen en aanwijzingen te geven over de komst of locatie van illegale bladen, geallieerde vliegeniers, krijgsgevangenen en onderduikers. J. Hendrikx wist van een “methode” om automatisch door het hele land te telefoneren, ondanks het feit dat het telefoonnet nog niet helemaal geautomatiseerd was. De L.O. maakte eveneens gebruik van een clandestien P.T.T.-net, dat sinds eind 1942 was opgebouwd door J.H. Schuilenga en J.P. Posthuma. Dit net was wel volledig geautomatiseerd. De Enschedese politiebeambte W.E. Sanders, die werkte aan een waarschuwingsdienst, besefte de waarde van het werk van Schuilenga en Posthuma. In de tweede helft van 1943 fuseerde zijn dienst met het clandestiene P.T.T.-net in de nieuw gevormde Centrale Inlichtingen Dienst (C.I.D.). Sanders dienst knoopte verbindingen aan met zoveel mogelijk illegale groepen teneinde een optimale dienstverlening te kunnen garanderen. In de zomer van 1944 beschikte de C.I.D. al over een lijst met namen van zesduizend verdachte Nederlanders. Vooral de L.O./L.K.P., waarmee van meet af aan was samengewerkt, profiteerde ervan. Onder aanmoediging van Sanders werd het net geperfectioneerd en in juni 1944 beschikte de centrale in Den Haag over verbindingen met circa dertig plaatsen, waar L.O.-ers dag en nacht de wacht hielden bij de telefoon. Aldus ontwikkelde zich een intensief inlichtingen- en waarschuwingsverkeer. 176]

IV.5. Koeriers

Voor het overbrengen van opdrachten, mededelingen en berichten, voor het begeleiden van onderduikers, piloten, krijgsgevangenen en andere vluchtelingen, voor het transport van wapens, munitie en explosieven, voor het vervoer van bonkaarten, allerlei andere papieren bescheiden en illegale bladen, kortom voor een goedlopende communicatie, voor vervoer en distributie waren koeriers onmisbaar. Koeriers vormden als het ware de smeerolie die de machine der georganiseerde illegaliteit draaiende hield. Zij reisden stad en land af en liepen daarbij grote risico’s. Aanvankelijk verrichtten zowel mannen als vrouwen koeriersdiensten, maar na verloop van tijd waren het vooral vrouwen die zich met dit werk bezighielden. Zij ondervonden minder hinder van de Duitse maatregelen. Veel illegale werkers met verbindingen in het land of de provincie hadden een eigen koerier(ster). Hoewel de meeste koeriers allerlei zaken vervoerden, waren er ook die speciale taken vervulden, zoals het onderhouden van verbindingen in een gewest of tussen gewesten of rayons. Anderen koerierden uitsluitend tussen de F.C.-L.O. in Nijmegen en de L.O.-districten in Limburg of vervoerden enkel illegale bladen en bonkaarten. Toen het oorlogsverloop voor de Duitsers een ongunstige wending nam, namen repressie en terreur toe en daarmee de pakkans voor de koeriers. Verscheidene van hen, zoals de Weertenaar J.F. Snijders, de koerier van J. Hendrikx, F.G.M.J. Coehorst, A.R. Berger en H.J. Meijer, allen uit Venlo, vielen in Duitse handen en overleefden de oorlog niet.

IV.6. Financiering door de Kerk

De opbrengst van de maandelijkse collecte voor het Fonds voor Bijzondere Nooden, opgericht door het episcopaat in de zomer van 1941, was in de eerste plaats bestemd voor degenen die “tengevolge van de omstandigheden door een principiële katholieke houding in financiële moeilijkheden zijn gekomen”. Aanvankelijk dekten de inkomsten de uitgaven. Dat was bij de opkomende illegaliteit niet meer het geval. De door Noord- en Midden-Limburg trekkende krijgsgevangenen moesten gevoed en gekleed worden. Inzamelingsacties en schenkingen boden weliswaar soelaas, maar toen het aantal toenam en er steeds meer onderduikers bijkwamen stapelden de financiële problemen zich op. De uitgaven voor kostgelden, de aanschaf van levensmiddelenkaarten, schoeisel, textiel en de organisatiekosten rezen weldra de pan uit. In overleg met bisschop Lemmens besloten J.L. Moonen en de aalmoezeniers van sociale werken gelden van het Fonds voor Bijzondere Nooden beschikbaar te stellen. Daarmee was de aanvullende financiering van de georganiseerde illegaliteit door het Fonds een feit. 177] Het was een logische consequentie van het standpunt van Moonen en andere geestelijken dat er in samenwerking met leken een duikorganisatie moest komen. De verdeling van de gelden werd toevertrouwd aan de aalmoezeniers van sociale werken: K.W.A.H. Roncken in Heerlen, L.J. Roumen in Maastricht, L.F. Feiter in Sittard, H.Th.E. Beel in Kerkrade, P.A.H. Loonen en kapelaan J.J. Naus in Venlo, L.C.H. Obers in Weert, deken H.J.H. Kreijelmans in Gennep, kapelaan H.P.A.J. Gerrits in Afferden en aan de directeur van de Nederlandsche Credietbank, G. Steegmans, in Roermond. Het beheer van het Fonds in Limburg lag sedert april 1943 in handen van Steegmans en P.J. van Odijk, een naaste medewerker van Moonen. Zij zorgden ervoor dat, indien nodig, bij plaatselijke collectes verzamelde gelden via de chauffeur van de bisschop, G. Kemmelings, bij de aalmoezeniers terechtkwamen. Laatstgenoemden waren doorgaans bij de hulp aan onderduikers betrokken.
Zo had Lemmens Feiter op het hart gedrukt dat deze taak tevens de verzorging van onderduikers inhield. De Sittardse aalmoezenier achterhaalde via de geestelijkheid in zijn district, dat de westelijke mijnstreek omvatte, welke personen de georganiseerde hulp aan onderduikers leidden. Toen er eenmaal een vertrouwensband was gegroeid, gaf hij hun aanzienlijke geldbedragen die naar eigen goeddunken konden worden besteed. 178]
Tot eind september 1944 keerde het Fonds landelijk circa acht miljoen gulden uit. Dat bedrag kwam niet uitsluitend de illegaliteit ten goede. Het zou niet in overeenstemming zijn geweest met de oorspronkelijke opzet. In Limburg stelde het Fonds bijna anderhalf miljoen gulden aan de illegaliteit ter beschikking, waarvan één miljoen ten goede kwam aan onderduikers.179] Toen begin september 1944 de nationale spoorwegstaking uitbrak en kort daarop het nog bezette deel van Limburg afgesneden werd van de rest van het land, nam het Fonds de financiële ondersteuning van de stakers in de regio Roermond voor zijn rekening. 180] Omdat in de maanden voor de bevrijding veel kerken in Limburg zwaar gehavend of verwoest waren, kreeg het Fonds na de oorlog een andere bestemming. Het werd een bouwfonds voor het herstel van de gehavende kerken.181]
Om in de materiële behoeften te kunnen voorzien was de duikorganisatie niet uitsluitend aangewezen op donaties en het distributieapparaat. Teneinde de ergste nood in de door bombardementen getroffen steden in het Ruhrgebied te lenigen, plaatsten de Duitsers grote orders bij Nederlandse textiel- en schoenfabrieken. Met medewerking van sommige bedrijven werden grote partijen van de benodigde grondstoffen als gestolen opgegeven. De halffabrikaten of aanzienlijke delen van het eindprodukt kwamen de duikorganisatie ten goede. Eind augustus 1944 waren de nonnen van tenminste drie Roermondse kloosters druk bezig met het vervaardigen van circa duizend herenkostuums en drieduizend overalls. Men verwachtte spoedig nog zesduizend paar schoenen. 182]

IV.7. Het Nationaal Steunfonds (N.S.F.) en de Limburgse duikorganisatie

De collectes voor het Fonds voor Bijzondere Nooden brachten maandelijks ongeveer ƒ 50.000,- op. Het benodigde maandbedrag liep in 1943 al tot het drievoudige 183] en tegen het midden van 1944 tot het zesvoudige op. 184] Voor aanvullende financiering was men derhalve op andere bronnen aangewezen. Zo werden inkomsten verkregen uit de verkoop van illegale bladen, clandestiene uitgaven zoals van “Het treurspel van Frankrijk” van A. Maurois, prenten met de afbeelding van “Onze Lieve Vrouw van den goeden duik”, geïntroduceerd door pater L.A. Bleijs, verzetsgedichten en allerlei curiosa, vervaardigd door onderduikers. 185]
In de herfst van 1943 kwam verbinding tot stand met het Nationaal Steun Fonds (N.S.F.), een landelijke organisatie die de financiële ondersteuning van het verzet ten doel had. Het N.S.F. ontstond in 1943 uit de “Zeemanspot”, een fonds bestemd voor achtergebleven gezinnen van opvarenden van de Nederlandse koopvaardij die aan geallieerde zijde meevochten. Door omvangrijke leningen te sluiten lukte het grote bedragen binnen te halen. In ruil hiervoor ontvingen de geldschieters oude, waardeloze aandelen of obligaties waarmee naderhand het geld teruggevorderd kon worden. Dit onverwachte succes bracht de hoofdverantwoordelijke voor de financiering bij het N.S.F., W. van Hall, ertoe voor te stellen de ondersteuning uit te breiden tot onderduikers en illegale organisaties, zulks tot ongenoegen van de grondlegger van de “Zeemanspot”, A. Filippo, die uit het N.S.F. trad. Om dit plan te realiseren knoopten Van Hall, I.J. van den Bosch en A. Voorwinde nieuwe contacten aan.
Zij gingen er van uit dat een eerder gegeven garantie van de Nederlandse regering in Londen ten aanzien van de “Zeemanspot” vroeg of laat ook voor de door de N.S.F geleende bedragen zou gelden, mits de inkomsten en uitgaven verantwoord konden worden. Dat zou moeten geschieden aan de hand van kwitanties en schadeformulieren van een ongevallenverzekering. Alleen administratieve zorgvuldigheid kon volgens Van Hall misbruik van gelden tegengaan. Diverse illegale groepen onderkenden van meet af aan de zwakke punten in Van Halls opzet, zoals het administratiesysteem dat bij ontdekking door de Duitsers tot calamiteiten kon leiden alsook het ontbreken van een regeringsgarantie ten aanzien van de restitutie van de geleende gelden. Eind oktober 1943 liet de verbindingsman van de O.D., G.A. van Borssum Buisman, weten dat de regering garant stond voor een totaalbedrag van ƒ 200.000,-. Dat was niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Het illustreerde eens te meer de uiterst gebrekkige communicatie tussen bezet Nederland en de autoriteiten overzee. Engelandvaarders bleven wijzen op de financiële problemen en in januari 1944 werd een agent gedropt die een regeringsgarantie van dertig miljoen gulden bij zich had, maar van het N.S.F. wist hij niets. Na enig zoeken kwam de toezegging tenslotte bij het N.S.F. terecht. Voorlopig mocht slechts tien miljoen uitgegeven worden, maar in augustus 1944 werd het gehele bedrag vrijgegeven. 186]
De besprekingen in het najaar van 1943 tussen de L.O.-leiding en het N.S.F. leidden er toe dat de L.O. de financiële zorg voor de onderduikers zou blijven dragen en het N.S.F. die voor de achtergebleven gezinnen van onderduikers zou overnemen.187] Echt gelukkig was de L.O. niet met de overeenkomst. Er heerste twijfel in de Top die voor een deel kon worden toegeschreven aan de opstelling van J. Hendrikx. De Limburgse organisatie voor hulp aan onderduikers ondervond steun van het Fonds voor Bijzondere Nooden. Tot dusver had men zich met dat geld redelijk kunnen redden. Van het afgeven van getekende schuldbekentenissen en kwitanties moest Hendrikx niets hebben. Bovendien konden hij en Van Hall niet met elkaar overweg. 188]
De meeste Limburgse L.O.-vertegenwoordigers deelden Hendrikx’ standpunt. Omstreeks september 1943, nog vóór de besprekingen met de Top, kreeg A.J. Gelderblom uit Eindhoven, die A. Voorwinde in augustus 1943 was opgevolgd als N.S.F.-vertegenwoordiger voor Zuid-Nederland, contact met Hendrikx. Aanvankelijk neigde de Limburgse duikraad ertoe de ondersteuning aan het N.S.F. over te laten. In de gewestelijke Top werd daar anders over gedacht. Men maakte bezwaar tegen de complexe administratie en men huiverde bij de gedachte aan de risico’s die er bij ontdekking aan waren verbonden. Bovendien speelde de onafhankelijkheid een niet te onderschatten rol. Het geld moest eerst ingezameld en vervolgens afgedragen worden aan het N.S.F., waarna het, afhankelijk van de behoefte, weer terug zou komen. De meeste L.O.-vertegenwoordigers kregen daardoor het gevoel dat ze de zo gekoesterde zelfstandigheid moesten opgeven. Het feit dat Gelderblom vaag bleef over de N.S.F.-leiding, zijn verbindingen en de regeringsgarantie viel evenmin in goede aarde.
Onder deze, nogal onduidelijke omstandigheden trachtte Gelderblom het N.S.F. in Limburg op poten te zetten. Daarbij ondervond hij voornamelijk steun van H.L. van Hooydonk uit Roermond, die in het voorjaar van 1943 door pater Bleijs was belast met de materiële en financiële aangelegenheden in het district Roermond, en van de directeur van de Twentsche Bank in Heerlen, W. Driessen. De Limburgse L.O.-leiding adviseerde Gelderblom contact op te nemen met de directeur van de Nederlandsche Middenstands Bank in Maastricht, G.J. Kuiper. De ontmoeting vond plaats in november ten huize van W. Driessen. Alvorens namens het N.S.F. in Maastricht te willen optreden, wenste Kuiper uitvoerig te worden ingelicht over de achtergrond en de werkwijze van het N.S.F. Kuipers kritiek hierop was niet mals en Gelderblom bleek niet bereid ook maar enigszins aan zijn bezwaren tegemoet te komen. Daarmee was de kiem voor een slepend conflict gelegd. Kuiper kreeg de gelegenheid zijn zienswijze en bezwaren, die vrijwel overeenkwamen met de eerder door de gewestelijke Top geplaatste kanttekeningen, toe te lichten in de gewestelijke duikraad. De leden raakten kennelijk dermate onder de indruk van zijn deskundigheid en gevoel voor camouflage van financiële handelingen, dat ze Kuiper verzochten de gewestelijke financiën te beheren totdat overeenstemming met het N.S.F. was bereikt. Die positie zou de ambitieuze bankdirecteur zich niet meer laten ontnemen. Gelderblom begreep dat de Limburgse ontwikkeling nogal afweek van de landelijke. Hij stelde voor het Fonds voor Bijzondere Nooden en het N.S.F. op elkaar af te stemmen en de gelden centraal te distribueren. De werkwijze van het N.S.F. zou als uitgangspunt moeten dienen. Kuiper wilde daar niets van weten. Los van de bezwaren tegen de werkwijze van het N.S.F. was hij bevreesd dat bij een samengaan van de twee fondsen alle eer naderhand aan het N.S.F. zou toevallen. Bovendien irriteerde het hem dat er geen katholiek in de N.S.F.-leiding zat; een stokpaardje dat hij telkens weer bereed. Om uit de impasse te geraken stelde Gelderblom voor het uitschrijven en het laten ondertekenen van kwitanties, een van de hoofdpunten van de Limburgse kritiek, te vervangen door maandstaten met gecodeerde betalingsoverzichten. Hij stelde evenwel als voorwaarde dat de bisschoppen zouden verklaren dat de gelddistributeurs volkomen betrouwbaar waren. Kuiper kon zich er niet mee verenigen. J.L. Moonen trok zijn handen ervan af en besloot het Fonds voor Bijzondere Nooden buiten het N.S.F. te houden, totdat Kuiper en Gelderblom tot overeenstemming waren gekomen.
Ruim een maand tevoren, op 6 januari 1944, had de duikraad beslist de N.S.F.-methode niet in Limburg te introduceren. Men koos ervoor op eigen gezag leningen af te sluiten in het gewest. Als de regering in Londen het onderduiken aanmoedigde, dan mocht worden verwacht dat ze de financiële consequenties daarvan accepteerde, zo redeneerden de L.O.-vertegenwoordigers. Zeker van hun zaak waren ze echter niet. Mocht de regering onverhoopt verzaken, dan moesten de leningen elders gedekt zijn. De mijnen boden wellicht een mogelijkheid. Hoewel daar de bezwaren tegen de methode van het N.S.F. werden gedeeld, drong men op samenwerking met het N.S.F. aan. Hetzelfde gold voor de beheerders van het Fonds voor Bijzondere Nooden, met dien verstande dat de garantie werd gegeven dat een afzonderlijk Bisschoppelijk Hulpcomité de benodigde gelden zou verstrekken.
Gedurende de eerste vijf maanden van 1944 bleef de situatie onoverzichtelijk. Terwijl Kuiper en Gelderblom niet in staat bleken de tegenstellingen te overbruggen en eerstgenoemde op eigen houtje leningen afsloot in het district Maastricht, brachten H.L. van Hooydonk en J.W.I. de Haan uit Roggel sedert januari 1944 namens het N.S.F. aanzienlijke bedragen bijeen in het district Roermond. Als schuldbekentenis gebruikten ze oude Duitse bankbiljetten, wat overigens niet in overeenstemming was met de richtlijnen van het N.S.F. Van Hooydonk had circa duizend van zulke biljetten uit Nijmegen ontvangen. De gelden werden in het district Roermond en in districten met tekorten besteed. Bovendien ontving Van Hooydonk van Gelderblom tot april 1944 nog circa ƒ 100.000,-.
Teneinde meer bekendheid te geven aan de Limburgse bezwaren vroeg Hendrikx aan Kuiper een rapport op te stellen waarin hij zijn kritiek nogmaals opsomde en die toe te lichten op een landelijke Top-vergadering. Kuiper toog aan het werk, maar wachtte tevergeefs op een invitatie. Waarschijnlijk was het inmiddels tot de Top doorgedrongen dat de Maastrichtse bankier grote ambities koesterde en zich, ondanks de concessie van Gelderblom, onwrikbaar bleef opstellen. In de loop van maart diende zich een gelegenheid aan die Hendrikx - hij had al eerder overwogen naar Engeland te reizen om de zaak bij de Nederlandse regering aanhangig te maken - met beide handen aangreep. Pater Bleijs was gevraagd in april naar Londen te reizen om de gebrekkig geïnformeerde Nederlandse regering in te lichten over de taak en de rol van de L.O., de L.K.P. en de katholieken in het bijzonder. Tevens zou hij een bevestiging van de regeringsgarantie kunnen vragen en Kuipers rapport kunnen aanbieden. Een medewerker van Philips in Eindhoven, ir. Th.P. Tromp, werd gevraagd het rapport op microfilm te zetten. Dat kwam Gelderblom ter ore, die op zijn beurt een rapport schreef. Bleijs nam beide rapporten mee.
Door deze gebeurtenis raakte de verhouding tussen Kuiper en Gelderblom op een dieptepunt. De patstelling bleef voortduren. Na de toezegging van Moonen omstreeks februari, dat het Fonds voor Bijzondere Nooden zou bijspringen als het N.S.F. niet aan de verplichtingen zou voldoen, had Kuiper een bijeenkomst in Maastricht georganiseerd, waar hij voorstelde de financiering van de illegaliteit los te koppelen van de L.O. Vermoedelijk speelde hij met de gedachte een alternatief landelijk steunfonds op te richten en wilde hij de totale financiering naar zich toe trekken. De geldinzameling zou moeten worden toevertrouwd aan personen uit het bankwezen, waarbij hij in de eerste plaats aan zichzelf dacht. Het was hem een doorn in het oog dat Van Hooydonk en Gelderblom goed met elkaar overweg konden. Het is niet duidelijk of hij bijval kreeg. Van Hooydonk trok zich er in elk geval niets van aan en werkte gewoon door.
Na het vertrek van Bleijs, medio april 1944, ging de kort tevoren in Nijmegen ondergedoken Kuiper op zoek naar steun voor zijn plan, dat, afgezien van de punten van kritiek, in grote lijnen overeenkwam met de ideeën van het N.S.F. Hij nam contact op met het aartsbisdom, met vertegenwoordigers van het Inter Kerkelijk Overleg (I.K.O.), met ambtenaren van het Departement van Financiën in Deventer, het hoofd van de Algemene Rekenkamer en enkele hoogleraren in Tilburg en Nijmegen. Het is onduidelijk in hoeverre zij Kuipers zienswijze deelden. De Limburgse L.O. kwam, ondanks de inspanningen van Van Hooydonk, Naus en Van Enckevort, in april en mei in financiële problemen. De kosten stegen maandelijks. De moeilijkheden met het N.S.F. moesten hoe dan ook worden opgelost. In mei kwamen de leiders van het N.S.F. en Hendrikx, Naus en Kuiper in Nijmegen bijeen. Van Hall c.s. stelden zich zeer plooibaar op en drongen aan op samenwerking. Zij toonden zich bereid de Limburgse werkwijze te accepteren, hetgeen voor Hendrikx en Naus de doorslag gaf om de zijde van Van Hall te kiezen. Nu moest Kuiper wel inbinden, maar van harte ging het niet. Gedurende de maanden juni en juli ontving de Limburgse L.O. ƒ 200.000,- van het N.S.F. 189]
In Limburg werd de inzameling van het geld in de meeste plaatsen georganiseerd door of in overleg met de geestelijkheid. Het financieel beheer lag in handen van de districtsleiders. Zij konden desgewenst een districtskassier benoemen. Maandelijks werd in de duikraad verantwoording afgelegd over de inkomsten en uitgaven. Vervolgens kwam de begroting van elk afzonderlijk district aan de orde. Afhankelijk van tekorten konden dan gelden van het ene naar het andere district worden overgeheveld of door het gewest worden bijgepast. Dit systeem functioneerde, de buitengewone omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk. Er kwamen geen ernstige fraudegevallen aan het licht, noch gedurende de bezetting, noch bij de financiële afwikkeling na de oorlog. In totaal besteedden de L.O., L.K.P. en de organisaties voor vluchtelingenhulp ongeveer ƒ 3.000.000,-. Van dit bedrag was circa anderhalf miljoen gulden afkomstig van het Fonds voor Bijzondere Nooden, ruim één miljoen van leningen, verdeeld over 543 schuldbekentenissen, waarvan bijna ƒ 750.000,- was opgehaald in de districten Roermond en Venlo, en circa ƒ 400.000,- van het N.S.F. De op eigen gezag afgesloten leningen werden na de oorlog door het N.S.F. gerestitueerd. Wat de werkelijke kosten zijn geweest, kan slechts worden geschat. Volgens naoorlogse ramingen zou hetgeen de Limburgse bevolking in natura had gegeven een waarde vertegenwoordigen van vijftien miljoen gulden. Het totaalbedrag zou dan in de buurt van achttien miljoen gulden komen te liggen. 190]
Keren wij afsluitend nogmaals terug naar het conflict tussen Kuiper en het N.S.F. De missie van pater Bleijs bleef niet zonder gevolgen. In zijn rapport fulmineerde Kuiper tegen het gebruik van ongevallen-schadeformulieren. Aangezien de steunverlening in Limburg al op gang was gekomen, wilde hij zich niet neerleggen bij een bevoogding door het N.S.F. Voorts twijfelde hij aan het bestaan van een regeringsgarantie en aan de bekwaamheid en geschiktheid van de N.S.F.-vertegenwoordigers voor het illegale werk. Kuiper pleitte voor de instelling van een Nationaal Financieel Comité, waarin alle zuilen waren vertegenwoordigd, dat toezicht zou houden op het N.S.F. en erover zou moeten waken dat sympathisanten van het communisme verstoken bleven van financiële steun. Begin augustus 1944 werd met de komst van de agent jhr. mr. R. de Brauw duidelijk wat de reactie van de Nederlandse regering was op de door Bleijs vanuit Zwitserland verzonden rapporten van Kuiper en Gelderblom, die in juli in Londen waren gearriveerd. Zowel het idee van de instelling van een centraal lichaam belast met de verdeling der gelden als de kritiek op de financiële verantwoording waren door de regering overgenomen. “Londen” stelde geen prijs op een “zelfs maar enigszins nauwkeurige administratie”. Ten aanzien van de instelling van het centrale lichaam was de voorzitter van de Contact Commissie, W. Drees, van mening dat het N.S.F. aan de voorwaarden voor zo’n instantie voldeed en de financiën kon blijven beheren. 191]

IV.8. De missie van pater L.A. Bleijs

De L.O. en met name het gewest Limburg wenste om drie redenen in verbinding te komen met Londen. Herhaaldelijk was gebleken dat “Londen” niet op de hoogte was van het bestaan van de grootste verzetsorganisatie. In de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 arriveerde de geheim agent A.W.M. Ausems in Nederland. Hij had de zogeheten “19 punten van Gerbrandy” bij zich, een aantal richtlijnen van de regering die een coördinatie van de illegaliteit beoogden. Aangezien Ausems daags na zijn aankomst korte tijd in Duitse handen was geweest, vernietigde hij na zijn vrijlating de microfilm. De 19 punten kende hij uit zijn hoofd en bracht hij over aan de Kern, een overlegorgaan waar vertegenwoordigers van een aantal belangrijke verzetsorganisaties wekelijks een werkbespreking hielden. Nu bleek dat de L.O. in het stuk van Gerbrandy niet voorkwam. Begin mei 1944 volgde uit Londen de definitieve bevestiging van de 19 punten.192] De L.O. ondervond steeds vaker de nadelige gevolgen van het verzuim om, in tegenstelling tot diverse andere verzetsorganisaties, contact te zoeken met de Nederlandse instanties in Londen. Om daarin verandering te brengen poogde prof. mr. V.H. Rutgers in april 1944 met een bootje de Noordzee over te steken. Hij wilde de regering informeren over het verzet in gereformeerde kring en over de L.O./L.K.P., maar zijn poging strandde. 193]
Voor Limburg stond het verzuim in Londen bekendheid te geven aan de L.O. weliswaar hoog op de agenda, maar niet bovenaan. De L.O.-leiders in deze provincie waren vooral geschokt en teleurgesteld over een opmerking van de in mei 1943 naar Engeland vertrokken sociaal-democraat J.A. Burger. Die had op de vraag wat hij wist van het verzetswerk van de katholieken verklaard, dat hem daar niets van bekend was. In het verzuilde Nederland schoot een dergelijk antwoord bij de betrokkenen natuurlijk in het verkeerde keelgat. Wellicht had de vraag beter niet gesteld kunnen worden aan een sociaal-democraat, die, naar men mag aannemen, nauwelijks of geen verbindingen onderhield met verzetsgroepen van katholieke signatuur. De illegaliteit in het zuiden had zich trouwens aanvankelijk in een betrekkelijk isolement ontwikkeld. Voorts speelde het conflict met het N.S.F. Met name de Limburgse L.O.-leiding wenste zo snel mogelijk een vertegenwoordiger naar Engeland te sturen om een eventuele scheve voorstelling van zaken te corrigeren en verslag uit te brengen over de ontwikkelingen in de illegaliteit. Deze taak werd opgedragen aan pater L.A. Bleijs.
Hij had aan de wieg gestaan van de Limburgse duikorganisatie en hij was nauw betrokken bij de O.D. en de hulp aan ontsnapte krijgsgevangenen en piloten. Hij legde bovendien veel belangstelling aan de dag voor de illegale pers, beschikte over vele verbindingen binnen en buiten de provincie en hij wist van het bestaan van een aantal andere verzetsgroepen. Bleijs was niet alleen uitstekend geïnformeerd, hij was ook een getalenteerd spreker met veel overtuigingskracht en niet gemakkelijk van zijn stuk te brengen. Een betere vertegenwoordiger kon de Limburgse L.O. zich niet wensen.
De redemptorist uit Roermond had zijn verzetswerk eind februari 1944 moeten staken. Al eerder waren berichten uit de gevangenis van Maastricht doorgesijpeld met waarschuwingen aan het adres van Bleijs. Hij weigerde echter onder te duiken, omdat hij zijn kloostergemeenschap niet in gevaar wilde brengen. Eind februari 1944 werd de situatie plotseling kritiek. Door loslippigheid van een door Bleijs geholpen Duitse jongen, die enige tijd in de omgeving van Koningsbosch had vertoefd, en op grond van mededelingen van een inwoner van Echt hield de Sipo-Maastricht, bijgestaan door de Grüne Polizei, op 23 februari een razzia in Koningsbosch. Bij de verhoren werd de naam van Bleijs genoemd. Dat kwam J.L. Moonen ter ore. 194] Wederom weigerde Bleijs onder te duiken. Besloten werd de redemptorist te ontvoeren om de Sipo voor te zijn. Men wilde hem laten arresteren door marechaussees uit Horn, maar die vonden het te riskant. In de avond van dinsdag 29 februari reed F.W.H. van Herten uit Horn in gezelschap van kapelaan Naus, die sedert de zomer van 1943 zat ondergedoken in de Roermondse Weerd, naar Helden om de leider van de knokploeg, W.L. Houwen, te vragen Bleijs op te halen. Houwen besefte de ernst van de situatie en haalde de wachtmeesters J.J. Grijsbach en P.R. Raedts uit hun bed. In een personenauto met een bordje “politie” reden ze in politieuniform naar Roermond. De wachtposten bij de brug over de Maas werden overbluft met de kreet “Polizei”. Bleijs werd uit het klooster gehaald en geboeid afgevoerd. Nadat het gezelschap de Maasbrug zonder problemen was gepasseerd, kreeg Bleijs argwaan. Dit was immers niet de weg naar Maastricht. Al snel werd hem duidelijk dat de arrestatie niet was uitgevoerd door de Maastrichtse Sipo. De rest van de nacht bracht hij door in een cel onder het gemeentehuis van Helden-Panningen. Toen de volgende ochtend de Grüne Polizei bij het klooster aan de Kapellerlaan aanklopte, kon de portier niets anders meedelen dan dat de pater al was gearresteerd. De Duitsers begrepen er niets van en er klonken verwijten over en weer. Represaillemaatregelen bleven evenwel uit. 195]
Bijna drie weken bleef Bleijs ondergedoken in Helden-Grashoek. Daar bereikte hem het verzoek naar Londen te reizen. Na overleg met J.L. Moonen verklaarde hij zich daartoe bereid. Op 19 maart vertrok Bleijs naar Nijmegen om zich te verdiepen in de werkwijze van de L.O. Het belang van zijn missie nam snel toe. De L.O.-Top schaarde zich er achter. Voor zijn vertrek kreeg Bleijs contact met W. Schreinemachers, een assistent van ir. Tromp uit Eindhoven. Schreinemachers was in mei 1943, in opdracht van Tromp, via Zweden naar Engeland gereisd om een verbinding tussen Engeland en Nederland tot stand te brengen. Begin oktober was hij als agent van het Bureau Inlichtingen (B.I.) bij Malden gedropt, maar hij was zijn zender kwijtgeraakt. De bouw van een noodzender vergde zoveel tijd, dat Schreinemachers besloot terug te gaan naar Engeland. 196] Een eerste poging via de organisatie van J. Vrij in Maastricht mislukte. Bleijs had die mogelijkheid geopperd en stelde Schreinemachers in tweede instantie voor hem op zijn tocht naar Engeland te vergezellen. Op een bijeenkomst van de L.O.-Top in de nacht van 17 op 18 april 1944 in Maastricht ontvingen ze de laatste instructies. 197] In de loop van de middag van 18 april vertrokken de twee uit Maastricht met hulp van medewerkers van de Belastinggroep. In de woning van P. Landman in Eijsden ontvingen ze valse identiteitsbewijzen, waarna P. Peerboom uit ’s-Gravenvoeren hen veilig over de grens loodste. Via Luik, Dinant, Nancy en Belfort bereikten ze de Zwitserse grens. Daar bleek dat Schreinemachers tijdens de reis een longontsteking had opgelopen. Op 5 mei was hij zover hersteld dat de tocht kon worden hervat. ’s Avonds bereikten ze Zwitserland. 198] Bleijs schreef er een rapport over de organisatie en de rol van de L.O. en L.K.P. en vatte samen wat hij verder van de georganiseerde illegaliteit wist. Over de illegale pers meldde hij weinig positiefs. De verzetspers had zich volgens hem ontwikkeld tot een geheime propagandapers voor verschillende politieke groeperingen, wat nooit de bedoeling van de oprichters en de oorspronkelijke redacteuren kon zijn geweest. Ook over de R.V.V. schreef hij weinig positief. Het was geen nationale organisatie en veel van het sabotagewerk dat de R.V.V. op eigen conto schreef, was in werkelijkheid door de knokploegen gepleegd, die evenals de L.O. afwijzend stonden tegenover de R.V.V. Binnen L.O.-L.K.P.-gelederen heerste volgens Bleijs een sfeer van harmonie, eendracht en begrip. Godsdienstige of politieke verschillen speelden geen rol, waarmee hij wilde aangeven dat in de duikorganisatie de vraag wie welke prestaties hadden geleverd - katholieken of protestanten - irrelevant was. 199] Zijn persoonlijk gekleurde rapport werd, voorzien van een commentaar en ondertekend door twee niet-ingewijden, met enkele andere memoranda op microfilm gezet en via de zogeheten Zwitserse Weg A naar Londen gezonden. 200]
De reis van Zwitserland naar Spanje duurde van 17 mei tot 18 juni: een tocht met veel tegenslag. In Spanje schreef Bleijs op verzoek van “Londen” een rapport over de problemen tussen het N.S.F. en de Limburgse L.O. Begin augustus reisde hij naar Gibraltar, vanwaar hij op 10 augustus naar Engeland vloog. 201] Daar kende men inmiddels zijn opdracht. Op verzoek van de regering schreef Bleijs nog enkele rapporten waarin hij kort inging op de bijdrage van het katholiek volksdeel aan de illegaliteit. Hij besteedde uitvoerig aandacht aan de houding van het Nederlands episcopaat en hun invloed op het verzet en gaf een beschouwing over de rol van de Nederlandsche Unie, die hij als stimulerend voor het verzet had ervaren. Tot 1 november was Bleijs verbonden aan het Bureau Inlichtingen. Nadien werd hij als hulpaalmoezenier toegevoegd aan de staf van prins Bernhard. Op 2 november arriveerde hij in Brussel, waar hij weldra opnieuw de negatieve gevolgen bespeurde van het uitermate gebrekkige contact tussen “Londen” en bezet gebied. Het wederzijds onbegrip uitte zich in een bestuurlijke chaos, competentiegeschillen, felle ambitiestrijd en een toenemende verbittering en opstandigheid aan de kant van de illegaliteit. Bleijs wees herhaaldelijk op deze ongewenste ontwikkeling en drong aan op een grondige zuivering. Op verzoek van de L.O. trok hij sedert eind juni 1945 met dominee F. Slomp door het land om de mensen aan te sporen tot een saamhorigheid, zoals die volgens hem in de duikorganisatie had bestaan. Op 17 augustus kwam een abrupt einde aan zijn rondreis. Hij raakte dodelijk gewond bij een ongeluk in de buurt van Gorcum. 202] Sommigen beweerden dat Bleijs het slachtoffer van een samenzwering was geworden, maar dat kon nimmer overtuigend worden aangetoond.

V. Bestrijding van de illegaliteit

Het meeste gevaar voor de georganiseerde illegaliteit kwam van drie in Nederland gevestigde Duitse veiligheidsorganen: de inlichtingendienst van de Wehrmacht, de zogeheten Abwehr, de Sicherheitspolizei (Sipo) en de Sicherheitsdienst (S.D.). De Sipo was in september 1936 ontstaan uit een samenvoeging van de Geheime Staatspolizei (Gestapo, de politieke politie) en de Kriminalpolizei (Kripo, de recherche). De S.D. was een speciale afdeling van de S.S., belast met het verzamelen van inlichtingen en het bedrijven van spionage. De dienst viel onder de N.S.D.A.P. en stond onder leiding van R. Heydrich. In 1939 werden Sipo en S.D. als gevolg van de voortschrijdende integratie van staat en partij op centraal niveau, het nazificatieproces, samengevoegd in het Reichssicherheitshauptamt (R.S.H.A.), geleid door Heydrich. De in juni 1940 in Nederland benoemde Befehlshaber der Sipo und des S.D. (B.d.S.), dr. H. Nockemann, nam de organisatiestructuur van het R.S.H.A. vrijwel in zijn geheel over en vestigde zich met zijn staf in Den Haag. In zes plaatsen, waaronder Maastricht, werden zogeheten Außendienststellen gevestigd, die qua opzet niet veel van de Haagse centrale verschilden. Vanwege het door het personeel gedragen grijze S.S.-uniform met S.D.-ruit op de linkermouw werden zowel de Sipo als de S.D. in de volksmond S.D. genoemd, wellicht de meest gehate en gevreesde afkorting uit de bezettingstijd. 203] Omdat de S.D. strikt genomen was belast met het verzamelen van inlichtingen, maar in Nederland als een volstrekte eenheid optrad met de veel grotere Sipo, is in deze studie gekozen voor een consequent gebruik van het begrip Sipo waar in feite vrijwel steeds Sipo en S.D. worden bedoeld.
Aanvankelijk maakte Maastricht deel uit van het Einsatzkommando IV van de Sipo dat tevens Den Bosch omvatte. Aan het hoofd van de Maastrichtse afdeling stond S.S.-Hauptsturmführer Gerth. Na de reorganisatie van de in Nederland gestationeerde Duitse politie in september 1940 kreeg Maastricht een afzonderlijke Außendienststelle. Gerth keerde terug naar Duitsland en S.S.-Untersturmführer H. Schönhals volgde hem op. In tegenstelling tot Gerth was Schönhals geen politiefunctionaris, maar een S.D.-er. Zijn 43-jarige medewerker E.W.E. Elsholz maakte voor zijn komst naar Maastricht deel uit van de staatspolitie in Berlijn. 204] Over de vooroorlogse activiteiten van twee andere vooraanstaande Sipo-medewerkers, A. Afflerbach en H. Schwarzenbacher, zijn geen gegevens voorhanden.
Elke Außenstelle telde, net als de centrale in Den Haag, vijf afdelingen, elk met een aparte taak zoals de dagelijkse leiding, het personeelsbeleid, het verzamelen van algemene en specifieke inlichtingen en de bestrijding van criminaliteit. Tot afdeling IV, “Politische Gegnerbekämpfung”, hoorden onder meer: IV A, politieke tegenstanders en verzet, spionage en verzetsorganisaties en aangelegenheden aangaande de arbeidsinzet en het luisteren naar verboden radiozenders; IV B2, kerkelijke aangelegenheden; IV B4, joden; IV E, contraspionage en hulp aan de vijand. Begin 1942 vonden bij de Außenstelle Maastricht enkele personeelswijzigingen plaats. Schönhals en de Oostenrijker Schwarzenbacher vertrokken naar Duitsland en Afflerbach via Enschede naar Den Haag. Het plaatsvervangend hoofd van de Außenstelle Arnhem, de 28-jarige M.R. Ströbel, volgde Schönhals op. Elsholz werd zijn plaatsvervanger. De 32-jarige H. Conrad kwam uit Leeuwarden over en kreeg de leiding over afdeling IV B4. W.K.F.W. Micheels werd belast met kerkelijke aangelegenheden, terwijl Ströbel, Elsholz, R.H.G. Nitsch, W. Schneider en anderen zich hoofdzakelijk met de bestrijding van de illegaliteit bezighielden. De Außenstelle Maastricht telde uiteindelijk twintig Duitse en twaalf Nederlandse medewerkers. 205]
Tot december 1940 was het bureau van de Sipo gevestigd aan de Stationsstraat boven hotel Willems en gedurende 1941 in het zogeheten “witte huis” op de hoek van de Prins Bisschopsingel en de Lambertuslaan. Daarna werd een pand aan de Wilhelminasingel betrokken. Dit gebouw bleef gedurende de rest van de bezetting in gebruik door de Sipo en kreeg een macabere naam. De Sipo-leden bewoonden enkele gevorderde woningen aan de Observantenweg. 206]
[Terug] De Sipo verwierf zich spoedig een uitermate sinistere reputatie, vooral door het optreden van sommige medewerkers. Met name R. Nitsch werd alom gevreesd vanwege zijn wreedheid en sadisme. Zijn naam werd een synoniem voor de Sipo, voor angst en haat.
Richard Heinrich Georg Nitsch werd op 1 november 1908 in Todtglusingen, een dorp aan de spoorweg Hannover-Bremen geboren. Nadat hij de 3-jarige Realschule had voltooid, werd hij ernstig ziek. Het herstel duurde ruim een jaar. Van 1925 tot 1932 werkte hij als winkelbediende. In 1932 trad hij toe tot de N.S.D.A.P. en een jaar later kreeg hij een baan bij de spoorwegpolitie op het baanvak Hannover-Osnabrück-Bentheim-Nederland. Dat werk lag hem. In 1935 klom hij op tot kandidaat Kriminalassistent bij de grenspolitie. Door zijn vakkennis te vergroten trachtte hij hogerop te komen. Hij hield zich, in samenwerking met de S.S., bezig met de controle van de bagage van treinreizigers op het traject Bentheim-Oldenzaal en met de arrestatie van door het naziregime op de “zwarte lijst” geplaatste personen. Eind mei 1940 werd hij toegevoegd aan het Sipo-Einsatzkommando in Arnhem. Nitsch bleef er vier maanden. Via Enschede, waar hij de nog toegestane politieke partijen in de gaten moest houden, kwam hij op 7 april 1941 naar Maastricht. Hij werd aanvankelijk belast met het onderzoek naar uiteenlopende activiteiten gericht tegen de bezetter. Weldra bleef zijn taak beperkt tot het onderzoeken en bestrijden van het georganiseerde verzet en tot spionage. 207] Met veel toewijding gaf Nitsch zich over aan zijn nieuwe functie, volkomen blind voor het leed dat hij zijn slachtoffers en hun naasten berokkende. Zonder een spoor van menselijke gevoelens en met een onbeteugeld sadisme beging hij de ene na de andere misdaad. Zijn chef Ströbel hitste hem op en zette hem aan tot steeds weerzinwekkender wreedheden. Van tijd tot tijd lekte iets uit over de vreselijke taferelen en martelingen die zich ’s avonds en ’s nachts in de folterkamers 7 en 11 van het Sipo-gebouw aan de Wilhelminasingel afspeelden. Zijn collega Elsholz verklaarde na de oorlog dat Nitsch een uitgesproken sadist was en door zijn optreden talrijke zaken wist op te lossen. Gewetensbezwaren kende Nitsch niet, ze pasten niet bij zijn grenzeloze ambitie. Befehl was Befehl en het doel heiligde de middelen. Zijn collega’s noemden hem de “Kopfjäger”. 208] Die bijnaam deed hij alle eer aan: drieënnegentig personen van wie Nitsch Sachbearbeiter was kwamen in concentratiekampen om het leven; honderden werden door hem naar Duitse kampen gezonden van wie velen na de oorlog invalide en volkomen gebroken terugkeerden. Bovendien was Nitsch betrokken bij vele moorden, waarvan hij er op zijn minst tien zelf beging. Tenminste achtenvijftig personen werden door hem mishandeld. 209]
Van zijn chef, Ströbel, die zich na de oorlog aan rechtsvervolging wist te onttrekken, is veel minder bekend. Hij werd op 15 juli 1913 geboren in Chemnitz. Zijn eigenlijke beroep was koopman. Voor zijn komst naar Nederland maakte hij deel uit van de Sipo-Düsseldorf. Het Maastrichtse Sipo-hoofd gleed in de loop van de tijd steeds verder af en verviel van kwaad tot erger. Evenals Nitsch mishandelde hij talrijke personen en pleegde hij een aantal moorden. Elsholz kenschetste zijn chef als een sadist zonder rechtsgevoel, als een achterbaks, vals en gewetenloos iemand. Tijdens zijn ambtsperiode en onder zijn verantwoordelijkheid arresteerde de Außenstelle Maastricht ruim vijfendertighonderd personen en werden de meeste wreedheden begaan. 210]
Door het afglijden van Ströbel viel het personeel van de Sipo-Maastricht gaandeweg in twee kampen uiteen. Vooral sinds de April-Meistaking trad deze tegenstelling aan het licht. Tot het “gematigde” kamp behoorden Elsholz, een deel van het administratief personeel en medewerkers van de sectie die zich bezighield met de bestrijding van criminaliteit. Aan de andere kant stonden Ströbel, Nitsch, Conrad, enkele secretaresses en de Nederlandse S.S.-ers C.W. Klonen, J.N. Grootjans en C.M.W. Schut. Conrad was geen haartje beter dan Ströbel en Nitsch. Door zijn toedoen werden talrijke joden en hun helpers gearresteerd en onderworpen aan zogeheten verscherpte verhoren, waarbij de slachtoffers alle mogelijke mishandelingen moesten ondergaan. Ook was Conrad bij een aantal moorden en brandstichtingen betrokken. Gedurende zijn verblijf in Maastricht liet hij honderdtweeëndertig personen insluiten, onder wie ruim honderd joden. Elsholz karakteriseerde hem als een slecht en gevaarlijk man, een leugenaar en een crimineel. 211]
Grootjans uit Heerlen werkte met tussenpozen voor de Sipo. Hij kampte met een slechte gezondheid en had volgens Elsholz een lage ontwikkelingsgraad. Hij was op een dwaalspoor geraakt en zich niet werkelijk bewust van wat hij deed. Dat gold niet voor Klonen. Ofschoon ook hij, aldus Elsholz, weinig opleiding had genoten, was Klonen onverbeterlijk, grof en tot alles in staat zonder zich ook maar enige rekenschap van zijn daden te geven. De ergste van de drie was de op 28 november 1901 in Utrecht geboren C. Schut. Elsholz was kort over hem: een uitgesproken misdadiger, tot alles in staat, gewetenloos en ongeremd. In november 1943 was Schut overgeplaatst van de Sipo-Utrecht naar de Sipo van Maastricht, omdat men hem in Utrecht van diefstal en andere onregelmatigheden verdacht. Ströbel zag wel iets in deze nieuwkomer en richtte samen met hem een speciaal arrestatiecommando (de Sipo-leden noemden het “remmidemmi”) op. Daarvan maakten tevens Nitsch, Conrad, H.M. Meyers, Klonen, H.B. Janssen en Grootjans deel uit. In mei 1944 lieten Meyers en Janssen zich omkopen door een zwarthandelaar uit Roermond. Toen de corruptie aan het licht kwam, werden de twee overgebracht naar het kamp Sachsenhausen. Daar bleven ze tot november 1944, waarna ze opnieuw in dienst traden van de Sipo. Het arrestatiecommando oefende in 1944 een ware terreur uit in de provincie en was betrokken bij het afnemen van “verscherpte” verhoren. Vooral Nitsch, Conrad en Schut begingen dat jaar de zwaarste misdrijven. 212]
Wegens personeelsgebrek was het voor de medewerkers van de Sipo onbegonnen werk op eigen kracht de strijd aan te binden met de georganiseerde illegaliteit. Men was afhankelijk van de medewerking van Nederlanders en Nederlandse instanties: politieorganen, politiefunctionarissen en spionnen of V-Männer. Van de laatsten bestond een heel scala: Nederlanders of Duitsers die vanwege hun baan bij de overheid inlichtingen aan de Sipo konden verstrekken of personen die in openbare gelegenheden hun oor te luisteren legden om de algemene stemming te peilen of individuen te bespioneren. Ook ontving de Sipo talrijke anonieme tips. Tenslotte waren er de min of meer professionele V-Männer. Zij trachtten in contact te komen met de georganiseerde illegaliteit. De meest succesvolle en dus gevaarlijkste V-Mann uit de bezettingstijd was ongetwijfeld Anton van der Waals. 213] Toch waren niet alle arrestatiegolven het gevolg van infiltratie en verraad. Een ongelukkige samenloop van omstandigheden, toeval, overmacht en het doorslaan van arrestanten konden eveneens desastreuze gevolgen hebben.
De hiervoor genoemde Sipo-leden waren de meest fanatieke en meest gevreesde. Tot de andere Sipo-beambten die evenmin vrijuit gingen behoorde Elsholz die in zijn Maastrichtse periode circa vijfhonderd personen liet arresteren, van wie er zeventig in de Scheveningse strafgevangenis terechtkwamen. 214] W. Schneider, belast met kwesties betreffende de arbeidsinzet en onderduikers, liet tussen zijn komst, medio 1942, en september 1944 ruim achthonderd personen insluiten, van wie ongeveer vierhonderdvijfenzeventig, doorgaans via Amersfoort, met onbekende bestemming werden afgevoerd. Elsholz noemde Schneider een slecht politieman, een brulaap, corrupt en egoïstisch. 215] K.P. Fiebig, verantwoordelijk voor de controle van pers en cultuur en naderhand actief in de bestrijding van de illegaliteit, liet circa dertig personen interneren, van wie er vijftien met onbekende bestemming op transport werden gesteld. Nitsch beschuldigde Fiebig van betrokkenheid bij een aantal moorden in Berg en Terblijt, Maasniel en Venlo in september en oktober 1944. Elsholz meende dat Fiebig tot alles in staat moest worden geacht. 216] Het hoofd van de Kriminalpolizei bij de Sipo, W. Meyer, liet vijfennegentig personen insluiten, van wie er vijfentwintig op transport werden gesteld. Hij nam deel aan verschillende razzia’s en maakte zich tenminste één keer schuldig aan zware mishandeling. Elsholz karakteriseerde hem als goedmoedig, week, punctueel en bereid tot het uitvoeren van elk bevel.217]
Evenals Meyer maakte R. Unger deel uit van de Kriminalpolizei. Tussen januari 1942 en september 1944 werden op last van Unger honderdvijfenzeventig personen ingesloten, vijfenzeventig van hen vertrokken met onbekende bestemming uit Maastricht. Met de bestrijding van de illegaliteit had hij overigens niets te maken. Elsholz had een positieve indruk van deze collega. 218] W. Ruhm, belast met het toezicht op de industrie, liet tussen de zomer van 1943 en september 1944 tenminste acht personen arresteren. Hij nam, evenals Unger, deel aan enkele grotere Sipo-acties. Elsholz omschreef hem als een nerveuze veelprater met zowel positieve als negatieve eigenschappen. 219] E.J. Georges, een Duitse V-Mann in dienst van de Maastrichtse Außenstelle, werkte voor de Duitse inval als spion. Hij was betrokken bij de mislukte pogingen om de brug over de Maas in mei 1940 in Maastricht onbeschadigd in Duitse handen te spelen. Nadien peilde hij de stemming onder de Limburgse bevolking en stelde hij rapporten over de toestand in de provincie samen. Het is niet bekend hoeveel personen slachtoffer werden van Georges’ inlichtingen. 220]
Als laatste van dit gezelschap moet W.K.F.W. Micheels worden genoemd. Hij was belast met kerkelijke en politieke aangelegenheden. Evenals Nitsch koos de op 20 december 1902 in Stralsund geboren Micheels voor een loopbaan bij de politie. In 1938 stapte hij vanwege betere carrièremogelijkheden over naar de Gestapo. Voortaan moest hij de Evangelische kerken in Mecklenburg in de gaten te houden. Op 1 augustus 1941 kwam Micheels naar Maastricht, waar hij al spoedig vernam van de tamelijk openlijke antinazi gezindheid van een aantal geestelijken, onder wie secretaris Moonen. De bisschop van Roermond mocht hij niet in hechtenis nemen, omdat men voor grote opschudding onder de Limburgse bevolking vreesde. Wel werd hem opgedragen de voorlezing en verspreiding van herderlijke brieven te voorkomen en kloosters in beslag te nemen. In oktober 1942 vond de ontruiming van het Jezuïetenklooster in Valkenburg plaats, waar zich een unieke boekencollectie en een planetarium bevonden. Een hoge S.S.-delegatie reisde er speciaal voor naar Valkenburg. Binnen enkele weken was de kloosterkerk tot de laatste steen afgebroken. In het klooster vestigden de Duitsers een “Reichsschule”. Het St. Josephgesticht in Heer, waar kloosterlingen zich over tweehonderdzeventig voogdijjongens ontfermden, was al op 8 juli 1942 ontruimd.
De geestelijken waren letterlijk op straat gegooid. Sindsdien stond de inrichting ter beschikking van de Hitlerjugend. Vrijwel de hele inventaris verdween. Er werden trouwens meer katholieke instellingen en kloosters ten behoeve van de Wehrmacht gevorderd. In werkelijkheid vielen ze aan allerlei Duitse organisaties en instellingen toe zoals de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel. De opdracht tot ontruiming kwam meestal niet van het Duitse leger, maar geschiedde bijna altijd op last van de stafmedewerker van de B.d.S.-Den Haag, H. Nelis. De meningen over Micheels gedrag liepen nogal uiteen. Elsholz karakteriseerde hem als een crimineel en Nitsch beschuldigde hem ervan eind 1944 betrokken te zijn geweest bij oorlogsmisdaden in Broekhuizen. Een politiebeambte die hem eind 1946 ondervroeg had de indruk met een gematigd en niet te beïnvloeden persoon te maken te hebben die zeker niet bruut was opgetreden. 221]
De snelle opmars van de geallieerde legers door Frankrijk en België in augustus 1944 baarde de Maastrichtse Sipo-leden grote zorgen. Inderhaast werd begonnen met het verbranden van het archief, dat naderhand immers als bewijsmateriaal kon dienen. Nitsch deed enkele dagen niets anders dan papier verbranden. Op 7 september 1944 verhuisde de Sipo van Maastricht naar Hoensbroek. Dagelijks reden commando’s door de provincie. Een van deze commando’s deed op 8 of 9 september Maastricht aan. Inwoners van de stad waren er juist achter gekomen dat de Sipo de stad had verlaten. Men stond op het punt het gebouw aan de Wilhelminasingel binnen te dringen. Schut opende meteen het vuur. Er vielen enkele slachtoffers. Op 11 september herhaalde het tafereel zich in Heerlen. Ströbel, Conrad, Fiebig en Schut namen een voor een grossierderij in tabaksartikelen samengestroomde menigte onder vuur. Als door een wonder raakte slechts één persoon gewond. De volgende dag werd de R.V.V.-er K. Zaiczek op verdenking van spionage aangehouden en tussen Sittard en Hoensbroek doodgeschoten. 222]
Op 14 september vertrok het gezelschap naar het Duitse Geilenkirchen en de dag daarop naar Wassenberg. Vandaar keerden de Sipo-leden terug op Nederlands grondgebied en vestigden ze zich in Maasniel, waar ze als Einsatzkommando werden toegevoegd aan het 86ste legerkorps. De taken bleven dezelfde: bestrijding van spionage, sabotage en illegaliteit. Teneinde duidelijkheid te krijgen over de eigen status en het werkterrein, reisden Ströbel en Nitsch op 17 september per motor naar Arnhem en stelden ze zich in verbinding met de B.d.S.-Den Haag, K.G.E. Schöngarth. Vermoedelijk kregen ze opdracht voorlopig in Limburg te blijven. Omstreeks 20 september vestigden de Sipo-beambten zich in Venlo. Ze oefenden er een waar schrikbewind uit en vermoordden tientallen mensen. Voorts assisteerden ze de Ordnungspolizei bij de jacht op onderduikers. Vanwege het naderbij komen van het front trokken ze in november via Enschede naar Westerbork. Twee weken later, begin december, werden ze in Sneek gestationeerd. In Friesland maakten Ströbel en zijn trawanten opnieuw slachtoffers. In de nacht van 13 op 14 april 1945 trokken ze zich met een aantal militairen via de Afsluitdijk terug en belandden tenslotte in Haarlem. Na de capitulatie lukte het Ströbel zijn medewerkers als parachutisten ingedeeld te krijgen bij twee luchtmachtcompagnieën. Zo bleef hun ware identiteit verborgen en kwamen ze samen met in Nederland achtergebleven Duitse militairen in een legerkamp bij IJmuiden terecht. Eind mei vertrok Ströbel met een van de compagnieën naar een “Wehrmachtsentlassungslager” in het Duitse Norden, waaruit hij in het najaar ontslagen werd. Ook andere Sipo-leden ontsnapten aan de justitie en verdwenen spoorloos. Nitsch en enkele van zijn collega’s meldden zich op 22 mei 1945 bij de Canadese politie in IJmuiden. 223]
Nitsch’ medewerking bij de naspeuringen van de politieke recherche en andere justitiële autoriteiten was onontbeerlijk. Hij beschikte over een fabelachtig geheugen en stelde zich coöperatief op bij de reconstructie en opheldering van talrijke onopgeloste zaken.
De bijdragen van andere Sipo-beambten verbleekten bij die van Nitsch. Zijn nieuwe rol leek Nitsch op het lijf geschreven en justitie maakte aanvankelijk gretig gebruik van zijn diensten. Toch werd men gaandeweg wat terughoudender. Soms leek het namelijk alsof Nitsch degene was die alsnog recht sprak. Als hij verklaarde dat iemand steeds een goed Nederlander was geweest, met wie de Sipo niets kon aanvangen, viel het gerechtelijk vonnis vaak milder uit dan wanneer hij iemand als een vertrouwenspersoon of zeer hulpvaardig bestempelde. Dat lot trof zelfs voormalige illegale werkers. Op 29 november 1948 werd Nitsch tot levenslang veroordeeld. Het Bijzonder Gerechtshof te Maastricht achtte tien door hem gepleegde moorden bewezen benevens de mishandeling van veertien personen. De reden dat men hem niet ter dood veroordeelde onderbouwde het Gerechtshof als volgt: “Het feit dat Nitsch met zijn Duitse opvattingen omtrent autoriteit waarschijnlijk onder invloed is geweest van zijn meerdere Ströbel en mede het feit dat bij verdachte door het Bijzonder Gerechtshof wordt bevonden een zekere bekrompenheid van geest, waardoor hij niet kan begrijpen, dat ook al heeft men zich aan een zaak gegeven, men toch als mens een eigenwaarde blijft behouden door zelf te oordelen wat mag en niet mag, maar door welke bekrompenheid hij meende alleen maar te moeten kijken naar de zaak waaraan hij zich gegeven had, zonder te letten op de rechten van anderen en zonder te merken dat hij zich zelf daardoor van elke menselijke waarde ontdeed”. 224] In 1960 werd Nitsch uit de gevangenis ontslagen en over de grens gezet.
Van het overige Sipo-personeel stonden alleen Elsholz, Schneider, Georges, Micheels, Grootjans en Meyers terecht. De eerste vier werden na aftrek van voorarrest meteen of spoedig na het vonnis vrijgelaten. Grootjans kreeg twintig jaar met aftrek van voorarrest, H.M. Meyers vijftien jaar met aftrek van voorarrest, maar ontsnapte in november 1947 uit de gevangenis. Ruhm, Unger en Meyer hoefden niet voor het Bijzonder Gerechtshof te verschijnen. Afgezien van Nitsch ontsprongen de grootste oorlogsmisdadigers van de Sipo-Maastricht allen de dans. Conrad, Fiebig, Klonen, Schut en Janssen werden niet gepakt. Het meest gezochte Sipo-lid, Ströbel, verdween eveneens. Hij vertrok in mei 1945 als Oberfeldwebel Max Walther via Den Helder naar Norden. Na zijn ontslag uit het legerkamp vestigde Ströbel zich waarschijnlijk in de buurt van Hamm en sloot hij zich aan bij de Weerwolforganisatie, een door de Reichsführer S.S., Heinrich Himmler, opgezette organisatie die blijvend verzet moest plegen. Van verzet kwam niet veel terecht. Wel poogden de bij de Weerwolf aangesloten nazi-criminelen zich een nieuwe identiteit te verschaffen en uit te wijken naar gebieden in de wereld waar ze zich veilig waanden. 225] Het is niet bekend waar Ströbel uiteindelijk terechtkwam. Tegen verscheidene Sipo-informanten in Limburg, die uitsluitend met hem hadden samengewerkt, kon daarom onvoldoende bewijsmateriaal verzameld worden om ze ter verantwoording te roepen. Hun “lot” was en bleef sindsdien verbonden met dat van het voormalige Sipo-hoofd.

VI. De overval van Weert

In paragraaf III.1. werd beschreven hoeveel moeite het de L.O. aanvankelijk kostte een adequaat antwoord te vinden op de invoering van de Tweede Distributiestamkaart. De zogeheten T.D.-groep ontwikkelde een strategie die erop gericht was de maatregel langs administratieve weg te dwarsbomen. Al spoedig kwam een samenwerking tussen L.O. en T.D.-groep tot stand. De verbinding met de L.O. in Noord-Brabant en Limburg werd tot begin 1944 onderhouden door L.P. Lenssen. Nadat de Sipo hem op het spoor was gekomen, dook hij onder en nam de in Utrecht ondergedoken Amsterdammer D.C. Jesse zijn taak over. Jesse was een ervaren illegaal werker. In de eerste oorlogsjaren was hij met zijn echtgenote, D. Jesse-Den Ouden, betrokken geraakt bij verzetsactiviteiten rond de Arbeiders Jeugd Centrale (A.J.C.) en het links-radicale blad “De Vonk” en bij de hulp aan joden. Via zijn medewerker F. Swaab kreeg hij in 1943 verbinding met dr. S. van der Heide en C. Paasen, die hulp verleende aan joden in de Mijnstreek. Jesse verschafte de Zuidlimburgse groep waarvan hij deel uitmaakte persoonsbewijzen, distributiestamkaarten en bonkaarten. Door bemiddeling van Paasen kon hij enkele joden in Zuid-Limburg plaatsen. Een en ander geschiedde in overleg met een groep rond J. Westerweel. Na intensief speurwerk kwam Jesse in aanraking met smokkelaars in de Belgisch-Limburgse grensstreek die echter buitensporig hoge bedragen vroegen voor het over de grens helpen van joodse vluchtelingen.
In de loop van 1943 kreeg Jesse verbinding met de L.O. en de latere voorman van de T.D.-groep, A. Hendriks. Deze had een methode uitgedokterd om achtergehouden persoonsbewijzen te legaliseren. Voor joden was dit van levensbelang, zodat Jesse besloot zijn energie voortaan over beide activiteiten te spreiden. Daarmee nam hij waarschijnlijk teveel hooi op zijn vork. Sedert begin 1944 concentreerde hij zich vrijwel volledig op het werk voor de T.D.-groep, maar op verzoeken om hulp uit joodse kring kon hij geen nee zeggen. Toen hij in januari 1944 vernam dat in het L.O.-district Heerlen plannen bestonden om het plaatselijk distributiekantoor te overvallen, reisde hij er spoorslags heen om de L.O.-ers op andere gedachten te brengen en hen te instrueren hoe de T.D.-verordening kon worden tegengewerkt. 226]
Diezelfde maand introduceerde Lenssen Jesse in gewestelijke L.O.-kring. In Eindhoven werd een afspraak gemaakt voor een ontmoeting te Sittard met Th.C. van Helvoort uit Roermond, die belast was met het geven van voorlichting over het vrijmaken van persoonsbewijzen. Lenssen had Van Helvoort al vaker ontmoet. Pater Bleijs had de twee met elkaar in contact gebracht. Toen Lenssen naar Limburg vertrok om vertegenwoordigers van de distributiekringen Sittard en Geleen voor te lichten over het saboteren van de T.D.-beschikking, nodigde hij Jesse uit deel te nemen aan de bijeenkomst. Deze weigerde beslist, omdat hij het te gevaarlijk vond. Van Helvoort kon waardering opbrengen voor die houding en bleef, nadat Lenssen zich uit het illegale werk had teruggetrokken, met Jesse in contact. Jesse noemde de Roermondse L.O.-er een adres in Heerlen waar hij bereikbaar was. Van tijd tot tijd kwamen de twee voor overleg bijeen. In maart 1944 introduceerde Van Helvoort Jesse bij de districtsleider van Roermond, J.A.H. Delsing, die eveneens een gunstige indruk van hem kreeg. Delsing stelde voor hem te inviteren voor een gewestelijke vergadering om de “geruisloze” werkwijze van de T.D.-groep nader toe te lichten. Op de eerstvolgende vergadering van de gewestelijke L.O.-Top, ten huize van weduwe Loven-Everts in Roermond, was Jesse aanwezig. Hij gaf er een leerzame en nuttige uiteenzetting. Van Helvoort en Jesse besloten hun adres en telefoonnummer uit te wisselen. Na enkele vergeefse pogingen hem te bereiken ontving Van Helvoort in de loop van mei een aantal persoonskaarten van Jesses koerier, zodat hij de administratieve fraude kon voortzetten.227]
Jesses kortstondige afwezigheid was een gevolg van het feit dat hij door de drukke werkzaamheden overwerkt was geraakt en zich ziek voelde, zo vernam Van Helvoort. Hij wist niet dat Jesse overwoog de illegaliteit de rug toe te keren. Zijn gezondheidstoestand verslechterde met de dag, hij had last van flauwtes en voelde zich voortdurend oververmoeid. Bovendien kampte Jesse met problemen in de privé-sfeer. In april nam hij met zijn echtgenote enkele weken vakantie. Van uitrusten kwam niets terecht. Onderduikers vielen het echtpaar voortdurend lastig. Zijn hulp was onontbeerlijk.228]
Fysiek en mentaal verzwakt nam Jesse de draad weer op. Bij een persoonscontrole op het baanvak Gouda-Utrecht op 16 juni 1944 werd hij gearresteerd, omdat de kleur van de inkt van de vingerafdruk op zijn persoonsbewijs niet overeenkwam met de gebruikelijke. Bij visitatie bleek hij in het bezit van twee blanco persoonsbewijzen en een notitieboekje. In Utrecht werd hij overgeleverd aan de Sipo, die zijn duikadres bezocht. Daar bevonden zich op dat moment toevallig twee personen die prompt in hechtenis werden genomen. De Sipo trof diverse benodigdheden voor het vervalsen van persoonsbewijzen aan. De confrontatie met het bewijsmateriaal brak Jesses laatste weerstand. Hij beschouwde zijn situatie als hopeloos. In deze gemoedstoestand was hij een gemakkelijke prooi voor E. Wehner, een medewerker van de Sipo-Amsterdam en sinds 17 juni zijn Sachbearbeiter. Een van de aantekeningen in het notitieboekje trok Wehners bijzondere aandacht. Er stond: “Vergadering Limburg, Theo Roermond”, hetgeen betrekking had op zijn bezoek aan de gewestelijke vergadering in Roermond enkele maanden eerder. Vooralsnog wilde Jesse er niets over loslaten, maar toen Wehner dreigde twee joodse kleuters, een jongetje en een meisje van ongeveer vier jaar, in het bijzijn van de moeder de armpjes en beentjes te breken en er zelfs aanstalten toe maakte, verbrak hij het stilzwijgen. Op 20 juni belde hij in opdracht van Wehner Van Helvoort in Roermond met de vraag of hij hetzelfde gezelschap - de gewestelijke L.O.-leiding van Limburg - nogmaals kon spreken. De nietsvermoedende Van Helvoort had net vernomen dat de volgende dag een vergadering in Weert zou worden gehouden en hij verzocht Jesse om elf uur op het station aanwezig te zijn. Dat was te vroeg, liet Jesse weten. Ze spraken af dat Van Helvoort hem om half twee ’s middags van de trein zou afhalen.229]
In de ochtend van woensdag 21 juni ontving de Sipo-Maastricht een telexbericht met de volgende strekking uit Amsterdam: Heden vindt te Weert een provinciale vergadering van de L.O. plaats. Een van onze V-mannen zal op deze vergadering over de Tweede Distributiestamkaart en Z-kaarten spreken. Onder leiding van Hauptscharführer Wehner komt een afdeling van de Sipo uit Amsterdam met de V-man omstreeks 13.00 uur per trein in Weert aan. De Dienststelle Maastricht moet zich verder bezighouden met deze aangelegenheid. Getekend, W. Lages, hoofd Außenstelle Amsterdam. 230] In de loop van de ochtend vertrok Wehner in gezelschap van vier medewerkers en Jesse naar Weert. R. Nitsch begaf zich met ongeveer tien helpers in een auto van de marechaussee op weg. Om niet herkend te worden droeg hij een overall over zijn uniform, de anderen waren wel in uniform. In Weert liet hij de auto zo parkeren dat hij het station goed in de gaten kon houden om Wehner meteen na aankomst te kunnen begroeten. 231]
De gewestelijk L.O.-leiding kwam die ochtend om elf uur bijeen op de eerste verdieping van het klooster-pensionaat St. Louis in het centrum van Weert. Naus en Hendrikx hadden de nacht doorgebracht op Naus’ duikadres bij de familie Barten in de Roermondse Weerd. De anderen waren die morgen vanuit de verschillende districten naar Weert gekomen. A.H.M. Hermans, vertegenwoordiger van het district Weert, wachtte zijn collega’s aan het station op. Kort voor half twee verliet Van Helvoort de vergadering om Vos, Jesses schuilnaam, van de trein te halen. Jesse stapte alleen uit en al pratend over koetjes en kalfjes begaven de twee zich naar het klooster, op zo’n honderd meter gevolgd door de Sipo. Van Helvoort bemerkte tijdens de wandeling, die ongeveer een kwartier duurde, niets opvallends aan zijn gast. Jesse was de kalmte zelve en niets in zijn gedrag wees erop dat er onraad dreigde. Na een korte begroeting kreeg Jesse het woord. Hij legde uit hoe men door manipulatie met verhuizingen aan de Tweede Distributiestamkaart kon komen. 232]
Buiten het klooster gaf Nitsch intussen de laatste aanwijzingen. Toevallig werd in het Scala-theater aan de overkant van de straat een film gedraaid voor een groep militairen. Nitsch trommelde ze op en liet de omgeving van het klooster afzetten. Midden in Jesses betoog verscheen plotseling een opgewonden portier. Duitsers zouden zich voor het gebouw verzamelen. Hij was nog niet uitgesproken of er werd op de deur gebonsd. Er klonken geweersalvo’s.
De aanwezigen stoven het lokaal uit. Iemand riep nog “papieren zoveel mogelijk vernietigen”. Wehner en enkele helpers stormden naar boven, Nitsch en Fiebig vonden een andere trap. De verrassing was compleet. Van Helvoort vluchtte eerst een klein kamertje binnen. Hij waande zich er niet veilig en begaf zich naar een leslokaal waar hij achter een stel verduisteringsschermen naast de toegangsdeur kroop. Hij hield zich er tot de avond schuil. De vertegenwoordigers van de districten Nijmegen en Maas en Waal, J.A. Dijker en C. van Sambeek, vluchtten de zolder op en verscholen zich onder een aantal stoffige schilderijen. Hoewel de Sipo de zolder tot drie keer toe doorzocht, werden de twee niet gevonden. ’s Avonds hoorden ze enkele broeders schelden op de Duitsers. Ze begrepen dat de kust veilig was. J.F.H. Mulders, die het district Maastricht vertegenwoordigde, vluchtte in eerste instantie naar een toilet waar hij zijn papieren vernietigde. Vervolgens begaf hij zich via de kapel naar de zolder waar hij Dijker en Van Sambeek aantrof. Via een voorvertrekje bereikte hij het toilet op de zolderverdieping. Daar werd hij ontdekt. De Sipo-leden sloegen en schopten hem en vroegen of er nog meer personen op zolder waren. Mulders ontkende. Ze brachten hem naar de binnenplaats van het klooster waar inmiddels Naus, Hendrikx, kapelaan J.W. Berix (Heerlen), A.H.M. Hermans, W.H.M. Jansen (Vierlingsbeek) en J.M. Knops (Gulpen) tegen een muur stonden opgesteld. De districtsleider van Venray, F.J.K. Russel, had meer geluk. Meteen na het alarm voegde hij zich bij enkele broeders, die een trap aan het schrobben waren. Een Nederlandse Sipo-helper sommeerde hen naar de cour te gaan. Bij de deur zag Russel zijn kameraden met omhooggeheven armen tegen de muur staan. Hij maakte rechtsomkeert en kroop in een lessenaar. ’s Avonds troffen leerlingen van de kostschool hem daar aan. 233]
Nitsch had dank zij de tip uit Amsterdam zijn grootste slag kunnen slaan: afgezien van broeder-overste, A.H.J. Merkx - die overigens nergens mee te maken had - waren zeven vooraanstaande L.O.-ers gearresteerd. Hij was er vrijwel zeker van dat hij eindelijk Hendrikx te pakken had. De gewestelijke leider had hem herhaaldelijk het bloed onder de nagels vandaan gehaald door brutaalweg zijn kantoor in Maastricht te bellen en hem min of meer voor schut te zetten. Niettemin had hij gaandeweg enige waardering gekregen voor zijn voornaamste opponent. Nitsch nam plaats aan een tafeltje op de binnenplaats. De arrestanten stonden met het gezicht naar de muur. Toen een antwoord uitbleef op de vraag wie Ambrosius was, rukte hij de rechts opgestelde Knops uit de rij, die benauwd te kennen gaf nooit van die naam te hebben gehoord. Nitsch dreigde iedereen te zullen doodschieten als Ambrosius zich niet meldde. Even later trad Hendrikx naar voren. Naus en Berix voelden zich genoodzaakt hetzelfde te doen waarna de anderen volgden. Hoewel de identificatie eigenlijk niet belangrijk was, omdat Nitsch wist met wie hij te maken had, lopen de naoorlogse verklaringen hierover nogal uiteen. De meest waarschijnlijke lezing is dat de identificatie geschiedde door één van de arrestanten: Hendrikx, Naus en Berix zouden dus niet uit de rij zijn getreden. Toen de namen eenmaal bekend waren, verhoorde Nitsch de arrestanten afzonderlijk. Jesse, die tussen de L.O.-ers stond en zich afzijdig hield, vertrok naderhand met Wehner c.s. naar Amsterdam. De L.O.-ers werden in opdracht van Ströbel overgebracht naar Vught. Daar zette Nitsch de verhoren voort. 234]
In illegale kring heerste na de overval te Weert grote consternatie. Wie had het verraad op zijn geweten? Ook de arrestanten verkeerden in het ongewisse. Kon het Jesse zijn, de enige die niet naar Vught was overgebracht? Was het de persoon uit hun midden die hun namen bekend had gemaakt? Hoewel de verdenking al spoedig op Jesse viel, deelde kapelaan Naus op een uit het kamp gesmokkeld briefje mee dat hij de verrader niet kon noemen. 235] Medewerkers van L.O. en K.P. braken zich het hoofd over de vraag wie de dader kon zijn. De districtsafgevaardigden van Venlo en Heerlen, A. Slikker en J. Cornips, hadden op 21 juni verstek moeten laten gaan. Cornips werd voor nadere uitleg overgebracht naar de grotten van Valkenburg. Hetzelfde overkwam F. Meulenkamp, een landelijke K.P.-vertegenwoordiger, die in Meerssen zat ondergedoken. In het geruchtencircuit was namelijk de naam van een zekere Dick opgedoken, Meulenkamp gebruikte die als schuilnaam. De Zuidlimburgse K.P. voelde hen stevig aan de tand. 236] De zoekacties en verhoren leverden echter niets op.
De eerste die enig licht in de zaak bracht was C. Paasen uit Heerlen, die zelf korte tijd van het verraad was verdacht vanwege zijn connectie met Jesse. Op 27 juni was Jesse vrijgelaten om als lokaas te dienen bij de opsporing van zijn vroegere opdrachtgever “Hugo” (schuilnaam van T. van Vliet, zie paragraaf III.2.). Ondanks het dreigement van Wehner niet te zullen aarzelen de twee personen die op Jesses duikadres in Utrecht waren gearresteerd dood te zullen schieten, als hij zijn opdracht niet naar behoren uitvoerde, lukte het Jesse de Sipo-Amsterdam om de tuin te leiden. 237] Toen Paasen begin juli 1944 Amsterdam bezocht, vernam hij van Jesses echtgenote dat haar man sinds zijn vrijlating een speelbal van de Sipo was. Hij alarmeerde terstond de Limburgse L.O.-leiding die in spoedvergadering in Vlodrop bijeenkwam. De mededeling “Vos is vrij” was genoeg. De L.O.-ers trokken de conclusie dat Jesse de verrader moest zijn. 238] Een eerste liquidatiepoging door de K.P.-ers H.J.H. Bouten en J.J. Grijsbach mislukte. 239] Kort daarop kreeg B.J.C. van Kooten uit Klimmen, die sedert de gebeurtenissen in Weert een bliksemcarrière in de L.O. maakte, opdracht naar Amsterdam te gaan om het echtpaar Jesse te arresteren en over te brengen naar Limburg. Van Kooten bereidde zijn taak terdege voor. Eind augustus reisde hij naar Amsterdam. Een tussenpersoon bracht hem in contact met een zekere dokter Balbo die beweerde over vervoermiddelen en een knokploeg van maar liefst tweehonderdvijftig gewapende personen te beschikken. Het bleek dat de fantasie met Balbo op de loop was gegaan. Van Kooten zag zich genoodzaakt de zaak anders aan te pakken. Hem restte geen andere oplossing dan Jesse te liquideren. Twee medewerkers van Balbo, P. Loyens en W. Bergmans, zouden de liquidatie uitvoeren. Op 1 september togen ze naar Jesses woning. 240] Volgens mevrouw Jesse gebeurde daarna het volgende: “Twee studenten drongen het huis binnen en bonden hem (D.C. Jesse) vast. Zij wilden Bob (Jesse) doodschieten, maar op dat moment klopte een vriend die bij ons was ondergedoken aan de deur. Toen probeerden zij ons alle drie neer te schieten. De twee mannen werden licht gewond en ik werd zwaar getroffen in mijn ruggegraat. Na de overval liepen de twee studenten weg in paniek”.241] Mevrouw Jesse-Den Ouden bleef voor de rest van haar leven invalide. Jesse en de huisvriend werden opgenomen in een ziekenhuis, maar ze konden na respectievelijk twee en drie weken weer naar huis. P. Loyens viel kort na de aanslag in Duitse handen. Hij werd op 6 september 1944 in Vught doodgeschoten.242] Na de overval in Weert kwamen de overgebleven L.O.-leiders bijeen om na te gaan wat er voor de gearresteerde leiders kon worden gedaan. Opnieuw zou getracht worden contact op te nemen met de Sipo-Maastricht. Hetzelfde was gedaan na de arrestaties in het voorjaar van 1944 van de Heldense K.P.-leider W. Houwen en de districtsleider van Roermond, J. Delsing. L.O.-ers hadden een brief aan Ströbel geschreven met het verzoek de arrestanten in leven te laten in ruil voor een beperking van de activiteiten van de K.P. Hoewel de Sipo-chef niets van zich had laten horen, putte men enige moed uit het feit dat de twee nog steeds in leven waren. Er werd een brief van gelijke strekking opgesteld. De knokploegen zouden afzien van het liquideren van Duitsers en vooraanstaande N.S.B.-ers als Ströbel de levens van de Limburgse L.O.-leiders zou sparen. Voorts zocht men via een kennis van hem, een zekere mevrouw Kuypers uit Heerlen, rechtstreeks contact met de Sipo-chef. Een medewerker van secretaris Moonen, J.W.H. Frantzen, verklaarde zich bereid Ströbel te ontmoeten. De bijeenkomst zou plaatsvinden in Heerlen op zaterdagmiddag 26 augustus om 16.00 uur ten huize van mevrouw Kuypers. Frantzen werd vergezeld door B. van Kooten. Volgens Frantzen gebeurde het volgende: “We hebben gewacht van vier uur ’s middags tot elf uur ’s avonds en door ons is herhaaldelijk gebeld met de S.D. te Maastricht. Op het laatst werd ons meegedeeld, dat Ströbel wegens drukke werkzaamheden niet had kunnen komen, maar dat hij een nieuwe datum voor een bespreking zou vaststellen. De maandag daarop volgend kreeg ik van Bep van Kooten bericht dat wij om half tien ’s morgens in Hotel Dominicain te Maastricht moesten zijn voor een bespreking met Ströbel. Ströbel kwam niet opdagen, omdat die ochtend bleek dat het distributiekantoor van Heer was gekraakt”. 243] Kennelijk durfde Ströbel het niet aan.
Pogingen om J. Hendrikx vrij te kopen mislukten. Zowel de inspanningen van Hendrikx’ familie via een tussenpersoon, J. de Laat uit Tilburg, als die van J. Frantzen en H.L. van Hooydonk liepen op niets uit. Hendrikx en zijn mede-arrestanten verdwenen op 7 september 1944 naar kampen in Duitsland. 244] Gedurende de maand juli en de eerste helft van augustus waren ze onafgebroken ondervraagd door Nitsch die een machtiging had gekregen tot het afnemen van zogeheten verscherpte verhoren. Hij beschouwde het als een vrijbrief om sommige arrestanten onafgebroken te mishandelen. Voor de verhoren stonden hem twee aparte ruimtes ter beschikking. Klaarblijkelijk was hij niet tevreden met het resultaat, want na twee weken verzocht hij Ströbel om assistentie. Deze stuurde C. Schut naar Vught. Schut ontpopte zich als een duivelse sadist zonder remmingen. Diens wreedheden gingen zelfs Nitsch te ver. Herhaaldelijk moest hij zijn hulpkracht intomen. Vooral Knops en de kapelaans Naus en Berix werden door het tweetal zwaar toegetakeld. Door bluf en het tegen elkaar uitspelen van de arrestanten, waarbij hij handig gebruik maakte van al eerder verworven kennis en de tegengestelde verklaringen, kwam Nitsch veel aan de weet. Spoedig volgden nieuwe arrestaties in Roermond, Helden en Wittem. 245]
Afgezien van J. Mulders overleefde geen van de slachtoffers van het verraad van Weert de oorlog. Hendrikx bezweek vermoedelijk begin 1945 tijdens een evacuatietransport van Sachsenhausen naar Bergen-Belsen. Berix, Knops en Naus stierven respectievelijk op 13 maart, 17 maart en 15 april 1945 in het kamp Bergen-Belsen. Hermans overleed begin 1945 in Sachsenhausen en Jansen op 25 februari 1945 in Buchenwald. Ook A. Merkx, de broeder-overste van St. Louis in Weert, overleefde de oorlog niet. Hij stierf in maart 1945 in Bergen-Belsen.246]
Direct na de bevrijding begon de zoekactie naar de verrader opnieuw. Jesse werd al spoedig gelokaliseerd en overgebracht naar Limburg. Na een kort vooronderzoek moest hij op 25 februari 1946 voor de Bijzondere Rechtbank te Roermond verschijnen. Hij verklaarde onder de druk van de Sipo te zijn bezweken. Verscheidene van zijn ex-medewerkers, zoals C. Paasen en L.P. Lenssen, wezen op zijn verdienste voor de illegaliteit. Niemand van de getuigen kon de verklaring van Jesse, dat hij onder pressie had gehandeld, weerleggen. Bovendien waren belangrijke getuigen nog niet gearresteerd, niet gehoord (Nitsch) of dood. Op 11 maart 1946 werd Jesse van verdere rechtsvervolging ontslagen. De Roermondse rechtbank wees bij de argumentatie van het vonnis op het feit dat alle getuigen hadden verklaard dat Jesse zeer verdienstelijk werk had verricht ten behoeve van de illegaliteit en het een raadsel was waarom hij verraad had gepleegd. De vondst van zijn notitieboekje en de Sipo-terreur hadden, aldus de Roermondse rechtbank, zijn toch al geringe weerstand gebroken. Er was sprake van overmacht.
Bovendien had de Sipo slechts arrestaties kunnen verrichten aan de hand van de aantekeningen in het boekje, waaruit afgeleid mocht worden dat Jesse niets had losgelaten over de vele andere illegale werkers en onderduikers die hij kende. De rechtbank hield nadrukkelijk rekening met de lichamelijke en geestelijke conditie waarin Jesse zich ten tijde van de arrestatie bevond: de illegaliteit had veel te vroeg opnieuw een beroep op hem gedaan, omdat hij onmisbaar was. Kennelijk was men bang dat talrijke verbindingen verloren zouden gaan als hij afhaakte. Kortom: Jesse was door overmacht tot verraad gedwongen.
Op 19 maart 1946 tekende de Procureur Fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te Den Bosch, mr. F.J.G. baron van Voorst tot Voorst, beroep aan tegen de vrijspraak. Jesse zou meermaals gelegenheid hebben gehad iets te ondernemen en zodoende de gebeurtenissen in Weert een andere wending hebben kunnen geven, bijvoorbeeld door te waarschuwen tijdens de wandeling van het station naar St. Louis. De Bijzondere Raad van Cassatie verwierp het beroep op 24 juni 1946 en nam de argumenten van de Roermondse rechtbank over. De Raad was van mening dat Jesse bij het nemen van zijn besluiten zodanig was beïnvloed, dat zijn strafbaarheid daardoor werd opgeheven. Niet alleen de onmiddellijke uitwerking van de dwang telde mee, maar ook de nawerking ervan op de geestestoestand van Jesse. De Raad hield rekening met de toenmalige slechte geestelijke en lichamelijke gezondheid van Jesse, die tengevolge van zijn illegaal werk overspannen was geraakt. Het zou teveel gevraagd zijn van een verdachte, die zich in de omstandigheden van Jesse bevond - tijdelijk vrijgelaten door de Sipo, onderweg naar Weert - zich op te offeren, daargelaten of zoiets mogelijkerwijs uit zedelijk oogpunt gerechtvaardigd kon zijn, aldus de Raad. Mr. baron Van Voorst tot Voorst droeg de stukken op 7 november 1946 over aan de Procureur Fiscaal in Amsterdam. Wellicht kon deze nog iets tegen Jesse ondernemen naar aanleiding van een andere zaak die eveneens het gevolg was van een aantekening in Jesses notitieboekje. Op 13 oktober 1948 liet de Procureur-Generaal bij het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam, mr. M.H. Gelinck, weten dat het, ondanks aanvullende gegevens over Jesses activiteiten, nù niet meer gewenst was tot een tweede vervolging over te gaan.247]

VII. Juni 1944 - bevrijding

In de week na het verraad van Weert stagneerde het L.O.-werk enigszins. Eind juni kwamen de overgebleven L.O.-leiders, onder wie C. van Sambeek, B. van Kooten, G. Kuiper, M. Custers, G. Smals, F. Russel en J. Cornips in bloemenwinkel “De Blauwe Vaas” aan de Graafseweg in Nijmegen bijeen. Nadere inventarisatie leerde dat de activiteiten in de districten Nijmegen, Venray, Maas en Waal, Venlo en Roermond normaal doorgang konden vinden. In Vierlingsbeek nam H. Schelbergen de taak van W.H.M. Jansen over; in Weert volgde F. Nies A.H.M. Hermans op, in Heerlen B. van Kooten kapelaan Berix, in Maastricht J. Sorée J. Mulders en in Gulpen P. van der Linden J. Knops. Over de vraag wie de nieuwe gewestelijke leider moest worden kon men het vooralsnog niet eens worden. Korte tijd circuleerde de naam van G.J. Kuiper, de Maastrichtse bankdirecteur.
Voortaan bezochten elke werkdag twee districtsleiders Nijmegen om er instructies en bescheiden op te halen en gegevens uit te wisselen. Op die manier kon de gewestelijke leiding wekelijks contact onderhouden met alle tien districten. Dit systeem, bedoeld ter vervanging van de grote gewestelijke vergaderingen, bleek in de praktijk niet te voldoen. Van Kooten pakte het handiger aan. Hij onderhield voeling met de basis door onafgebroken tussen de districten te pendelen. Die werkwijze viel bij de districtsleiders in goede aarde. In de loop van juli werd hij gewestelijk leider.
Vanwege de drukke werkzaamheden in augustus en de snelle transformatie van de knokploegen in sabotage-eenheden bezocht Van Kooten de districten sindsdien nog maar sporadisch. Voor alle andere bijzondere taken had hij helemaal geen tijd meer. In overleg met J.L. Moonen werd besloten de eenhoofdige leiding te vervangen door een vierhoofdige: Kuiper onderhield voortaan de verbindingen met de landelijke Top, kapelaan P.G. van Enckevort beheerde de financiën, J. Cornips hield zich bezig met aangelegenheden van materiële aard en Van Kooten bleef verbindingsman tussen de districten en de gewestelijke top. Tevens werd een nieuwe duikraad gevormd, waarin naast de vier gewestelijke leiders J. Sorée, F. Russel, J. Crasborn en C. van Sambeek zitting namen. De raad kwam minder frequent bijeen dan het vroegere college. Tot op zekere hoogte werd vastgehouden aan Van Kootens principe om zelf de districten te bezoeken. Dinsdag werd voortaan de vaste vergaderdag: ’s morgens kwamen leden van het viermanschap naar Echt om er de districtsleiders van Heerlen, Maastricht en Gulpen te ontmoeten. Tegen de middag vertrok de gewestelijke afvaardiging naar Swalmen, waar sedert begin september de leiders van de provinciale knokploegen vertoefden. B. van Kooten, die een middenpositie tussen L.O. en K.P. innam, verbleef er steeds vaker. Aansluitend reisden ze naar Tegelen voor een ontmoeting met de districtsleiders van Weert, Venlo en Roermond. Tegen de avond vertrokken ze naar Boxmeer of Afferden voor besprekingen met vertegenwoordigers van de districten Nijmegen, Maas en Waal, Vierlingsbeek en Venray. Op vrijdag vergaderde de gewestelijke leiding in Nijmegen. 248]
De L.O. bleek veerkrachtig genoeg om de klap van Weert in korte tijd te boven te komen. De top van de organisatie werd grondig geherstructureerd en beter beveiligd. Desondanks viel in de loop van juli en augustus nog een aantal medewerkers door arrestatie weg. In sommige gevallen bestond een aantoonbaar verband met de aanhoudingen in juni. Een van de slachtoffers was secretaris J.L. Moonen. Hoewel hij al vaker van verschillende zijden was gewaarschuwd en wist dat de Duitsers hem in de gaten hielden en arrestatie niet lang meer kon uitblijven, weigerde Moonen steevast onder te duiken. Uit de verhoren van Hendrikx en kapelaan Naus was gebleken dat de secretaris van Lemmens doorlopend bezoek kreeg van ondergedoken geestelijken, onderwijzers en anderen.
Bovendien had Nitsch uit een op Naus aangetroffen notitie afgeleid dat Naus en Moonen elkaar op het station van Sittard hadden ontmoet. Dergelijke samenkomsten hadden geregeld plaatsgevonden en waren bedoeld om Moonen op de hoogte te houden van het werk van de L.O. en de knokploegen. Moonen moest dus van overvallen en liquidaties weten, concludeerde Nitsch. Voorts maakte hij uit de verhoren in Vught op dat er vergaderingen in de woning van Moonen hadden plaatsgevonden. Op grond van deze inlichtingen nam de Sipo contact op met H. Nelis in Den Haag, die de op schrift gestelde verklaringen wilde inzien en de voorlopige arrestatie van Moonen beval.249] Ströbel gaf H. Conrad opdracht naar Roermond te gaan. Deze begaf zich op donderdag 10 augustus in gezelschap van de N.S.B.-informant G.H. Holla en de N.S.B.-politiecommissaris A. Roselle naar de woning van Moonen aan de Willem II Singel. De secretaris had die ochtend P.G. van Enckevort en J. Frantzen op bezoek. Laatstgenoemde slaagde erin na een waarschuwing van Moonens huishoudster via het balkon naar de woning van de buren te ontsnappen. De in burgerkleding gehulde Van Enckevort beschikte over deugdelijke valse identiteitspapieren - hij ging door voor molenaar en graanhandelaar - en werd met rust gelaten. Conrad had de aanklacht bij zich: Moonen zou de stuwende kracht zijn geweest achter de herderlijke brief van 7 juli 1944, waarin de bisschoppen nogmaals protesteerden tegen de nazificatie van de katholieke pers en te kennen gaven onder andere de “Limburger Koerier” niet langer als een katholiek dagblad te beschouwen. Moonen wees de aantijging van de hand en merkte op dat een eenvoudige secretaris niet bevoegd was dergelijke brieven op te stellen. Hij werd overgebracht naar de Duitse gevangenis in Maastricht. Via G.J. Medenbach en de Duitse bewaker E. Brender was nog enig contact mogelijk. Op 28 augustus werd Moonen overgebracht naar Vught. Tegenover Nitsch bevestigde hij de door andere arrestanten afgelegde verklaringen over zijn rol in het verzet en voegde eraan toe dat hij als secretaris van de bisschop de plicht had zo te handelen en de leidende personen van de L.O. en K.P. geestelijke bijstand te verlenen. Toen Nelis dit vernam veranderde hij de voorlopige hechtenis in een definitieve.250]
In de vorige paragraaf werd beschreven hoe naar aanleiding van de arrestaties in Weert contact werd gezocht met Ströbel. Frantzen en Van Kooten dachten daarbij ook en vooral aan het lot van Moonen. Ströbel kwam, zoals we zagen, de gemaakte afspraken niet na.251]
Wat had hij trouwens voor Moonen kunnen doen? Het bevel tot inhechtenisneming was immers afkomstig van Nelis in Den Haag. Pogingen van Ch.E. Offermann, een medewerker van de L.O. in het Zuidlimburgse Geulhem, en de voormalige voorman van de Nederlandsche Unie in Limburg, ir. F.C.M. Wijffels, om Moonen vrij te kopen leden schipbreuk. 252] Op 6 september werd de secretaris naar het kamp Sachsenhausen gedeporteerd. Op 6 februari kwam hij in Bergen-Belsen aan, waar hij op 2 april 1945 aan typhus overleed. 253]
Vanaf september bepaalden de gebeurtenissen aan het front en de landelijke spoorwegstaking de ontwikkelingen binnen L.O. en K.P. Teneinde de communicatie in de provincie zoveel mogelijk in stand te houden, vestigden J. Crasborn, B. van Kooten en andere voormannen uit L.O. en K.P. zich begin september in het centraal gelegen Swalmen. De Nijmeegse centrale bleef gehandhaafd en onderhield de verbindingen tussen Limburg, de overige gewesten en de landelijke leiding. Op 8 september schreef M. Custers een brief aan de districtsleiders waarin hij het kort daarvoor tot stand gekomen samenwerkingsverband met de O.D. (zie hoofdstuk VIII, paragraaf III en IV.2.) toelichtte: “Als L.O.-groepering stellen wij ons apparaat ter beschikking van de O.D., met dien verstande dat de L.O.-mensen, die in zelfstandig K.P.-verband als keurkorps willen werken onder leiding van onze gewestelijke K.P.-leider Jacques (Crasborn) en L.O.-leider Bep (van Kooten) naar de K.P. kunnen overgaan. Deze groep wordt belast met speciale opdrachten en werkt rechtstreeks samen met de Gewestelijke Commandant O.D. Het is niet de bedoeling, dat de leden van deze groep komen te staan onder een plaatselijke of districtscommandant, zij ontvangt haar opdrachten onmiddellijk van de Gewestelijke Commandant. Degenen die zich beschikbaar stellen en ervoor in aanmerking komen, moeten via de districtscommandant aan de Gewestelijke Commandant worden opgegeven. (...) Ook andere werkers kunnen bij de O.D. worden ingeschakeld, zodat ons geheel apparaat gebruikt kan worden in de eerste plaats voor de K.P. en tweedens voor de O.D. (...) Neem zelf initiatief, waarbij te bedenken is dat dit een algemene richtlijn is waarvan je na overleg met de staf in zoverre kunt afwijken, dat je ofwel als geheel tot de K.P. kunt overgaan of je hele apparaat in dienst kunt stellen van de O.D.”.254]
Vijf dagen later, voor zijn vertrek naar Brussel voor een ontmoeting met prins Bernhard, bevestigde Van Kooten de brief van Custers. Hij schreef aan de districtsleiders: “Wij stellen niet alleen aan de O.D ter beschikking ons districtsapparaat, ook plaatselijk moeten wij ten nauwste samenwerken met de O.D. Van onze kant mogen wij de O.D. wijzen op mensen in hun midden die zich tijdens de oorlogsjaren niet honderd procent gedragen hebben.
Deze kunnen niet gehandhaafd blijven. Dagelijks contact met de plaatselijke O.D.-commandant en de districtscommandant is absoluut noodzakelijk. Wees redelijk. (...) Adviseer O.D. en nieuw te vormen instanties over goede mensen en personen die zich erbarmelijk gedragen hebben. Wij zullen en moeten hierin onze stem laten horen. Onder zeer moeilijke omstandigheden hebben vele van onze L.O.-mensen zich op buitengewone wijze gekweten van hun hachelijke taak. Het is niet meer dan billijk dat onze mensen voor de toekomst op de juiste plaatsen worden ingeschakeld”. Tenslotte wees Van Kooten erop dat de L.O-ers ook na de bevrijding een taak te vervullen hadden. Chaos moest tot elke prijs vermeden worden: “Haal bij het bevoegd gezag instructies inzake wat de onderduikers wel en niet mogen. De afvoer van onze duikers moet op ordelijke en veilige manier geschieden”. Voor de tijd dat hij afwezig was wees Van Kooten kapelaan P.G. van Enckevort als zijn plaatsvervanger aan. 255]
Medio september 1944 trokken de eerste geallieerde troepen de grens tussen België en Limburg over, maar pas in maart 1945 was de gehele provincie bevrijd. Zuid-Limburg en het uiterste westen van Midden-Limburg waren het eerst aan de beurt. Veel L.O.-ers en K.P.-ers vonden onderdak bij de nieuw gevormde Stoottroepen en belangenorganisaties van voormalige illegale werkers. Vanuit bezet gebied werd koortsachtig geprobeerd verbinding te krijgen met de bevrijde delen van de provincie. De C.I.D. van de L.O. slaagde er in de nacht van 12 op 13 september in contact te leggen met de marechausseekazerne in het kort tevoren bevrijde Eijsden. Via dit kanaal konden meteen inlichtingen over Duitse troepenverplaatsingen worden doorgegeven. Hetzelfde gold voor informatie over een lanceerinrichting van V-2’s in Wassenaar, die prompt werd gebombardeerd. Na de bevrijding van Maastricht op 14 september kreeg de inlichtingenorganisatie Albrecht via het telefoonnet van de P.L.E.M. verbinding met de Amerikanen. 256] Tot eind november 1944 bleef de verbinding tussen Roermond en Maastricht intact. 257]
Sedert 17 september had de L.O. er de zorg over een aanzienlijke groep hulpbehoevenden bijgekregen. Die dag was via de Nederlandse uitzendingen van de B.B.C. namelijk de landelijke spoorwegstaking afgekondigd. In het nog bezette deel van Limburg lagen twee belangrijke spoorwegknooppunten: in Venlo met een wagenwerkplaats in Blerick en in Roermond. In beide plaatsen werd nauwelijks gehoor gegeven aan de stakingsoproep. Waarnemers ter plaatse noemden de houding van het N.S.-personeel slap en weinig strijdlustig. Men hechtte er kennelijk aan de verworven zekerheden. Vooral onder het hoger personeel was de animo om te staken gering, terwijl die onder het lager personeel met de dag toenam. In andere plaatsen zoals Baexem en Haelen waren de N.S.-ers al in de avond van 17 september in staking gegaan. 258] Het is onduidelijk, waarom zo weinigen gehoor gaven aan de stakingsoproep. Mogelijk speelden factoren als onzekerheid over de nabije toekomst, angst voor arrestatie bij het niet tijdig vinden van een onderduikadres, het optreden van Duitse politietroepen, Sipo en militairen in de regio alsook het vooruitzicht van een snelle bevrijding een rol bij de standpuntbepaling van de niet-stakers.
Het N.S.F. nam de financiering van de staking voor haar rekening. Voor wat betreft het nog bezette deel van Limburg kon dit niet, daarmee was het contact op 18 september verbroken. Hier moest geïmproviseerd worden. In Venlo besloten enkele banken de stakers de helpende hand toe te steken. In Blerick lag de zaak gecompliceerder. Aanvankelijk konden de lonen nog gedeeltelijk uit een reservepot van de N.S. worden betaald, maar toen die leeg was stapelden de problemen zich op. In Roermond nam het bisdom de financiële ondersteuning voor zijn rekening. Het Fonds voor Bijzondere Nooden sprong bij. Toen het geld dreigde op te raken leende P. van Odijk van particulieren, met effecten van het bisdom als onderpand, ƒ 100.000,-, waarvan ƒ 60.000,- aan de stakers werd uitgekeerd. Het bisdom maakte onderscheid tussen degenen die meteen op 17 september in staking waren gegaan - de principiële stakers - en degenen die zich schoorvoetend, enkele dagen later, bij hun collega’s hadden aangesloten. De eerste, principiële categorie ontving aanvankelijk iets meer dan de tweede, maar dat kon niet lang worden volgehouden. Vanaf december 1944 ontving ook deze groep nog slechts 50% van het loon. In januari 1945 werden geen gelden meer uitgekeerd: de bevolking van Noord- en MiddenLimburg moest het gebied ontruimen. 259]
Na de geallieerde luchtlandingen bij Arnhem en de opmars over land naar Nijmegen raakten Midden- en Noord-Limburg geïsoleerd van de rest van Nederland. De L.O.-ers ondervonden grote moeilijkheden bij de uitoefening van hun taak. Op zondag 8 oktober 1944 hielden de Duitsers een grootscheepse drijfjacht op de mannelijke bevolking van de westelijke Maasoever. Veel illegale werkers en onderduikers werden opgepakt, waardoor het werk nog meer stagneerde. De achterblijvers trachtten al dan niet vervalste vrijstellingspapieren te bemachtigen. De verzorging van de niet opgepakte onderduikers en talrijke joodse kinderen moest kost wat kost worden voortgezet. 260]
In de loop van november 1944 werd het grootste deel van de westelijke Maasoever bevrijd. Gedurende bijna de gehele winter vormde de Maas in het midden en noorden van de provincie de frontlijn. Bombardementen, beschietingen en voortdurende razzia’s dwongen de bevolking op de oostoever het leven voort te zetten in kelders. Men was volstrekt afgesneden van de buitenwereld. Slechts af en toe sijpelden berichten door uit nabijgelegen dorpen en steden. Iedereen, ook de L.O.-ers en de onderduikers, moest de bevrijding in de kelders afwachten. Van enige organisatie was geen sprake meer. Talrijke illegale werkers wachtten de loop der gebeurtenissen niet langer af en namen hun lot in eigen handen. Ten zuiden van Roermond probeerden ze door het front te gaan. Ter hoogte van Linne en Herten roeiden de marechaussee J.M. Nieskens en de veldwachter W. Backus in de wintermaanden circa tweehonderd personen over de Maas naar bevrijd gebied. 261 Hetzelfde gebeurde verder noordwaarts. De overtocht was steeds een uiterst hachelijke onderneming. De Duitsers en de geallieerden lagen aan de rivier in stelling. Het peil van de Maas was hoog en er stond een sterke stroming. Bovendien staken Duitse militaire patrouilles van tijd tot tijd de rivier over om het terrein te verkennen en de sterkte van de Britse en Canadese troepen op de westelijke oever te peilen. Desondanks slaagden verschillende illegalen er op die manier in bevrijd gebied te bereiken. De meeste achterblijvers werden in januari en februari 1945 via Duitsland geëvacueerd naar de drie noordelijke provincies. 262]

Noten

  1. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 855. Aukes, Kardinaal De Jong, p. 259. Manning, “De Nederlandse katholieken”, pp. 124-125, 127.
  2. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 107.
  3. Aukes, Kardinaal De Jong, p. 2.
  4. Boas, Religious resistance, pp. 20-23. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 169-171.
  5. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 108. Stokman, Het verzet van de Neder- landsche Bisschoppen, pp. 46-48, 173-174.
  6. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 27. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 856. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 109. Analecta voor het Bisdom Roermond, jrg. 21 (1936), p. 96.
  7. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 28. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 856.
  8. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 21-35, 183-186. De Jong, Het Koninkrijk, IV, P. 857.
  9. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 30.
  10. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 110.
  11. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 858-860. Stokman, Het verzet van de Nederland- sche Bisschoppen, pp. 54-55.
  12. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 54-62.
  13. Klumper, Sociale verdediging, p. 141. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 115.
  14. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 74-81, 199-210. Man- ning, “De Nederlandse katholieken”, pp. 127-128. Boas, Religious resistance, p. 31. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 382-398.
  15. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 50-51.
  16. Ibidem, pp. 51-52. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 747.
  17. De Jong, Het koninkrijk, V, pp. 747-749.
  18. R.v.O. Coll. HSSPF, map 58E: dossier Titus Brandsma. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 749-759.
  19. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 753.
  20. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 63-65, 72-73. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 400, 420-423. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 122.
  21. Aukes, Kardinaal De Jong, p. 278.
  22. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 67. Aukes, Kardinaal De Jong, p. 280.
  23. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 68.
  24. Ibidem, p. 86-88.
  25. Ibidem, pp. 89-96. “Arbeidsdienst, Nederlandsche”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, I, pp. 50-51.
  26. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 97-98.
  27. Ibidem, pp. 102-104.
  28. Ibidem, pp. 105-108. Boas, Religious resistance, pp. 54-56.
  29. Manning, “De Nederlandse katholieken”, p. 115.
  30. De Jong, Het koninkrijk, IV, pp. 779-780. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 142. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 160. Boas, Religious resistance, p. 160.
  31. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 203.
  32. Ibidem, pp. 143-146. Aukes, Kardinaal De Jong, p. 338.
  33. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 115.
  34. Snoek, De Nederlandse kerken en de Joden, pp. 77-81.
  35. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 249-250.
  36. Ibidem, pp. 116-117, 253-255. Boas, Religious resistance, pp. 48-49. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 160.
  37. Boas, Religious resistance, p. 49.
  38. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 265-268.
  39. Ibidem, pp. 118-127. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 665-676; VI, pp. 779-789; VII, pp. 590-595. “Arbeidsinzet”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, I, pp. 52-54.
  40. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 278-279.
  41. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 737-761. Stokman, Het verzet van de Nederland- sche Bisschoppen, pp. 127-132, 276.
  42. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 800. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 132-133.
  43. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 281.
  44. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 387-388. Aukes, Kardinaal De Jong, pp. 451-452. Limburgs Dagblad, 7-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  45. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 382.
  46. Aukes, Kardinaal De Jong, p. 366.
  47. Limburgs Dagblad, 7-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 389. A.R.A. Archief van het Ministerie van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk 1940-1945, inv. nr. 2.03.01, doos 77, 355.358[42]077: rapporten Enge- landvaarders mei-september 1944; 18-8-1944: aantekeningen naar aanleiding van verhoor L.A. Bleijs c.s.s.r.
  48. Leclef, Kardinaal Van Roey, pp. 33-38, 156-159, 262-263. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, pp. 73-74. Collectie H.A. Vleeshouwers, Hunsel: verslag H.A. Vleeshouwers van gesprek met pater J. van Gestel, 19-11-1986.
  49. Het wekt enige verbazing dat het bisdom Roermond geen eigen beleidslijn ontwikkelde op grond van het episcopale standpunt. De georganiseerde illegaliteit steunde immers voor een belangrijk deel op de houding en de rol van de Limburgse clerus. Het bisschoppelijk archief biedt ons evenwel geen aanknopingspunten, de archieven van secretaris Moonen en vicaris-generaal Féron zijn helaas niet bewaard gebleven. Directieven of maatregelen van bisschop Lemmens met betrekking tot een nadere interpretatie van de standpunten van het episcopaat zijn niet in de archieven aangetrof- fen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met J. Frantzen, Sittard, 11-11-1985; J. Mulders, Venlo, 16-6-1986 en met P.A.H. Hannen, Weert, 18-4-1986. Hannens opinie week af waar het Féron betrof. Hij beschouwde Féron als een vooraanstaand adviseur en steunpilaar van de Limburgse illegaliteit. Aangezien Féron begrip opbracht voor de lijn-Moonen kan ook hij, zij het indirect, als steunpilaar voor de illegaliteit worden beschouwd. De weergave van de ontwikkeling van de Katholieke Actie in Limburg is gebaseerd op vraaggesprekken auteur met R. Suilen, Swalmen, 17-4-1985 (De gegevens zijn aangevuld met zijn op schrift vastgelegde mémoires, 30-8-1985); 31 J. Sieben, Venlo, 21-11-1985; H.J. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985; vicaris A.H.L. Meertens, Roermond, 3-11-1985; J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985; G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986; F. Smulders, J. Arts en C. Claassen, Horst, 20-11-1985 en met em. pastoor H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985.
  50. Privé collectie J.A.H. Seegers, Baarlo. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaringen van W.K.F.W. Micheels, M.H.J.E. Keuller, E.J.M. Lemmens, J.W. Kurstjens en J.P.A. Giessen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  51. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  52. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 993-994. Collectie A.H. Gielens, Maastricht. Collectie H. Hanssen, Venray. Limburgs Dagblad, 13-4-1977. p. 2. Artikel J. van Lies- hout.
  53. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaringen van D. Hendrick, A.F.J. van de Loo, E.P.H. Prickaerts, W. Tagage-Vermeulen en W.K.F.W. Micheels. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 5136 (9-7-1947): brief G. Verlinden aan Directoraat- Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging; idem, P.R.A.-Roermond, niet genummerd: verhoor van W.K.F.W. Micheels in Huis van Bewaring te Maastricht, 25-6-1947. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, pp. 8-9.
  54. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaringen van E.P.H. Prickaerts en W.K.F.W. Micheels. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 600 (1946). Hanssen, Onze Bloedgetuigen, p. 22.
  55. Hanssen, Onze Bloedgetuigen, pp. 19-20. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 736 (1945): J.J.H. Vos. C.A.B.R. Dossier J.J.H. Vos: verklaringen van H.J.C. Nijsten en J.J.H. Vos; idem, dossier R.H.G. Nitsch: verklaringen van J.R. Rothkrans en W.K.F.W. Micheels.
  56. C.A.B.R. Dossier E.W. Bouter, P.R.A.-Mijnstreek, nr. 131 T/1946 (8-2-1946).
  57. Vraaggesprekken auteur met J. Sieben, Venlo, 21-11-1985; A. Gielens, Maastricht, 17-10-1985; em. pastoor H.L.J. Janssen, Neer, 25-10-1985; Th. Gijssen, Spaubeek, 28-5- 1986; J. Mulders, Venlo, 16-6-1986; P.A.H. Hannen, Weert, 18-4-1986; H.J. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985; J. Frantzen, Sittard, 11-11-1985; Th. van Helvoort, Nijmegen, 26-9- 1985; vicaris A.H.L. Meertens, Roermond, 3-11-1985; H. Hanssen, Venray, 13-11-1986; F. Smulders, J. Arts en C. Claassens, Horst, 20-11-1985; mevr. A. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985; C. Janssen, Ulestraten, 11-6-1986; J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10- 1985; F. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986; mevr. E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985; C. van Donselaar, Eindhoven, 20-9-1985; J. Puts, Maasbracht, 14-11-1985; mevr. W. Köt- ter-van der Voort, Maastricht, 3-10-1985; J. Beaumont, Maastricht, 15-9-1985; K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985; J. Lemmens, Klimmen, november/december 1986 en met J.R.P. Crasborn en G.H. Bensen, Heerlen, oktober 1985.
  58. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 516-549. “Nederlandsche Unie”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, II, pp. 433-434. Het Grote Gebod, II, p. 492.
  59. Zondergeld, Een kleine troep, p. 194. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 552-553, 824-850; V, pp. 38-50, 107-109, 208-217, 220-221. “Nederlandsche Unie”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, II, pp. 433-434. Het Grote Gebod, II, pp. 492-493.
  60. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 824, 826; V, p. 210. Het Grote gebod, II, p. 492.
  61. Vraaggesprekken auteur met Th. van Helvoort, Nijmegen, 26-9-1985; H. Speleers, Kanne (B), 13-6-1986; H.J. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985; J. Lemmens, Klimmen, november/december 1986; R. Suilen, Swalmen, 17-4-1986; mevr. E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985; C.M.J.A.F. Nicolas, Reuver, 30-9-1985; J. Mulders, Venlo, 16-6-1986; mevr. A. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985; mevr. D. Beurskens-Huys, Tegelen, 31-10-1985 en met H. Bouten, Sittard, 20-10-1987.
  62. S.H.C. E.A.N. 602, map 44.
  63. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr.18, nr. 21/6.
  64. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 15-23, 28-37. Dankers en Verheul, Bezet gebied, pp. 80, 82, 83, 85.
  65. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 15-23, 28-37. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 111-114. De Jong, het Koninkrijk, VI, pp. 799-810. “April-Meistaking”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, I, pp. 49- 50. Dankers en Verheul, Bezet gebied, pp. 89-92.
  66. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 115-116. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 848-849, 860-861.
  67. Paape, Donkere jaren, pp. 76-78. Raedts, “Het mijnwerkersverzet”, pp. 11-12, 14-15. S.H.C. Archief C.E.P.M. Raedts, E.A.N. 563: dagboek G.H. Lieshout, 29-6-1941. Limburgs Dagblad, 8-10-1979. R.v.O. Coll. Doc. II, 447,: Th.J., 29-6-1941.
  68. Raedts, “Het mijnwerkersverzet”, pp. 15-17. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.C. van den Berge. Paape, Donkere jaren, pp. 78-79. R.v.O. Coll. HSSPF, map 102-a: Befehlshaber der Sicherheitspolizei (BdS), maart 1943. S.H.C. Archief C.E.P.M. Raedts, E.A.N. 563: dagboek G.H. Lieshout, 22-3-1942. Limburgs dagblad, 8-10-1979. Van Buren, De Staatsmijnen tijdens de bezetting, pp. 82-86 (scriptie).
  69. Raedts, “Het mijnwerkersverzet”, pp. 6, 7, 13. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H.W. Bruch. R.v.O. Coll. Doc. I, 225, map B, nr. B 17; idem, Coll. Doc. II, 447: rapport H., 17-9-1944; idem, Coll. HSSPF, map 102-a: rapport BdS, 17-5-1941. Paape, Donkere jaren, p. 80.
  70. Paape, Donkere jaren, pp. 79-80. Raedts, “Het mijnwerkersverzet”, p. 14. M.v.D.- C.A.D. Doc. B.S., gewest 19-1A-9: Limburgs Dagblad, 8-10-1979, interview J. van Lieshout met ir. C.E.P.M. Raedts. Collectie J.M. Fober, Schinnen. Rapport verzet Schin- nen. Vraaggesprekken auteur met J.M. Fober, Schinnen, 15-5-1986; Th. Gijssen, Spau- beek, 28-5-1986; A. van Brink, Heerlen, 8-10-1985 en met C.M.J.A.F. Nicolas, Reuver, 30-9-1985.
  71. S.H.C. Archief C.E.P.M. Raedts, E.A.N. 563: dagboek G.H. Lieshout, 29-4-1943. Paape, Donkere jaren, p. 40. R.v.O. Coll. HSSPF, map 147-a: telex Maastricht-Den Haag, 29-4-1943. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel (29-4-1943).
  72. R.v.O. Coll. HSSPF, map 147-a: aanvulling E. Elsholz op telexbericht van 30-4- 1943.
  73. Bouman, De April-Meistakingen, p. 120. Van Buren, De Staatsmijnen tijdens de bezetting, p. 98 (scriptie).
  74. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel; 2.09.13, doos 189, E. Elsholz. Stichting ’40-’45, Eindhoven. 25-11-1952. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 125, 128. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 147-a, 147-b en 147-c: telexen Maastricht-Den Haag en vice versa, 29 en 30 april 1943; idem, map 37-a: Meldungen aus den Niederlanden 142 (4-5-1943). Limburgs Dagblad, 21-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  75. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Doc. I, 225, map B, P.R.A.-Heerlen, nr. 1253 I/p/46: verklaring D.R. van L. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 122-123. Limburgs Dagblad, 21-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  76. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13. doos 151, map Ströbel. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 149-a en 149-b: telexberichten 1 en 2 mei 1943; idem, mappen 147-b en 147-c: telexbe- richt 1 mei 1943.
  77. R.V.O. Coll. HSSPF, mappen 148-c en 149-a: telexberichten 2 mei 1943. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: executie 2 mei 1943; idem, dossier R.H.G. Nitsch: verklaring W. Micheels. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 839.
  78. R.v.O. Coll. Doc. I, 225, map B, P.R.A.-Heerlen, nr. 1253 I/p/46: verklaring D.R. van L.; idem, Coll. HSSPF, mappen 149-b en 150-a: telexbericht Maastricht-Den Haag, 2 mei 1943. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel. Bouman, De April- Meistakingen, p. 125.
  79. R.v.O. Coll. Doc. I, 225, map B: verklaring M. van T.; idem, Coll. HSSPF, mappen 42-b, 149-b, 150-a, 150-b, 150-c en 150-d: telexberichten Maastricht-Den Haag en vice versa, 4 mei 1943; idem, Coll. HSSPF, map 37-a: Meldungen aus den Niederlanden 143 (11-5-1943). A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel. Bouman, De April- Meistakingen, p. 125. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  80. R.v.O. Coll. Doc. I, 225, map B. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 125-126. Limburgs Dagblad, 4-5-1955, p. 11. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 839-841. S.H.C. Archief C.E.P.M. Raedts, E.A.N. 563: dagboek G.H. Lieshout, 3 en 4 mei 1943.
  81. Bouman, De April-Meistakingen, p. 126. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 150-d en 151- a: telexberichten Maastricht-Den Haag, 4 mei 1943. Limburgs Dagblad, 21-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. S.H.C. Archief Hermans, E.A.N. 75: rapport inzake het beleid van de Staatsmijnen 1940-1945. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel.
  82. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 818. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel: rapporten Ströbel aan BdS-Den Haag, 30-4-1943 en 1-5-1943. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DK-4: rapport Koninklijke Marechaussee, groep Stein, 22-8-1945; idem, Coll. HSSPF, mappen 147-b, 148-b-148-c, 150-c, 150-d-151-a: telexberichten Maastricht-Den Haag.
  83. S.H.C. E.A.N. 863: dagboek L. Frantzen, 2 mei 1943.
  84. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel.
  85. Ibidem.
  86. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 859. Bouman, De April-Meistakingen, p. 129. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  87. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport J.H.H. Erkens.
  88. Bouman, De April-Meistakingen, p. 127. Vraaggesprekken auteur met J. Daemen, Bergen, 28-10-1985 en met J. Crasborn, Heerlen, oktober 1985.
  89. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 131-132. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 150-b en 150-c: telexberichten Maastricht-Den Haag, 3 mei 1943. Vraaggesprekken auteur met H. Hanssen, Venray, 13-11-1986; mevr. E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985 en met J. Daemen, Bergen, 28-10-1985.
  90. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 29-30, 128-129. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel (2 mei 1943).
  91. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 128-130.
  92. Ibidem, p. 130. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.M.W. Rösener Manz.
  93. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  94. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 150-b en 150-c: telexberichten Maastricht-Den Haag en vice versa, 3 mei 1943. G.A.R., inv.nr. 2.08, dossier 956: staking gemeentepersoneel. Bouman, De April-Meistakingen, pp. 128-129.
  95. C.A.B.R. Dossier H. Conrad (executies 2 mei 1943). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 842: verklaring R. Nitsch. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 149-a en 149-b: telexberichten Maastricht-Den Haag, 2 mei 1943. Stichting ’40-’45, Eindhoven. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 859.
  96. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 149-b en 150-a: telexberichten Maastricht-Den Haag, 2 mei 1943. C.A.B.R. Dossier H. Conrad (executies 2 mei 1943).
  97. Bouman, De April-Meistakingen, p. 119. G.A. Margraten, inv. nr. 164: historisch dossier over de bezettingstijd, 1940-1944.
  98. Bouman, De April-Meistakingen, p. 127. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1476 A. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 147-b en 147-c: telexberichten Maastricht- Den Haag, 1 mei 1943.
  99. Bouman, De April-Meistakingen, p. 122. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel (Ströbel aan BdS, 30-4-1943). R.v.O. Coll. HSSPF, map 147-b: telexbe- richten Maastricht-Den Haag, 30 april 1943. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport April-Meistaking te Brunssum.
  100. A.R.A. B.O.O.M., nr. 2.09.13, doos 151, map Ströbel. R.v.O. Coll. HSSPF, mappen 148-b en 148-c: telexberichten Maastricht-Den Haag, 1 mei 1943.
  101. Bouman, De April-Meistakingen, p. 128.
  102. Stokman, Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen, p. 267.
  103. Ibidem, pp. 278-280.
  104. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 57.
  105. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3, map AL-2, map EO-3: rapporten L.O.-Limburg. Het Grote Gebod, I, pp. 323-324.
  106. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: levensschets van J.J. Hendrikx door zijn moeder, P. Hendrikx-Vallen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Gazet van Limburg, 22-30 april 1955. Artikelenreeks over J.J. Hendrikx. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: J.J. Hendrikx. Vraaggesprek auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15- 10-1985. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., nr. A 172: rapport L.O.-Limburg.
  107. Het Grote Gebod, I, p. 326. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2, map DL-1: rappor- ten L.O.-Limburg; idem, map EO-3: verslag bijeenkomst te Well. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 735-736. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H.H. Pollaert. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr 180: verslag van gesprek met P.G. van Enckevort en verslag van bijeenkomst te Roermond, 17-10-1946. Vraaggesprek- ken auteur met H.L.J. Janssen, em. pastoor, Neer, 25-10-1985; J. Mulders, Venlo, 16-6- 1986; J. Frantzen, Sittard, 11-11-1985 en met A.H.L. Meertens, Roermond, 3-11-1985. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 30.
  108. Maas en Roerbode, 26 maart 1951, tweede blad, p. 1. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen EO- 3, BF-3, AL-2: rapporten L.O.-Limburg. Het Grote Gebod, I, pp. 326-328. Peel en Maas, 12-10-1984, bijlage. Artikel W. Willemsen. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 30-31. Stichting ’40-’45, Eindhoven. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 736. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: vraaggesprekken A. Goede en verklaring P.G. van Enckevort. Vraaggesprek auteur met H.L.J. Janssen, em. pastoor, Neer, 25-10-1985.
  109. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1667: gesprek met J. Frantzen, 2-7-1946. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport organisatie L.O.
  110. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: vraaggesprekken A. Goede.
  111. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport organisatie L.O.-Limburg.
  112. Ibidem. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport organisatie L.O.
  113. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen BF-3 en EO-3: rapporten organisatie L.O.- Limburg.
  114. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen BF-3, EO-3 en AL-2: rapporten organisatie L.O.- Limburg. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport bijeenkomst Roer- mond, 17-10-1946; rapport L.O.-organisatie Limburg; vraaggesprekken A. Goede. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport “pater Bleijs en de L.O.”. Vraagge- sprekken auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985 en met F. Russel, Nijmegen, 26-9-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Het Grote Gebod, I, pp. 328-329. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 31-32.
  115. Brief M.M.L.G.M. Custers, Bilthoven, maart/april 1988. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2, rapport L.O.-Nijmegen en gewest Limburg door M.C., 7-3-1947. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: vraaggesprek A. Goede met J. Kuiper, P. Ex en F. Russel.
  116. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., mappen BF-3 en EO-3: rapporten organisatie L.O.- Limburg. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: vraaggesprek A. Goede met F. Russel en G. Smals.
  117. Ibidem.
  118. Het Grote Gebod, I, pp. 3-8. Peel en Maas, 12 oktober 1984, bijlage. Artikel W. Willemsen. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 125; VII, p. 734.
  119. Het Grote Gebod, I, p. 218. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 734.
  120. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 734.
  121. Ibidem, pp. 618-626. Het Grote Gebod, II, pp. 201-205.
  122. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 627-635. Het Grote Gebod, II, p. 208.
  123. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 652-682.
  124. Ibidem, pp. 642-649. Het Grote Gebod, II, pp. 194-195, 210.
  125. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 759, 761, 762, 778, 780; X A, pp. 84-85. Het Grote Gebod, I, p. 219.
  126. Het Grote Gebod, I, pp. 40, 43, 272. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 86, map FH.
  127. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BG-2: verklaring P.V. en H.N.; idem, map BG-1: verklaring H.D.; idem, map BH-2: verklaring T. van V.
  128. Ibidem, map BG-2: verklaring P.V. en H.N.; idem, map BH-2: T. van V.; idem, map ED-1: A. van S.; idem, map BA-1: A. van S. en T. van V. Het Grote Gebod, I, p. 44.
  129. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CC-4: G. van der W.; idem, map BA-1: A. van S. en T. van V.; idem, map BJ-2: J.K.; idem, map BG-2: H.H.; idem, map BH-1: R.D.
  130. Ibidem, map BG-2: P.V. en H.N.; idem, map BF-3: A.P. en N.P.; idem, map BA-1: K.P.; idem, map AM-1: A.P., F. van B. en J.G.; idem, map DL-1: samenkomst Well; idem, map BF-3: V.B.; idem, map AL-2: verslag L.O.-Limburg. Het Grote Gebod, I, pp. 45, 46, 334. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: gesprek A. Goede met G.A. Smals en P. van Enckevort. N.B. Nelissen verklaarde dat de samenwerking tussen Limburg en de L.O. kort na de Bossche bijeenkomst in Utrecht tot stand kwam. Dáár ontmoette hij Hendrikx voor ’t eerst en nam hij kennis van de Limburgse organisatie- structuur (R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BG-2: verklaring H.N.).
  131. Het Grote Gebod, I, pp. 312-316. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: verklaring H.M.
  132. Brief A.H. van Mansum, Ottawa, Canada, 21-10-1987. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BJ-2: verklaring D.M.
  133. Het Grote Gebod, I, pp. 55-62. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BH-1: R.D.; idem, map BA- 1: K.P. en P.K.; idem, map AL-2: H.M.; idem, map BG-4: H. van R. en T. van V.; idem, map BH-2: T. van V.
  134. Het Grote Gebod, I, pp. 75-76. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CH-3: verklaring E.B.
  135. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BA-1: verklaring K.P.
  136. Ibidem, map BG-4: verklaring T. van V. en H. van R. Het Grote Gebod, I, pp. 321-322.
  137. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BG-2: verklaring H.H.
  138. Vraaggesprek auteur met J.P.D. Banning, Rekem (B), 18-11-1985.
  139. Vraaggesprekken auteur met Th. Gijsen, Spaubeek, 28-5-1986; J.P.D. Banning, Rekem (B), 18-11-1985; J. Daemen, Bergen, 28-10-1985; G. Janssen, Reuver, 19-11- 1985; J. Sieben, Venlo, 21-11-1985; F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986; mevrouw W.E.M. Kötter-van der Voort, Maastricht, 3-10-1985; J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11- 1985; R. Suilen, Swalmen, 17-4-1986; mevrouw J. Huskens, Tongeren (B), 23-10-1985; J. Beaumont, Maastricht, 15-9-1985; H. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985; J. Lemmens, Klimmen, november-december 1986; K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985 en met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531: burgemees- tersdossier Tegelen (mr. F.M.C. Pesch). R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 9, nr. 77: zuivering gemeentepersoneel Nieuwenhagen.
  140. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: rapport L.O.-Limburg. Vraaggesprekken auteur met C.J.H. Janssen, Ulestraten, 11-6-1986 en met C. Claassens en J. Arts, Horst, 20-11- 1985.
  141. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport G.A.B.’s Limburg. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  142. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Dossier ambtenarenverzet gewest 19, ille- gale groep G.A.B. Limburgs Dagblad, 27-4-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport G.A.B.’s Limburg.
  143. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BW-4: verklaring G.S.
  144. Ibidem, map AM-2: rapport distributiediensten. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport Heerlen door J. Hendrix, 13-3-1946; rapport Meerssen, 22-1-1946; rapport Valkenburg; rapport Sittard, 11-1-1946.
  145. Vraaggesprek auteur met Th. Gijssen, Spaubeek, 28-5-1986.
  146. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 9, nr. 77: P.F. Silvertand, Nieuwenhagen. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: rapport over verspreiding valse oproepen te Kerkrade.
  147. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 582-583.
  148. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: interview met W.Z. en R.M. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII A, p. 222: C.J. Rübsaam.
  149. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BQ-3: rapport Außenministerium. Er bestaan aanzien- lijk hogere schattingen van het aantal door het Außenministerium geholpen studenten: R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-2: J.T.-B. spreekt van 750 personen. Het Grote Gebod, I, p. 346: “vele honderden”.
  150. R.v.O. Coll. Doc. II, 1202: P.W.; idem, 420: map AM-26 e.v. (bijlage 8). M.v.D.- C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1229/2. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J. Weys. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: verklaring W.Z. en R.M.; idem, map AM-2: verklaring J.T.-B.
  151. Vraaggesprek auteur met K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BQ-3: rapport Außenministerium; idem, map AL-2: verklaring W.Z. en R.M. Brief F.J.K. Russel, Nijmegen, aan auteur, 22-12-1987. 736
  152. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport over illegaal terughalen van Nederlandse studenten uit Duitsland (district Weert). S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert over terughalen studenten uit Duitsland.
  153. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 72-75. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: L.O.- rayon 5, rapport over Außenministerium door Th. Goossen; idem, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen, Außenministerium en rapport Außenministerium (H. Vreuls; Th. Goossen).
  154. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 75. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L. Speth en rapport L.O.-Heerlen, Außenministerium. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BF-4: verklaring L.S.
  155. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: verklaring R. Nitsch. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: L.O.- rayon 5, rapport Außenmi- nisterium door Th. Goossen. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J. Grooten: verslag Außen- ministerium door Th. Goossen. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 75. Collectie J. Grooten, Linne. Verslag over Außenministerium door J. Grooten.
  156. Vraaggesprek auteur met C. Nicolas, Reuver, 30-9-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: verklaring W.Z. en R.M.; idem, map BF-4: verklaring L.S.
  157. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BQ-3: rapport Außenministerium.
  158. De Jong, Het Koninkrijk, VIII, pp. 659-660, 896, 932-933.
  159. Vraaggesprek auteur met E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CH-3: verklaring E.B.
  160. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Heerlen.
  161. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport L.O.-Roermond. Vraaggesprek auteur met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985. De Jong, Het Koninkrijk, VIII, p. 929.
  162. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: rapport gevangenis Maastricht en rapport Reymerstok, 15-6-1944. Brief pastoor H.J. Nijsten, Maastricht, aan auteur, 25-9-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  163. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BG-1: verklaring F.M.; idem, map EC-3: rapport contact met gevangenis Maastricht; idem, map BF-3: rapport L.O.-Limburg; idem, map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain te Maastricht, 23-1-1947.
  164. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  165. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain te Maas- tricht, 23-1-1947. Vraaggesprek auteur met J. Mulders, Venlo, 16-6-1986.
  166. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met J. Lemmens, Klimmen, november-december 1986.
  167. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: rapport gevangenis Maastricht. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map DL-1: verklaring P.D.; idem, map DK-4: rapport K.P.- Zuid-Limburg. Brief pastoor J. Nijsten, Maastricht, 25-9-1985. Vraaggesprekken auteur met J. Lemmens, Klimmen, november-december 1986; P. Satijn, Maastricht, 29-11-1985 en met mevrouw T. Scholten, Hilversum, 7-11-1985. Van Aernsbergen, Onze Gevalle- nen, pp. 91-92. De opdracht om alle gedetineerden uit het Huis van Bewaring te bevrijden was vermoedelijk gegeven door J.W.H. Frantzen die de aangelegenheid al eerder met secretaris Moonen had besproken (R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EC-4).
  168. Het Grote Gebod, I, pp. 599-613. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 763-764. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, pp. 45-47. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BJ-1: D.B.; idem, map AL-4: P. van P.; idem, map BI-4: S. de G.; idem, doos 87, map FI: J. de W. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag onderhoud te Roer- mond 17-10-1946, verklaring P. van Enckevort. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 184/2. S.H.C. Archief J.G. de Groot: verslag van bijeenkomst 16-9-1948 en rapport J.G. de Groot 12-11-1946.
  169. “persoonsbewijs”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, II, pp. 489-490. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 446-456. Verslag Enquêtecommissie 1940- 1945, VIIC, pp. 345-348: verklaring C.J. Rübsaam.
  170. Collectie K. Koers, Winschoten. Rapport Koers over P.B.’s.
  171. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport A.Th.J. van de Akker, 28- 1-1946.
  172. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 765-767. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VIIC, p. 264: verklaring H. van Riessen. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BH-4: verklaring A.O. Het Grote Gebod, I, pp. 616-621.
  173. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 1002-1003.
  174. C.A.B.R. Dossier H. Conrad: zaak H.H. Geenen. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.- Roermond, nr. 954. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 1007-1008.
  175. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 1019-1022. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IVA, Hst. X, p. 436: mr. C. Brouwer.
  176. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: rapport P. van E. en en H. van H.
  177. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  178. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 806. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: brief G.K., 31-1-1947 en rapport P. van O., 4-10-1946.
  179. Na de oorlog werd het hiermee gemoeide bedrag door de N.S. gerestitueerd. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: rapport P. van O., 4-10-1946. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  180. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: rapport P.S. en H. van H., 26-1-1954.
  181. Collectie E.H. van Wegberg, Horst. Rapport materiële verzorging. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport L. Bleijs over de L.O.
  182. Het Grote gebod, I, p. 330.
  183. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport N.S.F.-Limburg.
  184. Het Grote Gebod, II, p. 249. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  185. De Jong, Het koninkrijk, VII, pp. 808-831, 833.
  186. Ibidem, p. 825.
  187. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map BH-2: verklaring T. van V, 4-10-1946.
  188. Deze weergave van het conflict tussen de Limburgse organisatie en het N.S.F. is gebaseerd op de volgende bronnen: S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport N.S.F.-Limburg. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumen- tatie, inv. nr. 180: rapport L.O.-N.S.F. (gesprek met A. Goede); idem, inv. nr. 181: rapport G.J. Kuiper, 18-2-1946. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: rapport N.S.F.- Limburg door G.K., april 1947; idem, map AL-3: idem rapport, 18-2-1946. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: rapport P.S. en H. van H., 12-8-1948; gesprek P.S. met A.G., 13-8-1948 en 30-12-1953; verklaring L.N. over G.K.; gesprek 26-1-1954 met G.K. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: rapport P. van E. en H. van H. over N.S.F.-Lim- burg. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie E.H. van Wegberg, Horst. Rapport materiële verzorging. Uit een op 8 en 9 juli 1944 in Lerida (Spanje) door pater Bleijs opgesteld rapport over onder andere de N.S.F.-kwestie Gelderblom-Kuiper blijkt dat de Limburgse bankier contact zou hebben opgenomen met een zekere Van Campen van de Algemene Rekenkamer. Bleijs is niet zeker of het inderdaad Van Campen was want hij plaatste tussen haakjes een vraagteken achter de naam (Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 383).
  189. Collectie E.H. van Wegberg, Horst. Rapport materiële verzorging. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: statistiek N.S.F.-Limburg. R.v.O. Coll. 259, Collectie Sanders: rapport P.S. en H. van H., 26-1-1954; idem, rapport P. van E. en H. van H. over N.S.F.-Limburg. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: rapport L.O.-Limburg.
  190. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 831-833.
  191. Ibidem, pp. 998-1000. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 272. In tegenstelling tot De Jong schrijft Van Lieshout dat de bevestiging al medio april 1944 kwam.
  192. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 795. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VIIC, p. 266: verklaring dr.ir. H. van Riessen.
  193. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 861: verklaring R.H.G. Nitsch; idem, P.R.A.-Roermond, nr. 297: verklaring H.J. Stofmeel.
  194. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 26-32. De Nieuwe Limburger, 15-8-1970. Artikel J. Kockelkoren. Limburgs Dagblad, 22-3-1977. Artikel J. van Lieshout. A.R.A. Archief van het Ministerie voor Oorlogsvoering van het Koninkrijk 1940-1945, nr. 2.03.01, doos 77, rapporten Engelandvaarders mei-september 1944: rapport Bleijs, 29-6-1944, Lerida. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: brief B. aan D., 7-5-1945. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport over arrestatie Bleijs (gesprek A. Goede) en rapport over Bleijs door P. van Enckevort; idem, inv. nr. 181: rapport over de rol van Bleijs in de L.O. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 870/2: artikel in “De Volks- missionaris”. Maandschrift onder de bescherming van O.L.V.A.B. en St. Alfonsus, jrg. LXII, afl. 11, oktober-november 1945. Paape, Donkere jaren, pp. 85-87. Van Aernsber- gen, Onze Gevallenen, pp. 42-44.
  195. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 914-915, 796. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 1284/2.
  196. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport reis Bleijs naar Londen (gesprek A. Goede). Limburgs Dagblad, 24-3-1977. Artikel J. van Lieshout. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 276-277, 280, 282.
  197. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 282-292. Limburgs Dagblad, 24-3-1977. Artikel J. van Lieshout. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: brief B. aan D., 7-5-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 869/2 en nr. 919/2.
  198. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 327-333 (integrale tekst rapport Bleijs). De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 796.
  199. De twee niet ingewijden waren pater J.K.M. Dito O.P. uit Amsterdam en F. Beukers uit Rotterdam. In feite schreef Dito het commentaar. Hierin werd het rapport van Bleijs in grote lijnen bevestigd, maar het ontbrak Dito aan de noodzakelijke kennis om een gefundeerd oordeel te geven (Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 333-338).
  200. Limburgs Dagblad, 24 en 25 maart 1977. Artikel J. van Lieshout. Van Lieshout, De Aal van Oranje, pp. 380-388 (integrale tekst rapport Bleijs van juli 1944).
  201. Limburgs Dagblad, 30-3-1977 en 1-4-1977. Artikel J. van Lieshout. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: brief B. aan D., 7-5-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 189: rapport Bleijs aan koningin Wilhelmina, 21-1-1945; idem, Doc. B.S., nr. 1462. Boelaars, “De geestelijke achtergrond van het verzet”, pp. 299-301.
  202. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 86-89; VIII, p. 11. “Gestapo”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog, I, pp. 232-233; “S.D.”, II, pp. 541-542; “Sicherheitspolizei”, II, p. 545.
  203. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: rapport E. Elsholz. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, map afschriften proces verbalen 1942-1947.
  204. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond: verslag R.H.G. Nitsch. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, map afschriften processen verbaal 1942-1947. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: rapport E. Elsholz.
  205. Vraaggesprek auteur met A. Gielens, Maastricht, 5-2-1988.
  206. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: personalia. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 168A (1946).
  207. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz.
  208. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: rapport inventaris misdaden Nitsch. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 663. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 1856.
  209. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: verklaring Nitsch inzake Ströbel; idem, dossier R.H.G. Nitsch: personalia.
  210. C.A.B.R. Dossiers E. Elsholz en R.H.G. Nitsch.
  211. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: personalia collegae; idem, dossier C. Schut, P.R.A.- Heerlen, pro justitia nr. 1802/1946; idem, dossiers H.B. Janssen en J.N. Grootjans. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 4 (1949); idem, P.R.A.- Maastricht, nr. 535 (1945). A.R.A. B.O.O.M., inv. nr. 2.09.13: dossier C. Klonen.
  212. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 87-88.
  213. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz.
  214. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: verklaring I. Stockebrand en R.H.G. Nitsch en personalia collegae.
  215. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: personalia collegae en verklaring R.H.G. Nitsch over K. Fiebig.
  216. Ibidem.
  217. Ibidem.
  218. Ibidem.
  219. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, subcommissie opsporing oorlogs- misdaden voor Limburg te Maastricht, nrs. 97, 97A, 97B, 97D, 97E, 5.
  220. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: gegevens over Micheels; idem, dossier E. Elsholz: gegevens over Micheels en verklaring R. Nitsch. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.- Roermond, nr. 846 (z.j.). Collectie P. Schunck, Valkenburg. Gegevens over Jezuiëten- klooster te Valkenburg.
  221. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond: verslag van R. Nitsch. C.A.B.R. Dossier C. Schut, P.R.A.-Heerlen, nr. 1802/P/46; idem, dossier J.N. Grootjans. Bron- zwaer, Maastricht bevrijd!, I, p. 39. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 140.
  222. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond: verslag R. Nitsch. C.A.B.R. Dossier E. Elsholz: gegevens W. Meyer.
  223. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: straf; idem, dossier A.E. Boere.
  224. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 71 (1947); idem, P.R.A.-Roer- mond, nr. 532 (z.j.). C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: gegevens W. Micheels.
  225. B.R.I.O.P. Doc. B.S., groepen op naam, T.D.-groep (scriptie S.O.L.-Utrecht, 1982). C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaringen C. Paasen, Th.C. van Helvoort en S. van der Heide en verslag D.C. Jesse. R.v.O. Coll. Doc. II, 1283, Joden-verzet (pp. 151-152); idem, Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: “Peter Vos was geen SD-spion”. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport over L.O.-Brunssum door H.J. Hendriks.
  226. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 929 (1946) en nr. 690. R.v.O. Coll. Doc. I, 825; idem, Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: L.O.-Limburg, verklaring Th. van H. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaring Th. van Helvoort. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verraad van Weert. A. Goede in gesprek met Th. van Helvoort.
  227. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaring C. Paasen en verslag D.C. Jesse.
  228. Ibidem: verklaringen D.C. Jesse en Th.C. van Helvoort. R.v.O. Coll. Doc. I, 825; idem, Coll. L.O./L.K.P., map BF-3: “Peter Vos was geen SD-spion”; map AL-2: Verraad te Weert, verklaring Th. van H. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 690 (1946) en nr. 929. De Sipo-medewerkers W. Lages, W. Albers, M. Kuiper, E. Rühl en F.C. Viebahn verklaarden dat Jesses verhaal over de dreigende mishandeling van de twee kleuters in het bijzijn van hun moeder niet waar was. E. Wehner kon niet verhoord worden omdat hij begin 1945 in Amsterdam was doodgeschoten (G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 690 (1946) en nr. 929).
  229. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 690 (1946): verklaring R. Nitsch.
  230. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaring D.C. Jesse. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 929 en nr. 690 (1946).
  231. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaringen Th.C. van Helvoort, F.J.K. Russel en D.C. Jesse.
  232. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 929 en nr. 690 (1946): verklaringen R. Nitsch, Th. van Helvoort, J.F.H. Mulders, F.J.K. Russel en J.A. Dijker. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: Overval te Weert, verklaring Th. van H.
  233. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 929 en nr. 690 (1946): verklaringen R. Nitsch, W.C. Mollis en J.F.H. Mulders. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: Overval te Weert, verklaring J.M.
  234. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 929 en nr. 690 (1946): verklaring J.F.H. Mulders. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CH-3: verklaring E.B.
  235. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: vraaggesprek A. Goede met B.J.C. van Kooten en G.A. Smals. Vraaggesprekken auteur met J. Mulders, Venlo, 16-6-1986; Th. van Helvoort, Nijmegen, 26-9-1985; J. Lemmens, Klimmen, 20/27-11-1986 en 4/11- 12-1986 en met G. Bensen, Heerlen, 2 en 30-10-1985.
  236. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaring D.C. Jesse.
  237. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: vraaggesprek A. Goede met F. Russel en P.G. van Enckevort. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 690 (1946) en nr. 929: verklaringen Th. van Helvoort en F. Russel.
  238. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  239. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaring M.M. Trigallez.
  240. R.v.O. Coll. Doc. II, 1283, Joden-verzet (pp. 151-152).
  241. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: verklaringen M.M. Trigallez en C. Paasen.
  242. C.A.B.R. Dossier G.H. Holla, P.R.A.-Roermond, nr. 1102 (1946): verklaring J.W.H. Frantzen. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: onderhoud 17-10-1946 te Roermond, verklaring P.G. van Enckevort; rapport verraad van Weert, verklaring P.G. van Enckevort. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: Overval te Weert, verklaring P. van E.; idem, map CH-3: verklaring E.B.
  243. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map CH-3: verklaring E.B. Collectie G.v.A. Roermond. Gewest Den Bosch der Rijkspolitie, District Roermond, Parketgroep, nr. 105 (1948): verklaring J.H.L. Nahon. B.R.I.O.P. B.S-dossier J.H.L. Nahon.
  244. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Venlo, nr. 690 (1946) en nr. 929: verklaringen R. Nitsch en J. Mulders. C.A.B.R. Dossier R. Nitsch: verklaringen I. Stockebrand en W.L. Houwen. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-2: verklaring J.M.
  245. Het Grote Gebod, II, pp. 619-642 (lijst van gevallen L.O./K.P.-ers). Van Aernsber- gen, Onze Gevallenen, pp. 132-205 (lijst van gevallen illegale werkers in Limburg).
  246. C.A.B.R. Dossier D.C. Jesse: procesgang. R.v.O. Coll. Doc. I, 825.
  247. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport N.S.F.-Limburg. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag onderhoud 17-10-1946 te Roermond; idem, inv. nr. 181: organisatie L.O., verslag van vraaggesprek A. Goede. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport L.O.-Limburg (periode na 21-6-1944); idem, map AM-1: verslag bijeenkomst in Dominicain te Maastricht, 23-1-1947; idem, map AL-3: verklaring G.K., 18-2-1946; idem, map AL-2: rapport L.O.-Limburg; idem, map BF-3: rapport L.O.-Limburg. Brieven mr. M.M.L.G.M. Custers, Bilthoven, 31 maart/15 april 1988.
  248. Collectie G.v.A. Roermond. Verslag R. Nitsch, opgetekend in schrift III; idem, P.R.A.-Roermond, nr. 859 (1946): verklaring R. Nitsch.
  249. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 1166 (1945): verklaring P.G. van Enckevort; idem, nr. 859 (1946): verklaring R. Nitsch; idem, nr. 1102 (1946): verklarin- gen B.M. Welsing en J.W.H. Frantzen; idem, verslag R. Nitsch, opgetekend in schrift III. Vraaggesprek auteur met J. Frantzen, Sittard, 11-11-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: verslag P. van Enckevort over arrestatie Moonen.
  250. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Roermond, nr. 1102 (1946): verklaring J.W.H. Frantzen; idem, nr. 859 (1946): verklaring R.H.G. Nitsch; idem, nr. 103 (z.j.): verklarin- gen E. Elsholz en E. Georges; idem, aanvulling op eerder afgelegde verklaring van I. Stockebrand; idem, verslag R. Nitsch, opgetekend in schrift III.
  251. Collectie G.v.A. Roermond. Verslag Chr.E. Offermann (het is niet voor 100% zeker dat het verslag van zijn hand is). S.H.C. Archief F.C.M. Wijffels, E.A.N. 602: brief F. Wijffels aan G.O.I.W.-Nederland.
  252. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 59.
  253. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 570/2-572/2: brief Wolf M I aan districtsleiders, 8-9- 1944.
  254. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., nr. 570/2-572/2: brief Van Kooten, 13-9-1944; idem, nr. 187/2 (dossier P. Sijmons): brief Van Kooten (nr. M. 161), 13-9-1944. Het betreft hier twee verschillende versies van een brief met gelijke strekking.
  255. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 316-317.
  256. Ibidem, pp. 461-462.
  257. Ibidem, pp. 369-371. Rüter, Rijden en staken, pp. 218-242.
  258. Rüter, Rijden en staken, pp. 297-300.
  259. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 459-460.
  260. Het Grote Gebod, II, p. 389. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VI: rapport marechaussee afdeling Linne (1944-1945).
  261. Cammaert, Tussen twee vuren.