Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud

Hoofdstuk XI

Illegale pers


I. Inleiding

Om ons volk op langere termijn voor het nationaal-socialisme te winnen was het voor de bezetter van wezenlijk belang alle informatiestromen op die doelstelling af te stemmen. Onwelgevallige ontwikkelingen en gebeurtenissen mochten niet gepubliceerd worden of werden zodanig geïnterpreteerd dat ze aan het doel dienstbaar waren. De eerste stap in de gelijkschakeling van de pers was al op 15 mei 1940 gezet door de reguliere pers onder Duitse controle te brengen. Daarna begon een proces van nazificatie. Af en toe kon een oplettende lezer tussen de regels door nog iets van anti-Duitse sentimenten ontdekken, maar de oorspronkelijk zo rijk geschakeerde pers had, voorzover ze niet ophield te verschijnen, afgedaan als vrije en onafhankelijke brenger van nieuws, commentaar en opinie.
Een antwoord liet niet lang op zich wachten. Al op 15 mei 1940 verscheen het eerste illegale blad, in de loop van dat jaar gevolgd door circa zestig andere met een totale oplage van bijna 60.000 exemplaren. Uiteindelijk steeg de oplage begin 1945 tot miljoenen, waarbij opgemerkt moet worden dat één exemplaar vaak door vele mensen werd gelezen. Uit naoorlogse tellingen bleek dat in Nederland bijna 1300 verschillende illegale bladen gecirculeerd hadden. 1]
De verbetenheid waarmee de bezetter jacht maakte op de vervaardigers en verspreiders van illegaal drukwerk, maar ook de overweldigende belangstelling voor die bladen bij alle lagen van de bevolking geven een indicatie van de waarde en het belang van deze tak van de illegaliteit. Dat zovelen kennisnamen van de inhoud van de illegale pers vormde op zijn minst een permanente en serieuze bedreiging voor de realisering van de Duitse doelstellingen. De Duitse autoriteiten stonden echter vrijwel machteloos tegenover deze vorm van psychologische oorlogsvoering, waarbij het geschreven en gedrukte woord werd ingezet als wapen in de strijd. De vrije, ongecensureerde pers verschafte de lezers naast hoop, verlichting en steun een stroom van nuttige en zeer uiteenlopende informatie. De illegale pers bracht internationaal, landelijk en plaatselijk nieuws (waaraan sedert de vordering van de radiotoestellen in mei 1943 een groeiende behoefte bestond) commentaren en opinies en deed het lezerspubliek in aansluiting op de actuele situatie nuttige tips aan de hand. Vermoedelijk nam dan ook de belangstelling voor de officiële pers af naarmate de interesse voor de ondergrondse pers groeide. 2]
De illegale bladen hadden gemeen dat ze binnen- en buitenlands nieuws en commentaar brachten, ruimte boden voor discussie en in de meest uiteenlopende bewoordingen de bezetter, diens maatregelen en handlangers bekritiseerden en hekelden. Door te fungeren als het geweten der natie stimuleerde deze pers bovendien de groei van de illegaliteit. 3]
Gelet op de nationale en internationale ontwikkelingen lag het voor de hand dat de door de illegale pers aangesneden thema’s aan verandering onderhevig waren. In 1940 en 1941 lag het accent sterk op geestelijke, traditionele en typisch Nederlandse normen en waarden en het behoud daarvan als tegengewicht tegen de nationaal-socialistische propaganda. In het verlengde van het benadrukken van de geestelijke weerbaarheid lag de aansporing zich tegen de bezetter te weer te stellen; nee te zeggen waar ja geeïst werd. Nederland bevond zich immers in oorlog met Duitsland en de consequenties daarvan moesten onder ogen worden gezien. Bij de aanmoediging de bezetter naar beste vermogen te weerstaan werd gewezen op de immoraliteit van het Duitse regime. Over de vijand en zijn helpers zoals N.S.B.-ers en collaborateurs werd op sarcastische, soms cynische wijze geschreven. De illegale pers deed er alles aan de bevolking een hart onder de riem te steken en tegelijkertijd waarschuwde zij tegen ideologische compromissen met of onderwerping aan de bezetter. 4]
Het jaar 1942 gaf een kleine accentverschuiving te zien. De oproep zich te weer te stellen werd geconcretiseerd door aan te dringen op hulpverlening aan joden en andere onderduikers. Men moest bereid zijn meer risico’s te nemen en de bezetter tegen te werken in zijn pogingen zijn doelstellingen te realiseren. Door de toenemende schaarste en de daling van de levensstandaard richtte de aandacht zich voorts op de materiële leefomstandigheden. Daarnaast werd meer en meer over binnenlandse gebeurtenissen bericht die buiten de officiële pers bleven en informatie verstrekt over te verwachten maatregelen van de zijde van de bezetter. Tenslotte verschenen steeds vaker kritische kanttekeningen over het functioneren van de Nederlandse regering in Londen. Daarvan ging, volgens de illegale pers, niet genoeg leiding uit en zij bleek onvoldoende geïnformeerd over de situatie in bezet Nederland. Radio Oranje werd verweten een ontstellende dosis onbegrip aan de dag te leggen over de toestand in Nederland. 5]
De ontwikkelingen van 1942 zetten in 1943 in versterkte mate door. In bezielende bewoordingen werd de bevolking gestimuleerd tot deelname aan de illegaliteit. Geslaagde verzetsacties werden breed uitgemeten evenals de doelstellingen en het karakter van de illegaliteit. Vanzelfsprekend rekende de illegale pers het tot haar taak de voormalige dienstplichtige militairen en de mannelijke arbeidskrachten aan te sporen zich niet te melden voor krijgsgevangenschap en dwangarbeid in Duitsland. Dergelijke oproepen gingen vergezeld van felle aanvallen op collaborerende ambtenaren die bij de uitvoering van deze maatregelen betrokken waren. Zowel bij de bestaande als de nieuwe illegale bladen bestond een duidelijke tendens tot profilering. Het politiek-ideologische aspect kreeg meer nadruk, een verschijnsel dat zich trouwens ook binnen de georganiseerde illegaliteit voordeed. Het protestants-christelijke “Trouw” had bijvoorbeeld sterke banden met de L.O. Voorts bestond er een toenemende belangstelling voor naoorlogse problemen en thema’s. Vanwege de groeiende sympathie voor de illegaliteit en de inbeslagname van de radio’s en de daaruit voortvloeiende behoefte aan een betrouwbare nieuwsvoorziening maakte de illegale pers in 1943 een stormachtige groei door.6]
De bespreking van en discussie over de naoorlogse vraagstukken ontwikkelde zich in 1944 tot een van de hoofdthema’s, vooral in de meer beschouwende illegale bladen. Aan wie moest straks de regeringsverantwoordelijkheid worden opgedragen? Uiteraard zag men een vooraanstaande rol weggelegd voor de illegaliteit, voor de standvastige verzetsstrijders die in de donkere bezettingsjaren het goede voorbeeld hadden gegeven. Veruit de meeste bladen bepleitten een doorbreking van het sterk verzuilde vooroorlogse systeem. 1035 Slechts in protestants-christelijke kring stuitte deze opvatting op enige weerstand. De optie van een militair overgangsbewind gedurende de periode van een te verwachten machtsvacuüm vond geen genade. Een dergelijk bewind zou hooguit voor korte tijd toelaatbaar zijn. Vanaf juni 1944 ging de illegale pers ertoe over de bevolking te instrueren over welke houding men het beste kon aannemen bij de komende krijgshandelingen en de te verwachten bevrijding. Er werd op aangedrongen een passieve verzetshouding aan te nemen en de aanwijzingen van het geallieerd opperbevel en de Nederlandse regering in Londen op te volgen. Veel bladen namen die aanwijzingen over en werden weldra een spreekbuis van de twee laatstgenoemde instanties. Met het naderen van het front maande men vooral de weerbare mannelijke bevolking overdag voorzichtig te zijn, onder te duiken of in elk geval schuilplaatsen in gereedheid te brengen. In de laatste oorlogsmaanden ontstond een tendens de bezettingsjaren te evalueren en te analyseren, wat overigens niet altijd even gunstig uitviel. Zwarthandel, zelfmedelijden en moreel verval vormden telkens terugkerende thema’s. Ook de motieven die aan verzetsdeelname ten grondslag lagen ontkwamen niet aan kritische beschouwingen. De terugkeer van de omhooggeheven vinger en de “dominee”, deze bij uitstek Nederlandse neiging moraliserende kanttekeningen te plaatsen, vormde tevens een indicatie dat de weg naar normalisering was ingeslagen. 7]
Voor de nieuwsgaring was de illegale pers grotendeels aangewezen op radiostations in onbezet gebied, buitenlandse bladen, informatie via de Zwitserse weg, waarvan vooral “Vrij Nederland” profiteerde, inlichtingen van ambtenaren, het afluisteren van de telefoon en Duitse bronnen. Soms nam men berichten van elkaar over.8]
Papier verkreeg men niet alleen door het plegen van overvallen. Bedrijven als Van Gelder Papier, dat clandestien honderden tonnen papier leverde, de groothandel en de detailhandel maakten het mogelijk dat de illegale bladen in royale oplagen konden verschijnen. Een ambtenaar van het Rijksbureau voor Papier slaagde er sedert de zomer van 1943 in op gefingeerde aanvragen in totaal 700 ton papier vrij te maken. 9]
Aanvankelijk werden de meeste illegale bladen met de hand geschreven of getypt en vervolgens gestencild. In de tweede helft van 1942 veranderde dit beeld geleidelijk. Steeds meer bladen zochten en vonden drukkers. Nederland telde duizenden kleine en grotere drukkerijen die onmogelijk regelmatig gecontroleerd konden worden. Vooral de kleinere drukkerijen, wellicht honderden, bleken bereid clandestien drukwerk te vervaardigen. De grote, landelijke bladen beschikten meestal over meer drukkers, verspreid over het land. Naast een spreiding van het risico werden aldus eventuele distributiemoeilijkheden vermeden. Bij de verspreiding speelden de trein, binnenvaartschepen en koeriers een belangrijke rol. De laatsten bezorgden delen van een oplage bij de provinciale vertegenwoordiger van het blad die ze doorgaf aan zijn districtsvertegenwoordigers. Zij verdeelden ze op hun beurt onder de hoofdverspreiders. De laatste schakel in de distributieketen vormden de gewone verspreiders. Het getrapte en doorgaans strikt gescheiden distributienetwerk functioneerde meestal naar tevredenheid. Sommige landelijke bladen beschikten over een eigen, onafhankelijk verspreidingsapparaat, andere maakten gebruik van de mogelijkheden die bijvoorbeeld de verbindingsschakels van de L.O. boden. Soms verstuurde men illegaal drukwerk in enveloppen van officiële diensten en instellingen. Tenslotte moet erop gewezen worden dat één exemplaar vaak van hand tot hand ging en dat de inhoud soms door lezers werd overgeschreven en opnieuw verspreid. 10]
Aan het samenstellen, drukken en verspreiden van een illegaal blad waren uiteraard kosten verbonden. Die werden overwegend bestreden uit eigen middelen, giften en donaties, verkoop van het blad, zoals in het geval van “De Waarheid”, en de verkoop van foto’s van de Koninklijke Familie. Langs deze wegen kwamen tientallen miljoenen guldens binnen. Vanaf 1944 sprong het Nationaal Steun Fonds bij tot een bedrag van ƒ 500.000,-, waarvan overigens hoofdzakelijk “Vrij Nederland” en “Het Parool” profiteerden. De meeste bladen konden zich zonder die steun bedruipen en behielden een volstrekt onafhankelijke positie. 11]

II. Landelijke, in Limburg verspreide illegale pers

In deze paragraaf worden de belangrijkste, in Limburg verspreide landelijke illegale bladen besproken. Slechts die bladen worden belicht die over een zelfstandige organisatie in Limburg beschikten of gebruik maakten van diensten van verzetsorganisaties als de L.O. Omdat losse exemplaren van diverse andere landelijke bladen Limburg via de meest uiteenlopende kanalen bereikten, is het niet mogelijk een volledig overzicht te geven. 12] Voor de volledigheid merken wij op dat aan bladen die in andere hoofdstukken uitvoerig zijn besproken (voor “De Vonk”, “Glück Auf” en “De Waarheid” zie hoofdstuk X en voor “De Oranje Koerier” zie hoofdstuk II, paragraaf II.2.) niet opnieuw aandacht wordt besteed.

II.1. Vrij Nederland: Landelijk

Op initiatief van de twintigjarige F. Hofker, employé bij de Amsterdamse telefoondienst, en enkele van zijn collega’s en vrienden, allen van ongeveer dezelfde leeftijd en oud-leerlingen van christelijke scholen, verscheen op zaterdag 31 augustus 1940, koningin Wilhelmina’s verjaardag, te Amsterdam de eerste editie van “Vrij Nederland” in een oplage van 130 gestencilde exemplaren. De kosten werden bestreden uit vrijwillige bijdragen en de verkoop van afdrukken van recente foto’s van de Koninklijke Familie. Hierdoor kon de oplage groeien tot 750 exemplaren bij de derde editie van november 1940. In het najaar trad een groep iets oudere gereformeerden, overwegend A.R.-aanhangers zoals C. Troost en J.C. Pellicaan, tot de V.N.-gelederen toe. Deze groep nam de leiding weldra over. V.N. werd zeer populair. In het voorjaar van 1941 kwam de Sipo de V.N.-leiding via het verspreidingsapparaat op het spoor. Tussen maart en mei 1941 vielen talrijke medewerkers in Duitse handen. Een van de niet opgepakte betrokkenen, mr. A.H. van Namen, benaderde de schrijver E. de Nève. Deze schref de editie die in juni 1941 uitkwam vrijwel in zijn eentje vol. Men stuurde de Sipo een exemplaar om de schijn te wekken dat het blad nog springlevend was en men de V.N.-leiding niet te pakken had gekregen. In september 1941 werd ook De Nève gearresteerd. Het waren moeilijke en verwarde tijden voor V.N. In sommige plaatsen zette men het blad onder dezelfde of een andere naam voort. Los van de bemoeienissen van Van Namen nam de V.N.-verspreider W.P. Speelman, student aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, het initiatief de krant een professioneler aanzien te geven. Hij wilde de inhoudelijke kwaliteit verbeteren door schrijvers en politici aan te trekken. Met enkele anderen benaderde hij de journaliste dr. G.H.J. van der Molen en de onderwijzer, tevens hoofd van de Inrichting voor Haveloze Kinderen in de Jordaan, H.M. van Randwijk om de redactie op zich te nemen. De twee gingen op het verzoek in en maakten sedert oktober 1941 naast Speelman, Van Namen, H.P. Hos, A.H. Stam en de dichter J.H. de Groot deel uit van de leiding. Van Randwijk speelde de eerste viool en bepaalde de redactionele koers. In essentie kwam die neer op het herstel van de democratie en de constitutionele monarchie; erkenning van de grote historische en actuele betekenis van het christendom en van het humanisme voor het Nederlands volksleven en de Nederlandse staat; strijd tegen de Duitsers, vooral in hun nationaal-socialistische verblinding; onafhankelijkheid van elke kerk en partij en de erkenning dat door deze oorlog het Nederlands maatschappelijk leven over de hele linie problematisch was geworden en aan verandering en vernieuwing toe was. Dat Van Randwijk onafhankelijkheid ten aanzien van de kerken en de politieke partijen nastreefde, had te maken met zijn opvatting dat uit die hoek weinig te verwachten viel. Bovendien zinde de A.R.-sfeer binnen V.N. hem niet. Het accent moest naar zijn mening verlegd worden naar maatschappijvernieuwing en vernieuwing van het politiek bestel vanuit een humanistische en christelijke inspiratiebron. Wat het organisatorische aspect betrof maakte men weliswaar onderscheid tussen redactioneel en technisch-organisatorisch werk, maar de twee bleven aan elkaar gekoppeld.
Naast kwaliteitsverbetering en een toenemende populariteit van V.N. stonden eind 1941 en 1942 in het teken van een forse uitbreiding van de verbindingen. Individuele medewerkers knoopten allerlei nieuwe contacten aan waardoor de leiding soms niet meer wist wie welke contacten onderhield, laat staan of die bonafide waren. Er ontstonden verbindingen met de kerken en met verschillende verzetsorganisaties zoals de O.D., de “De Vonk”-groep, het protestants schoolverzet, het kunstenaarsverzet en met politieke organisaties en inlichtingengroepen. Van Randwijk slaagde erin contact te leggen met drukker J. Hoekstra in het Friese Koudum. In december 1941 verscheen de eerste gedrukte editie van V.N. De veelheid aan verbindingen van individuele medewerkers had echter een schaduwzijde: de kwetsbaarheid nam toe. In 1942 trof de organisatie de ene na de andere arrestatiegolf. In een enkel geval liep het goed af. Van Randwijk en Van der Molen kwamen na hun arrestatie spoedig weer op vrije voeten. Deze ervaring en een slepend meningsverschil met Van Randwijk, die men te radicaal en pro-Russisch vond, deed Van der Molen besluiten zich uit de leiding van V.N. terug te trekken.
Door de opeenvolgende arrestaties openbaarde zich in de loop van 1942 een conflict in de leiding waarbij Van Randwijk en Speelman een hoofdrol speelden. Speelman was het niet eens met Van Randwijks zienswijze dat de uitbouw van de organisatie voorzichtig en geleidelijk ter hand moest worden genomen, aangezien iedereen van elkaar afhankelijk was en één persoon het lot van vele anderen kon bepalen. Van Randwijk en zijn medestanders hamerden erop dat het afgelopen moest zijn met het handelen op eigen initiatief. De leiding diende te bepalen wat wel en niet moest gebeuren. Redactie en verspreidingsapparaat konden veel beter geïntegreerd worden in plaats van onafhankelijk en strikt gescheiden te opereren zoals tot nog toe het geval was. De groep gereformeerden rond Speelman, die zelf deel uitmaakten van het verspreidingsapparaat, wenste het tegenovergestelde. Voorts wilden zij het aantal verbindingen en medewerkers zoveel mogelijk uitbreiden. Hun derde grief betrof Van Randwijks maatschappij-opvattingen. Hij was volgens hen tè socialistisch en onkerkelijk.
In november 1942 viel Speelman door toedoen van een verrader in de O.D. in Duitse handen. Op spectaculaire wijze slaagde hij er op 30 december 1942 in uit de Sipo-gevangenis te Haaren te ontsnappen. Zijn terugkeer versnelde de breuk tussen hem en zijn gereformeerde medestanders enerzijds en de groep rond Van Randwijk anderzijds. Hij trad uit V.N. en kwam in aanraking met een groep protestanten waartoe onder anderen dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot behoorde. Zij waren het niet eens met de inhoud van V.N. en overwogen zelf een illegaal blad te gaan uitgeven. Begin 1943 voegden ze de daad bij het woord en richtten ze “Trouw” op, een protestants-christelijk verzetsblad, waaraan ook mejuffrouw Van der Molen haar medewerking verleende. Speelman stelde het verspreidingsapparaat van V.N. ter beschikking van “Trouw”. Onder de steeds strakkere leiding van Van Randwijk ontwikkelde V.N. zich tot een hooggewaardeerde, tot september 1944 maandelijks verschijnende kwaliteitskrant waarin plaats was voor zowel liberaal-protestantse als socialistische denkbeelden. J.C. Pellicaan, die in het najaar van 1942 tot de V.N.-leiding was toegetreden, kreeg de verantwoordelijkheid over het te reconstrueren distributienetwerk. Hij verlegde het accent bij de verspreiding van de trein naar de binnenvaart. 13]

II.1.1. Vrij Nederland: Limburg

Sinds augustus 1940 ontving de organist van de gereformeerde Kerk in Heerlen, J.J.E. Janssen, van elke editie van “Vrij Nederland“ een exemplaar per post. Het is niet bekend van wie. Janssen beschikte over een stencilapparaat, waarmee hij het blad in een oplage van enkele honderden exemplaren vermenigvuldigde. Vermoedelijk ontving hij via hetzelfde kanaal foto’s van de Koninklijke Familie. Deze werden door medewerkers van de groep-Smit, waarvan Janssen deel uitmaakte en die betrokken was bij de verspreiding van V.N. in Zuid-Limburg, gereproduceerd (zie hoofdstuk II, paragraaf III). Naast leden van de groep-Smit schakelde Janssen eind 1940 zijn Maastrichtse kennis A.H. van Mansum in bij de verspreiding. Door verraad kon de Sipo de groep-Smit op 2 februari 1942 oprollen. Janssen kwam op 29 maart 1943 in het kamp Neuengamme om het leven.
De distributie van “Vrij Nederland” in Limburg ondervond geen noemenswaardige hinder van de arrestaties. In het voorjaar van 1941 had D. van Assen Van Mansum namelijk geïntroduceerd bij de oud-Maastrichtenaar J.C. Pellicaan. Van Mansum genoot als handelsreiziger veel bewegingsvrijheid. Hij verklaarde zich bereid een verspreidingsapparaat voor V.N. in Limburg op te bouwen. Enkele weken na hun eerste ontmoeting overhandigde Pellicaan Van Mansum in Eindhoven een pakket met driehonderd exemplaren van de krant. Hij verdeelde ze onder leden van de gereformeerde Kerk en jeugdvereniging, vrienden en kennissen. Voorts ging hij met J.S.H. Lokerman op zoek naar onderverspreiders. Weldra telde Heerlen vijftien verspreiders, voornamelijk sociaal-democraten, Maastricht tien, onder wie J. Vrij en H.J. Heijboer en natuurlijk Lokerman. Venlo (wellicht dominee H.R. de Jong) en Roermond telden er elk één. Pellicaan verhoogde het voor Limburg bestemde aantal tot vijfhonderd. Vanaf begin 1943 nam Van Mansum regelmatig pakketten met V.N. mee naar Limburg als hij in Amsterdam joodse kinderen ophaalde. 14]
De verbinding tussen Pellicaan en Van Mansum leverde beide voordelen op. Zo vroeg Pellicaan Van Mansum tijdens een van hun ontmoetingen in Eindhoven vier microfilms van V.N. naar Brussel te brengen. In januari 1943 verzocht H. Tobben Van Mansum een bericht in V.N. te laten opnemen waaruit bleek dat G.H.W. Vroomen een agent van de Gestapo was. Vroomen werkte zijdelings samen met de pilotenhelpers rond Tobben, maar onderhield tevens contact met de Sipo-Maastricht. Tobben c.s. hoopten met het plaatsen van het bericht het vertrouwen van de Sipo in Vroomen te vergroten, zodat ze konden achterhalen wat de Sipo wist en hem als agent konden inzetten. Het bericht verscheen in de editie van 21 februari 1943 (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.1.). 15]
De distributie in Limburg verliep niet uitsluitend via Janssen en Van Mansum. Een medewerker van de Groep-2000 uit Amsterdam, H.E. Euwe, en zijn verbindingsman M. Meiler uit Nijmegen, die weer samenwerkte met Pellicaan, leverden de Venlonaren K.P.M. Ex en L.P.C. Meyers exemplaren van V.N. en foto’s van de Koninklijke Familie. 16] Sedert het midden van 1942 brachten twee medewerkers van Speelmans verpreidingsapparaat, K. Verheul en W. Mahler, pakketten met V.N. naar de woning van de Familie Ex. Bij de plaatselijke distributie speelden leden van de familie Coehorst een hoofdrol. Vanaf de zomer van 1943 verliep de regionale verspreiding via L.O.-kanalen. 17]
In Maastricht fungeerde de distilleerderij en wijnhandel van A.H. Stollenwerck als centraal afhaaladres. Medewerkers van de Belasting Groep-Maastricht, zoals J. Eleveld, raakten bij de verspreiding betrokken. Vermoedelijk stond Van Mansum hier buiten. 18] In Sittard trad M.P.J.M. Corbeij op als hoofdverspreider. Hij verdeelde de bladen onder medewerkers van de plaatselijke verzetsorganisatie, onder anderen P.J. Ronden en F.A.A. van Maanen. 19] Het distributieapparaat van Speelman was in belangrijke mate afhankelijk van het vervoer per trein. De Heerlense spoorwegbeambten F. Derks en J.L. de Haas namen pakketten op het station van Heerlen in ontvangst. Wie verantwoordelijk waren voor de verspreiding van die kranten staat niet vast. F. Kortbeek uit Eygelshoven was er in ieder geval bij betrokken evenals J.H. Lubben uit Heerlen, die vanwege zijn verbindingen met de C.P.N. op 19 juni 1942 werd gearresteerd en in januari 1945 in het kamp Neuengamme om het leven kwam. 20]
De familie Urlings zorgde in Vaals voor de verspreiding. De kranten werden haar door mr. H. Aa uit Den Haag toegezonden. 21] P. van Buggenum uit Maasbracht ontving in de herfst van 1940 tien exemplaren per post. Met J.H.M. Puts ging hij op zoek naar de afzender. Bij hun naspeuringen kwamen ze in contact met diverse personen uit de illegaliteit, maar vooralsnog niet met V.N. In het najaar van 1943 kreeg Puts verbinding met J.H.J. Sangen uit Hoensbroek die hem voortaan driehonderd exemplaren leverde. 22]
Evenals Van Buggenum ontving Sangen V.N. aanvankelijk per post. In 1942 wist Sangen te achterhalen waar het blad vandaan kwam en begin 1943 kreeg hij contact met mejuffrouw M.A. Tellegen, provinciaal vertegenwoordigster van V.N. in Utrecht. De reorganisatie van het verspreidingsapparaat was toen in volle gang. Tellegen introduceerde Sangen bij prominente medewerkers als mr. J. Berlage en mr. J. Cramer die hem op hun beurt in verbinding brachten met hoofdverspreiders in Zuid-Nederland, met name Limburg. Het distributieapparaat in deze provincie ondervond naar verhouding weinig hinder van het vertrek van Speelman, aangezien Pellicaan nauw bij de opbouw betrokken was geweest. Na de arrestatie van Van Mansum in oktober 1943 nam Sangen de provinciale V.N.-vertegenwoordiging op zich en bouwde het verspreidingsapparaat uit tot een netwerk van circa honderd medewerkers. Hij benoemde zes rayonhoofden: W. van de Ven (Venlo), A. Dekkers (Roermond), J.H.M. Puts (Maasbracht), P. Bosch (Kerkrade) en P.J. Ronden (Sittard). Zelf trad hij op als rayonhoofd van de Mijnstreek. Binnenvaartschippers leverden de voor Limburg bestemde exemplaren, uiteindelijk 4.000 stuks, af in de haven van Maastricht. Vandaar gingen de pakketten naar de oostelijke Mijnstreek, waar ze werden verdeeld onder de rayonhoofden. Eind 1943 of begin 1944 werd opnieuw overgestapt op het vervoer per trein. 1043 Dank zij de medewerking van de stationschef in Hoensbroek verliep de aflevering van de pakketten zonder problemen. 23]
Sangen kon grotendeels terugvallen op de reeds bestaande verspreidingsorganisatie. Nieuwe medewerkers recruteerde hij voornamelijk uit de L.O., de K.P. en helpers van krijgsgevangenen en geallieerde vliegeniers. Tot de laatste categorie behoorde H.G. Driessen uit Horst. Op 29 juli 1944 viel Driessen in handen van een groep A.K.D.-ers. Hij werd op 6 september 1944 bij een ontsnappingspoging doodgeschoten (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.2.4.).24]

II.2. Ons Vrije Nederland

Omdat de oplage klein en de vraag groot was, werd “Vrij Nederland” aanvankelijk op ruime schaal door anderen opnieuw gestencild, zo ook door een groepje uit IJsselmonde, dat er eigen artikelen aan toevoegde. Na de arrestaties in de V.N.-leiding begin 1941 besloot het groepje zelfstandig door te gaan met hun eigen V.N., ook nadat de Amsterdamse krant in de zomer van 1941 weer was verschenen. Men was van mening dat de oorspronkelijke V.N. niet langer een positief christelijke grondslag had. In de IJsselmondse versie werd meer plaats ingeruimd voor illustraties en humor. Omdat de Amsterdamse V.N.-leiding bezwaar maakte tegen de naam, werd er in december 1941 “geïllustreerd” aan toegevoegd. Eind 1943 verhuisde de centrale van “Geïllustreerd Vrij Nederland” naar Utrecht. Het blad telde gemiddeld tussen de tien en twaalf pagina’s en verscheen maandelijks in een oplage die varieerde van 15.000 tot 30.000 stuks. De verspreiding verliep vlekkeloos dank zij uitstekende verbindingen met de N.S. Sedert eind 1943 of begin 1944 konden andere illegale bladen als “Vrij Nederland”, “De Geus”, “Ons Volk” en “Trouw” hier eveneens gebruik van maken. De controverse met “Vrij Nederland” over de naam werd pas in juni 1944 definitief opgelost toen J.C. Pellicaan namens V.N. akkoord ging met een wijziging van de titel in “Ons Vrije Nederland”. 25]
Voor Limburg trad J.H.J. Sangen op als verspreider. Hij maakte daarbij gebruik van de provinciale V.N.-organisatie. Omdat in de bronnen uitsluitend sprake is van “Ons Vrije Nederland”, mag worden aangenomen dat een georganiseerde verspreiding van het blad pas in juni 1944 of nog later op gang kwam. 26] Daarmee is niet gezegd dat het blad voordien nergens circuleerde. O.V.N. kan in een vroegere fase over andere distributiekanalen hebben beschikt, maar hiervoor zijn geen duidelijke aanwijzingen.

II.3. Het Parool: Landelijk

Op 25 juli 1940 publiceerde de journalist F.J. Goedhart zijn “Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen”. Met deze brief beoogde Goedhart de bevolking politiek voor te lichten en op te roepen tot ondergrondse politieke actie. Enige tijd later kwam hij in contact met vooraanstaande S.D.A.P.-ers als J.J. Vorrink en sociaal-democratische journalisten. Zij wensten de Nieuwsbrieven aanzienlijk uit te breiden. Dat resulteerde op 10 februari 1941 in de uitgave van de eerste editie van “Het Parool”. Het socialistisch georiënteerde blad nam krachtig stelling tegen de bezetter, zijn handlangers en sympathisanten. Daarnaast trachtte “Het Parool” de bevolking te stimuleren tot verzet tegen alle nazi-maatregelen. De Duitse belangen moesten zoveel mogelijk worden tegengewerkt. Goedhart, A.A.F. Althoff, gewezen redacteur van “Het Volk”, J.J. Vorrink, mr. J.C.S. Warendorf, J.J. Nunes Vaz, een voormalige redacteur van het A.N.P., en dr. H.B. Wiardi Beckman vormden sedert eind mei 1941 de redactie. De technische organisatie berustte grotendeels bij Goedhart. Hij kreeg daarbij na verloop van tijd steun van de student H. Pelser en de A.J.C.-er J. Stallinga. Vorrink en zijn partijgenoot J.H. Scheps reisden het hele land door om hun talrijke relaties over te halen de regionale verpreiding van “Het Parool” op zich te nemen.
De krant beleefde een stormachtige groei en verscheen wekelijks afgezien van een onderbreking in 1942 en 1943 toen het blad een à twee keer per maand uitkwam. Sedert augustus 1941 werd het gedrukt in Amsterdam. Aanvankelijk werden de kosten die met de vervaardiging en verspreiding gemoeid waren uit eigen middelen betaald. Met name Vorrink en Wiardi Beckman slaagden erin substantiële financiële bijdragen te verwerven. Desondanks bleef de financiële positie van de krant geruime tijd precair. Vanaf eind 1943 ontving “Het Parool” geldelijke bijdragen uit industriële kringen en in 1944 nam het N.S.F. een deel van de financiering voor haar rekening.
De snelle groei van de oplage en de organisatie hadden ook een schaduwzijde. De kwetsbaarheid nam toe en arrestaties bleven dan ook niet uit. De eerste grote arrestatiegolf trof het blad in het najaar van 1941. Tezelfdertijd openbaarde zich een conflict tussen Goedhart en Vorrink. Goedhart, gesteund door Nunes Vaz, stond uiterst kritisch tegenover de vooroorlogse verhoudingen in Nederland en stelde de innerlijke zwakheid van de Westeuropese democratie medeverantwoordelijk voor het uitbreken van de oorlog. Tegen de zin van Vorrink wenste Goedhart aan zijn opvattingen uiting te geven in “Het Parool”. De S.D.A.P.-voorzitter wilde de nadruk leggen op de strijd tegen Duitsland en de nazi’s. Aan bevuiling van het eigen nest had hij niet de minste behoefte. Het conflict sleepte zich nog steeds voort toen medio januari 1942 Goedhart en Wiardi Beckman bij een poging naar Engeland over te steken op het strand van Scheveningen in Duitse handen vielen. Wiardi Beckman kwam in gevangenschap om het leven. Goedhart slaagde er begin augustus 1943 in uit het kamp Vught te ontsnappen. Meteen na de arrestaties drong Vorrink er uit veiligheidsoverwegingen op aan de uitgave van “Het Parool” stop te zetten, maar hij vond Nunes Vaz en Warendorf op zijn weg. De S.D.A.P.-leider trok zijn conclusie en stapte met zijn medestander Althoff op. Hun plaatsen werden ingenomen door drie jonge intellectuelen, mr. C.H. de Groot, drs. W. van Norden en drs. J. Meyer. In oktober 1942 werd de gehele Parool-redactie, afgezien van Warendorf en De Groot, gearresteerd. Warendorf, op wie de Duitsers fel jacht maakten en die bovendien joods was, achtte zijn bewegingsvrijheid dermate beperkt dat hij nog nauwelijks van nut voor de krant kon zijn. Hij besloot naar Engeland uit te wijken, zodat alleen De Groot met enkele assistenten overbleef. 27]
Op 29 oktober 1942 reisde Warendorf naar Maastricht. Daar nam hij contact op met de voorzitter van de Joodse Raad I. de Vries, die hem naar mr. E.R. von Geldern verwees. Ook bezocht hij E. Smits, een verzetsman die zich naderhand bij de pilotenhulporganisatie van J. Vrij aansloot, en een niet bij naam bekende verspreider van “Het Parool”. Bij laatstgenoemde drong hij erop aan nieuwe krachten aan te trekken, waarbij hij met name aan G.J. van Heuven Goedhart dacht. Van Heuven Goedhart, een man met een tot de verbeelding sprekende journalistieke loopbaan, had al eerder stukjes voor “Het Parool” geschreven. Hij verklaarde zich desgevraagd bereid tot de redactie toe te treden. Smits verwees Warendorf naar zijn Belgische verbindingsman J. Hanecourt in Ukkel bij Brussel. Bij de grenspassage ondervond de Parool-redacteur steun van Von Geldern en P. Schoenmaeckers uit Rekem. Per tram reisde hij van Lanaken naar Hasselt en vervolgens per trein naar de Belgische hoofdstad. Via Amiens bereikte Warendorf Parijs, waar hij enkele maanden bleef en zijn bevindingen op schrift stelde. In mei 1943 reisde hij via Perpignan en de Pyreneeën naar Spanje. Op 30 mei arriveerde hij in Londen. 28]
De achterblijvers De Groot en Van Heuven Goedhart, die samen leiding gaven aan de redactie, konden uitstekend met elkaar overweg. De oplage, die tot dusver tussen de 3.000 en 10.000 stuks had geschommeld, steeg in 1943 naar ruim 40.000 stuks. Na de April-Meistaking kreeg de krant er veel nieuwe medewerkers bij. In de loop van de zomer keerden J. Meyer, W. van Norden en F.J. Goedhart terug en namen de draad weer op. Opnieuw kreeg men te kampen met ernstige tegenslag. Als gevolg van de arrestatie van de hoofdverspreider J. Stallinga in december 1943 kon de Sipo op 21 januari 1944 na een gedegen voorbereiding de Parool-organisatie in het hele land zware klappen toebrengen. De leiding ontsnapte wonderlijk genoeg aan arrestatie. Met hulp van “Vrij Nederland”, waarmee sedert de tweede helft van 1943 nauwe banden bestonden, lukte het tot frustratie van de Sipo enkele weken na de arrestatiegolf een nieuwe editie van “Het Parool” uit te brengen.29]
Van de gearresteerde Stallinga was de Sipo te weten gekomen dat Van Heuven Goedhart een van de drijvende krachten achter “Het Parool” was. De zoektocht naar hem werd zodanig geïntensiveerd dat hij zich niet meer op straat kon vertonen. De redactie gaf hem opdracht naar Engeland te gaan om de Nederlandse regering in Londen beter te informeren over de Nederlandse illegaliteit. Tevens kon hij opdrachten van de Parool-groep, “Vrij Nederland” en andere verzetsorganisaties meenemen. Op 24 april 1944 reisde Van Heuven Goedhart naar Sittard. Daar werd hij op het station opgevangen door een Amsterdamse studente die hem naar onderwijzer H.H.A. Meijers in het Maasdorpje Kleine Meers bracht. Meijers vormde een schakel in de Zwitserse Weg A, een inlichtingen- en vluchtelingenroute waarvan onder andere “Vrij Nederland” gebruik maakte (zie hoofdstuk XII, paragraaf III.1.). Meijers’ verbindingsman J.G. Le Jeune, een Nederlander die tot 1942 in Leuven criminologie had gestudeerd, bezorgde Van Heuven Goedhart een Belgisch identiteitsbewijs en zette hem met een roeibootje de Maas over. Per tram reisden de twee via Bree, Beringen, Diest en Leuven naar Brussel. Daar droeg Le Jeune de Engelandganger over aan E.S. Chait, een houthandelaar uit Rotterdam die hem via Mons naar Valenciennes begeleidde. Via Parijs en Toulouse bereikte Van Heuven Goedhart de Pyreneeën die hij te voet overstak. Na 55 dagen zat de tocht erop en bereikte hij Londen. Op 12 juli 1944 benoemde koningin Wilhelmina hem tot minister van Justitie in het kabinet Gerbrandy, een post die hij tot 23 februari 1945 bekleedde. 30]
De achtergebleven redactieleden trokken lering uit de arrestatiegolven en voerden een reorganisatie door. Gedurende de rest van 1944 bleef de Parool-organisatie van nieuwe ernstige tegenslagen verschoond. De krant schonk steeds meer aandacht aan naoorlogse vraagstukken zonder overigens als spreekbuis van de S.D.A.P. op te treden; daarvoor hechtte de redactie teveel aan haar onafhankelijkheid. De oplage steeg tot 60.000 exemplaren. Het blad werd voortaan op meerdere plaatsen gedrukt. De distributie geschiedde via het goederenvervoer per spoor, door binnenvaartschippers en vrachtrijders. Vanaf begin september 1944 verscheen in Amsterdam iedere dag een gestencild nieuwsbulletin, een initiatief van de Parool-redactie dat navolging kreeg in veel andere steden. De oplage van deze bulletins bereikte weldra de honderdduizend. Op 25 september verscheen in het kort daarvoor bevrijde Maastricht het eerste, in vrijheid gedrukte exemplaar van “Het Parool”. De bevrijding van het westen liet nog ruim een half jaar op zich wachten. Hoewel het niet lukte nogmaals diepe bressen in de organisatie te slaan, boekte de Sipo toch nog enig resultaat. In maart 1945 arresteerde zij zonder te weten om wie het ging redacteur De Groot en de Amsterdamse hoofdverspreider H. Schippers. Enkele dagen later werden de twee met tientallen anderen als represaille voor de aanslag op Rauter gefusilleerd. 31]

II.3.1. Het Parool: Limburg

Niet Vorrink, maar J.H. Scheps bracht in verband met het opzetten van een verspreidingsorganisatie voor “Het Parool” een bezoek aan Limburg. Hij zocht de vooraanstaande Limburgse S.D.A.P.-er J.H. de Wever in Heerlen op die hem introduceerde bij partijgenoten als H. van der Ploeg in Heerlen en J.S.H. Lokerman in Maastricht. In hoofdstuk VI, paragraaf VIII.4. en paragraaf VIII.5.1. vermeldden we reeds dat Scheps deze contacten tevens benutte om geestverwanten en belangstellenden op te roepen zich weerbaar op te stellen tegen het nazi-regime. Omdat de sociaal-democraten in Zuid-Limburg over de meeste aanhang beschikten, beperkte de verspreiding van de krant zich aanvankelijk voornamelijk tot dit deel van de provincie. Als vaste verbindingsman van De Wever trad de Amsterdamse hoofdverspreider J.C. Melkman op. Aan deze samenwerking kwam op 1 februari 1942 een einde door de aanhouding van Melkman. Hij werd op 12 februari 1943 te Soesterberg gefusilleerd. Onder zijn opvolger J. Stallinga werd het distributiecentrum verplaatst naar de woning van Van der Ploeg en het magazijn “Utrecht” in Heerlen. Tevens reorganiseerde Van der Ploeg de verspreiding in Limburg. In de zomer van 1942 verbleef hij vier maanden in het gijzelaarskamp te Haaren, waar hij een ongeneeslijke longziekte opliep (zie hoofdstuk VI, paragraaf VIII.5.1.). Niettemin zette hij zijn werkzaamheden voor de krant tot zijn overlijden in april 1944 voort. Naast de verspreiding van “Het Parool” hield Van der Ploeg zich bezig met het verzamelen van inlichtingen, die onder anderen afkomstig waren van C.M.J.A.F. Nicolas en A. Paulen. Hij gaf die via Stallinga door aan de Parool-leiding in Amsterdam. In oktober 1943 nam mejuffrouw N. Meyeringh de verbinding met Van der Ploeg van Stallinga over. Voortaan bezorgde zij de circa 1100 voor Zuid-Limburg bestemde exemplaren. Dit cijfer deelde zij althans na haar aanhouding aan haar Duitse ondervragers mee, wellicht lag het hoger. Op 20 december 1943 vielen Stallinga en enkele andere leiders van het distributieapparaat door een ongelukig toeval in Duitse handen. Doordat Stallinga doorsloeg, kon de Sipo in februari en maart 1944 tweeënveertig Parool-medewerkers, onder wie N. Meyeringh, oppakken. Op voorwaarde dat hij de Sipo inlichtingen zou blijven verstrekken kwam Stallinga in mei 1944 vrij. Hij vertrok naar vrienden in Heerlen, maar onthield zich van elke activiteit, zodat de Parool-organisatie verder geen schade meer van hem ondervond. 32]
Voor zover bekend namen in Heerlen en omgeving tussen de tien en twintig personen deel aan de verspreiding van “Het Parool”. Het betrof naast De Wever en Van der Ploeg leden van de familie Rooyackers, P.L. Hellebrekers, J. Lintzen, A. Paulen, J.H. de Koning, J.G. de Groot, G.H. Bensen, Th.G.W.B.M. Crijns, H. van Hoorn en J.H. Lubben. Verspreider P.M.A. Geene maakte in de winter van 1942-1943 uitreksels van “Het Parool” die hij stencilde en verspreidde. 33] Tevens leverde hij met W.A. Rooyackers exemplaren aan H.L.C. Geene, de vaste Parool-verspreider in Sittard. Diens plaatsgenoot M.P.J.M. Corbeij was er eveneens bij betrokken. Hij gaf de hem ter hand gestelde exemplaren ter verspreiding aan plaatselijke illegale werkers als F.A.A. van Maanen. 34] Langs welke weg Corbeij het blad ontving staat niet vast. J.S.H. Lokerman, J.L. Meyers en J. Bernards, die in een latere fase het weekbericht van “Het Parool” stencilde, vormden de oorspronkelijke verspreidingskern in Maastricht. Lokerman schakelde daarnaast politieke geestverwanten in. In 1943 onderging de plaatselijke organisatie een aanzienlijke uitbreiding. Jongeren als W. Lak, H.J. Heijboer, A.A.R. König, L. Vermeulen, Th.M.B. van Marle, F.B. Bouwens, J. Braun, P.H. Willems, M.J.A. Wolfs en mejuffrouw A. Musters kwamen de gelederen versterken. De eerstgenoemde vier namen weldra het heft in handen. Vermeulen ontving sedert eind 1943 pakketten via Van Gend en Loos. J. Hoogenbosch nam de verspreiding in Meerssen voor zijn rekening. Vanaf januari 1944 verspreidde Heijboer de krant in heel Zuid-Limburg. De distributie geschiedde in overleg met verspreider B.J. Kam in Helmond, die in het najaar van 1944 hoofdredacteur werd van “Het Parool” in bevrijd Zuid-Nederland, en H. Schippers in Amsterdam, het nieuwe hoofd van de expeditie van Het Parool, bij wie Heijboer exemplaren ophaalde. Vermoedelijk was het aan de nieuwkomers te danken dat het blad in 1944 ook in Maastricht gedrukt kon worden. Heijboer was daar niet bij betrokken. Als gevolg van het doorslaan van Stallinga verrichtte de Sipo-Maastricht in februari 1944 huiszoeking in de woning van zijn ouders, maar vond niets belastends. Heijboer zelf was kort tevoren gewaarschuwd. Hij dook onder bij collega-verspreiders en week tenslotte met hulp van de Eijsdense passeursgroep van P.W.A. Landman uit naar Luik. Daar zette hij, voorzien van Belgische identiteitspapieren en onder een ander naam, zijn illegale activiteit als begeleider van geallieerde vliegeniers naar Frankrijk voort tot zijn aanhouding in het voorjaar van 1944. Zijn verzetswerk kwam niet aan het licht, zodat hij uitsluitend beschuldigd werd van onderduiken. Begin 1945 slaagde hij erin uit het Ruhrgebied te ontsnappen. Op 15 augustus 1944 nam de Sipo Van Marle in de woning van König in hechtenis. De verspreider kwam in Keulen terecht, waar hij als gevolg van een zeer slechte behandeling vlektyphus opliep. Tot de bevrijding bleef hij in hechtenis. Hij herstelde nimmer van de gevolgen van de ontberingen en zijn in gevangenschap opgelopen ziekte. 35]
Over de verspreiding van “Het Parool” in Noord- en Midden-Limburg staan ons slechts summiere gegevens ter beschikking. Vaststaat dat de woning van D.P. Roosenburg in het Brabantse Nuenen als centraal distributieadres voor Zuid-Nederland fungeerde. 36] Wellicht bereikte de krant via hem het noorden en midden van de provincie. G.A. Leenders, verspreider in Venlo, kreeg geringe aantallen per post toegezonden door A.C. Heymans, onderverspreider in Eindhoven. 37] P.A. Meerburg nam exemplaren mee uit Amsterdam op zijn reizen naar Noord-Limburg. Wellicht verzorgde de L.O. de verspreiding. Uit een naoorlogs verslag bleek dat in het L.O.-district Venray bijvoorbeeld van elke editie circa 400 exemplaren werden verspreid. 38] In Roermond bekommerde de advocaat mr. Th.W.L. Peters zich om de verspreiding. Kennelijk was zijn betrokkenheid bij de krant groot, want in de zomer van 1944 nam hij de verdediging van twee Parool-medewerkers tijdens het zogeheten tweede Paroolproces, het eerste vond plaats in december 1942, op zich. De twee werden vrijgesproken. 39]
Hoe reageerden de katholieke Limburgers op het socialistisch georiënteerde Parool? Er zijn ons geen gegevens bekend waaruit blijkt dat de geestelijkheid of vertegenwoordigers uit het (voormalige) katholiek-maatschappelijk organisatieleven de inhoud van het blad bekritiseerden of waarschuwden er kennis van te nemen. Men las de gehele clandestiene pers, zelfs de communistische, met gretigheid. De nieuwshonger was nauwelijks te stillen en berichten uit ongecensureerde bron waren uiteraard het meest aantrekkelijk. De Engelandganger J.F.M.H. Goossens rapporteerde bijvoorbeeld op 30 oktober 1943 dat de belangstelling voor “Het Parool” in Limburg zeer groot was. 40] Er waren ook andere geluiden te horen. Op 12 mei 1944 schref pater L.A. Bleijs in zijn rapport aan de regering in Londen dat het in Nederland en met name door de grote massa van de illegale werkers werd betreurd dat de illegale pers zich had ontwikkeld tot een geheime propagandapers van verschillende politieke groepen. 41] Welke bladen hij bedoelde bleef onduidelijk. Ook op “Het Parool” kon deze beschuldiging van toepassing zijn. De krant had immers van begin af aan geen twijfel laten bestaan over haar politieke gezindheid. Een ander kritisch geluid viel te beluisteren bij L.F.J.H. Frantzen uit Horn die op 12 maart 1942 in zijn dagboek schref: “Dezer dagen vielen me enkele afleveringen van “Het Parool” in handen, een zeer interessant blaadje, dat ik nog nooit gezien heb. Onder de opstellers zijn naar mijn mening vooraanstaande mannen der vroegere politieke partijen, gezien een ongemotiveerd hatelijke zinsnede aan het adres van de Unie (waarin Frantzen een regionale functie had bekleed, auteur). Enfin, het driemanschap kan een stootje van die zijde best verdragen, beter dan de voormalige politieke leiders na de oorlog..... als ze lust zouden hebben hun vroegere spel te hervatten”. 42] Met deze laatste zinsnede nam Frantzen in wezen hetzelfde standpunt in als de toenmalige Parool-redactie.

II.4. Trouw: Landelijk

Zoals reeds vermeld in paragraaf II.1., ontstond in de loop van 1942 een conflict in de leiding van “Vrij Nederland” tussen H.M. van Randwijk enerzijds en mejuffrouw dr. G.H.J. van der Molen en W.P. Speelman anderzijds. Beide laatstgenoemden keerden V.N. de rug toe. Met een aantal oud-A.R.-leden, die zich niet langer in het van oorsprong protestants-christelijke V.N. konden herkennen, begonnen ze met de uitgave van een nieuwe illegale krant op christelijke grondslag. Het eerste nummer, “Oranje-Bode” geheten, verscheen in een oplage van achtduizend stuks op 19 januari 1943 ter gelegenheid van de geboorte van prinses Margriet. H. Veldhuis uit Meppel had het blad gedrukt. Op grond van een vooraf gemaakte afspraak werd de naam bij het tweede nummer gewijzigd in “Trouw”. De redactie stond onder leiding van dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot, mejuffrouw dr. G.H.J. van der Molen en de journalist E. van Ruller. Het blad, dat evenals “Vrij Nederland”, “Het Parool” en “Je Maintiendrai” (zie paragraaf II.5.) een hoog peil bereikte, verwierf zich een vooraanstaande positie.
Uiteraard was Speelman voorstander van een scheiding tussen de redactie en het verspreidingsapparaat. Zogeheten landelijke weekends fungeerden als bindende factor tussen deze twee Trouw peilers. Het bleek een gouden greep. Op deze bijeenkomsten groeide een band van persoonlijke vriendschap en geloofsgemeenschap die de interne cohesie vergrootte. Meningsverschillen werden op deze wijze overwonnen en de aanwezigen putten uit deze samenkomsten telkens weer moed en inspiratie. Door de strikte scheiding stond de top van het verspreidingsapparaat voor de taak bij de distributie de principes die de Trouw-groep in de illegaliteit hadden gedreven te verduidelijken. Naast inspiratie hadden zij daarom behoefte aan voorlichting. Hieraan alsook aan technische aangelegenheden en de inhoud van de krant werd tijdens de weekends ruim aandacht besteed. Kortom zowel de psychologische waarde als het praktische nut van de samenkomsten waren groot. In een later stadium namen ook lagere echelons van het verspreidingsapparaat eraan deel.
Speelman wilde zijn van V.N. overgenomen verspreidingsapparaat decentraliseren. Daarom ging men op zoek naar méér drukkers en werd de technische kant van het werk per provincie georganiseerd. Uiteindelijk bereikte het een à twee keer per maand verschijnende “Trouw” een oplage van 145.000 exemplaren, de hoogste van alle illegale bladen. Het papier was onder meer afkomstig van papierfabrikant Van Gelder en naderhand ook van het Rijksbureau voor Papier. De kosten werden voornamelijk gedekt door vrijwillige bijdragen. 43 Vanwege de nauwe banden met de L.O.-L.K.P. en de Limburgse hulporganisaties voor geallieerde vluchtelingen ontwikkelde “Trouw” zich tot de meest verspreide en daardoor meest gelezen illegale krant in Limburg. Ondanks de gereformeerde achtergrond, die doorklonk in de inhoud, was het blad er uitermate populair, zelfs bij de katholieke geestelijkheid.
Niettegenstaande de ver doorgevoerde decentralisatie ondervond de Trouw-organisatie tegenslag. In september 1943 arresteerde E.F.A. Gottschalk, een medewerker van de Sipo-Den Bosch, op het station van Utrecht de Trouw-vertegenwoordiger van de provincie Zeeland, die op weg was naar een landelijk weekend in het Zuidlimburgse Geulle. De arrestant wist slechts dat hij afgehaald zou worden op het station te Sittard. Uit een op hem aangetroffen briefje met “dinsdag W.C.-C.S. Utrecht” maakte Gottschalk op dat (de toiletten van?) het Utrechts station kennelijk een ontmoetingsplaats was. Hij gaf zijn medewerkers opdracht daar te posten. Met succes, want drie provinciale hoofdverspreiders, C. Streef, A. Speelman en E. Speelman, konden na een schietpartij worden ingerekend. 44 Hoewel A. Speelman en Streef kort na hun aanhouding ontsnapten - een knokploeg bevrijdde de zwaargewonde Streef uit het ziekenhuis van Den Bosch - zette Gottschalk door en slaagde erin nog meer Trouw-medewerkers op te pakken. Aldus kwam hij gaandeweg de hele organisatie op het spoor. De arrestantenlijst groeide. Op 23 december 1943 kon de Amsterdamse verspreidingsgroep worden opgerold. Alle arrestanten, ruim veertig, werden overgebracht naar Haaren. Tot zijn ergernis lukte het Gottschalk niet het blad het zwijgen op te leggen. Integendeel, “Trouw” bleef, zelfs in een steeds grotere oplage, verschijnen. In juni 1944 liet hij een arrestant vrij met de opdracht W.P. Speelman op te zoeken en hem een ultimatum te overhandigen. Speelman moest een brief ondertekenen waarin hij verklaarde te zullen stoppen met het drukken en verspreiden van “Trouw”. Deed hij dat niet, dan zouden de gevangenen in Haaren ter dood worden gebracht. Het ultimatum liep op 9 augustus ’s morgens om 10 uur af. Hoewel de officiële dagbladen al op de ochtend van 9 augustus meldden dat de 23 doodvonnissen waren voltrokken, gebeurde dat in werkelijkheid pas op de avonden van 9 en 10 augustus. 45 Mejuffrouw M. Bruynen, geruime tijd hoofdverspreidster van “Trouw” in Limburg en verloofd met een van de arrestanten in Haaren, nam deel aan het Trouw-beraad waar een beslissing moest worden genomen: “Augustus 1944: een grote groep van Trouw is overgebracht van Haaren naar Vught. Groot rumoer, een van de gevangenen is vrijgelaten, zogenaamd ontsnapt. Wij meden hem, vonden het verdacht. Hij bracht een ultimatum mee. Wim Speelman moest tekenen dat hij de druk en verspreiding van Trouw zou laten stoppen. Ik kan me de vergadering in Amsterdam nog heel goed herinneren: een nachtmerrie. Ik moet zeggen dat de redactie het volkomen aan ons overliet. Uiteindelijk is er unaniem besloten niet te tekenen. Wij hadden altijd gepreekt niet te wijken voor terreur; nu wij er zelf voor stonden konden wij niet anders. De volgende morgen ging ik met tante Lien (mejuffrouw G.H.J. van der Molen, auteur) naar onze advocaat, De Pont, die ik ook ingeschakeld had voor Jan (J.W.H. Penning, een der gefusilleerden, verloofd met mejuffrouw Bruynen, auteur) en Joop (J. Spits, hoofdverspreider in de provincie Utrecht, eveneens gefusilleerd, auteur). Hij gaf me het persbericht met de lijst van gefusilleerden. Ze waren al gefusilleerd vóór het ultimatum afgelopen was. Dat staat nergens vermeld”. 46
Door de arrestaties waren W.P. Speelman c.s. genoodzaakt wijzigingen aan te brengen in het verspreidingsapparaat. In vrijwel alle provincies moesten nieuwe hoofdverspreiders worden aangesteld. Op voorstel van Speelman werd bovendien een landelijke koeriersdienst ingesteld. Vanaf september 1944 gaf de leiding van “Trouw” dagelijks een nieuwsbulletin uit, waarvan de totale oplage weldra 350.000 exemplaren bedroeg. Tot vlak voor de bevrijding moest de organisatie verliezen blijven incasseren. Op 27 januari 1945 viel dominee H.R. de Jong uit Venlo, die in 1944 naar Amsterdam was gekomen en een belangrijke rol in de plaatselijke verspreidingsorganisatie speelde, in Duitse handen. Hij werd op 12 februari in Haaren geëxecuteerd. Ook W.P. Speelman ontkwam niet aan arrestatie. Hij verscheen op 17 februari met negen anderen voor een executiepeloton. In totaal lieten ongeveer 120 medewerkers van “Trouw” het leven. 47

II.4.1. Trouw: Limburg

Zoals in paragraaf II.1.1. is vermeld, werd de verspreiding van “Vrij Nederland” in Limburg grotendeels georganiseerd door de oud-Maastrichtenaar J.C. Pellicaan en A.H. van Mansum. Na de breuk met W.P. Speelman c.s. bleven zij de krant trouw, zodat wat de distributie van V.N. in deze provincie betrof alles bij het oude bleef. Twee medewerkers van Speelman, A. Speelman en C.A. van der Hooft, hielden zich, voordat de wegen zich scheidden, eveneens met de verspreiding van V.N. in het zuiden en oosten van het land bezig. Vermoedelijk bezocht Van der Hooft toen al af en toe Limburg en beschikte hij op zijn minst over twee verspreiders in Heerlen, P. Janssen en H. Reevers, een jeugdvriend van Van der Hooft. Vaststaat dat Janssen na de breuk met V.N. de distributie van “Trouw” in Zuid-Limburg op zich nam. 48
Niet Van der Hooft, maar mejuffrouw M. Bruynen uit De Bilt werd de vaste contactpersoon van de Trouw-groep met Limburg. Van der Hooft had haar in de nazomer van 1942 via haar zwager ontmoet en gevraagd deel te nemen aan de verspreiding van V.N. Over het begin van haar illegale loopbaan schref ze: “Cor (Van der Hooft, auteur) gaf mij les hoe een goede verspreider moest werken (...). Niet zoals ik dacht zomaar kranten in brievenbussen gooien, maar onderverspreiders zoeken en zo je aantal uitbreiden”. 49 En over de breuk met V.N.: “Waarschijnlijk eind 1942 of begin 1943 kwam Cor uitleggen dat er problemen waren. De redactie en leiding van de verspreiders waren het oneens over de organisatie van de verspreiding; vanuit de redactie zou een lijst met namen gevraagd zijn om inzicht te krijgen hoe de verspreiding van Vrij Nederland plaatsvond en dat was geweigerd. Er waren ook nog meningsverschillen over de artikelen, maar volgens Cor was dat van minder belang. De breuk was er helaas. Vanuit de periferie kon je gelijk of ongelijk niet beoordelen. Met gemengde gevoelens bleef ik werken voor de groep waartoe ik behoorde volgens mijn gevoel, want de contacten waren heel intens in oorlogstijd. Op deze manier ging het grootste gedeelte van de landelijke verspreiding van Vrij Nederland over naar Trouw”. 50
Begin 1943 bezocht Van der Hooft mejuffrouw Bruynen. Zij had haar studie aan de universiteit van Utrecht in verband met de loyaliteitsverklaring inmiddels afgebroken. Hij gaf haar en een kort tevoren bij haar ingetrokken vriendin uit Leiden, P. Spits, in overweging zich volledig te gaan inzetten voor “Trouw”. “Cor stelde voor dat Nel (P. Spits, auteur) en ik ook een zwervend bestaan gingen leiden, net als hij, werkend voor Trouw, nu studeren toch onmogelijk was en thuis blijven een gevaar inhield opgepakt te worden”. 51
Aanvankelijk was de Achterhoek, waar Van der Hooft hen op verschillende adressen introduceerde, het werkterrein van de twee vriendinnen. “Heel kort, hooguit een of twee weken bleven we in de Achterhoek toen Cor na een weekend-vergadering met de redactie terugkwam en ons meenam naar Limburg, wat onze definitieve bestemming werd. Hij maakte ons wegwijs en bleef onze contactman (....). Het begin was moeilijk. Wij fietsten met ons drieën door Limburg. Het grote probleem was het slapen. Cor zei, altijd optimist, oh, daar kunnen we wel slapen, maar drie was veel en meisjes waren toch een groter probleem voor het gastgezin dan mannen. Na een paar moeilijke weken liep dat beter, bovendien waren we toen meestal samen. Cor was in andere oorden (...). Ons huiselijkste adres om bij te komen was het gezin van Anna en Henk Reevers in Heerlen (...). Hun vriendschap en gastvrijheid was heel bijzonder (...). De grote verspreider in mijn tijd van Heerlen en omgeving was Pierre Janssen (...). In die tijd ontmoette ik ook een katholieke pater in Heerlen via Pierre, dacht ik, de dikke pater noemdem we hem (mogelijk pater Beatus van Beckhoven, auteur). Ik zie hem nog zijn bundeltje kranten achter in zijn hals in zijn pij stoppen”. 52
Al spoedig werd “Trouw” op grote schaal in Zuid-Limburg en korte tijd later ook in de rest van de provincie verspreid. De woning van C.H.J. Putters in Heerlen werd het nieuwe centrale Trouw-adres en de woning van M.J.H. Edelhausen deed dienst als afhaaladres. Naast acht vaste verspreiders namen ook L.O.-ers, K.P.-ers, hulpverleners aan joden zoals dominee G.J. Pontier en helpers van geallieerde vluchtelingen aan de distributie in de regio Heerlen deel. De situatie in de rest van de provincie week nauwelijks af van de Heerlense. In Maastricht trad L.M.G. Ubachs op als hoofdverspreider. Medewerkers van de plaatselijke L.O. haalden de kranten op bij P. Janssen in Heerlen. Sinds mei 1943 gaf mejuffrouw E. Urlings leiding aan de distributie in de regio Vaals. Ze werd bijgestaan door zeven verspreiders. Aanvankelijk bezorgde E. Bakker, hoofdverspreider voor Sittard en Zuid-Limburg, haar 200 exemplaren. Kapelaan W.P. Wermeling uit Vaals had die verbinding tot stand gebracht. Weldra ontving ze 2.000 tot 3.000 exemplaren per maand. Als Bakker of zijn opvolger Th.J.M.A. Hennekens verhinderd waren, ontving ze de kranten van Hennekens’ koerierster mejuffrouw M.E. Busch. In een latere fase haalde ze de kranten ook zelf op in Maastricht, een steenfabriek in Echt of in het Twentse Markelo. Tot haar vertrek naar Bemmel in mei 1944 bleef ze voor “Trouw” werken. Nadien namen familieleden het werk over. De verspreiding in Beek stond tot april 1944, toen W. Mulder het werk overnam, onder leiding van R.M.A.H., Th.J.M.A en E. Hennekens. Ze kregen onder anderen steun van M.A. de Dreu en K. Koers uit Geulle. Tot de jaarwisseling van 1943-1944, toen Th. Hennekens de verspreiding in Zuid-Limburg op zich nam, bracht Bakker de kranten.
Koers verleende evenals Bakker en mejuffrouw Bruynen hulp aan geallieerde vliegeniers (zie hoofdstuk IV, paragraaf VIII). Dank zij de hieruit ontstane verbindingen met Belgische illegale werkers kon “Trouw” ook in de Belgische grensstreek verspreid worden. J.A.F. Kortleven en J. Houben uit Uikhoven, bijgestaan door vijf Belgische verspreiders, speelden hierbij een centrale rol. Zij leverden op hun beurt Belgische illegale bladen aan Bakker en Koers die aan de leiding van “Trouw” werden doorgegeven. Na verloop van tijd nam Koers de verspreiding van de krant in de dorpen van westelijk Zuid-Limburg voor zijn rekening. Zelfs in de kleinste dorpen en gehuchten beschikte het blad over verspreiders. Terwinselen, Mechelen en Eys-Wittem telden er bijvoorbeeld elk twee; Heer, Wahlwiller, Schinnen, Simpelveld, Gulpen en Borgharen, waar burgemeester mr. E.H.A.M. Meijer, een neef van Nationaal-Front-leider Arnold Meijer, verantwoordelijk was voor de verspreiding, elk één. 53
Over haar ervaringen in Zuid-Limburg schref mevrouw Ten Bruggencate-Bruynen: “Wij waren veel in Beek bij make Hennekens, moeder van René en tante van Theo. In Vaals een meisje, Els (Urlings, auteur). Heel goed herinner ik me een klein huisje in Heer waar een oud-koloniaal woonde die ons altijd met veel enthousiasme verwelkomde. In Gulpen bij een weduwe met de boomgaard was het goed pruimen en vlaai eten. Dan was er daar in de buurt ook een molenaar met een dochter waar wij altijd konden eten”.54
De verspreidingsorganisatie in Zuid-Limburg, die door Van der Hooft, mejuffrouw Bruynen en mejuffrouw Spits was opgebouwd, werd geperfectioneerd door de al eerder genoemde E. Bakker. Mevrouw Ten Bruggencate-Bruynen schref hierover: “Nel is na een paar maanden weer teruggegaan naar De Bilt, naar mijn ouders, vooral op verzoek van haar broer Joop. Hij studeerde indertijd als indoloog en had via mijn ouders een kamer gevonden in De Bilt en werkte ook voor Trouw. Hij maakte zich grote zorgen over Nel; vond haar erg nerveus. Hij heeft haar kunnen overtuigen met het oog op haar ouders, die beide in Japanse gevangenschap verbleven. Een in de vuurlinie was genoeg. Nel is gezwicht. Ik heb haar erg gemist, maar het was zo inderdaad beter. Cor zocht een nieuwe maat voor me en dat werd Nico”. 55 Nico was de schuilnaam van E. Bakker, een beroepsmilitair uit Drenthe, die in mei 1941 was aangesteld als grensbeambte in Beek. In het voorjaar van 1943 dook hij onder. Mevrouw Ten Bruggencate- Bruynen: “(...) In mijn tijd was hij al zwervende in het zuiden van Limburg. Wij organiseerden samen het ophalen. Ik dacht dat Cor er ook meestal bij was. De verspreiding in Limburg verdeelden we: Nico deed het zuiden en ik het noorden, al hielden we ons niet aan strakke grenzen”. Bakker trok in bij het echtpaar Koers. 56
Mejuffrouw Bruynen verlegde haar werkterrein dus naar het midden en noorden van de provincie. Het favoriete contactadres van Bakker was mevrouw E. Koning-Hoogenbergh in Echt. Naast J.H.M. Urlings die het blad per auto vervoerde en verspreidde, telde Echt twee vaste verspreiders. In vrijwel alle kleine en grotere plaatsen in Midden-Limburg beschikte “Trouw” over een of meer verspreiders. Veelal waren dat L.O.-ers of helpers van geallieerde vluchtelingen. Roermond ontwikkelde zich dank zij het echtpaar Bronckhorst tot een distributiecentrum. Het echtpaar slaagde er in de zomer van 1943 in - eerdere pogingen elders in de provincie hadden telkens weer schipbreuk geleden, zodat de krant onder meer uit Apeldoorn, Markelo en Eibergen moest worden aangevoerd - de broers M.H. en H.J. Pollaert en J. Pollaert-van Riel over te halen het blad te drukken.
Aan dit werk namen naast Bakker en mejuffrouw Bruynen ook Van der Hooft, A. Speelman en de vaste Trouw-drukker H. Veldhuis uit Meppel deel. Tijdens hun verblijf in Roermond overnachtten ze bij Bronckhorst. Vijf leden van de zogeheten “loodploeg” brachten het zetsel, dat gemiddeld tussen de 200 en 300 kilo woog, tegen het weekend naar Roermond. De loodploeg, bij het werk betrokken door J. Spits, bestond uit acht in krachtsport geoefende Indische studenten uit Leiden, die onafgebroken met de zetsels heen en weer zeulden. Het papier werd in een vrachtauto of per koerier aangevoerd. Op zaterdagmiddag brachten de medewerkers het zetsel in gereedheid en om tien uur ’s avonds begon het drukken. De Roermondse oplage bedroeg tienduizend exemplaren. Op zondagmiddag werden de kranten in pakketten van 500 stuks verpakt en naar Bronckhorst gebracht. Vandaar werden ze over de provincie verdeeld. Mejuffrouw Bruynen, P.A. Alers, C.J. Dekker, H. Zormar en anderen belastten zich met de plaatselijke en regionale distributie. Na de arrestatie van het echtpaar Bronckhorst op 9 mei 1944 en H.J. Pollaert precies een maand later kon “Trouw” niet meer in Roermond gedrukt worden en moest de krant weer van buiten de provincie worden aangevoerd. Voortaan bedroeg het voor Limburg bestemde aantal kranten net als vóór de zomer van 1943 vijfduizend exemplaren. Roermond bleef wel het centrale distributiepunt voor Noord- en Midden-Limburg. 57
In het noorden van de provincie verliep de verspreiding grotendeels via de L.O. In Venlo namen er onder anderen dominee H.R. de Jong, zijn buurman W.H. Berbers, leden van de familie Coehorst en W. van Boekhold aan deel. J.G. van de Ven trad op als hoofdverspreider in Sevenum en kapelaan P.R.E.J. Miedema in Gennep. 58
Mevrouw Ten Bruggencate-Bruynen schref over haar ervaringen in Gennep: “(...) een jonge kapelaan (Miedema, auteur), groot muziekliefhebber. Hij had een prachtige vleugel. Ik heb er Cor de Groot ontmoet (een componist en pianist, auteur), die er toen ondergedoken was. “Jullie schrijven heel lelijk over ons”, zei hij, “net of wij misdadigers zijn”. Hij doelde op de leden van de Kultuurkamer. Zulke discussies waren heel moeilijk: in de praktijk dat principiële verzet verdedigen, wanneer je met de neus gedrukt wordt op de persoonlijke en gezinsproblemen. Toch behoorde het ook tot onze taak”. 59
Na de arrestaties op het centraal station van Utrecht in september 1943 gaf Van der Hooft te kennen zich uit de Trouw-groep te willen terugtrekken. Hij had het gevoel dat de Duitsers hem op de hielen zaten. Bovendien maakte hij snel carrière in de Westbrabantse L.O. en K.P. Na het wegvallen van Van der Hooft bood J. Spits mejuffrouw Bruynen aan haar behulpzaam te zijn bij het vervoer van de kranten naar Limburg. In Apeldoorn bemerkte hij bij het instappen van de trein dat er gecontroleerd werd. Meteen draaide hij zich om en zei tegen mejuffrouw Bruynen dat ze zich uit de voeten moest maken. Zij slaagde erin te ontsnappen, voor hem was het te laat. Naar aanleiding van dit voorval achtte men het beter dat ze niet langer in Limburg werkte. Eind 1943 of begin 1944 verlegde mejuffrouw Bruynen haar werkterrein daarom naar Nijmegen, Arnhem en de Achterhoek. Bakker bleef in Limburg. Na een ingrijpende wijziging van het landelijk verspreidingsapparaat nam H. Sol in de loop van 1944 de leiding over de provincies Noord-Brabant en Limburg op zich. 60 Voor de distributie in Limburg was dat overigens van geen betekenis. Bakker werkte met een uitstekend functionerende verspreidersgroep. Tot de komst van de geallieerden in september 1944 verliep de verspreiding probleemloos.

II.5. Je Maintiendrai: Landelijk

In februari 1943 besloten een groep uit Santpoort die het “B.C.-nieuws” (Burgerlijk Contact-nieuws) uitgaf en een groep voormalige Unie-leden uit Utrecht die “Het Bulletin” uitgaf te gaan samenwerken. Kort tevoren, in januari, was de naam “B.C.-nieuws” gewijzigd in “Je Maintiendrai” (J.M.). Dit werd ook de naam van de nieuwe krant. De Bulletin-groep bepaalde voor een groot deel het redactioneel beleid. De redactie, bestaande uit de voormalige Bulletin-redacteuren mr. C. Vlot en J.E.W. Wüthrich, de katholieke journalist F.J.M. Oremus en de student K. Viehoff, was evenwel heterogeen van samenstelling: zowel protestanten, katholieken als humanisten maakten er deel van uit en werkten harmonieus samen. Het gedachtengoed van de Nederlandsche Unie klonk nadrukkelijk door in de nieuwe krant: nationale eenheid, een krachtige regering, de beeïndiging van de verzuiling en het streven naar één partij (J.M. was naderhand nauw betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging) en één vakbond. De redactie en de grote staf van medewerkers waren voorstanders van de doorbraakgedachte en het personalistisch socialisme, een vorm van socialisme gebaseerd op de eerbied voor de menselijke persoonlijkheid. Op een zakelijke en objectieve toon bracht J.M. nieuws en actuele voorlichting en trachtte het blad een toenadering tussen de verschillende illegale groepen te bevorderen. Voorts werd plaats ingeruimd voor bijdragen van het Nationaal Comité, een illegaal overlegorgaan van vertegenwoordigers van de grote politieke stromingen. In politiek opzicht stond J.M. rechts van bladen als V.N. en “Het Parool”. Vergeleken met “Het Parool” sloeg J.M. een veel minder kritische toon aan. Het blad pleitte voor een vastberaden, passief verzet. Veel van de denkbeelden werden nader uitgewerkt in een aantal brochures.
J.M. verscheen meestal elke twee weken, aanvankelijk gestencild. Vanaf juli 1943 werd de krant gedrukt in Leeuwarden. De oplage steeg in de loop van de tijd van 9.000 naar 40.000 exemplaren. Vanuit Leeuwarden verscheepte men de kranten naar Utrecht en vandaar werden ze door een groep Utrechtse studenten over het land verspreid. Met moeite kwam men de arrestatiegolf die de verspreidersorganisatie in juli 1943 trof te boven. Veel ernstiger was de tweede klap in augustus 1944. Deze arrestaties waren een gevolg van de nauwe samenwerking met het eveneens zwaar getroffen “Christofoor” (zie paragraaf II.7). De Duitsers ontdekten het J.M.-centrum in Utrecht en arresteerden de redacteuren Vlot en Wüthrich. Op 26 oktober 1944 werden ze gefusilleerd als represaille voor een in Haarlem gepleegde aanslag. P.J. Schmidt en G. Ruygers namen de opengevallen plaatsen in. Het centrum werd van Utrecht naar Amsterdam verplaatst. In september 1944 ontstonden mede vanwege de landelijke spoorwegstaking ernstige problemen met de verspreiding. Men verloor het contact met de drukkerij in Leeuwarden. Pas midden oktober waren de problemen enigszins opgelost. Sindsdien verschenen met name in Friesland en het westen van het land onder verschillende namen regionale edities, die qua inhoud nauwelijks van elkaar afweken. In november 1944 kwam het blad weer onder de oorspronkelijke naam uit. Een drukker in Noord-Holland verzorgde voortaan de uitgave. Elders bleven regionale edities verschijnen die overigens weinig afweken van de Amsterdamse hoofdeditie. 61

II.5.1. Je Maintiendrai: Limburg

De verspreiding van “Je Maintiendrai” in Limburg berustte voornamelijk bij voormalige Unie-leden en L.O.-ers. J. Teunissen, student in Wageningen, leidde met steun van zijn in Venray woonachtige vader de distributie in het noorden van de provincie. Tot de jaarwisseling van 1943-1944 haalde Teunissen jr. de kranten in Utrecht op. Nadien reisde hij naar Zwolle. Daar ontving hij J.M. in grotere aantallen. Vanaf oktober 1944 kreeg hij vanwege de distributieproblemen uitsluitend de kopij van een van de regionale edities. De inhoud werd overgetypt en in een oplage van 500 stuks gestencild. Of de originele editie Limburg nog bereikte is onzeker. Voorts verspreidde Teunissen sinds de zomer van 1943 het twee keer per week verschijnend blad “De Vrije Nieuwscentrale”, in maart 1944 omgedoopt in “Vrije Omroep Dienst” (V.O.D.), een twee à drie keer per week uitkomend gestencild berichtenblad dat als een nevenuitgave van J.M. kan worden beschouwd. 62
In Roermond hielden onder anderen het echtpaar Bronckhorst, gemeente-archivaris M.K.J. Smeets en H.H. Baghus, eigenaar van een sportzaak aan de Steenweg, zich met de verspreiding bezig. Baghus speelde een gedeelte van de kranten door aan verspreiders in de Roerstreek zoals mejuffrouw H.M. Moors in Herkenbosch en L.J. Lucassen in Vlodrop. 63 Smeets - wellicht ook de anderen - ontving J.M. afwisselend per post en per trein van A.H. Simonis uit Sittard, een van de hoofdverspreiders in Limburg. Zowel Simonis als pater M.H. van Rooy uit Sittard en gemeente-ambtenaar Th.J.M. Gijsen schreven stukjes voor de krant. Gijsen leverde bijdragen onder het pseudoniem “Brassé”. De verspreiding in Sittard en omgeving liep via de plaatselijke illegaliteit. 64
In en rond Brunssum was ir. F.C.M. Wijffels verantwoordelijk voor de distributie.65 Vermoedelijk speelde hij evenals Simonis een centrale rol en schakelde hij overal in de provincie vrienden, kennissen en oud Unie-leden in. Wijffels had een vooraanstaande functie in de provinciale organisatie van de Nederlandsche Unie bekleed. De Maastrichtse gemeente-archivaris dr. A.H.M.C. Kessen stond aan het hoofd van de distributie in met name het oostelijk deel van Zuid-Limburg. 66 De familie Urlings in Vaals ontving via de Haagse advocaat mr. H. Aa exemplaren van de krant. 67 Een ander deel bereikte Limburg per binnenvaartschip. De Maastrichtse L.O.-er J.A.J. Janssen haalde bijvoorbeeld pakketten op in de haven van Borgharen. Bij de verspreiding in en rond Maastricht waren naast L.O.-ers ook dr. J.G.H. Tans en de heer Krekelberg betrokken. 68 Het is niet bekend of zij de kranten van Janssen ontvingen.
“Je Maintiendrai” bereikte Limburg dus via uiteenlopende kanalen. Van een centraal geleide of onafhankelijke distributie was geen sprake. De bestaande verbindingen met de georganiseerde illegaliteit garandeerden een regelmatige verspreiding, die evenwel niet de intensiteit bereikte als die van “Vrij Nederland”, “Het Parool” en “Trouw”.

II.6. Ons Volk: Den Vaderlant Ghetrouwe

Twee studenten, W. Eggink uit Utrecht en G.H. Gelder uit Leiden, namen het initiatief tot de oprichting van “Ons Volk: Den Vaderlant Ghetrouwe”, kortweg “Ons Volk”. In de zomer van 1943 hadden zij deelgenomen aan een discussie tussen studenten en pas afgestudeerden over de wenselijkheid een nieuwe illegale krant uit te geven. De krant zou door een grote oplage en een populaire stijl de grote massa van het Nederlandse volk moeten bereiken. De discussie verzandde toen bleek dat men het niet eens kon worden over de grondslagen van het nieuwe blad. Eggink en Gelder besloten toen hun eigen weg te gaan. Hun voornaamste bezwaar tegen de andere illegale bladen was dat die het verzet onvoldoende stimuleerden en de verspreiding te zeer beperkt bleef tot bepaalde bevolkingsgroepen. Daarin moest de nieuwe krant verandering brengen. “Ons Volk” werd een uitgesproken verzetsblad met veel actuele foto’s, inside-informatie uit overheidskringen, nationaal en internationaal nieuws en humor.
De eerste, in drie plaatsen gedrukte editie verscheen op 7 oktober 1943 in een oplage van 55.000 stuks. Door hun contact met het studentenverzet en door de hulp in te roepen van de verspreidersorganisatie van het blad “Verzet” lukte het Eggink en Gelder “Ons Volk” in grote delen van het land op ruime schaal te verspreiden. Daarbij werd voornamelijk gebruik gemaakt van koeriers en binnenvaartschippers. De maandelijks verschijnende krant - vanaf september 1944 kwam het blad twee keer per maand uit -werd uitermate populair. De oplage steeg uiteindelijk met hulp van enkele nieuwe drukkers tot 120.000 stuks.
De verbinding met de Parool-groep via het blad “Verzet” werd de twee voormannen van “Ons Volk” noodlottig. Op 21 januari 1944 sloeg de Sipo in een gecoördineerde landelijke actie toe. Gelder kwam dezelfde dag in Den Haag om het leven. Eggink overleed in april 1945 in het tuchthuis te Hameln. Mr. D.C.B. Mesritz, oprichter van het aan “Ons Volk” gelieerde blad “De Toekomst” nam de leiding op zich, maar ook hij viel op 16 mei 1944 in Duitse handen. Hij overleed op 16 maart 1945 in het kamp Rathenau. Uit de kring van medewerkers rond de hiervoor genoemde drie ontstond een nieuwe kern die de uitgave tot mei 1945 voortzette. 69
Een van de leiders van het landelijk studentenverzet, de Limburger J.F.H.M. van Hövell van Wezeveld en Westerflier, bracht F.J.K. Russel uit Tegelen in de zomer van 1943 in contact met de Utrechtse student F.H. Sobels, die in verbinding stond met de twee redacteuren van “Ons Volk”. Hij verzocht Russel in het najaar de verspreiding in Noord-Limburg te organiseren. Russel ontving maandelijks tussen de vijfhonderd en duizend exemplaren. Bovendien bezorgde Sobels hem enige tijd exemplaren van twee aan “Ons Volk” gelieerde bladen, “De Toekomst” en “Het Vaderland”. In “De Toekomst”, dat afwisselend een of twee keer per twee maanden uitkwam en werd uitgegeven op initiatief van mr. D.C.B. Mesritz, verschenen voornamelijk artikelen over naoorlogse vraagstukken. “Het Vaderland”, uitgegeven door de Haagse tak van “Ons Volk”, richtte zich op een duidelijke doelgroep. Deze onregelmatig verschijnende krant beoogde een tegenwicht te bieden aan de nationaal-socialistische propaganda waaraan de Nederlandse arbeiders in Duitsland blootstonden. Russel gebruikte de kanalen van het Außenministerium, waar hij zelf voor werkte, om het blad over de grens te smokkelen en in Duitse grensplaatsen per post te laten verzenden naar via kerkelijke organisaties verkregen adressen. Bij de verspreiding in Noord-Limburg deed hij een beroep op zijn relaties in de L.O. De kranten haalde hij op bij mejuffrouw M. Noëll in Roermond - haar woning deed dienst als centraal afhaaladres - of het Roermondse N.S.-depôt. Klaarblijkelijk fungeerde Roermond als distributiecentrum voor Midden- en een deel van Noord-Limburg. Op 1 mei 1944 deed de Sipo een inval in het bedrijf van Russels vader in Tegelen. Omdat zijn zoon onvindbaar was, nam men Russel sr. tien dagen in gijzeling. Vanwege dit voorval besloot Russel de verspreiding te staken.
Het voor Limburg bestemde deel van de kranten bedroeg maandelijks tussen de negen- en tienduizend stuks, verdeeld over kleine pakketten die in distributiecentra als Maastricht en Roermond werden afgeleverd. Aanvankelijk bracht Sobels een deel van de kranten met de trein naar het zuiden. Dat was niet van gevaar ontbloot. Door het gegoochel met koffers in de treinen raakte hij er in totaal zes kwijt. Ook werd hij wel eens voor kofferdief aangezien. Het liep echter steeds met een sisser af. Bij aankomst in bijvoorbeeld Maastricht nam een koerier de koffer van hem over. In de eerste maanden van 1944 kreeg Sobels op zijn reizen naar Limburg hulp van P.A.W. Laseur. Deze haakte alweer spoedig af, zodat Sobels op zoek ging naar een andere verzendmethode. In het vervolg verstuurde hij een deel per post naar de Roermondse vestiging van de beurtschippersfirma “Janssen Boten” die hij verzocht de pakketten tijdelijk op te slaan. Vervolgens reisde hij naar Roermond om ze op te halen. 70
J. Vaessen uit Berg aan de Maas verspreidde de krant in de Maasdorpen tussen Maasbracht en Geulle. J.H.M. Puts uit Maasbracht zond hem, met medewerking van een P.T.T.-beambte, elke maand vierhonderd exemplaren. Door de hulp aan onderduikers was Puts in het najaar van 1943 in contact gekomen met Sobels die hem sindsdien achthonderd exemplaren per post toezond, soms als drukwerk van de N.S.B. Bij de verspreiding maakte Puts gebruik van het door hem zelf opgebouwde deel van het distributienet van “Vrij Nederland”. Voorts schakelde hij ir. E.H.G. Moors en F. Beek uit Maasniel in. 71
Sinds eind 1943 bezorgden J. van Mansvelt en J.C. Woestenburg matrijzen van “Ons Volk” in Gennep, waar de krant op de drukpersen van H. Janssen werd gedrukt. Over de oplage staan ons geen gegevens ter beschikking, maar vaststaat dat de Gennepse editie door onder anderen A.J.H. Loeffen, kapelaan P.R.E.J. Miedema en talrijke L.O.-ers tot in de wijde omtrek werd verspreid. Een aanzienlijk deel werd in dienstenveloppen van overheidsinstanties verstuurd. 72

II.7. Christofoor: voor God en Vaderland

In 1942 begon de gemeente-ambtenaar L.F.W. Jansen uit het Utrechtse IJsselstein met de uitgave van “Christofoor“, een klein plaatselijk verzetsblad. Door arrestaties en huiszoekingen viel zijn groepje begin 1943 uit elkaar. Medio 1943 kwam de rondzwervende Jansen in aanraking met mr. C.J.A.M. ten Hagen, drs. W. van Kempen en V.A.M. Beermann, allen uit Nijmegen, en via hen met drs. W.J. Schuijt uit Amsterdam. Gezamenlijk hervatten ze de uitgave van “Christofoor”, dat zich weldra ontwikkelde tot een opinieblad voor vooruitstrevende katholieke jongeren. Beermann haakte spoedig af, hij dook in september 1943 onder. “Christofoor” bouwde voort op het gedachtengoed van de Nederlandsche Unie en streefde een doorbreking van het isolement van de Nederlandse katholieken en daarmee de afschaffing van het zuilensysteem na. Het blad wenste af te rekenen met verouderde politiek-maatschappelijke tegenstellingen en zag geen heil in de heroprichting van de R.K.S.P. na de oorlog. Daarnaast hekelde het blad de gevolgen van de bezetting en gaf richtlijnen hoe men zich te weer kon stellen tegen het nationaal-socialisme. Collectief geweldloos verzet was volgens het blad een geijkt middel. De Sipo reageerde jegens “Christofoor” anders dan ten aanzien van de meeste andere landelijke verzetsbladen, namelijk opvallend gematigd. Omdat het de opbouw van het nationaal-socialisme in Nederland tegenwerkte, beschouwde men het blad echter wel als een verzetskrant. Volgens een rapport van de Duitse politie-autoriteiten aan Berlijn was het blad pacifistisch en waarschuwde het bovendien tegen individuele verzetsacties. Omdat de door “Christofoor” gevolgde lijn op hoofdpunten parallel liep met die van “Je Maintiendrai”, kwam het in 1944 tot een samenwerking tussen de twee kranten.
De eerste editie van het vernieuwde blad verscheen in september 1943 in een gestencilde oplage van 25.000 stuks. Het blad kwam nu eens één keer in de twee maanden, dan weer één keer per maand uit. In oktober vond men een drukker in Groningen. Desondanks kostte het Jansen, die zich met de technisch-organisatorische kant bezighield, veel moeite het blad gedrukt te krijgen. Pas in maart 1944 beschikte men over voldoende drukkers. Vanuit Amsterdam brachten koeriers het zetsel naar zes drukkerijen in den lande. De oplage bedroeg weldra weer 25.000 stuks, zelfs iets meer. In september 1944 daalde de oplage tot 10.000, omdat de zuidelijke provincies als afzetgebied wegvielen. Tussen september en januari 1945 werd samen met “Je Maintiendrai” onder redactie van J. Tans te Maastricht een voor Zuid-Nederland bestemd berichtenblad uitgegeven in een oplage variërend van 3.000 tot 10.000 stuks.
Als gevolg van verraad van een Nijmeegse politie-inspecteur deed de Sipo op 11 augustus 1944 een inval bij Ten Hagen en Van Kempen. Ten Hagen was net bezig de pakketten met de nieuwste editie bestemd voor de onderverspreiders te adresseren. Een volledige adressenlijst viel in handen van de Sipo. Tussen de zeventig en tachtig personen werden gearresteerd. Enige van hen kwamen in gevangenschap om het leven. Van Kempen overleed ten gevolge van uitputting op 27 mei 1945 te Bergen-Belsen. Ten Hagen had geluk. Men wist hem vrij te kopen uit Vught. Op 11 september werd hij uit het kamp ontslagen. Hij verzorgde naderhand de legale editie van “Christofoor” in de bevrijde zuidelijke delen van het land, later ook in het oosten. In het nog bezette deel van Nederland stond drs. W.J. Schuijt sinds de arrestaties van 11 augustus aan het hoofd van “Christofoor”. 73
Vanzelfsprekend beschikte de katholieke Christofoor-groep zowel op redactioneel als op technisch-organisatorisch gebied over uitstekende verbindingen met Limburg. De in Sevenum ondergedoken prof. dr. J.E. de Quay en F.C. Wijffels schreven artikelen voor het blad. Ook beschikte de krant over redactionele medewerkers in Zuid-Limburg (drs. H.H. Schure) en Midden-Limburg (H. Meijer). Voor Noord-Limburg achtte men dat kennelijk niet nodig. Vanwege de nauwe banden die L.O.-vertegenwoordigers als G.A. Smals en J. Hendrikx met de Nijmeegse L.O. onderhielden bereikte de redactie voldoende informatie over dat deel van de provincie. 74
De 12.000 voor Limburg en vermoedelijk ook voor een deel van Gelderland en Noord-Brabant bestemde exemplaren werden sedert maart 1944 gedrukt in Swalmen. Deze verbinding was tot stand gekomen via de broers Joop en Jaap Ducrot uit Nijmegen. De twee waren via ir. W.J. Dewez in Roermond en door de hulp aan onderduikers - pater J.G. van Doormalen uit Nijmegen, die enige tijd in Maasbracht ondergedoken had gezeten, zorgde voor de introductie - in aanraking gekomen met J.H.M. Puts uit Maasbracht. Begin 1944 brachten ze hem een bezoek. Ze waren op zoek naar een drukker voor “Christofoor”. Puts verwees hen naar ir. E.H.G. Moors en F. Beek in Maasniel. Laatstgenoemde kwam na enig zoeken bij de Swalmense Handelsdrukkerij van G.J.L. Suilen terecht. Suilen was bereid het blad voortaan op zijn persen te drukken. Daarbij kreeg hij steun van J. Spekking uit Lichtenvoorde. Naar aanleiding van de arrestaties in de Christofoor-gelederen dook Suilen op 16 augustus 1944 onder. Daarmee kwam een einde aan de Swalmense “Christofoor”-editie.75
Het verspreidingsapparaat functioneerde dank zij de medewerking van de Limburgse L.O. voortreffelijk. Als hoofdkoeriers traden J.A. Dijker, mejuffrouw P. Peters, L.F.W. Jansen en W. van Kempen op. G.A. Smals had de leiding over de verspreiding in Noord-Limburg; de familie Coehorst, bijgestaan door talrijke L.O.-ers, in de regio Venlo en W. Houwen in de omgeving van Helden en Sevenum. In Roermond en Weert namen L.O.-ers de verspreiding voor hun rekening, in Maasbracht en omgeving uiteraard J.H.M. Puts, in Sittard A.H. Simonis en in het zuiden van de provincie eveneens L.O.-ers.76

II.8. Het Gastmaal: orgaan voor ondergedoken en gedeporteerde studenten

Over de ontstaansgeschiedenis van het blad “Het Gastmaal” bestaat enige verwarring. Uit de studie van L.E. Winkel over de Ondergrondse Pers komt naar voren dat het initiatief tot de uitgave zou zijn uitgegaan van Tilburgse studenten. 77 Volgens F.J.K. Russel uit Tegelen daarentegen stonden uitsluitend leden van het Venloos studentenclubje “Symposion” aan de wieg van “Het Gastmaal”.
Over de inhoud bestaan geen meningsverschillen. Er zijn namelijk een aantal nummers bewaard gebleven. Het blad beoogde het contact te onderhouden tussen de naar Duitsland gedeporteerde studenten en degenen die ondergedoken waren. Dat gebeurde onder meer aan de hand van opbeurende artikelen en negatieve beschouwingen over het nationaal-socialisme.
De redactie van “Het Gastmaal” zou hebben bestaan uit de studenten Russel, K.P.M. Ex, J. Peters en H.J.M. Seelen. Peters fungeerde min of meer als hoofdredacteur, omdat hij Nederlands studeerde. In juni 1943 verscheen de eerste editie. Russel verzorgde het typewerk. In de woning van de Venlose kruidenier K. Tabbers werd het blad gestencild, de oplage is niet bekend. “Het Gastmaal” verscheen zes maal. J. Peters die als grensganger werkte zorgde voor de verzending. Hij deed de krant in Goch op de bus. In Noord-Limburg zorgden L.O.-ers als H.A. Janssen voor de verspreiding. 78 Of de krant ook in andere delen van de provincie werd verspreid is niet bekend.

II.9. De Geus (onder studenten)

“De Geus”, evenals “Het Gastmaal” op studenten gericht, werd in oktober 1940 opgericht door de broers J. en H. Drion uit Leiden. Zij wilden de democratische waarden onder de Nederlandse studenten hooghouden en hun geestelijke weerbaarheid versterken. Zo hoopten ze de nazi-politiek te ondermijnen. In 1942 kwamen de broers in aanraking met het landelijk georganiseerd studentenverzet waardoor “De Geus” zich ontwikkelde tot een spreekbuis van alle studenten en uitgroeide tot een algemeen studentenstrijdblad. Vanaf het tijdstip dat de studentendeportaties begonnen werd het blad ook in Duitsland verspreid. Meestal kwam de krant elke maand in een telkens wisselende oplage uit, maar vanaf 1943 verscheen het blad onregelmatiger en minder frequent.
In de zomer van 1943 vroeg J.F.H.M. van Hövell van Wezeveld en Westerflier F.J.K. Russel de verspreiding van het blad in Limburg op zich te nemen. Voor de distributie van “De Geus”, evenals van “Het Gastmaal”, maakte Russel gebruik van L.O.-kanalen. Beide bladen werden door dezelfde personen verspreid. 79 K.P.M. Ex raakte er eveneens bij betrokken. Hij ontving pakketten op het station van Venlo van een hem onbekend persoon. 80 In Zuid-Limburg droegen enkele in Delft studerende Maastrichtenaren zorg voor de verspreiding. 81

II.10. De Ploeg

De inhoud van het maandelijks verschijnend blad “De Ploeg”, in juli 1943 door Groningse studenten opgericht, bestond voornamelijk uit beschouwingen over naoorlogse vraagstukken. Dank zij de verbinding van J.R. van der Leeuw, een van de leiders van het verspreidingsapparaat, met “Ons Volk” kwamen medewerkers van “De Ploeg” in contact met personen in Maastricht en Roermond. Wie verantwoordelijk waren voor de verspreiding in deze en wellicht ook andere plaatsen in Limburg is niet bekend. 82

II.11. Op Wacht: voor God-Nederland-Oranje

Het blad “Op Wacht” werd sedert januari 1944 in Den Haag gestencild en beoogde de Nederlandse bevolking op christelijke grondslag voor te lichten en de financiële lasten van onderduikers en hun achtergebleven gezinnen te verlichten. Het twee keer per week en vanaf medio juli 1944 wekelijks verschijnende blad bevatte artikelen, nieuws en binnenlandse berichten en werd ook in Limburg verspreid. 83 Een niet bij naam bekende inwoner van Roermond kreeg vanuit Den Haag en Rotterdam het verzoek de distributie in Limburg te organiseren. In hoeverre hij daarin slaagde is niet bekend. Hij ontving telkens driehonderd tot vierhonderd exemplaren. 84 De Maastrichtenaar A. Creemers haalde regelmatig een onbekend aantal exemplaren op bij de heer Simonis in Den Haag. Met zijn plaatsgenoot K.A. Lindelauff verspreidde hij de kranten in Maastricht en omgeving. 85

III. Limburgse illegale pers

Tijdens de bezetting verschenen in Limburg tientallen regionale en plaatselijke verzetskrantjes met van de radio overgenomen nieuws. Een partijpolitieke strekking hadden deze blaadjes niet. Vooral in de tweede helft van 1944, toen de behoefte aan nieuws het grootst was en de toch al karige informatiestroom opdroogde, namen overal in de provincie personen het initiatief de plaatselijke bevolking van nieuws te voorzien. De meeste van die bladen hadden geen naam en de oplage was gering, zeker als ze met de hand geschreven waren. Sommige verschenen gedurende enkele maanden, andere slechts enkele weken. Het is zelfs bij benadering niet aan te geven hoeveel van dergelijke krantjes zijn verschenen. Het is daarom niet mogelijk een volledige inventarisatie te maken van de Limburgse illegale pers. Bovendien verscheen al vóór 1944 een onbekend aantal bladen waarvan de naam, herkomst, periode van verschijnen, inhoud en oplage niet meer te achterhalen is. Slechts in een enkel geval lukte dat en dan nog maar ten dele. G.H. Bensen werkte in de herfst van 1940 mee aan de vervaardiging en verspreiding van de “Mijn”, een voor mijnbeambten en mijnwerkers bestemd verzetsperiodiek, dat op de vier Oranje Nassau-mijnen circuleerde. 86 Gereformeerden rond de Heerlense dominee G.J. Pontier gaven sedert 1942 een illegaal blad uit dat geen naam droeg.87 L.J. de Graaf, eveneens uit Heerlen, stencilde enige tijd een blad met nieuwsberichten van de B.B.C. en Radio Oranje. Hij verspreidde het in de regio. 88 Twee gemeente-ambtenaren uit Ulestraten typten eveneens een blad. Het verscheen in een beperkte oplage vanaf 1943 tot aan de bevrijding. 89 F. Freilich, een bij A.H. van Mansum in Maastricht ondergedoken jood, gaf een naamloos krantje uit met samenvattingen van de uitzendingen van Radio Oranje.90 F.J. Kroeze en P.W.A. Landman uit Eijsden maakten gebruik van dezelfde bron. Het gestencilde blaadje dat drie keer per week verscheen in een oplage van vijftig tot honderd exemplaren werd vermoedelijk vanaf 1943 in het uiterste zuiden van de provincie verspreid. 91 In Maasbracht raakte J.H.M. Puts al vroeg in de oorlog betrokken bij een krantje dat uitsluitend van de radio overgenomen berichten bevatte. Een schrijfmachine en papier ontving hij van de gemeente-ambtenaar H. Creemers. Puts zorgde zelf voor de verspreiding in de omgeving. 92 F. Beek en ir. E.H.G. Moors stencilden tussen 1943 en medio 1944 in de kelder van het P.L.E.M.-kantoor in Roermond een blaadje met berichten, overgenomen van radio Oranje. Het papier haalden ze op in het postkantoor van Roermond. 93 Van de persen van de drukkerij van A.G.J.H.M. Heijnen in Boxmeer rolde vanaf 1942 een illegaal streekblad dat door L.O.-ers in het district Vierlingsbeek - mogelijk ook daarbuiten - werd gedistribueerd. De zenuwarts W.J.F. Nuyens uit Boxmeer en G.A. Smals uit Vierlingsbeek leverden de kopij. Aanvankelijk bedroeg de oplage honderd, later vijfhonderd stuks. 94
Van sommige periodieken zijn de namen wèl bekend. De Maastrichtse gemeente-archivaris dr. A.H.M.C. Kessen en de eerste luitenant M.L.J.T. Immekeppel waren verantwoordelijk voor de gestencilde uitgave van “Vrijheid-Waarheid-Gerechtigheid”, een krant die in 1941 in de Limburgse hoofdstad verscheen. 95 Omtrent inhoud, oplage, verspreiding en verschijningsduur en - frequentie zijn geen nadere gegevens bekend. Vermoedelijk verscheen in Zuid-Limburg tussen maart en september 1944 “De Ondergrondse”, een blad dat dagelijks uitkwam en met de hand was geschreven. 96
De heer Weeckers uit Venlo vervaardigde het “Venloos Mededelingenblad”, waarvan ons nòch over de inhoud, nòch over de oplage en periode van verschijnen gegevens ter beschikking staan. L.O.-ers zoals J.M. Sieben hielpen bij de verspreiding. 97
In de volgende paragrafen worden verzetsbladen besproken die niet in de anonimiteit zijn verdwenen en die in andere hoofdstukken niet of zijdelings zijn genoemd. Wat betreft de communistische en links-socialistische bladen als “De Vonk”, “Glück Auf!” en “De Waarheid” verwijzen we naar hoofdstuk VIII. Aan “De Oranjekoerier”, een krant van de groep-Dresen, is in hoofdstuk II, paragraaf II.2. ruime aandacht besteed. Bij de behandeling van de Limburgse illegale pers zullen we zoveel mogelijk een chronologische volgorde aanhouden.

III.1. Oranje Post

Drie inwoners van Haelen, A.M.H. Mertens, M. Roumen en J.J.M.H. Schreurs, stencilden en tekenden in de zomer van 1940 pamfletten met kreten als “nieuwe orde, lege borden”. Ze bevestigden die ’s nachts op bomen, lantaarnpalen en aanplakborden. In september van dat jaar besloten ze een illegaal blad te gaan uitgeven. Ze noemden het “Oranje Post”. Het aanvankelijk getypte en naderhand gestencilde blad verscheen een keer in de twee weken in een oplage van maximaal tweeduizend exemplaren. De inhoud bestond uit internationaal nieuws, overgenomen van de B.B.C., lokale en regionale berichten over onder meer het doen en laten van de bezetter en de N.S.B. en opbeurende artikelen. Mertens schref en typte een groot deel van de copij. “Oranje Post” baarde van tijd tot tijd opzien in Midden-Limburg. De redacteuren slaagden er in de hand te leggen op een ledenlijst van de N.S.B. die ze prompt publiceerden. Tot verbazing van velen bevatte de lijst de naam van mr. P.J. Reymer, burgemeester van Roermond, die als geheim lid stond geregistreerd. In de editie van 21 september 1941 werd dit nieuwtje onder toevoeging van een bijtend cynisch commentaar openbaar gemaakt.
Na enkele verhuizingen vonden de redacteuren onderdak in “Carpe Diem”, het zomerhuisje van J.J.W. Simmelink uit Roermond in het bosrijke Leudal bij Nunhem. Hier werd “Oranje Post” voortaan vervaardigd. Het krantje omvatte tussen de twee en zes pagina’s waarvan de eerste pagina oranje was, als men er tenminste in slaagde oranje papier te bemachtigen. Drukker M.H. Pollaert uit Roermond leverde het benodigde papier. H. van de Beek, J.W. Roumen en enkele politiemannen uit Roermond onder leiding van W. Jole namen de verspreiding voor hun rekening. De redacteuren verzonden het blad ook per post in dienstenveloppen van de gemeente Haelen en het Bureau voor de Voedselvoorziening naar onder meer de Mijnstreek en Maastricht. Jole en Schreurs stonden bovendien in verbinding met leden van de groep-Dresen uit Maastricht. Laatstgenoemden verschaften hen niet alleen inlichtingen, maar begonnen tevens een eigen editie uit te geven, “De Oranje Koerier” (zie hoofdstuk II, paragraaf II.2.).
Eind 1941 dook Schreurs onder vanwege de arrestaties in de groep-Dresen. Toen Mertens in 1942 de ouderlijke woning verliet en naar Sevenum vertrok, zetten zijn broer, M. Mertens, en Roumen de uitgave nog enige tijd op bescheiden schaal voort. Na het vertrek van Roumen naar Zelhem in Gelderland, omstreeks mei 1942, hield “Oranje Post” op te bestaan. De overgebleven medewerkers waren van mening dat hun taak erop zat. De landelijke illegale pers bereikte inmiddels grote delen van de provincie. 98

III.2. Oranje Hagel

“Oranje Hagel”, dat in augustus 1941 voor het eerst uitkwam, werd vervaardigd door de Venlonaren H.H. Pollaert en L.P.C. Meyers. Het blad stelde zich ten doel de waarheid als oranje hagelstenen op de bezetter en zijn handlangers te laten neerkomen. De inhoud bestond uit tirades tegen de bezetter en de N.S.B. De aan het maken van het blad verbonden kosten werden gedekt door de Venlose accountant Winters. P. Kleuskens, directeur van de enveloppenfabriek “Holland”, leverde het papier. Meyers verstuurde een gedeelte van de oplage, die aanvankelijk 250 exemplaren bedroeg en uiteindelijk tot achthonderd uitgroeide, via de postkantoren van Venlo en Blerick. Een exemplaar van de tweede editie van september of oktober 1941 viel in handen van een N.S.B.-er, die het krantje aan de plaatselijke autoriteiten doorgaf. 99 In een rapport van 18 november 1941 aan de S.S.-leiding in Berlijn kwam “Oranje Hagel” kort ter sprake. Volgens dit rapport zette het in Venlo en Noord-Limburg circulerend blad zich af tegen de niet aflatende nationaal-socialistische propaganda en indoctrinatie en tegen de censuur en muilkorving. Voorlopig zou met de pen worden gestreden, naderhand opnieuw met de wapens. “Oranje Hagel” riep op, aldus het rapport, geen onbezonnen acties te ondernemen, die immers het risico van represailles inhielden, maar lijdelijk verzet te plegen, ook op economisch terrein door bijvoorbeeld te hamsteren en zwart te slachten. 100 Redacteur-uitgever Pollaert kreeg in zijn functie van rechercheur bij de Venlose politie opdracht van de Duitse autoriteiten de herkomst van de krant te achterhalen. Het resultaat van zijn naspeuringen laat zich raden.
De kantoorhouder van de “Limburger Koerier” in Venlo, H.G. Jussen, werd aangetrokken om de krant op een hoger journalistiek peil te brengen en begin 1942 trad L. Jans als militair medewerker tot de redactie toe. “Oranje Hagel” verscheen toen twee keer per maand. De distributie van de groeiende oplage werd geïntensiveerd en O.D.-ers als W. van Boekhold raakten erbij betrokken. Naar aanleiding van de oproep aan de Nederlandse militairen zich te melden voor terugvoering in krijgsgevangenschap vervaardigden Meyers en Pollaert vijfhonderd pamfletten waarin ze tot een staking opriepen. De Sipo kwam hen op het spoor en Meijers dook onder. Pollaert volgde enkele maanden later zijn voorbeeld. Jans en Van Boekhold zetten de uitgave van “Oranje Hagel” voort, maar kwamen al gauw in geldnood, omdat accountant Winters zich terugtrok. Volgens hem was het algemeen belang er niet langer mee gediend. Toen tenslotte P. Kleuskens door arrestatie wegviel werd de uitgave tegen de zomer van 1943 stopgezet. 101

III.3. Het Vrije Volk

In de zomer van 1941 namen gemeente-ambtenaar W.J. Quint, Ch.M.H.J. Bongaerts en architect Rientjens, allen woonachtig in Heerlen, het initiatief tot de uitgave van “Het Vrije Volk”. Wellicht hadden ze voor die tijd al enkele blaadjes onder verschillende namen vervaardigd. Met het nieuwe blad beoogden ze de bevolking van Zuid-Limburg en in het bijzonder de mijnwerkers immuun te maken voor de misleidende voorlichting door de genazificeerde, officiële pers. Bongaerts, een voormalig medewerker van het “Limburgsch Dagblad”, en Quint schakelden onder anderen de oud-militairen F.J. Molenaar en J.G. de Groot in. De kerngroep wist zich al spoedig omringd door een alsmaar groeiende kring medewerkers, waarvan onder anderen J.P. van Vonderen, werkzaam voor de “Maasbode”, de chirurg K.C. van Berckel, de politiebeambten J.H. de Koning en M.G. de Kruijff, P.F. Driessen en kapelaan N.M.H. Prompers, naderhand rector van het Heerlens ziekenhuis, deel uitmaakten. De meesten van hen onderhielden nauwe banden met de O.D. en/of de Nederlandsche Unie. Dank zij de brede kring van medewerkers, van wie sommigen hoge functies in de mijnen of in overheidsdienst bekleedden, was de redactie voortreffelijk geïnformeerd. Men wist zelfs inlichtingen over de Sipo-Maastricht te vergaren. J. Lapas, calculator bij het “Limburgsch Dagblad”, leverde papier en inkt. De administrateur van de gemeentepolitie, F. Lochtman, nam de technische voorbereiding voor zijn rekening. Hij maakte daarbij gebruik van apparatuur op het politiebureau. Thuis stencilde hij het blad in een oplage van circa vijfhonderd exemplaren.
De eerste editie van “Het Vrije Volk” verscheen in september 1941. Mijnwerkers en mijnbeambten, aangesloten bij de O.D. en de Nederlandsche Unie, namen een groot deel van de verspreiding voor hun rekening. Naast opiniërende artikelen en binnenlands nieuws bevatte het blad oproepen tot het plegen van sabotage. Voorts werden de namen van “onbetrouwbare” personen gepubliceerd. Van tijd tot tijd gunden de redacteuren de lezers een blik in de keuken van de Maastrichtse Sipo. Een exemplaar van “Het Vrije Volk” - van welke editie is niet bekend, het blad kwam onregelmatig uit - belandde op het bureau van politiecommissaris G.J.H. Seelen. In oktober meldde hij dat bij de Duitse autoriteiten. M. Ströbel ontstak in woede. Hoe was het mogelijk dat de krant zoveel wist van de Sipo? Hij gaf R. Nitsch opdracht onmiddellijk een diepgaand onderzoek in te stellen.102 Tussen 15 en 20 oktober arresteerde het Sipo-lid drie verspreiders uit Heerlen, Kerkrade en Klimmen. Ze lieten niets los. Vermoedelijk wisten ze weinig of niets van de herkomst van het blad. 103 In de “Meldungen aus den Niederlanden” van 21 oktober 1941 werd aandacht geschonken aan “Het Vrije Volk”. Het blad zou een hetze tegen de N.S.B. voeren en fel gekant zijn tegen zondagsarbeid in de mijnen. In de “Meldungen” van 28 oktober kwam de krant opnieuw ter sprake. De thema’s weken, aldus het bericht, nauwelijks af van de vorige editie(s). De meest recente editie bevatte echter een oproep aan de mijnwerkers om minder te produceren. 104 Verder meldde het weekbericht dat “Het Vrije Volk” nauwelijks aansloeg. Als dat werkelijk zo zou zijn geweest, hadden de Duitsers zich niet zo geërgerd. Het blad werd door vele vrijwilligers op grote schaal verspreid en zelfs door anderen opnieuw gestencild.
R.O. van Manen, een oud-officier uit Wylré die op de mijn Emma werkte, overhandigde in opdracht van F.J. Molenaar telkens dertig tot vijftig exemplaren aan de oud-militair C.J. Veerman, opzichter op de staatsmijn Maurits in Geleen. Veerman schakelde zijn zoon, L.W.A. Veerman, en onderverspreiders in onder wie M.J. Voragen, P.H.E. Paes, J.L. Meerburg, P.J.H.J.M. Greymans, C. van der Woude, W.A. Demarteau, J.F. Knapen, J.J. Schillings, W. Schmitter en D.J. Paap. Sommigen trokken op hun beurt verspreiders aan, zodat de Geleense tak van “Het Vrije Volk” weldra tientallen medewerkers telde. Omdat het aantal door Molenaar en Van Manen beschikbaar gestelde exemplaren bij lange na niet voldeed aan de vraag, stelde Paes voor de Heerlense krant in het vervolg zelf opnieuw te stencillen. E.L.J. Janssens uit Geleen, die evenals de meeste anderen op de Maurits werkte, reproduceerde het blad samen met C. van der Woude tenminste honderd maal.
Op 23 oktober kreeg de Sipo-Maastricht een tip dat P.H.E. Paes “Het Vrije Volk” las en verspreidde. De zaak was vermoedelijk aanhangig gemaakt door de groepsleider van de Geleense N.S.B., M.J. Ritt, die erop geattendeerd was door Paes’ schoonzuster, mevrouw M.C. Kusters-Raven. Dezelfde dag nog nam Nitsch Paes in hechtenis. Binnen enkele dagen was zijn weerstand gebroken. Nieuwe arrestaties volgden en het bewijsmateriaal stapelde zich op. Tussen 27 oktober en 5 november 1941 kon Nitsch vierentwintig leden van de Geleense verspreidingsgroep, onder wie Van Manen, oppakken.105 In de “Meldungen aus den Niederlanden” van 4 november 1941 werd over de arrestaties bericht. Volgens het verslag was Van Manen de belangrijkste arrestant. De mannen achter de schermen waren echter buiten schot gebleven.106 Die conclusie was juist. Molenaar verliet Heerlen op 29 oktober en reisde naar Bloemendaal. Op 11 november vertrok hij naar Engeland. De Groot dook op 8 december onder. Door het vertrek van Molenaar was de zijdelingse band tussen Bongaerts, Quint en de andere makers van “Het Vrije Volk” en Van Manen en zijn medewerkers verbroken. De kans dat de Sipo ook hen op het spoor zou komen was daardoor uiterst gering. Ze bleven gewoon op hun post. 107
In de “Meldungen” van 18 november werd voor de laatste keer aandacht besteed aan “Het Vrije Volk”. De Außenstelle Maastricht had inmiddels achterhaald dat Molenaar de drijvende kracht achter het blad moest zijn geweest. Na zijn vlucht en de aanhouding van de verspreidersgroep die voornamelijk uit leden van de Nederlandsche Unie bestond - de bezetter wilde zo spoedig mogelijk van deze organisatie af - ging het blad ter ziele. F.C.M. Wijffels uit Brunssum werd in het bericht genoemd als een mogelijke medewerker, maar men beschikte over geen enkel bewijs. 108 Deze veronderstelling was gedeeltelijk juist. Wijffels stond via Paes zijdelings met het blad in verbinding. 109
Tot de vierentwintig arrestanten behoorden behalve Van Manen en Paes ook Janssens, Van der Woude, Veerman sr. en jr., Voragen, Schmitter, Schillings, Paap, Greymans en Knapen uit Maastricht. Het proces vond plaats in Maastricht en duurde van 12 tot 22 december 1941. Nitsch trad op als aanklager. De meeste verspreiders kwamen er met een korte tuchthuisstraf af of werden, nadat ze een verklaring hadden afgegeven, vrijgelaten. C.J. Veerman, R.O. van Manen, J.L. Meerburg, E.L.J. Janssens, P.H.E. Paes, M.J. Voragen, C. van der Woude en P.J.H.J.M. Greymans kregen tuchthuisstraffen variërend van een half tot vijftien jaar. Het Duits Obergericht onder voorzitterschap van dr. Randermann motiveerde de vonnissen onder meer aldus: “Bei den Schriften, die vermutlich von dem flüchtigen Vertreter des Verkaufsbüros der Staatsgruben namens Molenaar redigiert worden sind, handelt es sich um Pamphlete übelster deutschfeindlicher Erörterungen allgemeiner Art die Aufforderungen enthalten weniger zu produzieren”. 110 Greymans en Van der Woude kwamen in 1943 vrij. Meerburg, Voragen, Paes en Van Manen werden in de eerste maanden van 1945 uit Duitse kampen bevrijd. Janssens kwam op 29 mei 1943 in Siegburg om het leven. Veerman overleed kort voor de bevrijding, in januari 1945, eveneens in Siegburg. 111
Wellicht om de arrestanten enigszins te ontlasten en de onmogelijkheid om “Het Vrije Volk” het zwijgen op te leggen te onderstrepen, produceerde de groep rond Bongaerts en Quint enkele maanden een speciale editie van het blad, uitsluitend bestemd voor de Sipo-Maastricht. In verband met de risico’s durfde men de verspreiding op ruime schaal niet meer aan. De laatste editie van “Het Vrije Volk” verscheen op 30 april 1943 ter gelegenheid van de verjaardag van prinses Juliana en de kort tevoren gepubliceerde oproep van generaal Christiansen aan de Nederlandse militairen zich opnieuw te melden. 112

III.4. B.B.C.-News

L. Brüll en P.G.H. Satijn, die zijdelings bij de Belasting Groep Maastricht waren betrokken, begonnen in 1943 met de verspreiding van door Brüll van de B.B.C. overgenomen nieuwsberichten. De twee typten de berichten op het kantoor van de woningbouwvereniging “Ons Belang”. De oplage was zeer gering. Het blad functioneerde als een kettingbrief. Tientallen, wellicht honderden Maastrichtenaren konden aldus dagelijks kennis nemen van de recente internationale ontwikkelingen. Brüll en Satijn zetten de uitgave tot de bevrijding in september 1944 voort. 113

III.5. The London News

Drie onderduikers in Maastricht beluisterden dagelijks de B.B.C. en Radio Oranje en namen de belangrijkste berichten over. Het krantje, “The London News”, waarin de makers bovendien plaatselijk en regionaal nieuws opnamen, bekende N.S.B.-ers hekelden en korte, bemoedigende artikeltjes schreven, verscheen voor het eerst in 1943. Het blad werd op het keramisch bedrijf “De Sphinx” vervaardigd en vermenigvuldigd. Voor de verzending aan (overheids)instellingen en kantoren maakte men gebruik van de bedrijfspost. Over oplage, verschijningsduur en -frequentie zijn geen gegevens beschikbaar. 114

III.6. Voor de Vrijheid

Sinds 1942 trof H.G.H. de Mulder uit Meerlo, werkzaam op de gemeentesecretarie van Broekhuizen, regelmatig exemplaren van “Vrij Nederland” in zijn brievenbus aan. De afzender was hem niet bekend. Met onderwijzer J.H. van Megen uit Broekhuizen, gemeenteambtenaar J.H. Vissers uit Wanssum, de gemeentesecretaris van Wanssum P.J.G.A. Spreeuwenberg en J.J.L. Timmermans uit Horst verspreidde hij de kranten in de regio. Vissers en Spreeuwenberg raakten enthousiast en namen zich voor zelf een illegaal blad te gaan maken. In het voorjaar van 1943 vervaardigden ze een pamflet gericht tegen de nationaal-socialistisch georiënteerde Landstand. De Mulder hoorde hiervan en sloot zich bij het tweetal aan. Het eerste, naamloze nummer verscheen in juni 1943. De Mulder was verantwoordelijk voor de inhoud, gebaseerd op de tekst van een bestaand vlugschrift over hulp aan onderduikers. Vissers stencilde het blaadje in een oplage van ongeveer vijftig exemplaren op het gemeentehuis van Wanssum. Spreeuwenberg verspreidde het voornamelijk in Geysteren.
In juli kreeg het groepje versterking van Van Megen. Het blad kreeg toen ook een naam, “Voor de Vrijheid”. Naast bijdragen van De Mulder en Spreeuwenberg bevatte de eerste editie, die in juli verscheen in een oplage van ruim honderd exemplaren, artikelen uit “Vrij Nederland”. De auteurs gingen in op de herderlijke brief van 12 mei 1943 waarin de bisschoppen stelling namen tegen de aangekondigde tewerkstelling van Nederlandse arbeiders in Duitsland. De bisschoppen hadden gesproken, de respons moest nu van de gelovigen komen, aldus de schrijvers. In een van de andere artikelen riepen ze op tot verzet en hulp aan onderduikers. Spreeuwenberg verzorgde het stencilwerk. Naast de medewerkers hielpen J.J.L. Timmermans en G.A. Lucassen uit Horst bij de verspreiding. Laatstgenoemde maakte net als Spreeuwenberg deel uit van de O.D. De twee hadden elkaar al geruime tijd daarvoor leren kennen via de voetbalsport. Van Megen deponeerde enkele exemplaren in een ijssalon in Venlo. Een deel van de oplage werd per post naar willekeurige adressen in onder meer Maastricht, Zeist en Hilversum verstuurd. De tweede editie van “Voor de Vrijheid” bevatte ook een bijdrage van Van Megen. De oplage bedroeg honderdtwintig stuks. In augustus werd het verspreid.
Spreeuwenberg stond op het punt de derde editie op het gemeentehuis van Wanssum te stencillen toen het misliep. Op 19 augustus namen leden van de Eindhovense Sipo Van Megen in hechtenis. Wat de Sipo wist is niet bekend, evenmin of Van Megen iets losliet. Vermoedelijk was verraad gepleegd. De Mulder en Lucassen namen geen risico’s en doken onder. Het bleef echter rustig. Omdat geen nieuwe arrestaties volgden, dook De Mulder na enkele dagen weer op. Het bleek een misrekening. In de nacht van 27 op 28 augustus lichtte de Sipo-Eindhoven hem, Vissers, Spreeuwenberg en Timmermans van hun bed. De Ortskommandant van Venray had de affaire op 25 augustus - naar aanleiding van een tip? - aanhangig gemaakt in Eindhoven. Timmermans ontkende desgevraagd ten stelligste ooit exemplaren van de verdwenen Lucassen te hebben ontvangen. Op de vraag wat hij met de van De Mulder ontvangen exemplaren had gedaan antwoordde hij dat hij ze meteen vernietigd had. Kennelijk namen zijn ondervragers genoegen met zijn verklaring, want Timmermans kwam na verhoor vrij. De overige vier moesten op 30 maart 1944 voor het Obergericht in Utrecht verschijnen. Ze werden schuldig bevonden en veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis. Spreeuwenberg, Vissers en De Mulder overleefden hun gevangenschap. Van Megen werd op 5 april 1945 gefusilleerd, vermoedelijk in de buurt van Hameln, waar hij tot het laatst in het tuchthuis had gezeten. 115

III.7. Nieuws van de Fronten

De uit Groningen afkomstige oud-militair A.H.H. Schumacher, werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen, werd in september 1943 overgeplaatst naar Susteren en vestigde zich in Roermond. Daar begon hij vrijwel meteen met twee vrienden, de oud-militair G.J. Opveld en de typograaf A. Wilke met de uitgave van “Nieuws van de Fronten”, een blad dat aanspoorde tot verzet en nieuws bevatte dat overgenomen was van andere illegale bladen, de B.B.C. en Radio Oranje. De berichten van de radio waren opgenomen door J. Schreurs uit Heel die ze doorgaf aan H. Verbruggen uit Grathem. Deze overhandigde ze op zijn beurt aan Schumacher c.s. Schumacher vervaardigde het blad met hulp van Wilke en Opveld op zijn Roermonds kostadres. In het begin had men met tegenslag te kampen. Technische faciliteiten en financiële middelen ontbraken, zodat het krantje slechts af en toe in een oplage variërend van tweehonderd tot vijfhonderd exemplaren uitkwam. Toen in mei of juni 1944 de schrijfmachine het begaf, vervoegden Schumacher c.s. zich ten einde raad bij de makers van een ander Roermonds illegaal blad, “Berichten Voorziening Oorlogstijd” (B.V.O.) (zie paragraaf III.15.). Het verzoek om hulp werd niet gehonoreerd. De toch al beperkte oplage zakte nog verder in.
De makers gaven niet op. Van particuliere zijde ontving men financiële steun en Wilke schakelde G.M. Schippers, een oudofficier uit Maasniel, in. Schippers maakte deel uit van een plaatselijke inlichtingendienst en verschafte Schumacher en Wilke waardevolle informatie. Bovendien leverde hij papier. Kennelijk slaagde het groepje erin ook de andere moeilijkheden te overwinnen, want sedert juni steeg de oplage tot bijna duizend exemplaren. Schumacher zorgde ervoor dat telkens honderd explaren in Groningen terechtkwamen. De rest werd in de regio verspreid. Opveld nam het gebied ten oosten en zuidoosten van Roermond voor zijn rekening en W.J. Schoots, die tevens hielp bij het stencillen, verzorgde met andere groepsleden de distributie in en rond Roermond.
Na het vertrek van Schumacher uit Roermond op 7 september 1944 hield het blad op te bestaan. Sommigen van de medewerkers zoals Schippers en Schoots werkten sindsdien voor het blad “Berichten Voorziening Oorlogstijd”. 116

III.8. De Zwijger

In het voorjaar van 1944 besloot mr. P.J. Wintels uit Venray samen met een groepje medewerkers een berichtenblad te gaan uitgeven ten behoeve van de L.O. Het was de bedoeling dat het dagelijks zou verschijnen. De eerste editie verscheen in de loop van juni 1944 in een oplage van ongeveer vijfhonderd stuks. Het blad bevatte artikelen en nieuwsberichten. Wintels schref het blad, “De Zwijger”, in zijn eentje vol en voerde alleen de redactie. Zijn naaste medewerkers, de onderduiker P.J.C. Aben en P. Nijssen, stencilden het krantje in de ouderlijke woning van Aben. Plaatselijke L.O.-ers als P. Schoester, A. Vermeulen, G. Lucassen, J.A. van de Bergh, F. Terwindt en kapelaan J.M. Kuepers verzorgden de verspreiding. Na enige tijd lukte het de oorspronkelijke doelstelling te realiseren en “De Zwijger” dagelijks uit te brengen. In de zomer steeg de oplage tot 1500 exemplaren. Op verzoek van de L.O. ging Wintels bovendien een “dagelijks nieuwsbulletin” uitgeven dat de oplage van het zusterblad benaderde. Over de inhoud van dit bulletin staan ons geen gegevens ter beschikking, maar aangenomen mag worden dat de strekking van algemener aard was.
Toen de inwoners van Venray in oktober op last van de bevrijders moesten evacueren vanwege het oorlogsgeweld, zette Wintels de uitgave in Helmond legaal voort. Voortaan verscheen “De Zwijger” wekelijks als contactorgaan voor de verspreid in de regio gehuisveste bevolking van Venray. Na de bevrijding kwam het blad nog bijna een jaar uit als “Weekblad voor Venray en Omstreken”. 117

III.9. De Patriot: Nieuwsbulletin uit Londen

De beroepsofficier A.A.Th. Kesselaer uitte al in 1940 zijn ongenoegen over de bezetting door in zijn woonplaats Maastricht straten vol te kalken met pro-Oranje en anti-Duitse leuzen. In het voorjaar van 1943 dook hij onder bij de gebroeders W.A. en A.M. Timmermans. Laatstgenoemde trad op als duikhoofd. Kesselaer was er de man niet naar om passief te blijven. Begin 1944 keerde hij terug naar zijn woning aan de Hertogsingel en begon met zijn echtgenote met de vervaardiging van “De Patriot”. Berichten van de B.B.C. en Radio Oranje ontving hij van een ondergedoken kapelaan. Bij het stencillen van het blad ondervond het echtpaar steun van P.H. Willems. Dat gebeurde in de bakkerij van Willems’ ouders. Voordien typte het echtpaar de complete dagelijkse oplage van circa tweehonderd stuks. De woning van de familie Willems fungeerde tevens als centraal distributieadres. L.O.-ers als A.M. Timmermans hielpen bij de verspreiding. Een mijnbeambte uit Maastricht nam exemplaren mee naar de Mijnstreek. In oktober 1944 staakte het echtpaar de uitgave. 118

III.10. De Patriot

In maart 1944 startte de al genoemde Kesselaer met onder anderen aalmoezenier L.J. Roumen, de journalist F.A. Brunklaus, de dichter L. Maas en L. Breuer een opinieblad dat eveneens “De Patriot” heette. Het blad verscheen maandelijks en werd aanvankelijk geheel op een schrijfmachine getypt, naderhand werd het ten huize van de familie Willems gestencild in een oplage variërend van vijfhonderd tot duizend exemplaren.
“De Patriot” voerde voornamelijk actie tegen de “Limburger Koerier” en zijn “foute” hoofdredacteur H. van den Broeck. De aantijgingen van Kesselaer c.s. lieten Van den Broeck niet onberoerd. Hij wond zich hier dermate over op dat hij met valse uitgaven van “De Patriot” verwarring probeerde te stichten. Toen een van de verspreiders van het verzetsblad door verraad in Duitse handen viel, trachtte de redactie hem te ontlasten door de Sipo meteen het nieuwste nummer toe te sturen. Kort na de bevrijding van Maastricht staakten Kesselaer c.s. de uitgave van “De Patriot”. 119

III.11. Moed en Vertrouwen

Omdat er een groeiende behoefte bestond aan een behoorlijke nieuwsvoorziening, kwamen op 9 juli 1943 enkele onderduikers uit Maasbree bijeen, onder wie de in mei 1943 ondergedoken officier H. Schouten uit Den Haag en dr. M.H. Lensen uit Venlo. Zij wilden nagaan of zij daar een bijdrage aan konden leveren. Het plaatselijk duikhoofd, J.F.H. Mulders, zegde toe voor papier en een schrijfmachine te zullen zorgen. Met hulp van een timmerman lukte het een primitief stencilapparaat te vervaardigen. De aan zijn bed gekluisterde T.B.C.-patient P. Kempen verklaarde zich bereid berichten van de B.B.C. en Radio Oranje te noteren. Schouten en Lensen, die samen de redactie vormden, vulden die berichten aan met opiniërende artikelen en algemeen politiek en plaatselijk nieuws. De eerste editie van het nog naamloze krantje verscheen begin augustus 1943 in een oplage van tachtig stuks. Het was gemaakt in een hol op de Zandberg. Nu moest nog een naam bedacht worden. Men koos voor “Moed en Vertrouwen”. Het blad kwam wekelijks uit en werd door medewerkers van de L.O. verspreid in het district Venlo. Kort na het verschijnen van de derde editie gingen als gevolg van een razzia de complete apparatuur en alle materialen verloren. In de daaropvolgende weken brachten Schouten en Lensen enkele handgeschreven nieuwsbulletins uit. Na ruim zes weken konden ze opnieuw van start gaan. Dank zij Schouten was een verbinding tot stand gekomen met mejuffrouw A.M.A. Jacobs. Zij bood aan te helpen. Bovendien stelde haar vader zijn boerderij beschikbaar voor de vervaardiging van “Moed en Vertrouwen” en de opslag van het benodigde materiaal. Voortaan werd het blad gehectografeerd, waardoor men maar een beperkte oplage van circa honderd exemplaren kon produceren, terwijl de vraag toenam. 120 A. Steylen bracht uitkomst. Hij stelde een stencilmachine en papier beschikbaar, zodat de oplage begin 1944 aanzienlijk verhoogd kon worden. Dank zij J. Gitsels uit Venlo, die over een beter stencilapparaat beschikte, steeg de oplage in het voorjaar tot zeshonderd exemplaren. De populariteit bleef de krant echter vooruit snellen. De makers gingen op zoek naar een drukker, zodat de technische beperkingen voorgoed verleden tijd zouden zijn. Door bemiddeling van L. Huys uit Tegelen, verantwoordelijk voor de verspreiding in Venlo, Horst en Sevenum, kreeg de redactie in juli of augustus 1944 verbinding met de drukkerij van de firma Werps uit Tegelen. Het centrum van de aktiviteiten verplaatste zich daarmee van Maasbree naar Tegelen. Voortaan brachten de makers het zetsel in de ouderlijke woning van Huys in orde en leverde de firma Huys-Driessen, uitgever van de “Tegelsche Courant”, het papier. De firma Werps verzorgde vanaf 15 augustus het drukwerk. Per editie rolden tweeduizend exemplaren van de persen. De redactie kreeg bovendien versterking van de O.D.-ers H.C.A. Baljon en H. Jussen, die eerder bij “Oranje Hagel” betrokken was geweest, en de gewezen redacteur van de “Nieuwe Venlosche Courant” G.J. Bertels. Jussen nam de organisatie van de verspreiding op zich en Bertels zorgde voor de opmaak.
Vanwege de toegenomen invloed van O.D.-ers op het beleid verschenen sedert augustus ook artikelen in “Moed en Vertrouwen” over het doel en de activiteiten van de O.D.
In het najaar van 1944 verhuisde de drukpers, mogelijk vanwege de toenemende oorlogsdreiging, van Tegelen naar Velden. Van veel betekenis was dat overigens niet. De uitgave moest gestaakt worden. Meteen na de bevrijding van Maasbree in november 1944 verscheen “Moed en Vertrouwen” opnieuw, voortaan als neutraal weekblad. 121
H. Hekkens en L.J.H. van Gerven uit Steyl vervaardigden tussen november 1943 en september 1994 een handgeschreven krantje dat eveneens “Moed en Vertrouwen” heette. Het blad verscheen in een beperkte oplage en bevatte overwegend radioberichten die mogelijk waren overgenomen van het gelijknamige blad uit Maasbree-Tegelen. 122

III.12. De Vrije Pers

Begin oktober 1943 vond in Deurne - Deurne behoorde tot het L.O.-district Venray, vandaar dat het blad hier besproken wordt - een bijeenkomst plaats waaraan de L.O.-er M.J. Hendriks, de ondergedoken student E. Heim, de distributieambtenaar H. Struik en de ondergedoken pilotenhelper K. van Zutfen deelnamen. De aanwezigen namen zich voor een illegaal blad te gaan uitgeven dat niet alleen nieuws moest brengen, maar ook en vooral de plattelandsbevolking moest oproepen verzet te plegen, bijvoorbeeld tegen de zo gehate Landstand. Op 1 november 1943 kwam de eerste editie uit. Het blad, “De Vrije Pers”, telde een oplage van vijfhonderd exemplaren en werd gestencild op de Maria-Hoeve, de ouderlijke woning van M.J. Hendriks in Deurne. In de gemiddeld twee keer per maand verschijnende krant trok men fel van leer tegen de N.S.B. en de bezetter. De rest van de inhoud bestond uit waarschuwingen tegen loslippigheid, oproepen tot verzet, opiniërende artikelen en beschouwingen over bijvoorbeeld de tegenstelling tussen katholicisme em nationaal-socialisme.
De verspreiding - vermoedelijk door L.O.-ers en pilotenhelpers rond Van Zutfen - bleef beperkt tot Deurne en Venray en omgeving. Ook werd het blad per post gedistribueerd. In maart 1944 werd de uitgave stopgezet, omdat de meeste medewerkers overstapten naar het nieuw gevormde R.V.V.-vrijkorps. Kennelijk had men geen tijd meer. De enig overgeblevene, M. Hendriks, hervatte de uitgave van “De Vrije Pers” op 19 september 1944. De politieke beschouwingen verdwenen. Voortaan fungeerde de krant als mededelingenblad voor de illegaliteit. Het stencillen gebeurde in de kelder van het parochiehuis van Deurne. In oktober 1944 verdween “De Vrije Pers” opnieuw tijdelijk van het toneel om na de bevrijding als legale krant, de “Deurnesche Courant”, te worden voortgezet. 123

III.13. De Verkenner: Lijfblad voor verkenners die trouw bleven!!

Tussen mei en oktober 1944 verscheen in Oss zes keer “De Verkenner”, eigenlijk een kleine brochure. Het blad werd uitgegeven door en voor katholieke padvinders. De makers wilden de verkenners op hun plichten wijzen en hun voorbereiden op hun naoorlogse taak. De eerste vier exemplaren werden door P.H. Willems uit Maastricht opnieuw gestencild en verspreid. Eind september 1944, kort vóór de bevrijding van Oss maar nà de bevrijding van Maastricht, gaf Willems op eigen gezag een plaatselijk afscheidsnummer uit. 124

III.14. Overtocht: Communicatiemiddel voor kunst en wetenschap

De inhoud van “Overtocht” bestond uit proza en poëzie, geschreven door en voor katholieke jongeren. Het blad verscheen maandelijks van mei tot augustus 1944 in Maastricht in een gestencilde oplage van ongeveer tweehonderd exemplaren. L. Veugen, J.R. Roorda en J. Engels vormden de redactie van het blad waaraan verder R. Franquinet, J. Nijst, H. Berghuis, J. Savelsberg en G. van der Gugten meewerkten. 125

III.15. Berichten Voorziening Oorlogstijd (B.V.O.): editie Roermond

Op verzoek van kapelaan E.H.M. Vallen begon de in 1942 ondergedoken officier F.H.P. Alers uit Roermond in mei 1944 met de vervaardiging van B.V.O. Zoals in zoveel plaatsen circuleerden in Roermond en omgeving verschillende landelijke verzetsbladen. Zij voorzagen weliswaar in belangrijke mate in de behoefte aan nieuws, maar voor actuele berichtgeving was men aangewezen op de radio en snel verspreide en frequent en plaatselijk of regionaal verschijnende bulletins. Waarschijnlijk wist Vallen dat Alers een stencilmachine bezat. Voor moedervellen, papier, inkt etc. zorgde de kapelaan. Hij maakte deel uit van de L.O. en beschikte over veel contacten. Dank zij bijdragen van particulieren en de L.O. konden de kosten van het blad gedekt worden.
De eerste editie van B.V.O. verscheen op 25 mei 1944. ’s Avonds en ’s nachts luisterde Alers in zijn woning aan de Hendriklaan 17 naar de B.B.C. en Radio Oranje - vanaf 3 oktober ook naar de in Eindhoven gevestigde zender Radio Herrijzend Nederland - en typte de berichten op een moedervel waarna hij het in een oplage van circa tweehonderd exemplaren stencilde. Daarna verstopte hij het apparaat en de overige benodigdheden weer onder de vloer van de achterkamer. B.V.O. verscheen aanvankelijk één keer in de twee dagen, maar sedert de zomer van 1944 dagelijks. De oplage steeg tot 1500 à 2000 stuks. A. van Hooijdonk en mejuffrouw M.J. Sevriens uit Koningsbosch traden naast Alers en zijn echtgenote A. Alers-Manders op als hoofdverspreiders in het L.O.-district Roermond. Ook L.O.-ers en andere contactpersonen verleenden medewerking. Alers zorgde ervoor dat een gedeelte van de oplage per trein naar alle grotere plaatsen in Limburg werd gebracht. Vanaf september beperkte de distributie van het blad zich voornamelijk tot de regio Roermond en Venlo. Verder gelegen plaatsen waren steeds moeilijker bereikbaar. Toen in de tweede helft van september het contact met de westelijke Maasoever verloren ging, brachten enkele illegale werkers uit Heythuysen een eigen editie van B.V.O. uit.
Vanaf oktober werd Midden-Limburg oorlogsgebied. Onder uiterst moeilijke omstandigheden zetten Alers c.s. het werk voort. Eind november zag het echtpaar Alers zich genoodzaakt hun woning te verlaten. De commandant van een in Roermond gelegerd parachutistenbataljon, U. Matthaeas, had zich met zijn staf in de onmiddellijke nabijheid gevestigd. Het echtpaar vertrok met medeneming van alle stencilbenodigdheden en de radio naar een huis bij het ziekenhuis. Daar vervaardigde Alers korte tijd het nieuwsblad in de kelder. In december ontsnapte hij ternauwernood aan ontdekking toen parachutisten de woning wilden doorzoeken. Zijn echtgenote redde de situatie. Het werd te gevaarlijk en ze verhuisden opnieuw, nu naar de woning van de familie Grummels aan de Kapellerlaan. Veel konden ze daar niet meer doen. Matthaeas en zijn manschappen oefenden een ware terreur uit in de belegerde stad. Op 30 december deporteerden ze 2800 mannelijke inwoners naar Wuppertal. Dezelfde dag staken Alers en zijn vrouw de Roer over. Enkele dagen tevoren, op Tweede Kerstdag, hadden ze op verzoek van de L.O. de uitgave van B.V.O. gestaakt. In de nacht van 15 op 16 januari 1945 staken ze met andere illegale werkers ter hoogte van Herten de Maas over. Ze bereikten heelhuids bevrijd gebied. 126

III.16. De Nieuwe Tijd

Tussen juni 1944 en april 1945 verscheen in Horn een nieuwsblaadje met van de radio overgenomen berichten. Het krantje werd vervaardigd door J.P.H. Oyen, F.W.H. van Herten, W. Schreurs en W. Smeets. “De Nieuwe Tijd” kwam dagelijks uit en had een oplage van achthonderd exemplaren. Het stencillen gebeurde in de woning van Van Herten. Papier leverde L.H.B. Oyen jr., een drukker uit Horn. Voor de verspreiding in en rond Horn zorgden J. Oyen, F. Kirkels, F. van Herten en H.M. Feyen. 127

III.17. Daalzichtse Berichten Dienst (D.B.D.)

Omdat Heel verstoken bleef van nieuws, begon de in 1943 in Heel ondergedoken dienstplichtig sergeant en rechtenstudent Sylvester W.J.M.M. Berden daags na Dolle Dinsdag, op 6 september 1944, met de uitgave van D.B.D. Zijn jongere broer, Joost C.D.M.M. Berden, hielp mee. De twee, zonen van een redacteur van het dagblad “De Tijd”, waren afkomstig uit Amsterdam. Vanwege het fraaie uitzicht dat het plaatselijk klooster, waar ze ondergedoken zaten, op het Maasdal bood noemden ze het blaadje “Daalzichtse Berichten Dienst”. Sylvester typte de van de radio overgenomen berichten en Joost stencilde D.B.D. in een oplage van tweehonderd exemplaren. De radio was afkomstig van W.H. Heber uit Heel. Het stencilapparaat, de typemachine en ander materiaal waren ontvreemd uit het gemeentehuis, waar een N.S.B.-er de scepter zwaaide. In het begin werd het dagelijks verschijnend blaadje overal aangeplakt, maar daar moest men al gauw van afzien, omdat het dorp wemelde van Duitsers. Sindsdien verspreidden inwoners van Heel zoals de rector van het klooster P. Schaeken, de beide zoons van W.H. Heber, M.L.A.Ch. Verstraelen en J.J. Henckens - de meesten van hen waren aangesloten bij de L.O. - het blad in de regio.
Bij de nadering van de geallieerden, eind oktober, bracht Sylvester Berden in samenwerking met rector Schaeken de Duitse stellingen en gevechtsposities in kaart. De belangrijkste gegevens seinde hij door naar de geallieerden. Af en toe liet hij ze door honden overbrengen. Dat die gegevens voor de geallieerden van nut waren bleek uit het feit dat de Britten, die ten zuidwesten van het kanaal Wessem-Nederweert in stelling lagen, telkens weer met grote precisie de Duitse stellingen bestookten. De Duitsers begrepen daar aanvankelijk niets van. Zoveel voltreffers konden onmogelijk op louter toeval berusten. Nader onderzoek wees uit dat er vanuit het klooster naar de geallieerde posten bij het kanaal geseind moest worden. Op zondag 5 november omsingelde een groep van vijftig Duitse parachutisten het klooster. Ze arresteerden twee paters, de als pater verklede Sylvester Berden, de sedert 28 oktober 1944 in het klooster ondergedoken M.L.A.Ch. Verstraelen en diens vader, de arts C.E.J. Verstraelen. Rector Schaeken, Joost Berden en P. Dias Santilhano, een onderduiker uit Heemstede, ontkwamen ternauwernood. Ze brachten zich in veiligheid door de Maas over te zwemmen en doken onder. Dokter Verstraelen kwam na verhoor weer op vrije voeten. De twee paters belandden in Duitsland, waar ze tewerkgesteld werden in een munitiefabriek in Remscheid. Een van hen slaagde erin te ontsnappen. M. Verstraelen bleef tot 1 mei 1945 in hechtenis. Op de kamer van Sylvester Berden in het klooster troffen de parachutisten twee radio’s, getypte nieuwsberichten en uitgewerkte schetsen van de Duitse gevechtsposities in de omgeving aan. Hij moest de zo gevreesde spion zijn, concludeerden ze. Terstond lichtten ze de Sipo in Venlo in. In opdracht van Ströbel spoedde Nitsch zich naar Heel en nam Berden een verhoor af, dat gepaard ging met zware mishandelingen. Op 7 november werd Berden op bevel van Ströbel en de bevelhebber van de in Heel gelegerde parachutisten, generaal-luitenant Rosenheim, in Kessel-Eijk geëxecuteerd. 128

III.18. De Postduif

Vanaf september 1944 tot 12 januari 1945 verscheen in Roermond “De Postduif”, een op een schrijfmachine vervaardigd krantje met nieuws over de geallieerde opmars, overgenomen van de B.B.C. en Radio Oranje. De makers wilden de in kelders levende bevolking van Roermond zo goed mogelijk op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen aan de fronten. “De Postduif” kwam elke dag uit in een oplage van circa zestig stuks. Tot de makers en verspreiders behoorden de 70-jarige notaris H.J.F. Brinkman, zijn dochter S.M.A.J. de Puniet de Parry-Brinkman, A. Raupp, ir. Schlösser en de Haagse onderduiker D. Steenmeyer. Het echtpaar Van Leeuwen typte het blad in de woning van de begin mei 1943 terechtgestelde illegale werker M.A.M. Bouman.
Op 12 januari troffen Duitse militairen een exemplaar van “De Postduif” aan in de woning van Brinkman. De bejaarde notaris, zijn echtgenote F. Brinkman-Rohling en hun dochter werden in hechtenis genomen en opgesloten in de gevangenis van Keulen. Daar ondergingen ze een zeer slechte behandeling. H. Brinkman overleed er op 5 maart 1945 en zijn dochter vijf dagen later. Mevrouw Brinkman kwam de doorstane ontberingen niet meer te boven. Zij stierf in maart 1945 in het ziekenhuis van Maastricht.129

III.19. Berichten Voorziening Oorlogstijd (B.V.O.): editie Heythuysen

Toen in de tweede helft van september 1944 de verbinding tussen de oostelijke en westelijke Maasoever wegviel en bovendien op 18 september de elektriciteit uitviel, besloten J.W.I. de Haan, P.W.D.F. Joosten en E.H. van Wegberg, allen woonachtig in Heythuysen en omgeving, een eigen versie van de Roermondse B.V.O. te gaan maken. Omdat ze over een accu beschikten, konden ze naar de radio luisteren. De berichten werden getypt en gestencild op de gemeentesecretarie van Heythuysen. Naderhand hielpen ook ambtenaren van de gemeentesecretarie van het naburige Roggel. Oorspronkelijk verscheen B.V.O.-Heythuysen twee maal per dag - de eerste editie(s) kwam(en) op 20 september uit - later één keer per dag. De oplage bedroeg vijfhonderd exemplaren, die door L.O.-ers als Van Wegberg en P.W. Timmermans in Heythuysen, Baexem, Roggel en Leveroy werden verspreid.
Tot twee keer toe kropen de makers van het blad door het oog van de naald. Op 8 oktober kamden de Duitsers de hele westelijke Maasoever uit op zoek naar weerbare mannen. De Haan c.s. konden ternauwernood ontsnappen. Ze verstopten zich in de rookkast van slagerij Gubbels. Na 8 oktober was geen man meer veilig op straat. Tot overmaat van ramp koos de in Heythuysen gelegerde militair commandant de gemeentesecretarie uit als uitkijkpost. Alle materialen konden tijdig worden overgebracht naar de slagerij van Gubbels. Daar stencilde men het nieuwsblaadje op de vliering. De radio en de accu verstopten ze in een gevangeniscel. Joosten nam zijn intrek in een aangrenzende cel. Vanaf 15 oktober verscheen B.V.O. weer dagelijks. Nieuw gevaar dreigde toen een Duitse officier en twee adjudanten bij Gubbels werden ingekwartierd. Op 13 november ontdekten ze de stencilpost, maar tijd om maatregelen te nemen ontbrak. Tegen de ochtend van 14 november hadden de Duitsers het dorp ontruimd. Kort daarop trokken de bevrijders Heythuysen binnen. Op 22 november 1944 staakten De Haan c.s. de uitgave van B.V.O.130

III.20. Algemeen Sevenums Persbureau (A.S.P.) ’t Duikertje

“’t Duikertje”, vermoedelijk vervaardigd door de joodse onderduiker Sajet, verscheen van eind september 1944 tot de bevrijding van Sevenum op 22 november in een oplage - het betrof carbondoorslagen - van ongeveer vijf exemplaren. Het blad bevatte van de radio overgenomen nieuws en was met de hand geschreven. Mevrouw A. Thielen, de broers P. en J.G. Vermeeren en A. Geurts zorgden voor de verspreiding.131

III.21. Het Snoekje

In het najaar van 1944 stencilde de kelner A.A.F. van Rooij uit Tegelen een blaadje met berichten van de B.B.C., “Het Snoekje”. Het verscheen dagelijks in een oplage van tweehonderd exemplaren. Op 20 december 1944 kwam Van Rooij om het leven toen hij met enkele anderen in een bootje de Maas probeerde over te steken en vanaf beide Maasoevers het vuur op hen werd geopend. 132

IV. Pamfletten

In paragraaf II en III werd een overzicht gegeven van de belangrijkste, in Limburg verspreide landelijke, provinciale, regionale en locale illegale kranten en krantjes. Het illegaal drukwerk bleef echter niet beperkt tot deze categorie. In hoofdstuk VI, paragraaf IV.7. noemden we reeds de clandestiene uitgave van het boek “Het Treurspel van Frankrijk” van de Frans-joodse schrijver A. Maurois. Men verkocht dergelijke uitgaven evenals foto’s van de ”oninklijke Familie, verzetsgedichten zoals “Lied der achttien dooden” van Jan Campert, de plaat “Onze Lieve Vrouw van den goeden duik”, frontkaarten en rijmprenten om de kosten van het illegale werk enigszins te bestrijden. 133 Voorts werden met name in Limburg stencils verspreid met de tekst van de diverse protestbrieven van het Nederlands episcopaat, preken van de bisschop van Münster, mgr. Graf C.A. von Galen, en teksten en redevoeringen van de Duitse dominee M. Niemöller. Meestal waren geestelijken en leden van de Katholieke Actie bij de vervaardiging en verspreiding van deze stencils betrokken. 134
Eén categorie bleef tot dusver onbesproken, namelijk het illegale pamflet. Vooral vanwege het vluchtige, incidentele en soms zeer locale karakter van het vlugschrift is het onmogelijk een nauwkeurig beeld te schetsen van de omvang en oplage ervan. Omdat voldoende pamfletten bewaard zijn gebleven, kunnen we wel iets zeggen over de aard en inhoud. Omdat het eenmalige uitgaven betrof, liepen de makers minder risico dan de vervaardigers van illegale kranten, wat niet wil zeggen dat ze ervan gevrijwaard waren. De makers waren zeer moeilijk op te sporen, zeker als ze geen deel uitmaakten van de georganiseerde illegaliteit en de verspreiding geïmproviseerd plaatsvond. De inhoud bestond meestal uit een spontane, vaak algemeen gevoelde reactie op een Duitse maatregel of wandaad. In veel vlugschriften werd geageerd tegen de N.S.B. en de bezetter, collaborerende bestuurders of instanties en genazificeerde of nazistische instellingen zoals Landstand, Cultuurkamer en Artsenkamer. Doorgaans bevatte het pamflet buiten een uiting van ongenoegen een oproep tot verzet. Omdat het illegaal pamflet of vlugschrift vrijwel altijd inhaakte op de actualiteit, kon de uitwerking verbluffend effectief zijn. Het in februari 1941 door leden van de C.P.N. naar aanleiding van de jodenvervolging vervaardige pamflet, waarin werd opgeroepen in staking te gaan, droeg zonder twijfel bij aan de onverwacht grote omvang van de staking. Ook de pamfletten die in de dagen van de afkondiging van de terugvoering van de Nederlandse militairen in krijgsgevangenschap overal in het land circuleerden, oefenden een niet geringe invloed uit op het massale karakter van de April-Meistaking van 1943.
Om een indruk te geven van wat in Limburg tussen 1940 en de bevrijding zoal aan pamfletten verscheen volgt hier een opsomming uit een ongetwijfeld veel langere reeks. In de bezettingsjaren ontvingen zowel de Maastrichtse politie als de Sipo geregeld vlugschriften via particulieren. 135 In de zomer van 1941 circuleerde in de Limburgse hoofdstad een pamflet waarin werd opgeroepen het werk vier dagen neer te leggen zodra Duitsland de “Battle of Britain” definitief verloren had en de Duitsers zich zouden terugtrekken. Het gewapend, georganiseerd verzet zou de bezetter vervolgens de genadeklap toebrengen. De autoriteiten achtten de inhoud belangrijk genoeg om erover te rapporteren aan de hoogste instanties in Berlijn. 136 In de tweede helft van 1941 verschenen, voorzover bekend alleen in Limburg, een of meer door het Comité voor Vrij Nederland, dat zelf twee illegale bladen uitgaf en rond de jaarwisseling van 1940-1941 was opgerold, ondertekende vlugschriften waarin met name stelling werd genomen tegen de N.S.B. De Sipo wist niet te achterhalen wie hiervoor verantwoordelijk waren. 137
Af en toe lukte het de Sipo wèl de makers en de verspreiders van een pamflet op te sporen. Dat overkwam in november 1941 de Maastrichtenaren C. van der Woude(n), P. Bollen en N.F. Courtens. 138 Twee mijnbeambten uit Heerlen, A.H.W. Smeets en J.A. Franssen, verspreidden in het voorjaar van 1941 vlugschriften met berichten van de B.B.C. op de bruinkoolgroeve Carisborg in het centrum van Brunssum. Eind april 1941 gaf de Duitser P. Becker de twee aan. Smeets verbleef zestien maanden in Duitse kampen, Franssen zes maanden. 139 In juli 1941 drukte J.R.J. Laumen uit Heerlen een blaadje met berichten van de B.B.C. en Radio Oranje en een tegen Mussert en de bezetter gericht pamflet. Zijn broer, J.M.A. Laumen, en een medewerker, M.J. Keulen, zorgden voor de verspreiding. Een werknemer van Laumen pleegde verraad. Laumen moest zich op 21 augustus 1941 bij de Sipo melden. De drukker kreeg vier maanden gevangenisstraf, zijn broer en Keulen kwamen na zes weken vrij.140 Het door Laumen gedrukt pamflet werd in Maastricht verspreid door onder anderen H.J. Renkens en een joodse jongeman. Laatstgenoemde viel door verraad in Duitse handen. Hij verdween naar een vernietigingskamp. 141 J.H. Tholen, een mijnwerker uit Geleen, verspreidde uit Heerlen afkomstige anti-Duitse pamfletten waarin werd opgeroepen mijnsabotage te plegen en tevens werd aangegeven hoe men dat het beste kon aanpakken. Doordat een exemplaar in verkeerde handen viel, kon de Sipo hem op 23 juni 1944 aanhouden. Tholen kwam op 5 april in Mauthausen om het leven. 142
Eind april en begin mei 1943 circuleerden in Limburg diverse vlugschriften waarin geprotesteerd werd tegen de aangekondigde terugvoering van de Nederlandse militairen in krijgsgevangenschap. Veelal gingen die protesten gepaard met een oproep tot staking. De Roermondenaar M.A.M. Bouman moest de vervaardiging van zo’n vlugschrift met de dood bekopen. In Venlo brachten H.H. Pollaert en L.P.C. Meyers een dergelijk pamflet in omloop. Op weg naar Eindhoven om het ook daar te verspreiden viel Meijers bijna in Duitse handen. 143 Voorafgaand aan de uitvoering van de maatregel om mannelijke arbeiders in Duitsland dwangarbeid te laten verrichten, ontving een aantal burgemeesters in Midden-Limburg in juli 1943 een oproep geen gegevens uit de bevolkingsregisters te verstrekken. 144 In hoofdstuk V, paragraaf II.3. werd reeds vermeld dat in plaatsen zoals Geleen en Maastricht pamfletten circuleerden waarin stelling werd genomen tegen de jodenvervolging. In het najaar van 1944, vooral september en oktober, voerde de bezetter de druk op de bevolking op om onder dwang verdedigingswerken aan te leggen teneinde de geallieerde opmars te stoppen. Uiteraard stuitte dit op (passief) verzet. In tal van plaatsen verschenen pamfletten waarin werd opgeroepen de Duitse eis te negeren of het werk te saboteren. In Sittard circuleerde eind augustus een vlugschrift waarin de makers de bevolking maanden niet te helpen bij de aanleg van verdedigingswerken bij Meerssen. Zij beriepen zich op artikel 52 van het Landoorlogreglement: een bezettende macht is niet bevoegd de bevolking in te schakelen bij krijgsverrichtingen. 145

V. Nabeschouwing

In totaal verschenen tijdens de bezetting in Nederland ongeveer dertienhonderd illegale bladen. Daarvan zijn er tussen de dertig en veertig in Limburg verschenen, een naar verhouding klein aantal. De meeste Limburgse bladen kwamen in het begin of pas in de eindfase van de bezetting voor het eerst uit. De gezamelijke oplage overschreed de twintigduizend niet. De makers van de eerste illegale kranten richtten hun aandacht vooral op de nationaal-socialistische bezetter, diens handlangers en beider instellingen. Ze hoonden allerlei maatregelen. Voorts trachtten ze de bevolking een hart onder de riem te steken en riepen ze op tot verzet en steun aan vervolgden en vluchtelingen. Protest en woede over het onrecht en de verloren vrijheid vulden naast oproepen tot weerbaarheid en (lokaal) nieuws de kolommen. Een politieke of ideologische strekking hadden deze bladen, afgezien van de communistische, niet. Géén van de vroegste illegale bladen was een lang leven beschoren. Als de Sipo er niet in slaagde de vervaardigers op te sporen, dan waren het de makers zelf die na enige tijd om uiteenlopende redenen het bijltje erbij neerlegden.
In het voorjaar en de zomer van 1943 kreeg de Limburgse illegale pers een nieuwe impuls. Dat hing samen met de toenemende honger naar actueel nieuws als gevolg van de invordering van de radio’s in mei van dat jaar en de hoopgevende ontwikkelingen aan de fronten. De pressie op de bevolking nam op alle denkbare terreinen toe en men kon doorgaans slechts moed en hoop voor de toekomst putten uit hetgeen de illegale bladen berichtten. Vooral in de eindfase, toen grote delen van de provincie in de nabijheid van het front lagen of van de rest van het land waren afgesneden, nam het aantal beknopte, gestencilde of met de hand geschreven nieuwsblaadjes snel toe. Ook deze krantjes ontbeerden een politiek of ideologisch karakter; men had andere zorgen. Slechts sporadisch werd bericht over tegenstellingen binnen de georganiseerde illegaliteit.
Waarom verschenen in Limburg naar verhouding zo weinig illegale bladen? Wellicht gaven de makers van “Oranje Post” in mei 1942, toen ze de uitgave vrijwillig staakten, het antwoord. Steeds meer landelijke bladen bereikten Limburg in steeds grotere aantallen. De totale oplage overschreed die van de Limburgse verzetsbladen ruimschoots. Door de stormachtige groei van de landelijke illegale pers in 1942 en de eerste helft van 1943 was er klaarblijkelijk veel minder behoefte aan provinciale, regionale of lokale Limburgse illegale bladen. Bovendien raakten belangrijke delen van de georganiseerde illegaliteit in Limburg betrokken bij de verspreiding van de landelijke verzetsbladen. Men nam met instemming kennis van de inhoud, zodat een van de voornaamste argumenten om zelf een blad te gaan uitgeven verviel: men, en dat gold ook voor degenen die niet bij de illegaliteit waren aangesloten, zag er de noodzaak niet van in. Deze vaststelling lijkt op het eerste gezicht misschien merkwaardig. Pater L.A. Bleijs betichtte de landelijke illegale pers er immers van dat ze zich ontwikkeld had tot geheime propagandapers van verschillende politieke groeperingen. Zijn ongenoegen hing vermoedelijk meer samen met het feit dat de katholiek geinspireerde illegaliteit a-politiek was, daar althans naar streefde, en trachtte de politiek-ideologische component buiten de deur de houden door het accent te leggen op eendracht en harmonie. Toen deze component via de landelijke illegale pers toch zijn intrede deed in Limburg, leidde dat bij sommige vooraanstaande provinciale representanten van de illegaliteit tot teleurstelling en enige zorg. Zorg omdat men voor een mogelijke beïnvloeding door deze pers van de katholieke Limburgers vreesde, die tot ongewenste verdeeldheid in het verzet en de samenleving zou kunnen leiden. Die vrees bleek echter ongegrond. De landelijke illegale pers oefende weliswaar invloed uit, maar die lag toch vooral op het terrein van de weerbaarheid. Bleijs’ ideaal om de illegaliteit tevens te gebruiken om de plooien binnen de Nederlandse samenleving, dat wil zeggen de levensbeschouwelijke en politiek-ideologische tegenstellingen, glad te strijken werd door de realiteit gelogenstraft. De illegaliteit had immers een heel ander doel. Onder druk van de omstandigheden waren sommige scheidslijnen enigszins vervaagd, maar geenszins verdwenen.

Noten

  1. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 724; V, p. 805; VII, p. 838. Winkel, De onder- grondse pers, p. 205. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 222, 242-
  2. Klumper, Sociale verdediging, pp. 142-143.
  3. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 220, 254. Smedts, Den Vaderland getrouwe, pp. 171-184.
  4. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 220-221, 249, 254. Klum- per, Sociale verdediging, p. 144. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 714, 725.; V, p. 806.
  5. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 220-221, 254-255. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 806; VII, pp. 837-838.
  6. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 220-221, 248. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 837-838. Smedts, Den Vaderland getrouwe, pp. 171-184. Klumper, Sociale verdediging, p. 144.
  7. Klumper, Sociale verdediging, p. 144. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 249-255. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 13-34.
  8. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 844-845. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 244-245.
  9. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 846-847. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 245.
  10. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 847-848, 852. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 246.
  11. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 853-854. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 220, 247.
  12. Een overzicht van de in Nederland verschenen illegale pers kan men vinden in: Winkel, L.E., De ondergrondse pers 1940-1945. ’s-Gravenhage, 1954. Een geheel herzie- ne uitgave van deze studie door drs. H. de Vries verscheen in 1989 bij uitgeverij Veen.
  13. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 277-285. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 224-226. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 807-817. Bijlage bij Vrij Nederland, 6-9-1980; art. G. Mulder, pp. 4-10. Mulder en Koedijk, H.M. van Randwijk, pp. 163-181, 197, 201-250.
  14. Brief A.H. van Mansum, Ottawa (Canada), 22-11-1985. Keith, A Friend among Enemies, pp. 23-32. Vraaggesprekken auteur met H.J. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985 en met J. Vrij, Rijswijk, 22-10-1985. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.S.H. Lokerman.
  15. Keith, A Friend among Enemies, p. 32. C.A.B.R. Dossier G.H.W. Vroomen.
  16. R.v.O. Coll. Doc. II, Groep-2000; idem, Coll. L.O./L.K.P., map FF.
  17. Vraaggesprek auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  18. Vraaggesprek auteur met P. Satijn, Maastricht, 29-11-1985.
  19. Vraaggesprek auteur met F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986.
  20. Collectie L. Jans, Eben Emael (B): brief W.J. Quint, 7-10-1976. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  21. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  22. R.v.O. Coll. L.O.-L.K.P., map AL-4: verslag J.P. Vraaggesprek auteur met J.H.M. Puts, Maasbracht, 14-11-1985.
  23. Winkel, De ondergrondse pers, p. 282. R.v.O. Coll. L.O.-L.K.P., map EO-3: verslag J.S., 25-12-1945; idem, Coll. Doc. I, 1476, map A.
  24. R.v.O. Coll. Doc. I, 1476, map A. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  25. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 108-109. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 214/2. R.v.O. Coll. Doc. II, 992, O.V.N.
  26. B.R.I.O.P. Dossier Persverzet, Alg. I, map O.V.N. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  27. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 197-205. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 227-229.
  28. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C II, pp. 1018-1020: verklaring mr. J.C.S. Warendorf. Telefonische inlichtingen van M. de Keizer, Amsterdam, 12-11-1987.
  29. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 197-205.
  30. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, IV C I, pp. 526-527: verklaring G.J. van Heuven Goedhart; IV C II, p. 1436: verklaring D.J. de Jong; V C, p. 171: verklaring G.J. van Heuven Goedhart. Van Heuven Goedhart, De reis van “Colonel Blake”, pp. 6-44. “Heuven Goedhart, G.J. van”, Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereld- oorlog, pp. 264-265.
  31. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 202-205. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse Bezetting, p. 229.
  32. De Keizer, Het Parool, pp. 161, 177-181, 190, 208, 332-344, 356. Scheps, Scheps inventariseert, I, pp. 108, 190. Archief Stichting Het Parool, Amsterdam. Doc. Ver- spreiders Limburg (H. van der Ploeg en J.H. de Wever). Stichting ’40-’45, Eindhoven. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg. Archief Gouverneur Algemeen, inv. nr. 2.07.26: schrijven A. Paulen, 28-12-1947.
  33. Archief Stichting Het Parool, Amsterdam. Doc. Verspreiders Limburg. S.H.C. Archief J.G. de Groot: rapport De Groot, 12-11-1946. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg. Archief Gouverneur Algemeen, inv. nr. 2.07.26: schrijven A. Paulen, 28-12-1947.
  34. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Archief Stichting Het Parool. Doc. Verspreiders Lim- burg. Vraaggesprek auteur met F.A.A. van Maanen, Neerbeek, 7-11-1986.
  35. Archief Stichting Het Parool. Doc. Verspreders Limburg. De Keizer, Het Parool, p. 489. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.S.H. Lokerman. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met H.J. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985 en 20-5-1992.
  36. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  37. Archief Stichting Het Parool. Doc. Verspreiders Limburg (Venlo).
  38. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.-Venray.
  39. De Keizer, Het Parool, pp. 362, 367. Archief Stichting Het Parool. Doc. Versprei- ders Limburg (Roermond).
  40. R.v.O. Coll. 263: verklaring J.G., 30-10-1943.
  41. Van Lieshout, De Aal van Oranje, p. 331.
  42. S.H.C. E.A.N. 863, L. Frantzen: dagboek, 12-3-1942.
  43. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 247-255. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 231-232. Over de Trouw-weekends schref mevrouw Ten Brug- gencate-Bruynen, een van de hoofdverspreidsters: “Er is in het centraal overleg altijd toch wel wat oppositie gevoerd door de niet-gereformeerden tegen een A.R.-signatuur van de krant, later werd dat vooral door Jan (Penning, auteur) en mij en anderen voortgezet. Dat ging zelfs zover dat ik in de hongerwinter, toen we in Lochem drukten, geweigerd heb het artikel te plaatsen naar een Christelijke Volkspartij; dat was politiek, vond ik, en we waren een verzetskrant. De afspraak, de “belofte” van de redactie was, dat de krant niet zou worden voortgezet na de oorlog, wij vonden dat belangrijk, omdat zoveel andersdenkenden aan het blad meegewerkt hadden. Helaas is dat tòch gebeurd; ik heb de vergadering waarop dit werd besloten niet mee kunnen maken, omdat ik na een ernstig ongeval in het ziekenhuis lag. Ik heb het de redactie en veel van mijn mede- verspreiders erg kwalijk genomen; en nog steeds is dat voor mij een heel punt, dat ik dit niet tegen heb kunnen houden, terwijl ik weet, dat een aantal van de Trouw-slachtof- fers het zeker niet eens zouden zijn geweest met dit beleid. Ik denk ook, dat het voor een aantal van hun nabestaanden van belang was” (Brief mevrouw M. ten Bruggencate- Bruynen aan auteur, Maasdam, 4-8-1992).
  44. Collectie K. Koers, Winschoten: verslag K. Koers over “Trouw”.
  45. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 250-251.
  46. Brief mevrouw M. ten Bruggencate-Bruynen aan auteur, Maasdam, september 1987.
  47. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 251-253.
  48. R.v.O. Coll. 263: map “Trouw”.
  49. Brief mevrouw M. ten Bruggencate-Bruynen aan auteur, Maasdam, september 197.
  50. Ibidem.
  51. Ibidem.
  52. Ibidem.
  53. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. Doc. II, 621: E.B. Collectie K. Koers, Winschoten: verslag K. Koers over “Trouw”. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: verslag L.O.-district Heerlen. Vraaggesprekken auteur met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985 en met C. Janssen, Ulestraten, 11-6-1986. Citaat: brief M. ten Bruggencate-Bruynen aan auteur, Maasdam, september 1987.
  54. Brief M. ten Bruggencate-Bruynen aan auteur, Maasdam, september 1987.
  55. Ibidem.
  56. Ibidem. Collectie K. Koers, Winschoten: verslag K. Koers over “Trouw”. Collectie G.v.A., Roermond, Rijkspolitie, parketgroep Roermond, nr. 112 (1948).
  57. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie G.v.A., Roermond: verslag illegaal werk van H. Zormar door G. Verlinden. Brief M. ten Bruggencate-Bruynen aan auteur, Maasdam, september 1987. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 254-255. G.A.R. Dossier oorlogsdo- cumenatie, inv. nr. 181: “Hoe de illegale pers te Roermond tijdens de bezetting heeft gewerkt”. Het blad “Trouw”; idem: verslag van F. Br. (Bronckhorst); idem, inv. nr. 180: groep-Trouw in Susteren. G.A.R. inv. nr. 2.07 (81).
  58. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.- Venray. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Organisaties op naam, Oranje Hagel: rapport 27-1-1945.
  59. Brief M. ten Bruggencate-Bruynen aan auteur, Maasdam, september 1987.
  60. Ibidem. Winkel, De ondergrondse pers, p. 251. Het Grote Gebod, I, pp. 316-317, 550, 572-573. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 345-346.
  61. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 124-127. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 229-231.
  62. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-2: J.T.-B., 29-8-1946; idem, map AL-4: rapport L.O.-Venray. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985.
  63. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  64. Vraaggesprekken auteur met Th. Gijssen, Spaubeek, 28-5-1986 en met M.K.J. Smeets, Maastricht, 26-5-1992.
  65. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  66. B.R.I.O.P. B.S.-dossier A.H.M.C. Kessen.
  67. Stichting ’40-’45, Eindhoven. 1103
  68. Ibidem. Vraaggesprek auteur met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985.
  69. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 182-183. De Jong, Het Koninkrijk, VII, pp. 838- 839. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, p. 236. R.v.O. Coll. 263: “Ons Volk”, rapport E.A.-E., november 1945. F. Beek uit Maasniel verklaarde na de oorlog dat landelijke verzetsbladen als Het Parool, Vrij Nederland en Trouw in 1943 per binnenvaartschip werden aangevoerd en opgeslagen in de loodsen van Janssen Boten. Hij haalde er de pakketten wekelijks op, verdeelde die op het P.L.E.M.-kantoor en gaf ze vervolgens mee aan een chauffeur. Laatstgenoemde leverde ze af bij transformaat- huisjes in Midden-Limburg, waar onderverspreiders de kranten in ontvangst namen (Stichting, ’40-’45, Eindhoven).
  70. Vraaggesprek auteur met F.J.K. Russel, Nijmegen, 26-9-1985. Brief F.J.K. Russel, Nijmegen, 22-12-1987. Collectie F.J.K. Russel, Nijmegen: verslag vraaggesprek met F. Sobels, 14-11-1985. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 182-183, 238, 262. R.v.O. Coll. 263: “Ons Volk”, rapport F.S., 12-8-1945.
  71. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: aantekeningen J.P. en verslag L.O.-Maasbracht.
  72. Winkel, De ondergrondse pers, p. 183. Vraaggesprekken auteur met J. van Banning, Rekem (B), 18-11-1985 en met J. Daemen, Bergen, 28-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.A.L. Archief Militair Gezag, D.M.C.-Venlo, doos 5, map 38. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.-Venray.
  73. Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, pp. 236-237. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 841. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 91-92. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag C. ten H., 18/19-8-1946; idem, Coll. Doc. II, 1316,: verslag W.S., 22-5-1947; idem Coll. HSSPF, map 37-b: Meldungen aus den Niederlan- den 182, 15-8-1944. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII C, p. 354: verklaring mr. C.J.A.M. ten Hagen.
  74. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag C. ten H., 18/19-8-1946. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 218-220. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII C, p. 357: verklaring mr. C.J.A.M. ten Hagen.
  75. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Dossier persverzet, Alg. I, map Christofoor. R.v.O. Coll. 263, map illegale bladen zonder titel. Vraaggesprek auteur met R. Suilen, Swalmen, 17-4-1986.
  76. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met Th. Gijssen, Spaubeek, 28-5- 1986. Collectie L. Jans, Eben Emael (B): brief W.J. Quint, 7-10-1976. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: aantekeningen J.P. en rapport L.O.-Maasbracht door J.P.
  77. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 107-108.
  78. Vraaggesprekken auteur met F.J.K. Russel, Nijmegen, 26-9-1985 en met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. Brief F.J.K. Russel, Nijmegen, 22-12-1987. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  79. Brief F.J.K. Russel, Nijmegen, 22-12-1987. Winkel, De ondergrondse pers, p. 110. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map AL-4: rapport L.O.-Venray.
  80. Vraaggesprek auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985.
  81. Vraaggesprek auteur met H. Heijboer, Heerlen, 5-11-1985.
  82. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 212-213. R.v.O. Coll. 263: “De Ploeg”, rapport A. van der L., juli 1951.
  83. Winkel, De ondergrondse pers, p. 185.
  84. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport illegale pers, 27-10-1945.
  85. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 178 (1945).
  86. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  87. R.v.O. Coll. 263, map illegale bladen zonder titel. Vraaggesprek auteur met J.R.P. Crasborn, Heerlen, 2-10-1985 en 30-10-1985.
  88. Vraaggesprek auteur met C.J.H. Janssen, Ulestraten, 11-6-1986.
  89. Limburgs Dagblad, 18-5-1977, p. 2. Artikel J. van Lieshout.
  90. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  91. Vraaggesprek auteur met J.H.M. Puts, Maasbracht, 14-11-1985.
  92. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  93. Ibidem.
  94. B.R.I.O.P. Doc. B.S., collectie Koot, diversen, doc. I: dr. A. Kessen; idem, B.S.- dossier A.H.M.C. Kessen.
  95. Winkel, De ondergrondse pers, p. 179.
  96. Vraaggesprek auteur met J.M. Sieben, Venlo, 21-11-1985.
  97. Winkel, De ondergrondse pers, p. 192. Vraaggesprek auteur met A.M.H. Mertens, Sevenum, 20-10-1988 en 18-9-1989. Paape, Donkere jaren, p. 66. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 94. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.R. Dossier oorlogsdocu- mentatie, inv. nr. 181: rapport H. van de Beek en illegale pers en rapport B.O.K. door J.W. Roumen, 15-7-1945; idem, inv. nr. 2.07.531 (851).
  98. Winkel, De ondergrondse pers, p. 191. R.v.O. Coll. 263: “Oranje Hagel”, rapport H.P., 13-2-1951.
  99. R.v.O. Coll. HSSPF, map 34-b: Meldungen aus den Niederlanden 70, 18-11-1941.
  100. Winkel, De ondergrondse pers, p. 191. R.v.O. Coll. 263: “Oranje Hagel”, rapport H.P., 13-2-1951.
  101. Winkel, De ondergrondse pers, p. 308. R.v.O. Coll. 263: “Het Vrije Volk”. Hoog- eveen, Eveneens voor de goede orde, pp. 86-89. Van Aernsbergen, Onze Gevallenen, p. 94. Collectie H.J. Hendriks, Brunssum: brief W.J. Quint, 7-10-1976. Verslag Enquête- commissie 1940-1945, VIII C-1, p. 251: verklaring F.J. Molenaar. S.H.C. Archief J.G. de Groot: rapport J.G. de Groot, 12-11-1946. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  102. C.A.B.R. Dossier J.J. Creemers.
  103. R.v.O. Coll. HSSPF, map 34-b: Meldungen aus den Niederlanden 66 (21-10-1941) en 67 (28-10-1941).
  104. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. 35, S.G. 15/41; idem, Coll. 263: “Het Vrije Volk”. C.A.B.R. Dossiers G.J.M. Seelen (zaak Het Vrije Volk), M.C. Raeven en R.H.G. Nitsch (zaak Het Vrije Volk). Winkel, De ondergrondse pers, p. 308.
  105. R.v.O. Coll. HSSPF, map 34-b: Meldungen aus den Niederlanden 68 (4-11-1941).
  106. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VIII C-1, p. 251: verklaring F.J. Molenaar. S.H.C. Archief J.G. de Groot: rapport J.G. de Groot, 12-11-1946.
  107. R.v.O. Coll. HSSPF, map 34-b: Meldungen aus den Niederlanden 70 (18-11-1941).
  108. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  109. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch (zaak Het Vrije Volk). Stichting ’40-’45, Eindho- ven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1489. R.A.L. Archief Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 6, inv. nr. 39. R.v.O. Coll. 35, S.G. 15/41. Hoogeveen, Eveneens voor de goede orde, pp. 86, 88.
  110. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch (zaak Het Vrije Volk). R.A.L. Archief Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos 6, inv. nr. 39. Hoogeveen, Eveneens voor de goede orde, p. 88. Stichting ’40-’45, Eindhoven. In de tekst zijn niet alle arrestanten genoemd. De niet genoemden kregen tuchthuisstraffen variërend van enkele maanden tot twaalf jaar. Dit laatste vonnis trof de oud-militair L.H. Vossen, verspreider op de mijn Emma. 88
  111. Hoogeveen, Eveneens voor de goede orde, pp. 86, 89. Winkel, De ondergrondse pers, p. 308. R.v.O. Coll. 263: “Het Vrije Volk”.
  112. Vraaggesprek auteur met P. Satijn, Maastricht, 29-11-1985.
  113. Winkel, De ondergrondse pers, p. 147. Vraaggesprek auteur met J.A.J. Janssen, Maastricht, 1-10-1985.
  114. R.v.O. Coll. 35, 3 S.G. 2/44. Winkel, De ondergrondse pers, p. 275. Paape, Donkere jaren, pp. 67-68. R.A.L. Archief Militair Gezag, D.M.C.-Roermond, doos 2, inv. nr. 13: brief G.A. Lucassen, 28-3-1945. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  115. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: verslag “Nieuws van de Fronten” door N.N. (waarschijnlijk G.M. Schippers), 15-3-1945; idem: verslag door G.M. Schippers, 15-3-1945. B.R.I.O.P. Dossier persverzet, Alg. I, map O.V.N. Stichting ’40- ’45, Eindhoven.
  116. Winkel, De ondergrondse pers, p. 325. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J. Wintels. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport Venray en illegale pers.
  117. Winkel, De ondergrondse pers, p. 210. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. 263: “De Patriot”. Smedts, Waarheid en leugen, p. 176.
  118. Winkel, De ondergrondse pers, p. 210.
  119. De hectograaf is een soort drukpers waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden van met paarse, afgevende aniline-inkt geschreven stukken. Er kleeft echter een nadeel aan deze wijze van drukken. Er kan maar een beperkte oplage mee worden geproduceerd.
  120. Winkel, De ondergrondse pers, p. 157. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Archief B.S., Gewest 19-1-1: H. Schouten en M.H. Lensen. Vraaggesprekken auteur met J.F.H. Mulders, Venlo, 16-6-1986 en met mevrouw D.J. Beurskens-Huys, Tegelen, 31- 10-1985. R.v.O. Coll. 263: “Moed en Vertrouwen”, verslag H.S., 11-2-1946; idem, Coll. L.O./L.K.P., map AM-1: verslag L.O.-Maasbree.
  121. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  122. Winkel, De ondergrondse pers, p. 302. R.v.O. Coll. 263: “De Vrije Pers”. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier XII: rapport illegale pers district Venray.
  123. Winkel, De ondergrondse pers, p. 265.
  124. Ibidem, p. 193. Smedts, Waarheid en leugen, p. 176.
  125. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 82-83. R.v.O. Coll. 263: “B.V.O.”. R.A.L. Archief Militair Gezag, D.M.C.-Roermond, doos 1, inv. nr. 6: verslag F. Alers, 1-2- 1945. Vraaggesprek auteur met mevrouw A. Alers-Manders, Roermond, 10-4-1992. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516: rapport L.O.-Roermond (illegale pers). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  126. Winkel, De ondergrondse pers, p. 164. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie auteur: rapport “De Nieuwe Tijd” door H. van Herten, voormalig gemeente-ontvanger van Horn.
  127. Winkel, De ondergrondse pers, p. 98. Collectie G.v.A., Roermond: handgeschreven verklaring van R. Nitsch. A.R.A. B.O.O.M., inv. nr. 2.09.13, doos 151, map Nitsch: B.O.O.M. Amsterdam, nr. 42. C.A.B.R. Dossier C. Klonen (zaak S. Berden). B.R.I.O.P. Dossier persverzet, Alg. I, map D.B.D. Archief Kabinet C.D.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531: burgemeestersdossier Gronsveld. R.v.O. Coll. 263: “D.B.D.”; idem, Coll. L.O./L.K.P., doos 89, map FK. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  128. Paape, Donkere jaren, p. 68. Winkel, De ondergrondse pers, p. 214. Een kroniek van zeven maanden oorlog in Roermond, p. 25. Smedts, Waarheid en leugen, pp. 176-177. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport N.N. inzake “De Postduif”, 13-10-1945; idem, inv. nr. 1.755: maatregelen tegen N.S.B.-ers en Politieke gevangenen 1945-1947, verklaring J.I.W. Simmelink. R.v.O. Coll. 263: rapport A.R., 1-8-1945. C.A.B.R. Dossier G. Holla, P.R.A.-Roermond, nr. 1091 (1946). Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  129. Winkel, De ondergrondse pers, p. 82. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  130. Collectie A.M.H. Mertens, Sevenum. In het boekje “Serum in d’n ôzel” wordt ’t Duikertje herhaaldelijk genoemd. Hoewel de oplage gering was, namen veel inwoners van Sevenum kennis van de inhoud. Daaruit kan worden afgeleid dat het blad van hand tot hand ging (pp. 36-50).
  131. Winkel, De ondergrondse pers, p. 226. Camps et al., Oorlog In Noord-Limburg, p. 47.
  132. Het Grote Gebod, II, p. 249.
  133. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  134. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nrs. 611, 1485, 1486, 1489, 1587, 1588.
  135. R.v.O. Coll. HSSPF, map 33-a: Meldungen aus den Niederlanden 56 (12-8-1941).
  136. Winkel, De ondergrondse pers, pp. 152-153. R.v.O. Coll. HSSPF, map 34-b: Meldungen aus den Niederlanden 66 (21-10-1941).
  137. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, inv. nr. 1489.
  138. C.A.B.R. Dossier A.M. Hirsch.
  139. C.A.B.R. Dossiers R.H.G. Nitsch (arrestaties te Heerlen, 21-8-1941) en A.Th.L. van Heeswijk. Collectie G.v.A., Roermond. Subcommissie opsporing oorlogsmisdrijven Limburg te Maastricht, nr. 5 (E. Georges).
  140. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, nr. 236 (1944).
  141. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  142. B.R.I.O.P. B.S.-dossier L.P.C. Meijers.
  143. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg: dossier zuivering, 22-7-1943.
  144. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77.