Het Verborgen Front - Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Inhoud]

Hoofdstuk VIII

De Ordedienst


I. Landelijk: mei 1940 - medio 1942

Na de capitulatie in mei 1940 gingen sommige militairen koortsachtig op zoek naar mogelijkheden om iets tegen de Duitse bezetter te ondernemen. Hoe men daaraan gestalte moest geven, was op dat moment nog niet duidelijk. In de loop van 1940 en 1941 ontstonden in het hele land kleine illegale groepjes van in Nederland achtergebleven en uit Duitsland teruggekeerde, gedemobiliseerde militairen. Sommigen overwogen naar Engeland uit te wijken om van daaruit de strijd voort te zetten. Anderen koesterden stoutmoedige plannen en beraamden de meest uiteenlopende acties tegen de bezetter en diens handlangers. Weldra bleek dat de geschikte middelen ontbraken, de kennis en ervaring veelal onvoldoende waren en vooral dat men voor zulke plannen een geoliede en wijdvertakte organisatie nodig had. Bovendien liep men zelf gevaar en werd de burgerbevolking vanwege eventuele Duitse represailles aan onnodige risico’s blootgesteld. Aanhang en omvang van enige betekenis kregen zulke groepjes dan ook niet. Vaak lieten ze de oorspronkelijke plannen na enige tijd varen en gingen op in grotere verbanden, als ze tenminste niet voortijdig waren opgerold.
Een tweede categorie van oud-militairen gaf blijk van meer realiteitszin en begon allerlei, mogelijk belangrijke (militaire) inlichtingen te verzamelen en zocht naar wegen om de geallieerden daarvan op de hoogte te stellen. Verder verzamelde men wapens en verleende men bijstand aan personen die om uiteenlopende redenen naar neutraal of onbezet gebied probeerden uit te wijken. Sommigen stonden aan de wieg van de eerste illegale bladen en pamfletten of raakten betrokken bij de uitgave en verspreiding. Anderen gingen een stap verder en zochten naar objecten die geschikt waren voor het plegen van sabotage. Een derde categorie begon zich eveneens te organiseren, maar had haar twijfels over het nut van bovenstaande werkzaamheden en acties. Voor hen stond vast dat de bezetter vroeg of laat het land zou moeten ontruimen en dat juist daarom niet vroeg genoeg kon worden begonnen met het treffen van een aantal noodzakelijke voorzieningen. In brede kring heerste een groot optimisme over een gunstige en zelfs spoedige afloop van de oorlog. Men ging ervan uit dat, zodra de Duitsers het land gedeeltelijk of geheel hadden verlaten, de nieuwe - wellicht tijdelijke - machthebbers terstond moesten beschikken over een landelijk apparaat dat borg stond voor orde en gezag. Hun stond met andere woorden een militair-politioneel en gezagsondersteunend lichaam voor ogen.1] Wie met dat gezag moest worden bekleed, deed vooralsnog niet ter zake, het instrument stond centraal.
Hoewel de uitgangspunten nogal verschilden, gingen al die groepen en groepjes naarstig op zoek naar gelijkgezinden en streefden ze naar samenwerking. Soms lukte dat, maar vaak bleken de tegenstellingen niet te overbruggen. Vanwege het bijna openlijk gepraat over de plannen en de vele ingewijden en contactpersonen - een min of meer logisch gevolg van het gebrek aan ervaring op dit gebied en van een tot roekeloosheid leidend optimisme en zelfoverschatting - probeerden sommigen enige samenhang aan te brengen in de amorfe structuur en de onderlinge verdeeldheid waar mogelijk tegen te gaan. Er was sprake van een spontane en stuurloos verlopende ontwikkelingsfase.
In de tweede helft van 1940 ontstonden enkele grotere paramilitaire organisaties van méér dan plaatselijke of regionale betekenis. Twee daarvan zouden de grondslag vormen voor de Ordedienst of kortweg O.D.: het Legioen van Oud-Frontstrijders (L.O.F.) en een aanvankelijk kleine groep, die zich op grond van camouflageoverwegingen van meet af aan Ordedienst noemde. 2] Het L.O.F., waarvan het zwaartepunt in het westen van het land lag, was opgericht om een leger op de been te kunnen brengen, zodra de geallieerde invasie ergens op de Westeuropese kust een feit was. Alle daarmee samenhangende en noodzakelijke voorbereidingen moesten worden getroffen in een tijd dat het nog niet zover was. De leiders gingen ervan uit, dat zich na de werving van een militair kader een sneeuwbaleffect zou voordoen: elke nieuwkomer zou op zijn beurt nieuwe krachten werven. Voorts rekende het L.O.F. het tot zijn taak de Britten in hun strijd te steunen door het verzamelen en doorgeven van militaire inlichtingen alsmede het voorbereiden en uitvoeren van sabotage. Verder dan de voorbereidende fase kwam men niet. Begin april 1941 viel de leiding van het L.O.F. grotendeels in Duitse handen. 3]
Hetzelfde overkwam op 4 april 1941 de prille O.D.-organisatie door de arrestatie van haar voorman luitenant-kolonel J.H. Westerveld. Een belangrijk deel van het kader werd op of omstreeks die datum eveneens in hechtenis genomen. Kort tevoren waren de eerste fusiebesprekingen tussen de twee organisaties op gang gekomen. Ze verliepen niet vlot. De O.D. nam in theorie een passieve houding aan en wenste niet te hard van stapel te lopen. Ze zag pas een belangrijke taak voor haar weggelegd in de periode volgend op de aftocht van de bezetter. Dat zinde de leiding van het L.O.F. met haar offensieve doelstelling niet. 4]
Los van deze twee initiatieven in militaire kring was in augustus 1940 een groepje ontstaan rond de Haagse wijnkoper jhr. J. Schimmelpenninck. Het was hem niet ontgaan dat overal kleine verzetsformaties tot stand kwamen. Schimmelpenninck voelde zich geroepen hierin structuur en coördinatie aan te brengen. Daarnaast ging hij zich toeleggen op de vorming van een organisatie die meteen na het vertrek van de Duitsers het civiel landsbestuur in handen zou kunnen nemen. Daartoe diende men zich vooraf te vergewissen van voldoende steun, oordeelden Schimmelpenninck c.s. Hij polste zijn oom, de oud-commandant van het veldleger, jhr. W. Röell. Schimmelpenninck was aan het juiste adres. Röell speelde al langer met de gedachte een militaire organisatie op te bouwen, die borg zou kunnen staan voor orde en rust gedurende de te verwachten gezagsloze periode tussen de aftocht der Duitsers en de terugkeer van de koningin uit Londen. Hij voerde daarover overleg met verscheidene personen. Zijn denkbeelden sloten nauw aan bij die van Schimmelpenninck. Met betrekking tot de militair-organisatorische component vond Röell bij J.H. Westerveld gehoor. Deze deed zich kennen als een energiek en kundig organisator. Nog vóór het einde van 1940 slaagde hij erin het militair netwerk, de Ordedienst, in grote delen van het land op te bouwen. Röell trad op als commandant van de O.D., Westerveld als chef-staf. 5]
Zowel Röell als Schimmelpenninck waren van mening, dat een actief optreden van de O.D. in de laatste en beslissende oorlogsfase tot de mogelijkheden behoorde, maar ze maakten dat afhankelijk van enkele grondvoorwaarden. Men moest in elk geval over voldoende wapens en munitie beschikken. Het accent lag evenwel op de periode na de Duitse aftocht. Voor een mogelijke invulling van het interim-bestuur liet Schimmelpenninck zich leiden door de gebeurtenissen in 1813, toen de Franse legers het land hadden ontruimd en een tijdelijk bestuur de macht had overgenomen. Het “Voorlopig Bewind” zou, net als toen, moeten bestaan uit twee burgers en één militair: de gewezen gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jhr. mr. B.C. de Jonge, de gepensioneerde militair Röell en Schimmelpenninck zelf. Teneinde voldoende steun voor dit plan te verwerven, voerde Schimmelpenninck besprekingen met ambtenaren op de ministeries en in de staatsbedrijven. De machtswisseling moest immers snel en soepel verlopen. In de korte tijd dat hij met de leiding van de O.D. was belast, sprak hij ook met vertegenwoordigers van politieke partijen, maar dáár ontmoetten zijn denkbeelden de nodige scepsis. Hij zette echter door, maar verloor de noodzakelijke voorzichtigheid uit het oog. Door de vele gesprekken en illegale contacten werden (te) veel personen ingewijd. Bovendien deed Schimmelpenninck enkele naïeve en onverstandige dingen: hij liet briefpapier drukken met het opschrift “Voorlopig Bewind” en een foto maken van het driemanschap. 6]
Wat Westerveld van Schimmelpennincks activiteiten wist en of hij ermee instemde, staat niet vast. Hij had gedurende de tweede helft van 1940 zijn handen vol aan de organisatie en verdere uitbouw van de O.D. Niet Schimmelpenninck maar Westerveld knoopte namens de O.D. de eerste gesprekken aan met leidende personen uit de vooroorlogse politiek. Sedert het najaar van 1940 trad Westerveld tòch al steeds vaker op de voorgrond, omdat zijn commandant Röell tussen 7] oktober en 31 januari 1941 als gijzelaar zat opgesloten in het kamp Buchenwald. Na zijn terugkeer in Nederland - het resultaat van een met succes gesimuleerde hartkwaal - hield Röell zich, mede op aandringen van Westerveld, op de achtergrond, omdat de bezetter zijn doen en laten nauwlettend in de gaten hield. 7 Niet zijn visie op de rol van de O.D., maar die van Westerveld was vanaf oktober 1940 doorslaggevend. Merkwaardig genoeg hield de chef-staf van de O.D. er twee, nogal uiteenlopende opvattingen op na. In sommige kringen verklaarde hij dat de bezetter tè sterk was en de O.D. een passieve, afwachtende houding moest aannemen tot het vertrek van de Duitsers. Elders liet hij - vertrouwelijk - een heel ander geluid horen: met geselecteerde groepen of mobiele reserves zou op een geschikt tijdstip de strijd met de Duitsers moeten worden aangebonden. Daarom achtte hij het raadzaam naast militaire inlichtingen ten behoeve van de Britten ook wapens te verzamelen. Voorts rekende hij het tot de taak van de O.D. de eigen en andere illegale organisaties te beschermen en te ondersteunen door (potentiële) verraders onschadelijk te maken, onderduikadressen te zoeken en papieren te vervalsen. 8]
Wat Westerveld precies voor ogen stond, zou nooit duidelijk worden. Door infiltratie en loslippigheid kreeg de Sipo vat op de organisatie. Westerveld en een aantal van zijn gewestelijke en plaatselijke commandanten werden, zoals gezegd, begin april 1941 gearresteerd. Tijdens het zogeheten eerste O.D.-proces, een jaar later, werden 79 doodvonnissen uitgesproken, waarvan 72 vonnissen werden voltrokken. Westerveld werd op 3 mei 1942, vermoedelijk meteen na aankomst in het kamp Sachsenhausen, doodgeschoten. 9]
Zijn opvolger, de luitenant-kolonel van de marechaussee P.M.R. Versteegh uit Bussum, slaagde er in juni 1941 in een fusie tot stand te brengen tussen de O.D. en de restanten van het eveneens in april 1941 uiteengeslagen L.O.F. Hij trok de lijn van Westerveld door, maar stelde zich ondubbelzinniger op ten aanzien van een deelname van de O.D. aan de geallieerde strijd zodra die in de eindfase was gekomen. 10] Er rustte een zware taak op Versteegh. Hij moest een belangrijk deel van de organisatiestructuur herstellen. Hij begon met de opbouw van een interne verbindingsdienst. Evenals zijn voorganger probeerde hij de organisatie een breder draagvlak te geven door nieuwe contacten te leggen. Hij sprak met enkele politieke vertegenwoordigers en zette uiteen dat hij de O.D. als de militair-politionele arm van het wettig Nederlands gezag beschouwde, zodra dat in Den Haag zou zijn teruggekeerd. Deze zienswijze legde Versteegh vast in de “Richtlijnen voor gewestelijke-, districts-, en plaatselijke commandanten”. Kort daarna, op 12 september, werd hij gearresteerd en in mei 1942 gefusilleerd. 11]
Röell, in naam nog steeds commandant van de O.D., achtte nu kennelijk het tijdstip gekomen om in te grijpen. Hij benoemde Schimmelpenninck tot chef-staf. De twee hadden hun plan inzake het instellen van een Voorlopig Bewind, dat boven de politieke partijen diende te staan, in de periode dat de O.D. werd geleid door de meer democratisch gezinde en tot politiek overleg genegen Westerveld en Versteegh niet waar kunnen maken, maar evenmin losgelaten. De denkbeelden van Röell en Schimmelpenninck vielen niet bij iedereen in goede aarde. De sociaal-democraat J.J. Vorrink maakte zich ernstige zorgen over de autoritaire opvattingen van de O.D. van dat moment.12] Twee maanden nadat Schimmelpenninck de leiding van de O.D. op zich had genomen, op 13 november 1941, kwam een voorlopig en onverwacht einde aan de zorgen van de socialistische voorman. Die dag werd Schimmelpenninck in zijn woning gearresteerd. In 1943 verscheen hij voor een executiepeloton. 13]
Begin december 1941 nam de majoor der infanterie N. Tibo op verzoek van Röell de functie van chef-staf op zich. In de voorafgaande weken had de adjudant van Schimmelpenninck, de adelborst G.A. Dogger, de functie waargenomen. In organisatorisch opzicht deed of kon Tibo weinig doen. Wèl verschenen er onder zijn verantwoordelijkheid in april 1942 nieuwe, tamelijk nauwkeurig omschreven richtlijnen, die op sommige onderdelen onmiskenbaar elementen bevatten uit de politieke denkwereld van Schimmelpenninck. Het concept dat Tibo in maart 1942 werd voorgelegd was weliswaar gebaseerd op de directieven van Versteegh, maar aangevuld en op enkele punten gewijzigd door de luitenants C. Navis en P.C. Vroom. Zij hadden met onder anderen Dogger enige tijd in de naaste omgeving van Schimmelpenninck doorgebracht en deelden klaarblijkelijk diens denkbeelden. Voortaan stond de O.D. onder bevel van het Voorlopig Bewind. Opnieuw leek de organisatie in autoritair vaarwater te geraken. 14]
Als gevolg van het terugvoeren in krijgsgevangenschap van ruim tweeduizend Nederlandse beroepsmilitairen op 15 mei 1942 liep de O.D. opnieuw zware klappen op. Talrijke kaderleden vielen weg of trokken zich ijlings terug. Ook Tibo begaf zich in krijgsgevangenschap en werd op 13 juni 1942 alsnog door de Sipo gearresteerd. Hij overleed op 28 januari 1945 in een Duitse gevangenis. Het laatste uur leek te hebben geslagen voor de militaire organisatie. Tussen begin 1941 en de zomer van 1942 had de O.D. ruim 450 medewerkers verloren. 15]
In deze hachelijke maanden van 1942 vroegen enkele overgebleven kaderleden jhr. P.J. Six, reserve-ritmeester der huzaren, de functie van chef-staf op zich te nemen. Hij vervulde die rol reeds in het gewest Amsterdam. Na enige aarzeling besloot Six in augustus 1942 gevolg te geven aan het verzoek op voorwaarde dat hij zich zou terugtrekken, zodra een meer geschikte kandidaat was gevonden. 16] Een van zijn eerste beleidsdaden was de overplaatsing van het hoofdkwartier van Den Haag naar Amsterdam. Diezelfde maand, omstreeks 20 augustus, werd Röell voor de tweede keer gearresteerd. Hij bleef tot de bevrijding in detentie, zodat Six gedurende de laatste bezettingsjaren alleen leiding gaf aan de O.D. 17]

II. Limburg 1940-1942: algemene ontwikkeling

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van het ontstaan van de Ordedienst in Limburg, dat wil zeggen: de Ordedienst als een organisatie met nauw omschreven doelstellingen. Waarom deze kanttekening vooraf? Individuele O.D.-ers waren betrokken bij allerlei verzetsactiviteiten. Dergelijke werkzaamheden behoorden vrijwel nooit tot de expliciete taakstelling van de O.D. zoals vervat in de richtlijnen en de instructies aan de gewestelijke commandanten en geschiedden doorgaans in samenwerking met medewerkers van andere verzetsorganisaties. Het zou onjuist zijn zulke illegale bijdragen van individuele O.D.-ers op het conto te schrijven van de organisatie. Hier worden uitsluitend de verzetsactiviteiten besproken die expliciet samenhingen met de O.D. als organisatie of een direct gevolg waren van de door de O.D.-leiding verstrekte aanwijzingen en instructies. Acties van O.D.-ers buiten O.D.-verband komen in de betreffende hoofdstukken aan bod. In Venlo woonde de in december 1938 eervol ontslagen reservegeneraal-majoor J.R.L. Jans. Hij werd op 30 november 1874 in Soerabaja (Nederlands-Indië) geboren en behaalde in 1895 het einddiploma aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1930, nadat hij vijf jaar in de rang van tweede- en eerste- luitenant bij de Koninklijke Landmacht in Nederlands-Indië had gediend, werd Jans, inmiddels opgeklommen tot de rang van kolonel, benoemd tot commandant van de Vijfde Infanterie Brigade. Twee jaar later kreeg hij voor het eerst eervol ontslag en ging hij met pensioen. Kennelijk beschikte de kolonel nog over genoeg energie, want hij nam opnieuw dienst en maakte zich tot maart 1937 verdienstelijk als instructeur bij militaire herhalingscursussen. Bovendien commandeerde hij tussen 1932 en december 1938 het Landstormkorps “Limburgse Jagers”, een onderdeel van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (B.V.L.). 18] De B.V.L. was opgericht na de mislukte revolutiepoging in november 1918 van de leider van de S.D.A.P. in de Tweede Kamer, P.J. Troelstra, en bestond uit geoefende militairen van overwegend rooms-katholieke en antirevolutionaire huize. Nadien fungeerde het vrijwilligerskorps hoofdzakelijk ter handhaving en versterking van de binnenlandse veiligheid. In juli 1933 volgde een reorganisatie en werd de sterkte opgevoerd tot tachtigduizend man. 19] Toen Jans in december 1938 ontslag nam, werd hij wegens zijn vele verdiensten en lange militaire loopbaan bevorderd tot reserve-generaal-majoor. 20] Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog beschikte Jans over talrijke contacten in hoge militaire kringen. Niettemin duurde het tot eind 1940 voordat een verbinding met de O.D. tot stand kwam. Vóór die tijd was er uitsluitend sprake van enkele losse, incidentele contacten. Jans onderhield via een zekere Canoy uit Nijmegen zijdelings contact met een paramilitaire organisatie met de naam “Oranjegarde” of “Oranjewacht”. De cellist N. van der Stad bracht hem in verbinding met ir. B. ten Bosch uit Bussum, één van de oprichters van het L.O.F. 21]
Van meer belang waren de contacten die zijn 22-jarige zoon Leo legde. Vaandrig L. Jans, die in de meidagen onder meer in Spijk bij Gorcum was gelegerd, reisde na de demobilisatie in juni 1940 naar Den Haag om personen te zoeken die hem konden helpen naar Engeland uit te wijken. Vooralsnog strandden zijn plannen. 22] Jans junior gaf niet op en poogde via familie, vrienden en kennissen nieuwe verbindingen te leggen met personen of met een organisatie die zich met het overbrengen van oud-militairen naar Engeland bezighield(en). Begin september 1940 reisde hij opnieuw naar de hofstad. Enkele tussenpersonen introduceerden hem eind november 1940 bij de eerste-luitenant A.C. Nout, werkzaam op het Bureau Afwikkeling Landmacht in Den Haag. Nout kon hem niet helpen, omdat er als gevolg van verraad op dat moment geen mogelijkheid bestond militairen naar Engeland te sluizen. Bovendien drukte de eerste-luitenant hem op het hart dat hij er beter aan deed in Nederland te blijven en zich hier nuttig te maken. Hij vertrouwde Jans jr. toe dat er reeds een militaire verzetsorganisatie bestond en vroeg hem of hij bereid was voor deze organisatie in Limburg te werken. Jans’ vader speelde al enige tijd met de gedachte een militaire verzetsformatie op te bouwen. De vaandrig lichtte Nout hierover in en vertelde dat zijn vader vanwege zijn lange militaire loopbaan talrijke (oud-) militairen kende en hun vertrouwen genoot. Nout begreep dat vader en zoon Jans een substantiële bijdrage aan de versterking en uitbouw van de prille militaire verzetsorganisatie zouden kunnen leveren en introduceerde L. Jans bij het voormalig hoofd van de verbindingsdienst van de Vesting Holland, luitenant-kolonel J.P. Bolten in Wassenaar. Nadat Jans nogmaals zijn verhaal had gedaan, zond Bolten hem huiswaarts met het verzoek zijn vader naar Den Haag uit te nodigen. 23] Jans sr. sprak in de hofstad onder meer met generaal-majoor H.D.S. Hasselman, de kapitein van de Koninklijke Marechaussee H.D.J. Ellens en luitenant-kolonel Bolten. 24] Bolten bleek een naaste medewerker van Hasselman, voormalig directeur van het Bureau Materieel Landmacht. De twee waren aangesloten bij de “Stijkelgroep”, een organisatie, vernoemd naar de student J.A. Stijkel, die militaire inlichtingen verzamelde en radiografisch contact met Engeland probeerde te krijgen. De groep koesterde plannen om “zodra de Duitsers zouden terugtrekken, het bestuur in handen te nemen”: voornemens die veel verwantschap vertoonden met die van de O.D. 25] Kort tevoren waren de Stijkelgroep en de organisatie van Westerveld met elkaar in aanraking gekomen. Hasselman vertelde over de rol van Röell, een goede bekende en leeftijdsgenoot van Jans. Het versterkte Jans vertrouwen in de O.D. Hij nam het gewestelijk commando voor de O.D. in de provincie Limburg op zich. Na zijn terugkeer in Venlo ontwierp hij begin 1941, conform de meegegeven instructies, de militaire organisatie en deelde de provincie in zeven districten in. Evenals het leidend O.D.-kader in Den Haag ging Jans ervan uit dat zijn organisatie na de aftocht van het bezettingsleger het militair bestuur in de provincie in handen zou nemen. De op 19 april 1940 voor het gehele land afgekondigde staat van beleg was immers niet opgeheven.
Jans toog aan het werk en reisde als levensverzekeringsagent door de hele provincie op zoek naar geschikte kandidaten voor de zeven, eigenlijk acht districtscommando’s, want ook Helmond werd tot het gewest Limburg gerekend. Veel van de door hem gepolste beroepsofficieren voelden er niets voor. Sommigen
Kaart 50. Districtsindeling Gewest 19 Ordedienst noemden het zelfmoordplannen of weigerden op grond van de door hen als beroepsmilitair afgelegde eed niets ten nadele van het Duitse Rijk te ondernemen. Méér respons kreeg hij in kringen van reserve- en onderofficieren van de Vijfde Infanterie Brigade, waarover hij zelf het commando had gevoerd, en het Landstormkorps “Limburgse Jagers”. Uit hun midden stelde hij ook de gewestelijke O.D.-staf samen. 26] Jans’ belangrijkste steunpilaren waren naast zijn zoon zijn naaste medewerker M.M.C.H. Russel en zijn chef-staf, de gewezen eerste-luitenant der artillerie K.Ch.C.F. Receveur. De kapitein der artillerie W.A.M. Loomans werd zijn adjudant. Andere belangrijke functies waren weggelegd voor de reserve-eerste-luitenant J.T. Talens, hoofd van de verbindingsdienst, rechercheur bij de Venlose politie H.H. Pollaert, inlichtingenagent, en de reserve-eerste-luitenant J.F. Gijsbers. Laatstgenoemde kreeg in 1943 het commando over een te vormen gewestelijke reserve, waaraan een belangrijke taak was toebedeeld bij de overname van het gezag na de aftocht van de bezetter.
Jans jr. kreeg diverse taken: hij moest een troependetachement formeren en commanderen, dat ter beschikking zou staan van de gewestelijke staf. Voorts trad hij op als koerier voor zijn vader en onderhield hij met steun van de sergeant-capitulant W.F.Th. van Boekhold het contact met de districtscommandanten.27] De verbinding tussen het Algemeen Hoofdkwartier van de O.D. (A.H.K.-O.D.) en Venlo werd onderhouden door de landelijke verbindingsofficieren N. van der Stad, H. van As, J.F.H. de Jonge Mellij, F.N. Dudok van Heel - zij zouden allemaal in Duitse handen vallen en gefusilleerd worden - en C. Navis. 28]
De werving van de O.D.-ers geschiedde volgens het “vijf-vinger-systeem”, een organisatiemethode waarbij één persoon vijf medewerkers aanzocht die elkaar niet kenden. Die moesten op hun beurt elk vijf nieuwe medewerkers aanwerven. Op die manier hoopte men de organisatie bij eventuele arrestatie van één of meer leden te beschermen. Zo ontstonden in de loop van 1941 de ruwe contouren van de Ordedienst. 29]
In september 1941 bereikten de “Richtlijnen voor de gewestelijke, districts- en plaatselijke commandanten” van het Centraal Bureau van de O.D. (naderhand omgedoopt in A.H.K.-O.D.) Jans in Venlo. Vooral punt twee van de Algemene Bepalingen stelde sommigen in Venlo teleur. Daarin stond namelijk: “De organisatie treedt pas in werking nadat de vijandelijke bezetting het land heeft verlaten en dan nog eerst nadat de gewestelijke commandanten van het alsdan in Den Haag gevormde bewind het bevel daartoe zullen hebben ontvangen. Afwijking hiervan, dat wil zeggen handelen te dien aanzien op eigen initiatief is onder geen omstandigheid toegelaten”. 30] Men moest met andere woorden afwachten tot het moment waarop de Duitsers waren vertrokken. Generaal-majoor Jans lichtte de passage toe en verzekerde dat de richtlijnen meer als camouflage moesten worden opgevat dan als bindende voorschriften. Als de O.D. tijdig werd bewapend, kon er daadwerkelijk tegen de Duitsers worden opgetreden. 31]
De interpretatie van de richtlijnen liep dus nogal uiteen. Als ze strikt werden opgevolgd, liepen de betrokkenen relatief weinig gevaar. De grootste risicofactor, het aankopen of proberen aan te kopen van wapens, viel weg, omdat dit expliciet was verboden. 32] Zij, die zich niet met de richtlijnen konden verenigen en van mening waren met een schijndocument van doen te hebben, hadden de handen vrij om allerlei illegale activiteiten te ontplooien. Binnen de gelederen van de O.D. vormden zij evenwel een minderheid. De meeste O.D.-ers gaven er de voorkeur aan zich te houden aan de letter van de tekst. Geheime schriftelijke instructies die tot actief verzet in welke vorm dan ook aanspoorden, bestonden niet. Wèl is het mogelijk dat er, ook in leidende O.D.-kringen, bij gelegenheid over werd gedebatteerd. Bij de bespreking van de O.D. in de afzonderlijke districten komen we op deze aangelegenheid terug.
De ontwikkeling van de O.D. gedurende 1941 verliep zonder veel problemen, maar het voorjaar van 1942 bracht enige tegenspoed. Jans was met de O.D. in contact gekomen via onder meer Hasselman en Bolten. Deze twee waren, net als Westerveld, begin april 1941 gearresteerd en moesten zich verantwoorden tijdens het zogeheten “Stijkelproces”. Aangenomen mag worden, dat toen zijdelings de aandacht op Jans is gevestigd. Op 14 maart 1942 informeerde de Sipo-Maastricht bij de Venlose politie naar het adres van Jans. Men wilde hem de volgende dag spreken. Dat kwam rechercheur H. Pollaert ter ore die Jans terstond waarschuwde. De gewestelijke commandant dook in Hattem bij Zwolle onder en belastte zijn zoon met de waarneming van de lopende zaken. Voortaan ontving Jans jr. de landelijke koeriers, gaf de berichten aan zijn vader door en bracht diens instructies aan de districtscommandanten over. 33]
Een grotere tegenslag was het bevel dat de Nederlandse beroepsofficieren zich op 15 mei 1942 moesten melden in over het hele land verspreide kazernes. Hitler had dat medio april persoonlijk verordonneerd, omdat van militaire kringen kennelijk veel verzetsimpulsen uitgingen. In Roermond lag één van de aangewezen kazernes. Eenmaal gearriveerd, gingen de deuren op slot en kregen de veelal nietsvermoedende militairen te horen dat ze opnieuw in krijgsgevangenschap zouden worden afgevoerd. 34] Omdat Jans naast reserve-officieren ook beroepsofficieren in de O.D. had opgenomen, verloor de organisatie een deel van haar kader. Twee districten raakten hun commandant kwijt. De opengevallen plaatsen werden in de loop van 1942 tijdelijk of definitief bezet door reserve-officieren.

III. Landelijk: de O.D. tussen medio 1942 en de bevrijding: doelstellingen en positiebepaling

Na de arrestatie van Schimmelpenninck en Röell liet de leiding van de O.D. geleidelijk het denkbeeld varen om in de bevrijdingsdagen een “Voorlopig Bewind” in te stellen. De nieuwe chef-staf, jhr. P.J. Six, wilde de organisatie buiten de politiek houden en er een louter militair gezagsinstrument van maken. In een memorandum van 20 oktober 1942 aan de Nederlandse regering verklaarde Six, dat de vorming van politiek georiënteerde driemanschappen of interimregeringen slechts verwarring zou stichten bij de bevrijding en fatale gevolgen voor Nederland kon hebben. Door de op 19 april 1940 afgekondigde staat van beleg als uitgangspunt te nemen verlegde hij het accent. Op 13 mei 1940 hadden de naar Engeland vertrekkende ministers het regeringsgezag overgedragen aan de opperbevelhebber van de land- en zeestrijdkrachten. In die situatie was sindsdien geen verandering gekomen. Dus, zo meende Six, was het volstrekt logisch en legitiem dat het gezag na de aftocht van de Duitsers opnieuw zou toevallen aan een opperbevelhebber tot het tijdstip waarop de koningin en haar ministers in Nederland zouden zijn teruggekeerd. Dat de commandant van de O.D., die immers over een landelijk gezagsinstrument kon beschikken, tevens als opperbevelhebber zou optreden, lag in Six’ visie voor de hand. Tot de bevrijding deed de chef-staf van de O.D. er alles aan om te zorgen dat zijn organisatie daadwerkelijk de beoogde rol kreeg, liefst met goedkeuring van de regering. Koningin en regering zouden een Nederland moeten aantreffen, waar dank zij de inspanningen van de O.D. rust en orde heersten.35] Uiteraard waren er critici die dit streven met scepsis en zorg bezagen. Effende Six wellicht de weg naar een militaire dictatuur? Hield de beoogde handhaving van rust en orde bijvoorbeeld in dat “communisten en andere eventueel oproerige elementen” - zoals in een instructie aan de districtscommandanten van de O.D. van januari 1944 stond 36] - als potentieel gevaarlijk werden beschouwd en mogelijk zouden worden geïnterneerd? De echo van Troelstra’s revolutiepoging in november 1918 klonk nog steeds krachtig door, zeker in leidende O.D.-kringen, óók bij Six. Iets dergelijks mocht onder geen beding opnieuw gebeuren. 37]
De O.D. moest dus paraat staan op het moment dat een beroep op haar werd gedaan. Met het oog hierop bouwde Six de organisatie verder uit, liet de als gevolg van de terugvoering in krijgsgevangenschap van de beroepsofficieren in mei 1942 opengevallen posten opnieuw bezetten en trachtte verbroken contacten te herstellen. Veel steun ondervond hij daarbij van zijn “adjudanten” C. Navis en F.J.Chr. Bührmann.
Van zijn voorgangers erfde Six niet alleen het streven naar een leidende rol voor de O.D. nà de bevrijding. De optie om de geallieerde strijd op Nederlands grondgebied metterdaad te ondersteunen was afhankelijk van een adequate bewapening. Hoewel van dat laatste geen sprake was, werden de noodzakelijke voorbereidingen wèl ter hand genomen. Het was zowel voor de eigen organisatie als voor de geallieerden van wezenlijk belang steeds zo goed en actueel mogelijk geïnformeerd te zijn over de sterkte en posities van de Duitse strijdkrachten alsmede hun eventuele plannen ter vernietiging van belangrijke waterstaatkundige bouwwerken als dijken, dammen en bruggen. De majoor der genie J. Kok werd met die taak belast en organiseerde de inlichtingen-sectie van de O.D. Six wist te bewerkstelligen dat enkele zelfstandig opererende inlichtingengroepen tot de organisatie van Kok toetraden. Het bleek een effectieve dienst: vanaf de zomer van 1943 werden talrijke waardevolle rapporten, vooral op waterstaatkundig terrein, opgemaakt. Naast een inlichtingendienst had de organisatie behoefte aan een eigen binnenlandse radioverbindingsdienst: van vitaal belang voor de realisering van beide doelstellingen. J. Thijssen begon met de opbouw en na zijn vertrek uit de O.D., eind 1943, werd het radionet kwalitatief verbeterd onder leiding van ir. J.P. Heyboer. In de zomer van 1944 was het net in het gehele land operationeel. Bovendien kon de O.D. gebruik maken van een landelijk clandestien telefoonnet. 38]
Alle voorbereidingen van Six vloeiden voort uit de premisse dat de taakstelling van de O.D. door de regering in Londen zou worden erkend en gesanctioneerd. Hij verzond zijn memorandum van 20 oktober 1942 twee keer naar de regering. Pas in juli 1943 kreeg hij antwoord, ondertekend door de minister van Oorlog ir. O.C.A. van Lidth de Jeude. Daarin stond, dat op het tijdstip van de bevrijding een bijzondere staat van beleg van kracht zou worden en een Militair Gezag zou worden ingesteld met ruimere bevoegdheden dan tijdens de vroegere staat van beleg. Alle daarmee samenhangende (ontwerp)besluiten zouden in Engeland worden genomen. De regering, aldus Van Lidth de Jeude, kon zich in grote lijnen verenigen met de taak die de Ordedienst op het moment van de bevrijding op zich wilde nemen, maar het redigeren van de precieze tekst moest worden overgelaten aan een door de koningin te benoemen opperbevelhebber. De O.D. was, net als de politie, een nuttig gezagsinstrument waarvan gebruik zou worden gemaakt, echter onder rechtstreeks bevel van het Militair Gezag. Het was niet uitgesloten dat er binnen het apparaat van het Militair Gezag, wegens gebrek aan personeel, ruimte bestond voor de aanstelling van O.D.-functionarissen. Tenslotte merkte de minister op dat, als de beoogde opperbevelhebber onverhoopt niet tijdig ter plaatse was, diens instructies voor handhaving van de openbare orde vanuit Londen aan de O.D. konden worden overgegeven. Van lange duur zou die O.D.-taak echter niet kunnen zijn. 39]
Vanzelfsprekend toonde Six zich tevreden: de door hem en zijn medewerkers verrichte inspanningen waren niet voor niets geweest. Integendeel, de regering onderschreef de ideeën over de aanstaande rol van de O.D. grotendeels en, belangrijker nog, schiep bovendien enige ruimte voor de commandant-O.D. om, als het nodig mocht zijn en slechts voor zeer korte duur, namens de opperbevelhebber de openbare orde te garanderen. Juist op die korte gezagsloze periode kwam het volgens Six aan: àls er een kans bestond op het uitbreken van “woelingen”, dan zou dàt het moment zijn. Tengevolge van deze nogal ruime interpretatie van het regeringsschrijven ging de O.D. zich met nòg meer nadruk toeleggen op haar rol na de bevrijding als de opperbevelhebber er nog niet zou zijn: het eigenhandig handhaven van orde en rust. Bovendien ontstond er een superioriteitsgevoel bij de O.D., want koningin en kabinet hadden immers toegestemd in een mogelijke leidende functie rond de bevrijding. 40] Six nam de jurist mr. C.J.F. Caljé in de arm om een handleiding te schrijven voor de uitoefening van het militair gezag, welke moest aansluiten op de van 23 mei 1899 daterende “Wet op den Staat van Oorlog en Beleg”. Dit alles leidde ertoe, dat de gewestelijke O.D.-commandanten ervan overtuigd raakten ten tijde van de bevrijding te zullen worden belast met het militair gezag. 41]
Uit de berichten en telegrammen, die Six vanaf de tweede helft van 1943 ontving, bleek dat de chef-staf O.D. het regeringsantwoord van juli nogal vrij interpreteerde. Terwijl “Londen” bij herhaling beklemtoonde dat de O.D. ondergeschikt zou zijn aan de te benoemen opperbevelhebber, bereidde Six zijn organisatie voor op een zelfstandige en algemene taak. Hij was van mening dat, als de O.D. onverhoopt toch niet een zelfstandige taak zou krijgen, de organisatie altijd nog ten dienste van de opperbevelhebber kon worden gesteld. De oorzaak van dit misverstand lag waarschijnlijk in het feit dat men in Londen kennelijk onvoldoende onderscheid maakte tussen een kortstondig zelfstandig optreden van de O.D. en een in dienst stellen van de O.D. van een opperbevelhebber. Naar aanleiding van berichten uit bezet gebied dat de O.D. zich voorbereidde op de uitoefening van het Militair Gezag en zich bezighield met de vraag wie te bekleden met het gezag in de overgangstijd, reageerde “Londen” op 5 juni 1944 eindelijk met meer duidelijkheid. Aangaande de kwestie wie het (eenhoofdig) gezag tijdens bedoeld “vacuüm” zou uitoefenen, werd vooralsnog geen uitsluitsel gegeven. Van de diensten der O.D. kon slechts gebruik worden gemaakt op voorwaarde dat deze organisatie zich meteen onder het bevel van het Militair Gezag zou stellen. 42] Bovendien kwam men in Londen stilaan tot de overtuiging dat in bezet gebied géén communis opinio bestond over het voornemen de O.D. met de uitoefening van het Militair Gezag te belasten tijdens een mogelijk gezagsvacuüm.
Inmiddels streden de geallieerden op de Franse westkust, de hoogste tijd dus om de O.D. nauwkeurig in te lichten over hetgeen van deze organisatie verwacht werd. Op 27 juni 1944 verzond minister Van Lidth de Jeude een telegram aan Six dat aan duidelijkheid niets te wensen overliet: de bijzondere staat van beleg trad meteen in werking na het vertrek van de Duitsers en de regering achtte het ongewenst dat gedurende een daaraan voorafgaand vacuüm een ander militair gezag onder een ander regime zou optreden. Gedurende een eventueel vacuüm had de O.D. tot taak zich plaatselijk te organiseren en zich ten dienste te stellen van de betrouwbare plaatselijke overheid om orde en rust te handhaven. Het vinden van betrouwbare personen kon problemen opleveren: op provinciaal niveau werd in de eerste plaats gedacht aan hogere bestuursambtenaren, op gemeentelijk niveau konden vroegere burgemeesters op hun post terugkeren. Desnoods konden personen in wie men in gemeente en provincie algemeen vertrouwen had voor tijdelijke bestuursfuncties worden aangezocht. Nadat de geallieerden en het Militair Gezag waren gearriveerd, moesten de O.D.-functionarissen zich meteen te hunner beschikking stellen, aldus het regeringstelegram aan Six. 43] Six kreeg het telegram pas te zien op 16 augustus. Toen was de O.D. al gereed met de voorbereidingen om straks als gezagsorgaan op te treden. Trouwens, wie mocht die plaatselijke betrouwbare overheid dan wel zijn, vroeg Six zich na lezing van het telegram af. Er zou een machtsvacuüm ontstaan, de chef-staf was en bleef daarvan overtuigd. 44]
Als gevolg van een voortdurend gebrek aan voldoende en nauwkeurige informatie uit bezet gebied had de regering in Londen de indruk gekregen, dat er minder verzetsgroepen actief waren dan feitelijk het geval was. Pas in de loop van 1944 trad een kentering op in deze verwarrende situatie. Zowel in “Londen” als in bezet gebied bestond behoefte aan intensivering van het contact. Het radioverkeer werd uitgebreid en over meer verzetsgroepen gespreid. Voorts bereikte via allerlei wegen een groeiend aantal - al dan niet eenzijdige of politiek gekleurde - berichten over de georganiseerde illegale groepen de regeringstafel. Naarmate “Londen” een beter inzicht kreeg in de illegaliteit, werd tevens duidelijk dat de versnippering binnen de illegaliteit nòg groter was dan men al vermoedde: zowel op confessioneel en ideologisch gebied als wat betreft de taakstelling.
Al eerder, in 1943, waren in bezet gebied pogingen ondernomen de illegaliteit te bundelen of in één overkoepelende organisatie onder te brengen. Dit streven had er slechts toe geleid, dat er nòg meer verzetsgroepen waren bijgekomen. Nochtans moest een bundeling tot stand worden gebracht. De nadelen van een niet gecoördineerde illegaliteit wogen tè zwaar, vooral waar het organisaties met vergelijkbare doelstellingen betrof die al gedeeltelijk waren bewapend of dat nastreefden. De drie belangrijkste organisaties die tot laatstgenoemde categorie behoorden waren de O.D., de Landelijke Knokploegen (L.K.P.) en de Raad van Verzet (R.V.V.). Zij bereidden zich voor op de ondersteuning van de geallieerden in de bevrijdingsfase om zo een bijdrage te leveren aan het verdrijven van de bezetter. Ook Six onderschreef de noodzaak van samenwerking tussen deze drie organisaties. In februari 1944 kwam de “Kern” tot stand: een overlegorgaan waarvan naast O.D., L.K.P. en R.V.V. nog vijf andere verzetsorganisaties deel uitmaakten. Wekelijks bespraken vertegenwoordigers van de acht organisaties practische zaken zoals financiële aangelegenheden, kwesties inzake het verkrijgen en verdelen van bonkaarten, het vervalsen van identiteitspapieren en dergelijke alsmede het uitwisselen van gegevens over verraders. Politieke thema’s en naoorlogse vraagstukken kwamen niet aan de orde. Eind april 1944 ontstond op initiatief van Six een afzonderlijk beraad tussen O.D., L.K.P. en R.V.V. De chef-staf van de O.D. verkeerde namelijk in onzekerheid over de vraag wie precies wapens zou krijgen als die uit Engeland zouden arriveren. Omwille van de noodzakelijke eenheid tijdens de bevrijdingsdagen zouden L.K.P. en R.V.V. binnen O.D.-verband moeten optreden, betoogde Six. Hij was ervan overtuigd dat, zodra tot (semi-)militaire actie zou worden overgegaan, de leiding het beste kon worden toevertrouwd aan kundige (reserve-)officieren: de gewestelijke O.D.-commandanten. Voorts onderstreepte hij dat tijdens de bevrijdingsperiode naast een militair gezag geen plaats was voor afzonderlijke L.K.P.- en R.V.V.-formaties. J. Post, die namens de L.K.P. aan het overleg deelnam, ging ermee accoord mits de knokploegen tijdens en na de bevrijding onder commando van de eigen leiders bleven. Hij deed deze toezegging zonder ruggespraak te houden met de eigen achterban. De R.V.V.-voorman J. Thijssen had de O.D. al in een vroeger stadium de rug toegekeerd en de organisatie als een “dood ding” bestempeld. Desondanks kreeg Six, toen het erop aankwam, van R.V.V.-vertegenwoordiger J.J. van der Gaag, die G. Wagenaar na enige tijd was opgevolgd in het overleg, een soortgelijke toezegging als van Post. De nieuwkomer genoot echter niet het prestige en gezag binnen de eigen organisatie als zijn voorganger. Hetzelfde gold in nog sterkere mate voor J. Rombouts, die waarschijnlijk pas in augustus 1944 de plaats innam van de een maand eerder gearresteerde en gefusilleerde Post. De L.K.P. en R.V.V. trokken zich weinig aan van de gedane toezeggingen. Dat bleek bijvoorbeeld uit het feit dat de O.D. begin september niets kreeg van de eerste wapendroppings, ondanks de afspraak dat wie als eerste wapens zou ontvangen deze naar gebleken behoefte met de anderen zou delen. Ondanks dit teken aan de wand borduurde Six voort op de toezegging van Van der Gaag en Post en lichtte hij zijn gewestelijke commandanten op 4 september 1944 dienovereenkomstig in: de R.V.V.-groepen zouden zich, zodra er in georganiseerd verband moest worden opgetreden, onder bevel van de gewestelijke commandanten der O.D. scharen. Dat gold evenzeer voor de knokploegen, maar Six betwijfelde of die op de hoogte waren. Rombouts nam immers pas sinds enkele weken deel aan het overleg. 45]
Niet alleen in bezet gebied werden pogingen ondernomen om tot samenwerking te komen, ook vanuit “Londen” kwamen dergelijke impulsen. Op 5 februari 1944 stelde de regering een nota met 19 punten op waarin onder meer op bundeling werd aangedrongen. Uit de nota bleek nogmaals de in Engeland heersende onbekendheid met hetgeen in Nederland gaande was, zodat de regeringsnotitie geen enkele invloed uitoefende op de verdere ontwikkelingen. Enkele dagen na de geallieerde landing in Normandië, op 8 juni 1944, zond de regering, mede op aandringen van de koningin, een telegram waarin met klem werd aangedrongen op een coördinatie van alle ondergronds werkende groepen. Uit hun midden zou een groep voormannen op een zo breed mogelijke maatschappelijke basis moeten worden samengesteld, die de Kroon in de eerste tijd na de bevrijding moest adviseren. Mocht er een tijdelijk gezagsvacuüm ontstaan dan moesten de voormannen uit eigen kring één of meer personen aanwijzen om op te treden als tijdelijke vertegenwoordiger(s) van de regering teneinde rust en orde te handhaven tot de komst van de vooruit te zenden ministers, die als kwartiermakers zouden optreden, en van het Militair Gezag. De organisatie en technische uitvoering van de ordehandhaving bleef voorbehouden aan de O.D. 46] Mocht zich dus onverhoopt een tijdelijk gezagsvacuüm voordoen, dan was de O.D. ondergeschikt aan één of meer tijdelijke vertegenwoordigers van de regering. Uiteraard namen de organisaties die waren vertegenwoordigd in de Kern hiervan kennis, maar ook andere verzetsgroepen werden ingelicht. Een korte periode van intern beraad en discussie brak aan. Op 3 juli 1944 vond een bijeenkomst in Amsterdam plaats, waar in totaal 22 verzetsgroepen waren vertegenwoordigd. Volgens L. de Jong maakten zij samen tussen de 65% en 75% van de georganiseerde illegaliteit in Nederland uit. Eén feit stond vast: ofschoon sommigen het steeds angstvallig hadden vermeden, geen van de aanwezige organisaties kon zich nog langer buiten de politiek houden. De strekking van het regeringstelegram sloot die mogelijkheid voorgoed uit. Er moesten spijkers met koppen worden geslagen. Op voorstel van de sociaal-democraat W. Drees, die aan het beraad deelnam namens het Vaderlands Comité - een vijf personen tellend adviescollege dat door de regering zelf was ingesteld - werd besloten een groep van vijf personen samen te stellen waarin in elk geval plaats was ingeruimd voor een vertegenwoordiger van de O.D. en een van het Vaderlands Comité. De resterende drie plaatsen konden door de traditionele politieke hoofdstromingen worden ingenomen. Aldus kwam een hoogst ongelukkige scheiding binnen de georganiseerde illegaliteit tot stand. De omvang en het prestige van een organisatie deden niet langer ter zake. Op 12 juli kwam deze nieuwe vertegenwoordiging, de Contact Commissie (C.C.), voor het eerst bijeen onder voorzitterschap van Drees.47] Al in haar eerste telegram van 18 juli liet de C.C. weten dat men van haar kant geen spoedige aanbeveling voor één of meer regeringsvertegenwoordigers hoefde te verwachten. De C.C. was van meet af aan intern verdeeld.
Kort tevoren had de pas in Londen gearriveerde sociaal-democraat G.J. van Heuven Goedhart er bij minister-president P.S. Gerbrandy op aangedrongen de namen bekend te maken van een college van zeven personen aan wie men tijdelijk het regeringsgezag zou kunnen overdragen, als dat nodig mocht zijn. Van Heuven Goedhart deed daartoe ook een voorstel en noemde Gerbrandy vijf namen. In dit zogeheten College van Vertrouwensmannen zouden de verschillende politiek-maatschappelijke hoofdstromingen zoveel mogelijk moeten zijn vertegenwoordigd. Er was evenwel geen plaats ingeruimd voor een O.D.-vertegenwoordiger. Als verklaard tegenstander van een zelfstandige militaire gezagsuitoefening door de O.D. huldigde Van Heuven Goedhart de opvatting, dat de O.D. geen andere taak had dan die van “sterke arm” van het regeringsgezag. Zijn voorstel werd in grote lijnen aangenomen en op 2 augustus 1944 bekrachtigd. De regering in Londen nam het initiatief definitief in eigen hand, óók omdat de Contact Commissie niet bij machte bleek zelf de beoogde regeringsvertegenwoordiger(s) aan te wijzen. 48]
In de nacht van 7 op 8 augustus 1944 werd de geheime agent jhr. R. de Brauw boven bezet gebied gedropt. Hij moest de vijf aangewezen “Vertrouwensmannen” opzoeken en de regeringsinstructies overhandigen. Voorts fungeerde hij als intermediair tussen het college in bezet gebied en de regering overzee.
Op 31 augustus werd Six ingelicht. De chef-staf van de O.D. was bijzonder teleurgesteld. Zijn organisatie kon niets anders doen dan zich onderwerpen aan het gezag van de Vertrouwensmannen. Dat deed de chef-staf, maar voor het overige reageerde hij nogal merkwaardig. Six verzuimde zijn gewestelijke commandanten omtrent de actuele stand van zaken in te lichten met het gevolg dat die er nog steeds van uitgingen, dat ten tijde van de bevrijding een gezagsloze periode zou aanbreken waarin uitsluitend zij het militair gezag zouden uitoefenen. Wellicht ging Six er niet toe over, omdat hij veronderstelde met deze mededeling het moreel binnen zijn O.D. volkomen te ondermijnen.
Sinds augustus waren de ontwikkelingen aan het front in Frankrijk in een stroomversnelling geraakt. De ene na de andere grote stad werd bevrijd. Op 3 september was het de beurt aan Brussel. Alles wees op een spoedige bevrijding, de geallieerde berichtgeving onderstreepte dat nog eens extra. Er moest snel worden gehandeld. Op 4 september verzond Six, deels na overleg met de Vertrouwensmannen, deels op eigen gezag, een aantal mededelingen aan zijn gewestelijke commandanten met onder andere de boodschap dat de R.V.V. en in beginsel ook de L.K.P. zich aan de leiding van de O.D. hadden onderworpen. Voorts liet Six weten dat de O.D., in tegenstelling tot de andere verzetsorganisaties, een zeer belangrijke rol was toebedacht bij de handhaving van orde en rust. 49]
Hoe stond het in werkelijkheid met de beoogde samenwerking tussen O.D., L.K.P. en R.V.V.? Sinds eind augustus stonden de knokploegen onder bevel van de Landelijke Sabotage Commandant (L.S.C.) J.A. van Bijnen; de R.V.V.-groepen werden gecommandeerd vanuit het Operatie Centrum van J. Thijssen. Van samenwerking met de O.D. wilden de twee niets weten ondanks de eerder - door andere vertegenwoordigers - gedane toezeggingen. Volgens hen had de O.D. nooit aan actief verzet gedaan en deed dat ook nu niet. Zelf waren ze inmiddels volop bezig met het organiseren en plegen van sabotage. Eerder had Six te kennen gegeven dat de O.D. bereid was deel te nemen aan sabotage en die te coördineren, maar dat was mogelijk tevens bedoeld om de L.K.P. en de R.V.V. over te halen zich onder bevel van de O.D. te stellen, zodra de geallieerden Nederland naderden. Er was echter niets dat daar op wees, zelfs niet op samenwerking. Tòch kwam de samenwerking tot stand. Op 3 september werd bekendgemaakt dat prins Bernhard de leiding had gekregen over het gewapend verzet in Nederland en dat hij tot bevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) was benoemd. Ruim één week later, op 12 september, gaf de regering namens de prins opdracht dat voortaan op voet van gelijkheid in driehoeksverband moest worden samengewerkt tussen vertegenwoordigers van de drie organisaties: het zogeheten Delta-Centrum. Hetzelfde moest worden verwezenlijkt op gewestelijk, districts- en plaatselijk niveau. Noch Thijssen, noch Van Bijnen peinsden erover zitting te nemen in het Delta-Centrum. Tegenhouden konden ze het evenmin, daarvoor was de pressie tè sterk. Medio september 1944 was het Delta-Centrum een feit: voor de L.K.P. namen A.G. Kloots en G. Pruys zitting, namens de R.V.V. J. Doorn en J.J. van der Gaag en namens de O.D. Six en Caljé. 50]
Van een leidende rol voor de O.D. kon toen al geen sprake meer zijn. Op het moment dat het Delta-overleg was afgedwongen, werden de eerste plaatsen in het zuiden van het land bevrijd. Ofschoon Six zijn commandanten kort tevoren uitvoerig had geïnstrueerd over wat er van hen en hun ondergeschikten werd verwacht, verliep het in de praktijk heel anders. Vertegenwoordigers van het in Londen voorbereide en op 19 juni 1944 bij Koninklijk Besluit opgerichte Militair Gezag (M.G.) volgden de geallieerden op de voet. Op 11 september was generaal-majoor H.J. Kruls tot chef-staf van het M.G. benoemd. 51] De vertegenwoordigers van het M.G. maakten de O.D.-commandanten terstond duidelijk, dat er geen sprake van kon zijn dat laatstgenoemden het openbaar gezag zouden uitoefenen. Op plaatsen waar de O.D. zelfstandig bekendmakingen en regelingen had aangeplakt, werden die meteen weer verwijderd. Zeker gedurende de eerste dagen van de bevrijding verliep het overleg tussen vertegenwoordigers van O.D. en M.G. moeizaam en stroef. Veel O.D.-ers toonden zich diep teleurgesteld, zelfs gegriefd, omdat ze niet of nauwelijks bij het M.G. werden betrokken. Als ze al werden ingezet, dan was dat voor relatief onbelangrijke en weinig spectaculaire werkzaamheden, alle voorbereidingen sedert 1942 ten spijt. Had de chef-staf van de O.D. zijn ondergeschikten tijdig volledig geïnformeerd over de door de regering sinds de zomer van 1944 getroffen regelingen, dan zou de teleurstelling wellicht minder groot zijn geweest en hadden verscheidene, voor de O.D. kwetsende misverstanden kunnen worden vermeden. 52]

IV. Limburg: 1942 - bevrijding

IV.1. Het gewest 19 O.D. in 1942 en 1943

De O.D. ondervond geen noemenswaardig nadeel van het onderduiken van gewestelijk commandant J.R.L. Jans in maart 1942. Zijn zoon onderhield het contact met de districtscommandanten en de verbindingen met het Algemeen Hoofdkwartier (A.H.K.-O.D.) werden gewaarborgd door de koeriers C.P.N. Thomas en C. Navis. Begin 1942 ontving de O.D.-leiding in Venlo een zend- en ontvanginstallatie van het A.H.K. Al eerder had het hoofd van de verbindingsdienst gewest 19 O.D., de P.T.T.-beambte en reservekapitein J.T. Talens, een schema ontworpen voor een verbindingsdienst tussen Limburg en Noord-Brabant. 53] Het bleef bij een plan. Of de zware marinezender die men begin 1942 ontving naar behoren functioneerde, is niet bekend. In elk geval kwam er in 1943 een tweede zender-ontvanger bij. Het toezicht op het gebruik van de nieuwe, veel lichtere zender-ontvanger, speciaal ontworpen door Philips in Eindhoven, lag in handen van de P.T.T.-technici A.G. Theunissen en J.G. Rommelse. Theunissen was in december 1942 door de chef-marconist van de radiodienst binnenlands verkeer van de O.D., A.S.M. van Schendel, benoemd tot commandant van de radiodienst in het gewest Limburg. De eerste proefuitzendingen vonden plaats vanaf het dak van de beeldenfabriek “St. Joseph” van A.H. Gödden in de Emmastraat te Venlo. 54] Theunissen had twee marconisten toegewezen gekregen: J. Erink en P.J. de Klerk uit Den Haag. Laatstgenoemde was via een broer van de Roermondse politieman W. Jole in Limburg terechtgekomen. De verbinding met de centrale radiopost van de O.D. kwam niet tot stand: “door bijzondere omstandigheden was de centrale radiopost van de O.D. nog niet in de lucht”, vernam een koerier uit Venlo. Men kreeg het advies voortaan via de radiopost in Den Bosch te zenden. 55] Naderhand liep het iets beter, maar juist op belangrijke momenten ging het nog wel eens mis. In 1944 bijvoorbeeld bleef de gewestelijke leiding in Venlo geruime tijd verstoken van radiocontact met het A.H.K.-O.D., wat een passend en op de actualiteit afgestemd optreden gedurende de bevrijdingsfase danig belemmerde.
Naast het tot stand brengen en onderhouden van radiocontact met de landelijke leiding beijverden Talens, Theunissen en Rommelse zich om een clandestien provinciaal netwerk op te bouwen. Met hulp van enkele P.T.T.-ers ontwierp Talens in 1943 een schema dat was gebaseerd op de rijkstelefoonverbindingen. Zijn eigen woning diende als centrale telefoonpost voor het doorgeven van berichten aan en het onderhouden van contact met de districtscommandanten. Verder was er telefonisch contact mogelijk via de verbindingsnetten van de Stroomverkoopmaatschappij (Provinciale Limburgse Electriciteits Maatschappij: P.L.E.M.) en de Nederlandse Spoorwegen. Ten behoeve van het stafkwartier van de O.D. zorgden Talens en Theunissen voor enige clandestiene telefoonaansluitingen. 56] Rommelse zag erop toe dat er niet door en met de politie en Duitse militaire posten getelefoneerd kon worden als die in verband met illegale acties tijdelijk van verbindingen verstoken moesten blijven.57] Tenslotte beschikte de gewestelijke leiding over een uit marechaussees bestaande ordonnansdienst, waarvan vooral in de laatste oorlogsfase veelvuldig gebruik werd gemaakt. 58]
Verscheidene O.D.-ers trachtten wapens, munitie en explosieven te verzamelen: een moeizame en doorgaans frustrerende bezigheid. Veel leverden die pogingen niet op. De O.D. bleef nagenoeg onbewapend, maar slaagde er wèl in de hand te leggen op een stuk pantserafweergeschut (P.A.G.). Een medewerker uit Beegden, E. Ruyten, wist dat dit geschut in de meidagen van 1940 in de Maas bij het plaatselijk veerhuis was gedeponeerd. Bij laag water stak de loop boven het water uit. Hij lichtte W. van Boekhold in en met L. Jans haalden ze het kanonnetje in de winter van 1942 uit de Maas. Ze demonteerden het en brachten de onderdelen naar Venlo. Daar werd het hersteld en in een kippenhok bij Van Boekhold verstopt. Nadat het kippenhok in vlammen was opgegaan, werd het stuk P.A.G. in de beeldenfabriek van A.H. Gödden opgeborgen. De fabriek ontwikkelde zich allengs tot een herstel- en montagewerkplaats voor wapens en munitie. 59]
Door een medewerker uit Tungelroy bij Weert, M.H.L. Beelen, kwam de O.D. in verbinding met de Belgische illegaliteit. Beelen was kort tevoren via de Rotterdamse pater R.D. Kloeg en H.A.J. Bergmans uit Weert betrokken geraakt bij een georganiseerde ontsnappingsroute voor geallieerde vliegeniers en hun bemanningsleden (zie hoofdstuk IV, paragraaf II.3.). De nog jonge “pilotenhulporganisatie” beschikte mede dank zij de inspanningen van Beelen over steunpunten in België. Hij bracht L. Jans in contact met medewerkers van twee, in België actieve verzetsorganisaties: de Witte Brigade (een landelijke verzetsorganisatie waarvan veel militairen deel uitmaakten. De naam was gekozen ter accentuering van de tegenstelling met de Zwarte Brigade, een collaborerende militie) en het Belgisch Legioen, een paramilitaire organisatie die veel verwantschap vertoonde met de O.D. en naderhand werd omgedoopt in Geheim Leger. Wellicht kon op sommige terreinen worden samengewerkt, misschien zelfs gezamenlijk worden opgetreden als de bevrijding aanstaande was. De beide Belgische - organisaties zouden bovendien over wapens beschikken, iets waaraan in eigen land een chronisch gebrek bestond. Jans jr. en Van Boekhold zochten contact met de sectorcommandant van het Belgisch Legioen in Maaseik om via Luik voor de O.D. wapens te krijgen. Korte tijd na de eerste bespreking viel de Belgische commandant evenwel in Duitse handen. Het contact werd niet meer hersteld. 60]
Jans jr. en Van Boekhold besloten het beetje springstof waarover de O.D.-ers in Venlo beschikten ook daadwerkelijk te gebruiken. Ze lieten het oog vallen op de spoorwegverbinding tussen Venlo en het Duitse Kaldenkirchen, via welke lijn manschappen en materieel voor het bezettingsleger in Nederland werden aangevoerd. De bom ontplofte echter niet. 61] De gewestelijke commandant was hoogstwaarschijnlijk niet erg ingenomen met dit zelfstandig optreden van zijn zoon.
Een aanzienlijk aantal O.D.-ers raakte in de loop van 1942 en 1943 betrokken bij andere verzetsactiviteiten. Sommigen hielpen ontvluchte krijgsgevangenen of verleenden onderdak aan de eerste (joodse) onderduikers. Anderen legden zich toe op het verzamelen van inlichtingen of gaven datgene wat ze door hun illegale werkzaamheden aan de weet kwamen door aan de staf in Venlo. Politierechercheur H. Pollaert begon op eigen houtje met de uitgave van een illegaal blad, “Oranje Hagel” (zie hoofdstuk XI, paragraaf III.2.).
Aan Duitse zijde werden intussen maatregelen voorbereid die zeer nadelige gevolgen voor de O.D. konden hebben, misschien zelfs het einde van de organisatie zouden betekenen. Bij de Duitse autoriteiten liepen de meningen over wat er met de voormalige militairen moest gebeuren nogal uiteen. Men wist dat velen zich hadden aangesloten bij verzetsformaties als de O.D. Het totaal aantal oud-militairen bedroeg maar liefst driehonderdduizend manschappen. Als de geallieerden binnen afzienbare tijd een front zouden openen in West-Europa - en daarmee moest steeds rekening worden gehouden - konden die driehonderdduizend wel eens op last van de geallieerden opnieuw onder de wapenen worden geroepen. Anderzijds werd gewezen op de pogingen van rijkscommissaris Seyss-Inquart om de Nederlanders met zachte hand te winnen voor het nationaal-socialisme en zo als potentiële vijand uit te schakelen. Door de militairen te deporteren zou men impliciet erkennen dat de nazificatie-politiek was mislukt. Bovendien werd daarmee Hitlers belofte dat de Nederlandse militairen naar huis mochten geschonden. De tegenstanders van deportatie stonden niet sterk: in de loop van 1942 werd steeds duidelijker dat de politiek van Seyss-Inquart op een fiasco uitdraaide. Wat was trouwens een belofte van Hitler waard? Op de achtergrond speelden evenwel zwaarwegender argumenten ten faveure van de voorstanders van deportatie een rol. Deze argumenten wonnen met het verstrijken van de tijd aan belang. Het ging niet goed met Duitsland. Eind 1942 en begin 1943 kregen de Duitsers te maken met tegenslagen aan de fronten in Noord-Afrika en de Sovjetunie. Vooral de verliezen aan het oostelijk front liepen schrikbarend op en konden nauwelijks meer worden gecompenseerd. Wilde men die tegenslagen te boven komen dan moest alles op alles worden gezet. Het Duitse thuisfront, door het propaganda-apparaat van Goebbels opgezweept tot ware hysterie, accepteerde de “totale oorlog” met al zijn verschrikkingen. De oorlog werd grimmiger en liet niemand ongemoeid, de Nederlandse militairen niet uitgezonderd. Driehonderdduizend arbeidskrachten extra voor de Duitse oorlogsindustrie waren vanzelfsprekend zeer welkom.
Waarschijnlijk maakte de S.S. deze zaak begin 1943 opnieuw aanhangig. De Duitse legerleiding ging accoord en op 29 april bracht de Nederlandse pers het nieuws van de voorgenomen terugvoering van de militairen in krijgsgevangenschap. 62] Voor de O.D. dreigde een fatale leegloop. Nog dezelfde dag braken de eerste stakingen uit die zich weldra over grote delen van het land uitbreidden. In Venlo vervaardigden H.H. Pollaert en L.P.C. Meyers circa vijftienhonderd pamfletten, waarin werd opgeroepen tot sabotage en een algemene staking. 63] In Roermond verloor de hoofdcontroleur van de Centrale Controle Dienst (C.C.D.) - een in 1933 ingesteld overheidsorgaan, belast met het toezicht op de naleving van de landbouwcrisiswet van 1931 - M.A.M. Bouman, een voormalig officier van het K.N.I.L. en provinciaal verplegingsofficier (voedselcommissaris) in de provinciale O.D.-staf, bij de stakingsoproep de voorzichtigheid uit het oog. Hij liet briefjes typen met de tekst: “Ondergetekende verklaart dat hij in het wegvoeren in krijgsgevangenschap van enig lid der Centrale Controle Dienst een reden zal zien om onmiddellijk uit kameraadschappelijke solidariteit zijn werk te staken. Hij zal dat werk niet hervatten voordat ook de laatste zijner collega’s in volle vrijheid in Nederland is teruggekeerd”. 64] Bouman en zijn medewerkers verspreidden de briefjes onder de C.C.D.-beambten in de provincie. Bovendien probeerde de hoofdcontroleur de boeren via de directies van de zuivelfabrieken te bewegen hun melkleveranties op te schorten. 65]
De staking breidde zich over vrijwel de hele provincie uit. Op 30 april greep de bezettende overheid in en kondigde het politiestandrecht af: er zou snel “recht” worden gesproken en men moest rekening houden met de zwaarste vonnissen. Dat gebeurde: in de late avond van 30 april en in de loop van zaterdag 1 mei werden drie C.C.D.-ambtenaren, onder wie Bouman, gearresteerd en kort daarop in Maastricht ter dood veroordeeld. Met vier anderen, onder wie drie mijnwerkers, werden ze op 2 mei op de heide bij het Noordlimburgse Wellerlooi doodgeschoten en begraven (zie hoofdstuk VI, paragraaf II.2.3.). Dit brute optreden brak de staking. Een golf van ontzetting ging door het land toen bekend werd dat overal in den lande stakers hun actie met de dood hadden moeten bekopen.
De gewestelijke O.D.-leiding riep op zich niet te melden voor terugvoering in krijgsgevangenschap en desnoods uit het zicht van de bezetter en zijn handlangers te verdwijnen. 66] Men stond nu voor de keuze: melden of onderduiken. Weldra voegden zich andere groepen lotgenoten bij de militairen. Op 5 mei 1943 waren alle mannelijke studenten die de zogeheten “loyaliteitsverklaring” niet hadden ondertekend aan de beurt. Medio maart 1943 was besloten dat iedere student elk jaar opnieuw moest verklaren zich te zullen onthouden “van iedere tegen het Duitse Rijk, de Duitse Wehrmacht of de Nederlandse autoriteiten gerichte handeling”. Alleen op die voorwaarde kreeg men toegang tot de universiteiten. Ongeveer 14% van de studenten gaf hieraan gehoor. Op 6 mei moesten alle weigeraars zich in acht verschillende plaatsen in het land melden. Wat er daarna met hen zou gebeuren, liet zich raden. Een dag later, op 7 mei, volgde de oproep dat alle Nederlandse mannen tussen 18 en 35 jaar zich moesten melden bij de gewestelijke arbeidsbureaus. Slechts hij die kon aantonen dat hij vanwege zijn beroep onmisbaar was, kwam voor vrijstelling in aanmerking. Alle overigen moesten er rekening mee houden naar Duitsland te worden gedeporteerd om dwangarbeid te verrichten. De aanmelding moest geschieden in volgorde van het geboortejaar, te beginnen met degenen die in 1921 waren geboren.
De maatregelen van april en mei 1943 overlapten elkaar gedeeltelijk. De consequenties waren zonneklaar: Nederland dreigde te worden beroofd van een wezenlijk deel van zijn (toekomstig) economisch potentieel. Plotseling drongen de gevolgen van oorlog en bezetting vrijwel in elke huiskamer door, de persoonlijke leefomstandigheden werden direct aangetast en aan talrijke hiermee samenhangende problemen moest het hoofd worden geboden. De belangrijkste vraag was natuurlijk hoe de jongste maatregelen konden worden ontdoken en geneutraliseerd. Talrijke jonge Nederlanders die tot dusver een afwachtende houding hadden aangenomen, zagen zich door de omstandigheden genoodzaakt het gevaarlijke pad der illegaliteit op te gaan. De laatste zeven maanden van 1943 werden gekenmerkt door een snelle groei van de illegale organisaties. Grote groepen van de Nederlandse bevolking raakten er rechtstreeks of zijdelings bij betrokken.
De O.D. bekommerde zich vanzelfsprekend om haar eigen manschappen. De militairen die zich bereid hadden verklaard te zijner tijd voor deze organisatie op te treden moesten hier blijven. Men kon echter niet volstaan met de oproep om onder te duiken, de militairen moest ook gelegenheid daartoe worden geboden. Een driehoofdige O.D.-delegatie van de gewestelijke staf knoopte eind mei 1943 gesprekken aan met twee Venlose parochiegeestelijken, de kapelaans J.J. Naus en P.G. van Enckevort. Zij hadden, net als andere geestelijken in de provincie, in de voorafgaande jaren ervaring opgedaan met het illegale werk. Ze droegen inmiddels de zorg voor diverse onderduikers: personen die om principiële redenen of omdat ze joods waren uit het zicht van de vijand moesten verdwijnen. Sommige geestelijken waren tevens betrokken bij de hulpverlening aan vluchtelingen, zoals uit Duitsland ontsnapte krijgsgevangenen. Hun verzetswerk was humanitair van aard, maar daarom niet minder gevaarlijk.
De O.D.-ers waren aan het goede adres. Het episcopaat had bij herhaling duidelijk gemaakt hoe het tegenover het nationaal-socialisme en de tegen de bevolking genomen maatregelen stond. Bovendien hadden de geestelijken een groot moreel overwicht op de bevolking en beschikten ze door hun ambt over talrijke plaatselijke (verzets)contacten, die, als dat nodig mocht zijn, zonder al te veel moeite gemobiliseerd en in verzetsverbanden konden worden ondergebracht. Er moest een organisatie komen, die zich zou richten op de hulpverlening aan onderduikers en de ondersteuning van de achtergebleven gezinnen. De O.D.-ers stelden voor de nieuwe organisatie analoog aan het districtenstelsel van de O.D. op te bouwen, hetgeen in grote lijnen geschiedde. Met name in de regio’s Roermond, Weert en Venlo - bakermat van zowel O.D. als de zogeheten duikorganisatie - raakten de twee verzetsorganisaties nauw met elkaar verstrengeld. Dat bleef zo, ook nadat de meeste O.D.-functionarissen zich uit veiligheidsoverwegingen na enige tijd uit de duikorganisatie terugtrokken. 67]

IV.2. Het gewest 19 O.D. binnen het krachtenveld der illegaliteit in 1944-1945

Op 12 september 1944 schreef generaal-majoor b.d. Jans in zijn dagboek: “Een belangrijke doch teleurstellende mededeling van het A.H.K.-O.D. betreffende de instelling van een driehoeksverband O.D.-K.P.-R.V.V. bereikte ons. Tot heden werd in de ons toegezonden bevelen steeds vermeld dat de O.D. de enige door de regering erkende organisatie was (...)”.68] Jans begreep niet goed waarom plotseling op voet van gelijkheid moest worden samengewerkt. In de districten Venlo en Roermond was van meet af aan goed samengewerkt met de duikorganisatie (L.O.), maar van plaatselijke knokploegen (K.P.’s) en van de R.V.V. was hem tot voor kort weinig bekend. In de afgelopen jaren had Jans steeds stipt de richtlijnen en instructies van het A.H.K.-O.D. opgevolgd. Uitgangspunt bij alle voorbereidingen was geweest dat hij bij de komst van de bevrijders terstond zou optreden als provinciaal commandant van het militair gezag waarbij alle overige, bewapende verzetsorganisaties aan zijn commando ondergeschikt waren. Chef-staf Six had dat keer op keer bevestigd. Het was begrijpelijk dat de mededeling van 12 september de Limburgse O.D.-commandant op z’n minst verbaasde. Een maand tevoren, op 15 augustus, had hij zijn districtscommandanten een instructie doen toekomen waarin onder meer stond: “(...) De leden der in de districten aangetroffen andere organisaties worden in de O.D. opgenomen, voorzover hun leiders daarmee instemming hebben betuigd (...). Weigerachtige organisaties moeten worden uitgeschakeld en opgeheven, aangezien alleen de O.D. door de regering met gezag wordt bekleed”. 69] Op 7 september had hij die instructie nogmaals in grote lijnen bevestigd. Diezelfde dag ontving Jans een brief van Six waarin deze schreef dat de R.V.V.-groepen en in beginsel ook de knokploegen zich aan het commando van de gewestelijke O.D.-commandanten zouden onderwerpen. 70]
In paragraaf III werd reeds vastgesteld dat Six geruime tijd naliet zijn gewestelijke commandanten in te lichten over het veranderde en nauwer omschreven regeringsstandpunt inzake de rol van de O.D. tijdens en na de bevrijding. Toen hij dat tenslotte wèl deed, was het eigenlijk al te laat. Zuid-Limburg werd enkele dagen later voor een groot deel bevrijd. Dit met opzet vertraagd doorgegeven bericht had Jans bovendien slechts in fragmenten bereikt. In de zomer van 1944 was hij al herhaaldelijk van contact met het A.H.K.-O.D. verstoken gebleven als gevolg van gebrekkig functionerende verbindingen. In feite borduurde Jans voort op de eerder vermelde handleiding voor de uitoefening van het militair gezag, opgesteld door mr. C.J.F. Caljé. 71]
Hoe was de ontwikkeling van de O.D. binnen het krachtenveld van de provinciale illegaliteit in 1944 verlopen? In het vroege voorjaar van 1944 had L. Jans met toestemming van zijn vader en op verzoek van de districtscommandant van Roermond, ir. W.J. Dewez, besprekingen gevoerd met de ontslagen commissaris van de koningin in de provincie Limburg, mr. dr. W.G.A. van Sonsbeek, en de oud-burgemeester van Sittard, M.W.J. Coenders, een medewerker van het Nationaal Comité van Verzet. Bij die gelegenheid had Jans een uiteenzetting gegeven over de taak en doelstelling van de O.D. en het door die organisatie te zijner tijd uit te oefenen militair gezag.
Op verzoek van de districtscommandant van Maastricht, P.J. Sijmons, nam Jans jr. in juli 1944 contact op met rijksrechercheur M.A. Erasmus uit Maastricht. Erasmus trad in Limburg op als verbindingsman van “Polo”, een afkorting van politie-organisatie. Hij deelde Jans mee dat deze organisatie zich had voorgenomen na de aftocht van de Duitsers de orde te handhaven. Bovendien wenste Polo de naoorlogse arrestatiebevoegdheid tot haar taak te rekenen. Leider en initiatiefnemer van Polo was de oud-procureurgeneraal te Den Bosch, mr. E.L.M.H. baron Speyart van Woerden. Pogingen van diens medewerker mr. E. van Voorst tot Voorst uit Vught om naderhand opnieuw met Jans in contact te komen, liepen op niets uit. Na zijn vader over de gedeeltelijk met de O.D. samenvallende doelstellingen van Polo te hebben geïnformeerd, verbood deze hem elk verder contact met Polo. Jans sr. was van mening dat de politie met een volstrekt onvoldoende gezuiverd apparaat de arrestatiebevoegdheid naar zich toe wilde trekken. De O.D. zou zich in Jans’ visie ten zeerste compromitteren als politiebeambten, die eerder arrestaties voor de bezetter hadden verricht, nà de bevrijding hetzelfde zouden doen in samenspraak met de O.D. als verantwoordelijke instantie voor de uitoefening van het militair gezag. 72]
Teneinde zekerheid te krijgen over de toekomstige houding en rol van de gewapende verzetsorganisaties, zocht de gewestelijke leiding vanaf mei 1944 contact met K.P. en R.V.V. De O.D. streefde er immers naar alle in Limburg werkzame verzetsorganisaties onder de eenhoofdige leiding van Jans te brengen. In mei bracht Jans jr. een bezoek aan enkele K.P.-ers in Nijmegen om tot een taakverdeling te komen. De K.P.-ers in Nijmegen reageerden enigszins verbaasd. Bestonden er in Limburg dan geen knokploegen? De K.P. uit Helden had onlangs haar voorman, W.L. Houwen, verloren en trad sindsdien niet meer als zodanig op. In het zuiden van de provincie waren ook knokploegen actief. Of Jans hier in mei 1944 van op de hoogte was, staat niet vast. Wèl werd geleidelijk duidelijk dat de heersende opinie jegens de O.D. niet gunstig was. Schertsend sprak men van “Oude Dames” en bij herhaling werd de passiviteit van de organisatie aan de kaak gesteld. Het was trouwens niet moeilijk zulke beweringen met voorbeelden te schragen. Niettemin zette Jans door en trachtte in contact te komen met de Limburgse K.P. en R.V.V. In de zomer van 1944 verklaarde een vertegenwoordiger van de O.D. en de R.V.V. in Venlo, P. Meuws, zich bereid het gezag van de O.D. te aanvaarden. Helaas stelde de R.V.V. in Venlo weinig of niets voor. Meuws zegde toe sabotageplannen van de R.V.V. vooraf aan de plaatselijke O.D.-commandanten voor te leggen. 73]
Dank zij de relaties in L.O.-kringen kreeg de O.D. in de tweede helft van de zomer verbinding met B.J.C. van Kooten, die toen als gewestelijk leider van de L.O. optrad, en J.R.P. Crasborn, gewestelijk K.P.-leider. Welke toezeggingen de twee precies aan Jans deden, is niet geheel duidelijk. Aangenomen mag worden dat Van Kooten zich tactischer en meegaander opstelde dan Crasborn. De L.O.-instructie van 8 september 1944 aan de districtsleiders was tamelijk vrijblijvend: “Neem zelf initiatief, waarbij te bedenken is dat dit een algemene richtlijn is waarvan je na overleg met de Staf in zoverre kunt afwijken dat je ofwel als geheel tot de K.P. kunt overgaan of je hele apparaat in dienst kunt stellen van de O.D.” 74] Op 13 september 1944 schreef Van Kooten aan zijn districtsleiders dat het gehele L.O.-apparaat ter beschikking van de O.D. werd gesteld en ten nauwste moest worden samengewerkt met die organisatie. 75]
Uit géén van de brieven, instructies en richtlijnen die Van Kooten in augustus en september deed uitgaan, bleek dat hij individuele L.O.-ers dwingend een overgang naar of onderschikking aan de O.D. oplegde. Hij toonde zich veeleer een fervent voorstander van samenwerking. Daaraan gaf hij in een brief aan L. Jans in september nogmaals uiting: “Er is een centrale leiding bestaande uit vertegenwoordigers van O.D., R.V.V. en K.P. Dit zijn erkende militaire groepen. Onder dit vaandel moet de L.O. zich scharen. Alle andere losse groepen hebben geen bevoegdheden. Men brenge deze direct in contact met de zogenaamde Driehoek (het O.D.-K.P.-R.V.V. overleg)”. Enige wrevel over de opstelling van sommige O.D.-ers kon Van Kooten niet onderdrukken. Hij liet Jans weten niet te kunnen tolereren dat de werkzaamheden van de L.O. door een O.D.-commandant waren gekenschetst als “indiaantje spelen”. 76] De lezingen over de samenwerking met de K.P. in juli en augustus 1944 lopen nogal uiteen. Het relaas van L. Jans komt er in grote lijnen op neer dat hij de opname van de K.P. in O.D.-verband bij zijn vader bepleitte, omdat de K.P. haar bestaansrecht had aangetoond. Na enige aarzeling stemde de gewestelijke O.D.-commandant met het voorstel in. Eind augustus/begin september ontmoetten L. Jans, die namens zijn vader optrad, van Kooten, Crasborn en de adjudant van de O.D.-districtscommandant van Roermond J.W.H. Frantzen elkaar in Belfeld. De uitkomst van de beraadslaging was dat de K.P. zich voortaan als onderdeel van de gewestelijke mobiele reserve, de stoottroepen, van de O.D. beschouwde. Offensieve verzetsdaden zoals het plegen van sabotage, maar ook defensieve activiteiten als het beschermen en bewaken van belangrijke objecten zouden voortaan zowel door O.D., K.P. als R.V.V. geschieden, met dien verstande dat de drie organisaties zelfstandig bleven, maar werden geleid en gecoördineerd door de gewestelijke O.D.-commandant. 77] Het was een moeizaam tot stand gekomen constructie, waarvan niets schriftelijk werd vastgelegd en waarvan naderhand niets terechtkwam.
In kringen van de K.P. heerste enige aversie tegen samenwerking met, laat staan onderschikking aan de O.D. Niet alleen op landelijk niveau, maar ook in Limburg had men elkaar niet weten te vinden. De doelstellingen en werkzaamheden lagen tè ver uiteen. Crasborn had in het zuiden van de provincie kennis gemaakt met de O.D. en was tot de slotsom gekomen dat de organisatie in deze streek weinig voorstelde en zich voortdurend verre hield van actieve deelname aan het verzet. Niettemin verklaarde hij zich in juli of augustus 1944 bereid tot een bespreking met generaal-majoor Jans, die trouwens ook niet veel voor samenwerking voelde. De ontmoeting werd door Frantzen in Swalmen gearrangeerd. Die plaats lag voor de hand. Crasborn vertoefde er steeds vaker in verband met de centrale ligging van het dorp en de goede, clandestiene verbindingen. Jans sr. was onder de schuilnaam L. Peters in het dorp ondergedoken. Frantzen woonde er en bekleedde zowel een functie in de O.D. als in de K.P. Begin augustus 1944 kwamen Jans en Crasborn ten huize van de arts H.H.J. Crasborn bijeen, maar het overleg leidde niet tot tastbare resultaten. Naderhand zou er nog een tweede ontmoeting in Belfeld hebben plaats gevonden, maar dat is zeer twijfelachtig. Frantzen was er in elk geval niet bij aanwezig. 78]
Diezelfde maand nog vertrok Jans uit Swalmen. Begin september bevond hij zich met zijn staf in Venlo. Omdat directieven van het A.H.K.-O.D. uitbleven, zond hij zijn naaste medewerker Russel op 5 en 8 september naar een verbindingsman van het A.H.K. in Oss. De eigen zendinstallatie kon (nog) niet worden gebruikt, omdat er permanent een Duitse peilwagen door Venlo reed. Na zijn terugkeer deelde Russel mee dat de zender van het A.H.K. tijdelijk was uitgevallen en het contact voorlopig via Den Bosch moest worden onderhouden. 79] Van tijd tot tijd druppelden enkele berichten binnen, maar over de precieze taakverdeling en krachtsverhoudingen binnen de illegaliteit bleef Jans vooralsnog in het ongewisse. Misschien vernam hij wèl, dat de ordehandhaving niet aan de O.D., maar aan vertrouwensmannen van de regering was opgedragen. Laatstgenoemden zouden in de provincies en gemeenten mogen rekenen op de steun van “goede” burgemeesters en de voormalige commissaris van de koningin. Desgevraagd zou de O.D. hen bijstand moeten verlenen. Hierop was immers de tekst van een Algemene Bekendmaking gebaseerd die Jans op 15 september - Maastricht was al bevrijd - aan zijn districtscommandanten zond met de toevoeging dat die bij de bevrijding terstond onder de aandacht van het publiek moest worden gebracht. Punt 1 van de Bekendmaking bevatte een passage waarin stond dat de politie en de O.D., met uitsluiting van elke andere organisatie, door de regering waren aangewezen om het bevoegd gezag bij de handhaving van orde en rust bij te staan. 80] Een week eerder, op 9 september, had hij zijn districtscommandanten trouwens nog laten weten dat al zijn vroegere aanwijzingen onverkort van kracht bleven. 81] Liet hij het daarbij? Waarschijnlijk wel. Op 12 september vernam Jans van de instelling van het Delta-overleg, hetgeen hij ronduit teleurstellend noemde. De O.D.-commandant voorzag dit fait accompli van het volgend commentaar: “Intussen begrijpen wij zeer goed dat de regering de verstrekking van wapens afhankelijk stelt van een zonder reserve aanvaarde eenhoofdige leiding der verzetsgroepen. In ons gewest laat die samenwerking met de leiders van K.P. en R.V.V. tot heden niets te wensen over, hoewel in sommige kleinere plaatsen reeds wrijvingen worden gemeld tussen de ondergeschikte, meest jeugdige leiders der verschillende verzetsgroepen”. 82] Klaarblijkelijk ging Jans nog steeds uit van een overlegstructuur tussen drie zelfstandige verzetsorganisaties onder zijn leiding. Daarvan getuigde zijn beschikking van 14 september nogmaals. Hij gaf een opsomming van de samenstelling van de gewestelijke reserve en noemde naast het troependetachement van de staf van de provinciale O.D.-commandant een te vormen “Bataljon Stoottroepen waarvan detachementen ter sterkte van één of meer sectiën worden geconcentreerd in Maastricht, Sittard, Heerlen, Roermond, Venlo, Weert en Helmond”. 83] In het district Venlo had het gewenste detachement misschien op de been kunnen worden gebracht, in alle andere districten zeker niet. Naderhand schreef Jans dat hij vanwege de slechte verbindingen niet was geïnformeerd over het gehalte en de sterkte van de O.D.-Stoottroepen in de overige districten. 84] De realiteit snelde Jans vooruit. Voor hem stond vast dat de knokploegen deel uitmaakten van de gewestelijke reserve. In zijn beschikking van 14 september stond het aldus: “Deze (de K.P.’s, auteur) staan onder mijn onmiddellijk bevel en treden in eigen verband op. De leiders en leden dezer organisatie, die militairplichtig zijn, blijven totdat nadere bevelen van de regering ontvangen zijn, tot de K.P.’s der L.O. behoren”. Jans wist waarschijnlijk niet dat Crasborn en Van Kooten op 9 september een brief hadden opgesteld waarin ze schreven dat het K.P.-gewest Limburg samenwerkte met de O.D., maar als zelfstandig geheel en onder eigen leiding. 85] Soepel verliep die samenwerking niet. Crasborn ontving naar eigen zeggen veel klachten over de O.D. 86] Jans sloot zijn beschikking af met de opmerking dat “bij de Bataljons Stoottroepen alleen geoefende militairen mogen worden ingedeeld terwijl de sectiecommandanten en detachementscommandanten met zorg moeten worden gekozen, zodat gevechtswaarde, offerzin en krijgstuchtelijk begrip zo hoog mogelijk kunnen worden opgevoerd”. Vanuit militair oogpunt waren Jans’ uitgangspunten juist en volkomen logisch. Hij wilde werken aan een nieuw leger met een zo hoog mogelijk moreel. Teneinde zijn beschikking kracht bij te zetten en de aan de O.D. toebedachte rol andermaal te beklemtonen, vaardigde Jans op 21 september het volgende bevel uit: “Vanaf 14 september is het militairplichtigen niet meer toegestaan tot een andere organisatie dan de O.D. toe te treden”.87] Het was voorlopig zijn laatste poging. Medio september werd het hoofdkwartier in Venlo ontruimd, omdat er veel dreiging uitging van de onlangs gearriveerde Sipo uit Maastricht. Jans nam zijn intrek in een boerderij tussen Venlo en Velden. Op 26 september werd de Verbindingsdienst door verraad en de daaruit voortvloeiende arrestaties uitgeschakeld.
Omdat de regio Venlo steeds dichter bij het front kwam te liggen, was Jans niet langer in staat instructies uit te laten gaan naar zijn districtscommandanten. Hij raakte meer en meer geïsoleerd. Medio januari 1945 stak hij de Maas over om leiding te geven aan de O.D. in bevrijd Zuid-Limburg. Het werd een grote teleurstelling. Zijn organisatie speelde er geen rol van betekenis en het plaatselijk kader en de manschappen waren intussen in andere organisatorische verbanden opgenomen. Wat had zich sedert september in het zuiden van de provincie afgespeeld?
Kort na de bevrijding van Maastricht op 14 september 1944 was de reserve-luitenant-kolonel H.J.H. Vullinghs in de Limburgse hoofdstad gearriveerd. Hij trad daar, namens het in Londen voorbereide Militair Gezag, op als Provinciaal Militair Commissaris (P.M.C.). Het optreden van de O.D. in Maastricht was een fiasco. Twee rivaliserende militaire organisaties betwistten elkaar de bevoegdheid tot het uitoefenen van het militair gezag. Er werden links en rechts recruten onder de burgers geworven en lukraak allerlei al dan niet schuldige personen opgepakt. Even leek het alsof Maastricht zichzelf aan het arresteren was. Een stok om een hond te slaan was licht gevonden. Van handhaving van de orde en uitoefening van het militair gezag was geen sprake. Ook andere verzetsgroepen eigenden zich de arrestatiebevoegdheid toe. Chaos dreigde en uit civiele kringen klonken felle protesten. Vullinghs zag zich genoodzaakt in te grijpen (zie paragraaf IV.4.6.). Het contact tussen Vullinghs en de Maastrichtse districtscommandant Sijmons verliep aanvankelijk stroef. 88] Al op 14 september was Sijmons naar de commandant van de Amerikaanse troepen gestapt en had hem zijn diensten aangeboden. Die had Sijmons gevraagd een compagnie samen te stellen die, bewapend met buitgemaakte Duitse geweren, zijn troepen kon bijstaan. De O.D.-commandant wist in korte tijd een compagnie op de been te brengen, maar veel hadden de Amerikanen er niet aan: zij trokken verder Zuid-Limburg in. In overleg met achtergebleven geallieerde autoriteiten belastte Sijmons zijn compagnie, die tegen het einde van september zo’n vierhonderd manschappen telde, met taken als de bewaking van geallieerde benzine- en munitiedepots en wagenparken. Per decreet van de Bevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) werden de O.D.-bewakingstroepen in het district Maastricht op 10 oktober als Bewakingstroepen (B.T.) opgenomen in de N.B.S. Daarmee verdween de O.D.-Maastricht geruisloos van het toneel. Er bestond geen ruimte meer voor allerlei zelfstandige organisaties. Op 28 november trad Sijmons terug als commandant van de B.T.-N.B.S., omdat hij tevens een adviserende functie bij het Militair Gezag bekleedde en beide functies niet verenigbaar werden geacht.89]
In de districten Heerlen en Sittard gingen de O.D.-ers eveneens grotendeels in B.T.-N.B.S.-verband op. De organisatie werd hier respectievelijk op 23 oktober en 1 november 1944 opgeheven. Aan de aanvankelijk heersende verwarring leek een halt te zijn toegeroepen. De knokploegen en leden van de R.V.V. hadden, evenals sommige O.D.-ers, onderdak gevonden bij de Stoottroepen (S.T.) der N.B.S. In opdracht van prins Bernhard was de waarnemend gewestelijke K.P.-commandant, B.J.C. van Kooten - hij had een bliksemcarrière in de illegaliteit gemaakt - op 19 september 1944 begonnen met de vorming van de Stoottroepen in bevrijd Limburg. 90] In tegenstelling tot de B.T. kregen de S.T. vanaf 7 oktober 1944 een offensieve taak toebedeeld. Zij zouden de oprukkende Amerikanen in het voetspoor volgen en veelal in de directe nabijheid van het front opereren. 91] Aldus ontstond een splitsing in B.T. met vooral O.D.-ers en S.T. met een sterke K.P., L.O. en R.V.V. vertegenwoordiging. Deze tweedeling bleef gehandhaafd, nadat de overige O.D.-districten in Limburg waren bevrijd. Alle zeven O.D.-districtscommandanten in Limburg kregen een functie bij de B.T. of het Militair Gezag. 92]
Keren wij terug naar generaal-majoor b.d. Jans. Het isolement, de bombardementen en de artilleriebeschietingen deden Jans in december besluiten door het front te gaan en de Maas ter hoogte van Velden over te steken. Het plan kwam op losse schroeven te staan toen de bezetter begin januari 1945 begon met de ontruiming van de streek ten noorden van Venlo. Er zat niets anders op dan een crossing in de omgeving van Echt te wagen. Op 15 januari aanvaardden Jans en enkele van zijn naaste medewerkers, onder wie zijn zoon, een hachelijke tocht die hen via Tegelen en Reuver naar Maasniel leidde, waar zij op 17 januari in “Sunny Hill”, de woning van L. Janssens van der Sande, arriveerden (zie hoofdstuk XII, paragraaf II.3.2.2.). Janssens van der Sande was een verbindingsman van Jans’ chef-marconist Theunissen. L. Jans vervoegde zich meteen bij de Roermondse districtscommandant Dewez, die hem een route via St.-Odiliënberg aanbeval. Het dorp werd echter ontruimd. De O.D.-ers besloten uit te wijken naar Herten, waar een neef van Theunissen woonde. Daar werd het inmiddels tot zestien personen uitgegroeide gezelschap in de avond van 19 januari in twee groepen van acht door een inwoner van Herten, een zekere Geerlings, over de Maas naar het bevrijde Beegden geroeid. De rivier vormde gedurende de winter tevens de frontlijn in Noord- en Midden-Limburg, maar de operatie, die drie uur in beslag nam, slaagde wonderwel.
De gewestelijke O.D.-commandant verkeerde, toen hij zich in het Middenlimburgse Beegden bij de geallieerden vervoegde, in het ongewisse over het lot van zijn organisatie. Het laatste wat hij had vernomen dateerde van eind september 1944. Dank zij een clandestiene P.T.T.-verbinding was contact gelegd met het kort tevoren bevrijde Heerlen. Toen hoorde hij van zijn commandant in de Mijnstreek, reserve-majoor C.M.J.A.F. Nicolas, wat er allemaal was misgegaan in Maastricht. In Heerlen daarentegen verliepen de ontwikkelingen gunstiger voor de O.D., zo verzekerde Nicolas hem. Het contact met Heerlen was spoedig daarna verloren gegaan. Na in Beegden verscheidene keren door Britse militairen ondervraagd te zijn, vertrok Jans met zijn zoon via Eindhoven naar het stafkwartier van prins Bernhard in Breda. 93] Daar werden ze te woord gestaan door majoor mr. C.H.J.F. van Houten, gemachtigde van de prins bij de N.B.S., die naderhand als volgt verklaarde: “(...) We hebben hem daar met zeer veel genoegen en geestdrift ontvangen, maar generaal Jans is onmiddellijk boos geworden. Hij was het met veel dingen oneens, die hij in bevrijd gebied aantrof, aangezien deze blijkbaar niet pasten in het kader van de ontwikkelingen, zoals hij zich die als O.D.-man had voorgesteld. We hebben op diplomatieke en vriendelijke wijze getracht aan de generaal duidelijk te maken dat de maatregelen die op dat moment golden en alsnog genomen zouden worden, gebaseerd waren op de noodzakelijkheid van de omstandigheden en vooral op de wensen van de geallieerden. Jans vond onder andere dat hij, naar ik meen, direct voor een heel belangrijke taak moest worden ingeschakeld. Die taak hadden wij voor hem op dat moment onmogelijk. Generaal Jans is toen blijkbaar erg ontevreden geweest en heeft zich later in Limburg, zeer tot onze spijt, uitgelaten in negatieve en naar mijn mening deloyale zin over de prins”. 94]
De Limburgse O.D.-commandant had zijn emoties kennelijk niet helemaal onder controle. De teleurstelling was tè groot en tegen het negatieve beeld dat men in de naaste omgeving van de prins van de O.D. had vermocht hij niets te doen. Hij kreeg de indruk als een oude man te worden beschouwd die nu eindelijk maar eens rust moest nemen. Als ambteloos burger keerde Jans terug naar Eindhoven in afwachting van de bevrijding van Venlo. Jans jr. vertrok in opdracht van prins Bernhard naar Engeland en werd daar onder meer verbindingsofficier in een opleidingskamp voor Nederlandse recruten. Enige tijd later stelde hij met kolonel G.J. Sas, chef-staf van het hoofdkwartier van de Nederlandse troepen in Engeland, en luitenant-generaal b.d. jhr. W. Röell, een petitie op gericht aan koningin Wilhelmina en een memorandum. 95] In beide opstellen legden de schrijvers de nadruk op de morele maatstaven, zoals die in het Nederlands leger van vóór mei 1940 golden. Voorts hielden ze een krachtig pleidooi ten gunste van de O.D., wellicht tè krachtig. Door nagenoeg de volle eer en het prestige van het verzetswerk op het conto van de O.D. te schrijven, joegen de opstellers zelfs medewerkers uit eigen kring tegen zich in het harnas. Sommigen overwogen zelfs enige tijd een tegenpetitie op te stellen. 96]
Zowel het memorandum als de petitie gaven uiting aan een diep gevoelde teleurstelling over de houding van de autoriteiten gedurende en na de bevrijding. Of, zoals de schrijvers van de petitie het zelf verwoordden: “Als soldaten hebben wij ons - aanvankelijk vertrouwend op de wijsheid van onze militaire overheid - opzij laten zetten”.

IV.3. Het gewest 19 O.D. in 1944-1945: algemene ontwikkeling

Op 1 mei 1944 had chef-staf Six zijn gewestelijke commandanten opdracht gegeven te beginnen met de vorming van “Stoottroepen” die, als ze over een adequate bewapening beschikten en zodra daartoe bevel werd gegeven, moesten overgaan tot het plegen van sabotage en het ontplooien van guerrilla-acties. Vanwege het chronische gebrek aan wapens, munitie en explosieven lukte het in de meeste gewesten niet zulke parate eenheden te formeren. In Noord-Brabant en Limburg kwam echter iets van de grond wat erop leek. 97] Al in 1943 had Jans opdracht gegeven een gewestelijke mobiele reserve op te richten, wat in het district Venlo had geresulteerd in de vorming van drie detachementen. Een bevond zich in de omgeving van Sevenum en werd geleid door luitenant J.F. Gijsbers, het tweede in Blerick onder commando van sergeantmajoor J.H.J. Timmermans en het derde in Venlo onder bevel van sergeant W.F.Th. van Boekhold. Het Venloos detachement was gedeeltelijk bewapend, telde circa zeventig manschappen en deed tevens dienst als troependetachement van de gewestelijke staf. Hierover voerde L. Jans het commando. Zijn vader ging ervan uit dat de drie detachementen ingezet konden worden als de door Six bedoelde Stoottroepen. 98]
In dezelfde periode vroeg Six zijn commandanten opgave te doen van het aantal beschikbare manschappen. Landelijk zou de O.D. zo’n honderdduizend medewerkers tellen: vrijwilligers die zich bereid hadden verklaard te zijner tijd voor de organisatie op te treden. Het waren in hoofdzaak “papieren” vrijwilligers. Generaal-majoor b.d. Jans berekende het aantal O.D.-ers in zijn gewest aanvankelijk op zevenenzeventighonderd, maar stelde naderhand vast dat sprake was geweest van een schromelijke overschatting. De meeste gewestelijke commandanten hadden bij hun calculaties geen of onvoldoende rekening gehouden met als gevolg van deportatie, dwangarbeid en evacuatie weggevallen potentiële krachten. Tenslotte kwam Jans uit op een totaal van honderdvijftig “full-time” O.D.-ers voor de periode voorafgaand aan 4 september, de dag waarop hij een gedeeltelijke mobilisatie afkondigde. Nadien groeide het aantal O.D.-ers uit tot twaalfhonderd man. 99] Zulke cijfers zijn niet te verifiëren, maar lijken aan de hoge kant, omdat talrijke illegale werkers, die als O.D.-ers werden meegeteld, allerlei verzetsactiviteiten ontplooiden binnen andere illegale verbanden. In tegenstelling tot veel andere gewesten beschikte de O.D. in het district Venlo over enige wapens en explosieven. Verscheidene medewerkers waren er sedert 1941 naar op zoek gegaan en beetje bij beetje was een klein arsenaal ontstaan. Als de gelegenheid zich voordeed, werden de boordmitrailleurs uit neergehaalde geallieerde bommenwerpers gedemonteerd. Een medewerker, de arts J.H. Schade, vervoerde de wapens in zijn auto naar de beeldenfabriek van Gödden, waar ze hersteld en gevechtsklaar werden gemaakt. Sedert juni 1944 kregen ze daarbij steun van een geallieerde vliegenier, P.J. Highland. 100]
Met de nadering van het lang verwachte “Uur U” nam de activiteit rond het hoofdkwartier in Venlo toe. Hoewel de verbinding met het A.H.K.-O.D. uiterst gebrekkig functioneerde en goeddeels door een ordonnansdienst werd onderhouden, ontving Jans toch enige directieven. Naar aanleiding daarvan gaf hij begin september opdracht de gewestelijke reserve gedeeltelijk te mobiliseren. De weinige andere directieven die Jans in september bereikten, waren algemeen van aard. Zo liet het A.H.K. op 16 september weten dat het “maquiswerk” vóór de bevrijding het treffen van maatregelen ter bescherming van belangrijke objecten inhield. De O.D. werd geacht zich op deze beschermende taak toe te leggen en gevechten met overmachtige vijandelijke strijdkrachten uit de weg te gaan. Na de bevrijding van een gebied zou de organisatie zich het meest nuttig kunnen maken met het assisteren bij de handhaving van orde en rust.
Enkele dagen eerder, op 12 september, had het A.H.K. namens de geallieerden het verzoek overgebracht om groepjes van twee personen naar de geallieerden te zenden om hen te informeren over de (militaire) situatie in bezet gebied. 101] Jans bracht het verzoek over aan zijn commandant in de Mijnstreek, reserve-majoor Nicolas. Zelf zond hij op 16 september aalmoezenier H.C.A. Baljon naar Roermond om na te gaan of de als estafettedienst georganiseerde verbindingen naar behoren functioneerden. De aalmoezenier kon hem geruststellen. Jans belastte hem meteen met een nieuwe taak. Baljon moest door het front om de geallieerden op de hoogte te brengen van de militaire situatie in bezet Limburg en hun met klem te vragen wapens af te werpen op een nieuw gekozen terrein in de buurt van Roermond. In gezelschap van A. Stassen, een broer van de O.D.-commandant in Echt, werd Baljon door de O.D.-commandant van Roosteren, J.M. Peters, onder mitrailleurvuur over het Julianakanaal gezet. Ter hoogte van Berg aan de Maas bereikte hij de Amerikaanse linies en noemde de code “Telephone A”. De aalmoezenier bracht verslag uit op het hoofdkwartier van de tweede pantserdivisie in Maastricht. Daar stelde hij vast dat het met de O.D. in dit district helemaal fout dreigde te lopen. Niet de O.D., maar nieuw te vormen Stoottroepen leken het heft in handen te nemen. Baljon besloot meteen terug te keren naar Venlo om Jans van deze, voor de O.D. ongunstige ontwikkelingen op de hoogte te brengen. Tot drie keer toe mislukten zijn pogingen het front opnieuw te passeren. Tenslotte sloot Baljon zich aan bij de Stoottroepen in Noord-Brabant. 102] Op 23 september, kort na de gedeeltelijke mislukking van Baljon’s missie, zond Jans zijn medewerkers J.F. Gijsbers en J.H. Schade de geallieerden tegemoet. De twee gingen in de Peel door het front en bereikten na twee dagen heelhuids Eindhoven. Daar kregen ze te horen dat ze er beter aan deden terug te keren naar Venlo. Ze trachtten opnieuw door het front te gaan, maar bij Meijel moesten ze hun poging opgeven.103] Aldus bleef Jans grotendeels verstoken van berichtgeving over de ontwikkelingen in bevrijd gebied en had geen informatieuitwisseling plaats met het A.H.K.-O.D. Hij was helemaal afhankelijk van de berichten van enkele koeriers die hij in de eerste helft van september naar Oss en Den Bosch zond. Veel leverde dat niet op. De schriftelijke berichten van regionale koeriers van de L.O. bevatten soms bruikbaardere informatie.104] Van meer nut waren de telefoonaansluitingen die door de eigen verbindingsdienst ten behoeve van O.D. en L.O. tot stand waren gebracht. Dank zij clandestiene schakelingen in het P.T.T.-net en door gebruik te maken van een los daarvan functionerend verbindingscircuit van de Stroomverkoopmaatschappij kon gedurende een groot deel van september contact worden onderhouden met de (weldra bevrijde) plaatsen Eindhoven, Weert, Maastricht en Heerlen en met de commandanten in Gennep, Helden, Sevenum en Roermond. Na de arrestatie van een hoofdambtenaar van de Stroomverkoopmaatschappij in Roermond vielen ook deze verbindingen weg (zie hoofdstuk XII, paragraaf II.2.2.). 105]
Tenslotte was er de eigen, voor binnenlands gebruik bestemde, zender-ontvanger. Op 6 september hadden de marconisten het toestel opnieuw getest. Men was er zeer ontevreden over: de door de O.D. gebruikte golflengte was véél te breed, zodat de zender een gemakkelijke prooi voor de Duitse peilwagen vormde. Er kwam geen radiografisch contact met het A.H.K. tot stand. 106] De telefoon was naast de koeriers de enige mogelijkheid contact met de buitenwereld te onderhouden.
Op 17 september verliet Jans Venlo. De zender werd die dag voor de vijfde keer verplaatst en opgesteld in de woning van H.W.J. Jacobs in de Goltziusstraat. Door uit het aangrenzende pand een telefoonleiding af te takken lukte het een medewerker van de verbindingsdienst contact te krijgen met het onlangs bevrijde Eindhoven. Langs deze weg konden vijf berichten worden doorgegeven. 107] Eén daarvan bevatte de mededeling dat de Duitsers een pantserdivisie bij Arnhem samentrokken. 108] De kort tevoren bij Arnhem gelande parachutisten liepen groot gevaar. Mogelijk beschikte men in Venlo over die informatie, omdat het hoofd van de verbindingsdienst, Talens, er in was geslaagd in te breken in Duitse verbindingen. 109] In Eindhoven hechtte men klaarblijkelijk weinig geloof aan het bericht en werd het niet op de juiste waarde geschat. 110]
Dat er slechts vijf berichten werden doorgegeven, kwam doordat vrijwel de hele verbindingsdienst op 26 september in handen van de Sipo viel. Het naast de woning van Jacobs gelegen pand was tot voor kort bewoond door de familie Ex. In verband met hun verzetswerk hadden de zonen des huizes moeten onderduiken. De na “Dolle Dinsdag”, 5 september 1944, op drift geraakte directeur van het Maastrichts Waterleidingbedrijf, ir. J.J.H. Vos, tevens kringleider van de N.S.B. in Maastricht, had zijn intrek in de woning van Ex genomen. Daar ontdekte hij, waarschijnlijk na een tip, dat er een kabel naar de woning van Jacobs liep. Vos vond het verdacht en stapte naar zijn partijgenoot, de korps-chef van de Venlose politie, O. Couperus. In gezelschap van een collega bracht Couperus een bezoek aan het verdachte pand en arresteerde H.W.J. Jacobs en de marconist P.J. de Klerk. De tweede marconist, J. Erink, kon ontkomen. Pas daarna lichtte Couperus de Sipo in, wat hem op een uitbrander kwam te staan. In de kelder werden een accu, de seinsleutel en onderdelen van de zender aangetroffen. Terwijl de Sipo-beambten het pand doorzochten, rinkelde de telefoon. Couperus nam op. Er werd gevraagd naar “Jan” (Erink) waarop de korps-chef antwoordde dat “Jan” niet kon komen. De persoon deed er verstandig aan zelf naar de Goltziusstraat te komen. Na ongeveer een kwartier ging de bel. Het was Talens, die meteen werd gearresteerd. Hij en De Klerk werden meegenomen naar de keuken, waar de Sipo-leden R. Nitsch en M. Ströbel beiden zwaar mishandelden. In de loop van de middag werd J. Rommelse, die in gezelschap van A.G. Theunissen net terugkeerde van een bezoek aan Sevenum, op de Maasbrug aangehouden. Theunissen wist te ontkomen. Na een verhoor werden de vier arrestanten overgebracht naar de gevangenis in Assen. Talens kreeg de doodstraf, maar het vonnis werd voorlopig niet voltrokken. Op 13 april 1945 werden drie van hen door Canadese militairen uit de gevangenis bevrijd. De vierde arrestant, De Klerk, was er eerder in geslaagd uit de gevangenis te ontsnappen en in Winschoten ondergedoken. 111]
De arrestaties hadden geen directe gevolgen voor de andere O.D.-ers in Venlo. De zendinstallatie in de woning van Jacobs was niet gevonden. L. Jans beraamde met Van Boekhold een plan om met steun van hun detachement de medewerkers van de verbindingsdienst te bevrijden.112] Die poging liep op niets uit. Op 23 oktober hield Nitsch L. Jans op straat aan. Mogelijk hadden de verklaringen van de arrestanten hem voldoende aanwijzingen verschaft over Jans’ betrokkenheid. Daags erna doorzocht de Sipo nogmaals de woning van Jacobs en ontdekte op zolder alsnog de zender, enige wapens en munitie. 113] Nitsch c.s. wisten niet dat Theunissen de reserve-apparatuur inmiddels in veiligheid had gebracht. Van Boekhold bedacht intussen met enkele leden van zijn detachement een list om Jans uit de gevangenis te halen. Een paar dagen eerder was Venlo door een zwaar bombardement getroffen. Vermomd als puinruimers, maar zwaar bewapend, begaven Van Boekhold en tien helpers zich op 27 oktober naar het door S.S. en Ordnungspolizei bewaakte politiebureau. Zonder dat de bewakers er iets van merkten, bevrijdden ze Jans onder zeer moeilijke omstandigheden. Ze slaagden er na drie uur in hem door een met gepantserd glas en van tralies voorzien celvenster aan de achterzijde van het bureau te laten ontsnappen. De Sipo reageerde furieus en arresteerde twee zusters van Jans. Een van hen overleed op 6 januari 1945 als gevolg van de in de cel doorstane angsten gedurende de zware bombardementen op de stad. Jans zelf zocht meteen na zijn bevrijding in gezelschap van Van Boekhold zijn toevlucht in de bossen bij Lomm. Korte tijd later voegden de twee zich weer bij de bewapende O.D.-groep in de beeldenfabriek van Gödden. De aanhoudende bommenregen maakte het verblijf in de stad vrijwel onmogelijk. In november begaf de groep zich naar Tegelen en nam haar intrek in de steenfabriek van de firma Russel-Tiglia. Het detachement was inmiddels uiteengevallen en het mobilisatiebevel van begin september vanwege het oorlogsgeweld ingetrokken. Theunissen, die was ondergedoken bij Janssens van der Sande in Maasniel, bekommerde zich om de reserve-apparatuur. In december verzond hij enkele berichten over de noodtoestand in Noord- en Midden-Limburg en de dreigende ontruiming van de streek.114] Of de zender daadwerkelijk functioneerde en de berichten in bevrijd gebied werden opgevangen, staat niet vast. Tegen het midden van december kreeg de plaatselijke Duitse commandant in Tegelen lucht van de activiteiten in de steenfabriek. Na een verblijf van zeven weken vertrokken de O.D.-ers onder hevig artillerievuur van de geallieerden opnieuw naar Venlo. In de woning van Van Boekhold werd een evacuatieplan voor een Maasoversteek van de provinciale O.D.-staf opgesteld, maar daarvan kwam niets terecht. Op 13 januari begonnen de Duitsers met de ontruiming van Venlo, zodat de O.D.-ers niets anders overbleef dan de geteisterde stad zo snel mogelijk te verlaten en te trachten bevrijd gebied te bereiken. Hetzelfde adviseerde Jans de nog in Venlo vertoevende stafleden van de O.D. en de manschappen van zijn detachement. De wapens werden ingemetseld. 115]

IV.4. Ontwikkelingen in de afzonderlijke districten: 1941-1945

Omdat vanuit Eindhoven en Den Bosch vooralsnog niets gebeurde om de O.D. in het oosten van Noord-Brabant op te bouwen, nam generaal Jans het O.D.-district Helmond begin 1941 op in de Limburgse gewestelijke organisatie. Voor de ontwikkeling in Limburg had het district geen enkele betekenis en de belangstelling vanuit Venlo was en bleef gering. De gewestelijke leiding huldigde de opvatting dat het district eigenlijk tot Noord-Brabant behoorde. Voor de volledigheid willen we er in het kort tòch iets over zeggen. De door Jans aangezochte districtscommandant, de reservekapitein S.W.A.M. de Groot, en verscheidene van zijn medewerkers raakten met name betrokken bij de hulpverlening aan geallieerde vliegeniers. Daaraan hadden ze hun handen vol, niet aan de O.D. Bovendien brachten vooraanstaande O.D.-ers geruime tijd in Duitse hechtenis door. Een gevolg daarvan was dat bijvoorbeeld de verbinding met Venlo al in maart 1944 wegviel. Over de geschiedenis van de O.D. tijdens de bezetting staan ons vrijwel geen gegevens ter beschikking, wel over de periode erna. Die stond in sommige plaatsen in het teken van gezagsconflicten tussen rivaliserende verzetsgroepen waarbij de O.D. een centrale rol speelde, vooral in Boxmeer en Cuyk. In laatstgenoemde plaats gingen O.D.-ers hun boekje te buiten door brand te stichten in een door een N.S.B.-er bewoond café, dat eigendom was van iemand die niets met de nationaal-socialistische organisatie te maken had. 116]

IV.4.1. District I: Gennep

Het district Gennep omvatte het meest noordelijk deel van de provincie. In het zuiden werd het district begrensd door de gemeenten Sevenum, Maasbree en Venlo. Van 1941 tot zijn terugvoering in krijgsgevangenschap op 15 mei 1942 fungeerde luitenant-kolonel E.H.C. van Gent uit Arcen als districtscommandant. Hij wierf een belangrijk deel van het kader. In de zomer van 1942 benoemde Jans de 65-jarige reserve-luitenant-kolonel L.H.M.W. van Bennekom tot waarnemend districtscommandant. De feitelijke leiding berustte echter bij zijn plaatsvervanger, de reserve-eerste-luitenant P.J.H. Geurts, een handelaar in bouwmaterialen. Geurts trad tevens als commandant van Gennep op. Op 5 maart 1944 droeg de door ziekte geplaagde Van Bennekom het commando aan Geurts over. Deze benoemde de beroepsofficier A.J.M. Vintges tot zijn adjudant. Vintges had tussen mei 1942 en januari 1944 vastgezeten in het krijgsgevangenkamp Neu-Brandenburg, maar was ontsnapt en via Blerick, waar hij korte tijd voor de O.D. werkte, in Gennep terechtgekomen. De adjudant onderhield het contact met de gewestelijke leiding en de commandanten in Gennep, Arcen, Horst en Venray. 117]
De werkzaamheden van de districtsleiding richtten zich vóór september 1944 op de voorbereidingen om ten tijde van het “Uur U” zoveel mogelijk manschappen op de been te brengen en te voeden. Volgens eigen opgave zou het district ongeveer duizend O.D.-ers kunnen mobiliseren. 118] Een medewerker van de Stroomverkoopmaatschappij zorgde voor aansluiting op het telefoonnet van de P.L.E.M., zodat men met vrijwel de hele provincie in verbinding stond. Bovendien beschikte Geurts over een ordonnansdienst. Zo nu en dan maakte men Duitsers in beslag genomen goederen, levensmiddelen, wapens en munitie afhandig. 119] In september 1944 kreeg Geurts “carte blanche” van zijn gewestelijke commandant. De O.D.-ers strooiden spijkers en kraaiepoten op de wegen, maakten Duitse voertuigen onklaar en verzamelden militaire inlichtingen die aan Venlo werden doorgegeven. Sedert de geallieerde luchtlandingen bij Groesbeek, Nijmegen en Arnhem, medio september 1944, lag het district in de directe nabijheid van het front. De 19-jarige koerierster mejuffrouw Ch.M.P. van Kempen passeerde verscheidene keren het front om berichten door te geven. Omstreeks 23 september raakten O.D.-ers slaags met een groepje, in de buurt van Mook gelegerde Duitse soldaten. Van eventuele verliezen is niets bekend. 120] Op last van een lokale Duitse militaire commandant moesten de inwoners van Gennep hun woonplaats op 15 oktober ontruimen. Geurts en Vintges begaven zich de volgende dag naar het zuidelijker gelegen Siebengewald, waar ze bij de plaatselijke commandant P.J. Weijs aanklopten. Omdat de Duitsers ook deze plaats dreigden te ontruimen, besloten de twee niet af te wachten en de Maas over te steken in de hoop contact te leggen met de Britse militairen op de westoever. Omstreeks 21 oktober bereikten ze een boerderijtje in het aan de Maas gelegen gehucht Ayen. De volgende dag waagden ze de oversteek. Alles was tot dusver goed gegaan. Bij Vierlingsbeek voltrok zich echter een drama. Hoewel Geurts met een witte vlag zwaaide, zag een Britse post hem voor een Duitser aan. Een regen van kogels trof de O.D.-commandant. Hij kwam de ernstige verwondingen echter te boven. 121]
Sedert het voorjaar van 1941 leidde sergeant J.J.L. Timmermans op verzoek van overste Van Gent de O.D. in het rayon Horst. Met zijn plaatsvervanger G.A. Lucassen, een onderwijzer uit Horst-Melderslo, en in samenwerking met de provinciale en de districtsleiding wierven ze nieuwe krachten, die op hun beurt medewerkers aanzochten. Naast de verspreiding van illegale blaadjes en vlugschriften legden de voormalige militairen zich toe op het verzamelen van wapens en munitie. W. van Boekhold en M.A.M. Bouman uit Roermond haalden ze op. 122] Sommige O.D.-ers raakten betrokken bij de hulpverlening aan ontvluchte krijgsgevangenen. Naar aanleiding van de begin 1943 afgekondigde maatregelen tegen de dienstplichtige militairen, studenten en jonge arbeidskrachten ontving de O.D.-leiding uit Horst in mei/juni 1943 een uitnodiging naar Venlo te komen om nader van gedachten te wisselen over de te volgen strategie. Aldus raakte de Horster O.D. nauw betrokken bij de vanuit Venlo geregisseerde hulp aan onderduikers. Zowel Lucassen, Timmermans als lagere O.D.-commandanten werkten sedert juni 1943 voor twee, nauw met elkaar verweven organisaties. Zo leverden ze touw, jute en benzine voor een kamp voor ondergedoken militairen in de bossen bij Helden. 123] Bovendien raakten Timmermans en Lucassen in de vroege zomer van 1943 betrokken bij de vervaardiging en verspreiding van een illegaal blaadje, “Voor de Vrijheid”. Verraad speelde de makers parten. In de nacht van 27 op 28 augustus 1943 arresteerde de Sipo-Eindhoven de voornaamste medewerkers. Enkele dagen later werd Timmermans in hechtenis genomen. Ondanks vrijspraak wegens gebrek aan bewijs bleef hij tot 8 mei 1945 in Duitse gevangenschap (zie hoofdstuk XI, paragraaf III.6.). Lucassen nam het zekere voor het onzekere, hij benoemde W.J. Houwen tot zijn plaatsvervanger en dook onder. Met steun van F.P.J. Smulders, J. Jansen en F. Jacobs leidde Houwen gedurende de rest van de oorlog de O.D. in het rayon Horst. Lucassen speelde tot september 1944 een bescheiden rol op de achtergrond. 124]
Ondanks het wegvallen van de rayonleiding kwam er geen scheiding tussen L.O. en O.D. tot stand, hoewel de laatste organisatie zich méér dan voorheen op de eigen toekomstige taak ging toeleggen. Zo werd nauwgezet notitie gehouden van N.S.B.-ers en collaborateurs met het oog op de na de bevrijding te verrichten arrestaties. Op papier beschikte Houwen over tweehonderdvijftig manschappen, een schromelijke overschatting. 125]
In de loop van 1944 trokken enkele gebeurtenissen de aandacht van de Duitsers en hun handlangers. Allereerst was er de liquidatie van S. Walvisch - hij had aangekondigd verraad te zullen plegen - tussen Horst en Grubbenvorst door enkele R.V.V.-ers in juli (zie hoofdstuk IX, paragraaf IV). Diezelfde maand werd een zwarthandelaar overvallen. Bovendien deed al geruime tijd het gerucht de ronde dat de regio veel onderduikers herbergde. Reden voor enkele medewerkers van de Arbeitskontrolldienst (A.K.D.) uit Venlo om op 2 augustus een bezoek aan Horst te brengen. De A.K.D. was voortgekomen uit het korps bewakers van het concentratiekamp Ommen en, tegen beloning, belast met het opsporen van ontduikers van de “Arbeitseinsatz”. Ze wilden F.P.J. Smulders arresteren. Een kort tevoren gearresteerde onderduiker had hen onder andere de naam van Smulders genoemd als een van de plaatselijke helpers van onderduikers. Smulders trachtte te vluchten, maar werd door twee kogels uit het geweer van de A.K.D.-er J. van Zutphen getroffen. Hij werd overgebracht naar het plaatselijk ziekenhuis. Zijn broer Gerard, die zich hevig had verzet toen de A.K.D.-ers Frans in hechtenis wilden nemen, werd eveneens opgepakt. Diezelfde nacht bevrijdden vijf inwoners van Sevenum -G.H. Hanssen, G. en G.J. van de Ven, J. van den Heuvel en P.J.H. den Mulder - met hulp van Smulders’ bewaker, de 25-jarige marechaussee H.M. van Ark de gewonde Smulders uit het ziekenhuis. Zowel Van Ark als Smulders doken in Sevenum onder. De Duitsers hielden Gerard Smulders als gijzelaar vast en brachten hem over naar het kamp Vught, waar hij op 19 augustus werd doodgeschoten. 126]
In september kwam de O.D. in actie. De bevrijdingsproclamatie lag klaar evenals de legitimatiebewijzen en de oranje brassards (een stoffen band die om de bovenarm wordt bevestigd) met hagedis, symbool van het regeneratievermogen. De O.D.-ers beschikten zelfs over enkele vervoermiddelen. Lucassen trommelde een groepje op dat de wapens en munitie in ontvangst moest nemen van een aangekondigde dropping bij Sevenum. Een koerierster uit Sevenum, mejuffrouw Th.J.P. Joosten die als verpleegster in Venlo werkte, had meegedeeld dat de wapens onder meer waren bestemd voor de commando’s in Horst, Venray en Gennep.127] De dropping ging niet door. Een andere opdracht bestond uit het verzamelen van inlichtingen over Duitse opslagplaatsen, verdedigingswerken en de troepensterkte in de regio. De inlichtingen konden via de P.L.E.M.-telefoonverbinding aan Venlo worden doorgegeven. 128] Niemand had rekening gehouden met wat uiteindelijk tòch gebeurde: de geallieerde opmars stagneerde in de Peel en vanaf eind september 1944 lag de regio Horst in de onmiddellijke nabijheid van het front. De Duitse militaire leiding beschouwde de moerassige Peelstreek als een strategisch bruggehoofd ten westen van de Maas. Versterkingen werden aangevoerd en Duitse militairen trokken rovend en plunderend door de omgeving. Het contact tussen Horst en Venlo ging verloren. Medio oktober bombardeerden Canadese toestellen Horst en Horst-America. Er vielen tientallen slachtoffers onder de burgerbevolking. Terwijl de overlevenden bezig waren met het zoeken naar slachtoffers en het ruimen van puin, verscheen de Grüne Polizei en arresteerde circa tweehonderdvijftig mannen. Lucassen ontsnapte aan arrestatie door zich in een kast in zijn woning te verbergen. Razzia volgde op razzia. Eind oktober ontruimden de Duitsers de gehuchten rond Horst. Het bruggehoofd wankelde en naarmate de situatie voor de verdedigers verslechterde, verergerden de excessen. Verscheidene militairen gingen zich aan buitensporige wreedheden jegens de bevolking te buiten. Pas op 23 november, met de bevrijding van Horst en omgeving, kwam er een einde aan de lijdensweg van de plaatselijke bevolking. 129] Meteen na de aftocht van de Duitsers meldden de O.D.-ers zich. Voorzover zij dat wensten werden alle voormalige verzetswerkers in de O.D. opgenomen. In de eerste plaats moest de voedselvoorziening in de ontredderde streek veilig worden gesteld. Dat verliep redelijk, omdat voldoende weerstand was geboden aan de Duitse pressie alle vervoermiddelen af te staan. Ook bij de arrestatie van N.S.B.-ers en collaborateurs deden zich geen noemenswaardige problemen voor. Er was nog geen vertegenwoordiger van het Militair Gezag gearriveerd. Moeilijkheden ontstonden pas toen de Britse sectorcommandant liet weten dat de O.D. uit Horst het gebied tussen Meerlo en Grubbenvorst moest beveiligen, een afstand van ruim tien kilometer. 130] Plaatsvervangend O.D.-commandant Houwen kon niet genoeg manschappen op de been brengen om die taak naar behoren uit te voeren. Dat was wellicht mede te wijten aan de deportatie van een groot aantal mannen in oktober. Na een intensieve wervingscampagne beschikte hij tenslotte over een groep van honderdvijftig man. Dat waren niet allemaal voormalige illegalen. Sommigen stoorden zich hieraan. 131] Niettemin brachten ze hun opdracht tot een goed einde. Gedurende de winter werd de groep met bewakingsdiensten op de westelijke Maasoever belast. Sindsdien maakten Houwen en zijn manschappen als vijfde compagnie in het district I, Cuyk, deel uit van de Bewakingstroepen der N.B.S. 132]
Over de werkzaamheden van de O.D.-ers in Venray vóór september 1944 is weinig bekend. C.G.A. van Kemenade was sedert mei 1942 plaatselijk commandant. Bij de opbouw van de O.D. kreeg hij steun van de reserve-officier M.F.H. Hoedemaekers, die deel had uitgemaakt van het Landstormkorps “Limburgse Jagers”. 133] De ontwikkelingen aan het Peelfront in september en oktober 1944 brachten de plaatselijke bevolking in een lastig parket. Een chaotische periode brak aan, Duitse militairen trokken plunderend door de streek. Ondanks verzoeken van de plaatselijke L.O. om goederen in veiligheid te brengen, kon de O.D. vooralsnog weinig doen. Van Kemenade gaf er de voorkeur aan ondergedoken te blijven. Hij verdedigde zijn houding door te wijzen op de hem opgedragen instructies. Inmiddels bereidde een speciale Duitse gevechtseenheid “Walther” in de buurt van Overloon een offensief voor. Het hoofdkwartier was in Venray gevestigd. Gedurende de strijd, die op 30 september losbarstte en voortwoedde tot 18 oktober, werd Venray voor een belangrijk deel verwoest. Hoedemaekers raakte op 29 oktober gewond bij een granaataanval op Venray. Het enige wat de O.D.-ers hadden kunnen doen, was het verzamelen van militaire inlichtingen die telefonisch waren doorgegeven aan Venlo.
Met de komst van de Britse bevrijders op 18 oktober verschenen de O.D.-ers ten tonele. Aanvankelijk ruimden ze vooral puin, begroeven de gesneuvelden en arresteerden zesenveertig politieke delinquenten en collaborateurs. Ondanks herhaalde verzoeken om de evacuatie uit te stellen, in de hoop op afstel, hield de Britse legercommandant vast aan zijn standpunt dat het voor de plaatselijke bevolking te gevaarlijk was in Venray en directe omgeving. In samenwerking met de Britten evacueerden de O.D.-ers tussen 23 en 28 oktober ongeveer tienduizend burgers naar veiliger oorden. De marechaussee en zevenentwintig O.D.-vrijwilligers bleven in het ontvolkte Venray achter. In burgerkleding en bewapend met buitgemaakte Duitse geweren verrichtten de O.D.-ers er bewakingsdiensten voor de Britten. Dat weerhield laatstgenoemden er overigens niet van tot plunderingen over te gaan. O.D.-ers maakten zich er eveneens schuldig aan. 134] Eind oktober ging de L.O.-er F.G. Michels in plaats van een O.D.-er in opdracht van de Britten door de linies om de Duitse troepenconcentraties bij Horst op te nemen. Kennelijk verwachtte men een nieuw Duits offensief. Michels kreeg twee dagen de tijd voor zijn missie. Op de terugweg naar Venray sneuvelde hij. 135]
Op 23 november vroeg de Britse sectorcommandant Van Kemenade een compagnie vrijwilligers samen te stellen die zou moeten deelnemen aan de bevrijding van de dorpen Wanssum, Geysteren en Blitterswijk. Het lukte voldoende manschappen op de been te brengen. Aan het hoofd van de Venrayse compagnie nam de O.D.-commandant deel aan de bevrijding van de drie dorpen. Een groot deel van de inwoners, circa vijfentwintighonderd personen, werd naar het ontvolkte Venray geëvacueerd. In elk dorp bleef een sectie van de compagnie achter. Dat bleek nodig, want regelmatig staken Duitse patrouilles de Maas over om het onlangs verloren gegane terrein te verkennen. In maart 1945 trokken de Britten de Maas over en kreeg de compagnie van Van Kemenade, die 169 manschappen telde, de bewaking van het gebied langs de Maas tussen Maashees en Broekhuizenvorst opgedragen. Voortaan maakte deze derde compagnie deel uit van de Bewakingstroepen der N.B.S. in het district I, Cuyk. 136]
De ontwikkelingen in het district Gennep waren sedert september 1944 uitermate wanordelijk verlopen. Na zware strijd op de westelijke Maasoever was het district in de loop van oktober en november in tweeën gesplitst. De Maas was frontlijn geworden. De O.D.-ers op de oostelijke Maasoever stonden voor de keuze ondergedoken te blijven en de komst van de bevrijders af te wachten of te trachten bevrijd gebied te bereiken. De laatste mogelijkheid resteerde eigenlijk alleen nog toen kwam vast te staan dat de Duitse legerleiding en later ook de S.S. voornemens waren de gehele oostelijke Maasoever te ontruimen. Achterblijven had geen zin meer. Bovendien raakten de verbindingen binnen het district en met de staf in Venlo in het ongerede. Sedert eind september moest volop worden geïmproviseerd, óók in bevrijd gebied. De belangrijkste districtscommando’s, Gennep, Roermond en Venlo, lagen door de frontontwikkeling in feite aan de “verkeerde” kant van de Maas. Geurts had dat tijdig onderkend en was vertrokken. In geen van de in het najaar bevrijde regio’s bleef de O.D. passief. Integendeel, in sommige plaatsen speelde de organisatie, als gevolg van de afwezigheid van het Militair Gezag, zelfs korte tijd de zichzelf toebedachte rol. Veel te besturen viel er overigens niet. In het gebied heerste een complete chaos vanwege de oorlogshandelingen en ontruimingen. De plaatselijke O.D.-commandanten werkten nauw samen met de Britse militaire autoriteiten en formeerden ondersteunende compagnieën. Het commando van de in de districten Gennep en Helmond opgerichte Bewakingscompagnieën berustte sinds eind 1944 bij majoor W.E.H. Janssen, commandant der B.T.-N.B.S. in het nieuw gevormde district Cuyk. Janssen was in 1942 bij de O.D. in het district Maastricht betrokken geraakt en daar op een ongebruikelijke manier tot districtscommandant benoemd. Bovendien had Maastricht al een commandant. Weldra bereikten alarmerende berichten over de toestand van de O.D. in Maastricht het hoofdkwartier in Venlo: de O.D. dreigde ten onder te gaan aan onderling geruzie. De daarbij gebruikte argumenten waren niet steeds zuiver. Zo werd gefluisterd dat Janssen een rokkenjager was en derhalve ongeschikt voor zijn 877 functie. Op 8 september 1943 greep Jans in en zond een koerier naar Maastricht. In het district Gennep had men nog steeds geen definitieve opvolger gevonden voor overste Van Gent. De koerier overhandigde Janssen het bericht dat Jans had besloten hem met het districtscommando in Gennep te belasten en van het Maastrichtse te ontheffen. Janssen begaf zich echter niet naar Gennep, maar bleef in de Limburgse hoofdstad. Sinds mei 1942 droeg hij namelijk de verantwoordelijkheid voor de bewaking van een deel van het nationaal cultureel erfgoed. Sommige werken van Hollandse meesters waren veiligheidshalve in de St.-Pietersberg te Maastricht ondergebracht. Hij weigerde de kunstschatten aan hun lot over te laten. “Ik kon die functie op dat tijdstip niet overdragen”,137] motiveerde hij naderhand zijn besluit. De noodzaak om in Maastricht te blijven verviel, nadat de stad op 14 september 1944 was bevrijd. Via België en het bevrijde deel van Noord-Brabant bereikte Janssen op 30 september Boxmeer. Hij schrok van wat hij er aantrof. Iedereen wilde voor commandant spelen en de O.D. en K.P. lagen met elkaar overhoop. Janssen stelde enigszins orde op zaken - Boxmeer hoorde overigens niet tot district I - en begaf zich naar Cuyk. Daar fungeerde de burgemeester tevens als O.D.-commandant. Hij had de organisatie inmiddels opgeheven. Janssen organiseerde een nieuwe O.D. 138] Daarna vertrok hij naar Mook. Ook hier moest de O.D. nieuw leven worden ingeblazen. Commandant P. Kanters had steeds contact onderhouden met de plaatsvervangend districtscommandant Geurts en de O.D.-commandant in het Gelderse Heumen, W.J. Maris. Meteen na de bevrijding van Mook, in de tweede helft van september, ging de O.D. over tot arrestatie van “foute” elementen onder de plaatselijke bevolking. Veel manschappen kon Kanters niet op de been brengen, omdat de meesten in het nog bezette Middelaar woonden. Men verrichtte vrijwel dezelfde werkzaamheden als de O.D.-ers in Venray en Horst. 139]
In oktober 1944 kreeg Janssen het commando over de aanwezige en nog te vormen Bewakingscompagnieën der N.B.S. in het district Cuyk. Twee maanden later telden de B.T. in het district zeshonderd manschappen, verdeeld over vier compagnieën: de eerste compagnie (commandant H. Vaessens) in Cuyk; de tweede compagnie (P. Kanters) in Mook; de derde compagnie (C.G.A. van Kemenade) in Venray en de vijfde compagnie (W.J. Houwen) in Horst. De vierde compagnie was gepland in Arcen en Velden, maar die plaatsen waren toen nog niet bevrijd. 140] Op papier zag het er fraai uit, maar Janssen klaagde voortdurend over de slechte verzorging van zijn manschappen. Ook de bewapening en de uitrusting lieten het nodige te wensen over. 141] Voorlopig veranderde er weinig aan die situatie. Men was aangewezen op de Britten, die zich weinig coöperatief opstelden.
In het district Gennep bestond geen K.P.- of R.V.V.-vertegenwoordiging van betekenis op het moment van de bevrijding. Andere groepen waren doorgaans nauw aan de L.O. gelieerd. Na de bevrijding ontstonden verscheidene onverkwikkelijke ruzies tussen zowel deze organisatie en de O.D. als tussen de O.D. en het Militair Gezag. Meestal speelden de conflicten in de persoonlijke sfeer. We zullen kort stilstaan bij de meest in het oog lopende. In Horst spitsten de problemen zich toe op de verhouding tussen O.D. en Militair Gezag. De ruzie ontstond, omdat het Militair Gezag de Horster organisatie niet bij het nieuwe militaire bestuur betrok. De kwestie liep zo hoog op dat een delegatie uit Horst naar Maastricht afreisde om het probleem aan de Provinciaal Militaire Commissaris voor te leggen. 142]
De meest pijnlijke verwikkelingen deden zich evenwel voor rond de persoon van de O.D.-commandant in Siebengewald, P.J. Weijs. Hij had zijn uitstekende relaties met een aantal Duitsers in de grensstreek gedurende de bezetting in het voordeel van de illegaliteit aangewend. Dank zij zijn inspanningen hadden aanzienlijke aantallen Nederlandse dwangarbeiders en studenten, zelfs enkele geallieerde vliegeniers, uit Duitsland kunnen repatriëren (zie hoofdstuk IV, paragraaf V en hoofdstuk VI, paragraaf IV.2.). Weijs had trouwens méér verdienstelijk illegaal werk verricht. Niettemin was hij gedurende de bezetting om onduidelijke redenen in botsing gekomen met het duikhoofd van de L.O. in Bergen, H.Th. Schelbergen, hetgeen toen al tot beschuldigingen over en weer had geleid. In het najaar van 1944 was Weijs diverse keren door het front gegaan om de geallieerden in te lichten over de Duitse militaire posities en versterkingen. In januari 1945 werd hij in bevrijd gebied door de Britten gearresteerd op verdenking van spionage voor de vijand. Luitenant A.J.M. Vintges, die hem vergezelde, begreep er niets van. Bij navraag bleek de aanklacht te zijn ingediend door Schelbergen. De dekmantel waaronder Weijs steeds met succes had kunnen opereren, werkte plotseling averechts. Het was niet moeilijk getuigen op te sporen die zijn vriendschap met een aantal Duitsers bevestigden. Weijs onderging een slechte behandeling en belandde in een Tilburgs interneringskamp tussen N.S.B.-ers. Op 27 juli 1945 kwam hij na een aantal ontlastende verklaringen weer op vrije voeten. Hij werd gerehabiliteerd en Schelbergen betuigde spijt. 143]
In Venray boterde het evenmin tussen O.D. en L.O. Waarschijnlijk was het conflict ook hier tijdens de bezetting ontstaan. Sommige L.O.-ers waren van mening dat de O.D.-commandant de L.O. in een verkeerd daglicht had gesteld bij de Britse autoriteiten. Nòg meer stak het hen dat de terugkeer naar Venray van enkele geëvacueerde L.O.-ers door toedoen van Van Kemenade en zijn manschappen moeizaam was verlopen. Bovendien regende het klachten over het door de O.D. gevoerde arrestatiebeleid. Er zou niets van deugen. Betrouwbare personen waren gedetineerd en “foute” elementen vrijuit gegaan. Met die laatste categorie doelden de geïrriteerde L.O.-ers op zwarthandelaren en Rijksduitsers. De Venrayse onderlinge ruzie sleepte zich nog geruime tijd voort...144]

IV.4.2. District II: Venlo

Vanzelfsprekend hingen de ontwikkelingen in het district Venlo samen met directieven en beleidsdaden van het gewestelijk O.D.-commando, dat immers in die stad was gevestigd. Sommige gebeurtenissen zijn om die reden in de voorgaande paragrafen reeds summier aangestipt of uitvoeriger besproken. In de beschrijving van de geschiedenis van de O.D. in het district zal het accent vooral liggen op die ontwikkelingen en gebeurtenissen welke in nauwe relatie stonden met de O.D.-organisatie in het district zelf. In het voorjaar van 1941 had generaal-majoor b.d. Jans de luitenant-kolonel K.J. Evenwel aangezocht om het districtscommando op zich te nemen. Misschien wierf Evenwel enige kaderleden, maar een krachtig organisator was hij niet. De meest actieve O.D.-ers waren in kringen rond de gewestelijke staf te vinden. Op 15 mei 1942 begaf Evenwel zich in krijgsgevangenschap. Hij werd vervangen door de reserve-kapitein der infanterie P.H.O.H. Küppers. Deze slaagde er in de loop van 1942 en 1943 in met onder anderen L. Jans, W.F.Th. van Boekhold, J.H.J. Timmermans, H.H. Pollaert en J.F. Gijsbers het organisatorisch raamwerk in het district te voltooien. Jans, die voor zijn vader koerierde, beschikte over veel contacten in militaire kring en breidde die nog uit. Nadat Van Boekhold, net als Jans, in 1940 vergeefs had geprobeerd naar Engeland uit te wijken, was hij door L. Jans bij de O.D. betrokken. Van Boekhold had verzetsrelaties in Amsterdam, Rotterdam en in de wereld van de bouw. 145] Sergeant-majoor Timmermans woonde in Blerick en werkte voor de C.C.D. Küppers vroeg hem in 1942 het commando voor Blerick op zich te nemen en Jans benoemde hem naderhand tot sectiecommandant van de gewestelijke reserve. 146] Politie-rechercheur Pollaert raakte uit hoofde van zijn functie bij de O.D. betrokken. Op het politiebureau vernam hij van de maatregelen tegen de joden. Zodra hij wist wie voor registratie en arrestatie in aanmerking kwamen, waarschuwde hij de betrokkenen. In maart 1942 informeerde de Sipo naar de verblijfplaats van generaal Jans. Pollaert lichtte de gewestelijke commandant meteen in. Sindsdien onderhield hij nauw contact met L. Jans en Van Boekhold. Telkens weer lukte het Pollaert belangrijke inlichtingen te onderscheppen en aan de O.D. door te geven. In augustus 1943 liep het mis en vertrok hij, verkleed als non, naar Roermond. Hoewel de Sipo zijn echtgenote, vijf kinderen en enkele andere naaste familieleden in gijzeling nam, zette de politie-rechercheur zijn ondergronds werk voort. 147] Reserve-luitenant Gijsbers, die evenals Timmermans voor de C.C.D. werkte, was aanvankelijk als code-officier verbonden aan de gewestelijke staf. Sedert de vroege zomer van 1943 voerde hij het commando over een groep militairen die naderhand deel zou moeten gaan uitmaken van de gewestelijke mobiele reserve. Bovendien vormde Gijsbers een essentiële schakel tussen Venlo en de op de westelijke Maasoever gelegen sector van het district. 148]
Afgezien van Küppers waren de genoemde O.D.-ers zowel op districts- als gewestelijk niveau werkzaam. Ze hielden zich bezig met het zoeken naar potentieel leidinggevend kader in de provincie, het verrichten van koeriersdiensten, verzamelen van inlichtingen waarbij het vliegveld Venlo een belangrijke rol speelde alsmede het opsporen en verzamelen, desnoods repareren, van wapens die werden opgeslagen ten huize van Van Boekhold en in de beeldenfabriek van A.H. Gödden. Het koerierswerk moesten ze tegen het einde van de zomer van 1944 vanwege de grote risico’s staken. Met name in de fronttijd bewees een aantal jonge, moedige koeriersters zoals de verpleegsters M.J.J. van Kessel en Th.J.P. Joosten alsmede D.J. Huys en A. Rijpkema de O.D. onschatbare diensten.
Na overleg tussen vertegenwoordigers van de O.D. en enkele pioniers op het gebied van de hulpverlening aan onderduikers werd eind mei 1943 afgesproken de te verwachten toevloed van onderduikers organisatorisch zo veel mogelijk te stroomlijnen en een “duikraad” in het leven te roepen, bedoeld om de werkzaamheden te begeleiden en er zonodig leiding aan te geven. De duikraad telde acht leden: vier of vijf van hen, onder wie L. Jans en Pollaert, waren bij de O.D. aangesloten. Eind augustus 1943 traden de O.D.-ers allemaal terug. 149] Zij verklaarden hun stap met het argument dat de jonge organisatie voortaan op eigen benen kon staan. Dat was ook zo, maar in de motivatie van de O.D.-ers school een element van arrogantie. Er speelde namelijk iets meer: generaal Jans had kenbaar gemaakt géén voorstander te zijn van deelname van O.D.-ers in andere verzetsgroepen. Op plaatselijk niveau was de verstrengeling tussen duikorganisatie en O.D. in het district hier en daar al zò ver gevorderd dat van terugtrekken geen sprake meer kon zijn: een verschijnsel dat zich trouwens ook in de districten Gennep, Roermond en Weert voordeed.

De duikkampen bij Helden en Sevenum

Naar aanleiding van de op 29 april 1943 afgekondigde terugvoering in krijgsgevangenschap van het Nederlands leger onderkende de O.D.-leiding het kapitale belang van de totstandkoming van een ondersteunende organisatie die zich uitsluitend zou toeleggen op hulp aan (militaire) onderduikers en al wat daarmee samenhing. Deze specifieke taakstelling viel weliswaar niet samen met die van de O.D., maar men kon niet buiten zo’n organisatie. Reeds in mei vatte de gewestelijke leiding het plan op enkele militaire (proef)duikkampen in te richten. Het bosrijke gebied op de westelijke Maasoever leek hier bij uitstek geschikt voor. De Venlose kapelaan P.G. van Enckevort, die er zelf oorspronkelijk vandaan kwam, steunde de plannen. 150] Alom heerste de overtuiging dat een geallieerde invasie in West-Europa aanstaande was en bij de Venlose O.D.-ers was daarom het plan gerijpt een mobiele en parate kern van geoefende soldaten te vormen die op elk gewenst moment kon worden ingezet. Van Boekhold werd gevraagd de inrichting van het kamp bij Helden op zich te nemen. Hij had tijdens de April-Meistaking deelgenomen aan de verspreiding van pamfletten waarin de militairen werden opgeroepen zich niet te melden. Bovendien was hij naar Apeldoorn gereisd om daar verzamelde soldaten over te halen onder te duiken. Hij boekte enig resultaat. Verscheidene militairen waren door J.W. Cox uit Maasbree bij boeren in de omgeving gehuisvest. 151] Kort nadat Van Boekhold was begonnen met de inrichting van het kamp in het “Bovensbos”, arriveerde reserve-luitenant J.F. Gijsbers in Helden om de leiding op zich te nemen. De twee konden voortbouwen op het werk van enkele baanbrekers. Een uit Hoogezand afkomstige landbouwer, C. Krans, die bij het bosperceel woonde, had kort tevoren een kippenhok ter beschikking gesteld aan vier jongelui die een oproep hadden ontvangen om in Duitsland te gaan werken. Een distributie-ambtenaar, W.L. Houwen, voorzag hen van bonkaarten en W.G.Th. Verrijt, zoon van een aannemer die naderhand een belangrijk aandeel had in de bouw van het kamp, nam de bevoorrading voor zijn rekening. Het eten kookten de jongelui in een schuur van de boerderij van Krans. 152] Toen Gijsbers medio juni in Helden aankwam, telde het kamp inmiddels ongeveer twintig jongeren die allemaal waren opgeroepen voor dwangarbeid in Duitsland. Met hulp van O.D.-ers uit de omgeving, de reeds aanwezige kampbewoners, enkele militairen en betrokkenen uit Helden begon Gijsbers met de uitbouw van het boskamp. De familie Krans stond vijf kippenhokken af die uiteindelijk onderdak boden aan veertig tot vijftig onderduikers. Het was een heterogeen gezelschap. 153] Gijsbers stond voor een lastige opgave. Hij moest het kamp, “Vrij Nederland”, op militaire leest trachten te schoeien. De militairen waren uiteraard gemotiveerd en bereid speciale cursussen te volgen, het kamp te onderhouden en wacht te lopen. Bij de “civilisten” lag dat anders. Het verblijf in dit zomerkamp had iets avontuurlijks en de bereidheid zich te schikken in een militair keurslijf ontbrak. 154] Het bestaan van het kamp bleef bovendien niet verborgen: in de omgeving, tot in Venlo toe, werd er openlijk over gesproken. Niettemin ging het één maand goed. Er kwam een wegennet, vernoemd naar de leden van het Koninklijk Huis, en de kippenhokken werden met netten gecamoufleerd. ’s Nachts bevoorraadden onder anderen Verrijt en de zoon van boer Krans het kamp vanuit Venlo en Helden. Ook aan de geestelijke verzorging van de bewoners was gedacht: de kapelaans A.R.J. Thomassen uit Helden en J.J. Naus en P.G. van Enckevort uit Venlo lazen er de H. Mis. 155]
Wat niet uit kon blijven, geschiedde: de verhalen bereikten verkeerde oren. De groepsleider van de N.S.B. in Meijel, H. Kessels, werkzaam op het in aanbouw zijnde vliegveld Venlo, hoorde van het kamp. Op donderdag 15 juli begaf hij zich op de fiets naar Helden en ontmoette aan de rand van het bosperceel enkele landarbeiders. Kessels knoopte een gesprek aan en gaf zich uit voor een bakkersknecht uit Helenaveen, op zoek naar een schuilplaats om onder te duiken. Ze adviseerden hem een kijkje te nemen in het bos. Daar zou hij vanzelf méér aan de weet komen en misschien worden geholpen. Een uur lang kroop Kessels door het bos alvorens zijn vermoeden werd bevestigd. Meteen na zijn sensationele ontdekking sprong hij op de fiets en lichtte twee partijgenoten in: boerenleider J.L.A. Kluytmans uit Grashoek bij Helden en jachtopziener P.L. Maessen uit Helden. Kessels was vastbesloten ook de Feldgendarmerie deelgenoot te maken van zijn vondst. De twee anderen raadden hem dat af. ’s Avonds laat keerde hij huiswaarts. De volgende dag deed hij bij de politie aangifte van zijn ontdekking. 156] Kessels drong aan op maatregelen, anders zou hij de Ortskommandant in Venlo inlichten. De wachtmeester der rijkspolitie, J.J. Evers, zegde toe Kessels de volgende dag met een aantal politiemannen naar het kamp te zullen vergezellen. Zo won Evers één dag, voldoende om W.L. Houwen, van wie hij wist dat hij voor de illegaliteit werkte, te waarschuwen. 157] Houwen bracht Gijsbers op de hoogte. Dezelfde dag nog kwamen Gijsbers en zijn adjudant, de marinier J. Nabben, naar Helden om een inderhaast belegde vergadering bij te wonen. In overleg met W. Houwen, kapelaan J.M.A. Spee en twee politiemannen uit Helden werd afgesproken Kessels zo spoedig mogelijk te liquideren. 158] In de nacht van vrijdag 16 op zaterdag 17 juli begaven Gijsbers en Nabben, mogelijk waren er meer personen bij betrokken, zich naar de woning van Kessels in Meijel. Met veel kabaal wekten ze hem. Gijsbers, gekleed in een uniform van de Feldgendarmerie, sommeerde Kessels zich aan te kleden en hem de weg naar het kamp te wijzen. Duitse troepen zouden klaar staan om het kamp te omsingelen. Waarschijnlijk kreeg Kessels argwaan, want hij trachtte onderweg te vluchten. Op de brug over het kanaal van Deurne, tussen Meijel en Beringe, werd hij doodgeschoten. Het stoffelijk overschot liet men - ter afschrikking? - ter plaatse achter. 159]
Zaterdagochtend 17 juli heerste een koortsachtige bedrijvigheid in het “Bovensbos”. Het kamp moest zo snel mogelijk worden ontruimd, elk ogenblik konden de Duitsers verschijnen. 160] Houwen was hierover getipt door de zoon van de opperwachtmeester van de marechaussee, A.J.A. van der Mullen.161] Kapelaan Naus en Houwen hadden intussen bij verzetsrelaties in de omgeving navraag gedaan of daar een aantal onderduikers kon worden opgevangen en gehuisvest. Dat was gelukt. Boeren en particulieren hadden zich bereid verklaard de helpende hand toe te steken. De evacuatie stond onder leiding van Verrijt en Van Boekhold. Enkele kampbewoners vertrokken op eigen gelegenheid, maar de meeste werden in twee retourtochten door de vrachtrijder W.S. Janssen over een aantal dorpen in de omgeving verspreid. Janssen dook daarna zelf eveneens onder. 162]
Meteen na de vondst van het lijk van Kessels was de Sipo-Maastricht van de aanslag op de hoogte gebracht. M. Ströbel, R. Nitsch en E. Elsholz spoedden zich naar Meijel. Van een duikkamp in de bossen bij Helden wisten ze op dat moment nog niets. Dat veranderde, nadat J.L.A. Kluytmans een verklaring had afgelegd. Hij was diep geschokt over het bericht dat zijn vriend Kessels was doodgeschoten en uitte het vermoeden dat de liquidatie was uitgevoerd door bewoners van het duikkamp. 163] Aan de hand van de verklaringen van Kluytmans en Maessen konden de Sipo-leden de ligging van het kamp en de boerderij van de familie Krans lokaliseren. Opperwachtmeester Van der Mullen, die daar getuige van was, liet - zoals we zagen - meteen waarschuwen. De Sipo-beambten waren te gering in aantal om iets tegen het kamp te kunnen ondernemen. Ze vonden het tè gevaarlijk het bos in te gaan en gaven er de voorkeur aan allereerst een bezoek te brengen aan Krans. Men had hem geadviseerd onder te duiken, maar Krans meende dat men geen bewijzen tegen hem had en wachtte thuis de gebeurtenissen af. 164] De Sipo arresteerde het echtpaar Krans-Dorenbos en hun zoon Gerrit. Een buurjongen, A. Schers, die af en toe melk naar het kamp bracht, werd eveneens opgepakt. Hetzelfde lot trof het joodse gezin De Jong uit Nijmegen, een echtpaar met dochter, dat in een ondergrondse schuilplaats bij de boerderij verbleef. Voorts arresteerde de Sipo notaris F.M.A. Haffmans, van wie ten onrechte werd verondersteld dat hij de eigenaar van het bosperceel was. Wèl had zijn zoon in het kamp gezeten evenals de zoon van H.H. Geenen uit Roggel. Nitsch zou het laatste niet vergeten en nam op Kerstavond van 1943 wraak op vader Geenen. 165] W. Verrijt, die zoveel mogelijk sporen in het kamp had uitgewist, keerde ’s middags naar de boerderij van Krans terug om zijn fiets op te halen. Hij werd aangehouden en bij visitatie bleek hij veel belastend materiaal bij zich te dragen. De Sipo vond een fotorolletje, brieven en namen van onderduikers en mogelijk óók de namen van enkele kapelaans en gastadressen.166] Alle arrestanten werden in eerste instantie meegenomen naar Roermond. Daar gaf het hoofd van de Sipo-Maastricht, Ströbel, de Ordnungspolizei opdracht het kamp op te rollen. Een tweehonderd man sterke politiemacht zette ’s avonds het “Bovensbos” af en trof een leeg en verlaten kamp aan.
Na een aantal zware verhoren werden vader en zoon Krans naar Duitsland gedeporteerd. De vader werd ernstig ziek en mocht in februari terugkeren naar Helmond, waar hij op 2 maart 1944 in het ziekenhuis overleed. Zijn zoon kreeg verlof de begrafenis bij te wonen en keerde niet meer naar Duitsland terug. Mevrouw J.D. Krans-Dorenbos verbleef enige tijd in het kamp Vught. Het joodse gezin De Jong uit Nijmegen werd naar de Duitse vernietigingskampen gedeporteerd. Hoe de Sipo hun schuilplaats had weten te vinden, bleef onopgehelderd. 167] A. Schers herkreeg, net als notaris Haffmans, na zes weken zijn vrijheid, maar werd bij een grootscheepse razzia onder de mannelijke bevolking op 5 april 1944 opnieuw gearresteerd en bezweek in een Duits concentratiekamp.168] W. Verrijt kreeg dank zij een door Houwen opgezette administratieve handigheid - zijn moeder zou ernstig ziek zijn - in november 1943 verlof om vanuit Berlijn naar Helden te reizen. Die kans greep hij aan om definitief afscheid te nemen van Berlijn. 169] Konden liquidaties misschien niet worden vermeden, dergelijke groots opgezette duikkampen zoals in Helden wèl. Zowel de O.D. als de duikorganisatie hadden duur leergeld betaald. De risico’s bleken onaanvaardbaar groot. Men stapte er daarom vanaf. Door de verhoren van de arrestanten en het belastend materiaal dat op Verrijt was aangetroffen was de Sipo veel over de georganiseerde illegaliteit aan de weet gekomen. Met name Nitsch was zeer geïmponeerd door het kamp. Nog nooit had hij zo’n goed geoutilleerde verblijfplaats voor onderduikers gezien. Hij vroeg E. Deppner, een stafmedewerker van W. Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des S.D., naar Helden te komen om het boskamp te bezichtigen. Deppner verklaarde zoiets zelfs in Oost-Europa niet eerder te hebben gezien.170] Nitsch beet zich in de affaire vast. Hij beschikte over foto’s van het kamp en een lijstje met namen van onderduikers die bij G.Th. Dirkx in Baarlo waren afgezet. Zijn puzzelwerk en voorzichtig arrestatiebeleid wierpen vruchten af. Op 25 juli rekende hij Dirkx in en na nòg een arrestatie kwam hij op het spoor van een pater van de orde van het H. Sacrament, J.M.Th. Govaert, in het klooster “De Berckt” in Baarlo. Govaert werkte samen met Dirkx. Er volgden negen arrestaties.171] Andere, zijdelings betrokkenen verbleven korte tijd in hechtenis en werden uitvoerig verhoord. Sommigen doken direct na hun vrijlating onder. Niet de O.D., maar de hulpverlenende duikorganisatie incasseerde de meeste klappen. Reeds in augustus 1943, nog maar enkele maanden na de oprichting, kende Nitsch de namen van de meest vooraanstaande illegale werkers in het district Venlo. Ze doken allemaal onder en kwamen “full-time” beschikbaar voor de illegaliteit.
De militaire onderduikers - tussen de vijftien en twintig - kwamen, voorzover ze geen onderdak bij boeren en particulieren vonden, in het plaatsje Kronenberg bij Sevenum terecht. Daar hadden J.J.H. Teeuwen en de familie Van Enckevort in opdracht van L. Jans in juni 1943 in een bosperceel, eigendom van J.J. Zeelen, een kleinschaliger proefkamp voor militaire onderduikers ingericht. Het kamp, “Oranje Vrijstaat”, bestond uit enkele kippenhokken en bood huisvesting aan een kleine groep beroepsmilitairen. 172] Nadat Gijsbers er met zijn manschappen was gearriveerd, nam hij het commando op zich en benoemde W. van Maurik, een in Sevenum ondergedoken wachtmeester van de militaire politie, tot ondercommandant. Binnen een maand vonden de meeste militairen werk en onderdak bij boeren in de omgeving. Desgewenst konden ze in het kamp overnachten. Er bleef een bezetting van hooguit tien personen in de bossen achter. 173] Dat laatste hield niet alleen verband met het uitblijven van een geallieerde invasie. De duikorganisatie in Sevenum had bij monde van G.H. Hanssen van meet af aan bezwaar gemaakt tegen een kamp in de bossen. Het aantal onderduikers in het dorp nam van week tot week toe. In de zomer van 1943 verbleven er al enkele honderden, afkomstig uit alle delen van het land. Hanssen en zijn medewerkers zaten niet te wachten op een herhaling van Helden: de gevolgen voor Sevenum en de onderduikers konden catastrofaal zijn. Onverantwoord, oordeelde Hanssen en hij weigerde te wijken voor de militaire belangen zoals door L. Jans verwoord. 174] Met het terugbrengen van de bezetting van “Oranje Vrijstaat” kwam een modus vivendi tussen O.D. en duikorganisatie tot stand. De verzorging van het kamp berustte bij Zeelen, Jans’ stafmedewerker Th.F. Mennen uit Sevenum en het duikhoofd te Kronenberg L. Bussemakers. 175] Koerierster Th.J.P. Joosten uit Sevenum onderhield het contact tussen het boskamp en de gewestelijke staf in Venlo. 176]
Vanaf het einde van 1943 ontvingen de in het kamp en daarbuiten gehuisveste militairen maandelijks, soms wekelijks, militair onderricht. Daarbij werd zowel aan theoretische aspecten zoals de politieke en militaire stand van zaken, vaderlandse geschiedenis en wapenleer als aan praktische facetten, waartoe wachtlopen, wapeninstructie en alarmoefeningen behoorden, aandacht besteed. Gijsbers, Mennen, Van Maurik en Teeuwen verzorgden de opleiding. ’s Zomers kwam men na het werk bijeen op een boerderij in de buurt, in de winter in de school van Kronenberg. Bij onraad werd een telefonisch waarschuwingssysteem in werking gesteld. 177]
Sommige militairen raakten bij het plaatselijk verzet betrokken. Vanaf begin 1944 bood het kamp onderdak aan enkele joden en bemanningsleden van neergehaalde geallieerde bommenwerpers. In mei 1944 veroorzaakte één van de vier vliegeniers, die op dat moment in het kamp verbleven, brand. Tientallen omwonenden snelden te hulp, maar konden niet voorkomen dat het kamp en tweeënhalve hectare bos in vlammen opgingen. Er deden zich geen persoonlijke ongelukken voor en de Duitsers hadden kennelijk niets bemerkt. J.W. Cox uit Maasbree nam de vier vliegeniers over.178] Enkele O.D.-ers hielpen de plaatselijke illegaliteit bij het ontvreemden van radio’s uit een opslagplaats in Sevenum en lieten in het najaar van 1944 de gemeentelijke administratie verdwijnen.179] Op 4 september bracht aalmoezenier H. Baljon een bezoek aan Sevenum. In opdracht van generaal Jans moesten alle manschappen terstond gemobiliseerd worden en zich naar het afwerpterrein bij de hoeve “Rust Roest” van de familie Groot begeven. Jans had de coördinaten van het terrein al in 1941 aan de landelijke leiding doorgegeven. “Venlo” verwachtte elk moment een wapendropping. Het wachten was slechts op het doorgeven via de Belgische uitzendingen van de B.B.C. van het cryptische zinnetje “Jan komt met de velo”. In gezelschap van de plaatsvervangend commandant van het afwerpterrein Sevenum, P.J. van der Sterren, en ongeveer twintig manschappen vertrok Gijsbers naar de boerderij van de familie Groot. De stemming was opperbest, eindelijk zouden de lang verwachte wapens komen. Gijsbers beschikte slechts over tien pistolen waarvan sommige onbruikbaar waren. Hij noemde ze klappertjespistolen. Munitie hadden ze nauwelijks. Als het nodig mocht zijn, kon Gijsbers de permanente bezetting van het terrein binnen enkele uren aanzienlijk uitbreiden.180] Er verliep een dag, een week, maar de dropping bleef uit. Het is de vraag of de geallieerde legerleiding het verantwoord achtte wapens en munitie te laten afwerpen boven een gebied dat niet ver van het front lag en waar het wemelde van de Duitse militairen. Op 10 september berichtte Jans’ koerier M. Russel dat de bewaking van het terrein niet meer nodig was. Gijsbers besloot de bezetting in te krimpen tot vijf à tien personen. Zij bleven op de boerderij achter. De overigen werden naar hun duikadressen teruggestuurd in afwachting van nadere bevelen. Ook Van Boekhold hield het voor gezien en keerde naar Venlo terug.181] Gijsbers bevond zich afwisselend bij zijn manschappen in Kronenberg en op de boerderij “Rust Roest”. Op maandag 20 september, toen er op “Rust Roest” een vuurgevecht plaats had met plunderende Duitse militairen, bevonden hij, Van Maurik en Teeuwen zich in Kronenberg. Met paard en wagen waren acht Duitse soldaten de hoeve genaderd. Ze waren dronken en op rooftocht. Na een heftige woordenwisseling vluchtten de O.D.-ers de hooizolder op. Dáár lagen de wapens. Een van hen voelde zich dermate in het nauw gedreven dat hij het vuur opende. Hij trof een Duitser in zijn rug. Hierop volgde een vuurgevecht waarbij aan Duitse zijde één of meer doden en enkele gewonden vielen. De overigen sloegen op de vlucht, maar keerden de volgende dag met vijftig militairen terug. Zij vernielden hoeve “Rust Roest”. 182] Aan O.D.-zijde waren twee slachtoffers gevallen: de oudste zoon des huizes, Simon Groot, en diens neef en naamgenoot uit Velp. 183] Th.J. van Rooy was gewond geraakt.184] De anderen waren, met achterlating van hun wapens, meteen na de confrontatie op de vlucht geslagen. Op 23 september bracht Van der Sterren in gezelschap van enkele helpers opnieuw een bezoek aan de boerderij om de achtergebleven wapens op te halen. Hij vond ze terug, maar op de terugweg namen Duitse militairen het groepje onder vuur. Van der Sterren raakte ernstig gewond. Een onschuldige inwoner van Sevenum, A. Verstegen, werd dodelijk getroffen door een verdwaalde kogel. 185]
Diezelfde 23e september vertrok Gijsbers uit Kronenberg om in opdracht van generaal Jans met de arts J.H. Schade door het front te gaan. 186] Hij benoemde W. van Maurik tot commandant. Kort daarop brak de fronttijd aan. Op 8 oktober hielden leden van de S.S. en de Wehrmacht een grootscheepse razzia op de westelijke Maasoever. Het bevel daartoe was uitgegaan van generaal-majoor R.A. Goltzsch: alle weerbare mannen tussen zestien en zestig jaar moesten uit de frontlijn verdwijnen. M. Hoeymakers, die deel had uitgemaakt van het bewakingsdetachement op hoeve “Rust Roest” trachtte, vermomd als jongedame, de anderen te waarschuwen, maar werd ontmaskerd en zonder pardon doodgeschoten.187]
Ook in andere delen van het district was de O.D. sedert september 1944 overvallen door de snel op elkaar volgende gebeurtenissen. Daags voor de afkondiging van de mobilisatie van het O.D.-personeel op 4 september waren de verenigde knokploegen uit het Land van Maas en Waal en Schijndel, circa twintig man, in de beeldenfabriek van Gödden neergestreken. Ze troffen voorbereidingen voor allerlei acties. Na een week staken ze de Maas over. Hun plaats werd ingenomen door ongeveer vijftig O.D.-ers van de gewestelijke reserve uit Venlo en Blerick. Medio september vertrok de groep uit Blerick huiswaarts, omdat ze niets konden doen. Drieënveertig O.D.-ers uit Venlo bleven tot midden november 1944 in de fabriek achter. Twintig van hen waren afkomstig uit de werkplaats van Van Boekhold, wiens vader aannemer was. Ze hadden als gevolg van de naspeuringen van de Ordnungspolizei naar de fabriek van Gödden moeten uitwijken. Veel méér dan afwachten konden ook zij niet doen. Toen ze vanwege de zware bombardementen op de stad de fabriek moesten verlaten, raakten ze her en der verspreid.188]
Er restte hen niets anders dan de bevrijding af te wachten, mee te evacueren naar de noordelijke provincies of door het front te gaan. In de omgeving van Baarlo en Kessel raakten O.D.-ers betrokken bij de gevaarlijke activiteiten van de gecombineerde knokploegen. Ze bewaakten enige tijd Duitse soldaten die door de K.P.-ers krijgsgevangen waren genomen en ze hielpen bij de ravitaillering van de K.P.-ers en hun krijgsgevangenen. 189] De door J.H.J. Timmermans geleide O.D. in Blerick raakte opgesloten op het snel in omvang slinkend Duits bruggehoofd op de westelijke Maasoever. Dank zij een telefonische verbinding kon de O.D.-commandant nog enige tijd contact onderhouden met districtscommandant Küppers in Venlo. De laatste opdracht die hij ontving luidde “zelfstandig en op eigen gezag handelen”. In november ging Timmermans enkele keren door het front om de geallieerden te informeren over de Duitse versterkingen rond het Blericks bruggehoofd. Op 3 december werd Blerick bevrijd. 190]
Na de aftocht van Gijsbers en zijn manschappen uit het kamp “Bovensbos” in juli 1943 werd het, wat de O.D. betrof, rustig in de sector Helden-Maasbree-Meijel. In november 1943 nam W.H.J. van Heukelom op verzoek van Küppers de organisatie van de O.D. in Helden op zich. Van Heukelom, een reserve-paardenarts eerste klas, zocht enkele betrouwbare groepscommandanten aan die op hun beurt elk vijftien tot twintig manschappen wierven. “We kenden elkaar niet, de jongelui wisten niet eens dat zij door een of andere groepscommandant waren uitgezocht. Eerst op het uur “U” zouden zij worden opgeroepen en dan pas bemerken dat zij in de O.D. waren opgenomen”, aldus Van Heukelom.191] In sommige andere gemeenten pasten O.D.-commandanten dezelfde werkwijze toe. De plaatselijke organisatie liep zo inderdaad geen risico, maar het was tevens de vraag of de O.D. werkelijk ooit over deze manschappen zou kunnen beschikken. Na de afkondiging van de mobilisatie werden de O.D.-ers - over hun aantal staan ons geen gegevens ter beschikking - enige tijd in boerderijen, kippenhokken en tuinbouwkassen geconcentreerd. Het lange, demoraliserende wachten begon. Slechts in Meijel, dat op 25 september werd bevrijd, trad de plaatselijke verzetsorganisatie in de openbaarheid. Zij nam er, bij ontstentenis van een civiel bestuur, de ordehandhaving op zich. Voorts bewaakten de O.D.-ers niet nader omschreven objecten en terreinen. 192]
De O.D. in Maasbree, geleid door J.W. Cox, telde negentien manschappen en was samengesteld uit medewerkers van de L.O., onderduikers en voormalige militairen. Ze raakten, net als de O.D.-ers in Baarlo, betrokken bij de activiteiten van de knokploegen in de regio. Drie Duitse militairen werden ontwapend en naar Baarlo overgebracht. 193] Na de razzia van 8 oktober doken de O.D.-ers, voorzover niet opgepakt, nòg dieper onder. “Vanaf die datum lag alle activiteit stil, aangezien iedereen weggekropen was om aan deportatie te ontkomen”, rapporteerde Van Heukelom later.194] Niettemin werd op 9 oktober een O.D.-er doodgeschoten. Het betrof de ondergedoken dertigjarige reserve-tweede-luitenant F.G. Neef uit Rotterdam. Neef was kort tevoren door districtscommandant Küppers naar Helden gezonden, waarschijnlijk met de opdracht militaire inlichtingen te verzamelen en het contact tussen O.D. en K.P. in de sector te onderhouden. Of hij over zendcontact beschikte, staat niet vast. Tijdens de razzia van 8 oktober ontdekten Duitse militairen in de woning van A.H. Verrijt draden die op de aanwezigheid van een zendinstallatie wezen. Er had inderdaad korte tijd een zendapparaat gestaan. De soldaten vertrouwden het niet en haalden de Sipo erbij. Die stelde op 9 oktober een nader onderzoek in bij Verrijt. Neef bevond zich op dat moment in de woning en verklaarde ziek te zijn. Hij werd meegenomen en zonder pardon in de bossen tussen Helden en Kessel doodgeschoten door C.M.W. Schut, een Nederlandse handlanger van de Sipo-Maastricht. De woning van Verrijt werd in opdracht van de Sipo opgeblazen. 195]
Alvorens de rol van de O.D. na de bevrijding in het kort te schetsen, zullen we eerst stilstaan bij een tragisch voorval dat zich in januari 1944 afspeelde en naderhand veel opschudding veroorzaakte. Het betreft de liquidatie van F.J.C. van Bilsen door leden van de O.D. op verzoek van de duikorganisatie in Venlo. Van Bilsen, een verzetsman uit de regio Tilburg, had in 1942 met enkele helpers het illegale blad “De Stem van Vrij Nederland” opgericht. Bovendien had hij een belangrijk aandeel in de ontsluiering van het Englandspiel. Op 11 november 1943 begeleidde hij persoonlijk twee, uit Duitse gevangenschap in Haaren ontsnapte geheime agenten, J.B. Ubbink en P. Dourlein, over de grens naar Antwerpen. De twee zouden na enige maanden en na veel tegenslag heelhuids in Engeland arriveren en er een schokkende getuigenis afleggen. 196] Door onopgehelderde redenen waren omstreeks hetzelfde tijdstip zowel de naam als een foto van Van Bilsen in het Contra-Signaal opgenomen. 197] Het Contra-Signaal was een sedert november 1943 in L.O.- en K.P.-kringen circulerende lijst met namen en meestal ook afbeeldingen van (potentiële) verraders en provocateurs. Doorgaans klopte de lijst, maar af en toe, zoals in het geval van Van Bilsen, ook niet. 198] Ofschoon hij op de hoogte was en bij herhaling was geadviseerd onder te duiken tot het misverstand uit de wereld was geholpen, trok Van Bilsen zich er niets van aan. Integendeel, op woensdag 19 januari 1944 reisde hij naar Venlo, waar hij honderd distributiezegeltjes hoopte te krijgen voor onderduikers die hij van bonkaarten voorzag. Bovendien wilde hij in Limburg agenten werven voor de verspreiding van “De Stem”. In Blerick zou hij bij zijn oom, een spoorwegbeambte die Richards heette, overnachten. Zowel op het distributiekantoor in Blerick als door de L.O.-medewerker P.P.J. Ex werd Van Bilsen herkend. 199] Venlo was opgezadeld met een gevaarlijke provocateur, luidde de gevolgtrekking. Een nieuwe afspraak werd gemaakt. De L.O.-ers troffen intussen maatregelen. Omdat er in de regio geen knokploeg bestond, brachten ze L. Jans, W. van Boekhold en een L.O.-medewerker, de politierechercheur J.J. Theelen, van het dreigend gevaar op de hoogte. Het pand in de Goltziusstraat, waar Van Bilsen Ex had bezocht, werd veiligheidshalve ontruimd. Diezelfde avond begaven Jans, Van Boekhold en Theelen zich naar Blerick. Zij volgden Van Bilsen vanaf de woning van het plaatselijk duikhoofd, H. Goertz, naar zijn slaapadres in de Tweede Graaf van Loonstraat. Omstreeks 22.15 uur werd hij voor de huisdeur van Richards neergeschoten. 200] Hoewel hij in de hartstreek was getroffen en de hulpverlening bewust werd getraineerd, slaagde Van Bilsen er nog in belastend materiaal aan een toegesnelde geestelijke te geven. De volgende morgen om 9 uur bezweek hij in het ziekenhuis te Venlo. 201] De Sipo-beambte E. Elsholz stelde een onderzoek in naar de toedracht en verhoorde onder anderen Theelen. Die kwam met tegenstrijdige verhalen op de proppen en dook daarna wijselijk onder. Het sterkte Elsholz in de overtuiging dat de Venlose politie er meer van wist. Hij arresteerde het hoofd van politie, O. Couperus, en twee rechercheurs. Zij konden echter geen uitsluitsel geven en werden vrijgelaten. Bij navraag in Tilburg vernam Elsholz dat Van Bilsen voor de Gestapo zou hebben gewerkt. 202] In de marge van het schriftelijk bericht tekende hij aan “Was ist das?!” 203] Als de Tilburgse mededeling juist zou zijn geweest, had de Sipo er vanzelfsprekend van geweten. Elsholz bewees met zijn opmerking het tegendeel. Door een pijnlijke - misschien opzettelijke - vergissing in het Contra-Signaal had een verdienstelijk illegaal werker het leven verloren. Keren wij tenslotte terug naar de laatste maanden van de bezetting en de bevrijding. Door de ontwikkelingen aan het front verliep de bevrijding van Noord-Limburg in fasen. Het gebied ten westen van de Maas was tussen eind september en begin december 1944 van Duitsers gezuiverd en hoorde tot de Britse zone. De ontvolkte oostelijke Maasoever daarentegen werd pas begin maart 1945 vanuit Duitsland bevrijd door soldaten van het negende Amerikaanse leger. De Maas vormde sindsdien de scheiding tussen Britse en Amerikaanse strijdkrachten.
In de maanden die volgden op de bevrijding van de westelijke Maasoever werden de O.D.-ers in dit deel van het district, net als in het district Gennep, door de Britse Fieldsecurity en de afdeling Civil Affairs belast met de bewaking van politieke delinquenten en belangrijke objecten zoals bruggen, het patrouilleren achter het front, de opsporing en registratie van landmijnen, het verzamelen van achtergelaten wapens en munitie, het verlenen van bijstand bij de evacuatie van de burgers uit het frontgebied en het houden van controles. Het waren frustrerende werkzaamheden. De militaire autoriteiten bleven ernstig in gebreke wat betreft de bewapening, kleding en voedselvoorziening van de O.D.-bewakingstroepen. Bovendien maakten veel Britse militairen zich schuldig aan plunderingen, nadat de plaatselijke bevolking was weggevoerd. Men kon er weinig tegen doen. In deze toestand kwam pas verandering toen de O.D.-ers rond de jaarwisseling als Bewakingstroepen (B.T.) in de N.B.S. werden opgenomen en administratief bij het gewest Eindhoven werden ingedeeld. Vrijwel alle plaatselijke O.D.-commandanten vervulden sindsdien als compagnie-(onder)commandant een functie in de N.B.S. 204] Het aantal manschappen dat rond de jaarwisseling van 1944-1945 in dienst was van B.T.-N.B.S. lag waarschijnlijk tussen de tweehonderdvijftig en driehonderdvijftig. Meteen na de bevrijding van Venlo bracht een verbindingsofficier van de N.B.S., J.W.H. Frantzen, een bezoek aan de zojuist teruggekeerde generaal Jans. Frantzen vernam dat de Provinciaal Militair Commissaris, luitenant-kolonel mr. C.W.A. Schürmann, daags tevoren C. Receveur, een neef van de chef-staf van Jans, tot Districts Militair Commissaris had benoemd, zulks tot ongenoegen van het lid van de gewestelijke O.D.-staf M. Russel en de voormalige districtscommandant P. Küppers. Evenals Jans voelden zij zich gepasseerd en ze deden hun beklag bij Schürmann in Maastricht. Die had inmiddels enige ervaring opgedaan met het fenomeen dat er teveel O.D.-ers waren voor te weinig functies. Hij stelde de twee voor een adviescommissie voor het Militair Gezag samen te stellen. Die oplossing had al eerder naar tevredenheid gewerkt.205] Daarnaast kregen Russel en Küppers het commando over de plaatselijke B.T., die aanvankelijk ongeveer honderd manschappen telden. De B.T. werden belast met allerlei bewakingsdiensten, de beveiliging van mijnenvelden en het ophalen van Duitse krijgsgevangenen en politieke delinquenten. 206] Naderhand kregen ze versterking van een compagnie B.T. uit Weert en werden de taken vervangen door of uitgebreid met de bewaking van een interneringskamp in Steyl en een grote opslagplaats van munitie alsmede met het verzamelen van achtergelaten wapens en munitie. 207] De B.T. op de oostelijke Maasoever raakten steeds nauwer gelieerd aan de zogeheten Gezagstroepen, die waren gekoppeld aan het Militair Gezag.
Over de verhouding tussen O.D., L.O. en K.P. kunnen we kort zijn. O.D. en K.P. gingen elk hun eigen weg, maar oordeelden niet bepaald gunstig over elkaar. De latente spanningen bleven goeddeels verborgen tot na de bevrijding. Dat had niet alleen met wederzijdse vooroordelen te maken, maar ook en vooral met het opgaan van de K.P. in de relatief goed uitgeruste en bevoorrade Stoottroepen. De O.D.-ers kwamen overwegend in de, zeker aanvankelijk, slecht uitgeruste en verzorgde B.T. terecht. Veel L.O.-ers hadden een vrije keuze: deelname in N.B.S.-verband aan B.T. of S.T., dan wel een terugkeer naar het burgerbestaan. In plaatsen waar L.O. en O.D. sedert de zomer van 1943 volkomen verstrengeld waren geraakt, ging de L.O. soms in haar geheel naar de O.D. over. Elders verliepen de ontwikkelingen anders. In Sevenum bijvoorbeeld hielden de L.O.-ers zich na de bevrijding volstrekt afzijdig van de O.D. 208] Tot botsingen tussen L.O. en O.D. kwam het nergens; wèl openbaarden zich conflicten in de persoonlijke sfeer zoals in Baarlo/Maasbree. De groepscommandant van de O.D.-Baarlo, A. Jansen, greep meteen na de bevrijding de gelegenheid aan om een persoonlijke vete met de onlangs op zijn post teruggekeerde burgemeester mr. Ch.W.E.G. Janssens te beslechten. Janssens werd tot ongenoegen van L.O., K.P. en zelfs O.D. van zijn post ontheven door een verbindingsofficier van het Militair Gezag, die door Jansen was voorgelicht. Zelfs zijn eigen manschappen wendden zich van Jansen af. Hij werd van zijn functie ontheven en Janssens keerde terug als burgemeester van Maasbree. 209]

IV.4.3. District III: Roermond

Nog voordat er contact met generaal-majoor b.d. Jans was gelegd, waren eind 1940 enkele voormalige militairen in de regio Roermond begonnen met de opbouw van een verzetsorganisatie. Ze stelden zich ten doel wapens en munitie te verzamelen en die als de bevrijders naderden te gebruiken. Tot de initiatiefnemers behoorde de rijkslandbouwconsulent voor de provincie Limburg, de reserve-kapitein der infanterie ir. W.J. Dewez, die kantoor hield in Roermond. Hij legde contacten met oud-militairen zoals zijn werknemer L.P.J. Lintjens uit Haelen en P.J. Kerkoerle uit Roermond. Zij vonden op hun beurt anderen bereid tot de groep toe te treden. Door het aanhaken van M.A.M. Bouman via J.F. Gijsbers uit Venlo - beide waren verbonden aan de C.C.D. - kwam de groep van Dewez begin 1941 in aanraking met de organisatie van Jans. Mogelijk legden ook andere (reserve-)officieren verbindingen tussen de twee groepen. Omdat Jans’ organisatie over landelijke contacten en ruimere mogelijkheden beschikte, besloot Dewez zich onder het Venloos commando te stellen. Jans vroeg hem het districtscommando op zich te nemen waarna Dewez een schijnbaar perfecte organisatie op papier uitwerkte. Hij deelde het district in vijf plaatselijke commando’s in: Roermond (commandant P.J. Kerkoerle), Melick (P.W. van Helvoort), Wessem (P.J. Jacobs), Haelen (L.P.J. Lintjens) en Swalmen (geen commandant benoemd). Bij de werving van de plaatselijke- en ondercommandanten stuitten Dewez en zijn medewerkers op moeilijkheden. Vrijwel geen enkele beroepsofficier verklaarde zich bereid tot de O.D. toe te treden. De organisatoren zagen zich genoodzaakt terug te vallen op reservisten en onderofficieren, van wie menigeen had gediend in het korps Bijzondere Vrijwillige Landstorm. Als alle ondercommandanten erin slaagden tien medewerkers te werven, zo rekende Dewez uit, zou de O.D. in het district maar liefst duizend manschappen tellen. Het was, zoals in zoveel districten, een schromelijke overschatting die in geen enkele relatie met de werkelijkheid stond. Zijn tòch al mager potentieel schrompelde in de loop van 1942 en 1943 verder ineen door gijzelingen - Dewez zat zelf tussen 13 juli 1942 en 30 december 1942 opgesloten in de gijzelaarskampen te Haaren en St. Michielsgestel - ambtelijke overplaatsing van kaderleden en de terugkeer van manschappen in krijgsgevangenschap.210]
Terwijl het hoger districtskader zich overwegend verre hield van actieve deelname aan het verzetswerk, deed een niet gering aantal individuele O.D.-ers het tegengestelde. Het district Roermond groeide tussen 1942 en 1944 uit tot een knooppunt in de hulpverlening aan geallieerde vliegeniers en hun bemanningsleden en uit Duitsland ontvluchte krijgsgevangenen. Soms geschiedde die hulp in samenspraak met de duikorganisatie, vaak los daarvan. Menig illegaal werker deed wat moest gebeuren en bekommerde zich niet om de vraag voor welke organisatie hij dat deed. Het was niet uitzonderlijk dat iemand zich bijvoorbeeld in 1942 bij de O.D. aansloot, vervolgens in de hulp aan vluchtelingen verzeild raakte, illegale blaadjes ging verspreiden en vanaf 1943 als plaatselijk hoofd van de duikorganisatie optrad. Alles liep door elkaar; er waren geen scherpe grenzen getrokken. Daarom maakte het weinig verschil voor welke organisatie men werkte, belangrijker was dàt men iets deed. Zo was de algemene tendens in de regio Roermond.
In de loop van 1942 en 1943 had zich een hechte kern van illegale werkers gevormd. Dat de verzetsgroepen hier harmonieus samenwerkten, behoeft geen betoog. Onder leiding van jonge geestelijken als pater L.A. Bleijs en de secretaris van bisschop J.H.G. Lemmens, J.L. Moonen, ontwikkelde zich een verzetsvorm die nagenoeg uitsluitend was toegerust voor de hulpverlening aan vluchtelingen en vervolgden. Het was een humanitair geïnspireerde illegaliteit bij uitstek. Daarin pasten geen R.V.V. of Knokploegen. Die werden dan ook uit de regio geweerd. De O.D. stond als organisatie min of meer aan de zijlijn en was er slechts zijdelings bij betrokken. Dewez’ directieven waren gericht op het organiseren en bewapenen van de O.D. in zijn district, het beschermen van waterstaatkundige bouwwerken en het bezetten van vitale objecten na de Duitse aftocht. Met de bewapening was het droevig gesteld. Van een toegezegde wapendropping op de heide bij Beegden kwam niets terecht. Pas in de allerlaatste fase van de bezetting kon de geringe hoeveelheid wapens enigszins worden aangevuld met geweren en munitie van Duitse deserteurs en met hetgeen hun wapenbroeders na hun aftocht in de omgeving van Echt hadden achtergelaten. 211] Niettemin kreeg de O.D. steun waar dat mogelijk was. Zo ontving de organisatie in 1944 een financiële bijdrage van ƒ 30.000,- van het Nationaal Steun Fonds (N.S.F.), de financier van de duikorganisatie. 212] De drukkerijen van de firma’s Pollaert in Roermond en G.J.L. Suilen in Swalmen verzorgden de opdruk van grote aantallen O.D.-brassards. 213] Voorts kreeg Dewez de beschikking over een grote partij blauwe en kaki overalls, bedoeld als O.D.-uniform voor na de bevrijding. Ze waren beschikbaar gesteld door de duikorganisatie, die de stoffen had ontvangen van textielfabrikanten en een textielgrossier uit Roermond. Zusters van enkele religieuze orden uit de stad hielpen mee bij de vervaardiging.214]
Hoewel er van intern verraad geen sprake was, vielen in 1944 toch enkele slachtoffers. M.E.J.M. Stoffels had al enige tijd voor de Apeldoornse illegaliteit gewerkt toen hij door bemiddeling van pater Bleijs in Roermond terechtkwam. Als zovelen in het district bewoog hij zich op uiteenlopende verzetsterreinen. Dewez benoemde hem tot zijn adjudant. Vanwege een arrestatie in een tak van de duikorganisatie die zich toelegde op de hulpverlening aan joden, werden Stoffels en enkele anderen op 9 juni 1944 opgepakt. Op 11 augustus 1944 werd hij in Vught doodgeschoten. 215] J.W.H. Frantzen volgde hem als adjudant van Dewez op. Anderhalve maand later, op 26 september, korte tijd na het ontstaan van de geallieerde corridor door Noord-Brabant die tot voorbij Nijmegen reikte, hielden zo’n driehonderd Duitse parachutisten een omvangrijke razzia op de westelijke Maasoever in de omgeving van Haelen. Misschien mede als gevolg van enkele plaagstootjes van de zijde der ondergrondse had de plaatselijke militaire commandant opdracht gegeven tot de razzia. De O.D. in de regio, die overigens niet bij de schermutselingen betrokken was, was er kort tevoren toe overgegaan de weinige wapens, munitie en uniformen waarover ze beschikte, op te slaan in een kelder op het terrein van het landgoed “De Bedelaar” bij Haelen. Drie illegale werkers uit Roggel - ze waren na de afkondiging van de mobilisatie door Jans begin september opgeroepen - J.P.N. Muis, J.J. Mennen en G. Coenen, begaven zich dinsdag 26 september op weg naar de kelder om er de wacht af te lossen. Duitse parachutisten die op hetzelfde moment de omgeving uitkamden, merkten de drie op en namen hen onder vuur. Coenen ontkwam, maar Muis werd dodelijk getroffen. Mennen liep een longschot op en werd naar het ziekenhuis in Roermond overgebracht waar hij de volgende dag overleed. 216]
In verband met de snel opeenvolgende ontwikkelingen aan het front en een mogelijke deling van het district benoemde Dewez L.P.J. Lintjens tot zijn waarnemer in de sector op de westelijke Maasoever. Om de Duitse aanvoer naar het bruggehoofd te ontregelen bombardeerden op 28 oktober toestellen van de Britse luchtmacht de Roermondse Maasbrug. Tot dusver had Dewez het contact dank zij de moedige inzet van enkele vrouwelijke koeriers in stand weten te houden. Na het bombardement van 28 oktober was de splitsing van het district vrijwel definitief. In de daarop volgende weken slaagde een koerierster uit Horn erin nog enkele berichten over te brengen. In de loop van november ontruimden de Duitsers het bruggehoofd op de westoever en verschenen de Britten aan de Maas. Daarmee viel de interne verbinding weg. Met het extern contact was al eerder hetzelfde gebeurd. Eind september raakte de telefoonverbinding met de O.D.-staf in Venlo in het ongerede. 217] Een tweede verbindingsmogelijkheid verviel kort daarna. Sommige O.D.-ers wisten van de illegale werkzaamheden van ir. E.H.G. Moors, een medewerker van de Stroomverkoopmaatschappij (P.L.E.M.) te Maasniel. Moors werkte in Midden- en Noord-Limburg als agent voor de inlichtingendienst “Albrecht” en beschikte dank zij de onafhankelijke telefoonverbindingen van de P.L.E.M. over een goed functionerend en uitgebreid netwerk (zie hoofdstuk XII, paragraaf II.2.2.). Via dit net gaf hij zijn inlichtingen door. Niet alleen “Albrecht”, ook andere organisaties als L.O., K.P. en O.D. maakten er, zolang de verbindingen intact bleven, gebruik van. In september 1944 verloor Moors het contact met zijn organisatie. Met de geallieerden in Zuid-Limburg bleef de verbinding ondanks een korte onderbreking tot eind november gehandhaafd. 218]
Lintjens had na zijn benoeming tot waarnemend commandant carte blanche gekregen van Dewez. Meteen na de bevrijding in november reisde hij naar het stafkwartier van prins Bernhard in Breda en werd met ingang van 16 november aangesteld als districtscommandant der N.B.S. in het district ten westen van de Maas. Een maand later werd het tijdelijk zelfstandige district Thorn hieraan toegevoegd. Lintjens beschikte over ruim driehonderd man Bewakingstroepen, verdeeld over twee compagnieën. De ene compagnie telde bijna tweehonderd manschappen onder commando van H. Crompvoets uit Haelen. De andere lag in Thorn, telde ruim honderd manschappen en werd geleid door H.J.H. Linssen uit Heel. Elke compagnie bestond uit drie pelotons. Aanvankelijk schortte het aan bewapening, kleding en voedsel. 219] Ondanks deze handicaps verrichtten Lintjens’ troepen nuttige frontdienst voor de Britten. Ze evacueerden enkele in de frontlijn terechtgekomen families, brachten achtergelaten vee in veiligheid, patrouilleerden langs de Maas, maakten enige achtergebleven Duitse militairen krijgsgevangen en leverden strijd met een Duitse patrouille in Thorn. In de nacht van 27 op 28 februari 1945, daags voor de bevrijding van de oostelijke Maasoever, staken ruim twintig Amerikanen in gezelschap van drie helpers van Lintjens de Maas over. De drie gidsten de Amerikanen naar het dorp Leeuwen. Daar namen ze zestien gedemoraliseerde Duitse militairen krijgsgevangen. Kruipend langs de brokstukken van de Maasbrug bereikten ze allen heelhuids Horn. 220]
De O.D.-ers op de oostelijke Maasoever konden, net als in Venlo, weinig doen. Dewez zag zich genoodzaakt zijn stafkwartier drie keer te verplaatsen en verstopte alle bescheiden tenslotte onder de vloer van zijn woning aan de Parklaan in Roermond. Medio november dook hij met enkele naaste medewerkers onder in de woning van districtsaalmoezenier E.H.M. Vallen, de opvolger van pater Bleijs. 221] Dank zij de moed en toewijding van een paar koeriers bleef Dewez enigszins op de hoogte van wat zich in de regio afspeelde. Dat was niet veel goeds. Brits geschut bestookte de oostelijke Maasoever onafgebroken en de bevolking leefde noodgedwongen in overvolle, muffe kelders. Slechts sporadisch waagde iemand zich naar buiten. Het laatste was mede te wijten aan een bataljon fanatieke Duitse parachutisten die een waar schrikbewind voerden. Eind december 1944 liet hun commandant, U. Matthaeas, bijna drieduizend Roermondenaren naar Duitsland deporteren. Bovendien ging al enige tijd het gerucht dat de bevolking zou worden geëvacueerd. Koeriers ondernamen de hachelijke fietstocht naar Venlo om generaal Jans van de toestand op de hoogte te houden. Men bevestigde er de geruchten; de volledige ontruiming kon zelfs elk moment beginnen. Ten huize van kapelaan Vallen, waar inmiddels ook andere voormannen uit de plaatselijke illegaliteit waren ondergedoken, heerste druk overleg. Bisschop Lemmens liet weten evacuatie onder geen beding te ondersteunen, laat staan te accepteren. De risico’s waren onaanvaardbaar groot. Desondanks begreep ook hij dat de toestand onhoudbaar was. De bij het beraad betrokkenen kwamen overeen dat Dewez’ adjudant, J. Frantzen, zou trachten de Maas over te steken om een evacuatie van de bedreigde bevolking naar bevrijd gebied ten zuiden van Echt te bepleiten bij de geallieerde legerleiding. Even zag het er naar uit dat zijn missie zou slagen, maar vanwege de aarzeling en besluiteloosheid aan geallieerde zijde liepen zijn inspanningen op niets uit. 222] In januari en februari 1945 ontruimden de Duitsers vrijwel alle steden en dorpen op de oostelijke Maasoever in de districten Venlo en Roermond. Voorzover ze niet mee evacueerden was dit voor de O.D.-ers het sein om op eigen houtje te proberen bevrijd gebied te bereiken. Op 26 januari 1946 staken Dewez en zijn naaste helpers de Roer over. Vanuit het bevrijde Echt namen zij deel aan de strijd tegen de Duitsers. 223] Daarnaast troffen zij voorbereidingen om direct na de bevrijding van Roermond weer ter plaatse te zijn. Begin maart was het zover. Als districtscommandant B.T. der N.B.S. keerde Dewez in de bisschopsstad terug. P. van Helvoort werd commandant in de sector ten zuiden van de Roer, F.W.G. Verbruggen in de sector Roermond-Swalmen. Elke sector leverde één compagnie B.T. Hetzelfde gold voor Echt, dat in het najaar van 1944 aan het district Roermond was toegevoegd. Deze compagnie stond onder bevel van de voormalige plaatselijke O.D.-commandant J.C.Th. Stassen.224]
Overigens wisselden de kaderfuncties aanvankelijk nogal waardoor een verward beeld ontstond. Voor de manschappen deed dat er weinig toe. Zij werden belast met het ruimen van puin, het opsporen van landmijnen waarbij zich wel eens ernstige ongelukken voordeden, het slaan van noodbruggen en soms het ophalen van politieke delinquenten. Het patrouilleren door en bewaken van de ontvolkte stad kwam voor rekening van een compagnie B.T. uit de regio Horn. Roermond had er de mensen niet voor. 225] Op 31 mei 1945 werden de B.T. in het district opgeheven en voorzover men dat noodzakelijk achtte overgeheveld naar Gezagscompagnieën van het Militair Gezag. 226]

IV.4.4. District IV: Weert

Begin 1941 benoemde Jans de reserve-eerste-luitenant P.J.J. Segers tot commandant O.D. in het district Weert. Met de voormalige militairen J.H.H. Erkens, Th.M. Knoups en F.J.P. Nies nam Segers de organisatie van de O.D. ter hand in de acht gemeenten die het district omvatte en hij stelde plaatselijke commandanten aan. Naar aanleiding van de dreigende terugvoering in krijgsgevangenschap vervaardigde en verspreidde Erkens met hulp van Th. Rooymans in april-mei 1943 pamfletten, waarin de militairen werden opgeroepen zich niet te melden. In de daaropvolgende maanden ontstond de duikorganisatie waarin Nies, Segers, Knoups en Erkens een belangrijk aandeel hadden. Tot zijn arrestatie op 10 augustus 1944 fungeerde Nies tevens als districtsleider van de L.O. Ook lagere O.D.-kaderleden raakten bij de L.O. betrokken. 227] In géén van de andere O.D.-districten waren O.D. en L.O. zo sterk met elkaar verweven als hier. Kennelijk had men geen boodschap aan het directief dat kaderleden van de O.D. geen vooraanstaande functies mochten bekleden in andere verzetsorganisaties. Nies wendde zijn talrijke contacten ten voordele van de O.D. aan. Met hulp van Erkens en anderen begon hij in april 1944 een lijst met N.S.B.-ers en onbetrouwbare personen in de regio samen te stellen. Langs een omweg bestelde hij begin 1944 bij de firma Kwaspen in Neeritter zeshonderd overalls, die te zijner tijd als O.D.-uniform konden worden gebruikt. Verder regelde hij in overleg met Segers en enkele gemeenteambtenaren alvast de door de O.D.-ers te bewaken objecten.228]
Naast de O.D. bestond er nòg een militair georiënteerde verzetsformatie in dit district. Zij was een Nederlandse versie van een landelijke Belgische organisatie, het Geheim Leger, en heette de Hollandse Nationale Brigade (H.N.B.). Het Geheim Leger was een militaire organisatie die zich met name in 1944 toelegde op sabotage en ten tijde van de bevrijding de handhaving van de orde op zich zou nemen. De samenwerking tussen H.N.B. en het Geheim Leger dateerde al van 1941 en zou tot stand zijn gekomen door een reserve-officier uit Weert, J. Koppenol, en de commandant van het Geheim Leger in het Belgisch grensgebied G.F.A. Thirion. G.A. van Ganzenwinkel onderhield het contact tussen de twee. Wat de H.N.B. vóór de bevrijding deed, staat niet vast. Aangenomen mag worden dat individuele medewerkers zoals politiebeambten en marechaussees betrokken waren bij grensoverschrijdende verzetsactiviteiten zoals de hulp aan vluchtelingen. Zowel tijdens als na de bevrijding van Weert, op 23 september 1944, werkten H.N.B. en O.D. harmonieus samen. Koppenol werd benoemd tot woordvoerder van districtscommandant Segers en kreeg het plaatselijk commando over de O.D. in Weert.229]
Begin september kondigde Segers de mobilisatie van de O.D. af. Naast een groep L.O.-ers traden nieuwe medewerkers tot de organisatie toe. Men kon niet veel méér doen dan de bevrijding afwachten. Segers werd districtscommandant van de B.T. in Weert. Mr. P.C. Verheyen volgde hem op 1 november 1944 in die functie op. De bevrijde plaatsen buiten het district in West-Limburg werden, in afwachting van het verdere krijgsverloop, voorlopig bij Weert gevoegd, dat sindsdien - eveneens tijdelijk - deel uitmaakte van het gewest Eindhoven. 230] De slecht uitgeruste maar goed georganiseerde B.T. telden in november 1944 tussen de vierhonderdvijftig en vijfhonderd manschappen. Men voerde in hoofdzaak dienstverlenende taken uit ten behoeve van de Britten zoals het patrouilleren in de omgeving en het onschadelijk maken van landmijnen. Vooral ten gevolge van het laatste sneuvelden in het najaar verscheidene leden van de B.T. Op 12 december 1944 kwamen bijvoorbeeld vier B.T.-ers van het plaatselijk commando Nederweert-Ospel om het leven bij het opruimen van een landmijnendepot. 231]
Meteen na de bevrijding werden J. Erkens en de L.O.-medewerker L. Meewis door Segers en de plaatselijke L.O.-leiding belast met de opsporing en arrestatie van N.S.B.-ers, collaborateurs en andere maatschappelijke dissonanten uit de bezettingsjaren. Erkens vervulde deze taak klaarblijkelijk naar tevredenheid, want in oktober 1944 benoemde de Provinciaal Militair Commissaris (P.M.C.) voor Limburg, mr. C.W.A. Schürmann, hem tot hoofd van de Opsporingsdienst Militair Gezag in Midden-Limburg. Naderhand werd zijn ressort met Noord-Limburg uitgebreid. In maart 1945 hield Erkens het voor gezien en vroeg ontslag. Dat werd hem pas op 9 juni 1945 verleend. 232]

IV.4.5. District V: Sittard

Na door generaal Jans hiervoor te zijn aangezocht begonnen districtscommandant M. Gonlag en zijn plaatsvervanger J.J.H. Stessen begin 1941 met de opbouw van de O.D. in het district Sittard. Gonlag was reserve-kapitein bij de infanterie en werkzaam als inspecteur der belastingen. Stessen had dezelfde militaire rang en oefende een praktijk als tandarts uit. In de loop van 1941 en 1942 wierven ze het districtskader. Sommigen van hen zouden in de bevrijdingsdagen nadrukkelijk op de voorgrond treden, anderen gaven er ook toen de voorkeur aan in de schaduw te blijven. Op papier zag Gonlag’s organisatie er goed uit: in Beek-Elsloo trad een zekere Van Lennep als plaatselijk commandant op, in Stein een zekere Van Poppel, in Geleen J.H.G.H. van de Burgt, in Munstergeleen J.J. Jamar, in Sittard H.W.J. Hundscheid, in Born en omgeving P.L. Hoedemakers, in Nieuwstadt S. Smeets, in Susteren F. Ermans die begin 1942 werd opgevolgd door W.A. Meuffels, in Roosteren J.M. Peters, in Echt en omgeving J.C.Th. Stassen, in Maasbracht C. van der Heijden en in Ohé en Laak een zekere Smeets. 233] De geneesheer-directeur van het Sittards ziekenhuis, H.L.M. van der Hoff, was sedert 1941 als hoofd van de geneeskundige dienst verbonden aan de gewestelijke staf. Net als in de andere districten hielden veel O.D.-ers zich op persoonlijke titel met de meest uiteenlopende verzetsactiviteiten bezig. De vooralsnog slapende organisatie ondervond er geen noemenswaardige schade van. Exogene factoren vermochten de O.D. evenmin aan te tasten. Stassen bevond zich tussen juli en december 1942 als gijzelaar in Haaren en St. Michielsgestel. Daarna nam hij het plaatselijk commando weer op zich. 234] Van de Burgt zat in februari 1943 enkele weken vast, omdat hij zijn oranjegezindheid te openlijk had gedemonstreerd.235] Jamar bracht een gedeelte van maart 1943 in gevangenschap door. 236] In september 1942 werd Gonlag beroepshalve overgeplaatst naar Alkmaar. Sindsdien leidde Stessen het district. Hij benoemde het hoofd van de lagere school in de Geleense wijk Lindenheuvel, Van de Burgt, tot zijn plaatsvervanger. 237] Stessen onderhield niet alleen contact met de gewestelijke staf in Venlo, maar ook met de regionale duikorganisatie en een groep ambtenaren onder leiding van M.P.J.M. Corbeij, die achter de schermen nuttig coördinerend werk verrichtte en over vele verzetsrelaties in en buiten de regio beschikte. 238]
In een aantal plaatsen verscheen de O.D. pas na de bevrijding op het toneel, verleende enige hand- en spandiensten aan de Amerikaanse bevrijders om vervolgens per 1 november 1944 geruisloos te worden overgeheveld naar de B.T. der N.B.S. Elders ontplooide de O.D. heel wat meer activiteit zoals in Roosteren. J.M. Peters was in 1939 op eenendertigjarige leeftijd benoemd tot hoofd van de R.-K. jongensschool in Roosteren. Het dorp ligt grotendeels ingeklemd tussen de Maas, die de grens met België vormt, en het Julianakanaal. Al vroeg in de oorlog arriveerden de eerste krijgsgevangenen bij Peters. Ze waren op zoek naar een geschikte mogelijkheid naar België uit te wijken. Wellicht waren ze door Bouman uit Roermond gestuurd. De twee voormalige militairen - Peters was een dienstplichtig sergeant - kenden elkaar en hadden hun houding tegenover de Duitse overheerser al bepaald. Als zo vaak kwam van het een het ander; nieuwe verzetscontacten werden aangeknoopt, óók in België. De werkzaamheden breidden zich gaandeweg uit. Peters ondervond veel steun en medewerking van drie helpers: de wachtmeester der marechaussee in Grevenbicht C.H. van Eck, de ontvanger der invoerrechten in Berg aan de Maas L. Coensen en de veehandelaar P.H.J. Schulpen. Eind 1943 bereikte hem het verzoek van Stessen de O.D. in Roosteren en omgeving gestalte te geven. Met hulp van Van Eck slaagde Peters er in een commando van ruim veertig manschappen te formeren. 239]
Omstreeks 20 september 1944 bood zich voor het eerst een gelegenheid aan voor de O.D. om op te treden. Toen arriveerde de gewestelijke O.D.-aalmoezenier Baljon met een opdracht van Jans in Roosteren. Peters loodste hem via Grevenbicht naar de Amerikanen bij Berg aan de Maas. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om de plaatselijke legercommandant in te lichten over de Duitse stellingen en troepenconcentraties achter het front bij Roosteren. Ook fungeerde hij als gids voor een Amerikaanse patrouille. De militaire commandant stelde zijn diensten kennelijk zeer op prijs en vroeg Peters terug te gaan naar Roosteren om nieuwe informatie te verzamelen en verslag uit te brengen aan de commandant in het bevrijde Belgische Lanklaar, ter hoogte van Berg aan de Maas. Ofschoon Duitse militairen hem onder vuur namen, slaagde de crossing opnieuw. De derde keer liep het mis. Nadat Peters de Duitse stellingen zonder kleerscheuren was gepasseerd en de Amerikanen aan de hand van kaarten en schetstekeningen van de actuele stand van zaken op de hoogte had gebracht, werden hij en zijn begeleiders, P. Schulpen en J.A.H. Beunen, eind september op de terugweg staande gehouden door enkele Amerikaanse wachtposten die niets van de missie wisten. Ze droegen de drie over aan een plaatselijke Belgische commandant die hen prompt van spionage voor de vijand betichtte. Wat Peters en zijn twee helpers ook betoogden, hun verhaal klonk tè ongeloofwaardig. Ze kregen niet de kans de Amerikanen erbij te halen om de beschuldiging te ontzenuwen. Ze werden in een kelder in Thorn opgesloten en ’s avonds naar het Belgische Kinrooy overgebracht. Het zag er niet goed uit voor de crossers uit Roosteren. In Kinrooy werden ze overgeleverd aan een stel Belgische militairen die de vermeende spionnen mishandelden. Hun commandant stelde hen de doodstraf in het vooruitzicht. Pas toen de drie voor het vuurpeloton stonden, toonde de Belgische commandant zich eindelijk voor rede vatbaar en hoorde het verhaal van een van Peters’ begeleiders nogmaals aan. Het besef drong door dat wellicht sprake was van een misverstand. In Maaseik trof men een zekere luitenant Rutten die Peters op een van zijn eerdere missies tot de Maas had begeleid. Hij ontkrachtte de beschuldigingen en weldra kon het zwaar beproefde drietal terugkeren naar Roosteren.240 Op 30 september bevrijdden de Amerikanen het deel van Roosteren tussen de Maas en het Julianakanaal. Terstond gaven Peters en zijn peloton, dat drieënveertig manschappen telde, acte de présence en boden de bevrijders hun diensten aan. Bovendien organiseerde P. Schulpen de ontsnapping van drie medewerkers die op het laatste moment door de Duitsers waren opgepakt. Via het noordelijker gelegen Ohé en Laak slaagden deze drie, L. Coensen, C.H. van Eck en H. Jennissen, erin naar bevrijd gebied te ontkomen. Schulpen was tevens betrokken bij de evacuatie van enkele honderden (jonge) mannen uit Stevensweert en Ohé en Laak die door de Duitsers uit het frontgebied dreigden te worden verwijderd. 241 Na de bevrijding van Roosteren stagneerde de geallieerde opmars aan deze frontsector. Het front bleef tot medio januari 1945 nagenoeg ongewijzigd. De hulp van Peters’ manschappen, die het terrein op hun duimpje kenden, was de Amerikanen vanzelfsprekend zeer welkom. Ze bewapenden de O.D.-ers en wezen hen zes frontstellingen toe. Aanvankelijk kreeg het peloton van Peters steun van een gewapende Belgische verzetsgroep, een peloton Stoottroepen en O.D.-ers uit Grevenbicht. Laatstgenoemden versterkten ’s nachts de gelederen. Uiteindelijk lieten ze allemaal verstek gaan en bleven Peters en zijn manschappen alleen achter. Rustige periodes werden afgewisseld met heftige strijd. Begin november losten Britse strijdkrachten de Amerikanen af. Ze bereidden een offensief voor dat hen tot de oevers van de Roer moest brengen. Opnieuw kregen Peters’ manschappen de gelegenheid om te laten zien dat de frontdienst inmiddels tot de dagelijkse routine behoorde. Zo ging de wachtmeester der marechaussee, P.H.A. Dusch, vier of vijf keer door het front om de Duitse stellingen te verkennen. J.A.H. Beunen deed hetzelfde en redde twee Britten uit een in brand geschoten tank. De twee keerden zonder kleerscheuren in de eigen stellingen terug. W. Jennissen raakte in zijn eentje in gevecht met een vooruitgeschoven Duitse patrouille, doodde twee militairen maar raakte zelf zwaar gewond. Hij werd als krijgsgevangene afgevoerd, maar overleefde de oorlog. Vier anderen verklaarden zich bereid een zwaargewonde inwoner van Ohé en Laak, die in de buurt van de eigen stellingen in een mijnenveld lag, onder het oog van de vijand weg te halen. Dat lukte wonderwel. Toen ze hem eindelijk in veiligheid hadden gebracht, bleek de ongelukkige overleden te zijn. Bij een volgende gelegenheid ging het mis. Vier leden van Peters’ peloton raakten ernstig gewond toen ze M. Jaspers uit Roosteren uit het mijnenveld wilden halen. 242 Medio december opende General-Feldmarschall G. von Rundstedt een Duits tegenoffensief in de Ardennen. Aan andere frontsectoren werden ondersteunende acties ondernomen, óók ter hoogte van Roosteren en Susteren. Het gebied kwam onder hevig Duits granaatvuur te liggen en de Britten gelastten de evacuatie van de plaatselijke bevolking. Peters opperde dat zijn peloton de frontstellingen bezet zou houden en de bewaking van de achtergelaten bezittingen voor zijn rekening zou nemen. De Britten maakten geen bezwaar. Tot het midden van januari 1945 bleef het peloton alleen achter in niemandsland. Dank zij hun waakzaamheid kon een dreigende Duitse tegenaanval door hevig Brits artillerievuur in de kiem worden gesmoord. Vanaf 13 januari waren de geallieerden weer aan zet. Die dag barstte een hevig offensief los en in de daarop volgende dagen werd de streek rond Roosteren definitief van Duitsers gezuiverd. Peters’ peloton had er toen een periode van drieënhalve maand onafgebroken frontdienst op zitten. Hijzelf werd benoemd tot commandant van het bewakingspeloton Roosteren dat deel uitmaakte van de B.T. der N.B.S. 243 In de streek ten noorden van Roosteren, die tot medio januari bezet bleef, kon de O.D. weinig uitrichten. De Duitsers veranderden het gebied in een lastig te veroveren bruggehoofd. De kans om bij een razzia te worden opgepakt was groot. Enkele medewerkers van Peters slaagden er aanvankelijk nog in tot Susteren door te dringen en informatie uit te wisselen met de plaatselijke O.D.-commandant W.A. Meuffels. Laatstgenoemde onderhield dank zij de telefoonverbinding van de P.L.E.M. tot in november contact met het bevrijde Maastricht. De inlichtingen uit de regio zelf kreeg hij grotendeels van zijn medewerker C. Plitscher. Nadat Susteren in de frontlijn was komen te liggen, begaf Plitscher zich telkens weer op pad om de Duitse stellingen en troepenbewegingen in de omgeving te verkennen. Toen de bezetter op 7 november de ontruiming van Susteren gelastte, weigerde hij naar St.-Odiliënberg te vertrekken. Drie dagen later viel hij in Duitse handen. De volgende dag werd Plitscher, op verdenking van spionage en andere illegale activiteiten, bij het Duitse Wassenberg doodgeschoten. 244 De plaatsjes Montfort en St. Joost vormden de kern van het Duits bruggehoofd. Als gevolg van het Brits offensief veranderden de twee dorpjes in de tweede helft van januari in een puinhoop. Zware bombardementen eisten een hoge tol aan mensenlevens. Nadat op 24 januari de Duitse tegenstand was gebroken, meldden zich twintig O.D.-ers in Montfort die meteen werden ingezet bij het zoeken naar en bergen van de talrijke slachtoffers. Vanaf 27 januari patrouilleerden ze in het dorp en verzamelden ze achtergelaten wapens en munitie. Ze waren voorts betrokken bij het opsporen van landmijnen, politieke delinquenten - ook binnen de eigen gelederen - en bij de evacuatie van de bevolking naar Echt en Sittard. 245 Dergelijke taken kreeg de O.D. ook elders in het bevrijde bruggehoofd opgedragen. De bevrijding van het zuidelijke deel van het district ging met aanzienlijk minder geweld gepaard. Op 11 september 1944 mobiliseerde de O.D.-commandant van Born en omgeving, P.L. Hoedemakers, enkele manschappen. Hun eerste actie bestond uit het saboteren van de sluizen in het Julianakanaal bij Born en Roosteren. Onder leiding van sluisknecht J. Hardenberg verlaagden ze de volgende dag de waterstand in het kanaal zodanig dat de terugtrekkende Duitsers de circa honderdvijftig binnenvaartschepen in de havens van Buchten en Grevenbicht niet meer tot zinken konden brengen. 246 In de haven van Maasbracht slaagden de Duitsers daar overigens wèl in. Twee dagen later, op 14 september, begaven Hoedemakers en zijn helpers zich naar Susteren om de bewaking van een spoorwegemplacement op zich te nemen. Daar troffen ze in een schuilkelder acht Nederlanders aan die aan Duitse zijde hadden meegestreden in België en bij Stein. Ze werden opgesloten in het ruim van een vrachtschip in het Julianakanaal. Op 19 september volgde de bevrijding van Born. Hoedemakers kon tevreden terugblikken op het werk van de voorafgaande dagen. Alle schepen waren onbeschadigd gebleven net als de vierenzestig spoorwegwagons op het rangeerterrein ten zuiden van Susteren. Gedurende de daaropvolgende dagen mobiliseerde Hoedemakers de voltallige O.D. in zijn rayon. Ze haalden politieke delinquenten op en bewaakten belangrijke objecten. Voorts werden op verzoek van de plaatselijke Amerikaanse - naderhand Britse - legercommandanten uit hun midden patrouilles samengesteld. Op 1 november werd de O.D. in het district opgeheven en overgeheveld naar de B.T. der N.B.S. Aan de taken veranderde niets. Tot 12 december verloor de compagnie vier manschappen en raakten vier anderen gewond.247 In Geleen en Sittard, het organisatorisch centrum van het district, bestond al enige tijd een nauwe samenwerking tussen O.D. en R.V.V. Wat de O.D.-ers in samenspraak met en onder leiding van de R.V.V. aan activiteiten ontplooiden, staat beschreven in hoofdstuk IX, paragraaf IV. De O.D.-commandant van Geleen, Van de Burgt, onderhield daarnaast contact met de plaatselijke duikorganisatie. In de voorafgaande jaren had hij enkele kaderleden geworven die ten dele afkomstig waren uit kringen van de burgerwacht. Zij hadden op hun beurt nieuwe medewerkers geworven. Omdat het als gevolg van loslippigheid bijna mis liep, drukte Gonlag Van de Burgt op het hart de organisatie uitsluitend op papier te voltooien. Enkele weken voor de bevrijding was het zover. Het bericht van Jans dat de leden van K.P. en R.V.V. zich onder bevel van de O.D. moesten stellen, stichtte enige verwarring in de dagen na de bevrijding op 18 september 1944, aldus Van de Burgt naderhand. 248 De O.D.-ers werden voornamelijk met bewakingsdiensten belast. Niettegenstaande deze nuttige werkzaamheden barstte een storm van kritiek boven de hoofden van de O.D.-ers los. Ondanks een strenge selectieprocedure, waardoor enkele ongewenste elementen uit de O.D. werden verwijderd, hield die kritiek aan. 249 Op 1 november kreeg Van de Burgt het commando van het Geleens bataljon B.T. in het rayon Sittard opgedragen. Die functie bekleedde hij tot 1 februari 1945, toen hij werd benoemd tot commandant van de gezagscompagnie, ressorterend onder het Militair Gezag in de Mijnstreek. 250]
H.W.J. Hundscheid, commandant van Sittard, meldde zich na de bevrijding van de stad op 19 september. Met M. Coenen, P.G. Meuwissen, M.M. Mols en H.J. Boesten verzamelde hij in september en oktober 1944 inlichtingen achter de Duitse linies op Nederlands en Duits grondgebied. Ze vergaarden onder meer gegevens over het luchtafweergeschut en de artillerie-opstelling langs de weg van Holtum naar Susteren. Een gewapende groep van vijftien personen, geleid door Ch. l’Ortye, kreeg in oktober opdracht van Hundscheid Nieuwstadt van Duitsers te zuiveren. In de buurt van het Duitse grensplaatsje Havert stuitten ze op een ongeveer twaalf man sterke vijandelijke patrouille. Het kwam tot een vuurgevecht waarbij een van l’Ortyes manschappen het leven verloor. Nadat een Amerikaanse tankpatrouille te hulp was geschoten, konden de Duitsers worden verjaagd. 251]
Ongeveer tweehonderd O.D.-ers uit Sittard waren in de eerste weken na de bevrijding met een aantal politiebeambten betrokken bij de arrestatie van “foute” personen en bij de ordehandhaving. Verder bewaakten ze een kamp voor geïnterneerden en patrouilleerden ze in opdracht van de Amerikanen achter de eigen linies. Na de opheffing van de O.D. op 1 november werd commandant Stessen benoemd tot plaatselijk hoofd van het Militair Gezag en kreeg Hundscheid het commando over de compagnie B.T. uit Sittard. 252] Het nog niet bevrijde gedeelte van het district viel vanaf die datum onder het district Roermond. 253]
De verhouding tussen O.D. en de andere verzetsorganisaties in het district liet tot de bevrijding weinig te wensen over. Diverse O.D.-ers werkten eveneens voor de duikorganisatie of de R.V.V. De Knokploegen gingen hun eigen weg en bemoeiden zich niet met de georganiseerde ex-militairen. Na de bevrijding veranderde dit beeld radicaal. Iedereen viel over de O.D. heen. Het meest geuite verwijt aan het adres van de organisatie was de langdurige passiviteit. Anderen hadden de kastanjes uit het vuur mogen halen. Gelet op de taakstelling van de O.D. was dit niet terecht. De reactie was echter begrijpelijk als in aanmerking wordt genomen dat menig O.D.-er, die zich gedurende de bezettingsjaren angstvallig op de achtergrond had gehouden en voor geen enkele verzetsdaad te porren was geweest, zich na de oorlog voor verzetsman van het eerste uur uitgaf.
In sommige gemeenten als Susteren, Munstergeleen, Sittard en Echt raakten voormalige illegale werkers verwikkeld en verstrikt in bestuurlijke onverkwikkelijkheden die meestal samenhingen met het zuiveringsbeleid. 254] Vooral de op hun post teruggekeerde of aangebleven bestuurders kregen de wind van voren. In Stein dreigde de situatie in september 1944 uit de hand te lopen naar aanleiding van de weigering van een voorman uit de illegaliteit om de in 1943 in beslag genomen radiotoestellen aan de rechtmatige eigenaren terug te geven. Dat zette kwaad bloed. Het conflict escaleerde mede door het optreden van een groep van circa zestig ingezetenen die zowel de voormalige illegaliteit als het plaatselijk bestuur tegen zich in het harnas joeg. Er vonden baldadigheden plaats en er verscheen zelfs een opgelapte tank in het dorp. Stein dreigde uiteen te vallen in verscheidene vechtende partijen. De waarnemend burgemeester, Th.J.M. Gijsen, zag zich genoodzaakt de hulp van het Militair Gezag in te roepen om de gemoederen tot bedaren te brengen. Dat had heel wat voeten in de aarde. In het voorjaar van 1945 was de rust er nog steeds niet weergekeerd. 255]
In Geleen en Echt raakte de O.D. rechtstreeks betrokken bij de turbulente conflictsituaties die op de bevrijding volgden. De voormalige O.D.-commandant Van de Burgt bracht op 22 november 1944 enige nuanceringen aan bij de gebeurtenissen in Geleen en de kritiek waaraan zijn organisatie blootstond: “De O.D. heeft tòch zeer goed werk verricht, zodat het in Geleen niet, behoudens het kaal knippen van een drietal N.S.B.-meisjes tijdens mijn afwezigheid voor een bespreking te Heerlen, tot afkeurenswaardige excessen is gekomen (...). Onmiddellijk na de vlucht of internering van N.S.B.-ers vond er een algemene razzia plaats op de achtergelaten inventaris in de leegstaande woningen, niet door O.D.-ers, maar door een deel van de bevolking dat de woningen leeg plunderde. In verband daarmee werd de O.D. door de burgemeester belast met het in veiligheid brengen van de overgebleven meubels. Daar de O.D. nog meerdere belangrijke taken te vervullen had en het aantal leden ten enenmale ontoereikend was, werd de “Sectie Meubelen” opgericht waarbij werkelozen uit Sittard e.o. te werk werden gesteld onder toezicht van leden van de O.D. Het is niet onmogelijk dat in die tijd goederen ontvreemd zijn, maar dat de leden van de O.D. hier de hoofdschuldigen zijn, is zeker in strijd met de waarheid. Behalve losse geruchten, die blijkbaar de bedoeling hadden de O.D. in diskrediet te brengen, is mij geen officieel geval van diefstal ter kennis gebracht. Zelf heb ik me kunnen overtuigen van het laakbare vandalisme in een tweetal woningen te Geleen, welke door georganiseerde bendes waren leeggehaald. Dat de plundering inderdaad georganiseerd was blijkt uit het feit dat de bendeleden elkaar waarschuwden door fluit- en lichtsignalen. Zonder te ontkennen dat ongerechtigheden hebben kunnen plaatsvinden door enkele O.D.-ers meen ik de blaam door generalisatie op de O.D. geworpen te moeten afwijzen. Tegen de bewering dat de O.D./Bewakingstroepen praktisch geen zwaar werk behoeven te verrichten moet ik met klem opkomen. Er wordt door onze mensen op buitenposten tot 36 uur wacht gedaan onder weersomstandigheden waartegen de beslist onvoldoende burgerkleding en het schoeisel niet bestand waren. Dat Geleen een broeinest van ontevredenheid is of zou worden, is mij uit niets gebleken, ofschoon ik vermoed dat de kritiek van “de beste stuurlui aan de wal” onze O.D./B.T. niet bespaard is of wordt. Het aantal tevreden mensen staat helaas in deze overgangstijd omgekeerd evenredig tot het aantal malcontente criticasters en de zuiveringsmanie speelt vele, overigens weldenkende en welwillende mensen parten waaraan de voedselpositie mijns inziens niet vreemd is”, aldus Van de Burgt. 256]
In de gemeente Echt, die sinds 1 november 1944 tot het district Roermond behoorde, zou de O.D. zich ronduit slecht hebben gedragen. De plaatselijke commandant, J.C.Th. Stassen, - opvolger van de adjudant-onderofficier A.A.M. Göbel - werd daarvoor verantwoordelijk gesteld. Niet alleen de Provinciaal Militair Commissaris overwoog maatregelen, zelfs de districtscommandant van Roermond, Dewez, was van mening dat de O.D.-Echt vanwege de dorpspolitiek beter van het toneel kon verdwijnen. 257] Menigeen in
Echt was ervan overtuigd dat verscheidene ingezetenen gedurende de oorlog achter de schermen gemene zaak hadden gemaakt met de Duitsers. De gemoederen raakten zelfs in de bezetting van tijd tot tijd ernstig verhit door de wel zéér levendige dorpspolitiek en het telkens oplaaiend persoonlijk antagonisme. Zulke aangelegenheden overstegen kennelijk oorlog en bezetting. Een enkeling wendde zich zelfs tot de Duitsers om zijn gelijk te halen. Na de bezetting werd het vermeende oorlogsverleden van sommige inwoners prompt ingrediënt van de plaatselijke politiek en ging deel uitmaken van persoonlijke vetes. Over en weer werden verdachtmakingen en beschuldigingen geuit waardoor het dorp in facties uiteen viel. Omdat de meeste partijen zich wel eens van oneigenlijke middelen bedienden en geen ongeschonden blazoen hadden, leek het veeleer een kwestie van “de pot verwijt de ketel”. Ook de O.D werd erin meegesleept in de persoon van de plaatselijke commandant. Hij greep zijn positie aan om een oude vete tussen hem en de gemeente-ambtenaar A.A.L.M. Kruytzer te beslechten. Die ruzie was zo’n dertig jaar oud en dateerde van de Eerste Wereldoorlog. Kruytzer was toen in militaire rang de meerdere van Stassen en had op het verkeerde paard gewed door zich een voorstander van het Duits keizerrijk te tonen. In de Tweede Wereldoorlog wedde hij - zo beweerden kwade tongen - weer op het verkeerde paard, overigens zonder iemand schade te berokkenen. Wèl lichtte hij in 1942 de Sipo-Maastricht in over de niet aflatende hetze die Stassen jegens zijn persoon voerde. De Sipo mengde zich er niet in. Na de bevrijding werd Kruytzer meteen de huishuur opgezegd en zijn inboedel werd geconfisceerd. Die ging tot overmaat van ramp prompt in vlammen op. De dader(s) werd(en) nimmer opgespoord. Door plaats te nemen in de plaatselijke commissie tot zuivering van het gemeentepersoneel overspeelde Stassen zijn hand. Veel inwoners van Echt en de plaatselijke geestelijken achtten de grenzen van het betamelijke definitief bereikt en roerden hun mond ten gunste van Kruytzer. 258] De oorlog woedde in Echt, zij het verbaal, nog geruime tijd voort.

IV.4.6. District VI: Maastricht

Kort voor de bevrijding van Maastricht op 14 september 1944 werden de O.D.-ers in het district gemobiliseerd. De Limburgse hoofdstad zag zich geconfronteerd met twee vrijwel identieke militaire organisaties. Het had niet veel gescheeld of het waren er zelfs drie geweest. De O.D. in de eerste bevrijde stad van Nederland gaf een voorbeeld dat in de ogen van Six en Jans ongetwijfeld niet voor herhaling vatbaar was. Hoe had het zover kunnen komen en wat was er mis gegaan? Enkele oud-militairen verkeerden in de stellige overtuiging als enige leider van een geheime militaire verzetsorganisatie op te treden. Het merkwaardige misverstand dateerde uit de voorgaande jaren toen van verschillende zijden initiatieven waren genomen de O.D. in dit district te organiseren.
Op 6 maart 1941 had generaal-majoor Jans contact opgenomen met de reserve-kapitein P.J. Sijmons, verbonden aan het Maastrichts belastingkantoor. Sijmons had als belasting-inspecteur in Sittard gewerkt en kende daardoor M. Gonlag. Jans vroeg Sijmons nauwkeurig notitie te houden van alles wat zich in de provinciehoofdstad afspeelde en verzocht hem tevens de organisatie van de O.D. in het district op zich te nemen. Sijmons accepteerde de opdracht en benoemde zijn medewerker M.C.M.H. Bartels tot zijn plaatsvervanger. 259] De bibliothecaris en stadsarchivaris dr. A.H.M.C. Kessen fungeerde als chef-staf. Laatstgenoemde wist vanwege zijn verbinding met majoor jhr. K. Quarles van Ufford, onder wie hij had gediend, van de werkzaamheden van Röell en Westerveld voor de O.D. Westerveld had Quarles van Ufford zelfs bij Röell als zijn plaatsvervanger of opvolger voorgedragen, maar in 1941 werd Quarles door een ernstige ziekte geveld waaraan hij omstreeks december van dat jaar overleed. 260] Misschien bleef Kessen daarom bij het eerste O.D.-proces buiten schot. Hij sloot zich aan bij de groep rond Sijmons. Daar wist men van de illegale activiteiten van sommige collegae bij de belastingen onder wie D.I. Hage, die met P.M.J. Dresen en andere militairen samenwerkten. Waarschijnlijk mede ten gevolge van het wegvallen van de groep-Dresen in november-december 1941 raakten Sijmons en zijn medewerkers gaandeweg betrokken bij zeer uiteenlopend verzetswerk. Hun voorgangers hadden paden geëffend. De belastingambtenaren rond Sijmons verrichtten die werkzaamheden niet binnen O.D.-verband, maar richtten een aparte, los van de O.D. staande organisatie op, de Belasting Groep Maastricht (B.G.M.). De B.G.M. kende een strikte taakverdeling. Sijmons zelf leidde de B.G.M.-sectie die zich toelegde op de hulpverlening aan geallieerde vliegeniers en hun bemanningsleden, de groep-Blok. Om de organisatie van de O.D. bekommerde hij zich tot ver in 1944 niet of nauwelijks. Het andere verzetswerk en de talrijke contacten die eruit voortvloeiden eisten zijn volledige aandacht op. Of generaal Jans van Sijmons’ werk buiten de O.D. wist en het billijkte, staat niet vast.
Begin 1942 gebeurde iets merkwaardigs. Er werd een tweede districtscommandant benoemd. Via J.F. Gijsbers uit Venlo was de reserve-kapitein W.E.H. Janssen gevraagd mee te werken aan het opzetten van een radiografische verbinding tussen de gewestelijke staf in Venlo en het districtscommando in Maastricht. Ofschoon die verbinding nimmer tot stand kwam, kreeg Janssen contact met de landelijke leiding van de O.D.-radioverbindingsdienst. Langs die weg bereikte hem het bericht dat het A.H.K.-O.D. had besloten hem als districtscommandant voor Maastricht aan te wijzen. Jans bemoeide zich er niet mee, zodat Janssen en Sijmons voortaan moesten samenwerken. Weldra openbaarde zich een diepgaand meningsverschil tussen de twee. Janssen wilde de organisatie volledig uitwerken conform de instructies van de gewestelijke leiding. Daarbij dacht hij aan een actieve wervingscampagne onder de soldaten van de voormalige grensbewakingsbataljons en het administratieve kader van het vooroorlogs leger. Janssen had ze in 1939 vanwege hun excellente kwaliteiten leren waarderen. Sijmons hield er een andere zienswijze op na. Hij wilde alleen voorlopige maatregelen treffen. Onnodige risico’s konden zo worden vermeden. 261] Generaal Jans begreep dat twee kapiteins op een schip slechts tot problemen zou leiden. Op 8 september 1943 greep hij in en vroeg Janssen het districtscommando in Gennep op zich te nemen. 262] Omdat deze was belast met de bewaking van de nationale kunstschatten in de St.-Pietersberg, voldeed hij vooralsnog niet aan het verzoek. Pas na de bevrijding van Maastricht reisde Janssen, zoals we zagen, naar het bevrijde noorden van de provincie. Met het eervolle ontslag van Janssen leken de problemen uit de wereld. De schijn bedroog. De in Maastricht woonachtige rijksrechercheur M.A. Erasmus onderhield al geruime tijd contact met de procureur-generaal aan het gerechtshof in Den Bosch baron mr. E.L.M.H. Speyart van Woerden. Speyart van Woerden beschikte over diverse relaties in (ambtelijke) verzetskringen, óók binnen de O.D., en trad voornamelijk als intermediair op. Diezelfde rol speelde hij toen hij Erasmus omstreeks 1942 vroeg uit te zien naar iemand uit de Limburgse illegaliteit die als commandant voor de O.D. in Maastricht zou kunnen optreden. Speyart handelde op verzoek van een niet bij naam bekende O.D.-er, die kennelijk niet op de hoogte was van de feitelijke stand van zaken. Erasmus delegeerde de kwestie naar de politiebeambte E. van der Noordaa, van wie hij wist dat hij ondergronds werkzaam was. Na enig zoeken vond Van der Noordaa het hoofd van de Arbeidsinspectie in Maastricht, jhr. dr. ir. W.J.J. de Muralt, bereid te zijner tijd als O.D.-commandant op te treden. De verbindingsman van Speyart kon zich met de voordracht verenigen.263]
Een derde “O.D.-groep” werd geleid door reserve-kapitein E.W.H.A. Wetzels. In juni 1942 had W.E.H. Janssen hem gevraagd als zijn adjudant op te treden. Wetzels wist weliswaar van het bestaan van de O.D., maar liet, alvorens op het verzoek in te gaan, navraag doen bij generaal-majoor A.A. van Nijnatten of het wenselijk en verstandig was tot die organisatie toe te treden. Het verzoek om nadere inlichtingen werd de generaal-majoor overgebracht door zijn voormalige adjudant, kapitein A.J.E. Lamberti, die op grond van een gefingeerde ziekte uit krijgsgevangenschap was ontslagen. Van Nijnatten bracht een negatief advies uit. Naderhand moet hij van gedachten zijn veranderd, want hij nam het gewestelijk O.D.-commando in Noord-Brabant op zich. Lamberti bracht het - aanvankelijke - standpunt van Van Nijnatten aan Wetzels over. Deze zag er van af. 264] Niettemin besloten de twee een zuiver militaire organisatie op te bouwen, want dat was de O.D. volgens hen niet. Met steun van enkele reserve- en onderofficieren en de commandant van de plaatselijke luchtbeschermingsdienst P. Dolmans en diens plaatsvervanger E.H.C. Nijst begonnen ze eind 1943 met de opbouw.265] Voorts werkten ze samen met De Muralt en Van der Noordaa. Medio 1944 was de organisatie vrijwel rond. Lamberti zou als garnizoenscommandant van Maastricht optreden. Wetzels en Van der Noordaa stelden een plan op voor de bezetting van het strategisch gelegen fort St. Pieter en zochten naar een geschikt afwerpterrein voor wapens en munitie. Om het laatste kon “Londen” misschien worden verzocht via het radiokanaal van de meteorologische inlichtingengroep “Packard”. Van der Noordaa was namelijk nauw betrokken bij de komst en de opstelling van de “Packard”-zender in Maastricht (zie hoofdstuk XII, paragraaf II.4.2.). Het hoofdkwartier van de groep-Wetzels-Lamberti werd gevestigd in de fabriek van de N.V. Philips Tabaksindustrie aan de Tongerseweg. 266]
Twee, of eigenlijk drie O.D.-groepen werkten kortom volkomen langs elkaar heen. Ofschoon men ongetwijfeld al geruime tijd van elkaars bestaan wist, kwam er pas medio juli 1944 voor het eerst contact tussen de groepen tot stand. Dat was de verdienste van dr. Kessen, die trachtte te bemiddelen en Lamberti c.s. uitlegde dat Sijmons Janssen was opgevolgd als O.D.-commandant in Maastricht. Nu moesten Sijmons, Lamberti en De Muralt op één lijn worden gebracht. De ontmoeting eindigde in een ruzieachtige sfeer. De Muralt, die niets aan de opbouw van zijn O.D. had gedaan, leek overstag te gaan en zich bij Sijmons’ leiderschap neer te leggen, maar de groep-Wetzels-Lamberti wilde daar niets van weten. 267] De patstelling duurde tot nà 14 september voort.
Bij de bevrijding van Maastricht gebeurde datgene wat verwacht kon worden. Er verschenen twee militaire “verzetsgroepen”, twee O.D.’s, zo men wil, in het stadsbeeld. De groep-Wetzels-Lamberti kwam op 14 september bijeen in het eigen hoofdkwartier. Daar organiseerde men de werving en samenstelling van de groep. Alle leden ontvingen een oranje armband met een zwarte opdruk “oranje”. Dank zij een snelle en intensieve wervingscampagne groeide de groep snel. 268] Sijmons zat evenmin stil. Aan het begin van de zomer werkte hij met Kessen de organisatie op papier uit. Dat geschiedde in overleg met generaal Jans, de voormalige commissaris van de koningin, mr. dr. W.G.A. van Sonsbeek en de oud-burgemeester van Maastricht, jhr. mr. W. Michiels van Kessenich. Zodra de geallieerden arriveerden, zo luidde de afspraak, zou de O.D. de bevrijders waar mogelijk steun verlenen, bewakingsdiensten uitvoeren en het civiel gezag terzijde staan.269] Op 14 september namen Sijmons en Kessen hun intrek in de Grote Sociëteit aan het Vrijthof. Er meldden zich slechts dertig O.D.-ers, veel te weinig om de voorgenomen taken tot een goed einde te brengen. Een snelle wervingscampagne leverde nog enige aanmeldingen op. Alle O.D.-ers ontvingen een rood-wit-blauwe armband met de opdruk “O.D.” en de afbeelding van een hagedis. 270]
Vooral in de eerste dagen en weken na de bevrijding leidden de wervingscampagnes van de twee groepen tot verwarring en chaos. Iedereen kon zonder veel problemen tot een van de organisaties toetreden; een brassard was gemakkelijk te bemachtigen en met enig geluk ook een geweer. Tal van ongewenste elementen slopen nu binnen de gelederen. Een arrestatiegolf spoelde door de stad, waaraan tevens de politie, burgers en voormalige leden van andere verzetsgroepen deelnamen. Vele onschuldigen werden opgepakt. Oude ruzies werden beslecht door de verfoeide tegenstander op te brengen. Korte tijd leek de ene helft van Maastricht de andere helft te arresteren. Niemand was aanvankelijk in staat, ondanks de toenemende kritiek, hier tegen op te treden en orde op zaken te stellen. Er was geen gezaghebbende autoriteit die de euforie en chaos die onvermijdelijk hand in hand gingen met de bevrijding in goede banen kon leiden. 271]
Achter de schermen werd hard gewerkt om de chaos te beteugelen. De groepen van Lamberti en Sijmons fuseerden. In de avond van 15 september maakte het Militair Gezag in de persoon van de reserve- luitenant-kolonel H.J.H. Vullinghs uit Horst - hij was oorspronkelijk een reserve-paardearts bij de cavalerie - zijn opwachting in Maastricht. Vóór hem was de eerste-luitenant B. van Hasselt als verbindingsofficier tussen de geallieerde autoriteiten en de Nederlandse overheid opgetreden. W. Michiels van Kessenich en W. van Sonsbeek keerden op voorspraak van Sijmons terug in hun oude functies. Daarmee kwam weliswaar een einde aan een kort gezagsvacuüm, maar Vullinghs kon niettemin weinig doen. Bij zijn vertrek uit Londen had hij namelijk vergeten de wetsbesluiten mee te nemen waarmee het Militair Gezag rekening moest houden. Na enig tegenstribbelen schikte Sijmons zich naar de bevelen van Vullinghs en werd diens militair adviseur. Het voorstel om Sijmons met deze - nieuwe - functie te bekleden was afkomstig van het pas opgerichte Comité van Illegale Werkers (C.I.W.). De sterkte van de verenigde O.D. in Maastricht schommelde tot de ontbinding van de organisatie op 13 oktober 1944 tussen de 325 en 500 manschappen. Men kampte met een groot verloop en telkens moesten nieuwe zuiveringen worden doorgevoerd. De O.D.-ers waren bewapend met Duitse geweren, buitgemaakt door de Amerikanen. 272]
Op 10 oktober werd Sijmons benoemd tot hoofd van de B.T. der N.B.S. in het district Maastricht. Dank zij de inspanningen van de groep-Lamberti-Wetzels kon hij meteen beschikken over een volledige bewakingscompagnie. Wetzels trad op als compagniescommandant. Met ingang van 1 december volgde hij Sijmons op als commandant B.T. der N.B.S. in het voormalige O.D.-district, omdat men het militair adviseurschap, verbonden aan het Militair Gezag, niet langer verenigbaar achtte met Sijmons’ functie in de N.B.S.
Telkens weer laaiden de spanningen tussen de Bewakingstroepen en de Stoottroepen op. Hoewel beide deel uitmaakten van de N.B.S., rekenden zowel het kader als de manschappen van de Stoottroepen zichzelf op grond van het eigen verzetsverleden méér krediet toe. Het negende Amerikaanse leger had, in ruil voor de door de bevelhebber van de Zuidlimburgse Stoottroepen aangeboden diensten, de uitrusting en verzorging op zich genomen. Voor de uitbetaling van soldij stonden verscheidene fondsen garant. Met de verzorging, rol en status van de Bewakingstroepen was het een stuk slechter gesteld. 273] Veel opgeleid militair kader diende in B.T.-verband en zag met lede ogen aan hoe burgers zonder noemenswaardige militaire achtergrond en kennis officiersrangen ontvingen op grond van populariteit, prestige bij de manschappen en andere - in hun ogen - triviale redenen. Zolang de Amerikanen geen noemenswaardige belangstelling voor hen toonden, moesten de B.T. het doen met buitgemaakte wapens. Daarbij kwam dat ze bij de bevolking impopulair waren vanwege de politionele taken en het daarmee samenhangend optreden. Het publiek wilde niet meer worden gecontroleerd op persoonsbewijzen of het in acht nemen van het uitgaansverbod.
De B.T. beschouwden zich als het stiefkind van de N.B.S., maar medio december kregen ze alsnog de kans zich te bewijzen. In de Ardennen waren sterke Duitse eenheden door de Amerikaanse linies gebroken en in het Zuidlimburgs-Duits grensgebied voerden Duitse patrouilles en parachutisten kleinschalige, maar daarom niet minder dreigende verrassingsaanvallen uit. Een vertegenwoordiger van de bevelhebber van het negende Amerikaanse leger vroeg om steun bij de opsporing en bestrijding van Duitse militairen in de grensstreek. Daarvoor werden naast Stoottroepen ook Bewakingstroepen ingezet die, ondanks de gebrekkige uitrusting, hun opdracht naar tevredenheid uitvoerden. In de loop van januari 1945 liepen de rijen van de B.T. leeg. Ongeveer een derde deel werd overgeheveld naar de grenswacht- en gezagscompagnieën. Als gevolg van de weggevallen taken kwamen veruit de meeste B.T.-ers na 22 januari 1945 als oorlogsvrijwilliger terecht in twee, aan het negende Amerikaanse leger toegevoegde en er door uitgeruste zogeheten Light Infantry Bataljons. Aldus raakten de ruim dertienhonderd manschappen tellende B.T. in het district Maastricht verdeeld over verschillende legeronderdelen. In maart 1945 werden de B.T.-Maastricht formeel opgeheven en als I-13 R(egiment) I(nfanterie) opgenomen in de Koninklijke Landmacht.274] Wetzels commandeerde dit achthonderd manschappen tellende eerste bataljon van het dertiende regiment. Vanaf maart 1945 verrichtte I-13 R.I. bewakingsdiensten voor de Amerikanen in de Nederlands-Duitse grensstreek. Getuige het dagboek van Wetzels was het geen eenvoudige opgave de troepen in het gareel te houden. Desondanks bleven excessen achterwege. Nadat de Britten het militair bestuur van de Amerikanen hadden overgenomen in de door I-13 R.I. bewaakte Duitse gebieden, werd het bataljon in september 1945 huiswaarts gezonden. 275]

IV.4.7. District VII: Heerlen-Mijnstreek

In Heerlen dreigde aanvankelijk hetzelfde te gebeuren als in Maastricht. Van verschillende zijden trachtte men de O.D. van de grond te tillen. Het liep hier niet uit de hand, omdat de betrokken militairen al spoedig door hadden dat ze met één en dezelfde organisatie te maken hadden en er geen dubbele benoemingen plaats vonden. Tot zijn arrestatie in november 1943 was de reserve-eerste-luitenant C.M.H.J. Bongaerts de centrale persoon in de Heerlense O.D.
Met zijn collega J.H. de Koning (de twee maakten deel uit van het Heerlense politiekorps; De Koning was hoofdagent, Bongaerts politie-inspecteur) had Bongaerts in 1939 de Duitse stellingen in de grensstreek tussen Sittard en Vaals in kaart gebracht ten behoeve van de Centrale Militaire Inlichtingendienst, G.S. III. Deze dienst viel onder de afdeling Inlichtingen van de Generale Staf en stond onder leiding van luitenant-kolonel T.S. Roosenboom.276] De twee hadden de gegevens verzameld in samenwerking met rijksrechercheur M. Erasmus in Maastricht en de procureur-generaal bij het Bossche gerechtshof baron mr. E.L.M.H. Speyart van Woerden. Meteen na de demobilisatie van de Nederlandse militairen in juni 1940 brachten Bongaerts en De Koning tientallen wapens met toebehoren naar veilige adressen. De wapens waren op 10 mei, nog vóór de komst van de Duitsers, uit het Heerlense politiebureau ontvreemd. 277] Naarstig gingen ze op zoek naar gelijkgestemde militairen om na te gaan wat kon worden gedaan om de bezetter de voet dwars te zetten. De inspanningen resulteerden weldra in een aantal nuttige contacten binnen het plaatselijk politiekorps en in de mijnen. Voorts legde Bongaerts contact met de reserve-eerste-luitenant W.J. Quint die pas uit krijgsgevangenschap was ontslagen en hoofd financiën was bij de gemeente Heerlen. 278] Bongaerts wist dat hij uiterst behoedzaam moest opereren. De bezetter en vooral de plaatselijke N.S.B.-ers hielden hem nauwlettend in de gaten. Al voor de oorlog had hij geen twijfel laten bestaan over zijn opstelling jegens N.S.B. en W.A. Kort na de komst van de Duitsers werd hij tot hoofd van het gemeentelijk brandweerkorps benoemd, een minder in het oog lopende post. Weldra broeide het in de brandweerkazerne. Bongaerts’ illegale contacten breidden zich snel uit, zowel binnen de provincie als daarbuiten. Dank zij zijn vroegere bataljonscommandant, dr. J.H. Ronhaar uit Amersfoort, kreeg hij verbinding met enkele paramilitaire verzetsformaties in het midden van het land. Misschien vernam hij toen voor het eerst van de O.D. 279] In Zuid-Limburg kwam contact met de verzetsgroepen van N.E. Erkens en P.M.J. Dresen tot stand en waarschijnlijk ook met illegale pioniers in het midden en noorden van de provincie. Daarnaast voerde hij overleg met Erasmus in Maastricht en met zijn achterneef, de mijnbouwkundige ir. C.M.J.A.F. Nicolas. Nicolas had al een carrière als beroepsmilitair en diamantzoeker in Afrika achter de rug, toen hij in 1939 werd aangesteld als inspecteur der mijnen bij het Staatstoezicht op de Mijnen. Evenals Bongaerts werkte hij voor de militaire inlichtingendienst. Er woonden en werkten veel Duitsers in de Mijnstreek en de aanhang van het nationaal-socialisme was naar verhouding groot. Nicolas werd geacht een oogje in het zeil te houden en vervulde dus een dubbelfunctie. Hij genoot veel bewegingsvrijheid, ook nà mei 1940. 280] Van het illegale werk hield hij zich vooralsnog verre. Wel kreeg hij regelmatig bezoek van personen die advies inwonnen over de meest uiteenlopende kwesties. Hij betoonde zich een enthousiast lid van de Nederlandsche Unie, een politieke organisatie waarin onder meer de onlustgevoelens jegens de N.S.B. een uitlaatklep vonden. Voor het overige nam hij in 1940 een afwachtende houding aan. Nicolas was voorzichtig.
Begin 1941 kreeg de inspecteur der mijnen bezoek van Erasmus en Bongaerts. Ze vroegen hem of hij bereid was de leiding op zich te nemen van een gewapende verzetsorganisatie die was voorbestemd om na de aftocht van de Duitsers de orde te handhaven en het militair gezag uit te oefenen. Bongaerts, die inmiddels een verzetskern van voormalige militairen om zich heen had verzameld, verklaarde zich bereid als adjudant van Nicolas op te treden. 281] Of laatstgenoemde het voorstel meteen accepteerde, staat niet vast. Het definitieve ja-woord gaf hij pas nadat hij opnieuw was benaderd voor een functie in de georganiseerde illegaliteit. Vanuit Venlo werkte generaal Jans immers aan de opbouw van de gewestelijke O.D. Begin 1941 vond hij de reserve-kapitein J.J.W. Willemsen bereid de organisatie van de O.D. in het district Heerlen op zich te nemen. Korte tijd na het verzoek van Bongaerts en Erasmus wendde ook Willemsen zich namens Jans tot Nicolas met de vraag of hij tot de O.D. wilde toetreden. Nu stemde hij ermee in. In welke hoedanigheid Nicolas voor de O.D. optrad, was onduidelijk. Aangenomen mag worden dat het een coördinerende en overkoepelende functie was. Hij gaf er de voorkeur aan op de achtergrond te blijven. Willemsen bleef districtscommandant, Bongaerts nam het plaatselijk commando van Heerlen op zich en benoemde Quint tot zijn plaatsvervanger. 282]
De prille samenwerking kwam al spoedig onder zware druk te staan als gevolg van een snel escalerend conflict tussen Nicolas en enkele O.D.-ers. Met name tussen Bongaerts en Nicolas boterde het niet. Laatstgenoemde vond Bongaerts veel te roekeloos en te onvoorzichtig. Door zijn verbindingen met andere illegale werkers raakte Bongaerts betrokken bij de vervaardiging en verspreiding van een regionaal illegaal blad, “Het Vrije Volk”. Het krantje richtte haar aandacht hoofdzakelijk op de mijnwerkers, spoorde aan tot verzet en stelde onbetrouwbare personen aan de kaak. Het initiatief was uitgegaan van enige oud-militairen van wie kapitein F.J. Molenaar, J.G. de Groot, Quint en Bongaerts de belangrijkste waren. Gedurende de korte verschijningsperiode verwierf het blad een grote populariteit in de Mijnstreek. De Sipo-Maastricht was er zeer op gebrand de redactie en het omvangrijk verspreidingsapparaat op te sporen. Dat lukte in oktober 1941 ten dele. Een aantal verspreiders werd gearresteerd en Molenaar moest hals over kop vluchten (zie hoofdstuk XI, paragraaf III.3.). 283] De Groot, Quint en Bongaerts bleven buiten schot. Vanwege zijn zijdelingse contacten met de groepen rond P. Dresen en J. Smit moest De Groot kort daarna alsnog verdwijnen en begon naderhand een falsificatiebureau in Den Haag waarvan de illegaliteit in Zuid-Limburg volop meeprofiteerde. 284] Bongaerts en Quint kwamen er andermaal zonder kleerscheuren vanaf. De plaatselijke O.D.-commandant had de brandweerkazerne inmiddels omgevormd tot een centrum van illegale activiteit. Daartoe behoorde het voorbereiden en plegen van sabotage, vooral in de mijnen. In samenwerking met de mijnpolitiebeambten H.H. Tobben en W.H. van Keulen werden in mei 1942 herhaaldelijk kolentreinen onklaar gemaakt door met de remmen en de assen te knoeien. In de nacht van 22 op 23 maart 1942, de eerste zondag dat na veel protest in de mijnen werd gewerkt, kieperden Tobben en Van Keulen een wagon met hout in een schacht van de Oranje Nassaumijn I. De twee kregen weldra versterking van S. Vroomen en P. Gulikers. Het groepje liet in de nacht van 6 op 7 april 1942 vier kolenwagons ontsporen. Door de bemoeienis van Bongaerts raakten ze voorts betrokken bij de hulpverlening aan geallieerde vliegeniers. Af en toe liet de brandweercommandant de vluchtelingen zelfs vervoeren in de brandweerauto. Hij vond het een perfecte camouflage. Naast het genoemde viertal ondervond Bongaerts veel steun van zijn adjudant bij de brandweer, G. Couwenbergh, en de politiebeambten J.M. Winkelmolen, L.J. Janssen en M. de Kruijff. 285] Door toedoen van Quint nam hij bovendien deel aan de hulp aan (joodse) onderduikers.
Was dit wat de O.D. van Bongaerts verwachtte? Nee, oordeelde Nicolas. Het onderduiken van Molenaar en De Groot en de daaropvolgende arrestaties in de kring rond “Het Vrije Volk” hadden hem al te denken gegeven. Nicolas had zich er zeer over opgewonden en vond het trouwens een zeer inopportuun en ondeskundig uitgegeven blaadje. Bongaerts deed volgens hem niet alleen veel te veel - geen enkele O.D.-er had hem erom gevraagd - erger nog, hij was roekeloos. Nicolas riep de stadscommandant tot de orde, maar die moeite had hij zich kunnen besparen. Op 5 juli 1942 stak het hoofd van de brandweer met enkele anderen op het N.S.-emplacement van Heerlen een wagon met zesduizend kilo stro in brand. 286] Aangenomen mag worden dat de brandweer niet of te laat ter plaatse verscheen. Voor Nicolas was de maat vol. Al eerder was hij met Bongaerts en Molenaar in aanvaring gekomen over de te volgen tactiek. Nicolas had staande gehouden dat elke daad van verzet vooraf grondig moest worden overwogen en de risico’s van eventuele verliezen in verhouding diende te staan tot de waarde van het na te streven doel en het resultaat. Bongaerts dacht daar anders over en nam het risico op de koop toe. Misschien vreesde hij dat er anders niets gebeurde. Hoe dan ook, Nicolas trad uit de O.D.287] Willemsen liet Bongaerts begaan en Jans nam geen maatregelen. De hulp aan “piloten”, ontvluchte krijgsgevangenen en onderduikers eisten de volledige aandacht van de brandweercommandant op. Aan sabotage kwam hij niet meer toe, anderen namen dat uit eigen beweging over. Als gevolg van het wijdvertakte Englandspiel werd de “pilotenhulp”-organisatie, waarvoor Bongaerts werkzaam was, in de zomer van 1943 geïnfiltreerd. Op 6 november 1943 sloeg de Sipo toe en arresteerde Bongaerts en een aantal van zijn medewerkers (zie hoofdstuk IV, paragraaf III). Ondanks pogingen hem vrij te kopen en uit het kamp Vught te bevrijden, werd Bongaerts naar Duitsland gedeporteerd. Hij bezweek op 23 november 1944 in het kamp Neuengamme. 288] Quint, die meteen na de november-arrestaties was ondergedoken, volgde hem als plaatselijk O.D.-commandant van Heerlen op. 289]
Kort na de arrestatie van Bongaerts verscheen Nicolas opnieuw ten tonele. Door tussenkomst van L. Jans en J. Willemsen slaagde generaal Jans - het A.H.K.-O.D. had hem op Nicolas geattendeerd - erin hem te overreden het O.D.-commando voor de hele Mijnstreek, dat wil zeggen de districten Sittard en Heerlen, op zich te nemen. Hij zou bovendien als plaatsvervanger van Jans in Zuid-Limburg fungeren. 290] In overleg met Willemsen pakte Nicolas de (re-)organisatie van de O.D. in 1944 krachtig aan. In Kerkrade bijvoorbeeld organiseerden de aan de Domaniale mijn verbonden geoloog dr. D.A. Erdman en C.M.B. van de Weyer de O.D. tot in de puntjes. Aan de hand van op het gemeentehuis verkregen lijsten met de namen van oud-militairen maakten de twee een selectie op grond van betrouwbaarheid. Vervolgens wierven ze hun medewerkers volgens het vijf-vinger-systeem. Verscheidene leden van de duikorganisatie sloten zich bij de O.D. aan en de samenwerking tussen de twee groepen verliep goed. Diverse keren smeedden de Kerkraadse O.D.-ers plannen om wapens te bemachtigen, maar telkens opnieuw werden die van hogerhand afgewezen.291]
De goede verstandhouding met de plaatselijke L.O. leverde Nicolas veel voordeel op. In de zomer van 1944 begon de rayonleider van de L.O.-Kerkrade, Th.J.M. Goossen, met de uitbreiding en reorganisatie van een eigen inlichtingendienst. Hij hoopte er alle, hem bekende, verzetsgroepen mee van dienst te kunnen zijn. Aanvankelijk hield Goossen zich voornamelijk bezig met het verzamelen van gegevens over fabrieken en andere belangrijke objecten in Duitsland. Die kreeg hij van gerepatrieerde studenten en dwangarbeiders. Na de geallieerde landingen in Normandië in juni 1944 verschoof het accent gaandeweg naar het verzamelen van militaire inlichtingen en gegevens waarmee hij de illegaliteit hoopte te beschermen. Op verzoek van Nicolas verlegde hij de aandacht tenslotte vrijwel volledig naar het militaire vlak. Koeriersters en plaatselijke medewerkers bezorgden allerlei berichten bij de hoofdpost op de Domaniale mijn in Kerkrade. Via ingewikkelde telefoonverbindingen werden belanghebbenden geïnformeerd en inlichtingen doorgegeven. Uiteraard trachtte men de naderende Amerikaanse strijdkrachten zo snel en actueel mogelijk te informeren over de Duitse troepenbewegingen, troepenconcentraties en geschutopstellingen in de regio. Omstreeks 6 september 1944 kreeg Nicolas dank zij enkele marechaussees uit Eijsden indirect contact met de Amerikanen in België. De O.D.-commandant lichtte de marechaussees telefonisch in over de militaire situatie in de Mijnstreek. Zij gaven de informatie vervolgens door aan een Belgische verzetsgroep in de grensstreek. 292] Het contact met Maastricht en Eijsden liep over twee kanalen: één via het P.T.T.-net, het andere via het dienstnet van de Stroomverkoopmaatschappij (P.L.E.M.). Beide verbindingen gingen één dag voor de bevrijding van Maastricht, op 13 september, verloren. De Duitsers bliezen die dag de spoorbrug over de Geul bij Meerssen op, waaronder de kabels liepen. 293]
Nicolas restte nog één mogelijkheid om het contact te herstellen: hij kon koeriers zenden. Generaal Jans had hem er al opdracht toe gegeven en de Amerikanen hadden laten weten de komst van informanten uit bezet gebied zeer te waarderen. De koeriers moesten zich met de code “Telephone A” meldden. Wie kon hij sturen? Goossen wist als hoofd van de inlichtingendienst natuurlijk veel, maar was onmisbaar. Of Nicolas overwoog hem uit te zenden, staat niet vast. De O.D.-commandant beschikte over voldoende verzetsrelaties om een geschikte kandidaat te vinden. Hij liet het oog vallen op de R.V.V.-er J.F.C. de Witt Puyt, werkzaam op de Staatsmijn Emma, die al eerder in opdracht van Nicolas vanuit de schuilkelder in de mijn telefonisch inlichtingen aan de Amerikanen had laten verstrekken. De Witt Puyt voldeed gaarne aan het verzoek van Nicolas. Hij verloor daarbij uit het oog dat hij tevens leiding aan een groep R.V.V.-ers gaf, waarvan juist nù veel activiteit werd verwacht. De manschappen namen hem zijn beslissing om door de linies te gaan dan ook bijzonder kwalijk en beschouwden het als een vorm van desertie. Zijn chef op de mijn, ir. A. Paulen, die vanwege zijn zijdelingse contacten met de illegaliteit van de aanstaande missie vernam, wilde zich dit buitenkansje niet laten ontglippen. Paulen moest en zou mee. Ofschoon Nicolas hem tamelijk opdringerig vond, stemde hij er tenslotte mee in omdat Paulen naar eigen zeggen voortreffelijk Engels sprak. Op 14 of 15 september begaven de twee zich op weg. Ze kwamen tot Eys-Wittem, waar ze bij de voormalig directeur van de Staatsmijnen dr. W.F.J. Frowein en passant de laatste ontwikkelingen hoopten te vernemen. In plaats van hun tocht te vervolgen wachtten ze bij Eys, dat in niemandsland lag, de komende gebeurtenissen af. Twee dagen later werden ze door de Amerikanen bevrijd. Hun gedrag tijdens het oponthoud in Eys mag op zijn zachtst gezegd merkwaardig heten. Zelfs de plaatselijke bevolking toonde zich minder angstig. In de verre omtrek werd niet of nauwelijks gevochten en de Duitsers trokken in hoog tempo terug in de richting van de Westwall of Siegfriedlinie. Sommige inwoners van Eys-Wittem bevestigden dit beeld. Zij gingen alvast de bevrijding vieren in de meer naar het zuiden en westen gelegen dorpen om ’s avonds laat terug te keren naar onbevrijd gebied. Of Paulen bij zijn bevrijding nog in gezelschap van De Witt Puyt vertoefde, is onzeker. Tijdens hun missie hadden de chef en zijn ondergeschikte ruzie gekregen en waren elk huns weegs gegaan. De Witt Puyt keerde onverrichterzake terug naar Heerlen en bracht verslag uit. Paulen deed vanwege zijn talenkennis korte tijd dienst als gids voor de oprukkende Amerikanen. Daarmee ging hij zijn boekje te buiten, in zekere zin pleegde hij insubordinatie. Nicolas had hem uitgezonden om het contact met de bevrijders te herstellen waarna hij geacht werd terug te keren naar Heerlen. Hij was woedend op Paulen en het kwam nooit meer goed tussen de twee. 294]
Op 17 september werd Heerlen bevrijd en meteen verscheen de O.D. in het straatbeeld. Veel manschappen telde de O.D. niet. Net als Sijmons en Wetzels in Maastricht zette Willemsen een wervingscampagne op touw. De nieuwkomers ontvingen allemaal een brassard met opdruk O.D. en een hagedis, sommigen een geweer. Conform de uit Venlo ontvangen instructies en richtlijnen liet Nicolas er geen moment twijfel over bestaan dat hij en niemand anders het militair gezag in de Mijnstreek uitoefende. Na overleg met enkele plaatselijke autoriteiten werd hij bovendien erkend als commandant van een op Amerikaans verzoek op te richten “Nederlands Bevrijdingsleger”. Het project was gedoemd te mislukken want het doorkruiste alles wat tot dusver van officiële zijde was gearrangeerd en georganiseerd. Het Amerikaans plan berustte op een misverstand. In Maastricht voelde men trouwens niets voor Nicolas’ nadere invulling daarvan. 295]
De voorbereidingen in verband met de arrestatie van politieke delinquenten werd toevertrouwd aan een door Nicolas ingesteld Comité van oud-Illegale Werkers waarin W.J. Quint een prominente plaats bezette. Het Comité kon bij haar werkzaamheden terugvallen op een sedert 1941 bijgehouden administratie waarmee Molenaar en Bongaerts een begin hadden gemaakt en waarin in totaal achthonderd personen waren opgenomen die zich “onvaderlands” zouden hebben gedragen. 296]
Willemsen slaagde er in ruim drieduizend manschappen op de been te brengen. Evenals in de overige Zuidlimburgse districten werden ze ingezet voor bewakingsdiensten, opruimwerkzaamheden, controles en patrouilles. Het overhaaste en naderhand teruggenomen bevel van 29 september 1944 waarin prins Bernhard de ontbinding van de O.D. gelastte, wekte grote onrust in de Mijnstreek. De eerste toegevoegde officier van de Provinciaal Militair Commissaris, majoor mr. C.W.A. Schürmann, had kennis gemaakt met het leidend kader van de O.D. in de Mijnstreek en was inmiddels van mening dat de organisatie in Zuid-Limburg een ordelievend en intellectueel element kon worden genoemd. 297] Inderdaad werkte Nicolas’ O.D. harmonieus samen met de plaatselijke autoriteiten. Vanzelfsprekend waren er ook dissonanten, maar dat nam niet weg dat Nicolas door zijn tactvol en verstandig beleid op 13 oktober 1944 door het hoofd van het Militair Gezag, generaal-majoor H.J. Kruls, werd benoemd tot Militair Commissaris voor de Mijnstreek. Nicolas ging ervan uit dat hij voortaan zowel het militair gezag namens de O.D. - Jans had hem immers nooit van zijn functie ontheven - als het in Engeland voorbereide Militair Gezag uitoefende. 298] Lang hield hij deze vermeende en merkwaardige dubbelfunctie overigens niet. In navolging van Maastricht werd de O.D. in het district Heerlen op 23 oktober 1944 formeel opgeheven. 299]
De O.D.-ers gingen grotendeels over naar de door Willemsen gecommandeerde B.T. Aan de taken veranderde niet veel, evenmin aan de slechte bewapening en uitrusting. Dat laatste was zowel Willemsen als Wetzels in Maastricht een doorn in het oog. De opvallend grote verschillen tussen B.T. en S.T. waren des te schrijnender omdat beide onderdeel uitmaakten van dezelfde strijdmacht, de N.B.S. Tot in januari 1945 klaagden de twee B.T.-commandanten steen en been bij de hogere militaire instanties over de ongelijke behandeling. Dat viel niet goed. Op 30 januari 1945 sloeg een naaste medewerker van prins Bernhard inzake N.B.S.-aangelegenheden, reserve-majoor H.W.L. Frowein, hard terug. Daags tevoren had Willemsen zijn zoveelste klaagschrift verzonden. Daarin begon hij met zichzelf te prijzen door zich er onder meer op te beroepen dat hij er ondanks de bevoorrechte positie van de Stoottroepen in was geslaagd zesendertighonderd O.D.-ers in de Mijnstreek in een enigszins redelijk militair verband onder te brengen. Vervolgens stak hij van wal: zijn beste krachten vertrokken steeds naar andere militaire verbanden en er heerste gebrek aan kleding, wapens enzovoort. “We zijn eigenlijk niets anders dan een niet eens erkende schutterij (...). Laat men de Bewakingstroepen in Godsnaam opheffen als men ze toch niet serieus wil nemen”. 300] Hij werd op zijn wenken bediend: ongeveer een maand later werden de B.T. opgeheven. Bovendien ontving hij een gepeperde brief van Frowein. De adviseur van prins Bernhard had inmiddels diverse rapporten onder ogen gekregen met klachten over het gedrag en optreden van de B.T. Frowein schreef dat Willemsen en Wetzels hadden samengespannen door dergelijke “ondisciplinaire, onhebbelijke en bovendien grotendeels onjuiste brieven” te schrijven. “Hij (Willemsen, auteur) spreekt over 3600 man van de O.D. Aperte onwaarheid. De O.D. was ten tijde van de bevrijding slechts zeer klein en (er) is door Willemsen met alle mogelijke lokmiddelen een leger van 3600 man bij elkaar getrommeld om aan zijn eigen ijdelheid te voldoen. Nu schijnt hij met zijn eigen legertje last te krijgen en tracht de schuld hiervoor ons in de schoenen te schuiven”, aldus een geïrriteerde Frowein. 301]
De kwestie lag uitermate gevoelig en beiden overdreven schromelijk. Het was een volkomen legitieme wens van Willemsen een goed georganiseerde, getrainde en uitgeruste troepenmacht te commanderen. Dat het niet lukte lag gedeeltelijk aan hemzelf, daarin had Frowein gelijk. Er waren ook factoren in het spel waarop Willemsen weinig of geen invloed kon uitoefenen. Zo mankeerde er als gevolg van ruim vier jaar onderdrukking het nodige aan de discipline bij de manschappen. Het begrip “vrijheid” werd meer dan eens te letterlijk opgevat. De Stoottroepen kampten overigens met hetzelfde probleem. Bij de B.T. heerste bovendien een groot verloop. Vanzelfsprekend genoten de best verzorgde militaire formaties zoals de gezags- en grensbewakingscompagnieën en de Stoottroepen de voorkeur van de manschappen. De taken van de B.T. spraken niet tot de verbeelding. Toen medio januari 1945 werd begonnen met de oprichting van twee “Light Infantry” Bataljons (II-13 R.I. en III-13 R.I.) kon Willemsen zijn mensen helemaal niet meer vasthouden. Toen schreef hij zijn hierboven geciteerde brief. Medio februari hadden de meeste B.T.-ers de overstap naar een van de andere militaire formaties gemaakt zodat de B.T. in maart 1945 formeel konden worden opgeheven.302] In het district Heerlen hadden in totaal tien manschappen in dienst van de B.T. het leven verloren bij de uitvoering van de opgedragen taken. 303]

V. Nabeschouwing

Gebrek aan ervaring, onvoorzichtigheid en tegenslag zoals het opnieuw in krijgsgevangenschap voeren van het officierskorps bezorgden de O.D. een moeizame start en speelden de organisatie tot het midden van 1942 parten. Onder leiding van jhr. P.J. Six maakte de O.D. echter een snelle groei door. De nieuwe O.D.-commandant nam de door zijn voorgangers geformuleerde doelstelling grotendeels over. Deze kwam er kort gezegd op neer dat de organisatie zich moest voorbereiden op de handhaving van orde en rust na de aftocht van de bezetter. Eventuele andere activiteiten in de bevrijdingsfase zoals het plegen van sabotage en de bescherming van belangrijke objecten werden afhankelijk gemaakt van bewapening door de geallieerden. Het was een omstreden doelstelling. Vooral in sociaal-democratische kring maakte men zich ernstige zorgen over de mogelijkheid van een militaire dictatuur na het vertrek van de Duitsers als men de O.D. haar gang liet gaan.
Sommige O.D.-ers hielden er inderdaad uiterst autoritaire en reactionaire denkbeelden op na, maar dat gold niet voor de organisatie als zodanig. De illegaliteit was trouwens tè gedifferentieerd om aan één verzetsorganisatie de handhaving van orde en rust op te dragen, als dat al nodig was. Dat besefte ook de regering in Londen, maar de communicatie met bezet gebied liet aan duidelijkheid te wensen over. Zo kon Six een telegram uit Londen van juli 1943 zodanig interpreteren dat het de doelstelling van zijn organisatie in grote lijnen bevestigde. Inmiddels oefende Londen steeds meer pressie uit om tot samenwerking binnen de illegaliteit te komen, vooral in 1944. Bij gebrek aan overeenstemming in bezet gebied trok de regering het initiatief gaandeweg naar zich toe.
Tevens werd duidelijk dat Six’ interpretatie van het telegram van 1943 inmiddels door de realiteit was achterhaald. Van een leidende rol van de O.D. kon geen sprake zijn. Doordat Six verzuimde zijn gewestelijke commandanten tijdig en volledig te informeren over de werkelijke stand van zaken, manoevreerde hij de O.D. in een oncomfortabele positie. Dat leidde in de bevrijdingstijd tot grote teleurstelling bij veel O.D.-ers. Van de taken die ze zichzelf op grond van de mededelingen, instructies en richtlijnen hadden toebedacht, bleek in veel gevallen weinig of niets te zijn overgebleven.
De ontwikkeling van de O.D. in het gewest Limburg vormde een afspiegeling van die op landelijk niveau, zij het dat de bevrijding van Limburg al in september begon waardoor er geen tijd resteerde om de organisatie voor een roemloze ondergang te behoeden. De toch al broze samenwerking met andere verzetsorganisaties (en naderhand ook met het Militair Gezag) kwam in veel districten door het krampachtig vasthouden aan de leidende rol van de O.D. nog eens extra onder druk te staan. Bovendien kreeg de organisatie vanwege haar passiviteit in de voorafgaande jaren een stortvloed van kritiek over zich heen. Deze kritiek was wel begrijpelijk, maar niet terecht. Terwijl menig buitenstaander graag dadendrang en daadkracht had gezien, vooral in de moeilijkste bezettingsjaren, was de organisatie trouw gebleven aan de eigen uitgangspunten. Het ontbrak echter niet overal aan daadkracht, zeker niet in de meeste Noord- en Middenlimburgse districten. Dat was vooral de verdienste van individuele O.D.-ers. Zij namen niet alleen deel aan de opbouw van de L.O., maar ontplooiden ook allerlei initiatieven op het gebied van de illegale pers, inlichtingen en hulpverlening aan (geallieerde) vluchtelingen. Ze steunden de geallieerde opmars door sabotage te plegen en inlichtingen te verstrekken en streden met de naderhand gemobiliserde O.D.-ers zij aan zij met de geallieerde legers. Deze O.D.-ers zagen van meet af aan in dat aan hun verzetshouding geen gestalte kon worden gegeven door af te wachten en passief te blijven. In dat opzicht gaven ze wellicht blijk van méér realiteitszin en flexibiliteit dan de gewestelijke en landelijke leiding die door halsstarrig vast te houden aan de oorspronkelijke doelstelling en te wachten op de Duitse aftocht steeds meer achter de feiten aan liep.

Noten

  1. Klumper, Sociale verdediging, p. 137. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 699, 701.
  2. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII A-B, p. 245: verklaring W. Röell.
  3. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 697-698; V, p. 835. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 110.
  4. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 30, 31, 33. De Jong, Het Konink- rijk, IV, p. 700. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII AB, pp. 238-239: verklaring ir. J.A. van Heerde.
  5. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 27-28. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 699-700.
  6. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 837-839, 846. Verslag Enquêtecommissie 1940- 1945, VII AB, pp. 241-243: verklaring G. Dogger. Van Ojen, De Binnenlandse Strijd- krachten, I, pp.27-28.
  7. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 29. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 700.
  8. De Jong, Het Koninkrijk, IV, pp. 700-701: V, p. 843. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 29.
  9. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 31. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 701; V, pp. 835, 966-969.
  10. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VII AB, p. 239: verklaring ir. J.A. van Heerde. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 31. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 701.
  11. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 835-836.
  12. Ibidem, pp. 837, 840-841, 846.
  13. Ibidem, p. 841. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 31.
  14. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 118; idem, Doc. O.D., Map richtlijnen O.D., september 1941 en april 1942. De Jong, Het Koninkrijk, V, p. 842.
  15. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 31. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 841-842, 844, 965-971.
  16. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 32. De Jong, Het Koninkrijk, VI, p. 182.
  17. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 32.
  18. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, map personalia: J.R.L. Jans. Mondelinge mededeling L. Jans, Eben-Emael (B), 28-10-1988.
  19. De B.V.L. groeide snel van enkele honderden tot duizenden leden. In 1921 telde de organisatie ruim 46.000 manschappen. (De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 44-55, 231).
  20. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, map personalia: J.R.L. Jans.
  21. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.R.L. Jans: O.D.-staf Venlo.
  22. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  23. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975.
  24. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.R.L. Jans: O.D.-staf Venlo.
  25. De Jong, Het Koninkrijk, IV, p. 703.
  26. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.R.L. Jans: O.D.-staf Venlo.
  27. Ibidem.
  28. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  29. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975.
  30. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., Map richtlijnen O.D., september 1941.
  31. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  32. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., Map richtlijnen O.D., september 1941.
  33. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.R.L. Jans: O.D.-staf Venlo.
  34. De Jong, Het Koninkrijk, V, pp. 970-971.
  35. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 181-185, 188-189.
  36. Ibidem, VII, p. 1118.
  37. Ibidem, VI, pp. 181-185, 188-189.
  38. Ibidem, VI, p. 190; VII, pp. 893-894, 1122-1123.
  39. Ibidem, VII, pp. 887-888.
  40. Ibidem, pp. 890, 1110-1111.
  41. Ibidem, pp. 1111, 1117.
  42. Ibidem, p. 1112.
  43. Ibidem, p. 1114.
  44. Ibidem, pp. 1115-1116, 1118.
  45. Ibidem, VII, pp. 1190-1193; X A, pp. 108-109, 112.
  46. Ibidem, pp. 1209-1210.
  47. Ibidem, pp. 1211-1218.
  48. Ibidem, X A, pp. 145-148.
  49. Ibidem, pp. 216-224, 302, 542.
  50. Ibidem, pp. 302-311.
  51. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 233.
  52. De Jong, Het Koninkrijk, X A, pp. 542-546.
  53. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.T. Talens, 13-6-1945, over O.D. verbindingsdienst Limburg. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  54. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 139 b: gewest 19; idem, Doc. O.D., A 108-15. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.T. Talens, 13-6-1945.
  55. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.T. Talens, 13-6-1945.
  56. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapporten J.T. Talens, 13-6-1945 en 30-7-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-14.
  57. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J. Rommelse.
  58. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-14.
  59. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport N.N., ongedateerd. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W. van Boekhold, 27-1-1945.
  60. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport N.N., ongedateerd. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.R.L. Jans: rapport N.N., ongedateerd.
  61. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  62. De Jong, Het Koninkrijk, VI, pp. 792-799. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport H. Pollaert, 13-12-1945.
  63. "> ⇑ C.A.B.R. Dossier H. Conrad: verklaring L. Ruyters.
  64. "> ⇑ Van Lieshout, De aal van Oranje, pp. 180-181. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975.
  65. "> ⇑ Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975.
  66. Ibidem. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  67. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., inv. nr. 570/572-2: dagboek J.R.L. Jans, 12-9-1944.
  68. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 36.
  69. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 224.
  70. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 178. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 98.
  71. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  72. Ibidem.
  73. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: brief Wolf M.I. aan districtsleiders, 8-9-1944.
  74. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: brief Bep van Kooten aan L.O.- districtsleiders, 13-9-1944.
  75. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: brief Bep van Kooten aan Jans, september 1944.
  76. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.R.L. Jans: rapport N.N., ongedateerd. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975. Mondelinge mededeling L. Jans, Eben-Emael (B), 26-2-1988.
  77. Vraaggesprek auteur met J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11-1985. Mondelinge mededeling J.W.H. Frantzen, Sittard, 31-10-1988. L. Jans ontkent de mogelijkheid van een dergelijke bijeenkomst weliswaar niet, maar twijfelt aan het tijdstip van de ontmoe- ting omdat zijn vader Swalmen al vroeg in juni 1944 zou hebben verlaten en naar Velden was vertrokken (L. Jans, Maastricht, 17-9-1993).
  78. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-19: rapport J.R.L. Jans, 9-2-1946; idem, Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: diverse rapporten.
  79. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 180.
  80. Ibidem, p. 178.
  81. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-19: rapport J.R.L. Jans, 9-2-1946.
  82. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: dagboek J.R.L. Jans, 14-9-1944.
  83. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Dagboek J.R.L. Jans, 1944.
  84. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: brief Bep van Kooten en Jacques Crasborn aan de K.P.-leiders, 9-9-1944.
  85. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1926: oorlogsdagboek G.S.C. III, 16-9-1944.
  86. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: dagboek J.R.L. Jans, 21-9-1944.
  87. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 544.
  88. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 244-246.
  89. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 556. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 246.
  90. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-18: rapport J.R.L. Jans, 2-9-1946.
  91. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 300: “Algemeen bevel voor 7 oktober 1944, 21.00” van de commandant S.T. Zuid-Limburg, de reserve luitenant der infanterie, R.M.E.F. Sevenstern (voorheen de adjudant van de districtscommandant O.D.- Maastricht, P.J. Sijmons). Hierin bepaalde hij dat de Zuid-limburgse Stoottroepen in overleg met de commandant van de 29e Amerikaanse divisie in diens vak zouden worden ingezet en patrouillediensten achter het front moesten vervullen.
  92. Mondelinge mededeling L. Jans, Eben-Emael (B), 26-2-1988.
  93. Verslag Enquêtecommissie 1940-1945, VIII C, p. 734: verklaring mr. Ch.J.F. van Houten. L. Jans twijfelt ten zeerste aan de juistheid van het laatste gedeelte van dit citaat. Hij veronderstelt dat iemand uit Limburg dit ten eigen bate aan Van Houten heeft verteld (L. Jans, Maastricht, 17-9-1993).
  94. Mondelinge mededeling L. Jans, Eben-Emael, (B) 26-2-1988. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B).
  95. S.H.C. Archief J.G. de Groot (niet geïnventariseerd): verslag van bijeenkomst ten huize van J.W.H. Frantzen in Roermond, 15-1-1946.
  96. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 97.
  97. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  98. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-19: rapport J.R.L. Jans, 9-2-1946.
  99. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  100. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-19: rapport J.R.L. Jans, 9-2-1946. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Dagboek J.R.L. Jans, 1944.
  101. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1974. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport H.C.A. Baljon, 21-10-1947.
  102. Vraaggesprek auteur met J.H. Schade, Venlo, 21-10-1985. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.F. Gijsbers.
  103. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.T. Talens, 13-6-1945.
  104. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-14.
  105. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.T. Talens, 13-6-1945. B.R.I.O.P. B.S.- dossier J. Rommelse.
  106. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 139 b: Gewest 19, radiodienst.
  107. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985.
  108. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapporten J.T. Talens, 13-6-1945 en 30-7-1945.
  109. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985.
  110. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossiers O. Couperus, J.J.H. Vos en R.H.G. Nitsch. G.A.M. Archief Commissaris van politie, P.R.A.-Maastricht, proces verbaal nr. 218 (1946). M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 139 b: Gewest 19; idem, Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport J.T. Talens, 1-5-1946.
  111. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  112. C.A.B.R. Dossier O. Couperus.
  113. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.T. Talens, 13-6-1945 en verslag L. Jans aan C. Westerveld te Rijswijk, 5-9-1975. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier L. Jans.
  114. Ibidem.
  115. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers S.W.A.M. de Groot en J.A.M. van Doorn. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W.E.H. Janssen (Boxmeer en Cuyk). Mondelijke mededeling L. Jans, Eben-Emael (B), november 1988.
  116. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-7 b: rapport A.J.M. Vintges.
  117. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J.H. Geurts.
  118. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport A.J.M. Vintges, 10-7-1945; idem, Doc. O.D., A 108-7 b: rapport A.J.M. Vintges.
  119. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers van Kempen en P.J.H. Geurts. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport A.J.M. Vintges, 10-7-1945.
  120. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers van Kempen en P.J.H. Geurts. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport A.J.M. Vintges, 10-7-1945.
  121. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.J.L. Timmermans en G.A. Lucassen.
  122. B.R.I.O.P. B.S.-dossier G.A. Lucassen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  123. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.J.L. Timmermans.
  124. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  125. Vraaggesprek auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531, burgemeestersdossier Horst: rapport burgemeester van Horst over ontsnapping arrestant, 3-8-1944. B.R.I.O.P. B.S.-dossier F.P.J. Smulders. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516: relaas K.P.-ers, H.M. van Ark, 12-12-1945. Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Venlo, proces verbaal nr. 1685 (1945); P.R.A.-Horst, proces verbaal nr. 453 (1946); gegevens afwikkelingsbu- reau concentratiekampen nr. 7545 R.V.G./B.G. Vraaggesprek auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986.
  126. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier G.A. Lucassen.
  127. Ibidem.
  128. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531, burgemeestersdossier Horst: rapport burgemeester Horst, 1-12-1944.
  129. Stichting ’40-’45, Eindhoven. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1673. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 324.
  130. Vraaggesprek auteur met F.J.P. Smulders, J. Arts en C. Claassens, Horst, 20-11-1985.
  131. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1A-11: B.S.-Limburg, 19-7-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1130/2.
  132. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers C.G.A. van Kemenade en M.F.H. Hoedemakers.
  133. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1/2: rapport C.G.A. van Kemenade. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 323-324.
  134. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  135. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1/2: rapport C.G.A. van Kemenade. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1A-11; idem, B.S. gewest 18-5-8. Van Ojen, De Binnenlandse Strijd- krachten, I, p. 324.
  136. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W.E.H. Janssen; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1669: verslag vraaggesprek met W.E.H. Janssen, 2-7-1946.
  137. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1669: verslag vraaggesprek met W.E.H. Janssen, 2-7-1946.
  138. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport P. Kanters, 17-9-1946; Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W.E.H. Janssen.
  139. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1A-11. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1130/2.
  140. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1248.
  141. Vraaggesprek auteur met C. Claassens, Horst, 20-11-1985.
  142. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-7 b: rapport A.J.M. Vintges; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1075/2. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J. Weys. R.v.O. Coll. Doc. II, 1202: P.W. (5). R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Venlo, doos I, map 2: rapport Burgemeester J.P.D. van Banning, Gennep, inzake P.J. Weys. Vraaggesprek auteur met J. Daemen, Bergen, 28-10-1985.
  143. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, P.M.C., doos 32, nr. 304: rapport Militair Commissaris Noord-Limburg, 3/9-6-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1/2 en 1720 (G.O.I.W.-Venray, 24-6-1945).
  144. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W. van Boekhold, 27-1-1945.
  145. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1354/2: verklaring J. Timmermans, 30-7-1951. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.H.J. Timmermans.
  146. Vraaggesprek auteur met H.H. Pollaert, Venlo, 9-10-1985. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport H.H. Pollaert, 13-12-1945. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H.H. Pollaert.
  147. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.F. Gijsbers.
  148. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: verslag driedaags congres te Well.
  149. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  150. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985.
  151. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport Van Enckevort. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring G. Krans. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport N.N., ongedateerd. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  152. Over de kwantitatieve gegevens bestaat geen communis opinio: de verklaringen variëren van vier tot zes kippenhokken. Het aantal bewoners van het kamp loopt uiteen van dertig tot tachtig. Men mag aannemen dat het verloop nogal groot was en dat het aantal kampbewoners aanvankelijk hoger lag dan op het tijdstip van de ontruiming op 17 juli 1943, toen er nog ongeveer 35 onderduikers in het kamp verbleven.
  153. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: verslag duikkamp Helden. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.F. Gijsbers. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945.
  154. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport N.N., ongedateerd. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: verslag duikkamp Helden.
  155. C.A.B.R. Dossiers J.L.A. Kluytmans en P.L. Maessen.
  156. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Dagblad voor Noord-Limburg, 23-7-1983. Artikel J. Greyn. C.A.B.R. Dossiers J.L.A. Kluytmans en P.L. Maessen: verklaring J.J. Evers.
  157. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Dagblad voor Noord-Limburg, 23-7-1983. Artikel J. Greyn.
  158. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Dagblad voor Noord-Limburg, 23-7-1983. Artikel J. Greyn. B.R.I.O.P. B.S.- dossier J.F. Gijsbers. Van Lieshout, De aal van Oranje, p. 249.
  159. C.A.B.R. Dossier O. Couperus: verklaring J.P. Gielen; dossier R.H.G. Nitsch: verklaring G. Krans en W. Verrijt.
  160. C.A.B.R. Dossiers J.L.A. Kluytmans, P.L. Maessen en R.H.G. Nitsch: verklaring Th. Janssen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  161. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: verslag duikkamp Helden. G.A.R. Dossier Oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport Van Enckevort. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier O. Couperus: verklaring J.P. Gielen.
  162. C.A.B.R. Dossiers J.L.A. Kluytmans, P.L. Maessen en R.H.G. Nitsch. P.L. Maessen: Strafmaat: drie jaar detentie met aftrek van voorarrest. In september 1944 werd Maessen door vier illegale werkers opgepakt en opgesloten in een ingegraven kippenhok in de bossen. Na een week slaagde hij erin te ontsnappen. J.L.A. Kluytmans: Op 2 juni 1947 deed het Bijzonder Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch uitspraak in de zaak tegen Kluyt- mans. De rechtbank achtte bewezen dat hij schuldig was, maar tekende aan dat Kluyt- mans onder grote emotie had gehandeld als gevolg van het pas gehoorde bericht dat zijn vriend en kennis Kessels was doodgeschoten. Kluytmans werd tot een gevangenisstraf van zes jaar veroordeeld met aftrek van voorarrest.
  163. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring G. Krans. G.A.R. Dossier oorlogs- documentatie, inv. nr. 180: rapport Van Enckevort.
  164. C.A.B.R. Dossiers R.H.G. Nitsch (affaire duikkamp “Bovensbos”), J.L.A. Kluytmans en P.L. Maessen. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Dagblad voor Noord-Limburg, 23-7-1983. Artikel J. Greyn.
  165. C.A.B.R. Dossier O. Couperus: verklaring J.P. Gielen; dossier R.H.G. Nitsch: verklaring Nitsch en W.G.Th. Verrijt; dossier J.L.A. Kluytmans: verklaring R.H.G. Nitsch; dossier P.L. Maessen: verklaring R.H.G. Nitsch.
  166. Stichting ’40-’45, Eindhoven. C.A.B.R. Dossier J.L.A. Kluytmans: verklaring G. Krans en R.H.G. Nitsch; dossier P.L. Maessen: verklaring G. Krans en R.H.G. Nitsch; dossier R.H.G. Nitsch: verklaring G. Krans en Nitsch.
  167. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch: verklaring W.L. Houwen.
  168. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  169. C.A.B.R. Dossier J.L.A. Kluytmans: verklaring R.H.G. Nitsch; dossier P.L. Maessen: verklaring R.H.G. Nitsch.
  170. C.A.B.R. Dossiers O. Couperus en R.H.G. Nitsch (affaire duikkamp “Bovensbos”).
  171. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport Van Enckevort.
  172. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945 en rapport N.N., ongedateerd. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 180: rapport Van Enckevort.
  173. Stichting ’40-’45, Eindhoven. L. Jans verklaarde dat er geen overleg met Hanssen plaatsvond, maar hij deelde de opvatting van de plaatselijke L.O. Vraaggesprek auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986.
  174. B.R.I.O.P. B.S.-dossier T.F. Mennen. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  175. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  176. Ibidem. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945.
  177. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.W. Cox en J.F. Gijsbers. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985. Collectie L. Jans, Eben- Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945.
  178. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516: relaas van K.P.-ers, H.M. van Ark, 12-12-1945.
  179. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945 en dagboek J.R.L. Jans, 1944. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1318/2: brief J.F. Gijsbers, 7-9-1944; idem, Doc. O.D., A 108-19: rapport J.R.L. Jans, 9-2-1946. Vraaggesprek auteur met mevrouw E. Boutet, Maastricht, 27-9-1985.
  180. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-19: rapport J.R.L. Jans, 9-2-1946.
  181. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945. “Sèrum in d’n ôzel”, p. 87.
  182. “Sèrum in d’n ôzel”, pp. 31, 87. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers S.P. Groot en S.S. Groot.
  183. B.R.I.O.P. B.S.-dossier Th.J. van Rooij.
  184. “Sèrum in d’n ôzel”, p. 87. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J. van der Sterren.
  185. B.R.I.O.P. B.S.-dossier W. van Maurik. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport J.F. Gijsbers, 1-2-1945.
  186. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.M. Hoeymakers.
  187. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers A.H. Gödden en A.J. Gödden. Vraaggesprek auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985.
  188. B.R.I.O.P. B.S. gewest 18-7-6: rapport B.S./O.D. in district Helden.
  189. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1354/2: verklaring J.H.J. Timmermans, 30-7-1951.
  190. Van Heukelom, Kleine klompjes, 1946, p. 9.
  191. Van Heukelom, Kleine klompjes, pp. 10-12. Het is overigens op zijn minst twijfel- achtig of deze illegale werkers zich als O.D.-ers beschouwden, zoals Van Heukelom doet.
  192. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.W. Cox. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: verslag O.D.-Maasbree, 27-6-1946.
  193. Van Heukelom, Kleine klompjes, p. 13.
  194. C.A.B.R. Dossier R.H.G. Nitsch (de zaak F.G. Neef). Collectie G.v.A. Roermond. P.R.A.-Helden, proces verbaal nr. 117 (1945). Van Heukelom, Kleine klompjes, p. 10.
  195. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Rep, Het Englandspiel, pp. 277-278, 281-283.
  196. Rep, Het Englandspiel, pp. 302-303. Zie ook de geïllustreerde pagina ertussen met de bewuste editie van het Contra Signaal.
  197. De Jong, Het Koninkrijk, VII, p. 1016.
  198. Rep, Het Englandspiel, p. 302. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Vraaggesprekken auteur met K.P.M. Ex, Amsterdam, 15-10-1985 en met J.F.H. Mulders, Venlo, 16-6-1986.
  199. Vraaggesprekken auteur met W. van Boekhold, Velden, 7-10-1985; L. Jans, Eben- Emael (B), 26-2-1988 en met K. Ex, Amsterdam, 15-10-1985. R.v.O. Coll. HSSPF, 199- d: dagrapporten Nederlandse politie, 20-1-1944.
  200. Rep, Het Englandspiel, p. 303. Stichting ’40-’45, Eindhoven. R.v.O. Coll. HSSPF, 199-d: dagrapporten Nederlandse politie, 20-1-1944. Vraaggesprek auteur met L. Jans, Eben-Emael (B), 26-2-1988.
  201. C.A.B.R. Dossier O. Couperus (zaak Van Bilsen).
  202. R.v.O. Coll. HSSPF, 199-d: dagrapporten Nederlandse politie, 22-1-1944.
  203. Van Heukelom, Kleine klompjes, pp. 15-40. Gommans, Leven in oorlog, pp. 174, 176, 184 en 186. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1130/2: rapport verbindingsofficier van december 1944; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1354/2: rapport J.H.J. Timmermans, 30-7-1951. B.R.I.O.P. B.S. gewest 18-7-1: rapport Helden, 15-12-1944; idem, B.S. gewest 19-21-2: rapport 13-1-1945.
  204. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1580: rapport verbindingsofficier J. Frantzen, maart 1945; idem, Doc. B.S., inv. nr. 22018. Aan het hoofd van het Militair Gezag in Limburg stonden achtereenvolgens: 14-15 september 1944: eerste luitenant B. van Hasselt (verb. off. geallieerde autoriteiten en Nederlandse overheid); 15 september-12 oktober 1944: reserve-luitenant-kolonel H.J.H. Vullinghs; 12 oktober 1944-1 april 1945: (majoor) luitenant-kolonel mr. C.W.A. Schürmann, Provinciaal Militair Commissaris; 1 april 1945-september 1945 (opheffing Militair Gezag in Limburg): luitenant-kolonel G.J.L. van der Lande.
  205. B.R.I.O.P. B.S.-dossier W.F.Th. van Boekhold.
  206. B.R.I.O.P. B.S.-dossier M.M.C.H. Russel.
  207. Vraaggesprek auteur met G.H. Hanssen, Venray, 13-11-1986.
  208. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531, burgemeestersdossier Baarlo.
  209. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946. B.R.I.O.P. B.S.-dossier W.J. Dewez. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: verslag J. Reuten, november 1945. Vraaggesprek auteur met L. Jans, Eben-Emael (B), 26-2-1988.
  210. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946. B.R.I.O.P. B.S.-dossier W.J. Dewez.
  211. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport illegaliteit Roermond.
  212. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946. B.R.I.O.P. Dossier persverzet, algemeen I, map Christofoor.
  213. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport illegaliteit Roermond. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., map EO-3: rapport Limburg.
  214. R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 86, map FH. Jaarboek Rolduc 1947. Artikel: “In Memoriam Marcel Stoffels”. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen: verklaring L.F.J.H. Frantzen, Roermond, 20-8-1951.
  215. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, inv. nr. 99, onderscheidingen ’40-’45: mevrouw M.E. Hooyer-Dubois. De vader van J. Muis verklaarde het volgende: “’s morgens was J. Muis met twee strijdmakkers weggegaan om verspreide Duitsers te ontwapenen en met die wapens de eigen mensen te bewape- nen. Die ochtend, het was 26 september, werden evenwel razzia’s gehouden en het drietal liep een groepje Duitsers tegen het lijf. Toen de Duitsers hen dreigden te fouilleren probeerde Muis te schieten. Een Duitser die achter hem stond, handelde sneller en schoot Muis een kogel door het hoofd”. (R.v.O. Coll. L.O./L.K.P., doos 89, map FK).
  216. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946.
  217. Stichting ’40-’45, Eindhoven. B.R.I.O.P. Doc. B.S., organisatie illegale groepen op naam: Albrecht (Limburg). Brouwer en Das, Albrecht meldt zich, pp. 14, 94-96.
  218. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1130/2: rapport verbindingsofficier A.A.C. Bol, 23-12-1944; idem, Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L.P.J. Lintjens.
  219. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers M.H. Sonnemans en L.P.J. Lintjens. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1670: resumé van een vraaggesprek met L.P.J. Lintjens, 3-7-1946. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport illegaliteit Roermond. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport N.N., ongedateerd. Hoewel in de bronnen sprake is van twintig Amerikaanse militairen betrof het waarschijnlijk Britse of Canadese militairen. De westelijke Maasoever hoorde immers tot de Britse en Canadese militaire zone.
  220. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946.
  221. Vraaggesprek auteur met J.W.H. Frantzen, Sittard, 11-11-1985. Cammaert, Tussen twee vuren, pp. 86-88.
  222. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers W.J. Dewez en F.W.G.H. Verbruggen. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946.
  223. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1691.
  224. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier IV: rapport illegaliteit Roermond. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. W.J. Dewez, 23-4-1946; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1580: rapport verbindingsofficier J.W.H. Frantzen, maart en april 1945. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  225. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1580: rapport verbindingsofficier J.W.H. Frantzen, 31-5-1945.
  226. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers Th.M. Knoups, F.J.P. Nies en P.J.J. Segers. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport J.H.H. Erkens.
  227. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport L.O.-Weert.
  228. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1465: H.N.B.-Weert. B.R.I.O.P. Doc. B.S., organisatie illegale groepen op naam: H.N.B.-Weert, 9-6-1980. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.W. Saes. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  229. B.R.I.O.P. B.S.-dossier P.J.J. Segers. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1130/2: rapport B.S. Weert, december 1944 en rapport verbindingsofficier De Jong, november 1944.
  230. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1130/2: rapport verbindingsofficier De Jong, november 1944. B.R.I.O.P. B.S. gewest 18-9-14: B.S. district IV, compagnie Neder- weert-Leveroy-Ospel.
  231. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport J.H.H. Erkens.
  232. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1930: rapport J. Stessen, 29-10-1947.
  233. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.C.Th. Stassen.
  234. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.H.G.H. van de Burgt.
  235. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.J. Jamar.
  236. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport L. Jans, 22-1-1945.
  237. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.J.H. Stassen.
  238. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.M. Peters en C.H. van Eck. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport J.M. Peters, 1-9-1946; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1294/2: verkla- ring J.M. Peters, 5-6-1950. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  239. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.M. Peters. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport J.M. Peters, 1-9-1946.
  240. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.M. Peters en C.H. van Eck. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport J.M. Peters, 1-9-1946.
  241. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1473; idem, Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport J.M. Peters, 1-9-1946. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.M. Peters en C.H. van Eck. Collectie P. Peters, Belfeld: rapport C.H. van Eck, 1-7-1950.
  242. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1473; idem, Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport J.M. Peters, 1-9-1946. B.R.I.O.P. B.S.-dossiers J.M. Peters en C.H. van Eck. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  243. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  244. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 187/2: rapport O.D.-Montfort.
  245. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 108-8: rapport P.L. Hoedemakers, 13-12-1944; idem, Doc. B.S., inv. nr. 512/2 en 513/2. Collectie L. Jans, Eben Emael (B). Rapport N.N., ongedateerd.
  246. Ibidem.
  247. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos IV, nr. 20: rapport J. van de Burgt, 22-11-1944.
  248. Ibidem.
  249. B.R.I.O.P. B.S.-dossier J.H.G.H. van de Burgt.
  250. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport ir. H.W.J. Hundscheid. B.R.I.O.P. B.S.-dossier Ch. L’Ortye.
  251. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1A-2: A.E.L. Jonkergouw, Sittard in Crisis en Oorlogs- tijd. ed. V.V.V.-Sittard, 1979. B.R.I.O.P. B.S.-dossier H.W.J. Hundscheid.
  252. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1930: rapport J.J.H. Stessen, 29-10-1947.
  253. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. 2.07.531, burgemeestersdossier Sittard: anoniem schrijven, ongedateerd (1945).
  254. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, dossier zuivering: brief Burgemeester van Stein aan C.d.K., 23-09-1944; idem, inv. nr. 2.07.531, diverse dossiers van kabinetschef drs. L.P.J. de Bruyn: brief van waarnemend Burgemeester van Stein, 11-4-1945.
  255. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, D.M.C.-Heerlen, doos IV, nr. 20: rapport J. van de Burgt, 22-11-1944.
  256. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1714: schrijven Roermond, 21-4-1945.
  257. C.A.B.R. Dossier A.A.L.M. Kruytzer.
  258. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: verslag L.O.-Maastricht, Belastinggroep.
  259. B.R.I.O.P. B.S.-dossier A.H.M.C. Kessen. M.v.D.-C.A.D. Doc. O.D., A 110: W. Röell, De genesis van de O.D., résumé van een gesprek met W. Röell, 14-5-1947.
  260. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W.E.H. Janssen; idem, Doc. B.S., inv. nr. 1669: résumé gesprek met W.E.H. Janssen, 2-7-1946.
  261. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 570/572-2: rapport W.E.H. Janssen (kanttekening J. Jans in de marge).
  262. Collectie E. van der Noordaa, ’s-Gravenhage. Brief E. van der Noordaa over W. de Muralt, 7-9-1982.
  263. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 499/2: schrijven E. Wetzels aan S.P. van ’t Hof, 26-8-1948.
  264. R.A.L. Archief Provinciaal Militair Gezag, Provinciaal Militair Commissaris, doos 29, inv. nr. 281.
  265. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 245. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 499/2: schrijven E. Wetzels aan S.P. van ’t Hof, 26-8-1948.
  266. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 499/2: schrijven E. Wetzels aan S.P. van ’t Hof, 26-8-1948.
  267. Ibidem.
  268. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 244.
  269. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 187/2: majoor Sijmons; idem, Doc. B.S., inv. nr. 499/2: schrijven E. Wetzels aan S.P. van ’t Hof, 26-8-1948. G.J. van Ojen beschrijft de O.D.-brassard als volgt: blauw, in de lengte onderbroken door een strook wit-oranje-wit, met zwarte opdruk O.D., naast een salamanderfiguur (Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 245).
  270. Vraaggesprek auteur met P.G.H. Satijn, Maastricht, 29-11-1985. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 256/2: schrijven C. van Oppen, 20-1-1945. R.v.O. Coll. Doc. II, 1050, illegaliteit Maastricht: H.S. Brief van pastoor J. Nijsten aan auteur, Maastricht, 25-9-1985.
  271. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 318 en XIII (niet geannoteerde uitgave), pp. 145-146. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 244. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 187/2: majoor Sijmons. A.R.A. Archief Militair Gezag, Geheim Archief, doos 204: eerste verslag majoor mr. C.W.A. Schürmann, 14-15 september 1944.
  272. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1406: rapport H. Kuiper, 8-2-1946.
  273. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 740/2: B.T.-Maastricht, januari 1945; idem, Doc. B.S., inv. nr. 704/2: B.T. en S.T. Limburg, januari 1945; idem, Doc. B.S., inv. nr. 327/2: overzicht van de werkzaamheden van de verbindingsofficier Zuid-Limburg; idem, Doc. B.S., inv. nr. 763/2: schrijven majoor mr. C.H.J.F. van Houten, 29-11-1944; idem, Doc. B.S., inv. nr. 499/2: schrijven E. Wetzels aan S.P. van ’t Hof, 26-8-1948. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1B-4: rapport E. Wetzels, 26-1-1945.
  274. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 565/2: dagboek staf I-13-R.I. (E. Wetzels); idem, Doc. B.S., inv. nr. 1133/2: L.I.B.- Maastricht, organisatie I-13-R.I.
  275. Stichting ’40-’45, Eindhoven. De Jong, Het Koninkrijk, I, pp. 56-57.
  276. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  277. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag W.J. Quint, 7-10-1976.
  278. Stichting ’40-’45, Eindhoven. J.H. Ronhaar kwam op 3 mei 1942 in Sachsenhausen om het leven.
  279. Schriftelijke informatie, verstrekt door C.M.J.A.F. Nicolas, 13-9-1985. Vraaggesprek auteur met C.M.J.A.F. Nicolas, Reuver, 30-9-1985.
  280. B.R.I.O.P. B.S.-dossier C.M.J.A.F. Nicolas: S.P. van ’t Hof, 21-7-1948.
  281. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag W.J. Quint, 7-10-1976. B.R.I.O.P. B.S.- dossier C.M.J.A.F. Nicolas: S.P. van ’t Hof, 21-7-1948.
  282. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag W.J. Quint, 7-10-1976.
  283. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, onderscheidingen ’40-’45, inv. nr. 282: Sj. de Groot.
  284. Stichting ’40-’45, Eindhoven. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, inv. nr. P.07.77: sabotage Heerlen, mei 1942.
  285. Vraaggesprek auteur met C. Nicolas, Reuver, 30-9-1985. Stichting ’40-’45, Eindhoven. G.A.M. Archief Commissaris van Politie, P.R.A.-Maastricht, proces verbaal nr. 1485.
  286. B.R.I.O.P. B.S.-dossier C.M.J.A.F. Nicolas: S.P. van ’t Hof, 21-7-1948.
  287. Stichting ’40-’45, Eindhoven.
  288. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Verslag W.J. Quint, 7-10-1976.
  289. Vraaggesprek auteur met C. Nicolas, Reuver, 30-9-1985. B.R.I.O.P. B.S.-dossier C.M.J.A.F. Nicolas: S.P. van ’t Hof, 21-7-1948.
  290. G.A.R. Dossier oorlogsdocumentatie, inv. nr. 181: rapport O.D.-Kerkrade. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier VIII: rapport O.D.-Kerkrade. B.R.I.O.P. B.S.-dossier C.M.B. de Weyer: rapport C.M.B. de Weyer, 30-11-1976.
  291. Stichting ’40-’45, Eindhoven. S.H.C. Archief Coenjaarts, E.A.N. 516, dossier V: rapport rayon Klimmen en rapport inlichtingendienst (door Th. Goossen); idem, dossier VIII: district Heerlen, L.O. en C.I.D., rapport O.D.-Kerkrade.
  292. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport A. Paulen, december 1945. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 317.
  293. Vraaggesprek auteur met C. Nicolas, Reuver, 30-9-1985. B.R.I.O.P. B.S.-dossier C.M.J.A.F. Nicolas: P. Müller, 15-4-1952. B.R.I.O.P. Doc. B.S., Collectie Koot, diversen, onderscheidingen ’40-’45, inv. nr. 282: A. Paulen. Stichting ’40-’45, Eindho- ven. Collectie L. Jans, Eben-Emael (B). Rapport A. Paulen, december 1945. Archief Kabinet C.d.K.-Limburg, Gouverneur Algemeen, inv. nr. 2.07.26: hierin opgenomen een relaas van Coenjaarts, Quint, Paulen en Nicolas over de missie Paulen- De Witt Puyt, alsmede over het verzetswerk van Paulen in het algemeen. De controverse rond het optreden van Paulen woedde nog geruime tijd voort en bereikte opnieuw een hoogte(diepte)punt toen Paulen met de Militaire Willemsorde werd onder- scheiden. Pas nadat generaal H. Koot Nicolas dringend had verzocht zijn gefulmineer tegen Paulen te staken, omdat hij de Willemsorde er als zodanig mee in discrediet bracht, verstomden Nicolas’ aantijgingen.
  294. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, pp. 179, 245. A.R.A. Archief Militair Gezag, Geheim Archief, doos 204: derde verslag majoor mr. C.W.A. Schürmann, 25 september-2 oktober 1944.
  295. Hoogeveen, Eveneens voor de goede orde, p. 86.
  296. De Jong, Het Koninkrijk, X A, p. 544. A.R.A. Archief Militair Gezag, Geheim Archief, doos 204: derde verslag majoor mr. C.W.A. Schürmann, 25 september-2 oktober 1944.
  297. Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 179. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1B-9: H.J. Kruls, 13-10-1944. B.R.I.O.P. B.S.-dossier C.M.J.A.F. Nicolas: S.P. van ’t Hof, 21-7-1948.
  298. Van Ojen noemt 23-11-1944 als datum van opheffing van de O.D. (Van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten, I, p. 246). Dat lijkt onwaarschijnlijk, omdat Kruls er bij Nicolas op aandrong meteen met de vorming van B.T. te beginnen, nadat hij hem op 13 oktober tot militair commissaris in de Mijnstreek had benoemd. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1311: schrijven Maastricht, 8-2-1945.
  299. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 1109: J.J.H. Willemsen, 27-1-1945.
  300. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 196: H.W.L. Frowein, 30-1-1945; idem, inv. nr. 797/2.
  301. M.v.D.-C.A.D. Doc. B.S., inv. nr. 704/2: sterkte B.T.-Mijnstreek, februari 1945.
  302. B.R.I.O.P. B.S. gewest 19-1-01: gesneuvelden B.T.-Mijnstreek.